KamerkringInloggen
Kamerstuk

Memorie van toelichting

1 apr 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie bfbba7a9909e015a · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 924Wijziging van de Wet op het financieel toezicht,Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wethandhaving consumentenbescherming en deOvergangswet nieuw Burgerlijk Wetboek terimplementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225inzake kredietovereenkomsten voorconsumenten (Implementatiewet herzienerichtlijn consumentenkrediet)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING Inhoudsopgaveblz.ALGEMEEN21.Inleiding22.Inhoud richtlijn33.Hoofdlijnen van het voorstel en wijze van implementatie84.Mate van harmonisatie135.Verhouding van de richtlijn tot het unierecht en hetnationale recht176.Juridische en overige niet-financiële gevolgen227.Bedrijfseffecten en financiële gevolgen258.Uitvoering339.Toezicht, handhaving en rechtsbescherming3610.Evaluatie3711.Advies en consultatie3812.Advies Autoriteit Persoonsgegevens5913.Overgangsrecht en inwerkingtreding62ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING63BIJLAGE. TRANSPONERINGSTABEL93 kst-36924-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 31 ALGEMEEN § 1. Inleiding Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van de herziene richtlijnconsumentenkrediet (hierna: de richtlijn).1 Net als Richtlijn 2008/48/EG(hierna: CCDI (Consumer Credit Directive I)) streeft de richtlijn hetbevorderen van de totstandkoming van een interne markt voor krediet naen het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming.De toenemende digitalisering, de opkomst van nieuwe kredietproducten,de ontwikkeling in het gedrag en de voorkeuren van consumenten enonnauwkeurige formulering van diverse bepalingen in de CCDI zijn, opbasis van de evaluatie door de Europese Commissie in 20202, aanleidinggeweest voor de herziening. De richtlijn diende op 20 november 2025 innationale wet- en regelgeving te zijn geïmplementeerd en de bepalingendienen uiterlijk van toepassing te zijn op 20 november 2026. Ditwetsvoorstel geeft uitvoering aan de richtlijn.Daarnaast bevat het voorstel enkele onderdelen die niet direct voort-vloeien uit de richtlijn, maar wel aanvullend en noodzakelijk zijn voor hetbehalen van de richtlijndoelstellingen. Het gaat allereerst om een verbodom bepaalde vormen van krediet aan te bieden aan minderjarigen en debijbehorende verplichting tot verificatie van de leeftijd van de consument.Ook worden enkele uitzonderingen van het toepassingsgebied, zoalsgenoemd in artikel 2, van de richtlijn, niet of niet volledig overgenomen.Zo wordt niet overgenomen dat er een bovengrens geldt voor hettoepassingsbereik, namelijk voor kredietovereenkomsten met een somvan meer dan € 100.000. Ook grotere kredietovereenkomsten vallendaarmee onder het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel, zoals ook nuhet geval is. Daarnaast worden platforms die zelf, zonder gebruik van eenderde, kredietovereenkomsten aanbieden in de vorm van uitstel vanbetaling, niet uitgezonderd van het toepassingsbereik van ditwetsvoorstel. Voorts blijft effectenkrediet gereguleerd onder eenmaatwerkregeling. Tot slot bevat het wetsvoorstel een wettelijkegrondslag om bij uitzondering en onder strikte voorwaarden bijzonderecategorieën van persoonsgegevens te verwerken in het kader van dekredietwaardigheidsbeoordeling.In paragraaf 2 wordt stilgestaan bij de totstandkoming en inhoud van derichtlijn, waarna in paragraaf 3 de hoofdlijnen van dit wetsvoorstel en dewijze van implementatie worden beschreven. Paragraaf 4 beschrijft demate van harmonisatie middels het wetsvoorstel. Vervolgens wordt inparagraaf 5 aandacht besteed aan de verhouding tot Unierecht en hetnationale recht. In paragraaf 6 wordt ingegaan op de gevolgen van hetwetsvoorstel, met uitzondering van de financiële gevolgen. Paragraaf 7gaat in op de bedrijfseffecten en financiële gevolgen. Paragraaf 8 betreftde uitvoeringsparagraaf, paragraaf 9 de toezichts-, handhavings- enrechtsbeschermingsparagraaf en in paragraaf 10 wordt stilgestaan bij deevaluatie van dit wetsvoorstel. Paragraaf 11 ziet op advies en consultatieen paragraaf 12 noemt het overgangsrecht en de inwerkingtreding. Na hetalgemene deel van de toelichting is een artikelsgewijze toelichtingopgenomen alsmede een transponeringstabel in de bijlage.1Richtlijn (EU) 2023/2225 van het Europees Parlement en de Raad, 18 oktober 2023 inzakekredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2008/48/EG.2Europese Commissie, Evaluatie van Richtlijn 2008/48/EC inzake kredietovereenkomsten voorconsumenten, 5 november 2020 (WD(2020)254), https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/1844-Evaluation-of-the-Consumer-Credit-Directive_nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 32 Deze memorie van toelichting wordt gegeven mede namens de Staatsse-cretaris van Justitie en Veiligheid.§ 2. Inhoud richtlijn Achtergrond CCDIDe CCDI dateert van 23 april 2008 en beoogde consumenten tebeschermen bij het sluiten van kredietovereenkomsten, teneinde hetconsumentenvertrouwen te vergroten en het vrije verkeer van kredietaan-biedingen optimaal te laten functioneren.3 Daarnaast beoogde de CCDIeen goede werking van de interne markt, door nationale wetgeving van delidstaten te harmoniseren. De CCDI voorzag er vooral in consumenten allebenodigde informatie te verschaffen om aanbiedingen van krediet teevalueren, deze met elkaar te vergelijken en consumentenrechten teverlenen in het geval zij zich zouden bedenken.4Met de CCDI werd een hoog niveau van harmonisatie nagestreefd, waarbijde lidstaten de consument niet een hoger niveau van consumentenbe-scherming mochten toekennen dan in de CCDI werd bepaald en dewetgeving van de lidstaten na implementatie op het door de CCDIgeharmoniseerde gebied, niet (meer) uiteen zou lopen. Dit betekende dat,behoudens enige vrijheid met betrekking tot het toepassingsgebied vande CCDI, lidstaten slechts beperkt de ruimte hadden om andere regels tehandhaven of introduceren.In 2020 heeft de Europese Commissie in de evaluatie van de CCDIgeconcludeerd dat de doelen slechts gedeeltelijk waren gehaald. Enkelevan de bepalingen van de CCDI die het meest doeltreffend zijn gebleken,zien op het herroepingsrecht en het recht op vervroegde aflossing.Consumenten zijn over het algemeen goed op de hoogte van hun rechtenom kredietovereenkomsten te herroepen of vervroegd af te lossen.5Verder zijn de geharmoniseerde berekening van het jaarlijks kostenper-centage (het totale, jaarlijkse bedrag aan rente en kosten van een leninguitgedrukt als percentage van het kredietbedrag, hierna: JKP) en hetstandaarddocument «Europese standaardinformatie inzake consumenten-krediet» (hierna: het ESIC-formulier) doeltreffend gebleken. Beideelementen van de CCDI geven consumenten de mogelijkheid omaanbiedingen, rente en kosten van verschillende kredietgevers tevergelijken, zowel voorafgaand aan, als tijdens de looptijd van eenkredietovereenkomst.Uit de evaluatie volgde ook dat de CCDI een aantal tekortkomingen had.Zo waren de uitzonderingen op het toepassingsgebied zoals vastgesteldin artikel 2 van de CCDI substantieel en bestreek de CCDI niet het volledigeproces van kredietverlening, waardoor aspecten van het proces gedeel-telijk of niet zijn geharmoniseerd. Ook was er sprake van onduidelijkebewoordingen van sommige bepalingen van de CCDI, die leidden totrechtsonzekerheid. Dit gaat bijvoorbeeld om de bepalingen inzake destandaardinformatie. Voorts was in artikel 8 van de CCDI inzake dekredietwaardigheidstoets onvoldoende specifiek gedefinieerd welkeinformatie moet worden gecontroleerd of onder welke voorwaarden de3Overweging 8 van de preambule van Richtlijn 2008/48/EG (CCDI).4Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering vanRichtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten, 5 november 2020(WD(2020)963), pagina 1, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52020DC0963.5Van consumenten is 72% op de hoogte van het herroepingsrecht en 82% is op de hoogte vanhet recht op vervroegde aflossing. Europese Commissie. Evaluatie van Richtlijn 2008/48/ECinzake kredietovereenkomsten voor consumenten, 5 november 2020 (WD(2020)254).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 33 kredietgever de consument als kredietwaardig kan beschouwen. Alsgevolg hiervan is er sprake van grote verschillen in de kredietwaardig-heidstoetsen van lidstaten. Ook zijn er grote verschillen geconstateerdtussen de soorten en de hoogte van de sancties die bevoegde autoriteitenvan lidstaten opleggen bij de handhaving van de CCDI.Tot slot was de CCDI niet goed voorbereid op de ontwikkelingen op hetgebied van digitalisering. De digitalisering heeft bijgedragen aanmarktontwikkelingen waarin niet was voorzien toen de CCDI werdvastgesteld.6 Een eenvoudig voorbeeld is de standaardinformatie, dieonder de CCDI in de vorm van een papieren formulier moest wordenverstrekt, terwijl zowel consument als kredietgever vaak de voorkeurgeven aan een papierloze (online) omgeving.Inhoud van de herziene richtlijnDe doelstellingen van het waarborgen van een hoog niveau van consu-mentenbescherming en bevordering van de interne markt bleken volgensde conclusies van de CCDI-evaluatie onverminderd relevant. De richtlijnbeoogt dan ook een transparanter en efficiënter juridisch kader voorconsumentenkrediet te creëren, om daarmee het vertrouwen van deconsumenten te vergroten, hun bescherming te verbeteren en deontwikkeling van grensoverschrijdende activiteiten te vergemakkelijken.7Volledige harmonisatie is daarbij nodig om te waarborgen dat alleconsumenten in de Unie een hoog en gelijkwaardig niveau vanbescherming van hun belangen genieten en om een goed werkendeinterne markt te creëren.8 De richtlijnbepalingen hebben deze doelen alsuitgangspunt en worden hierna per thema genoemd.MaximumharmonisatieNet als bij de CCDI, is volledige harmonisatie het uitgangspunt van derichtlijn om te waarborgen dat alle consumenten in de Europese Unie eenhoog en gelijkwaardig niveau van bescherming kunnen genieten.Lidstaten mogen hier niet van afwijken voor zover het de geharmoni-seerde bepalingen betreft. In sommige gevallen is er ruimte voor hetbehouden of invoeren van nationale wetgeving.9Uitbreiding toepassingsgebiedDe richtlijn breidt het toepassingsgebied uit ten opzichte van de CCDI. Hetfeit dat de CCDI ruime uitzonderingen kende, was één van de tekortko-mingen zoals geconstateerd in eerdergenoemde evaluatie. Zo was deCCDI niet van toepassing op consumentenkredietovereenkomsten meteen totaal kredietbedrag van minder dan € 200 of meer dan € 75.000. Metde richtlijn vervalt de ondergrens. De bovengrens wordt verhoogd naar€ 100.000.Andere uitzonderingen vervallen eveneens. Het gaat om uitzonderingenvoor (i) huur- of leasingovereenkomsten met een optie tot koop, (ii)kredietovereenkomsten die in de vorm van een geoorloofde debetstandop een rekening worden verleend en die binnen een maand moetenworden afgelost, (iii) kredietovereenkomsten waarover geen rente ofandere kosten moeten worden betaald en (iv) kredietovereenkomstenwaarbij het krediet binnen drie maanden moet worden terugbetaald en6Overweging 4 van de preambule van de richtlijn.7Overweging 4 van de preambule van de richtlijn.8Overweging 12 van de preambule van de richtlijn.9Overweging 13 en 14 van de preambule van de richtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 34 waarvoor slechts onbeduidende kosten worden gerekend. Nieuwepotentieel nadelige kredietproducten (waartoe bijvoorbeeld ook «koop nu,betaal later»-diensten en kaarten met uitgestelde debitering behoren)vallen nu wel onder het toepassingsgebied van de richtlijn,10 zij het dat derichtlijn diverse lidstaatopties bevat om op enkele van deze kredietpro-ducten minder stringente regels van toepassing te laten zijn, bijvoorbeeldmet betrekking tot reclame en (precontractuele) informatieverplich-tingen.11 Ook bevat de richtlijn een lidstaatoptie om kaarten met uitge-stelde debitering volledig buiten het toepassingsgebied van de richtlijn teplaatsen.Vergunning- of registratieplicht kredietgevers en kredietbemiddelaarsVoor kredietgevers en kredietbemiddelaars schrijft de richtlijn eenvergunningplicht of registratieplicht voor. De richtlijn biedt twee uitzonde-ringsmogelijkheden. Lidstaten mogen mkb-ondernemingen12 van devergunningplicht vrijstellen die (i) kredietbemiddelaar zijn in nevenacti-viteit (bijvoorbeeld kleine winkeliers die tussenpersoon zijn bij een «koopnu, betaal later»-kredietovereenkomst) of die (ii) kredietgever zijn innevenactiviteit in die zin dat zij zelf (dus zonder tussenkomst van eenderde) uitstel van betaling verlenen voor de aankoop van door henaangeboden roerende zaken of diensten zonder daarvoor kosten of rentete rekenen, met uitzondering van beperkte kosten wegens betalingsachter-stand overeenkomstig het nationale recht.Verstrekken van (precontractuele) informatie en adviesDe richtlijn scherpt de eisen aan die gelden voor de inhoud en de wijzewaarop precontractuele informatie verstrekt dient te worden en brengtdeze in lijn met gedragsinzichten. De voornaamste elementen van hetkrediet, waaronder het JKP, moeten voortaan op opvallende en voorge-schreven wijze op de eerste bladzijde worden vermeld van hetESIC-formulier. Dit formulier is daarnaast aangepast aan de technischebeperkingen van bepaalde media zoals mobiele telefoons, en komtdaarmee tegemoet aan één van de genoemde tekortkomingen zoalsgenoemd in de CCDI-evaluatie. Daarnaast moet de kredietovereenkomstin duidelijke en beknopte vorm alle noodzakelijke informatie bevatten overde rechten en plichten van de consument die daaruit voortvloeien. Deinformatieverplichtingen zijn onder andere uitgebreid met de plicht vooreen kredietaanbieder om contactgegevens van schuldadviesdiensten opte nemen in de kredietovereenkomst. Reeds op grond van de CCDI diendeprecontractuele informatie «geruime tijd» voor het ingaan van dekredietovereenkomst aan de consument te worden verstrekt.13 De richtlijnvoegt hieraan toe dat, indien de precontractuele informatie niet ten minsteéén dag van tevoren is verstrekt, de kredietgever of -bemiddelaar deconsument uiterlijk zeven dagen na de sluiting van de kredietovereen-komst schriftelijk wijst op zijn herroepingsrecht.14 Dit is een nadereinvulling van de term «geruime tijd», waarmee rechtsonzekerheid,genoemd als één van de tekortkomingen van de CCDI in de evaluatie,wordt tegengegaan.10Zie overweging 15 van de preambule van de richtlijn. Deze kredietproducten zijn potentieelnadelig vanwege de hoge kosten die eraan verbonden zijn of de hoge vergoedingen dieworden gehanteerd bij gemiste betalingen.11Artikel 2, achtste lid, van de richtlijn.12Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling van de Commissiebetreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422)van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote enmicro-ondernemingen.13Artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 2008/48/EG (CCDI).14Artikel 10, eerste lid, tweede alinea van de richtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 35 Gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst moet de consumenttijdig en voorafgaand aan elke eenzijdige wijziging van de overeenkomstof algemene voorwaarden van de kredietovereenkomst door de aanbiedergeïnformeerd worden met daarbij, in voorkomend geval, een toelichtingbij de van rechtswege doorgevoerde wijzigingen conform de implemen-tatie van artikel 27 de Richtlijn Kredietservicers en kredietkopers (EU2021/2167).15 Daarnaast moet de consument gedurende de looptijd van dekredietovereenkomst op de hoogte worden gebracht van wijzigingen in devariabele debetrentevoet en daaruit volgende gewijzigde betalingen.Tot slot stelt de richtlijn ook regels ten aanzien van advies. Zo moet eenadviseur zijn advies afstemmen op de behoeften en omstandigheden vande consument, waarbij hij tevens rekening houdt met de doelstelling omwanbetaling en betalingsachterstand zoveel mogelijk te beperken.Daarnaast gelden er aanvullende informatieverplichtingen over ondermeer de gevraagde vergoeding en het door de adviseur in overweginggenomen productaanbod. De richtlijn bevat een lidstaatoptie om hetgebruik van de termen «advies» en «adviseur» of soortgelijke termen teverbieden indien de adviesdiensten worden verleend door kredietgeversof -bemiddelaars.Koppelverkoop en gebundelde verkoopHet is aanbieders niet toegestaan kredietovereenkomsten te verkopen ofaan te bieden als onderdeel van een pakket met andere financiëleproducten of diensten waarbij de kredietovereenkomst niet afzonderlijkwordt aangeboden. Deze zogeheten koppelverkoop kan consumentennamelijk aanzetten tot het sluiten van kredietovereenkomsten die niet inhun belang zijn. Slechts enkele vormen van koppelverkoop zijn toege-staan, namelijk van een betaal- of spaarrekening of van een verzekering.Een gebundelde verkoop, die juist gunstig kan zijn voor een consument ofeen wezenlijk onderdeel is van de kredietovereenkomst, is ondervoorwaarden wel toegestaan. De richtlijn voorziet ook in een verbod omverzekeringspolissen met betrekking tot een kredietovereenkomst tebaseren op persoonsgegevens betreffende de diagnose van oncologischeziekten, na een periode van maximaal 15 jaar na het einde van demedische behandeling van de consument.Ongevraagde kredietverlening en afgeleide instemmingHet ongevraagd verlenen van krediet – zoals het toesturen vanongevraagde, reeds goedgekeurde kredietkaarten of de eenzijdigeinvoering van een nieuwe geoorloofde debetstand of maximumover-schrijding – kan schadelijk zijn voor consumenten en wordt daaromverboden. Verder is voor het aangaan van een consumentenkredietover-eenkomst vereist dat de consument het kredietaanbod op ondubbel-zinnige wijze aanvaardt. Het is niet toegestaan stilzwijgen van deconsument als aanvaarding van een kredietaanbod te laten gelden.Kredietwaardigheid en databankenDe verplichte kredietwaardigheidstoets wordt in de richtlijn uitgebreid. Detoets moet in het belang van de consument worden uitgevoerd omonverantwoordelijke leenpraktijken en overkreditering te voorkomen. Netals in de CCDI wordt voor lidstaten een open norm voorgeschreven, maarde richtlijn biedt meer handvatten dan voorheen ter verduidelijking waarde toets aan moet voldoen. Zo moet de toets worden uitgevoerd op basis15Richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 inzakekredietservicers en kredietkopers en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 36 van relevante informatie over het inkomen en de uitgaven van deconsument en moet dit in verhouding staan tot de aard, de duur, dewaarde en de risico’s van het krediet voor de consument. Op deze wijzeworden de eisen die de richtlijn stelt aan de kredietwaardigheidsbeoor-deling nader ingevuld, om zo uiteenlopende eisen in verschillendelidstaten tegen te gaan. Het betreft een belangrijke in de CCDI-evaluatiegeconstateerde tekortkoming. Dit geldt ook voor de verdere invulling voorhet gebruik van databanken, zoals hierna aan bod komt.Lidstaten kunnen eisen dat kredietgevers een relevante databank, zoals inNederland de databank van Bureau Krediet Registratie (BKR), raadplegenvoor de kredietwaardigheidsbeoordeling. De databank omvat ten minsteinformatie over achterstallige kredietbetalingen van consumenten, hetsoort krediet en de identiteit van de kredietgever. Alleen onder toezichtstaande instellingen mogen toegang hebben tot die databank. De richtlijnbeschrijft de rechten van de consument om geïnformeerd te worden overde registratie in de databank, raadpleging van de databank en over demogelijkheid om een klacht over de registratie in te dienen.GedragsregelsIn de activiteiten rondom de kredietverlening dienen de kredietgevers enkredietbemiddelaars de rechten en belangen van consumenten in acht tenemen en onder andere op eerlijke, redelijke, transparante en professi-onele wijze te handelen. Zij moeten bij de kredietverlening, bemiddeling,facilitering of verlening van adviesdiensten rekening houden met desituatie waarin de consument zich bevindt. Hun beloningsbeleid moethieraan bijdragen en beloningen mogen op grond van de richtlijnbijvoorbeeld niet afhankelijk zijn van het aantal verstrekte kredieten.Verder zijn lidstaten verantwoordelijk voor het stellen van minimumver-eisten inzake kennis en bekwaamheid.Financiële educatie, schuldpreventie en ondersteuningDe richtlijn schrijft voor dat lidstaten maatregelen nemen op het gebiedvan financiële educatie om het op verantwoordelijke wijze lenen van gelden het beheren van schulden te stimuleren. Ter preventie voeren lidstatenverder maatregelen in om buitensporig hoge kredietkosten voor deconsument te voorkomen, zoals invoering van een kostenplafond. Naastdat de richtlijn verplichtingen voorschrijft aan de kredietgever enkredietbemiddelaar voorafgaand aan de totstandkoming van de krediet-overeenkomst, ziet een deel van de richtlijn ook juist op de periodedaarna. Kredietgevers worden verplicht om processen en beleid op testellen en te hanteren om betalingsproblemen van de consumentvroegtijdig op te sporen en indien zij die vaststellen, moeten zij deconsument doorverwijzen naar schuldadviesdiensten. Lidstaten dienendeze onafhankelijke diensten beschikbaar te stellen tegen beperkte kosten.De kredietgever is verplicht een redelijke mate van respijt te gevenvoordat hij over gaat tot het innen van krediet. Dit kan hij doen dooroplossingen aan te bieden, zoals uitstel van betaling of wijziging van dekredietovereenkomst.SanctiesHoewel in de CCDI-evaluatie grote verschillen zijn geconstateerd tussende soorten en de hoogte van de sancties die bevoegde autoriteiten vanlidstaten hebben opgelegd bij de handhaving van de CCDI, harmoniseertde richtlijn dit onderwerp niet. Lidstaten behouden de keuze van de inhandhaving toe te passen sancties, mits deze doeltreffend, evenredig enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 37 afschrikkend zijn. Wel zijn lidstaten verplicht geldboetes in te voeren alssanctie.§ 3. Wijze van implementatie en hoofdlijnen van het voorstel Wijze van implementatieHet voorstel van wet bevat wijzigingen van de Wet op het financieeltoezicht (Wft), het Burgerlijk Wetboek (BW), de Wet handhaving consu-mentenbescherming (Whc) en de Overgangswet nieuw BurgerlijkWetboek (OnBW). Bij de implementatie van de richtlijn is zoveel mogelijkaangesloten bij de wijze waarop de CCDI en tevens vergelijkbarebepalingen uit andere Europese richtlijnen reeds in de Nederlandse wet-en regelgeving zijn geïmplementeerd. Zo worden de privaatrechtelijkebepalingen van de richtlijn net als de privaatrechtelijke bepalingen uit deCCDI geïmplementeerd in Afdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 BW. Enkeleverplichtingen uit de richtlijn zien immers op de contractuele sfeer tussenbijvoorbeeld een aanbieder en de consument, waarbij het van belang isdat de consument civielrechtelijk aanspraak kan maken op nakoming vandie verplichting. Om deze reden worden enkele bepalingen ofwel enkelopgenomen in de Wft of het BW, ofwel in beide wetten, al dan niet meteen verwijzing in de Wft naar het BW, of met een handhavingsgrondslagin de Whc.Er is aangesloten bij de bestaande systematiek om een hoofdnorm in deWft te implementeren en de nadere uitwerking van de hoofdnorm inlagere wet- en regelgeving. Implementatie van de richtlijn leidt daarmeeook tot aanpassing van lagere regelgeving, waaronder het BesluitGedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo), het BesluitKredietvergoeding (Bk), het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector(Bbbfs) en de Vrijstellingsregeling Wft (Vr Wft). Een beperkt deel van debepalingen uit artikel 19 van de richtlijn, dat ziet op verplichtingen vanlidstaten ten aanzien van databanken, wordt geïmplementeerd in de Wetstelsel kredietregistratie.16 De Wet stelsel kredietregistratie is gelijktijdigmet dit voorstel in voorbereiding. Deze wet maakt het beheer van hetkredietregister een wettelijke taak, maakt het mogelijk om BKR aan tewijzen als uitvoerder van die taak en zorgt ervoor dat gegevens zorgvuldigworden gebruikt.Afdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 BW en de Wft kennen verschillendebenamingen voor de term «kredietgever». Waar in de betreffende afdelingvan het BW de term «kredietgever» is overgenomen van de richtlijn,wordt in de Wft de kredietgever aangeduid als «aanbieder van krediet».Aangezien dit voorstel zowel het BW als de Wft wijzigt, wordt in detoelichting in beginsel gesproken over «kredietgever» tenzij de toelichtingspecifiek ziet op de bepalingen in de Wft. Ook spreekt de richtlijn over«consumentenkredietovereenkomsten». In Afdeling 1 van Titel 2a vanBoek 7 BW wordt volstaan met de term «kredietovereenkomst» en in deWft wordt dit aangeduid met «krediet, niet zijnde hypothecair krediet».Daarnaast is in plaats van de term «goederen» bij de implementatie vande richtlijn gekozen voor «roerende zaken». De richtlijn spreekt bijvoor-beeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel h, over een leverancier vangoederen of diensten. Goederen zijn in de Nederlandse wet- en regel-geving echter alle zaken en vermogensrechten. Aangezien dit niet aansluitbij de strekking van de richtlijn, is bij de implementatie gekozen voor«roerende zaken».16Wet Wetsvoorstel kredietregistratie, te raadplegen via: https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK025409.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 38 Ten slotte is voor de definitie van schuldadviesdiensten gekozen voor eenverwijzing naar artikel 47 Wet op het consumentenkrediet (Wck) dat zietop schuldbemiddeling. Schuldbemiddeling is het in de uitoefening vaneen beroep of bedrijf, anders dan door het aangaan van een krediettrans-actie, verrichten van diensten, gericht op de totstandkoming van eenregeling met betrekking tot de bestaande schuldenlast van een natuurlijkepersoon, geheel of gedeeltelijk voortvloeiend uit een of meer krediettrans-acties. Artikel 48 van de Wck bepaalt welke partijen de dienst schuldbe-middeling mogen verrichten. Dit zijn onder meer gemeenten, krediet-banken, advocaten, bewindvoerders ingevolge de Faillissementswet,bewindsvoerders ingevolge Boek 1 BW en deurwaarders. Ook is hettoegestaan dat partijen om niet bemiddelen in schuld. Op grond van derichtlijndefinitie van schuldadviesdiensten mogen deze diensten slechtsdoor een onafhankelijke professional, niet zijnde de kredietgever, verleendworden. Ondanks dat kredietbanken in beginsel als kredietgever kwalifi-ceren, mogen zij op grond van de Wck wel bemiddelen in schulden. Eenkredietbank is een partij die wel kredietgever is, maar als doelstellingheeft om burgers in het kader van schuldhulpverlening te helpen metfinanciële problemen, bijvoorbeeld met een saneringskrediet. Dit is eenschuldregelingsvorm waarbij de totale schuld wordt afgekocht tegenfinale kwijting. De burger heeft daarna slechts één aflosverplichting bij dekredietbank. De kredietovereenkomsten die door kredietbanken wordenverstrekt zijn onder voorwaarden op grond van artikel 4:2 Wft uitge-zonderd van de Wft. Deze vallen ook niet onder het toepassingsgebiedvan de richtlijn op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel k. Dit heeftals gevolg dat de beperking ten aanzien van het verlenen van schuldad-viesdiensten niet geldt ten aanzien van kredietbanken. Daarbij zou het,gezien de maatschappelijke rol die kredietbanken vervullen, onwenselijkzijn als schuldbemiddeling niet door kredietbanken toegestaan zou zijn.Het toestaan van schuldbemiddeling door kredietbanken strookt met hetdoel van schuldadviesdiensten om consumenten met financiële moeilijk-heden te helpen en hen te begeleiden bij het zoveel mogelijk aflossen vanhun uitstaande schuld, met behoud van een fatsoenlijke levensstandaard.Het risico op botsende belangen dat zou kunnen ontstaan wanneer eencommerciële kredietaanbieder deze diensten zou verstrekken is nietaanwezig bij de kredietbank, die immers opereert zonder winstoogmerk.Hoofdlijnen van het voorstelDe hoofdlijnen van de wijzigingen in de Wft en het BW worden hiernauiteengezet. De wijzigingen in de Whc worden toegelicht in paragraaf 8over toezicht en handhaving, alsmede artikelsgewijs. De wijzigingen in deOnBW worden ook artikelsgewijs toegelicht en verder in paragraaf 11inzake overgangsrecht en inwerkingtreding.Wijzigingen in de WftMet deze wet wordt allereerst de definitie van «krediet» in artikel 1:1 vande Wft gewijzigd om uitstel van betaling ook daaronder te laten vallen.Op grond van het huidige artikel 1:20 Wft zijn sommige vormen vankrediet, zoals gedefinieerd in artikel 1:1 Wft, die aan bepaalde criteriavoldoen, uitgezonderd van de Wft. Krediet is een definitie in artikel 1:1 vande Wft en omvat mede hypothecair krediet en consumentenkredietover-eenkomsten. Waar bepalingen in de Wft specifiek gelden voor consumen-tenkrediet, wordt dit in de wet aangeduid met «krediet, niet zijndehypothecair krediet». De Wft is niet van toepassing indien sprake is vaneen overeenkomst of dienst die is uitgezonderd op grond van artikel 1:20Wft. In dit wetsvoorstel worden enkele van de bestaande uitzonderingengeschrapt. Het gaat om krediet dat binnen drie maanden moet wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 39 afgelost en terzake waarvan slechts onbetekenende kosten in rekeningworden gebracht, maar ook om krediet in de vorm van een geoorloofdedebetstand waarbij de consument binnen een maand moet aflossen.Daarnaast worden huur- en verhuurovereenkomsten met een optie totaankoop van het object niet langer uitgezonderd.Met het vervallen van de uitzondering voor kredietovereenkomstenwaarbij het krediet binnen drie maanden moet worden terugbetaald enterzake waarvan slechts onbetekenende kosten in rekening wordengebracht, worden onder meer aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten en aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering onderhevigaan de bepalingen van de Wft. Dergelijke kaarten zijn de meest gangbarevorm van creditcards in Nederland, waarbij opgenomen c.q. met de kaartbetaalde bedragen niet in termijnen maar maandelijks op een vastmoment worden afgelost en dus sprake is van «uitgestelde debitering».Deze kaarten worden, na verstrijken van de in het vierde lid opgenomenovergangstermijn van zes maanden, onder het bereik van de Wftgebracht.Aanbieders van voornoemde kredieten worden verplicht een vergunningin de zin van artikel 2:60 Wft te hebben voor het aanbieden van krediet.Het wetsvoorstel introduceert daarnaast in artikel 2:81 Wft eenverplichting voor aanbieders om een kredietbemiddelaar aan te meldenbij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) indien deze kredietbemiddelaargrootbedrijf is, leverancier van roerende zaken of diensten en bemiddelt in«koop nu, betaal later»-diensten van de kredietaanbieder. Er is op grondvan de Wft sprake van bemiddelen indien de activiteit valt onder dedefinitie van bemiddelen in artikel 1:1 Wft. Volgens de definitie vankredietbemiddelaar in de richtlijn is, naast de andere genoemdeelementen, sprake van bemiddelen als dit tegen een vergoeding in devorm van geld of een andere overeengekomen financiële beloningplaatsvindt. De definitie van kredietbemiddelaar in artikel 7:57 BW noemtdit ook. De definitie van bemiddelen in de Wft kent deze voorwaardeechter niet, omdat de Wft uitgaat van de activiteit van bemiddelen, die bijmeerdere financiële producten aan de orde kan zijn. De definitie in de Wftziet dus niet enkel op bemiddelen in krediet. De voorwaarde uit de richtlijnvan een vergoeding of andere beloning moet in de context van de Wft enhet BW zo worden uitgelegd dat ook sprake is van bemiddelen in kredietof een kredietbemiddelaar indien de bemiddelaar economisch voordeelondervindt van de bemiddelingsactiviteiten, ook als daar geen vergoedingvan de kredietaanbieder tegenover staat. Dit is belangrijk, nu «koop nu,betaal later»-diensten voor bemiddelaars andere voordelen met zichmeebrengen dan de vergoeding bij regulier krediet. Ook deze partijenzullen met deze implementatiewet onder de reikwijdte vallen van de Wften BW.Hoewel de algemene uitzondering voor onder meer «koop nu, betaallater»-diensten komt te vervallen, voegt het wetsvoorstel een tweetalnieuwe uitzonderingen toe aan artikel 1:20, eerste lid, onderdeel e, Wft,onder verwijzing naar artikel 7:58, tweede lid, onderdelen d en e, vanBoek 7 BW. Als gevolg hiervan blijft voor mkb-ondernemingen17 uitstelvan betaling uitgezonderd van het toepassingsgebied van de Wft indien(i) de leverancier of dienstverlener van de betreffende zaak of dienst zélfuitstel van betaling verleent (zonder tussenkomst van een derde, tenzijsprake is van een platform), (ii) er behoudens beperkte kosten wegensbetalingsachterstand geen rente of kosten in rekening worden gebracht en17Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling van 6 mei 2003 vande Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen(PbEU 2003, C 1422).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 310 (iii) de betaling volledig binnen 50 dagen moet worden verricht. Voor hetgrootbedrijf geldt een kortere uiterste betalingstermijn van uiterlijk14 dagen om buiten het toepassingsbereik van de uitzondering te vallen.De overige voorwaarden zijn voor het grootbedrijf gelijk. Daarnaast blijftuitstel van betaling uitgezonderd onder bovengenoemde voorwaarden ende voorwaarde dat de betaling volledig binnen 14 dagen moet wordenverricht, indien de leverancier van roerende zaken of diensten eenmkb-onderneming is in de zin van Aanbeveling van de Commissiebetreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen(PbEU 2003, C 1422) en als de overeenkomst niet een dienst van deinformatiemaatschappij is die op afstand wordt gesloten in de zin vanartikel 1, eerste lid, onderdeel b, van Richtlijn (EU) 2015/1535. Dit zijn dusofwel fysieke winkels, ofwel kleine of middelgrote online leveranciers ofdienstverleners. Zij zullen dus onder de genoemde voorwaarden nietonder de Wft vallen.Aanbieders van krediet, bemiddelaars in krediet en personen dieadviseren over krediet zijn tevens gehouden aan de bepalingen uit Deel 4van de Wft en de AFM houdt toezicht op de naleving van deze bepalingen.Het wetsvoorstel wijzigt Deel 4 van de Wft door enkele bepalingen toe tevoegen. Het wetsvoorstel introduceert of wijzigt enkele bepalingen inparagraaf 4.3.1.3 inzake het aanbieden van krediet. Deze paragraaf zietonder meer op de verplichte deelname van aanbieders aan een stelsel vankredietregistratie, informatieverplichtingen voorafgaand aan de krediet-overeenkomst en regels omtrent de kredietwaardigheidsbeoordeling enleeftijdsverificatie.Artikel 4:34b Wft introduceert het verbod om kredietovereenkomsten, nietzijnde hypothecair krediet, met een minderjarige consument aan te gaan,tenzij sprake is van toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger.Deze uitzondering op het verbod zal echter niet gelden voor kredietover-eenkomsten die voorzien in uitstel van betaling van roerende zaken ofdiensten, waaronder begrepen betaling door middel van uitgesteldedebitering. Deze kredietovereenkomsten mogen op grond van dezebepaling nooit met een minderjarige consument worden aangegaan, zelfsniet met mogelijke toestemming van wettelijke vertegenwoordiger.Aanbieders dienen voorts over adequate processen te beschikken om deleeftijd van de consument vast te stellen. Uit artikel 4:34c Wft volgt deverplichte uitdrukkelijke instemming van de consument die benodigd isvoor de totstandkoming van een krediet, niet zijnde hypothecair krediet.De bepaling inzake de kredietwaardigheidsbeoordeling in artikel 4:34 Wftwordt aangevuld met een uitzondering op de verplichting om dezebeoordeling uit te voeren indien sprake is van wijzigingen van deovereenkomst die voortkomen uit maatregelen om de consument inbetalingsproblemen te helpen, onder de voorwaarde dat de wijzigingenniet een belangrijke verhoging van het kredietbedrag inhouden. Ookwordt de beoordeling aangevuld met een nieuw artikel 4:34a Wft datspecifiek ziet op enkele aanvullende vereisten die enkel gelden ten aanzienvan krediet, niet zijnde hypothecair krediet. Op grond van dit artikelmogen persoonsgegevens verkregen van digitale sociale netwerken enbijzondere categorieën van persoonsgegevens niet worden betrokken bijde kredietwaardigheidsbeoordeling. Aangezien niet kan wordenvoorkomen dat bepaalde opgevraagde gegevens die bijzondere catego-rieën van persoonsgegevens wel bevatten, wordt een wettelijke grondslaggecreëerd om deze gegevens te verwerken ten behoeve van het schonenvan de informatie voorafgaand aan de kredietwaardigheidsbeoordeling.Als een kredietaanbieder bijvoorbeeld een rekeningafschrift opvraagt, kandeze afschrift bijzondere persoonsgegevens bevatten. Uit een alledaagsebanktransactie, zoals een betaling aan een kerkgenootschap, kan eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 311 religieuze overtuiging blijken. De van de consument verkregen informatiekan dan worden geschoond van deze gegevens – bijvoorbeeld door dezete lakken – en vervolgens voor de kredietwaardigheidsbeoordelingworden gebruikt.Het wetsvoorstel voegt met artikel 4:35b Wft een nieuw artikel in dataanbieders verplicht om vroegtijdig betalingsproblemen bij eenconsument te signaleren. Ook geldt op basis van dit artikel een doorver-wijsplicht van de aanbieder naar schuldadviesdiensten wanneer eenconsument ook daadwerkelijk problemen ondervindt bij het nakomen vande verplichtingen onder de kredietovereenkomst.Wijzigingen in het BWIn het BW wordt Titel 2a van Boek 7 op verschillende plekken gewijzigd enaangevuld. Afdeling 1 van Titel 2a is geïntroduceerd bij de implementatievan de CCDI en implementeert de privaatrechtelijke bepalingen van derichtlijn.Allereerst worden de definities van artikel 7:57 BW gewijzigd. Enkeledefinities zijn nieuw, zoals de definitie van gebundelde verkoop enkoppelverkoop. De definitie van koppelverkoop is expliciet opgenomen inafdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 BW en ziet in het kader van deze titel opde verkoop van een kredietovereenkomst als onderdeel van een pakketmet andere financiële producten of diensten waarbij de kredietovereen-komst niet afzonderlijk wordt aangeboden. Gebundelde verkoop onder-scheidt zich daarvan in die zin dat de kredietovereenkomst wel afzon-derlijk wordt aangeboden, maar waarbij niet noodzakelijkerwijs dezelfdevoorwaarden gelden als wanneer deze wél als pakket wordt aangeboden.Evenals in de Wft, wordt ook in Titel 2a van Boek 7 BW geregeld dat debepalingen van Titel 2a van toepassing zijn op kredietovereenkomsten,tenzij sprake is van een uitzondering in de zin van artikel 7:58, tweede lid,BW. Het wetsvoorstel wijzigt artikel 7:58, tweede lid, BW. Het gaat daarbijom de nieuwe «koop nu, betaal later»-uitzonderingen van artikel 7:58,tweede lid, onderdelen d en e, van Boek 7 BW en wijzigingen in demaatwerkregeling voor kredietovereenkomsten in de vorm van eenoverschrijding, evenals het vervallen van de uitzonderingen voorkredietovereenkomsten in de vorm van een geoorloofde debetstand, zoalsaan de orde gekomen bij de beschrijving van de wijzigingen in artikel 1:20Wft.Het wetsvoorstel introduceert twee nieuwe artikelen aan het begin vanOnderafdeling 2. Ter bescherming van de consument tegen ongevraagdekredietverlening volgt uit artikel 7:58a BW dat een overeenkomst enkel totstand komt na uitdrukkelijke instemming door een consument. Uitartikel 7:58b BW volgt dat alle informatie die op basis van de richtlijnver-plichtingen aan hem wordt verstrekt kosteloos moet zijn.In dezelfde onderafdeling worden enkele bestaande bepalingen gewijzigd.Zo bevat artikel 7:59 BW naast de bestaande reclameregels voor effecten-krediet nu ook bredere reclameregels ten aanzien van kredietovereen-komsten met consumenten. De regels ten aanzien van precontractueleinformatie worden uitgebreid met diverse eisen voor kredietgevers. Zodient bijvoorbeeld een adequate toelichting verstrekt te worden door dekredietgever aan de consument bij de voorgestelde kredietovereenkomst.Aan het begin van Onderafdeling 3 voegt het wetsvoorstel een nieuwebepaling inzake koppelverkoop toe. Koppelverkoop is reeds in bredere zingeregeld in Afdeling 2 van Titel 2a. In deze afdeling zijn echter geenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 312 bepalingen ten aanzien van de richtlijn opgenomen. Om deze reden is inAfdeling 1 van Titel 2a in artikel 7:60a BW een aparte koppelverkoopbe-paling opgenomen ten aanzien van consumentenkredietovereenkomstendie dankzij het opnemen van een samenloopbepaling in artikel 7:77 BWnaast dit reeds bestaande artikel in Afdeling 2 zal bestaan. Samengevat isop grond van artikel 7:60a BW koppelverkoop van consumentenkrediet-overeenkomsten die onder Afdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 vallen metandere financiële producten of diensten in beginsel verboden en slechtstoegestaan als het gaat om een verzekering of betaal- of spaarrekening.Bijvoorbeeld indien een consument een betaalrekening opent en(tegelijkertijd) apart met de bank overeenkomt dat het is toegestaandaarop tot een bepaald maximum rood te staan. In dat geval gaat deconsument zowel een kredietovereenkomst aan als een overeenkomst tenaanzien van een ander financieel product, namelijk de betaalrekening.Onderafdeling 3 wordt daarnaast op enkele punten gewijzigd ten aanzienvan informatie die de kredietovereenkomst dient te bevatten. Het gaatonder andere over wijzigingen om aan te sluiten bij de ontwikkelingen ophet gebied van digitalisering. Ook bevat het wetsvoorstel wijzigingen inartikel 7:63 BW ten aanzien van de geoorloofde debetstand. De belang-rijkste wijziging is de verplichting voor kredietgevers om de consument bijverlaging of annulering van de geoorloofde debetstand in de gelegenheidte stellen om het opgenomen bedrag terug te betalen binnen een ruimetermijn, voordat een procedure van incasso of invordering wordt gestart.Artikel 7:70 BW, dat ziet op de kredietvorm overschrijding, bevat gelijk-soortige aanpassingen als voorgesteld in artikel 7:63 BW inzake degeoorloofde debetstand.In dezelfde afdeling wordt in artikel 7:66 BW het recht van ontbindinguitgebreid. Zo heeft een consument langer de tijd om de overeenkomst teontbinden, indien hij niet, of slechts gedeeltelijk is geïnformeerd over decontractuele informatie en voorwaarden die bij de kredietovereenkomsthoren. Ook is een bepaling opgenomen waardoor de termijn van het rechtop ontbinding wordt gekoppeld aan de termijn van ontbinding voor eengelieerde overeenkomst, bijvoorbeeld de termijn om een product teretourneren in een winkel.Voorts bevat deze onderafdeling enkele andere bepalingen die strekkentot bescherming van de consument. Uit artikel 7:67a BW volgt dat het eenkredietgever, indien deze een kredietovereenkomst met een consumentsluit, in beginsel niet is toegestaan om de kredietovereenkomst ten nadelevan de consument te beëindigen of te wijzigen op grond van een onjuistuitgevoerde kredietwaardigheidsbeoordeling. In artikel 7:68a wordt deverplichting opgenomen voor de kredietgever om consumenten infinanciële moeilijkheden door te verwijzen naar schuldadviesdiensten.Tot slot wordt in Afdeling 2 van Titel 2a in een toegevoegd vierde lid aanartikel 7:75 BW geregeld dat de kredietgever enkel een krediet kanverlenen aan een minderjarige consument, indien de kredietovereenkomstniet voorziet in uitstel van betaling van roerende zaken of diensten endeze consument handelt met toestemming van zijn wettelijke vertegen-woordiger.§ 4. Mate van harmonisatie Zoals in de inleiding beschreven beoogt de richtlijn verdere harmonisatietot stand te brengen op het terrein van consumentenkrediet waarop derichtlijn van toepassing is. Dat neemt niet weg dat de richtlijn ook ruimtelaat aan de lidstaten. Allereerst staat het lidstaten vrij om buiten hetgeharmoniseerd gebied nationale regels in te stellen of bestaande regelste handhaven ingevolge artikel 42 en overweging 13 en 14 van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 313 preambule van de richtlijn. Wanneer van deze beleidsruimte gebruikwordt gemaakt, volgt uit de transponeringstabel. Eén specifiek voorbeeldverdient nadere toelichting. Het gaat om de keuze om het toepassings-bereik van de Wft en van Titel 2a van Boek 7 BW te laten strekken tot elkkrediet in de vorm van uitstel van betaling dat via een platform wordtaangeboden. Dit is geregeld in artikel 58, derde lid, onderdeel d, vanBoek 7 BW en artikel 1:20, eerste lid, onderdeel e, Wft.Artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van de richtlijn zondert bepaaldevormen van uitstel van betaling uit van het toepassingsbereik van derichtlijn. Op grond van deze richtlijntekst zou een onwenselijk onderscheidontstaan tussen de situatie waarin een consument een roerende zaak ofdienst van het platform zelf koopt of waarin de consument via hetplatform een roerende zaak of dienst koopt van een aangesloten verkoper.In de eerste situatie is de kredietovereenkomst uitgezonderd van hettoepassingsbereik van de richtlijn en ontbeert de consument debescherming die daaruit voortvloeit. In de tweede situatie treedt hetplatform op als derde in de zin van de richtlijn en wordt de consument welbeschermd. Voor aankopen met uitstel van betaling op hetzelfde platformzouden dan andere kredietregels gelden, afhankelijk van of de consumentdirect van het platform koopt of via het platform van een derde koopt.Hiermee is onvoldoende duidelijk voor de consument in welk geval hijwelke bescherming geniet. Dit wetsvoorstel bepaalt daarom dat uitstelvan betaling op platforms te allen tijde onder het toepassingsbereik vande Wft en Titel 2a van Boek 7 BW valt.Ten tweede bevat de richtlijn 23 lidstaatopties. Voor de meeste lidstaat-opties geldt dat de Europese Commissie dient te worden genotificeerd. Inde transponeringstabel staat toegelicht wanneer en waarom van eenlidstaatoptie gebruik wordt gemaakt. Hierna volgt een toelichting bij delidstaatopties met grote gevolgen voor de sector. Het gaat allereerst omde keuze om kaarten met uitgestelde debitering onder het bereik van derichtlijn te laten, ten tweede de keuze om gebruik te maken van eenproportioneel informatieverstrekkingsregime voor kredietovereenkomstenwaarbij krediet zonder rente of andere kosten wordt verleend en krediet-overeenkomsten volgens welke krediet binnen drie maanden moetworden afgelost en er slechts onbetekenende kosten verschuldigd zijn, tenderde de keuze voor een vrijstelling voor specifieke groepenmkb-bemiddelaars18 van de vergunningplicht en ten vierde de keuze omgeen vrijstelling te creëren voor specifieke groepen mkb-aanbieders enten slotte de keuze om een productinterventiebevoegdheid toe te kennenaan de AFM.Kaarten met uitgestelde debiteringUitgestelde betalingen vielen reeds onder het toepassingsbereik van deCCDI, maar waren gedeeltelijk uitgezonderd. De uitzondering van artikel 2,tweede lid, onderdeel f, van de CCDI is komen te vervallen. Als gevolgdaarvan zijn kaarten met uitgestelde debitering – de in Nederlandgangbare vorm van creditcards – onder het toepassingsbereik van derichtlijn komen te vallen. De richtlijn biedt lidstaten echter in artikel 2,vijfde lid, de mogelijkheid om deze kaarten vrij te stellen van toepassingvan de richtlijn. Er wordt, met uitzondering van de overgangsbepaling vanzes maanden zoals toegelicht in paragraaf 13, geen gebruik gemaakt vandeze lidstaatoptie. Bij deze vorm van uitgestelde betaling kan immers18Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling van de Commissiebetreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422)van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote enmicro-ondernemingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 314 sprake zijn van dezelfde risico’s als andere vormen van uitstel vanbetaling, zoals «koop nu, betaal later»-diensten. Doorgaans wordt 30 tot40 dagen uitgestelde betaling geboden. Een uitzondering voor ditkredietproduct zou leiden tot onvoldoende en ongelijke consumentenbe-scherming en daarmee tevens een ongelijk speelveld creëren ten aanzienvan vergelijkbare kortlopende kredietproducten.Proportioneel regime voor informatieverstrekkingOp grond van artikel 2, achtste lid, van de richtlijn, mogen lidstatenbepalen dat een aantal artikelen uit de richtlijn ten aanzien van onderandere reclame, standaardinformatie en precontractuele informatie nietvan toepassing is op (i) kredietovereenkomsten voor een totaal krediet-bedrag van minder dan € 200, (ii) kredietovereenkomsten waarbij kredietzonder rente of andere kosten wordt verleend of (iii) kredietovereen-komsten waarbij krediet binnen drie maanden moet worden afgelost enwaarbij slechts onbetekenende kosten verschuldigd zijn. Enkele onder-delen van bepalingen die onder andere zien op reclamevoorschriften enprecontractuele informatie kunnen met deze lidstaatoptie buitentoepassing worden verklaard. Er wordt gebruik gemaakt van dezelidstaatoptie, door in artikel 60, zesde lid, van Boek 7 BW een uitzonderingte regelen op de vereisten van artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn voor dedrie soorten kredietovereenkomsten. Dit heeft tot gevolg dat kredietenzoals kaarten met uitgestelde debitering en «koop nu, betaal later»-diensten uitgezonderd worden en niet hoeven te voldoen aan een aantalprecontractuele informatieverplichtingen uit artikel 10, vijfde lid, van derichtlijn. Ook kleine kredieten tot € 200 worden uitgezonderd. In depraktijk betekent dit dat een kredietaanbieder de consument bijvoorbeeldniet hoeft te informeren wanneer de prijs van het krediet is gepersonali-seerd op basis van geautomatiseerde gegevensverwerking, met inbegripvan profilering. Ook hoeft de aanbieder niet te informeren over demogelijkheden voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting. Voorkaarten met uitgestelde debitering geldt dat in de praktijk op dit momentgeen sprake is van grote achterstanden op deze kredietovereenkomsten.Nu ervoor wordt gekozen om deze kaarten onder het toepassingsbereikvan de richtlijn te laten, is een uitzondering op deze informatieverplich-tingen vanuit het oogpunt van proportionaliteit en lastendruk toelaatbaar.Voor «koop nu, betaal later»-diensten geldt dat deze overeenkomstenonline en in korte tijd worden afgesloten. Het is niet de verwachting dat deconsument in die situaties de genoemde aanvullende precontractueleinformatie tot zich zal nemen en de extra hoeveelheid informatie kanbovendien de kans vergroten dat de consument de kernelementen van deovereenkomst over het hoofd ziet. Dit laatste geldt ook voor kredieten toteen bedrag van € 200. Daarnaast is het ontvangen van precontractueleinformatie niet het belangrijkste element ter voorkoming van overkredi-tering. Gezien het voorgaande en de daarbij behorende lastendruk voorde kredietgever en kredietbemiddelaar, is gekozen voor bovengenoemdeuitzondering op deze verplichtingen.De lidstaatoptie voor een proportioneel regime voor precontractueleinformatieverstrekking laat het bestaan van alle geldende andereinformatieverplichtingen onverlet. Het betreft de verplichtingen zoalsopgenomen in artikel 7:61 BW en ook een groot aantal verplichtingenzoals opgenomen in artikel 7:60 BW. Slechts de verplichtingen die staanopgenomen in artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn gelden niet door delidstaatoptie.Onder de aandacht wordt gebracht dat artikel 7:60, vierde lid, BW deconsument verplicht te informeren indien sprake is van een gepersonali-seerde aanbieding op basis van geautomatiseerde verwerking vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 315 persoonsgegevens. Deze verplichting geldt wel. Dit verschilt van deuitgezonderde verplichting in artikel 10, vijfde lid, onderdeel m, van derichtlijn, waarbij het gaat om het benoemen van de gepersonaliseerdeprijs. Ook laat het onverlet de transparantieverplichtingen die op eenverwerker of verwerkingsverantwoordelijke rust uit hoofde van de AVG.Vergunnings- of registratievrijstellingDe richtlijn biedt lidstaten in artikel 37, derde lid, van de richtlijn, demogelijkheid om uitzonderingen te maken op de vergunnings- ofregistratieplicht voor kredietbemiddelaars en kredietgevers die leveran-ciers zijn van roerende zaken of dienstverleners en worden aangemerktals micro, klein- of middelgrote onderneming in de zin van Aanbevelingvan de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote enmicro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422).Van de lidstaatoptie uit artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn,wordt gebruikgemaakt door micro-, kleine- en middelgrote bemiddelaarsdie als nevenactiviteit bemiddelen in krediet vrij te stellen van devergunnings- of registratieplicht. Indien een winkel bijvoorbeeld gebruik-maakt van een derde partij die «koop nu, betaal later»-diensten aanbiedt,en zo uitstel van betaling verleent aan de consument, bemiddelt hij inkrediet in de zin van de Wft. Omdat de hoofdactiviteit van de winkeldoorgaans het verkopen van producten zal zijn, is het wenselijk deregeldruk zo veel mogelijk te beperken door deze mkb-ondernemingen teontslaan van een vergunning- of registratieplicht bij de AFM. Er is in dezesituatie nog steeds sprake van toezicht door de AFM op de bemiddelaar(op grond van de Whc, zie o.a. paragraaf 9), maar over het algemeen zalhet toezicht zich toespitsen op de derde partij die de «koop nu, betaallater»-diensten aanbiedt.Er wordt gedeeltelijk gebruikgemaakt van de lidstaatoptie uit artikel 37,derde lid, onderdeel b, van de richtlijn om micro, kleine- en middelgroteaanbieders van krediet19 die als nevenactiviteit krediet aanbieden uit tezonderen van de verplichting om een vergunning aan te vragen bij deAFM. Deze aanbieders worden namelijk in beginsel vrijgesteld van dezevergunningplicht, tenzij zij uitstel van betaling bieden van meer dan 50dagen (en daarbij geen gebruikmaken van diensten van een derde). Danvalt deze vorm van uitstel van betaling wel onder het toepassingsbereikvan de Wft. In die zin wordt dus gedeeltelijk gebruikgemaakt van degenoemde lidstaatoptie. Het is vanuit het oogpunt van bescherming vande consument namelijk niet wenselijk als deze partijen van de vergunning-plicht worden uitgezonderd, terwijl de vereisten van de Wft (en Titel 2a,Boek 7 BW) wel voor hen zouden gelden op grond van de artikelen 1:20Wft jo. 7:58 BW, zie de hoofdlijnen van het voorstel hierboven. Zonder eenvergunningplicht zouden de aanbieder en diens kredietactiviteiten meteen looptijd van meer dan 50 dagen niet van tevoren worden getoetst enzouden de aanbieders niet in beeld zijn bij de AFM, wat handhavingingewikkeld zou maken. Indien de aanbieder geen vergunning wenst aante vragen, staan hem een of meerdere alternatieven open. Allereerst envoornamelijk kan hij de betalingstermijn onder de 50 dagen houden,waarmee hij tevens de toepassing van de Wft en Titel 2a, Boek 7 BWontwijkt. Daarnaast geldt voor mkb-ondernemingen dat zij een derdeaanbieder kunnen inschakelen en zelf als bemiddelaar in nevenactiviteitkunnen optreden, in welke situatie eveneens een vrijstelling geldt.19Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling van de Commissiebetreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422)van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote enmicro-ondernemingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 316 ProductinterventieOp grond van artikel 41, negende lid, van de richtlijn, mogen lidstatenproductinterventiemogelijkheden toekennen aan de nationale bevoegdeautoriteiten. Van deze lidstaatoptie wordt gebruikgemaakt om hetinstrumentarium van de AFM uit te breiden. Hoewel de richtlijn tenopzichte van de CCDI meer en ook recenter ontwikkelde kredietproductenbinnen het toepassingsbereik plaatst, is er sprake van een markt die zichsnel ontwikkelt. Het is daarom wenselijk dat de AFM ook voor bepaaldekredieten, kredieten met bepaalde kenmerken of bepaalde marktpraktijkenbij krediet, die wel onder het toepassingsbereik vallen van de richtlijn, kanbeoordelen of ingrijpen nodig is. Hierbij valt onder meer te denken aanproducten die voor schuldenproblematiek zorgen, zoals flitskredieten ofmarktpraktijken waarbij het gemak waarmee het krediet wordt aangegaanreden tot bezorgdheid voor bescherming van de consument vormen. Zowordt met de productinterventiebevoegdheid geregeld dat de AFM directkan ingrijpen bij de ontwikkeling of verkoop van schadelijke producten ofkredietpraktijken, door deze producten of praktijken te verbieden of tebeperken. Dit kan alleen onder de in artikel 1:77q gestelde voorwaarden,namelijk dat ingrijpen alleen mogelijk is indien, naar het redelijke oordeelvan de AFM, de bestaande handhavingsmogelijkheden niet toereikend zijnen het krediet of de marktpraktijk een significante reden vormt totbezorgdheid over de consumentenbescherming. Hiermee wordt dehoofdregel van de productinterventiebevoegdheid opgenomen opwetsniveau. De uitwerking van deze nieuwe productinterventiebe-voegdheid vindt plaats in lagere regelgeving, zodat eventuele wijzigingeneenvoudig kunnen plaatsvinden.§ 5. Verhouding van de richtlijn tot het Unierecht en nationale recht De richtlijn vormt, waar het gaat om de vereisten met betrekking totinformatieverstrekking en bepaalde rechten van de consument, eenaanvulling op de Richtlijn overeenkomsten op afstand.20 In geval vanstrijdigheid tussen bepalingen van de richtlijn en de Richtlijn overeen-komsten op afstand heeft de richtlijn als lex specialis voorrang.De richtlijn bevat daarnaast bepalingen om de consument te beschermentegen oneerlijke of misleidende praktijken. Dit is ook onderwerp van deRichtlijn oneerlijke handelspraktijken,21 die als vangnet blijft fungerennaast de herziene richtlijn consumentenkrediet. Zo wordt in ditwetsvoorstel een koppeling gemaakt tussen bovengenoemde richtlijnendoor wijzigingen door te voeren in de artikelen 7:59 en 7:60 BW, waarinwordt verwezen naar de bepalingen in het BW inzake de oneerlijkehandelspraktijken die strekken tot implementatie van de Richtlijnoneerlijke handelspraktijken.Uit overweging 29 en 30 van de preambule van de richtlijn volgt dat dezein overeenstemming is met de rechten op bescherming van persoonsge-gevens en geen afbreuk doet aan de AVG. Zo moet de beoordeling van dekredietwaardigheid op grond van artikel 18 van de richtlijn in overeen-stemming zijn met het beginsel van minimale gegevensverwerking en20Richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betref-fende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten. De richtlijn vervalt metde komst van Richtlijn (EU) 2023/2673 van het Europees Parlement en de Raad van22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2011/83/EU wat betreft op afstand geslotenovereenkomsten inzake financiële diensten, en tot intrekking van Richtlijn 2002/65/EG, zoalswordt geïmplementeerd met de Implementatiewet richtlijn op afstand gesloten overeen-komsten inzake financiële diensten. De implementatie van de richtlijn is in voorbereiding.21Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffendeoneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 317 mag deze op grond van artikel 18, derde lid, van de richtlijn, geenbijzondere categorieën van persoonsgegevens omvatten.De kredietwaardigheidsbeoordeling heeft meerdere doelen, waaronder debescherming van de consument tegen onverantwoorde leningspraktijkenen een overmatige schuldenlast. Daarnaast dient de kredietwaardigheids-beoordeling ter inperking van het kredietrisico voor de kredietgever. Debepalingen die volgen uit de Richtlijn kapitaalsvereisten22 blijven daaromonverminderd van toepassing.Artikel 40 van de richtlijn regelt dat consumenten toegang hebben totbuitengerechtelijke geschillenbeslechtingprocedures. Uit overweging 88van de preambule van de richtlijn volgt dat de consument niet alleentoegang moet hebben tot buitengerechtelijke geschillenbeslechtingspro-cedures voor beslechting van geschillen die uit de rechten en verplich-tingen in verband met kredietovereenkomsten ontstaan, maar ook voorbeslechting van precontractuele geschillen over de bij deze richtlijningestelde rechten en verplichtingen, bijvoorbeeld in verband met devereisten op het gebied van precontractuele informatie, adviesdiensten enkredietwaardigheidsbeoordelingen en in verband met de informatie diewordt verstrekt door kredietbemiddelaars die worden vergoed doorkredietgevers en dus geen rechtstreekse contractuele band hebben metconsumenten. De kwaliteitsvereisten voor de procedures en de instantiesdie deze procedures aanbieden, volgen uit de Richtlijn ADR consu-menten.23 In Nederland hebben consumenten met een geschil met eenkredietgever of kredietbemiddelaar toegang tot het KlachteninstituutFinanciële Dienstverlening (Kifid).Kredietovereenkomsten ten aanzien van hypothecair krediet vallen buitenhet toepassingsbereik van de richtlijn,24 omdat deze overeenkomstenonderwerp zijn van de Richtlijn hypothecair krediet.25 Die richtlijn isgeïmplementeerd in Titel 2b, Afdeling 3, Boek 7 BW.De richtlijn wordt geïmplementeerd in Titel 2a, Afdeling 1, Boek 7 BW. InAfdeling 2 van dezelfde Titel staan bepalingen die reeds bestonden op hetmoment van implementatie van de CCDI. Deze nationale bepalingen zijnafkomstig uit de Wet op het consumentenkrediet en blijven bestaan naastdie in Afdeling 1.Daarnaast kan er sprake zijn van een krediet dat zowel kwalificeert alsconsumentenkredietovereenkomst in de zin van Titel 2a, van Boek 7 BWalsmede een goederenkrediet in de zin van Titel 2b, Afdeling 1, van Boek 7BW. In geval van strijd zijn op grond van artikel 7:85 BW de bepalingenvan Titel 2a van toepassing. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding vande reikwijdte van de richtlijn naar «koop nu, betaal later»-diensten,waarbij het kan voorkomen dat zowel Titel 2a als Titel 2b van toepassingis, bijvoorbeeld wanneer het gaat om «koop nu, betaal later»-dienstenwaarbij uitstel van betaling wordt gegeven en de betaling in termijnenmag worden betaald, waarbij die termijn langer is dan drie maanden.22Richtlijn (EU) 2013/36 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffendetoegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstel-lingen.23Richtlijn (EU) 2013/11 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffendealternatieve beslechting van consumentengeschillen. ADR staat voor alternative disputeresolution.24Artikel 2, tweede lid, onderdelen a en b, van de richtlijn.25Richtlijn (EU) 2014/17 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzakekredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemdeonroerende goederen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 318 Artikel 19 van de richtlijn regelt de toegang van kredietgevers totdatabanken. Op grond van artikel 4:32 Wft moet een kredietaanbiederdeelnemen aan een stelsel van kredietregistratie. Gelijktijdig met deimplementatie van de richtlijn, wordt het wetsvoorstel Wet stelselkredietregistratie voorbereid.26 In dat wetsvoorstel en bijbehorende lagereregelgeving wordt een aantal zaken geregeld dat verband houdt met derichtlijn, waaronder de voorwaarden voor toegang tot het stelsel vankredietregistratie, de kosten voor toegang en raadpleging en de registra-tiegrens voor opneming van een krediet in het stelsel van kredietregis-tratie.Artikel 36 van de richtlijn bevat onder meer de verplichting gericht tot delidstaten om schuldadviesdiensten beschikbaar te stellen voor consu-menten die financiële moeilijkheden ondervinden. In dit wetsvoorstelwordt voor de definitie van schuldadviesdiensten aangesloten bij dedefinitie van schuldbemiddelen als bedoeld in artikel 48 Wck. Dit zijnonder meer gemeenten, kredietbanken, advocaten, bewindvoerdersingevolge de Faillissementswet, bewindvoerders ingevolge Boek 1 BW endeurwaarders.Voorschriften inhoudende een minimumleeftijd en leeftijdsverificatieVoor kredietovereenkomsten in de vorm van uitstel van betaling,waaronder begrepen «koop nu, betaal later»-krediet en krediet in de vormvan kaarten met uitgestelde debitering, wordt in dit wetsvoorstel (met deartikelen 4:34b Wft en 7:75, vierde lid, BW) geregeld dat dit kredietverboden wordt voor minderjarige consumenten, omdat zo het doel vande richtlijn om een hoger niveau van consumentenbescherming tebereiken kan worden bewerkstelligd. Tevens wordt bepaald dat overigeovereenkomsten inzake krediet, niet zijnde hypothecair krediet, overeen-komstig artikel 1:234 BW, wel door een minderjarige mogen wordenaangegaan, maar alleen wanneer sprake is van toestemming van dewettelijke vertegenwoordiger. Deze toestemming mag niet wordenverondersteld en moet blijken uit een ondubbelzinnige en duidelijkbevestigende handeling. De toestemming kan dus niet stilzwijgendplaatsvinden. Dit betreft een aanvulling op en specificering vanartikel 1:234 BW. In de gevallen dat een consumentenkredietovereenkomsttevens een geldleningsovereenkomst is, is artikel 1:345, eerste lid,onderdeel d, BW van toepassing. Artikel 1:345 BW (over het bewind vande voogd) is van overeenkomstige toepassing op het bewind van ouders(zie artikel 1:253k BW). Voogden en ouders hebben voor het aangaan vaneen geldlening voor rekening van het kind (op naam van het kind of opeigen naam) toestemming nodig van de kantonrechter. Voordattoestemming wordt verleend door ouders op grond van artikel 1:234 BWaan het kind om zelf een overeenkomst van geldlening aan te gaan, is detoestemming van de kantonrechter nodig.27De artikelen 4:34b Wft en 7:75, vierde lid, BW, dienen ter bescherming vande minderjarige. De AFM heeft in 2022 een verkenning uitgevoerd naar deopkomst van «koop nu, betaal later»-diensten (ook wel «buy now, paylater»: BNPL) en de risico’s die daarmee gepaard gaan. In 2025 heeft de26Wet Wetsvoorstel kredietregistratie, te raadplegen via: https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK025409.27Zie ook Hof ’s-Gravenhage 23 oktober 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:5718. Tot 2 november 1995was de minderjarige overeenkomstig art. 1:234 (oud) BW bekwaam rechtshandelingen teverrichten met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger, voor zover deze bevoegdis die rechtshandeling voor de minderjarige te verrichten. Deze cursieve zinsnede is niet in hethuidige art. 234 opgenomen, maar aangenomen wordt dat met het weglaten hiervan geenmindere rechtsbescherming aan de minderjarigen is beoogd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 319 AFM een marktupdate uitgebracht.28 Daarin is ook aandacht besteed aande risico’s voor jongeren. De AFM constateerde dat aanbieders van «koopnu, betaal later»-diensten van hun klanten eisen dat zij meerderjarig zijn.Die controles schoten echter tekort, bijvoorbeeld omdat minderjarigen diecontroles omzeilen. Jongeren zijn volgens de AFM extra kwetsbaar omdatzij geen financiële buffer hebben. Uit recenter onderzoek van de AFM blijktdat minderjarigen op grote schaal gebruik maken van «koop nu, betaallater»-diensten.29 Uit een analyse blijkt dat in 2023 bijna 600.000 iDEAL-transacties, via rekeningen op naam van een minderjarige, zijn verricht diete koppelen zijn aan BNPL-aanbieders. Daarbij vond tot op heden geen ofin elk geval geen grondige leeftijdsverificatie plaats. De AFM riep inhetzelfde onderzoek zowel de sector als de wetgever op om het gebruikvan «koop nu, betaal later»-diensten door minderjarigen te stoppen. Dezewens werd breed gedeeld door andere experts op het gebied vanschuldenproblematiek en de Tweede Kamer, waarna de Minister vanFinanciën, de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen ende Minister voor Rechtsbescherming hebben toegezegd verplichteleeftijdsverificatie te onderzoeken.30 Ter uitvoering van de Buy Now, PayLater (BNPL)-Gedragscode van 30 oktober 2023 spannen aangesloten«koop-nu, betaal later»-partijen zich in om – voorafgaand aan het wettelijkverbod op uitstel van betaling voor minderjarigen – volledige leeftijdsveri-ficatie uit te voeren.31Het wettelijk verbod wordt opgenomen in dit wetsvoorstel, nu «koop nu,betaal later»-diensten met dit wetsvoorstel worden gereguleerd en omeen hoog niveau van consumentenbescherming te bewerkstelligen. Hetverbod beperkt zich echter niet tot «koop nu, betaal later»-krediet. Deartikelen 4:34b Wft en 7:75, vierde lid, BW, zullen zien op alle kredietover-eenkomsten in de vorm van uitstel van betaling. Daarbij moet onderandere ook gedacht worden aan «regulier» uitstel van betaling vanroerende zaken of diensten (zonder dat een derde partij het «koop nu,betaal later»-krediet aanbiedt) en kaarten met uitgestelde debitering(creditcards). Deze vormen van krediet kunnen vergelijkbare risico’s voorconsumenten opleveren. Dit krediet kan gebruikt worden om aankopen tedoen van (luxe)goederen- of diensten. Jongeren zijn gevoelig voorbeïnvloeding en daaruit volgende impulsaankopen, voor zowel kleine alsgrote bedragen. Daarbij overziet de jongere niet altijd of hij of zij dezeaankopen ook kan betalen. Het is noodzakelijk om schuldgewenning bijjongeren tegen te gaan en het aangaan van deze vormen van krediet teverbieden voor minderjarigen. Te meer omdat zij, bij gebrek aan financiëlebuffers, financieel kwetsbaar zijn.Bovenstaande rechtvaardigt het leeftijdsonderscheid voor deze kredieto-vereenkomsten, overeenkomstig artikel 1 van de Grondwet en artikel 21van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hetleeftijdsonderscheid voldoet bovendien aan de eisen van subsidiariteit enproportionaliteit, omdat bescherming niet effectief op een andere wijzekan worden bereikt dan middels een wettelijk verbod. De huidige praktijklaat dat zien. Op dit moment eisen aanbieders van «koop nu, betaallater»-diensten namelijk van hun klanten dat ze meerderjarig zijn, maar decontroles hierop worden omzeild door minderjarigen (zoals hierbovenbeschreven). In de marktupdate van de AFM over «koop nu, betaallater»-diensten staat dat zij in 2023, via rekeningen op naam van eenminderjarige, bijna 600.000 iDEAL transacties heeft geconstateerd die zijn28«Buy Now, Pay Later – Verkenning van een nieuwe trend», AFM, 2022 en ««Buy Now, PayLater» Marktupdate», AFM, juni 2025.29««Buy Now, Pay Later» Marktupdate», AFM, juni 2025, p.4.30Aanhangsel Handelingen II 2023/2024, nr. 2019.31Vier grote aanbieders zijn bij deze Buy Now Pay Later (BNPL)-Gedragscode aangesloten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 320 te linken aan BNPL-aanbieders. Het gaat om gebruikers in de leeftijd van13 tot en met 17 jaar, die waarschijnlijk de leeftijdscontroles omzeilen.32Dit is een aanzienlijk aantal transacties en geeft de noodzaak weer ommaatregelen te nemen.Met een wettelijk verbod verdwijnt de vrijblijvendheid voor aanbiedersvan «koop nu, betaal later»-diensten om al dan niet krediet te verlenenaan minderjarigen. Een wettelijk verbod, inclusief de handhaving daarop,zorgt ervoor dat, indien de verlening van krediet aan minderjarigenbewezen kan worden, sanctionering van deze aanbieders van «koop nu,betaal later»-diensten tot de mogelijkheden behoort. De verwachting isdat dit effectief zal zijn.Bovendien is een wettelijk verbod ook proportioneel, omdat minderja-rigen in het algemeen kwetsbaar zijn. Zij hebben vaak nog geen financiëlebuffer en zijn veelal financieel afhankelijk van hun ouders. De gevolgenvan schulden op jonge leeftijd kunnen groot zijn en zorgen voor eenminder goed begin van het volwassen financiële leven. Het is belangrijkom dit zo veel mogelijk te voorkomen. Dit maakt dat een verbod op «koopnu, betaal later»-diensten voor alle minderjarigen gerechtvaardigd is,ongeacht het feit dat de individuele situatie van elke minderjarige verschilten er ook minderjarigen zijn die al op jonge leeftijd goed omgaan met«koop nu, betaal later»-diensten. Er is geen minder vergaand alternatiefvoor een wettelijk verbod dat effectief is. Een kredietwaardigheidsbeoor-deling van minderjarigen zou een minder vergaande maatregel zijn, maardit voorkomt niet dat een minderjarige na een positieve kredietwaardig-heidsbeoordeling toch schulden maakt door «koop nu, betaal later»-diensten. Met een wettelijk verbod is dit uitgesloten.Bovendien vallen op dit moment slechts vier aanbieders van «koop nu,betaal later»-diensten onder de huidige gedragscode en bijvoorbeeld nietde aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering (momenteel vijf) enplatforms die uitgetelde betaling aanbieden. Een wettelijk verbod dientdaarmee niet alleen een gelijke bescherming van jongeren, maar ook eengelijk speelveld tussen aanbieders van uitgestelde betaling en kaarten metuitgestelde debitering.Hoewel dit wel nodig is voor krediet in de vorm van uitstel van betaling, ishet niet nodig om een totaalverbod voor elke vorm van krediet voorminderjarigen in te voeren. Er zijn immers redenen denkbaar op grondwaarvan het voor (ondernemende) minderjarigen nuttig en bovendienleerzaam kan zijn om een regulier krediet af te sluiten. De noodzaak enaanleiding voor een verbod om regulier krediet aan minderjarigen aan tebieden ontbreken dan ook op dit moment. Jongeren blijven hierbijbeschermd, want voor het aangaan van deze kredietovereenkomsten zalaltijd toestemming nodig zijn van de wettelijke vertegenwoordiger van dejongere en die toestemming zal een ondubbelzinnige en duidelijkbevestigende handeling vereisen. Die eisen worden mede voorge-schreven vanuit handhavingsoogpunt. De AFM moet achteraf immerskunnen nagaan of toestemming aanwezig was, ook bij deze anderekredietvormen. Daarnaast blijft voor kredietovereenkomsten vangeldlening artikel 1:345 eerste lid, onderdeel d, BW, onverminderd vantoepassing en kan een wettelijke vertegenwoordiger geen toestemmingverlenen zonder een machtiging van de kantonrechter.Er wordt gekozen voor zowel een privaat- als publiekrechtelijke norm.Allereerst is het gezien de eerder geschetste problematiek van belang datde AFM kan handhaven op het niet-naleven van het verbod en de32«Buy Now, Pay Later» Marktupdate, AFM, juni 2025, p. 19 en 20.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 321 verplichting tot leeftijdsverificatie. Het verbod en de verplichting totleeftijdsverificatie wordt daarom opgenomen in de Wft en richt zich tot deaanbieder. Aan het BW wordt een spiegelbepaling toegevoegd, om devoorwaarden voor het inroepen van de civielrechtelijke rechten van deminderjarige consument gelijk te trekken met de regels uit de Wft. Dewettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige kan de kredietovereen-komst vernietigen, indien niet is voldaan aan de voorwaarden vanartikel 7:75, vierde lid, BW. Dit houdt in dat als een kredietgever toch eenkredietovereenkomst met een minderjarige heeft gesloten, deze overeen-komst vernietigbaar is. Het nieuwe vierde lid van artikel 7:75 BW is eenbepaling die uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen (deconsument) bij een meerzijdige rechtshandeling (het sluiten van dekredietovereenkomst). Dat sprake is van bescherming van de consumentblijkt uit artikel 7:83 BW. Dit artikel bepaalt dat in afdeling 2 van Titel 2a– waaronder artikel 7:75 BW valt – niet ten nadele van de consument kanworden afgeweken. Afwijking ten nadele van de consument leidt totvernietigbaarheid waarop de consument een beroep moet doen. In hetgeval van een rechtshandeling tot het aangaan van een consumenten-krediet dat niet voorziet in uitstel van betaling en waarbij de toestemmingvan de wettelijke vertegenwoordigers is gegeven, maar de kantonrechtergeen toestemming heeft gegeven conform 1:345 eerste lid, onderdeel d,BW, regelt artikel 1:347 BW de vernietigbaarheid van die rechtshandeling.Als het gaat om een rechtshandeling tot het aangaan van een consumen-tenkrediet dat voorziet in uitstel van betaling of een rechtshandeling tothet aangaan van een consumentenkrediet dat niet voorziet in uitstel vanbetaling, maar waarbij de toestemming van de wettelijke vertegenwoor-diger ontbreekt, regelt artikel 3:40, tweede lid, BW, de vernietigbaarheid.§ 6. Juridische en overige niet-financiële gevolgen Uitbreiding toepassingsbereik kredietaanbiedersAls gevolg van de richtlijn komen bepaalde groepen aanbieders vankrediet nieuw onder het toepassingsbereik van de Wft te vallen (hiernaaangeduid als: «nieuwe aanbieders»). Dat zijn aanbieders van «koop nu,betaal later»-diensten, kaarten met uitgestelde debitering, huur- ofleasingsovereenkomsten met een optie tot koop van het object en eengeoorloofde debetstand die binnen een maand moet worden afgelost.Hieronder wordt een inschatting gegeven van de omvang van de groepennieuwe aanbieders.«Koop nu, betaal later»-dienstenEr zijn momenteel zeven aanbieders die – als derde – «koop nu, betaallater»-diensten leveren aan leveranciers van roerende zaken of diensten(veelal winkels). Daarnaast zijn er enkele online platforms die zélf «koopnu, betaal later»-diensten aanbieden. Dit bieden zij zowel aan voor eigenproducten als voor producten die andere, aangesloten partijen via hetplatform verkopen. In beide gevallen kwalificeert uitstel van betaling alskrediet. Er zijn op dit moment drie platforms geïdentificeerd die «koop nu,betaal later»-diensten aanbieden voor derde partijen die via het platformproducten of diensten verkopen. Samen komt dit dus uit op tienaanbieders van krediet in deze subcategorie.Kaarten met uitgestelde debiteringEr zijn op dit moment vijf actieve aanbieders van kaarten met uitgesteldedebitering. De kans bestaat dat dit aantal zal toenemen. Voorheen warener vier actieve aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering, maaronlangs is ook een aanbieder van «koop nu, betaal later»-dienstenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 322 (eveneens) krediet gaan aanbieden in de vorm van kaarten met uitge-stelde debitering.Huur- of leasingsovereenkomsten met een optie tot koopAangezien huur- of verhuurovereenkomsten met een optie tot koop nietlanger van het toepassingsgebied zijn uitgezonderd, is de verwachting dateen aantal aanbieders hiervan vergunningplichtig wordt. Hoeveel preciesis onduidelijk en afhankelijk van de omstandigheden, zoals de karakteris-tieken van de overeenkomst waarvan aanbieders gebruikmaken. Naarschatting gaat het om ongeveer vijftig aanbieders (variërend vanaanbieders van autolease tot aanbieders van witgoed), waarbij wordtopgemerkt dat een groot deel van deze partijen mogelijk het aanbodaanpast om buiten het toepassingsbereik van de richtlijn en de Wft teblijven.In totaal gaat dit voorstel uit van (7+3+4+50=) 64 nieuwe aanbieders.Uitbreiding toepassingsbereik kredietbemiddelaarsLeveranciers van roerende zaken of diensten, zoals winkels, die gebruik-maken van «koop nu, betaal later»-diensten van een derde, treden op alsbemiddelaar in krediet en vallen daarmee nieuw onder het toepassings-bereik. Voor dit voorstel is een inschatting gemaakt dat het gaat om 80partijen.Aangezien huurovereenkomsten met een optie tot koop of intentie totkoop eveneens niet langer van het toepassingsgebied zijn uitgezonderd,zullen mogelijk ook nieuwe partijen optreden als bemiddelaar in krediet.Net als geldt voor het aantal nieuwe aanbieders, is niet duidelijk omhoeveel nieuwe partijen dit gaat. Mogelijk gaat het om 50 tot 80 nieuwepartijen.In paragraaf 7 hieronder over financiële gevolgen wordt ingegaan op deeenmalige en structurele toezichtskosten en de eenmalige en structurelenalevingskosten voor zowel nieuwe aanbieders als «bestaandeaanbieders» die – anders dan nieuwe aanbieders – reeds onder hettoepassingsbereik van de CCDI vielen.Consumentenbescherming en toegang tot kredietNu er meer (veelal kortlopende) vormen van krediet onder het toepas-singsgebied van de Wft zullen komen te vallen, zal de consumentenbe-scherming bij het aangaan van en gedurende de looptijd van de kredieto-vereenkomst toenemen. Ook deze aanbieders worden verplicht om onderandere een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren en deconsument van duidelijke (pre)contractuele informatie te voorzien.Nieuwe maar ook bestaande aanbieders van krediet (die al onder de Wftvielen) worden daarnaast verplicht een mate van respijt aan te houdenalvorens een tenuitvoerleggingsprocedure te beginnen en om processenen beleid te hanteren voor vroegtijdige opsporing van consumenten die infinanciële moeilijkheden verkeren. Dat zijn positieve gevolgen voor deconsument. Tegelijkertijd zal extra regulering, waaronder toezichtskostenen nalevingskosten, ervoor zorgen dat het aanbod van voornoemd kredietduurder wordt en valt het niet uit te sluiten dat het aanbod afneemt.Zodoende kan toegenomen consumentenbescherming ten koste gaan vande prijs en eventueel het aanbod. Dit terwijl eenvoudig verkrijgbare,kortlopende kredietvormen huishoudens ook kunnen helpen hun budgetbeter aan te passen aan een maandinkomen en bijvoorbeeld timingsver-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 323 schillen kunnen gladstrijken tussen inkomsten en uitgaven.33 Voorhuishoudens met een smalle beurs voor wie dergelijk krediet eenwelkome aanvulling op mogelijkheden tot budgetbeheer vormt, kan ditbetekenen dat zij in mindere mate toegang zullen hebben tot krediet. Hetwetsvoorstel probeert in de afweging van deze belangen een balans tevinden.Zicht op (betalingsproblemen bij) opkomende, voorheen ongereguleerdekredietvormenAanbieders die onder het toepassingsbereik van de richtlijn zijn komen tevallen, worden verplicht aan te sluiten bij een stelsel van kredietregis-tratie. Dit houdt in dat zij zowel kredieten dienen te registreren bij BKR, alsBKR moeten raadplegen voorafgaand aan het verstrekken van krediet. Opindividueel niveau vermindert dit het risico op overkreditering. Daarnaastwordt met de nieuw te verkrijgen BKR-gegevens op macroniveauvoorkomen dat potentieel ernstige schuldenproblematiek zich aan het oogvan de AFM en de maatschappij onttrekt en dat kredietnemers te veelniet-passende schulden aangaan.34Door de aansluiting van nieuweaanbieders bij BKR, verkrijgt de AFM het nodige inzicht hierin, wat haarbeter in staat stelt haar toezichthoudende en signalerende functie tevervullen. De andere kant van de medaille is dat op individueel niveau,een BKR-registratie tijdelijk gevolgen kan hebben voor de toegang vaneen consument tot nieuw krediet. De voorwaarden voor registratie in BKRworden geregeld in het Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie, zoalstoegelicht in paragraaf 5.DoenvermogenBij beleidsvorming moet rekening worden gehouden met het doenver-mogen van burgers, zzp’ers en het (kleine) mkb,35 indien het beleid op hengericht is. De bedoeling en verwachting is dat de positie van de consu-menten zal verbeteren als gevolg van dit wetsvoorstel. Wel is het zo datconsumenten vaker, bijvoorbeeld bij «koop nu, betaal later»-krediet enkaarten met uitgestelde debitering, een kredietwaardigheidsbeoordelingmoeten ondergaan. Hiervoor moeten zij – in het eigen belang van deconsument – (extra) inspanningen verrichten zoals het aanleveren vanfinanciële en overige persoonsgegevens. Dit gaat om dezelfde (inspan-ningen voor een) kredietwaardigheidsbeoordeling als bij andere, reedsgereguleerde vormen van krediet. Er zijn geen aanwijzingen dat consu-menten bij deze kredietwaardigheidsbeoordelingen de gevraagdehandelingen onvoldoende begrijpen en/of deze niet kunnen uitvoeren.Verder zullen consumenten bij een kredietaanvraag precontractueleinformatie ontvangen en waar nodig moeten beoordelen. Zoals hierbovenin paragraaf 2 beschreven, wijzigt de richtlijn de voorgeschrevenprecontractuele informatie (het ESIC-formulier) en houdt deze meerrekening met gedragsinzichten en het doenvermogen van consumenten.Dit wetsvoorstel betreft hierin een positieve ontwikkeling voor hetdoenvermogen van consumenten.33Autoriteit Financiële Markten, Rapport Trendzicht 2025: verdiepende analyse inzakeconsumptief krediet en financiële kwetsbaarheid, 14 november 2024, p. 5.34Autoriteit Financiële Markten, Rapport Trendzicht 2025: verdiepende analyse inzakeconsumptief krediet en financiële kwetsbaarheid, 14 november 2024, p. 23.35https://www.kcbr.nl/beleid-en-regelgeving-ontwikkelen/beleidskompas/verplichte-kwaliteitseisen/doenvermogen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 324 Ook worden extra voorwaarden gesteld aan de instemming van eenconsument voor het aangaan van een kredietovereenkomst of neven-dienst, indien er gebruikt wordt gemaakt van standaardopties. Consu-menten kunnen in geval van standaardopties slechts instemmen doormiddel van een ondubbelzinnige en duidelijke bevestigende handeling dieeen vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige aanwijzing vormtvan de goedkeuring door de consument van de inhoud van de standaard-opties en de betekenis daarvan. Dit is eveneens ter bescherming van depositie van consumenten en het is niet de verwachting dat dit hetdoenvermogen van de consumenten wezenlijk zal beïnvloeden.Voor het kleine mkb is het ook niet de verwachting dat dit wetsvoorstelhun doenvermogen noemenswaardig zal beïnvloeden. Indienmkb-ondernemingen bemiddelen in «koop nu, betaal later»-krediet zijndeze volledig uitgezonderd van de AFM-vergunningplicht. Alsmkb-ondernemingen zelf uitstel van betaling willen verlenen van meerdan vijftig dagen, worden zij in beginsel vergunningplichtig. Zoalshieronder in paragraaf 7 echter geschreven onder het kopje «toepassings-bereik», is het de zeer sterke verwachting dat mkb-ondernemingen geenuitstel van betaling van meer dan 50 dagen zullen verlenen om zodoendeniet vergunningplichtig te worden. Dit heeft dan ook geen impact op hetdoenvermogen van het kleine mkb. Voor het overige heeft ditwetsvoorstel geen gevolgen voor het kleine mkb.Waarborgen omtrent verwerking van persoonsgegevensDit wetsvoorstel stelt extra kaders waaraan de kredietwaardigheidsbeoor-deling door kredietgevers van (potentiële) klanten moet voldoen. Bij dekredietwaardigheidsbeoordeling mag geen informatie van digitale socialenetwerken worden gebruikt. Daarnaast mogen geen bijzondere catego-rieën van persoonsgegevens worden gebruikt in de kredietwaardigheids-beoordeling.Gezien de aard van dit wetsvoorstel is een Data Protection ImpactAssessment (DPIA) uitgevoerd. Met behulp hiervan zijn op gestructu-reerde wijze de gevolgen en risico’s voor gegevensbescherming in kaartgebracht. Hierbij is onder meer aandacht besteed aan de beginselen vangegevensminimalisering en de maatregelen en waarborgen om de risico’sten aanzien van de gegevensverwerking zoveel mogelijk te beperken.Financiële educatieIn aanvulling op dit wetsvoorstel continueert de regering de maatregelendie zij heeft genomen ter ondersteuning van de educatie van consu-menten met betrekking tot het verantwoordelijk lenen van geld enbeheren van schulden. Dit doet zij onder meer via het platform Wijzer ingeldzaken en de publieke campagnes of de lespakketten die in dat kaderworden verstrekt.§ 7. Bedrijfseffecten en financiële gevolgen Dit wetsvoorstel zal gevolgen hebben voor zowel «nieuwe aanbieders»(kredietaanbieders die nieuw onder het toepassingsgebied van de Wft enhet BW komen te vallen, zie paragraaf 6 hierboven) als «bestaandeaanbieders» die reeds hieronder vielen (maar voor wie er nieuwe ofgewijzigde regels gaan gelden). Voor nieuwe aanbieders zal gelden dat zijonder meer een vergunning moeten aanvragen voor het aanbieden vankrediet en aan bepaalde gedragsregels uit de Wft moeten voldoen, zoalsde verplichting een kredietwaardigheidsbeoordeling bij (potentiële)klanten uit te voeren. Deze extra werkzaamheden brengen kosten met zichTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 325 mee (hieronder in deze paragraaf uiteengezet) die mogelijk niet zonderaanpassing van het bedrijfsmodel kunnen worden opgevangen. Vooraanbieders van «koop nu, betaal later»-krediet lijkt het aannemelijk dat dehuidige, stevige concurrentie tussen partijen hierdoor verder zaltoenemen. Voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering zalgelden dat aanbieders in ieder geval op grond van de nieuwe regels tenaanzien van (precontractuele) kosteninformatie de kosten voor hetkredietproduct moeten splitsen van de kosten van overige voordelen.Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft geadviseerd over deopenbaar geconsulteerde versie van het wetsvoorstel, deze memorie vantoelichting en de regeldrukgevolgen die daaruit voortkomen. In zijn adviesheeft het ATR dertien adviespunten aangedragen om de richtlijn dan welzo lastenluw mogelijk te implementeren, dan wel meer inhoudelijk temotiveren waarom – met het oog op lastenluwe implementatie – bepaaldebeleidskeuzes zijn gemaakt. In paragraaf 11 hieronder is uiteengezet hoedeze adviespunten in het wetsvoorstel en deze memorie zijn verwerkt. Inhet vervolg van deze paragraaf wordt ingegaan op de belangrijkstebedrijfseffecten van dit wetsvoorstel: de financiële gevolgen.Er wordt onderscheid gemaakt tussen toezichtskosten enerzijds ennalevingskosten anderzijds. De eerste categorie kosten houdt verband metde vergunning van de financiële dienstverlener en de kosten als gevolgvan AFM-toezicht. De kosten voor het toezicht van de AFM wordendoorberekend aan de instellingen onder toezicht en volgen uit de Regelingbekostiging financieel toezicht. Nalevingskosten zijn de kosten die eenfinanciële dienstverlener naar verwachting moet maken om te voldoenaan de verplichtingen uit de richtlijn. Beide typen kosten kunnen zowelincidenteel als structureel van aard zijn. Bij de bepaling van de kostenwordt gekeken naar de verandering die optreedt ten opzichte van de reedsbestaande situatie. Voor sommige groepen financiële dienstverleners isde lastendruk hoger dan voor andere groepen financiële dienstverleners.Deze paragraaf staat allereerst stil bij het toepassingsbereik van derichtlijn, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen nieuwe enbestaande aanbieders. Hierna wordt een inschatting gegeven van zowelde eenmalige als structurele toezichts- en nalevingskosten per onderwerpvan de richtlijn per doelgroep. De eenmalige toezichtskosten eneenmalige en structurele nalevingskosten worden voor het overzichthieronder ook in tabellen weergegeven.ToepassingsbereikBestaande aanbiedersVoor een groot deel van aanbieders van krediet geldt dat zij reeds onderhet bereik van de Wft en Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW vielen alsgevolg van de CCDI (de «bestaande aanbieders»). Deze partijen hebbenreeds een AFM-vergunning in het kader waarvan zij al toezichtskostenmoeten betalen. Alleen de nalevingskosten zullen op enkele puntenstijgen, zoals hierna toegelicht. Voor aanbieders van krediet in de vormvan een geoorloofde debetstand geldt dat zij gedeeltelijk al onder de Wftvielen. Waar sprake was van aflossing binnen een maand, was de Wfthelemaal niet van toepassing. Waar sprake was van aflossing binnen driemaanden, was een gedeelte van de Wft van toepassing. De eerste groepzal voor het eerst onder toezicht komen te vallen en wordt meegerekendin de groep «nieuwe aanbieders». De tweede groep valt reeds ondertoezicht, maar op hen worden extra verplichtingen van toepassing alsgevolg van het vervallen van het maatwerkregime. Voor aanbieders vankrediet in de vorm van een overschrijding geldt dat zij reeds onder deCCDI vielen, maar dat op grond van de richtlijn enkele nieuwe verplich-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 326 tingen op hen van toepassing worden. De nalevingskosten voor dezepartijen zijn daarmee vergelijkbaar met de nalevingskosten voorbestaande partijen en worden hierna samen aangeduid als bestaandeaanbieders. Er wordt uitgegaan van 34 bestaande aanbieders.Nieuwe aanbiedersHierboven in paragraaf 6 is beschreven dat bepaalde groepen aanbiedersvan krediet voor de eerste keer onder het toepassingsbereik zullen komente vallen (nieuwe aanbieders). Dit gaat om ongeveer 64 aanbieders van«koop nu, betaal later»-diensten, kaarten met uitgestelde debitering, huur-of leasingsovereenkomsten met een optie tot koop van het object en eengeoorloofde debetstand die binnen een maand moet worden afgelost.Opgemerkt zij dat bij de nieuwe aanbieders niet worden meegerekend demicro, kleine- en middelgrote aanbieders van krediet36 die als nevenacti-viteit krediet aanbieden in de vorm van uitstel van betaling van meer dan50 dagen waardoor dit onder de Wft zou vallen en zij vergunningplichtigzouden worden. Hoewel het theoretisch mogelijk is dat dezemkb-ondernemingen een AFM-vergunning zouden aanvragen voor hetaanbieden van krediet, is het de zeer sterke verwachting dat dit voor bijnageen enkele onderneming wenselijk zou zijn, voornamelijk vanwege dedaarmee gemoeide kosten, zoals hieronder uiteengezet. Indienmkb-ondernemingen zélf uitstel van betaling bieden (dus zondertussenkomst van een derde), zullen zij dit naar verwachting dus doen vooreen looptijd van minder dan 50 dagen om zo niet als kredietaanbieder tekwalificeren. Dit wetsvoorstel leidt dus niet tot toezichtskosten voor dezegroep. De enige nalevingskosten voor deze groep mkb-ondernemingendie overweegt voor lange tijd uitstel van betaling te verlenen, bestaan uitde kosten van kennisname van de toepasselijke wetgeving. Een hoogop-geleide werknemer is hier naar schatting één uur aan kwijt. De eenmaligenalevingskosten voor deze beperkte groep mkb-ondernemingen bedragennaar schatting dus (1*54=) € 54.Eenmalige toezichtskosten AFMDe eenmalige regeldrukkosten voor een nieuwe aanbieder bestaan uit aande AFM verschuldigde heffingen voor de behandeling van zijn vergun-ningaanvraag. Bij de behandeling van de vergunningaanvraag beoordeeltde AFM onder meer of de (voorgenomen) dienstverlening en bedrijfs-voering van de aanvrager voldoen aan de daarvoor geldende wettelijkevoorschriften. Daarbij dient de AFM te beoordelen of de aanvragerbeschikt over robuuste governanceregelingen en adequate internecontrolemechanismen. Voor de behandeling van die vergunningaanvraagzal een bedrag van € 14.600 verschuldigd zijn. Met de in het kader van debehandeling van de vergunningaanvraag te beoordelen betrouwbaarheidvan de dagelijks beleidsbepalers, medebeleidsbepalers en leden van hettoezichthoudend orgaan is een bedrag van € 700 per persoon gemoeid.Voor het in het kader van de behandeling van de vergunningaanvraagtoetsen van de geschiktheid van de dagelijks beleidsbepalers en leden vanhet toezichthoudend orgaan van de kredietaanbieder zal een heffing van€ 2.900 per persoon verschuldigd zijn. Voor de behandeling van devergunningaanvraag en de uitvoering van de betrouwbaarheids- engeschiktheidstoetsen is derhalve tenminste € 21.800 (€ 14.600 + 2*€ 700+ 2*€ 2.900) verschuldigd. Ten behoeve van de beoordeling van de36Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling van de Commissiebetreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422)van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote enmicro-ondernemingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 327 vergunningaanvraag en het doorvoeren van de betrouwbaarheids- engeschiktheidstoetsingen zal een kredietaanbieder kosten moeten makenvoor het opstellen, verzamelen en verzenden van de daartoe benodigdegegevens en bescheiden. Naar schatting zal een hoogopgeleidemedewerker van een kredietaanbieder hier 40 uur aan kwijt zijn. Deeenmalige regeldruklasten daarvoor bedragen naar schatting € 2.160(40*€ 54). In totaal komen de (minimale) eenmalige regeldrukkosten vooreen kredietaanbieder daarmee op € 23.960 (€ 21.800 + € 2.160).Eenmalige toezichtskosten nieuwe aanbieders (excl. «koop nu, betaal later»-aanbieders)Vergunningaanvraag€ 14.600Betrouwbaarheidstoets (2x)€ 1.400Geschiktheidstoets (2x)€ 5.800Voorbereidende werkzaamheden€ 2.160Totaal€ 23.960 Voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering geldt dat zij opgrond van artikel 2:61 Wft mogelijk gebruik kunnen maken van eenuitzondering op de vergunningplicht van artikel 2:60 Wft, bijvoorbeeldomdat zij een bank zijn. Voor hen gelden dan geen eenmalige toezichts-kosten.Voor aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten gaat gelden dat zijop grond van artikel 2:81, vierde lid, Wft, verantwoordelijk zijn voor deregistratie van registratieplichtige partijen die voor hen bemiddelen.37 Deaanbieder, waar het toezicht zich voornamelijk op zal richten, draagt dekosten van de aanmelding. Naar schatting zal een hoogopgeleidemedewerker van een kredietaanbieder hier drie uur aan kwijt zijn ad € 54per aanmelding. De kosten die de AFM in rekening brengt voor het inbehandeling nemen van de registratie zullen naar verwachting € 300bedragen. In totaal komen de eenmalige regeldrukkosten per registratievan een registratieplichtige bemiddelaar in «koop nu, betaal later»-kredietdaarmee op € 462 (3*€ 54 + € 300). Bij een geschat gemiddelde van 30registraties (afhankelijk van het marktaandeel van de aanbieder van «koopnu, betaal later»-diensten, in totaal gaat het om 80 bemiddelaars) gaat ditom een bedrag van (30*€ 462)= € 13.860. Voor grote bemiddelaars in«koop nu, betaal later»-krediet zullen geen eenmalige toezichtskosten vantoepassing zijn en zullen de regeldrukkosten ter voorbereiding van deregistratie waarschijnlijk beperkt zijn.Eenmalige toezichtskosten nieuwe «koop nu, betaal later»-aanbiedersVergunningaanvraag€ 14.600Betrouwbaarheidstoets (2x)€ 1.400Geschiktheidstoets (2x)€ 5.800Voorbereidende werkzaamheden€ 2.160Registreren «koop nu, betaal later»-kredietbemiddelaars (30x)€ 13.860Totaal€ 37.820 37Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van «Aanbeveling van de Commissiebetreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422)van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote enmicro-ondernemingen» die bemiddelen in «koop nu, betaal later»-krediet zijn uitgezonderdvan de registratieplicht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 328 Tot slot gaat voor het grootbedrijf dat optreedt als bemiddelaar in «koopnu, betaal later»-krediet het normale regime van een vergunningplicht opgrond van artikel 2:80 Wft gelden indien zij bemiddelen in krediet met eenlooptijd langer drie maanden. Zij kunnen dan immers niet gebruikmakenvan het lichtere regime van de registratieplicht zoals hierbovenbeschreven, dat alleen geldt voor kortlopende kredieten. Hierdoor zoudenzij eveneens eenmalige toezichtskosten verschuldigd zijn. Aangezien grotebemiddelaars niet onder een vergunningplicht zullen willen komen tevallen, zullen zij naar verwachting ervoor zorgen dat de kredieten dieworden aangeboden de genoemde termijn van drie maanden nietoverschrijden. De eenmalige toezichtskosten volgend uit de vergunning-plicht worden dus geschat op nihil. Het zou kunnen dat het bedrijfsmodelvan «koop nu, betaal later»-aanbieders en het grootbedrijf dat met hensamenwerkt in de toekomst grondig wordt herzien, en dat krediet wordtaangeboden met een (veel) langere looptijd. Hierdoor zouden deze kostenwel verschuldigd worden. Dit scenario lijkt momenteel echter niet reëel.Doorlopende toezichtskosten AFMVoor nieuwe en bestaande kredietaanbieders geldt dat zij naast deeenmalige kosten voor het aanvragen van de vergunning bij de AFMtevens doorlopende toezichtskosten betalen. De kosten bestaan uit eenbasisbedrag van € 2.568 per jaar (gebaseerd op kalenderjaar 2024) +€ 7,77 per klant. Vanaf 5000 klanten geldt een staffel met fors lagerevariabele kosten. De doorlopende toezichtskosten voor een kredietaan-bieder komen daarmee minimaal op € 2.568.Eenmalige en structurele nalevingskosten, niet zijnde toezichtskostenDe verplichtingen uit de richtlijn waar naar verwachting nalevingskostenuit voortvloeien zien op de precontractuele-informatieverplichtingen,kredietwaardigheidsbeoordeling, toegang tot een databank (BKR), inhoudvan de kredietovereenkomst, vroegsignalering en doorverwijzing van deconsument bij financiële problemen, gedragsregels, vakbekwaam-heidseisen en ten slotte de interne klachtprocedure en aansluiting bij eengeschilleninstantie.Precontractuele informatie en de inhoud van de overeenkomst(artikelen 9, 10, 12, 13, 20, 21, 24 en 25 en 38 van de richtlijnVoor nieuwe aanbieders worden de precontractuele-informatieverplichtingen op grond van de richtlijn geheel nieuw. Nalevinghiervan vergt een eenmalige investering om de bedrijfssystemen– waaronder automatiseringssystemen – zodanig aan te passen dat devoorgeschreven (standaard)informatie bij elke kredietverlening eenvoudigkan worden verstrekt. De eenmalige aanpassingskosten kunnen peronderneming aanzienlijk verschillen, omdat deze onder meer afhankelijkzijn van de grootte van de onderneming en de gebruikte systemen. Ookzijn deze afhankelijk van het type kredietovereenkomst dat doorgaanswordt verstrekt. Dit omdat voor bepaalde kredieten een minder zwaar,proportioneel informatieverstrekkingsregime geldt, als gevolg van degebruikmaking van de lidstaatoptie uit artikel 2, achtste lid, van derichtlijn. Al met al worden de kosten geschat op € 50.000 tot € 100.000.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 329 In het implementatiewetsvoorstel van de CCDI werden de kosten vooraanpassing van de systemen om te kunnen voldoen aan precontractuele-informatieverplichtingen gezamenlijk geschat op € 30.000.38 Dezeschatting wordt ook in dit voorstel aangehouden, maar gecorrigeerdconform de inflatiecorrectie zoals toegepast in de richtlijn.39 Aldus wordendeze eenmalige kosten geschat op € 40.000. De systemen dienenbovendien periodiek bijgehouden gehouden te worden. De kostenhiervoor worden geschat op € 3.000 tot € 15.000 per jaar.Voor bestaande aanbieders geldt dat de bepalingen inzake precontrac-tuele informatie en de vereisten aan de inhoud van de kredietovereen-komst in dit wetsvoorstel worden aangevuld ten opzichte van de CCDI. Deaanpassingen houden in dat kredietaanbieders en kredietbemiddelaarseen adequate toelichting dienen te verstrekken bij voorgestelde kredieto-vereenkomsten en eventuele nevendiensten. Daarnaast komt er een extrainformatieplicht voor kredietaanbieders wanneer zij gebruikmaken vangeautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens om een gepersona-liseerd aanbod aan te kunnen doen en stelt de richtlijn eisen ten aanzienvan het standaard ESIC-formulier. Om aan deze verplichtingen te voldoen,zullen aanbieders eenmalig aanpassingen moeten doorvoeren in deprecontractuele-informatiedocumenten. Dit kost een hoogopgeleidemedewerker (uurloon € 54) naar schatting twintig uur, waardoor dekostenraming hiervoor uitkomt op (20*54=) € 1.080 per type krediet-product.Voor kredietbemiddelaars zullen – tot slot – de eenmalige en structurelenalevingskosten beperkt zijn in vergelijking met de kosten vooraanbieders. In de meeste gevallen zullen namelijk de aanbieders (en nietde bemiddelaars) de consument voorzien van de verplichte (pre)contrac-tuele informatie, behoudens wellicht de informatie genoemd in artikel 38van de richtlijn. Kredietbemiddelaars zullen naar verwachting voorna-melijk kosten maken tijdens de afstemming met de aanbieder om ervoorte zorgen dat juist en volledig aan alle precontractuele-informatieverplichtingen wordt voldaan. De eenmalige nalevingskostenvoor nieuwe kredietbemiddelaars worden geschat op € 5.000 tot € 10.000en de structurele nalevingskosten op € 500 tot € 5.000 per jaar perbemiddelaar.Kredietwaardigheidsbeoordeling (artikel 18 en 19 van de richtlijn)De kredietwaardigheidsbeoordeling zal voor nieuwe aanbiederseenmalige en structurele nalevingskosten opleveren die zij op dit momentnog niet dragen. Zij moeten hiervoor processen inrichten en beleidopstellen, waarvoor de eenmalige nalevingskosten worden geschat op€ 25.000 tot € 250.000. De structurele nalevingskosten, bestaande uit hetonderhoud van de relevante ICT-systemen en het in stand houden van hetbeleid en de processen ten aanzien van de kredietwaardigheidsbeoor-deling, bedragen naar schatting tussen € 15.000 en € 100.000 opjaarbasis.Indien een kredietwaardigheidsbeoordeling niet geautomatiseerd kanworden uitgevoerd, zal dit handmatig moeten gebeuren. Voor welkpercentage van de beoordelingen dit geldt, hangt voornamelijk af van de38Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet op het financieel toezicht en enigeandere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2008/48/EG van het Europees Parlement ende Raad van de Europese Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voorconsumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PbEU L 133/66).Voor de memorie van toelichting hierbij zie Kamerstukken II 2009–2010, 32 339, nr. 3.39Overweging 20 van de preambule van de richtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 330 kredietsoort die de aanbieder doorgaans verstrekt en het bedrijfsmodelvan de aanbieder. Naar verwachting zullen bijvoorbeeld grote aanbieders(zoals van bijvoorbeeld «koop nu, betaal later»-diensten) zeer weinigkredietwaardigheidsbeoordelingen handmatig uitvoeren, terwijl andereaanbieders, bijvoorbeeld van (luxere) kaarten met uitgestelde debiteringdat vaker ook handmatig zullen doen. Alles afwegende gaat dit voorsteluit van 2.500 tot 15.000 handmatige beoordelingen per aanbieder.Verwacht wordt dat een administratief medewerker (uurloon € 39) perbeoordeling gemiddeld een halfuur bezig is, waardoor de additionele,geschatte, structurele nalevingskosten voor nieuwe aanbieders op ditpunt uitkomen op jaarlijks (0,5*2.500*39=) € 48.750 tot (0.5*15.000*39=)€ 292.500.De kredietwaardigheidsbeoordeling moet op grond van artikel 18 van derichtlijn daarnaast ook aan aanvullende eisen voldoen die op grond vande CCDI nog niet golden. De hiermee gemoeide kosten zijn nieuw voorzowel nieuwe als voor bestaande aanbieders. Voornamelijk relevant is datde van de consument te ontvangen informatie geen bijzondere catego-rieën van persoonsgegevens in de zin van de AVG mag bevatten. Dat islastig, want het valt niet uit te sluiten dat de door de consument aan televeren informatie dergelijke persoonsgegevens bevat. Om dat teondervangen, is het de aanbieder toegestaan bijzondere categorieën vanpersoonsgegevens te verwerken als dat – kort gezegd – noodzakelijk is omtot de kredietwaardigheidsbeoordeling te komen en indien de verwerkingvan de bijzondere categorieën van persoonsgegevens is afgescheiden vanhet beoordelingsproces. Bijzondere categorieën van persoonsgegevensmogen dus verwerkt worden om ze te kunnen lakken, voordat eenaanbieder bijvoorbeeld overzichten van betalingen waar deze persoonsge-gevens op voorkomen voor de kredietwaardigheidsbeoordeling gebruikt.Afscheiding betekent het nemen van technische of organisatorischemaatrelen die ervoor zorgen dat bijvoorbeeld de reden van een betaling,zoals een betaling aan een religieuze instelling, niet wordt meegenomenbij de hiervoor bedoelde beoordeling. Deze afscheiding kan bijvoorbeeldworden vormgegeven door de inrichting van een aparte afdeling bij deaanbieder zelf (met zogeheten Chinese walls) waar eventuele bijzonderecategorieën van persoonsgegevens worden afgeschermd, ofwel doordaarvoor een derde partij in te huren. Mogelijk zal het afschermen deelsgeautomatiseerd kunnen worden uitgevoerd, wat voornamelijk voor groteaanbieders financieel aantrekkelijk zal zijn. De structurele kosten voor hetonderhouden van een dergelijk systeem of het uitbesteden van degegevensverwerking worden geschat op € 10.000 tot € 50.000 per jaar.Daarnaast wordt geschat dat een aanbieder gemiddeld 1,5 fte adminis-tratief medewerkers voor één jaar nodig heeft ter controle en aanvullingvan de geautomatiseerde gegevensverwerking, waarvan de kostenuitkomen op (1,5*1.840 uur*39=) € 107.640.Aansluiting, registratie en raadpleging van BKR leveren voor nieuweaanbieders onder dit wetsvoorstel nalevingskosten op. Deze kostenworden niet in dit wetsvoorstel geregeld, maar worden nader geregeld bijof krachtens de Wet stelsel kredietregistratie.Vroegsignalering financiële problemenZowel bestaande als nieuwe kredietaanbieders moeten op grond van derichtlijn processen en beleid hebben voor vroegtijdige opsporing endoorverwijzing van consumenten in financiële moeilijkheden. Hetinrichten van deze processen en dit beleid leidt tot eenmalige enstructurele nalevingskosten. De kosten voor aanpassing van de geautoma-tiseerde systemen worden geschat op € 5.000 tot € 15.000. Daarnaast zalde kredietaanbieder een (standaard)informatiedocument dienen op teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 331 stellen dat hij kan sturen aan een consument in financiële moeilijkheden.Naar schatting zal een hoogopgeleide medewerker (uurloon € 54) hierongeveer vijf uur voor nodig hebben. Afstemming met twee hogereleidinggevenden, leden van de raad van bestuur of de raad van commis-sarissen zal voor hen maximaal twee uur in beslag nemen (uurloon € 77).Samen komen de minimale kosten uit op (5*€ 54 + 2*2*€ 77=) € 578 peraanbieder.Interne klachtenregeling en klachtprocedure bij KifidPartijen die nieuw onder het toepassingsbereik van de richtlijn komen tevallen, dienen een interne klachtenprocedure op te stellen (dan wel teevalueren en waar nodig aan te passen) en daaraan uitvoering te geven.Hieraan zijn eenmalige en structurele nalevingskosten verbonden. Tweehoogopgeleide medewerkers (uurloon € 54) zullen naar verwachtingbeide twintig uur nodig hebben voor het evalueren dan wel opstellen vaneen interne klachtenprocedure. Afstemming met hogere leidinggevenden,leden van de raad van bestuur of de raad van commissarissen zalmaximaal zes uur in beslag nemen (uurloon € 77). De eenmalige kostenzullen naar verwachting dus (20*2*€ 54 + 2*6*€ 77 =) € 3.084 bedragen.De structurele kosten hangen af van het aantal klachten dat de aanbiederof bemiddelaar binnenkrijgt, wat weer afhangt van de grootte en hetklantenbestand van de betreffende partij. Naar schatting zal gemiddeld 1fte hoogopgeleide medewerker (uurloon € 54) nodig zijn om doorlopendaan de klachtenprocedure invulling te geven. De geschatte kostenhiervoor komen uit op (1840*€ 54 =) € 99.360.Daarnaast zullen nieuwe aanbieders zich moeten aansluiten bij het Kifid.Voor financiële dienstverleners is de jaarlijkse bijdrage afhankelijk van hetaantal werknemers. Dit varieert van € 120 (1 fte) tot € 5.740 of meer bij200 fte of meer.Wijziging van de kredietovereenkomst en respijtmaatregelenVoor de artikelen 22, 23 en 35 wordt verwezen naar de memorie vantoelichting van de Implementatiewet kredietservicers en kredietkoperswaarin deze bepalingen zijn geïmplementeerd.40Eenmalige en structurele nalevingskosten in tabel weergegevenGeschatte eenmalige nalevingskosten nieuwe aanbiedersInvoering automatiseringssystemen (pre)contractuele informatie-verplichtingen€ 50.000 tot € 100.000Invoering kredietwaardigheidsbeoordeling€ 25.000 tot € 250.000Invoering systemen vroegsignalering€ 5.000 tot € 15.000Opstellen standaardinformatiedocument vroegsignalering€ 578Opstellen interne klachtenprocedure€ 3.408TotaalMin. € 83.986 – max.€ 368.986 40Kamerstuk 36 664 nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 332 Geschatte jaarlijkse nalevingskosten nieuwe aanbiedersBijhouden automatiseringssystemen (pre)contractuele informatie-verplichtingen€ 3.000 tot € 15.000Bijhouden systemen kredietwaardigheidsbeoordeling€ 15.000 tot € 100.000Handmatige kredietwaardigheidsbeoordeling€ 48.750 tot € 292.500Bijhouden systeem lakken persoonsgegevens€ 10.000 tot € 50.000Personeelskosten lakken persoonsgegevens€ 107.640Personeelskosten klachtenprocedure€ 99.360Jaarbijdrage Kifid€ 120 tot € 5.740TotaalMin. € 283.870 – max.€ 670.240 Geschatte eenmalige nalevingskosten bestaande aanbiedersAanpassing automatiseringssystemen (pre)contractuele informatie-verplichtingen€ 40.000Aanpassing (pre)contractuele informatiedocumenten€ 3.240Invoering systemen vroegsignalering€ 5.000 tot € 15.000Opstellen standaardinformatiedocument vroegsignalering€ 578TotaalMin. € 48.818 – max.€ 58.818 Geschatte aanvullende jaarlijkse nalevingskosten bestaande aanbiedersBijhouden systemen lakken persoonsgegevens€ 10.000 tot € 50.000Personeelskosten lakken persoonsgegevens€ 107.640TotaalMin. € 117.640 – max.€ 157.640 § 8. Uitvoering Uitvoeringstoets AFMOmdat de AFM is belast met het toezicht op de in dit voorstel van wetopgenomen voorschriften, is deze toezichthouder in de voorberei-dingsfase van het voorstel gevraagd een uitvoeringstoets te doen. Hetwetsvoorstel brengt nieuwe taken mee voor de AFM. Het voorstel brengtnieuwe kredietovereenkomsten binnen de werkingssfeer van de Wft. Alsgevolg van deze uitbreiding komen meer aanbieders en bemiddelaarsonder gedragstoezicht van de AFM en moeten zij een vergunningaanvragen. Naast de uitbreiding van de werkingssfeer wijzigt hetwetsvoorstel ook enkele bepalingen in paragraaf 4.3.1.3 van de Wft overhet aanbieden van krediet en wordt door middel van de productinterven-tiebevoegdheid het handhavingsinstrumentarium van de AFM uitgebreid.AFM is van oordeel dat de nieuwe taken die door dit wetsvoorstel wordenopgelegd uitvoerbaar zijn, mits daarvoor de benodigde capaciteit terbeschikking wordt gesteld. De AFM merkt in dit kader op dat sommigebepalingen pas volledig worden uitgewerkt in lagere regelgeving.UitvoerbaarheidHet wetsvoorstel breidt de toezichtpopulatie van de AFM uit met nieuweaanbieders van krediet en bemiddelaars in krediet en voert een nieuwtype registratieplicht in. Het aantal nieuwe aanbieders van krediet wordt inhet conceptwetsvoorstel ingeschat op 64 en de AFM kan dit volgen. DeAFM geeft aan dat dit mogelijk leidt tot ruim 300 personentoetsingen,hierbij is nog geen rekening gehouden met het aantal betrouwbaarheids-toetsingen voor medebeleidsbepalers. De AFM volgt verder het in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 333 conceptwetsvoorstel geschatte aantal van 50 tot 80 nieuwe vergunning-aanvragen voor bemiddelaars in huur- en leaseovereenkomsten met eenoptie tot koop. Mogelijk voldoen dit soort partijen aan de voorwaardenom als verbonden bemiddelaar op te treden en in dat geval is geenzelfstandige vergunning nodig. Naar verwachting leidt deze categorie vanbemiddelaars tot 150 tot 240 personentoetsingen, ook hierbij is nog geenrekening gehouden met de betrouwbaarheidstoetsingen voor medebe-leidsbepalers. De AFM plaatst verder de kanttekening dat het aantalvergunningaanvragen waarschijnlijk aanzienlijk meer wordt als privatelease zonder optie of verplichting tot koop in de toekomst ook door de Wftwordt gereguleerd. Deze vorm van private lease wordt in dit wetsvoorstelniet meegenomen en wordt in een later stadium verder onderzocht. Totslot introduceert het wetsvoorstel een nieuwe registratieplicht voorleveranciers van roerende zaken of diensten die kwalificeren als grootbe-drijf en bemiddelen in «koop nu, betaal later»-diensten. Het zal omongeveer 80 partijen gaan. De AFM heeft bij deze taak twee aandachts-punten. De richtlijn verplicht lidstaten om adequate toelatingseisen vast testellen ten aanzien van de «koop nu, betaal later»-bemiddelaars, zijndegrootbedrijf. Deze eisen worden uitgewerkt in de nationale (lagere)regelgeving, waardoor de AFM de uitvoerbaarheid van deze nieuweregistratieplicht pas bij het gereed zijn van deze regelgeving volledig kanbeoordelen. Het tweede aandachtspunt is dat bij ongelijktijdige inwerking-treding van de implementatiewet en het implementatiebesluit, de situatiekan ontstaan dat de aanbieder wel verplicht is de bemiddelaar aan temelden bij de AFM, maar de AFM de registratie nog niet kan uitvoerendoor nog niet bekende toelatingseisen. Met deze aandachtspunten zalrekening worden gehouden.Voor wat betreft het doorlopend toezicht raakt het wetsvoorstel deuitvoering door de AFM op verschillende manieren. Zo zal de nieuwetoezichtpopulatie moeten voldoen aan gedragsnormen die voorheen nietop hen van toepassing waren en zal de bestaande toezichtpopulatie aannieuwe en gewijzigde gedragsnormen moeten voldoen. Tevens krijgt deAFM een nieuwe productinterventiebevoegdheid. In de beoordeling vande gevolgen van dit wetsvoorstel op de uitvoerbaarheid van haardoorlopend toezicht, heeft de AFM enkele aandachtspunten geconstateerdten aanzien van nieuwe regels voor kredietverstrekking aan minderjarigenen leeftijdsverificatie, kredietwaardigheidsbeoordeling en productinter-ventie.Het nieuwe artikel 4:34b Wft bevat een verbod tot het verstrekken vankrediet in de vorm van uitstel van betaling aan minderjarigen. Los van devraag of het wenselijk is om dit verbod te beperken tot slechts één vormvan krediet, namelijk uitstel van betaling, is de AFM van mening dat hetwetsvoorstel niet duidelijk genoeg aangeeft in welke gevallen het verbodprecies geldt. Ten eerste merkt de AFM op dat het verbod in artikel 4:34bWft niet zal gelden voor «koop nu, betaal later»-diensten die op grond vanhet nieuwe artikel 1:20, eerste lid, onderdeel 1, Wft van het toepassings-bereik van de Wft zijn uitgezonderd. Deze uitzondering ziet op onlineafgesloten krediet met een kredietaanbieder uit een andere lidstaat. DeAFM kan op dergelijke transacties ook geen toezicht houden. Verder isvoor de AFM niet duidelijk of het de intentie was van de wetgever om deleeftijdsgrens niet te laten gelden voor de uitgezonderde diensten enwordt niet duidelijk wat precies onder «uitstel van betaling» valt. De AFMverwelkomt tot slot de introductie van de leeftijdsverificatieplicht. Alsgevolg van deze aandachtspunten en opmerkingen uit de andere adviezenen consultatiereacties is een aantal verduidelijkende alinea’s toegevoegdaan paragraaf 5 van de memorie van toelichting en de artikelsgewijzetoelichting bij onder andere 4:34b Wft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 334 De AFM merkt op dat de kredietwaardigheidstoets onder andere wordtingevuld door normen die volgen uit lagere regelgeving. Denk bijvoor-beeld aan de verificatieplicht uit artikel 113 BGfo en de plicht om BKR teraadplegen uit artikel 114 BGfo. In de memorie van toelichting isopgenomen dat de wetgever kijkt naar aanscherping van de grenzen voorverificatie en BKR-raadpleging. De AFM kan deze aanscherping volgen,maar geeft wel aan dat zij de uitvoerbaarheid pas bij het gereed zijn vande lagere regelgeving kan beoordelen. Ten aanzien van de kredietwaardig-heidsbeoordeling wijst de AFM verder op drie aandachtspunten gericht opartikel 4:34a Wft inzake de regels voor het verwerken van bijzonderecategorieën van persoonsgegevens. Ten eerste vindt de AFM hetverstandig om te verduidelijken wat wordt verstaan onder verwerkingendie noodzakelijk zijn voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. Ten tweedeacht de AFM het wenselijk om de rolverdeling tussen de AutoriteitPersoonsgegevens (AP) en de AFM op dit punt te verduidelijken en tenderde verwacht de AFM dat zij ten behoeve van haar toezicht opartikel 4:34a Wft onder omstandigheden bijzondere persoonsgegevensdient te verwerken. Om rechtsonzekerheid te voorkomen en de uitvoer-baarheid van ons toezicht te bevorderen, vindt de AFM het noodzakelijkom expliciet te vermelden dat zij hiertoe bevoegd is.Naar aanleiding van het AP-advies zijn enkele aanpassingen verwerkt inartikel 4:34a Wft en wordt onder meer ingegaan op het begrip evenre-digheid in het kader van de verwerking van persoonsgegevens in hetkader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. In paragraaf 9 was reedseen passage opgenomen over de bevoegdheid van de AP in het kader vanartikel 4:34a Wft. Daar is een verduidelijkende passage aan toegevoegdwaarin wordt ingegaan op de verhouding tussen de toezichthouders alshet gaat om toezicht op de hiervoor genoemde bepaling.Tot slot heeft de AFM een opmerking over de productinterventiebe-voegdheid die volgt uit artikel 1:77q Wft. De AFM kan deze bevoegdheido.a. pas inzetten als andere toezichts- of handhavingsbevoegdheden nietvolstaan of niet doelmatig of evenredig zijn om de zorgen over consumen-tenbescherming af te wenden. De AFM onderschrijft dat de productinter-ventiebevoegdheid terughoudend moet worden toegepast, maar isbezorgd dat de hiervoor genoemde voorwaarde de daadwerkelijketoepassing van die bevoegdheid onnodig kan bemoeilijken, omdat uit hetconceptwetsvoorstel niet duidelijk wordt hoe en door wie wordt vastge-steld of en wanneer aan deze voorwaarde is voldaan. De AFM geeft alsmogelijke oplossing om verder aan te sluiten bij de bewoordingen van deVerordening (EU) 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten(MiFIR), waarop artikel 1:77q Wft reeds is gebaseerd. Als gevolg van dezeopmerking en soortgelijke consultatiereacties is aan artikel 1:77q Wft eenzinssnede toegevoegd die aansluit bij de productinterventiebevoegdheiddie volgt uit artikel 42 van MiFIR.BekostigingDe AFM heeft in het kostenkader 2025–2028 capaciteit toegewezengekregen voor het toezicht op de richtlijn. De AFM geeft aan dat deinschatting van de mogelijke toezichtpopulatie in de memorie vantoelichting van het conceptwetsvoorstel hoger is dan de geschattepopulatie waarop de toegewezen capaciteit in het kostenkader 2025–2028van de AFM is gebaseerd. Zo wordt in de memorie van toelichting van ditwetsvoorstel uitgegaan van mogelijk 64 nieuwe aanbieders van krediet,versus de 10 nieuwe aanbieders wat het uitgangspunt was bij deberekening van het kostenkader. Ook ging het kostenkader nog niet uitvan de mogelijk 50 tot 80 nieuwe bemiddelaars in huur- of leaseovereen-komsten met koopoptie en de registratie van «koop nu, betaal later»Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 335 bemiddelaars. Daarnaast is in het kostenkader nog geen rekeninggehouden met IT-aanpassingen in de AFM-systemen die nodig zijn voorde nieuwe registratieplicht ten aanzien van «koop nu, betaal later»-bemiddelaars. De AFM geeft aan dat de toegewezen capaciteit nietvoldoende zal zijn voor het doorlopend toezicht op de nieuwe toezichtpo-pulatie die hierboven is geschetst. De kosten voor doorlopend toezichtzullen worden gedekt door de marktpartijen waarop toezicht wordtingesteld, waarbij – bij gelijke toelatingseisen in de lagere regelgeving –een tarief van € 300 per nieuwe registratie in rekening zal wordengebracht bij de aanbieder ten aanzien van «koop nu, betaal later»-bemiddelaars. Indien meer capaciteit nodig is om toezichttaken uit tevoeren dan is toegewezen, zal de AFM eerst nagaan of de benodigdecapaciteit kan worden opgevangen binnen haar begroting en bijbehorendkostenkader. Als dit niet mogelijk is, geeft de AFM aan graag in gesprek tegaan met het Ministerie van Financiën om een passende oplossing tevinden.§ 9. Toezicht, handhaving en rechtsbescherming De AFM was reeds bij de implementatie van de richtlijn consumenten-krediet aangewezen als bevoegde autoriteit, ook wat betreft het toezichtop de naleving van de regels ter implementatie van de richtlijn.De AFM heeft onder meer tot taak het uitoefenen van gedragstoezicht opfinanciële markten, op grond van artikel 1:25 Wft. Met betrekking tot derichtlijn betekent dit dat de AFM toezicht zal houden op de naleving vandie bepalingen van de richtlijn die worden geïmplementeerd in Deel 4 vande Wft en op bepalingen in het BGfo, het Bk en de Nadere regelinggedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Daarnaast is de AFMverantwoordelijk voor de handhaving op en verlening van een vergunningof registratie voor het in Nederland aanbieden van krediet, het bemid-delen in krediet of het adviseren in krediet, op grond van Deel 2 van deWft en de Vr Wft.De AFM kan op grond van de artikelen 1:79 en 1:80 Wft en de daarbijbehorende bijlagen handhavend optreden tegen overtredingen vanvergunninghoudende partijen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het gevenvan een aanwijzing of het opleggen van een last onder dwangsom. Bij deimplementatie van de richtlijn wordt tevens van de beleidsruimtegebruikgemaakt om productinterventiebevoegdheden toe te kennen aande AFM op grond van artikel 1:77q Wft.Een aantal bepalingen uit de richtlijn, zoals die inzake de precontractueleinformatie of reclameregels worden zowel in de Wft als het BW geïmple-menteerd. In die gevallen zal naast handhaving via het privaatrecht ooksprake zijn van handhaving via het bestuursrecht door de AFM.De handhaving van Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW vindt in beginselplaats via de civiele rechter. Het uitgangspunt van het consumentenrechtis dat de consument zelf, ondersteund door wetgeving, goed geïnfor-meerd een overeenkomst kan sluiten. Indien zijn rechten wordengeschonden, kan de consument – waar nodig in rechte of bij het Kifid –nakoming van de overeenkomst dan wel schadevergoeding, ontbinding ofeen andere remedie vorderen. Tegelijkertijd is het een gegeven datconsumenten vaak om verschillende redenen afzien van de mogelijkheidhun recht te halen, bijvoorbeeld omdat een gang naar de rechter relatiefkostbaar is vergeleken bij de geleden schade. Tegen die achtergrondcreëert de Whc bevoegdheden voor toezichthoudende instanties om hetciviele consumentenrecht te handhaven als collectieve consumentenbe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 336 langen worden geschaad.41 Het feit dat sprake moet zijn van schade aancollectieve consumentenbelangen volgt uit de definitie van inbreuk in deWhc. Hiervan is in beginsel al sprake als de processen, het beleid of deuitvoering van een marktpartij leidt tot inbreuk op het civiel consumenten-recht en daarmee de belangen van meer dan één consument worden ofzijn geschaad. Waar het gaat om civiel consumentenrecht met betrekkingtot financiële diensten of activiteiten, is de AFM de bevoegde toezicht-houder.Voor het consumptiefkredietrecht neergelegd in Titel 2a, Afdeling 1, vanBoek 7 BW geldt dus dat de verantwoordelijkheid voor zorgvuldighandelen primair ligt bij, enerzijds, consumenten c.q. kredietnemers en,anderzijds, kredietaanbieders. Wanneer zij er onderling niet uitkomen,kunnen zij het geschil voorleggen aan het Kifid of de civiele rechter. Mochthet echter voorkomen dat een inbreuk plaatsvindt op het consumptiefkre-dietrecht die schade toebrengt aan collectieve consumentenbelangenwaarbij het systeem van civielrechtelijke handhaving onvoldoendefunctioneert, moet in voorkomende gevallen publiekrechtelijkehandhaving door de AFM mogelijk zijn. Om die reden breidt ditwetsvoorstel de toezichtsbevoegdheden van de AFM op grond van deWhc uit met enkele artikelen uit het BW. Deze toevoeging geeft de AFMbijvoorbeeld toezichthoudende bevoegdheid op artikel 7:58b BW metbetrekking tot de verplichte kosteloze informatieverstrekking van dekredietaanbieder aan de consument en artikel 7:66 BW met betrekking tothet recht voor consumenten om zonder opgaaf van reden binnen veertiendagen een kredietovereenkomst te ontbinden.Kredietaanbieders die nieuw onder de richtlijn komen te vallen, moetenzich aansluiten bij het Kifid. Hierdoor hebben meer consumenten met eenkredietovereenkomst die voorheen ongereguleerd was laagdrempeligetoegang tot buitengerechtelijke geschilbeslechting.Tot slot heeft de AP op grond van de AVG de taak om toezicht te houdenop de naleving van de wettelijke regels voor bescherming van persoons-gegevens. De AP houdt derhalve toezicht op de naleving van de AVG bijde verwerking van persoonsgegevens voor de doelen van de richtlijn,bijvoorbeeld als het gaat om de persoonsgegevens die verwerkt wordenin het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. De AFM is echtertevens bevoegd als toezichthouder ten aanzien van de bepalingen omtrentde kredietwaardigheidsbeoordeling. Het is aan beide toezichthouders ommet elkaar in overleg te treden daar waar het toezicht op dit gebied elkaaroverlapt.§ 10. Evaluatie De richtlijn bevat een evaluatiebepaling. Ingevolge artikel 46 van derichtlijn evalueert de Europese Commissie de richtlijn om de vier jaar, deeerstvolgende keer uiterlijk op 20 november 2029. De EuropeseCommissie deelt de resultaten met het Europees Parlement en de Raad,eventueel vergezeld van een wetsvoorstel. Voor de evaluatie analyseert deEuropese Commissie de economische trends en de doeltreffendheid vande richtlijn.42 De evaluatie dient specifiek te beoordelen of het toepas-singsgebied van deze richtlijn nog passend is met betrekking tot krediet-overeenkomsten die gedekt zijn door niet voor bewoning bestemdeonroerende goederen en of de in de richtlijn vastgelegde bovengrens van€ 100.000 en de drempels en percentages die van toepassing zijn bij deberekening van de vergoeding voor vervroegde aflossing nog passend41Kamerstukken II 2018/19, 35 251, nr. 3, p. 7.42Overweging 94 van de preambule van de richtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 337 zijn. Tevens moet de evaluatie een analyse bevatten van de ontwikkelingvan de markt voor consumentenkredieten ter ondersteuning van degroene transitie en een beoordeling van de behoefte om verderemaatregelen te nemen om het gebruik van dergelijke kredieten teverbeteren. Ten slotte dient de evaluatie een beoordeling te bevatten vande uitvoering van opgelegde sancties, de doeltreffendheid en hetafschrikwekkende effect ervan.Een bijzondere evaluatiebepaling betreft artikel 46, tweede lid, op grondwaarvan de Europese Commissie uiterlijk op 20 november 2025 beoor-deelt of maatregelen nodig zijn ter bescherming van consumenten die viaeen verlener van crowdfundingkredietdiensten een krediet willen afsluitenof beleggen. Crowdfundingdiensten in verband met kredietverlening aanconsumenten vallen immers niet onder het toepassingsgebied van deCrowdfundingverordening.43Naast deze evaluatieonderwerpen houdt de Europese Commissiespecifiek toezicht op de gevolgen van de door de richtlijn gebodenlidstaatopties en de gevolgen voor de werking van de interne markt en deconsumentNaast deze Europese evaluatie van de richtlijn zal op nationaal niveaumonitoring plaatsvinden op de naleving en uitwerking van het verbod ophet aanbieden van krediet aan minderjarigen en de verplichting vanleeftijdsverificatie ingevolge artikel 4:34b Wft. Indien blijkt dat de wijzewaarop leeftijdsverificatie plaatsvindt in een groot aantal gevallen nietvoldoet of niet in overeenstemming is met privacyrechten van deconsument, is daar de mogelijkheid om gebruik te maken van dedelegatiegrondslag in het vierde lid.§ 11. Advies en consultatie Uitvoeringstoets Raad voor de rechtspraakDe Raad voor de rechtspraak (Rvdr) geeft in het advies aan geen zwaarwe-gende bezwaren tegen het wetsvoorstel te hebben. Wel wordt verzochtom verduidelijking of aanpassing van twee punten. Allereerst merkt deRvdr op dat een regeling voor civielrechtelijke handhaving ontbreekt. Derichtlijn vereist weliswaar geen wettelijke sanctie in het BW in geval vanschending (of niet gebleken naleving) van informatieverplichtingen en/ofvan het niet uitvoeren van een kredietwaardigheidstoets bij het sluitenvan een consumentenkredietovereenkomst, maar de civiele rechter zaldaar wel over dienen te oordelen. Om die reden wordt in overweginggegeven om een sanctie op te nemen in Titel 2A van Boek 7 BW.Titel 2A van Boek 7 BW is van dwingend recht en het BW gaat uit van eengelaagde structuur. In artikel 3:40 BW is de algemene sanctie geregeld dievolgt uit deze gelaagde structuur en daarmee ook als sanctie vantoepassing is op de bepalingen die volgen uit Titel 2A van Boek 7 BW.Aangezien er geen signalen zijn uit de praktijk dat er problemen zijn metdeze sanctie en de Rvdr tevens in het advies aangeeft dat de werklast nietmeer wordt als gevolg van dit wetsvoorstel, is geen aanleiding gezien omeen expliciete sanctie op te nemen in Titel 2A van Boek 7 BW.43Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging vanVerordening (EU) 2017/1129 en Richtlijn (EU) 2019/1937.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 338 Het tweede punt ziet op de implementatie van artikel 4:34b Wft datvoorziet in een verbod voor het sluiten van een kredietovereenkomst meteen minderjarige consument. Daarbij wordt opgemerkt dat de memorievan toelichting de civielrechtelijke gevolgen van het – in strijd met het inartikel 4:34b Wft bepaalde – sluiten van een overeenkomst met eenminderjarige consument onbesproken laat. Die onduidelijkheid kan totmeer rechtsonzekerheid en meer gerechtelijke (prejudiciële) proceduresleiden. De Rvdr adviseert om aan de civielrechtelijke gevolgen van het instrijd handelen met het bepaalde in artikel 4:34b Wft meer aandacht tebesteden en in dit wetsvoorstel daarvoor een voorziening te treffen. Ditadvies is opgevolgd. Er is een verduidelijkende passage opgenomen inparagraaf 5 van de memorie van toelichting. Daarnaast is een spiegelbe-paling van artikel 4:34b Wft opgenomen in artikel 7:75, vierde lid, BW. Zieook de artikelsgewijze toelichting bij dat artikel voor een nadere uitleg.Tot slot geeft de Rvdr aan dat na implementatie van de richtlijn alle «koopnu, betaal later»-diensten – voor zover zij dit al niet doen – onder eenstrenger regime vallen dan dat zij op dit moment doen. Datzelfde geldtvoor kaarten met uitgestelde debitering. De daadwerkelijke gevolgen voorde werklast zijn momenteel nog niet goed te schatten. Aangezien het geengroot aandeel van het totaal aan aangebrachte zaken betreft, wordtverwacht dat het wetsvoorstel niet leidt tot substantiële werklastgevolgenvoor de Rechtspraak.Adviescollege Toetsing RegeldrukHet ATR heeft in zijn advies dertien adviespunten aangedragen over hetwetsvoorstel en daarbij een zogeheten «dictum 3» uitgebracht. Dit dictumhoudt in dat het wetsvoorstel volgens ATR niet zou moeten wordeningediend of vastgesteld tenzij met de adviespunten rekening wordtgehouden. Hieronder wordt ingegaan op de adviespunten van het ATR enwordt aangegeven op welke wijze hieraan opvolging is gegeven in hetwetsvoorstel en memorie van toelichting.Nadere inhoudelijke motiveringDe adviespunten 2.1, 2.2, 2.5, 2.6, 2.9, 2.10 en 2.11 vragen om een nadere,inhoudelijke motivering van bepaalde beleidskeuzes waarbij duidelijkmoet worden gemaakt of – en zo ja, waarom – er wel of niet voor demeest lastenluwe implementatie is gekozen. In de tabel hieronder wordtkort een beschrijving gegeven van de adviespunten en waar in dezetoelichting de gevraagde, inhoudelijke motivering van de beleidskeuzeswordt gegeven.AdviespuntATR adviseert inhoudelijk te motiverenwaarom is gekozen voor/ te verduidelijkenwaaromLocatie motivering beleidskeuze2.1Waarom gekozen voor lidstaatoptie omkredieten van meer dan € 100.000 niet uit tezonderen van het toepassingsbereik van derichtlijn.Transponeringstabel, art. 2 lid 2onderdeel c2.2Waarom gekozen voor lidstaatoptie omeffectenkrediet niet uit te zonderen van derichtlijn.Transponeringstabel, art. 2 lid 2onderdeel e2.5Waarom gekozen voor lidstaatoptie omkoppelverkoop van een betaalrekening bij eenkredietovereenkomst niet uit te zonderen vande richtlijn.Verduidelijkt in transponerings-tabel art. 14 lid 2 dat reedslastenluw is geïmplementeerdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 339 AdviespuntATR adviseert inhoudelijk te motiverenwaarom is gekozen voor/ te verduidelijkenwaaromLocatie motivering beleidskeuze2.6Waarom gekozen voor lidstaatoptie omkoppelverkoop van een verzekering bij eenkredietovereenkomst niet uit te zonderen vande richtlijn.Transponeringstabel, art. 14 lid 32.9Verduidelijken wat de uitzondering vanmkb-ondernemers die kredietaanbieder zijn innevenactiviteit betekent voor eventueleregeldruk vanuit de AFMVerduidelijkt in paragraaf 9onder «nieuwe aanbieders» dater geen regeldruk komt vanuitde AFM2.10Verduidelijken welke belangenafweging tengrondslag ligt aan de beleidskeuze datkredietgevers bij kredieten van meer dan€ 100.000 mogen afwijken van de maximalekredietvergoeding.Transponeringstabel, art. 29 lid 42.11Verduidelijken in hoeverre lastenluw isgeïmplementeerd bij de beleidsruimte voorlidstaten om verboden of beperkingen vast testellen wat betreft specifieke kosten ofvergoedingen die door kredietgevers op hungrondgebied wordt toegepast.Transponeringstabel, art. 31 lid 2 2.3 Kaarten met uitgestelde debitering uitgezonderd houdenHet ATR adviseert daarnaast om te kiezen voor de meest lastenluweimplementatie door het vrijstellingsregime voor kaarten met uitgesteldedebitering te continueren (oftewel: om deze kaarten uitgezonderd tehouden van de Wft en BW). Volgens het ATR leidt de regulering vankaarten met uitgestelde debitering tot aanzienlijke regeldrukgevolgen voorde sector en zullen deze kaarten duurder worden voor consumenten.Volgens het ATR is – kort gezegd – niet gebleken van een dergelijk risicovoor consumentenbescherming (waarvan bijvoorbeeld wel sprake is bij«koop nu, betaal later»-krediet) dat deze risico’s regulering van dezekaarten rechtvaardigen. Het ATR-advies wordt niet opgevolgd. Voor eenonderbouwing van deze beleidskeuze wordt verwezen naar paragraaf 4hierboven (onder het kopje «Kaarten met uitgestelde debitering») en naarde uitleg hieronder in deze paragraaf (onder hetzelfde kopje).2.4 Volledig licht regime voor reclame en informatieverplichtingenHet ATR adviseert verder om aanbieders van kredietovereenkomsten vooreen totaal kredietbedrag van minder dan € 200 volledig uit te zonderenvan de werking van enkele verplichtingen uit de richtlijn inzake reclameve-reisten en precontractuele informatie. Dit advies wordt opgevolgd. Van delidstaatoptie die deze ruimte biedt, was al gedeeltelijk gebruikgemaaktdoor deze verplichtingen niet van toepassing te verklaren op kredietenzonder rente of andere kosten en kredieten die binnen drie maandenmoeten worden afgelost en waarbij slechts onbeduidende kosten wordengerekend. In het wetsvoorstel wordt dit nu uitgebreid naar kredietovereen-komsten voor een totaal kredietbedrag van minder dan € 200. Dezememorie is daarmee in lijn gebracht.2.8 Productinterventiebevoegdheid pas na invoeringstoetsHet ATR adviseert pas na een invoeringstoets te beoordelen of uitbreidingvan het toezichtinstrumentarium van de AFM noodzakelijk is. Het ATRdoelt hiermee op de productinterventiebevoegdheid om op grond vanartikel 1:77q Wft (nieuw) een verbod of beperking op te leggen aanbepaalde schadelijke kredietproducten. Dit advies wordt niet opgevolgd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 340 Ten eerste stelt het ATR dat met het toekennen van de productinterventie-bevoegdheid aan de AFM niet lastenluw geïmplementeerd wordt, omdathet AFM-toezicht volledig door marktpartijen moet worden bekostigd. Hettoekennen van de productinterventiebevoegdheid zal naar verwachtingechter niet leiden tot aanvullende toezichtskosten. Dit betreft namelijk eentoezichtsbevoegdheid, en bevat geen nieuwe norm of uitbreiding van dereikwijdte van activiteiten waarop het toezicht ziet. Mogelijk levert debevoegdheid juist efficiëntievoordelen op in gevallen waarbij schadelijkgedrag van kredietgevers niet of moeilijk op een andere manier kanworden tegengegaan. Indien de AFM op grond van de productinterventie-bevoegdheid stappen onderneemt tegen een bepaalde kredietgever, levertdat voor deze kredietgever eventueel wel extra kosten op. Deze kostenneemt de AFM echter mee in de evenredigheidstoets die de AFM bijiedere maatregel verplicht uitvoert. In het geval dat de AFM, allesafwegende, voldoende aanleiding ziet om de productinterventiebe-voegdheid in te zetten tegen een bepaalde kredietgever, weegt in datgeval naar verwachting het maatschappelijk belang van het uit de marktnemen van schadelijke kredietproducten zwaarder dan het financieelbelang van die kredietgever of het belang dit wetsvoorstel zo lastenluwmogelijk te implementeren.Het ATR stelt daarnaast vraagtekens bij de effectiviteit van de productin-terventiebevoegdheid omdat deze consumenten niet zou belettenvergelijkbare (schadelijke) kredietproducten in het buitenland tebetrekken. Het is in beginsel juist dat een consument op eigen houtje inhet buitenland kredietovereenkomsten zou kunnen aangaan die niet op deNederlandse markt worden aangeboden en die in Nederland op grondvan de productinterventiebevoegdheid zouden zijn verboden. Dezemogelijkheid doet echter niet af aan het feit dat de productinterventiebe-voegdheid wel effectief is voor het overgrote deel van de consumentendat niet actief buiten Nederland op zoek zou gaan naar kredietvormen diein Nederland niet beschikbaar zijn. Voor zover veel consumenten dit welzouden doen, valt dergelijk gedrag niet te voorkomen en vormt hetdaarmee geen reden om de productinterventiebevoegdheid op die grondniet toe te kennen.Tot slot stelt het ATR het niet passend te vinden om via toepassing vanlidstaatopties toezichtdivergentie te vergroten bij een richtlijn die streeftnaar maximumharmonisatie. Voor elke lidstaatoptie geldt uiteraard dat ditafdoet aan het beginsel van maximumharmonisatie. Desalniettemin bevatde richtlijn er meer dan twintig. In dit geval acht het kabinet noodzakelijkhet belang van consumentenbescherming dat met de productinterventie-bevoegdheid (verder) wordt geborgd, zwaarder te laten wegen dan hetbelang van maximumharmonisatie.Hoewel in het licht van bovenstaande de productinterventiebevoegdheidwordt behouden, hebben het ATR-advies en enkele consultatiereacties welaanleiding gegeven tot aanpassing van het wetsvoorstel en nauwereaansluiting bij de bestaande bepalingen in artikel 1:77f Wft, welk artikelvoorziet in een productinterventiebevoegdheid bij financiële instrumentenen andere beleggingsdiensten. Artikel 1:77q Wft en de artikelsgewijzetoelichting daarbij zijn dan ook aangepast. Daarbij geldt tevens dat eennadere uitwerking op grond van artikel 1:77q, derde lid, Wft volgt in delagere regelgeving.2.7 en 2.12 In kaart brengen regeldrukgevolgenHet ATR adviseert de regeldrukkosten voor het mkb in kaart te brengen alsgevolg van het feit dat geen (volledig) gebruik wordt gemaakt van delidstaatoptie om mkb-ondernemingen uit te zonderen van de vergunning-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 341 plicht als zij in nevenactiviteit krediet aanbieden in die zin dat zij uitstelvan betaling van meer dan 50 dagen verlenen. Deze regeldrukkosten zijninmiddels in kaart gebracht en bestaan uit kosten ter kennisneming van detoepasselijke wetgeving. Deze zijn hierboven in paragraaf 7 onder kopje«nieuwe aanbieders» uiteengezet.Tot slot adviseert het ATR om de regeldrukgevolgen bij het toepassen vanlidstaatopties in kaart te brengen en daarbij een doorkijk te geven op deregeldrukgevolgen die op een lager niveau van regelgeving kunnenontstaan. De regeldrukgevolgen als gevolg van dit wetsvoorstel zijn indeze toelichting waar mogelijk in kaart gebracht. In deze memorie kanechter geen doorkijk worden gegeven op de regeldrukgevolgen als gevolgvan lagere regelgeving omdat de nota’s van toelichting bij deze lagereregelgeving daarvoor de enige juiste plek zijn. Daarnaast is het opmoment van schrijven nog niet mogelijk een doorkijk te geven in deregeldrukgevolgen omdat de lagere regelgeving nog wordt voorbereid enpas definitief kan worden vormgegeven nadat dit wetsvoorstel- inclusiefde daarin opgenomen delegatiegrondslagen – is aangenomen.Openbare consultatieInleidingHet conceptwetsvoorstel is van 15 april tot en met 13 mei 2025 openbaargeconsulteerd op www.internetconsultatie.nl. Er zijn onder andereconsultatiereacties ontvangen van private lease partijen, aanbieders van«koop nu, betaal later»-diensten, aanbieders van kaarten met uitgesteldedebitering, aanbieders van krediet en diverse brancheorganisaties. Eengroot deel van de reacties, ziet op de geconsulteerde vragen en hetconsultatiedocument ten aanzien van het al dan niet aanvullend regulerenvan private lease. Aangezien dit vraagstuk deze implementatieopdracht tebuiten gaat en eventuele regulering een nationaal wetstraject betreft, laatdeze paragraaf deze reacties buiten beschouwing. Deze paragraaf gaathieronder in op de reacties die zien op het conceptwetsvoorstel aan dehand van de meest in het oog springende thema’s. Er is met nameaandacht gevraagd voor de volgende onderwerpen:•Kredietwaardigheidsbeoordeling•Kaarten met uitgestelde debitering•Kredietbemiddelaars•«Koop nu, betaal later»-diensten en het leeftijdsverbod•Schuldadviesdiensten•Precontractuele informatie•Koppelverkoop•Kredietregistratie•Productinterventie•AVG•Kosten•VroegsignaleringEen aantal partijen heeft onder meer opmerkingen bij de bewoordingenvan de Nederlandse versie van de richtlijntekst. Aangezien deze tekstreeds is vastgesteld en dit voorstel slechts ziet op implementatie van dietekst is het niet mogelijk deze opmerkingen te verwerken.KredietwaardigheidsbeoordelingDiverse partijen verzoeken om de proportionaliteitstoets die aanbiedersop grond van artikel 18, derde lid, van de richtlijn, moeten toepassen bijhet uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling, op te nemen in dewettekst van artikel 4:34 Wft. Deze partijen geven onder meer aan dat inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 342 sommige gevallen een volledige kredietwaardigheidsbeoordeling voorproducten te uitvoerig is en daarmee een beperking vormt voor debedrijfsvoering en het aanbod. Artikel 18, derde lid, van de richtlijn, biedtaanbieders ruimte om proportionaliteit toe te passen in de hiervoorgenoemde beoordeling, omdat de op te vragen informatie van deconsument noodzakelijk en evenredig moet zijn met de aard, duur, waardeen risico’s van het krediet voor de consument. In de memorie vantoelichting bij het conceptwetsvoorstel was de hiervoor genoemdeopsomming opgenomen in de artikelsgewijze toelichting van artikel 4:34aWft, maar deze opsomming ontbreekt inderdaad in de wettekst van of detoelichting bij artikel 4:34 Wft. Aangezien de proportionaliteitstoets vooraanbieders een belangrijke toets is om te bepalen hoeveel informatie zijmoeten inwinnen bij het uitvoeren van een kredietwaardigheidsbeoor-deling is implementatie van deze toets op wetsniveau wenselijk en is detekst van artikel 4:34, eerste lid, Wft in het wetsvoorstel en de daarbijbehorende toelichting aangepast.Amazon verzoekt in dit kader dat alleen een kredietwaardigheidsbeoor-deling vereist wordt bij hogere schuldenrisico’s, zoals transacties vanmeer dan € 200 die onderhevig zijn aan rentebetalingen en/of eenterugbetalingstermijn van drie maanden kunnen hebben. De richtlijn laatechter geen ruimte aan lidstaten om deze overeenkomsten uit te sluitenvan artikel 18 van de richtlijn, waar de kredietwaardigheidsbeoordeling uitvolgt. Overigens geldt ook voor deze overeenkomsten dat het eenaanbieder van krediet vrijstaat een inschatting te maken welkehoeveelheid informatie proportioneel is.De Nederlandse Verenging van Banken (hierna: NVB) heeft enkeleopmerkingen bij artikel 4:34, vierde lid, Wft, waarin een uitzondering opde kredietwaardigheidstoets is toegevoegd, die ziet op een situatie waarineen nieuwe overeenkomst tot stand komt in het kader van toekomstigeartikel 4:35a Wft-procedures voor betalingsachterstanden en respijtmaat-regelen. Zo wenst zij graag in de memorie van toelichting herhaald te ziendat een reguliere betalingsregeling volgens Nederlands recht moetworden gezien als een voortzetting van de bestaande overeenkomst, gelijkaan overwegingen in de memorie van toelichting bij de implementatievan de CCDI. Aangezien het niet de bedoeling is om van die overwe-gingen af te wijken, is een vergelijkbare zin als in de overwegingenopgenomen bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4:34, vierde lid,Wft.Daarnaast verzoekt de NVB om te verduidelijken dat een gezamenlijkeherstructurering van meerdere kredieten tot één herstructureringskredietniet wordt gezien als een belangrijke verhoging van het krediet, bijvoor-beeld wanneer twee kredietproducten in één herstructureringskredietworden samengevoegd, waarbij deze laatste de som is van beideoorspronkelijke kredietproducten plus eventuele betalingsachterstanden.De richtlijn spreekt in artikel 18, elfde lid, van een significante verhogingvan het totale kredietbedrag. Een samenvoeging van bestaande overeen-komsten zal resulteren in een gelijke hoogte van het totale kredietbedrag,al dan niet verpakt in één overeenkomst, in plaats van meerdere krediet-producten. De lezing van de NVB ten aanzien van dit punt lijkt dan ookjuist.De Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland (hierna:VFN) verzoekt om in artikel 4:34a Wft (of in het BGfo) te verankeren dat inhet kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling de vermogenspositievan de consument in de vorm van financiële activa en passiva, zoalsbeschreven in artikel 18, derde lid, van de richtlijn, kan worden meege-nomen. Aangezien de passage uit de hiervoor genoemde richtlijnbepalingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 343 een voorbeeld of toelichting betreft, is gekozen om deze passage op tenemen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4:34a Wft.Kaarten met uitgestelde debiteringInternational Card Services (hierna: ICS), MasterCard, BetaalverenigingNederland (hierna: BVN), Visa, American Express en de Consumen-tenbond pleiten voor gebruik van de lidstaatoptie om kaarten metuitgestelde debitering uit te zonderen van het toepassingsgebied van derichtlijn. Volgens deze partijen zijn kaarten met uitgestelde debiteringgeen nadelige kredietproducten. Zo zou het een kredietproduct zijn meteen laag risicoprofiel en wijzen partijen erop dat er in de praktijk nauwe-lijks sprake is van betalingsachterstanden en er al diverse voorzorgsmaat-regelen worden getroffen tegen overkreditering. De partijen maken zichverder zorgen dat het product te duur wordt voor consumenten endaarom mogelijk verdwijnt. Consumenten zouden volgens hen mogelij-kerwijs overstappen naar traditionelere kredietproducten, terwijl de kaartmet uitgestelde debitering voordelen biedt voor consumenten, zoalsbetaalflexibiliteit gedurende de maand en aankoopbescherming.Daarnaast zou de kaart essentieel zijn voor het doen van reguliereuitgaven bij het reizen (zoals het boeken van hotels en vliegtickets). Totslot wijzen partijen op het ongelijke speelveld dat kan ontstaan, indienNederland geen gebruikmaakt van de lidstaatoptie en andere lidstatenwel. Marktpartijen die gevestigd zijn in lidstaten waar de kaarten metuitgestelde debitering zijn uitgezonderd van de richtlijn zullen dezekaarten ook in Nederland kunnen aanbieden. Dit levert een ongelijkspeelveld op met in Nederland gevestigde bedrijven. Volgens de partijenis onduidelijk hoe op de activiteiten van deze buitenlandse bedrijventoezicht zal worden gehouden in Nederland.Hoewel de door partijen aangevoerde argumenten begrijpelijk zijn, gevendeze geen aanleiding tot herziening van het standpunt over het regulerenvan kaarten met uitgestelde debitering. In paragraaf 4 is toegelicht omwelke redenen gekozen is om kaarten met uitgestelde debitering niet uit tezonderen van de Wft. In het bijzonder bestaan er zorgen dat het uitzon-deren van kaarten met uitgestelde debitering kan leiden tot onvoldoendeen ongelijke consumentenbescherming en er tevens een ongelijkspeelveld wordt gecreëerd ten aanzien van vergelijkbare kortlopendekredietproducten. Daarbij moet worden voorkomen dat aanbieders vanbijvoorbeeld «koop nu, betaal later»-diensten eventuele ruimte in de wetgebruiken om regulering te ontwijken. Dat er op dit moment nog geenproblemen bestaan met de kaarten met uitgestelde debitering geeftuitdrukkelijk geen garantie dat dit in de toekomst niet het geval zal zijn, alsbijvoorbeeld aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten overgaan tothet uitgeven van kaarten met uitgestelde debitering.Dat «koop nu, betaal later»-aanbieders mogelijk overgaan tot het uitgevenvan kaarten met uitgestelde debitering is geen ongegronde verwachting.Na implementatie van de richtlijn zijn er nog maar weinig verschillentussen «koop nu, betaal later»-krediet en kaarten met uitgesteldedebitering: tot een bepaalde limiet kunnen klanten betalingen doen methet kredietproduct, welk geleend bedrag zij vervolgens binnen eenbepaalde termijn moeten aflossen. Het voornaamste verschil tussen beideproducten is dan de (fysieke of digitale) kaart, die aanbieders van «koopnu, betaal later»-diensten betrekkelijk eenvoudig kunnen uitgeven. Er zouaanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten dus weinig aan in de wegstaan om een dergelijke kaart uit te geven om zodoende te voorkomenonder de Wft te vallen terwijl dit verder geen ingrijpende gevolgen heeftvoor hun bedrijfsmodel. Eén aanbieder heeft inmiddels in meerdereTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 344 lidstaten – waaronder Nederland – een kaart uitgebracht waarmee metuitgestelde debitering kan worden betaald.Het is juist dat regulering hogere kosten meebrengt voor partijen, diemogelijk (deels) worden doorberekend aan de consument. Consumenten-bescherming prevaleert hier echter en het risico op duurdere kaartenweegt daar niet tegenop. Het is daarbij de vraag of consumenten uitzouden wijken naar traditionelere kredietvormen – zoals door enkelepartijen gesteld is – nu deze reeds zijn gereguleerd en doorgaans aanstrenge leennormen onderworpen zijn.Tot slot geldt ten aanzien van de opmerking over het ongelijke speelveldvergeleken met andere lidstaten dat het niet mogelijk is om vanuit eenandere lidstaat zonder vergunningplicht voor kaarten met uitgesteldedebitering in Nederland deze kaarten aan te bieden. Heeft een aanbiedervan kaarten met uitgestelde debitering uit een andere lidstaat geenvergunning om krediet aan te bieden in de eigen lidstaat, dan zal dezepartij in Nederland middels een bijkantoor een vergunning bij de AFMmoeten aanvragen. Heeft eenzelfde aanbieder in de lidstaat van herkomstwel een vergunning en wenst hij in Nederland de kaarten met uitgesteldedebitering aan te bieden, dan gelden in beginsel de bepalingen tenaanzien van het gedragstoezicht uit Deel 4 van de Wft en is de AFMbevoegd om toezicht te houden op naleving van deze bepalingen.Partijen hebben tevens verzocht om, indien geen gebruik wordt gemaaktvan de lidstaatoptie, lagere regelgeving zo aan te passen dat er voldoendeproportionaliteit wordt geborgd ten aanzien van kaarten met uitgesteldedebitering, omdat deze kaarten minder risico’s met zich meebrengen danandere kredietproducten. Bij de aanpassing van de lagere regelgeving zalhiernaar worden gekeken.«Koop nu, betaal later»-dienstenDiverse partijen uiten zorgen over de regulering van «koop nu, betaallater»-diensten. Zo zijn er partijen die oproepen om alsnog gebruik temaken van de lidstaatoptie van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn, om«koop nu, betaal later»-diensten uit te zonderen van diverse bepalingen inde Wft, terwijl andere partijen juist een strikter of apart regime wensenboven op de regels die de richtlijn stelt. Bij de implementatie van deregels omtrent «koop nu, betaal later»-diensten is zoveel mogelijkaangesloten bij de bewoordingen van de richtlijn, waarbij hetuitgangspunt is geweest een zo hoog mogelijk beschermingsniveau vanconsumenten en jongeren en het voorkomen van overkreditering endaaruit voortvloeiende schuldenproblematiek. Voor een toelichting tenaanzien van de lidstaatopties wordt verwezen naar de transponerings-tabel. Waar partijen vragen naar de verhouding tussen de regels van grotewebshops, platforms en mkb-webshops die via een platform aanbiedenwordt verwezen naar een voorbeeldtabel opgenomen bij de artikelsge-wijze toelichting op artikel 1:20 Wft.Billink waarschuwt voor mogelijke ontwijkconstructies, zoals reselling offlash ownership door platforms. De richtlijn voorziet niet in regels omdergelijke constructies tegen te gaan. Indien misstanden zich voordoendoor aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten zal de AFM binnenhaar bevoegdheden handhavend kunnen optreden. Bij ontoelaatbaremarktpraktijken kan de AFM, indien daar redelijke gronden voor zijn,gebruikmaken van haar productinterventiebevoegdheden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 345 De Raad voor de Nederlandse Detailhandel (hierna: RND) geeft aan dateen link tussen artikel 7:26, tweede lid, BW, en het wetsvoorstel ontbreekt.Uit dit artikel volgt dat een consument bij een consumentenkoop verplichtkan worden om ten hoogste de helft van de koopprijs vooruit te betalen.De RND geeft aan dat deze verplichting wringt met tegelijkertijd hetreguleren van «koop nu, betaal later»-diensten. Het is juist dat sommigewinkeliers de verplichting, die volgt uit artikel 7:26, tweede lid, BW,invullen door gebruik te maken van een «koop nu, betaal later»-dienst. Hetis echter niet verplicht om van deze diensten gebruik te maken. Er is geendirect juridisch verband tussen artikel 7:26, tweede lid, BW, en ditwetsvoorstel. Artikel 7:26 BW betreft een nationale bepaling die niet volgtuit deze implementatie. In de Kamerbrief van 21 januari 2025 over «koopnu, betaal later»-diensten is een verkenning aangekondigd naar dewerking van de «50%-regel bij aanbetalingen».44 In de Kamerbrief van16 januari 2026 is aangegeven dat de verkenning naar de 50%-regel isafgerond en er onvoldoende reden is de 50%-regel bij aanbetalingen tewijzigen.45Leeftijdsverbod en leeftijdsverificatieAmazon, de Consumentenbond, Zalando en de RND vragen om eengeaccepteerde methode voor leeftijdsverificatie voor te schrijven in dewet- en regelgeving. Het is echter aan marktpartijen, al dan niet rekeninghoudend met de richtsnoeren van de AFM, om een geschikte methodevoor leeftijdsverificatie te kiezen en te gebruiken. Zoals enkele partijen ooktoelichten zijn er momenteel initiatieven voor een in de Europese Unievastgestelde methode, maar dat is in het kader van dit voorstel nog tevroeg.Kifid vraagt om een verduidelijking van de civielrechtelijke consequentiesvan het publiekrechtelijke verbod om een kredietovereenkomst aan tegaan met een minderjarige consument. Naar aanleiding van dezeconsultatiereactie en het advies van de Rvdr is het leeftijdsverbod tevensopgenomen in het BW, namelijk in artikel 7:75, vierde lid. Voor verderetoelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij ditartikel en paragraaf 5 van het algemeen deel van de memorie vantoelichting. Riverty pleit tot slot voor een geheel verbod op kredietver-lening aan jongeren en wenst daarom dat de toestemming van dewettelijke vertegenwoordiger wordt verwijderd uit artikel 4:34b Wft.Volgens Riverty mag er geen enkel krediet meer aan jongeren wordenverleend, ook niet met toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger.In dit wetsvoorstel is gekozen om een totaalverbod, dus ook niet mettoestemming van de wettelijke vertegenwoordiger, te regelen voor kredietin de vorm van uitstel van betaling, waaronder begrepen kaarten metuitgestelde debitering of «koop nu, betaal later»-diensten. Voor anderesoorten consumptief krediet is gekozen om zo dicht mogelijk bij debestaande regels in het BW te blijven en de toestemming door dewettelijke vertegenwoordiger te behouden. De verwachting is dat dit soortsituaties waarbij jongeren alsnog een krediet afsluiten weinig zalvoorkomen, zij het alleen al omdat de meeste aanbieders van krediet eeneigen leeftijdsgrens van 18 of zelfs 21 jaar hanteren.44Kamerstukken II, 2024/25, 01, nr. 21.45Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XIII, nr. 15, p. 10–11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 346 KredietbemiddelaarsEnkele aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten, Thuiswinkel.orgen de RVD roepen op om duidelijkheid te geven over de definitie van eenkredietbemiddelaar. Zo verschilt de definitie van «bemiddelaar» in de Wften het BW en zou niet voldoende duidelijk zijn wat de passage «die nietenkel een consument direct of indirect in contact brengt» betekent en watwordt bedoeld met het economisch voordeel dat door de bemiddelaarwordt behaald.Bij de implementatie van de richtlijn wordt getracht zo dicht mogelijk bijde bestaande definitiebepalingen in de wet te blijven. Bij de implemen-tatie van de CCDI is in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 7:57 BWuitgelegd waarom de definities in het BW en de Wft verschillen. Gezien desystematiek van de Wft geldt de volgende argumentatie nog steeds.Samengevat bevat artikel 1:1 Wft reeds definitiebepalingen voor ondermeer de begrippen «bemiddelaar» en «bemiddelen». Deze begrippenhebben gelet op het feit dat het toepassingsgebied van de Wft zichuitstrekt over de hele financiële markt, een bredere strekking dan dedefinitiebepalingen die zijn opgenomen in artikel 3 van de richtlijn enwaarvan het toepassingsgebied zich niet verder uitstrekt dan de marktvoor consumentenkrediet. Bij de implementatie van de richtlijn in de Wftdiende hiermee rekening gehouden te worden. Daarentegen kon inartikel 7:57 BW worden aangesloten bij de definitiebepalingen zoals dezein artikel 3 van de richtlijn zijn opgenomen. Om het voorgaande wordt nietgekozen voor harmonisering van de definities in het BW en de Wft.Een grote winkel kwalificeert als hij als tussenpartij tussen de consumenten bijvoorbeeld een aanbieder van «koop nu, betaal later»-dienstenfungeert. Er is onder andere sprake van bemiddelen, omdat de winkel deconsument niet enkel direct of indirect in contact brengt met eenaanbieder van krediet (zoals genoemd in artikel 3, onderdeel 12, van derichtlijn), maar meer doet dan dat. Uitgezonderd van bemiddelen is hetenkel in contact brengen van een consument met een aanbieder vankrediet door enkel het doorgeven van NAW-gegevens (naam, adres entelefoonnummer). In het geval van «koop nu, betaal later»-diensten, zal debetreffende winkel echter ook het kredietbedrag doorgegeven en hetkredietdoel of aanpassing van deze gegevens bij retournering van eenproduct. Aangezien deze gegevens meer behelzen dan enkel deNAW-gegevens, kan er sprake zijn van bemiddeling (indien ook aan deandere voorwaarden voor bemiddelen wordt voldaan).Een andere voorwaarde binnen de definitie van bemiddelen is dat dezedienst tegen een vergoeding in de vorm van geld of een andere overeen-gekomen financiële beloning wordt verleend. Thuiswinkel.org geeft aandat winkels die «koop nu, betaal later» als betaalopties aanbieden geenvergoeding van de consument vragen en dat de verwerking van detransactie vaak duurder is dan bijvoorbeeld een iDEAL betaling. Dezepartij is daarom van mening dat er geen vergoeding of andere overeenge-komen financiële beloning wordt gevraagd van winkels en zij daarmeeniet kwalificeren als bemiddelaar.De praktijk is inderdaad zo dat er in veel gevallen geen vergoeding wordtgevraagd door winkels aan consumenten voor het kiezen van «koop nu,betaal later»-betaalopties. Dit betekent niet dat de winkels geen financiëlebeloning ontvangen die voortvloeit uit deze dienstverlening. Uit markton-derzoek van de AFM blijkt onder andere dat het aanbieden van «koop nu,betaal later» als betaaloptie de omzet van winkels kan verhogen endaarmee een financiële beloning als bedoeld in de richtlijn met zichbrengt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 347 Dat winkeliers in sommige gevallen als bemiddelaar worden beschouwdonder de richtlijn, wordt onder meer duidelijk uit de lidstaatoptie uitartikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn. Deze uitzondering maakthet mogelijk voor lidstaten om leveranciers van goederen of diensten dieoptreden als bemiddelaar in nevenactiviteit uit te zonderen van deregistratieplicht. Door deze uitzondering wordt (a contrario) duidelijk datwinkeliers in sommige gevallen wel degelijk als bemiddelaar wordenbeschouwd door de richtlijn. Onder meer hierdoor is dit het uitgangspuntgeweest van het kabinet bij de implementatie van de richtlijn.Mkb-uitzondering artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijnEnkele partijen roepen op om volledig gebruik te maken van de lidstaat-optie uit artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn. Er wordt in hetconceptwetsvoorstel al deels gebruikgemaakt van deze lidstaatoptie,waardoor (online) winkeliers die als micro-, kleine of middelgroteondernemingen zijn aangemerkt in de zin van Aanbeveling 2003/361/EGzijn uitgezonderd van de registratieplicht voor bemiddelaars in de zin vanartikel 2:81 Wft. Voor grootbedrijf gaat een registratieplicht gelden. Dezekeuze wordt in stand gehouden. In dat kader vragen Thuiswinkel.org ende RND waarom grote winkeliers anders worden behandeld dan kleinerewinkeliers en kaarten zij aan dat de passage dat «platforms financiëledraagkracht hebben en veel klanten» stigmatiserend is. De richtlijnbalanceert op dit gebied tussen een zo hoog mogelijke consumentenbe-scherming versus het niet onnodig belemmeren van de mkb-markt. Er isbij de implementatie getracht de retailmarkt te ontzien waar wenselijkdoor gebruik te maken van de lidstaatoptie uit artikel 37, derde lid,onderdeel a, van de richtlijn. De opgenomen passages ten aanzien vangrote (online) winkels of platforms volgen uit de overwegingen bij depreambule van de richtlijn, waaronder overweging 17 en 84. Gezien hetbezwaar van de hiervoor genoemde partijen en de beperkte bijdrage vande passages over financiële draagkracht aan de memorie van toelichting,is de passage uit de memorie van toelichting verwijderd.Billink roept ten aanzien van de lidstaatoptie op om in de memorie vantoelichting te verduidelijken dat de uitzondering van de registratieplichtvoor bemiddelen ook geldt ten aanzien van krediet anders dan deklassieke «koop nu, betaal later»-diensten. Artikel 37, derde lid, van derichtlijn, regelt enkel welke partij is uitgezonderd van de registratieplicht,niet welke type kredieten. Dit betekent dat de uitzondering geldt voor«leveranciers van goederen of dienstverleners die worden aangemerkt alsmicro-, kleine of middelgrote ondernemingen (...) en die optreden alskredietbemiddelaars in nevenactiviteit», ongeacht de kredietvorm waarbijzij bemiddelen. Aangezien dit veelal om winkels zal gaan is in het voorstelhet voorbeeld van «koop nu, betaal later»-diensten gegeven. In dememorie van toelichting is verduidelijkt dat dit om een voorbeeld gaat.Kifid vraagt of de uitgezonderde bemiddelaars zoals beschreven in dealinea’s hierboven zich dienen aan te sluiten bij Kifid. Dit is niet het geval.Doordat deze bemiddelaars worden uitgezonderd van de registratieplichthoeven deze partijen niet te voldoen aan artikel 4:17 Wft inzake de interneklachtenprocedure en aansluiting bij het Kifid. Indien verduidelijking in deVr Wft noodzakelijk is, wordt dat bij het opstellen van de lagere regel-geving bezien.Tot slot vraagt Riverty verduidelijking in hoeverre de AFM toezicht houdtop de uitgezonderde bemiddelaars. Aangezien er voor deze partijen geenregistratieplicht gaat gelden, zal de AFM op hen geen toezicht houden opbasis van de Wft. Wel kan zij toezicht houden op grond van de Whc opgrond van de Wft- en BW-bepalingen die in die wet zijn opgesomd. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 348 gaat hier om bepalingen die de consumentenbelangen dienen. De AFMzal overigens wel kunnen optreden tegen partijen die in krediet bemid-delen zonder de daartoe verplichte vergunning, zoals een niet-mkb-onderneming die zou bemiddelen in «koop nu, betaal later»-krediet vanmeer dan drie maanden.Uitzondering voor gebouwgebonden verduurzamingsdienstenHet Nationale Groeifonds programma Toekomstbestendige Leefomgevingen Stichting TKI Bouw en Techniek verzoeken om in de Wft en in Titel 2avan Boek 7 BW op te nemen dat gebouwgebonden verduurzamings-diensten uitgezonderd zijn van de reikwijdte van deze wetten. Dezediensten betreffen volgens deze partijen energieprestatiecontracten opbasis van doorlopende dienstverlening en zouden daarom uitgezonderdmoeten worden van de kredietregels voor consumentenkrediet.In de definitie van kredietovereenkomst in de Wft en in Titel 2a van Boek 7BW is doorlopende dienstverlening reeds uitgezonderd op grond van deCCDI. Een voorbeeld van een dergelijke overeenkomst is een verzeke-ringscontract waarbij de premie in maandelijkse termijnen wordt voldaan(overweging 12 CCDI). De nieuwe richtlijn gaat niet nader in op het begripdoorlopende dienstverlening en bevat tevens geen bepalingen tenaanzien van (het al dan niet uitzonderen van) gebouwgebonden verduur-zamingsdiensten (of energieprestatiecontracten). Er wordt geenaanleiding gezien tot aanpassing van de Wft en Titel 2a van Boek 7 BW opdit punt.Doorverkopen van vorderingenDe AFM vraagt aandacht voor de vrijstelling van bepaalde overeen-komsten van de toepassing van de Wft en het AFM-toezicht daarop. Hetbetreft overeenkomsten, waarbij uitstel van betaling wordt verleend dooreen mkb-onderneming (artikel 7:58, tweede lid, onderdeel d, BW). In dezegevallen mag krediet door een derde worden overgekocht. Het gevolg isdat partijen die dergelijke overeenkomsten opkopen ook niet onder de Wftvallen. Volgens de AFM ontstaat hierdoor ruimte voor de opkomst ofuitbreiding van marktpraktijken die (willen) ontkomen aan de nieuwegedragsregels en het AFM-toezicht. Hoewel dit inderdaad een risico kanvormen voor het bevorderen van een gelijk speelveld en de consumenten-bescherming biedt de richtlijn geen ruimte om de voorwaarden voor dezevrijstelling te wijzigen.Coeo Incasso BV en Billink stellen vragen over artikel 7:58, tweede lid,onderdeel e, BW. Billink wijst erop dat de voorwaarden die uit artikel 7:58,tweede lid, onderdeel e BW volgen voor niet-mkb-ondernemingen dieovereenkomsten op afstand aangaan, verschillen van de voorwaarden diegelden voor de overige ondernemingen (zie artikel 7:58, tweede lid,onderdeel d, BW). Een belangrijk verschil is dat voor niet-mkb-ondernemingen die overeenkomsten op afstand aangaan, de voorwaardewordt gesteld dat het moet gaan om uitstel van betaling dat zij zelfverlenen, zonder dat een derde krediet aanbiedt en zonder dat een derdehet krediet overkoopt. Billink signaleert dat een nadere duiding van dezevoorwaarde ontbreekt in het conceptwetsvoorstel en verzoekt hierom.Een nadere duiding van het verschil in voorwaarden volgt uit overweging17 van de preambule van de richtlijn. Het is de bedoeling om sommigegevallen van uitstel van betaling buiten het toepassingsgebied van derichtlijn te laten, omdat dat gangbare handelspraktijken zijn waarbij deconsumenten pas na ontvangst van de goederen of diensten hoeven tebetalen. Dit is gunstig voor de consumenten. In de overweging wordt alsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 349 voorbeeld genoemd uitstel van betaling van medische rekeningen,waarbij ziekenhuizen de consumenten tijd geven voor het betalen vanmedische kosten. De uitsluiting van het toepassingsgebied moet echterworden beperkt voor bepaalde grote online leveranciers van goederen ofdienstverleners die toegang hebben tot een grote klantenkring, omdat zijgezien hun financiële draagkracht en hun vermogen om consumenten totimpulsaankopen en mogelijk tot overconsumptie te bewegen, anders zeerruim uitstel van betaling kunnen aanbieden zonder enige waarborg voorde consument en de eerlijke concurrentie met andere leveranciers vangoederen of dienstverleners kunnen verzwakken.Daarnaast wijzen Coeo Incasso BV en Billink erop dat de formulering vande voorwaarde zo lijkt te zijn dat de betreffende ondernemingen dergelijkevorderingen nooit kunnen overdragen, bijvoorbeeld aan een incasso-dienstverlener, althans niet zonder dat de vordering achteraf en metterugwerkende kracht kwalificeert als een door de richtlijn gereguleerdekredietovereenkomst. Dit vindt men onwenselijk en zij verzoeken om eenextra uitzondering waarbij de restrictie met betrekking tot het overdragenvan vorderingen slechts zou moeten gelden gedurende de termijn vanuitstel van betaling (van maximaal 14 dagen).Een niet-mkb-onderneming die overeenkomsten op afstand aangaat enuitstel van betaling verleent wordt in beginsel alleen uitgezonderd van hettoepassingsbereik van de richtlijn als aan de voorwaarden van artikel 7:58,tweede lid, onderdeel e, BW wordt voldaan. Als een dergelijke onder-neming zelf een betalingstermijn van korter dan veertien dagen hanteerten daarmee geen rente of andere kosten rekent (behoudens redelijkeniet-nakomingskosten), dan zal zij voldoen aan de uitzonderingsvoor-waarden. De partijen vragen terecht hoe dit werkt op het moment dat eenconsument zijn betalingsverplichtingen niet nakomt en de ondernemingde vordering wenst over te dragen aan een derde.Hoewel de richtlijn niet uitdrukkelijk uitwijst op welk moment eenrestrictie ten aanzien van het overdragen van een vordering aan een derdegeldt, lijkt het niet de bedoeling van de Europese wetgever dat dergelijkeondernemingen geen vorderingen meer kunnen overdragen aanbijvoorbeeld incassodienstverleners bij niet-nakoming door deconsument, zonder dat zij binnen het toepassingsbereik van de richtlijnvallen. Artikel 7:58, tweede lid, onderdeel e, BW, moet dan ook zo wordengelezen dat, indien een dergelijke onderneming aan de uitzonderingsvoor-waarden van deze bepaling voldoet bij het sluiten van de overeenkomsten bij aanvang niet direct overdraagt aan een derde, de overeenkomst nietvan kleur verschiet op het moment dat de consument niet tijdig betaalt ende onderneming de vordering overdraagt aan bijvoorbeeld een incasso-dienstverlener.Schuldadviesdiensten en kredietbankenDe NVVK verzoekt om de definitie van schuldadviesdiensten te verruimenen ziet liever een interpretatie van schuld- en adviesdiensten die niet enkelgestoeld is op een verwijzing naar artikel 47 Wck. De richtlijn definieertschuldadviesdiensten onder meer als «individuele bijstand vantechnische, juridische of psychologische aard die wordt verleend dooronafhankelijke professionals». Bij de implementatie wordt enkel eenverwijzing naar de Wck opgenomen, omdat artikel 47 Wck in samenhangmoet worden gelezen met de in artikel 48 Wck. Artikel 48 Wck bepaaltwelke partijen in Nederland bevoegd zijn tot schuldbemiddeling. Door deverwijzing naar de Wck wordt voorkomen dat niet wettelijk aangewezenschuldbemiddelaars kwetsbare consumenten benaderen voor hetuitvoeren van schuldadviesdiensten in de zin van de richtlijn. Schuldad-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 350 viesdiensten zijn inderdaad breder dan alleen het «oplossen» van eenschuld. Het gaat hierbij ook om begeleiding, nazorg en aanpalendeondersteuning. Gemeenten vallen binnen één van de categorieënschuldbemiddelaars in de zin van artikel 48 Wck. Op grond van de Wetgemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) zijn zij en gemandateerdepartijen, waaronder kredietbanken, verantwoordelijk voor het aanhakenvan andere professionele dienstverleners ten aanzien van schuldadvies.Het enkel opnemen van een verwijzing naar artikel 47 Wck betekent danook niet dat alleen wordt bemiddeld in schuld. De gemeenten enkredietbanken zijn vervolgens verantwoordelijk om professionals tebetrekken, waardoor alsnog wordt aangesloten bij de definitie van derichtlijn.De NVVK wijst verder op de positie van kredietbanken in de artikelen 4:36en 4:37 Wft. Volgens de NVVK is deze positie onduidelijk. De gemeente-lijke kredietbanken zijn onderworpen aan lokaal toezicht en gedeeltelijkuitgezonderd van de Wft. De NVVK wenst de uitzondering voor gemeente-lijke kredietbanken uit artikel 4:37 Wft explicieter op te nemen, omdat nuonduidelijkheid bestaat over de verplichtingen waaraan gemeentelijkekredietbanken moeten voldoen. Deze wens gaat echter de implementatie-opdracht van de richtlijn te buiten.Precontractuele informatieDe Consumentenbond, het Kifid, Amazon, Klarna en VFN hebben diverseverzoeken ten aanzien van precontractuele informatie.De Consumentenbond adviseert om geen gebruik te maken van degedeeltelijke uitzondering op precontractuele informatieverplichtingenvoor kaarten met uitgestelde debitering en «koop nu, betaal later»-diensten, aangezien consumenten bij alle vormen van koop op afstand hetrecht op transparante informatie hebben om zo geïnformeerde enverantwoorde beslissingen te kunnen nemen. Deze reactie geeft geenaanleiding tot wijziging van het wetsvoorstel. In de memorie vantoelichting is onder paragraaf 4 overwogen waarom gekozen is voor delidstaatoptie om kaarten met uitgestelde debitering en «koop nu, betaallater»-diensten uit te zonderen van bepaalde precontractuele verplich-tingen. Doorslaggevend blijft dat de consumentenbescherming naarverwachting niet verbetert door volledige precontractuele informatiever-plichtingen te vereisen. Dit maakt dat de vermindering van de lastendruken het principe van proportionaliteit zwaarder wegen.Klarna geeft aan dat de precontractuele informatieverplichtingen duidelijkmoeten zijn en keuzemogelijkheden moeten geven. Ook moet rekeningworden gehouden met toekomstige innovaties en moeten de verplich-tingen proportioneel zijn. Amazon stelt in haar reactie voor om teverplichten dat de precontractuele informatie slechts één keer, op eenbeknopte en toegankelijke manier die past bij de online-winkelervaring,wordt gepresenteerd aan klanten. De richtlijn schrijft de wijze waarop deprecontractuele informatieverplichtingen aan de consument gepresen-teerd moeten worden voor, namelijk via het formulier «Europesestandaardinformatie inzake consumentenkrediet» in bijlage I, van derichtlijn. Het staat lidstaten niet vrij om de informatieverplichtingen opandere wijze voor te schrijven of keuzemogelijkheden aan partijen tegeven. Het staat marktpartijen echter wel vrij op welke wijze zij deinformatie presenteren aan de consument, bijvoorbeeld via een mobieleapp. De richtlijn schrijft verder voor dat de kredietaanbieder de informatiegeruime tijd voordat de consument door een kredietovereenkomst of-aanbieding gebonden is, aan de consument verstrekt. Voorafgaand aanieder krediet moet de informatie dus opnieuw worden verstrekt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 351 Kifid wijst in haar reactie op het gewijzigde artikel 40 over alternatievegeschillenbeslechting in de richtlijn. Volgens Kifid volgt uit de tekst vanoverweging 88 van de preambule van de richtlijn in combinatie met hetgewijzigde artikel 40 van de richtlijn dat het materiële toepassingsgebiedvan alternatieve geschillenbeslechting is uitgebreid naar geschillen in deprecontractuele fase, ongeacht of de consument uiteindelijk een overeen-komst sluit. In het conceptvoorstel is hierover niets opgenomen en Kifidwenst verduidelijking op dit punt. Verder brengt zij onder de aandacht datbij de voorgenomen herziening van de ADR-richtlijn nog geen duide-lijkheid bestaat over uitbreiding van het toepassingsbereik naar precon-tractuele geschillen ongeacht of de consument uiteindelijk een overeen-komst sluit. Volgens Kifid is het ongewenst als precontractuele geschillenvan consumenten met betrekking tot consumentenkredieten die onder derichtlijn vallen wel door Kifid zouden worden behandeld en precontrac-tuele geschillen met betrekking tot bijvoorbeeld hypothecaire geldle-ningen niet.Het materiële toepassingsbereik van de richtlijn is inderdaad breder dandat van de CCDI. De inbreng van Kifid ten aanzien van dit punt geeftaanleiding tot het opnemen van een verduidelijkende passage inparagraaf 5 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.Aangezien de herziening van de ADR-richtlijn momenteel nog nietgepubliceerd is, kan in het kader van deze implementatie geen duide-lijkheid worden geboden over de uitbreiding naar geschillen ongeacht ofde consument uiteindelijk een overeenkomst sluit. Het punt ten aanzienvan het verschil tussen hypothecaire geldleningen en consumentenkre-dieten is begrijpelijk, echter regelt de richtlijn enkel bepalingen tenaanzien van consumentenkredietovereenkomsten. Van een herziening vande Richtlijn hypothecair krediet is momenteel geen sprake, waardoor hetde implementatieopdracht te buiten zou gaan om deze bepalingen diezien op geschillen in de precontractuele fase breder te trekken danconsumentenkredietovereenkomsten.De VFN wenst ten slotte dat de uitsplitsing tussen de kosten van hetkredietproduct en de kosten van overige voordelen bij kaarten metuitgestelde debitering nader wordt toegelicht, omdat nu niet helder zouzijn welke (precontractuele) informatie wanneer verstrekt moet worden bijkaarten met uitgestelde debitering. Dit verzoek ziet op wijzigingen die zienop lagere regelgeving en zullen bij het opstellen daarvan wordenmeegenomen.KoppelverkoopVan de Consumentenbond, Preventel, American Express, NVVK en VFNzijn opmerkingen ontvangen ten aanzien van koppelverkoop.Preventel en American Express verzoeken aan te sluiten bij de richtlijn-tekst in artikel 7:60a BW. Deze suggestie is opgevolgd, zodat artikel 7:60aBW uit dezelfde bewoordingen is opgebouwd als het vergelijkbareartikel 7:121 BW ten aanzien van koppelverkoop bij hypothecair krediet.De bepaling ten aanzien van hypothecair krediet volgde uit de implemen-tatie van artikel 12 van de Richtlijn hypothecair krediet. Aangezien de tekstvan het hiervoor genoemde artikel grotendeels overeenkomt met de tekstvan de richtlijn is voor dezelfde wijze van implementatie gekozen.De Consumentenbond pleit voor een streng verbod op koppelverkoopzonder gebruik te maken van de lidstaatopties met uitzonderingen.Koppelverkoop zou de keuzevrijheid van consumenten beperken en dekosten voor consumenten verhogen. Deze aanbeveling wordt nietopgevolgd. Deze keuze is gemaakt, mede omdat in het bestaande recht alTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 352 vormen van vergelijkbare uitzonderingen bestaan op koppelverkoopver-boden, te weten artikel 7:77, eerste lid, sub b, onderdeel 2, BW enartikel 7:121, derde lid, BW. Omdat deze wijzen van koppelverkopendoorgaans niet gepaard gaan met hoge kosten, worden de uitzonderingentoegestaan. Bovendien is het de verwachting dat de uitzondering op hetkoppelverkoopverbod de keuzevrijheid van de consument niet zalbeperken en niet tot onnodige extra kosten zal leiden, omdat op grondvan artikel 7:60a BW de kredietgever verplicht wordt ook een gelijk-waardige polis van een andere dienstverlener te accepteren.Preventel wil graag duidelijkheid over het aanbieden van een telecom-abonnement samen met een telecomkrediet op afbetaling voor deaanschaf van relevante randapparatuur. Volgens deze partij valt ditgecombineerde aanbod buiten de definitie van koppelverkoop in derichtlijn en in artikel 7:57, eerste lid, onderdeel w, BW, omdat telecom-diensten geen financiële diensten zijn. Dit is juist. Daarbij komt dat hetafsluiten van een telecomkrediet geen verplichting is voor de consument.Er is ook de optie om een telefoon met abonnement zonder krediet af tesluiten. Met de aanpassing van artikel 7:60a BW en de bevestiging in dezeparagraaf zal voldoende duidelijk zijn dat deze dienst niet wordt gezien alskoppelverkoop.NVVK wijst erop dat artikel 7:60a BW een effectieve hulpverlening doorkredietbanken kan belemmeren, omdat met het saneringskrediet ookandere overeenkomsten, bijvoorbeeld een budgetbeheerovereenkomst,wordt afgesloten met de consument. De kredietovereenkomsten diekredietbanken aangaan zijn (onder bepaalde voorwaarden, zie artikel 7:58,tweede lid, onderdeel j, BW) uitgezonderd van de Titel 2a van Boek 7 BW.Als voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 7:58, tweede lid,onderdeel j, BW, is het koppelverkoopverbod van artikel 7:60a BW niet vantoepassing op de door de kredietbanken verstrekte kredietovereen-komsten.Sommige kaarten die American Express aanbiedt in Nederland, biedenkaarthouders aanvullende verzekeringen die betrekking hebben op reizenen op aankopen die met de kaart worden gedaan. Deze partij wenstduidelijkheid over polissen waarbij de kredietaanbieder de verzekerings-dekking als groepsverzekering beschikbaar maakt. Dit is een verzekerings-overeenkomst in de zin van artikel 7:925 BW die is gesloten tussen eenverzekeringnemer en een verzekeraar, waarbij een of meer derdepersonen kunnen gelden als verzekerden onder de polis.46 AmericanExpress verzoekt specifiek te verduidelijken dat, wanneer er geen sprake isvan verzekeringsbemiddeling, er ook geen sprake is van koppelverkoop(en het koppelverkoopverbod dus ook niet van toepassing is). Die lezing isjuist. Het verzoek tot verduidelijking hiervan is opgevolgd bij de artikelsge-wijze toelichting bij artikel 7:60a BW. Hier wordt eveneens uiteengezetonder welke omstandigheden er bij de distributie van groepsverzeke-ringen geen sprake is van verzekeringsbemiddeling, en dus niet vankoppelverkoop.KredietregistratieKlarna, Billink, NVVK, Riverty, IN3, Qlarifi en VFN gaan in hun consultatie-reactie in op de raadpleging van BKR voor de kredietwaardigheidsbeoor-deling en de kredietregistratie bij BKR. De partijen uiten zorgen over degeschiktheid van BKR als databank vanwege de frequentie en snelheid46Zie «Duiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake groeps-verzekeringen» van de AFM: https://www.afm.nl/nl-nl/sector/actueel/2024/maart/interpretatie-groepsverzekeringen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 353 van BNPL-transacties. Ook benadrukken partijen dat de maatregelen opdeze onderwerpen proportioneel moeten zijn. Er worden door partijenverschillende voorstellen gedaan, bijvoorbeeld om deBKR-registratiegrens op € 250 te houden, alleen kredieten te registrerenbij betalingsachterstanden, een apart register voor BNPL-transacties in terichten of ervan af te zien dat BKR het enige kredietregister wordt. Dereacties van partijen zien echter op zaken die niet geregeld worden doorde richtlijn, regels die zien op bepalingen in lagere regelgeving of regelsten aanzien van het lopende wetsvoorstel Stelsel Kredietregistratie. Waarrelevant zullen de reacties in het kader van de hiervoor genoemde wet- enregelgeving worden meegenomen.Riverty wijst er verder nog op dat Nederland strengere regels stelt dan derichtlijn voorschrijft, bijvoorbeeld door van elke aanbieder te verlangendat hij BKR raadpleegt alvorens een krediet te verlenen. Artikel 18, elfdelid, van de richtlijn bevat echter de lidstaatoptie die lidstaten toestaat vankredietgevers te eisen dat zij de kredietwaardigheid van consumenten opbasis van een raadpleging van de relevante databank beoordelen. Degestelde strengere regels zijn dan ook een uitwerking van deze lidstaat-optie.Tot slot verzoekt de VFN om verduidelijking ten aanzien van artikel 18,elfde lid, van de richtlijn dat reeds onderdeel is van het Nederlands rechtin de artikelen 4:32 Wft en 114 BGfo en gaat om het afwijzen van eenconsument op basis van een negatieve kredietregistratie. De richtlijnbe-paling geeft namelijk aan dat lidstaten kunnen eisen dat de kredietwaar-digheid van consumenten op basis van een raadpleging van de relevantedatabank wordt beoordeeld en dat deze beoordeling niet uitsluitendgebaseerd mag zijn op de kredietgeschiedenis van de consument. Inartikel 4:32, tweede lid, Wft wordt enkel gesproken over het besluit totkredietverlening. De VFN vraagt om verduidelijking of de beoordeling inde zin van de wet juridisch gelijkgesteld wordt aan het besluit totkredietverlening. Als uitgangspunt moet worden genomen dat vooraf-gaand aan een besluit tot kredietverlening te allen tijde een beoordeling isuitgevoerd. Dit volgt uit artikel 4:34 Wft. De beoordeling wordt dus nietgelijkgesteld aan het besluit tot kredietverlening.ProductinterventieDe NVB, NVF en Preventel verzoeken om geen gebruik te maken van delidstaatoptie uit artikel 41 van de richtlijn om de AFM productinterventie-bevoegdheden toe te kennen. Samengevat vinden deze partijen dat debevoegdheid, die geïmplementeerd is in artikel 1:77q Wft te ruim en vaagis opgezet en de AFM hiermee een mogelijkheid krijgt om in veel gevallente kunnen ingrijpen. Indien gekozen wordt om de productinterventiebe-voegdheid te behouden, stelt de NVB voor om meer aan te sluiten bij debewoordingen van artikel 1:77f Wft jo. artikel 42 van de Verordening voorfinanciële instrumenten 600/2014.47Gezien het belang van bescherming van (kwetsbare) consumenten binnende snel ontwikkelende kredietmarkt, wordt de productinterventiebe-voegdheid behouden. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezennaar paragraaf 4 van deze memorie van toelichting. De reacties gevenechter wel aanleiding tot aanpassing van het voorstel en nauwereaansluiting bij de bestaande bepalingen in artikel 1:77f Wft. Artikel 1:77qWft en de artikelsgewijze toelichting daarbij worden dan ook aangepast.47Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU)nr. 648/2012.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 354 Daarbij geldt tevens dat een nadere uitwerking op grond van artikel 1:77q,derde lid, Wft volgt in de lagere regelgeving.Privacy (AVG)Enkele partijen hebben reacties bij diverse AVG-gerelateerde onder-werpen, voornamelijk in het kader van de kredietwaardigheidsbeoor-deling.De Consumentenbond wenst scherpere grenzen aan het gebruik vanpersoonsgegevens voor profilering en geautomatiseerde besluitvormingbij kredietverlening. De VFN geeft aan dat het niet helder is of er al sprakeis van geautomatiseerde verwerking wanneer informatie elektronischwordt opgevraagd in plaats van via papieren communicatie, of dat hetbegrip verder strekt. De regels inzake geautomatiseerde verwerkingvolgen voornamelijk uit artikel 13 van de richtlijn (dat geïmplementeerd isin artikel 7:60, vierde lid, BW) en uit artikel 18, achtste lid, van de richtlijn,dat zal landen in lagere regelgeving. Voor de bewoordingen vanartikel 7:60, vierde lid, BW, wordt de richtlijntekst overgenomen vanartikel 13 van de richtlijn. Er is geen ruimte voor lidstaten om striktereregels op te leggen aan partijen. Bij het opstellen van de lagere regel-geving zal gekeken worden naar de ruimte die artikel 18, achtste lid, vande richtlijn, biedt. Wat betreft de opmerking van de VFN moeten de regelsinzake geautomatiseerde verwerking worden gelezen in het licht van deoverwegingen in de preambule van de richtlijn. Zo volgt onder andere uitoverweging 46 en 56 dat het vooral gaat om geautomatiseerdeverwerking met artificiële-intelligentiesystemen en lijkt het onderscheid«elektronisch of op papier» minder relevant.De NVB stelt voor om in de memorie van toelichting te verduidelijken dathet de aanbieder is die bepaalt hoe de afscherming van bijzonderepersoonsgegevens in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordelingplaatsvindt en meerdere partijen geven aan de toelichting te beschrijvendte vinden voor de opties om de gegevens af te schermen. De memorievan toelichting is op deze onderwerpen op enkele plekken aangepast omde verantwoordelijkheid van de aanbieder (inclusief de wijze vanafscherming) te verduidelijken.De VFN geeft tot slot aan dat het onduidelijk is of de grondslag van 4:34aWft ook voor de beheerfase of voor toepassingen als creditscoring enfraudepreventie geldt. Dit is niet het geval. In artikel 4:34a, eerste lid, Wftwordt bepaald dat de grondslag van toepassing is op verwerking vanbijzondere persoonsgegevens in het kader van de kredietwaardigheidsbe-oordeling die volgt uit artikel 4:34 Wft. De grondslag geldt dan ook enkelvoor verwerking in het kader van de hiervoor genoemde beoordeling.Toename van kostenEen aantal aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten uit de zorg datde kosten zullen toenemen als gevolg van aansluiting bij een stelsel vankredietregistratie en (doorlopend) toezicht. «Koop nu, betaal later»-diensten zijn momenteel veelal gratis voor consumenten, maar de partijenwaarschuwen dat dit waarschijnlijk niet meer mogelijk is in de toekomst.Ook achten partijen de kans aanwezig dat door de kosten van toezichtminder partijen een vergunning zullen aanvragen.Eerder in deze paragraaf is toegelicht waarom niet is gekozen voor delidstaatoptie om de hiervoor genoemde diensten uit te zonderen van eengroot deel van de Wft-bepalingen, waaronder aansluiting bij databankenten behoeve van kredietregistratie. Daarnaast zijn kosten voor toezichtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 355 onvermijdelijk, aangezien het niet mogelijk en wenselijk is om dezepartijen uit te zonderen van toezicht door de AFM. Bij de kosten vantoezicht is gekozen voor aansluiting bij de bestaande systematiek. Hoewelook in de lagere regelgeving wordt gekeken naar mogelijkheden omdoorberekening van kosten aan de consument zo veel mogelijk tevermijden, is deze doorberekening een mogelijk gevolg van de nieuweregels ten aanzien van deze diensten. Dit weegt echter niet op tegen demate van bescherming die consumenten zullen genieten als gevolg vandeze wet- en regelgeving.Vroegsignalering van financiële problemenDe NVB verzoekt om voor de signalering van betalingsproblemen eenwettelijke grondslag op te nemen voor de verwerking van persoonsge-gevens en het onder strikte voorwaarden verwerken van bijzonderepersoonsgegevens. Ook de VFN verzoekt om een wettelijke grondslag omgebruik te maken van transactiedata.In overweging 81, van de preambule, van de richtlijn, staat dat krediet-gevers een rol hebben bij het voorkomen van overmatige schuldenlastdoor consumenten die financiële moeilijkheden ondervinden, vroegtijdigop te sporen en te ondersteunen. Daarom moeten kredietgeversbeschikken over procedures en beleid voor de opsporing van dergelijkeconsumenten om ervoor te zorgen dat zij hen daadwerkelijk kunnendoorverwijzen naar gemakkelijk toegankelijke schuldadviesdiensten. Ditstaat tevens in artikel 36 van de richtlijn. Er wordt geen noodzaak gezienom in het kader van vroegsignalering een additionele wettelijke grondslagop te nemen voor verwerking van persoonsgegevens. Kredietgeversdienen enkel op grond van artikel 4:35b Wft uitvoering te geven aan de ophen van toepassing zijnde verplichting.Volgens VFN roept artikel 4:35b Wft vragen op over de termijnen voor hetsignaleren van financiële problemen en de doorwijsplicht door krediet-gevers. VFN verzoekt om verduidelijking in de memorie van toelichting. Inoverweging 81 van de preambule bij de richtlijn is opgenomen dat onderfinanciële problemen een grote verscheidenheid aan situaties wordtverstaan, onder meer uitstel van terugbetaling van schulden met meerdan 90 dagen. Er worden in de richtlijn geen termijnen gegeven voor hetsignaleren van financiële problemen en het doorverwijzen door krediet-gevers. De praktijk, samen met de toezichthouder zal hier invulling aankunnen geven.Tot slot is het volgens VFN onduidelijk of de norm van artikel 4:35b Wft,zoals beschreven in de memorie van toelichting, uniform toepasbaar isvoor alle kredietaanbieders, zowel groot en klein. De norm vanartikel 4:35b Wft zal door de marktpartijen (al dan niet in samenspraak metde AFM) ingevuld moeten worden.Overgangsrecht – bestaande overeenkomstenAmerican Express pleit voor verdere uitbreiding van uitzonderingen diegelden voor reeds bestaande kredietovereenkomsten en verzoekt in datkader om verduidelijking van artikel IV van het wetsvoorstel zodat – nainwerkingtreding van het wetsvoorstel – een aanbieder van krediet tenaanzien van bestaande kredietovereenkomsten met onbepaalde looptijd,de bestaande regels die voortvloeien uit de CCDI kan blijven toepassen.Artikel IV van het conceptwetsvoorstel voegt ter implementatie vanartikel 2, tweede lid, onderdeel l, van de richtlijn aan de Overgangswetnieuw Burgerlijk Wetboek artikel 211aa toe. Daarin wordt bepaald dat naTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 356 inwerkingtreding van het wetsvoorstel Titel 2a van Boek 7 BW van hethuidige wetboek, met uitzondering van de artikelen 62, 63 en 70, eerste entweede lid van toepassing blijft op voor de inwerkingtreding van ditwetsvoorstel bestaande kredietovereenkomsten met onbepaalde looptijd.De artikelen 62, 63 en 70, eerste en tweede lid, van Boek 7 BW, wordennamelijk gewijzigd als gevolg van de implementatie van de richtlijn en zijndan in de gewijzigde vorm ook van toepassing op reeds bestaandekredietovereenkomsten met onbepaalde looptijd. De richtlijn biedt geenruimte om deze uitzondering verder uit te breiden voor reeds bestaandekredietovereenkomsten.Reacties ten aanzien van lagere regelgevingEen aantal partijen heeft verzoeken ten aanzien van de verificatieplicht diesamenhangt met de kredietwaardigheidsbeoordeling en de kredietver-goeding. Het is begrijpelijk dat partijen vragen hebben over deze thema’s,aangezien deze nauw samenhangen met de andere regels die gelden tenaanzien van het aanbieden van krediet. De regels ten aanzien van deverificatieplicht en de kredietvergoeding zijn echter opgenomen in hetBGfo en het Besluit kredietvergoeding. Hoewel de doelstelling is om delagere wet- en regelgeving zo goed mogelijk te laten aansluiten op de wetin formele zin, kan in het kader van dit wetsvoorstel geen uitsluitselworden gegeven over de verzoeken van partijen ten aanzien van dehiervoor genoemde thema’s. De reacties van partijen worden meege-nomen in de aanpassing van de lagere wet- en regelgeving en hetimplementatiebesluit zal tevens bij het publiek worden geconsulteerd.OverigEen aanbeveling om onder meer de term «krediet» te wijzigen in «lening»,omdat de terminologie van de richtlijn en overige Europese regelgevingvolgens de respondent niet klopt, wordt niet overgenomen. Er wordtaangesloten bij de termen die worden gebruikt in de richtlijn en in dewetgeving waarin de richtlijn wordt geïmplementeerd (Wft en het BW).Van American Express is de aanbeveling ontvangen om de inwerking-treding van de nieuwe regelgeving vast te stellen op 12 maanden na hetaannemen van het definitieve wetsvoorstel, ervan uit gaande dat hetvoorstel korter dan 12 maanden voor 20 november 2026 wordt aange-nomen. Het staat lidstaten echter niet vrij om een inwerkingtredingsdatumna 20 november 2026 vast te stellen voor regelgeving die dwingend doorde richtlijn wordt bepaald. Voor kaarten met uitgestelde debitering wordteen uitzondering gemaakt doordat tijdelijk – voor een periode van zesmaanden na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel – gebruik wordtgemaakt van de lidstaatoptie om deze kaarten uit te zonderen van hettoepassingsgebied. Deze keuze is hierboven in paragraaf 13 toegelicht.De Consumentenbond adviseert om de informatieverplichtingenoverzichtelijker te maken door integratie van ESIC-formulieren. De richtlijnbevat geen voorschrift om een dergelijke integratie voor te schrijven.Omdat de onderhavige kwestie buiten het bereik van de implementatieop-dracht valt, kan daarop in dit voorstel van wet niet verder wordeningegaan.De NVB pleit ervoor om de consumentenbeschermende maatregelen vande richtlijn alleen van toepassing te laten zijn op kredietovereenkomstentot een bedrag van € 100.000, omdat de Europese wetgever niet voorniets deze bovengrens heeft ingevoerd. De richtlijn geeft lidstaten demogelijkheid om met betrekking tot kredietovereenkomsten die buiten hettoepassingsgebied van de richtlijn vallen, zoals kredietovereenkomstenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 357 boven een bedrag van € 100.000, nationale wetgeving te handhaven of inte voeren die overeenstemt met de richtlijn (zie overweging 14 van depreambule van de richtlijn). Van deze ruimte wordt gebruikgemaakt,omdat dit zorgt voor meer consumentenbescherming. Kredietovereen-komsten boven de € 100.000 zijn vanwege de hoogte van het bedrag juistrisicovol, ook al wordt een consument die een dergelijke kredietovereen-komst kan afsluiten geacht minder kwetsbaar te zijn.Kifid wijst op een kennelijke vergissing die is gemaakt in artikel 7:60,zevende lid, BW van het wetsvoorstel, daarin ontbreekt een verwijzingnaar het vijfde lid. Dit is alsnog opgenomen in het zevende lid.De NVF heeft diverse verzoeken ten aanzien van onder andere deartikelen 7:59, 7:60 en 7:61 BW. Over het algemeen gaan deze verzoekenover verduidelijkingen of nadere specificaties van termen die in debepalingen zijn opgenomen. Voor een groot deel van deze opmerkingengeldt dat de richtlijntekst ofwel geen nadere uitleg geeft aan termen, ofwelgeen ruimte laat om af te wijken van de teksten. In sommige gevallengeeft de preambule van de richtlijn uitsluitsel. Op enkele punten van deNVF wordt nader ingegaan.Zo wenst de NVF om in artikel 7:59 BW van het wetsvoorstel te verduide-lijken wat wordt bedoeld met valse verwachtingen over de beschik-baarheid van een krediet. Deze tekst wordt voldoende duidelijk geacht.Artikel 7:59 BW implementeert artikel 7 van de richtlijn, waarin is bepaalddat reclame- en marketingcommunicatie niet misleidend, onduidelijk ofoneerlijk mag zijn. Dat is het geval wanneer reclame valse verwachtingenschept over de beschikbaarheid van het krediet, de kosten van een kredietof het totale door de consument te betalen bedrag. Verder volgt volgensde NVF uit artikel 7:61, tweede lid, onderdeel y, BW, van het wetsvoorstelniet hoe wijzigingen in voorkeuren van een consument over de wijzewaarop de consument informatie ontvangt worden vastgelegd. Dit is in derichtlijn niet bepaald. Dit betekent dat de kredietgever zelf kan bepalenhoe wijzigingen in de voorkeuren van de consument worden vastgelegdRND werpt de vraag op of dit wetsvoorstel overkreditering door gratiskredietverlening aan kwetsbare mensen die vragen om betaling intermijnen of uitgestelde betaling oplost. Ook vraagt RND zich af wat ergedaan is met de wettelijke vertaling van de uitspraken van de Hoge Raaden de prejudiciële vragen over onbetekenende kosten in de zin van hethuidige artikel 7:58, tweede lid, onder e, BW. In het verlengde hiervanvraagt RND zich af wat redelijke kosten zijn bij niet-nakoming. Lidstatenzijn verplicht om richtlijnen te implementeren in nationale wetgeving. Derichtlijn heeft mede als doel om een hoge standaard van consumentenbe-scherming te realiseren. Belangrijk onderdeel daarvan is het voorkomenvan onverantwoordelijke kredietverleningspraktijken en buitensporigeschulden. Dit wetsvoorstel beoogt dus ook overkreditering te voorkomen.Dit neemt niet weg dat er mogelijk andere manieren zijn om overkredi-tering tegen te gaan (zoals de suggestie van RND om een redelijke prijsvoor krediet te vragen), maar dit gaat de implementatieopdracht te buiten.Wat betreft de tweede vraag van RND geldt dat in de artikelsgewijzetoelichting van artikel 1:20 Wft is uitgewerkt dat artikel 6:96, tweede lid,onderdeel c, BW, en de tarieven als genoemd in het Besluit voorvergoeding voor buitengerechtelijke kosten gelden als de redelijke kostenter verkrijging van voldoening buiten rechte.Ook Riverty wijst op het bestaan van jurisprudentie met betrekking totincassokosten en stelt de mogelijkheid voor om nationale wetgeving inovereenstemming te brengen met de recente uitspraak van het HvJ(ECLI:EU:C:2024:895), waarin zou worden bevestigd dat kredietgeversTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 358 redelijke incassokosten mogen vorderen boven op het gevorderdebedrag, mits deze kosten transparant en proportioneel zijn. Deze wens valtechter buiten de reikwijdte van de implementatieopdracht.Thuiswinkel merkt op dat er vanuit de sector behoefte bestaat aanleidraden over de uitwerking van de wet. De grote verbreding van dereikwijdte van de Wft legt een hoop nieuwe registratie- of vergunningsver-plichtingen op aan webwinkels en platforms. Voor vragen over de nieuweregistratieplicht en het toezicht kunnen partijen na de inwerkingtredingvan dit wetsvoorstel terecht bij de AFM als de aangewezen bevoegdeautoriteit voor toezicht op de naleving van de regels ter implementatievan de richtlijn en de handhaving op en verlening van een vergunning ofregistratie voor het in Nederland aanbieden van krediet, het bemiddelenin krediet of het adviseren in krediet.De VFN kaart aan dat in artikel 7:75 BW uitzonderingen worden gemaaktvoor kredieten van meer dan € 40.000. Zij verzoekt om uitleg over welkeuitzonderingen blijven gelden bij het verhogen van het maximaletoepassingsbereik naar € 100.000. Het wetsvoorstel heeft geen gevolgenvoor artikel 7:75 BW. Dit artikel en de daarin vermelde uitzonderingenblijven gelden.De VFN verzoekt verder om objectieve gronden voor de invulling van hetnon-discriminatiebeginsel van artikel 6 van de richtlijn. Artikel 6 van derichtlijn bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de voorwaardenwaaraan moet worden voldaan om een krediet te krijgen, niet discrimi-nerend zijn voor consumenten die legaal in de Unie verblijven op grondvan hun nationaliteit of verblijfplaats of op enige andere grond alsbedoeld in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van deEuropese Unie, wanneer die consumenten binnen de Unie een kredieto-vereenkomst aanvragen, sluiten of erover beschikken. Noch het artikel,noch de preambule van de richtlijn bevat een uitwerking van grondenvoor non-discriminatie. Het is dan ook aan marktpartijen zelf om invullingte geven aan dit non-discriminatiebeginsel, al dan niet op basis van hetHandvest van de grondrechten van de Europese Unie.VFN stelt aan de orde dat in het wetsvoorstel (in de artikelen 7:60, tweedelid, BW en 7:61, eerste lid, BW) of in de memorie van toelichting niet(duidelijk) is opgenomen dat papier als duurzame drager kan functio-neren, terwijl dit wel duidelijk staat in de richtlijn. In artikel 7:61, eerste lid,BW van het wetsvoorstel wordt opgenomen «op papier of op een andereduurzame drager». Daarmee wordt voldoende duidelijk dat papier alsduurzame drager kan functioneren. In artikel 7:60, tweede lid, wordtopgenomen «op papier of de gekozen duurzame dragen». Het woord«ander» ontbreekt. Dit wordt toegevoegd, zodat duidelijk is dat papier alsduurzame drager kan functioneren.§ 12. Advies Autoriteit Persoonsgegevens De AP heeft een wetgevingstoets uitgevoerd ten aanzien van hetwetsvoorstel. Op grond van artikel 36, vierde lid, van de AlgemeneVerordening Gegevensbescherming zijn lidstaten immers verplicht om detoezichthoudende autoriteit te raadplegen bij het opstellen van eenwetsvoorstel dat betrekking heeft op de verwerking van persoonsge-gevens, zoals het geval is bij het onderhavige wetsvoorstel.De wetgevingstoets bevat een vijftal opmerkingen op het wetsvoorstel.Volgens de AP nopen deze opmerkingen tot aanpassingen van hetwetsvoorstel. Deze opmerkingen zullen hierna achtereenvolgens wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 359 besproken. Er zal toegelicht worden welke aanpassingen aan hetwetsvoorstel zijn gedaan.Evenredigheid kredietwaardigheidsbeoordeling in de praktijkDe AP wijst er allereerst op dat op dit moment niet duidelijk wordtgemaakt op welke manier gewaarborgd is dat de op grond van de richtlijnen de AVG vereiste evenredigheid in de praktijk zal worden bereikt.Kredietgevers moeten voordat ze krediet verstrekken de kredietwaar-digheid van hun consument beoordelen, maar de persoonsgegevens voordie beoordeling mogen niet onevenredig worden verzameld. Hetopvragen van informatie voor de kredietwaardigheidsbeoordeling moetaltijd noodzakelijk en evenredig zijn met de aard, duur, waarde en risico’svan het krediet, aldus artikel 18, derde lid, van de richtlijn. De AP merkt opdat in de memorie van toelichting echter ervan wordt uitgegaan datkredietgevers in het kader van een kredietwaardigheidsbeoordeling dedaarbij behorende evenredigheidsafwegingen zelf kunnen en mogenmaken. Dit zou ten onrechte zijn, aangezien het integraal opvragen vanrekeningafschriften bij consumenten onder de huidige wetgeving alpraktijk is en evident niet evenredig is. De AP wijst daarom op demogelijkheid om kredietgevers aan te sporen een gedragscode op testellen in de zin van artikel 40 AVG die door de AP wordt getoetst en waareen door de AP geaccrediteerd orgaan in de zin van artikel 41 AVGtoezicht op houdt. In de gedragscode kan dan worden ingegaan op desoort persoonsgegevens die in zijn algemeenheid altijd of juist nooitnodig zullen zijn voor bepaalde categorieën kredietwaardigheidsbeoorde-lingen. Daar zou ook in moeten worden gewaarborgd dat persoonsge-gevens die uit externe bronnen worden geraadpleegd juist zijn en zijnverkregen op een manier die rechtmatig en integer is.Deze aanbeveling wordt opgevolgd. Artikel 4:34 Wft was en blijft ook nahet implementeren van de richtlijn een open norm. Deze norm is met deimplementatie ingekleed door evenredigheid naar «aard, duur, waarde enrisico’s van het krediet» toe te voegen aan, eerste lid, van de hiervoorgenoemde bepaling. Ondanks dat de richtlijn verder geen nadere invullinggeeft van de evenredigheid die vereist wordt, neemt dit niet weg dat degegevens die kredietgevers in het kader van de kredietwaardigheidsbeoor-deling kunnen opvragen breed, maar ook privacygevoelig kunnen zijn. Hetopstellen van een gedragscode kan helpen. Dit initiatief zal in eenseparaat traject van dit wetsvoorstel worden onderzocht.Beperking persoonsgegevens uit banktransactiesDe tweede opmerking van de AP ziet op de verwerking van bijzonderepersoonsgegevens door het gebruik van een integraal rekeningafschrift.Verwerking van informatie op een rekeningafschrift is volgens de AP eeningrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van consumenten,omdat alledaagse banktransacties samen bijna een volledig beeld gevenvan de identiteit, voorkeuren en gedragingen van iemand. Bovendienbevat een rekeningafschrift regelmatig bijzondere persoonsgegevens enjuist bij bijzondere persoonsgegevens bestaan risico’s op discriminatie alsdeze wel worden meegewogen bij de beoordeling van kredietwaar-digheid. Het is onwaarschijnlijk dat alle transacties in een rekeningaf-schrift op individueel niveau, inclusief afzender of ontvanger enomschrijving, altijd nodig zijn voor een kredietgever om aan zijn taken opgrond van de richtlijn te voldoen. Waar het verwerken van enkel hetbedrag van een transactie en bijvoorbeeld een uitgave- of inkomstencate-gorie toereikend is, is dat ook verplicht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 360 In het wetsvoorstel worden kredietgevers weliswaar verplicht omontvangen bijzondere persoonsgegevens weg te lakken, maar de AP steltvoor om een minder ingrijpend alternatief voor het verstrekken vanrekeningafschriften te onderzoeken, te weten het opstellen van eengeverifieerde gestandaardiseerde rapportage door de eigen bank van eenconsument. Een dergelijke geverifieerde gestandaardiseerde rapportagezou enerzijds kredietverstrekkers voldoende vertrouwen bieden dat sprakeis van een getrouwe weergave van de voor zijn beoordeling belangrijkeinkomsten en uitgaven, terwijl anderzijds bijzondere persoonsgegevensen alle andere niet-noodzakelijke of gevoelige transactiegegevens gelaktzijn of geaggregeerd zijn tot een bepaalde inkomsten- of uitgavencate-gorie. Er zijn ook andere varianten mogelijk.De wetgever begrijpt deze door de AP voorgestelde alternatieven en isdaar ook voorstander van. In het kader van dit onderwerp zijn er eerdermet de sector rondetafelbijeenkomsten geweest over mogelijke alterna-tieven voor verificatie door middel van het integraal rekeningafschrift. Uitdeze gesprekken is gebleken dat de technologie op dit moment nog nietver genoeg is om gestandaardiseerde rapportages op te stellen die in zijngeheel geen bijzondere persoonsgegevens bevatten. De verschillendealternatieven zijn afgewogen, maar de gekozen methode voor afschermenvan de gegevens door bijvoorbeeld een andere afdeling of derde (dit kanook de bank zijn van de consument) wordt geselecteerd als methode metde minste «bijvangst» aan bijzondere persoonsgegevens. Dit neemt nietweg dat door technologische ontwikkelingen op langere termijn andere,betere alternatieven voorhanden zullen zijn.Zeggenschap over lakken door de kredietverstrekkerMocht de wetgever na afweging van de hiervoor genoemde opmerkingentoch besluiten de in het wetsvoorstel gekozen richting voort te zetten, danacht de AP het nodig dat de consument inzage en zeggenschap krijgt overde persoonsgegevens die aangemerkt worden als bijzondere persoonsge-gevens en in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordelingafgeschermd worden. De vraag of een persoonsgegeven een bijzonderpersoonsgegeven is in de zin van artikel 9 AVG is namelijk een complexevraag. Meerdere persoonsgegevens die samen iets zeggen of kunnenzeggen over bijvoorbeeld de gezondheid of levensbeschouwelijkeovertuiging van een persoon, zijn bijzondere persoonsgegevens. Hetherkennen daarvan is van groot belang, maar vergt zorgvuldigheid en oogvoor de bredere context waarin de persoonsgegevens voorkomen in hetleven van de consument.Deze aanbeveling wordt opgevolgd. In het wetsvoorstel is aanartikel 4:34a Wft een derde lid toegevoegd, dat bepaalt dat de consumentinzage krijgt in de bijzondere persoonsgegevens die zijn verwerkt in hetkader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. De AP stelt verder voor datde consument in de gelegenheid wordt gesteld om te reageren op dehiervoor genoemde gegevens. Dit wordt niet opgenomen in artikel 4:34aWft. Het staat een consument echter vrij om een klacht in te dienen bij dekredietgever over gebruik van gegevens middels de interne klachtenpro-cedure. Indien dit tot onvoldoende bevredigend resultaat leidt voor deconsument staat het de consument tevens vrij om bijvoorbeeld een klachtin te dienen bij Kifid.Uitzondering precontractuele informatie profileringDe AP wijst verder op het gebruik van een lidstaatoptie inzake precontrac-tuele informatie. Voor bepaalde kredieten is in artikel 2, achtste lid, van derichtlijn, een lidstaatoptie geboden om een uitzondering te maken op de inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 361 artikel 10, vijfde lid, onderdeel m, van de richtlijn, opgenomen verplichtingeen consument te informeren over gepersonaliseerde kredietprijzen opbasis van geautomatiseerde verwerking van zijn persoonsgegevens. Methet wetsvoorstel wordt gebruikgemaakt van deze uitzonderingsmoge-lijkheid (zie voorgesteld artikel 7:60, zesde lid, BW). De AP merkt op dathet voorgaande niets afdoet aan de transparantieverplichtingen tenaanzien van de verwerking van persoonsgegevens en geautomatiseerdebesluitvorming die op grond van de AVG altijd gelden. In overweging 30van de preambule bij de richtlijn is ook bepaald dat de richtlijn geenafbreuk mag doen aan de AVG. De memorie van toelichting wekt volgensde AP ten onrechte de indruk dat kredietverleners consumenten niethoeven te informeren over het personaliseren van de prijs van hun kredietop basis van geautomatiseerde gegevensverwerking.Met het wetsvoorstel is niet bedoeld deze indruk te geven. De memorievan toelichting is op dit punt aangepast, zodat duidelijk wordt dat deuitzondering voor het verschaffen van bepaalde precontractuele infor-matie op grond van de richtlijn onverlet laat dat op partijen nog welverplichtingen rusten uit hoofde van de AVG.Maximumtermijn verwerken oncologisch ziekteverledenTot slot stelt de AP dat aansluiting bij de maximumtermijn voorverwerking van persoonsgegevens betreffende de diagnose van oncolo-gische ziekten bij het afsluiten van verzekeringspolissen in relatie tot eenkrediet niet vanzelfsprekend is. In de memorie van toelichting is nagelatente onderbouwen waarom aansluiting bij die maximumtermijn van vijftienjaar evenredig is. In het conceptwetsvoorstel is de maximumtermijn uit derichtlijn overgenomen en is het aan de kredietgevers gelaten om determijn voor de verwerking van persoonsgegevens betreffende dediagnose van oncologische ziekten (al dan niet met een maximum vanvijftien jaar) te bepalen. Het advies van de AP en overweging 48 van depreambule van de richtlijn, waaruit volgt dat veel overlevenden vankanker die in langdurige remissie zijn door hun medische voorgeschie-denis vaak oneerlijk worden behandeld bij de toegang tot financiëlediensten, hebben aanleiding gegeven om de maximumtermijn teverkorten. In het aangepaste wetsvoorstel wordt de termijn dan ookvastgesteld op tien jaar na volledige remissie, met een maximum vanvijftien jaar na het einde van de medische behandeling (dwingendbepaald door de richtlijn). De termijn van tien jaar na volledige remissiesluit aan op de termijnen die gehanteerd worden in de bestaandenationale «schone-lei»-regeling.48§ 13. Overgangsrecht en inwerkingtreding Artikel 47 van de richtlijn schrijft het overgangsrecht voor. De huidigeregels uit de Wft en uit Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW blijven vantoepassing voor bestaande overeenkomsten. Voor nieuwe overeen-komsten die zijn gesloten na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, geldthet nieuwe recht ingevolge deze implementatiewet. Voor kredietovereen-komsten met een onbepaalde looptijd die reeds bestaan op 20 november2026 geldt een bijzonder overgangsregime zoals bedoeld in artikel 47 vande richtlijn.48Besluit van 2 november 2020, houdende regels voor verzekeringskeuringen vanex-kankerpatiënten ten behoeve van het afsluiten van overlijdensrisicoverzekeringen enuitvaartverzekeringen (Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten), (Stb. 2020, 453).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 362 De richtlijn schrijft uiterlijke toepassing voor op 20 november 2026. Dezeimplementatiewet treedt daarom in werking op een bij koninklijk besluit tebepalen tijdstip met als streefdatum 20 november 2026.Voor kredietovereenkomsten in de vorm van kaarten met uitgesteldedebitering geldt een uitzondering op de hiervoor genoemde toepassings-datum. Voor deze overeenkomsten geldt een uitgestelde werking van zesmaanden na de inwerkingtredingsdatum van deze implementatiewet. Deuitgestelde inwerkingtreding wordt naast in artikel 1:20, vierde lid, Wft,ook geregeld in artikel 211aa, derde lid van de Overgangswet nieuwBurgerlijk Wetboek.De overgangsregeling biedt de gelegenheid aan de creditcardbranche omzich voor te bereiden op de nieuwe regelgeving. Op dit moment vallenkaarten met uitgestelde debitering (de in Nederland gangbare creditcards)niet onder het toepassingsbereik van de kredietregels. Met de richtlijnvallen deze kaarten wel onder de richtlijn, tenzij een lidstaat ervoor kiestde kaarten bij implementatie uit te zonderen van het toepassingsbereik.Het wordt wenselijk geacht om deze kaarten ook onder de kredietregels tebrengen. Wel wordt gebruik gemaakt van de ruimte die de lidstaatoptiebiedt, om een latere inwerkingtredingsdatum voor te schrijven voor dittype krediet. Dit heeft te maken met de bijzondere omstandigheden diegelden voor de creditcardbranche. De creditcardbranche heeft zorgengeuit over de snelle inwerkingtredingsdatum en de beperkte tijd om zichaan te passen aan de nieuwe regels. Als gevolg van de lidstaatoptie blijftlange tijd onzeker of, en in hoeverre deze branche onder de kredietregelsgaan vallen. Pas net voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, bestaathierover duidelijkheid bij marktpartijen. Dit, tezamen met de niet tijdigeimplementatie van de richtlijn en de uitzonderingspositie die de branchewel in andere lidstaten verwacht, maakt dat niet voldoende kenbaar envoorzienbaar is voor deze marktpartijen hoe zij zich moeten voorbereiden.Als gevolg hiervan wordt een aanvullende aanpassingstermijn van zesmaanden redelijk geacht. Vanuit het streven naar een gelijk speelveld inde kredietmarkt, en gezien het belang van consumentenbescherming bijuitgestelde betaling, waaronder ook BNPL in de vorm van een kaart, iseen langere termijn onwenselijk.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING ARTIKEL I (Wet op het financieel toezicht)AAls gevolg van de uitbreiding van het toepassingsbereik tot diversekortlopende kredieten, zoals «koop nu, betaal later»-diensten, is, terverduidelijking de reeds bestaande definitie van krediet in artikel 1:1uitgebreid met «het verlenen van uitstel van betaling». Daarnaast is eendefinitie opgenomen voor verwijzingen in de Wft naar de richtlijn.BArtikel 1:16 wordt op een aantal punten gewijzigd. Dit artikel bevat eenuitzondering op de Wft voor aanbieders die krediet aanbieden vanuit eenvestiging in een andere lidstaat en waarbij deze financiële dienst kanworden aangemerkt als dienst van de informatiemaatschappij als bedoeldin 3:15d, derde lid BW. Onder dienst van de informatiemaatschappij wordtvolgens dit lid verstaan elke dienst die gewoonlijk tegen vergoeding,langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van deafnemer van de dienst wordt verricht zonder dat partijen gelijktijdig opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 363 dezelfde plaats aanwezig zijn. In de grote meerderheid van de gevallen,gaat dit om online diensten en dus om online aanbieders.In artikel 1:16 is een aantal Wft-artikelen opgenomen dat geldt als«uitzondering op de uitzondering», waardoor deze artikelen wél opvoornoemde aanbieders van toepassing zijn. De lijst van deze artikelenwordt uitgebreid. Zo wordt allereerst het Algemeen deel van de Wft (inhet nieuwe eerste lid aangeduid als «dit deel») – inclusief het nieuweartikel 1:77q – van toepassing verklaard op deze aanbieders (of betergezegd: uitgezonderd van de uitzondering). Met deze wijziging wordtproductinterventie door de AFM op basis van artikel 1:77q tegenaanbieders van deze diensten die gevestigd zijn in een andere lidstaatmogelijk gemaakt. De richtlijn biedt hiervoor in artikel 41, negende lid, demogelijkheid, waarin staat dat de lidstaten nationale wetgeving kunnentoepassen om aan nationale bevoegde autoriteiten productinterventiebe-voegdheden toe te kennen om kredietproducten uit de handel te nemenindien dat gerechtvaardigd is. Artikel 3, derde lid, van de Richtlijn inzakeelektronische handel (2000/31/EG, hierna: de e-commercerichtlijn), zoalsgeïmplementeerd in artikel V van de Aanpassingswet richtlijn inzakeelektronische handel biedt eveneens deze mogelijkheid. Zie de toelichtingbij artikel D hieronder voor meer achtergrond bij de productinterventiebe-voegdheid.Daarnaast worden de artikelen 4:32, 4:34, 4:34a en 4:35 uitgezonderd vande werking van artikel 1:16. Hiermee worden deze artikelen ook vantoepassing op aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij(oftewel online aanbieders) die vanuit een andere lidstaat in Nederlandkrediet aanbieden. Kort gezegd, worden deze buitenlandse onlineaanbieders hiermee (i) verplicht aan te sluiten bij BKR, (ii) verplicht eenkredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren op basis van de Neder-landse leennormen en (iii) onderhevig aan de Nederlandse maximumkre-dietvergoeding van (thans) 12% zoals vastgelegd in het Besluit kredietver-goeding als zij krediet aanbieden aan consumenten in Nederland. Voorwat betreft de handhaving door de AFM bij niet naleving van de hiervoorgenoemde bepalingen geldt dat het voor de AFM mogelijk is om eenboete op te leggen aan buitenlandse partijen, na informeren van detoezichthouder in de lidstaat van herkomst.In beginsel geldt op grond van de e-commercerichtlijn (geïmplementeerdin de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel) het oorsprong-landbeginsel, wat inhoudt – kort gezegd – dat online dienstverleners«slechts» hoeven te voldoen aan het geldende recht van hun lidstaat vanvestiging. Dit bevordert de werking van de interne markt omdat dienstver-leners vanuit hun lidstaat dan in de gehele EU hun (veelal online) dienstenkunnen aanbieden (uitzonderingen daargelaten) zonder dat zij rekeninghoeven te houden met de nationale bepalingen van elke afzonderlijkelidstaat waar zij actief zijn. Voorheen gold dan ook voor buitenlandse,online kredietaanbieders dat zij op grond van artikel 1:16 volledig warenuitgezonderd van de werking van de Wft, waaronder van de voorNederlandse aanbieders verplichte BKR-aansluiting, Nederlandsekredietwaardigheidsbeoordeling en maximumkredietvergoeding. Derichtlijn biedt echter als lex specialis ten opzichte van dee-commercerichtlijn de mogelijkheid en aanleiding de Wft-artikelen diehierop betrekking hebben wel op deze aanbieders van toepassing teverklaren. De grondslag in de richtlijn is artikel 18, elfde lid, en artikel 31,tweede lid, van de richtlijn. Dat wordt hieronder nader uiteengezet.Het systeem van kredietregistratie vereist dat de openstaande kredietenvan een consument bij één databank worden verzameld. Anders kunnenkredietaanbieders er niet van uitgaan dat zij alle openstaande, geregis-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 364 treerde kredieten van een consument hebben meegenomen in dekredietwaardigheidsbeoordeling, waardoor deze onbetrouwbaar wordt.Op grond van artikel 18, elfde lid, van de richtlijn kunnen lidstaten dan ookvan kredietgevers eisen dat zij de kredietwaardigheid van consumentenbeoordelen op basis van een raadpleging van de relevante databank. InNederland is de relevante databank BKR.49 Om aan de richtlijn te voldoenis het nodig alle kredietgevers – waaronder buitenlandse, online krediet-gevers – te verplichten BKR te raadplegen voordat zij een kredietverschaffen.Dit wordt geregeld door de artikelen 4:32 en 4:34 en 4:34a uit te zonderenvan de werking van artikel 1:16 Wft. Artikel 4:32 bevat allereerst deverplichting voor aanbieders om aan te sluiten bij een «stelsel vankredietregistratie», oftewel BKR. Artikel 4:34 bepaalt daarnaast – kortgezegd – dat aanbieders een kredietwaardigheidsbeoordeling moetenuitvoeren voordat zij krediet verstrekken. Het derde lid bevat eendelegatiegrondslag om nadere regels te stellen ten aanzien van diekredietwaardigheidsbeoordeling. Ook dit artikel wordt van toepassingverklaard op buitenlandse, online aanbieders, onder meer om hendaadwerkelijk te verplichten BKR te raadplegen tijdens hun kredietwaar-digheidsbeoordeling. Momenteel is deze verplichting neergelegd inartikel 114 BGfo (met artikel 4:34, derde lid, Wft, als grondslag), watbepaalt dat aanbieders verplicht zijn om BKR te raadplegen als zij eenkrediet verschaffen van meer dan € 250. Aangezien BKR alleen alsbetrouwbare databank met betrekking tot Nederlandse consumenten kanfunctioneren als aanbieders BKR niet alleen raadplegen maar verstrektekredieten juist ook registeren, worden buitenlandse, online aanbiedersook verplicht om – onder de geldende voorwaarden – kredieten die zijverstrekken aan Nederlandse consumenten in BKR te registreren. Wordendeze aanbieders hier niet toe verplicht, dan verliest het kredietregister vanBKR haar betrouwbaarheid en wordt de bescherming van consumentendie de raadpleging van het register dient te bewerkstelligen mogelijkuitgehold door de mogelijkheid grensoverschrijdend krediet af te sluitendat in het register niet wordt opgenomen. De precieze regels ten aanzienvan raadpleging van en registratie bij BKR worden uitgewerkt in lagereregelgeving die op grond van de richtlijn wordt gewijzigd.De maximumkredietvergoeding wordt daarnaast eveneens vantoepassing op buitenlandse, online aanbieders door artikel 4:35 Wft uit tezonderen van de werking van artikel 1:16 Wft. Artikel 4:35 Wft bevat dedelegatiegrondslag voor artikel 115a BGfo, dat bepaalt dat een aanbiedergeen hogere kredietvergoeding mag rekenen dan op grond van hetBesluit kredietvergoeding is toegestaan. De richtlijn biedt hiervoor inartikel 31, tweede lid, de ruimte, dat bepaalt dat lidstaten verboden ofbeperkingen kunnen vaststellen wat betreft specifieke kosten of vergoe-dingen die door kredietgevers op hun grondgebied worden toegepast. Demaximumkredietvergoeding kwalificeert als een dergelijke beperking vankosten of vergoedingen.In het tweede lid van artikel 1:16 Wft is een verschrijving hersteld. Eenonjuiste verwijzing naar het zesde lid, onderdeel a, van artikel V van deAanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel is vervangen dooreen correcte verwijzing naar het vijfde lid, onderdeel a, van artikel V vande Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel.49Meer specifiek het Centraal Krediet Informatiesysteem van BKR (CKI). Voor het leesgemakwordt in deze toelichting simpelweg gesproken over BKR.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 365 CMet de wijzigingen in artikel 1:20 Wft wordt een aantal bijzondere vormenvan krediet van de toepassing van de Wft uitgezonderd. Een aantaluitzonderingen komt op grond van de richtlijn te vervallen, met als gevolgdat meer vormen van krediet onder het toepassingsbereik van de Wftkomen te vallen. Enkele kredietovereenkomsten zijn niet langer uitge-zonderd van de richtlijn omdat dit potentieel nadelige producten voorconsumenten zijn, vanwege de hoge kosten die eraan verbonden zijn ofde hoge vergoedingen bij gemiste betalingen.50 Als gevolg hiervanworden het eerste lid, onderdeel c en e, en het tweede lid aangepast. Totslot worden in het derde lid en vierde lid (nieuw) twee overgangsbepa-lingen opgenomen. Hieronder wordt achtereenvolgens op de wijzigingeningegaan.Eerste lid, onderdeel cHet eerste lid, onderdeel c, wordt gewijzigd ter implementatie vanartikel 2, tweede lid, onderdeel g, van de richtlijn. In dit onderdeel wordthet toepassingsbereik van de Wft uitgebreid tot (i) huur- of verhuurover-eenkomsten met een (schriftelijk overeengekomen) optie tot aankoop vande zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft en tot (ii) huur- ofverhuurovereenkomsten waarbij partijen de intentie hebben om na afloopvan de overeenkomst het eigendom van de zaak aan de consument overte dragen. Deze huur- of verhuurovereenkomsten met een dergelijke(ongeschreven) «intentie tot koop» vallen niet expliciet onder hettoepassingsbereik van de richtlijn, maar worden wel nadrukkelijk onderhet toepassingsbereik van de Wft gebracht om de consumentenbe-scherming bij deze overeenkomsten gelijk te trekken met die bij overeen-komsten met een geschreven optie tot koop. Indien dit niet zou wordengedaan, zou dat naar verwachting tot gevolg hebben dat aanbieders deformele, geschreven optie uit hun (standaard)overeenkomsten schrappen,maar desondanks als staande praktijk na afloop van de overeenkomst dezaak aan de consument (blijven) aanbieden. Dit zou in de praktijk geenverschil opleveren voor de consument – aan wie de zaak linksom ofrechtsom blijft worden aangeboden – maar zou er wel voor zorgen dat deovereenkomsten buiten het toepassingsbereik van de Wft blijven. Dat gaatin tegen het beoogde effect van de richtlijn en de verplichting voorlidstaten ingevolge artikel 43, tweede lid, van de richtlijn om ervoor tezorgen dat de bepalingen van nationaal recht niet kunnen worden omzeilddoor de wijze waarop overeenkomsten worden geformuleerd. Dit neemtniet weg dat het mogelijk blijft voor aanbieders om op incidentele basisna afloop van de kredietovereenkomst de zaak aan de consument teverkopen, zonder dat zij onder de kredietregelgeving vallen, bijvoorbeeldop verzoek van de consument.Huurkoopovereenkomsten waarbij het eigendom van de zaak waarop deovereenkomst betrekking heeft aan het einde van de looptijd van dieovereenkomst overgaat op de consument vielen reeds onder hettoepassingsbereik, nu een dergelijke overeenkomst niet kwalificeert alshuur of verhuur en daarmee niet is uitgezonderd in artikel 1:20 Wft.Eerste lid, onderdeel e (nieuw)Bepaalde vormen van uitgestelde betaling komen voortaan binnen hettoepassingsbereik van de richtlijn te vallen. Het gaat bijvoorbeeld omkaarten met uitgestelde debitering, maar ook «koop nu, betaal later»-diensten. Omdat een uitgestelde betaling ook juist een gangbare50Overweging 15 van de preambule van de richtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 366 handelspraktijk kan zijn, is beoogd sommige vormen van uitgesteldebetaling in de richtlijn uit te zonderen van het toepassingsbereik. Het gaatbijvoorbeeld om ziekenhuisrekeningen die later betaald mogen worden.51Artikel 58, derde lid, onderdelen d en e, van Boek 7 BW implementeert dehiervoor genoemde uitzondering, waarnaar in artikel 1:20, eerste lid,onderdeel e (nieuw), Wft wordt verwezen.De uitzonderingsgrond voor uitstel van betaling wordt opgedeeld in tweecategorieën regels, waarbij de tweede categorie strengere eisen stelt. Deeerste categorie, die in artikel 58, derde lid, onderdeel d, van Boek 7 BWwordt geïmplementeerd, is van toepassing in de situatie waarin deleverancier van roerende zaken of de dienstverlener eenmkb-onderneming is in de zin van Aanbeveling van de Commissiebetreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen(PbEU 2003, C 1422) óf als de overeenkomst niet een dienst van deinformatiemaatschappij is in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b,van Richtlijn (EU) 2015/1535 die op afstand wordt gesloten.52 Dit zijn ofwelfysieke winkels of dienstverleners zoals tandartsen, ofwel kleine ofmiddelgrote online leveranciers of dienstverleners. Voor deze categoriegeldt dat de overeenkomst buiten het toepassingsbereik valt van de Wftindien aan de volgende drie voorwaarden is voldaan: i) er is geen sprakevan een derde die krediet aanbiedt of een platform, ii) de betaling wordt inhet geheel verricht binnen 50 dagen na levering en iii) de aankoopprijswordt zonder rente en zonder andere kosten betaald, behalve waar hetgaat om beperkte kosten wegens betalingsachterstand, verschuldigdovereenkomstig het nationale recht.De eerste eis betreft dat er geen sprake is van een derde die kredietaanbiedt en dat het uitstel van betaling niet op een platform wordtaangeboden. De definitie van platform volgt uit artikel 57, eerste lid,onderdeel ab, Boek 7 BW. Maakt een online mkb-winkel of een fysiekewinkel of dienstverlener gebruik van een derde partij die krediet aanbiedt,wat het geval is bij «koop nu, betaal later»-diensten, dan is altijd sprakevan een overeenkomst die onder het toepassingsbereik valt van Titel 2avan Boek 7 BW en de Wft. Ook bij verkoop op een platform waarbij hetplatform uitstel van betaling aanbiedt, valt de overeenkomst onder hettoepassingsbereik. Dit geldt ongeacht of i) de consument via het platformvan een aangesloten verkoper koopt – waarbij het platform als derdeuitstel van betaling verleent – of ii) de consument direct van het platformkoopt, waarbij het platform uitstel van betaling verleent voor productenonder eigen naam of label of uit eigen voorraad (en waarbij geen sprake isvan een derde die uitstel van betaling verleent). De eerste situatie valtonder de richtlijn; voor de tweede situatie is gebruik gemaakt van debeleidsruimte die de richtlijn biedt. Voor een toelichting daarop wordtverwezen naar paragraaf 4 van deze toelichting.De tweede eis is dat de betaling moet worden verricht vóór afloop van dein artikel 58, derde lid, onderdeel d, van Boek 7 BW genoemde betalings-termijn van 50 dagen. De betalingstermijn vangt aan vanaf het momentvan levering. Wanneer dit moment van levering is, volgt uit het BW. Voorde levering van roerende zaken geldt dat dit het moment is waarop aan deverkrijger het bezit van de zaak wordt verschaft, ingevolge artikel 3:90 BW.Ook wanneer de levering onder opschortende voorwaarde wordt gedaan,bijvoorbeeld onder voorwaarde van betaling, geldt het moment waaropbezit van de zaak wordt verschaft, ingevolge artikel 3:91 BW.51Overweging 17 van de preambule van de richtlijn.52Met een overeenkomst of afstand wordt de overeenkomst bedoeld in de zin van artikel 2, punt7, van de Richtlijn (EU) 2011/85 (Richtlijn consumentenrechten). Deze definitie is ookopgenomen in artikel 230g, onderdeel e, van Boek 6 BW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 367 De derde eis is dat de aankoopprijs zonder rente en zonder andere kostenwordt betaald, en slechts redelijke kosten ter verkrijging van voldoeningbuiten rechte worden gerekend. Daarbij geldt artikel 96, tweede lid,onderdeel c, van Boek 6 BW en de tarieven als genoemd in het Besluitvergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.De tweede categorie, die in artikel 58, derde lid, onderdeel e, van Boek 7BW is geïmplementeerd, kent zwaardere aanvullende eisen indien deleverancier van roerende zaken of dienstverlener geen mkb-ondernemingis in de zin van Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitievan kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) énals de overeenkomst een dienst van de informatiemaatschappij is in de zinvan artikel 1, eerste lid, onderdeel b van Richtlijn (EU) 2015/1535 die opafstand wordt gesloten.53 Dit zijn grote online leveranciers of dienstver-leners, zoals grote online webshops. Voor deze categorie is geen sprakevan een overeenkomst die onder het toepassingsbereik valt van de Wft,indien aan de volgende drie voorwaarden is voldaan: i) er is geen sprakevan een derde die krediet aanbiedt of overkoopt, of van een platform,ii) de betaling wordt in het geheel verricht binnen 14 dagen na levering eniii) de aankoopprijs wordt zonder rente en zonder andere kosten betaald,behalve waar het gaat om beperkte kosten wegens betalingsachterstand,verschuldigd overeenkomstig het nationale recht. In tegenstelling tot deeerste categorie bedraagt de maximale betalingstermijn 14 dagen en mager geen sprake zijn van een derde die krediet overkoopt. Indien de derdepartij de vordering overneemt van de leverancier dan wel dienstverlener,kan geen gebruik gemaakt worden van deze uitzonderingsgrond en valtde overeenkomst binnen het toepassingsbereik van de Wft.In de tabel hieronder is – ter illustratie – met een aantal voorbeeldeninzichtelijk gemaakt welke vormen van uitgestelde betaling in ieder gevalonder het toepassingsbereik vallen van de Wft en welke vormen mogelijkonder een uitzondering vallen.Valt onder de WftValt onder uitzonderingElke vorm van uitstel van betaling waarbij eenderde krediet aanbiedt.Bijvoorbeeld:• Een winkel biedt als één van de betaalopties«koop nu, betaal later»-diensten aan van eenderde partij.Uitstel van betaling verleend door (i) eenmkb-onderneming of door (ii) grootbedrijf meteen fysieke winkel onder de voorwaarden dat:a. binnen 50 dagen de betaling volledig moetzijn verricht; enb. er geen rente of andere kosten wordengerekend, met uitzondering van redelijkekosten bij niet-nakoming.Let op: hierbij mag krediet niet wordenaangeboden door een derde, maar mag hetwel worden overgekocht (factoring)Bijvoorbeeld:• Een fietsenmaker biedt de optie om defactuur twee maanden later te betalen.• Een tandarts verkoopt zijn vorderingen aaneen derde partij waarbij de betaling na 30dagen moet zijn verricht.53Met een overeenkomst of afstand wordt de overeenkomst bedoeld in de zin van artikel 2, punt7, van de Richtlijn (EU) 2011/85 (Richtlijn consumentenrechten). Deze definitie is ookopgenomen in artikel 230g, onderdeel e, van Boek 6 BW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 368 Valt onder de WftValt onder uitzonderingElke vorm van uitstel van betaling op eenplatform, ongeacht of het gaat om productenvan het platform (onder label van het platformof uit voorraad van het platform) of omproducten van een derde die via het platformverkoopt.Bijvoorbeeld:• Een platform verkoopt op het platformboeken uit eigen voorraad, waarbij uitstel vanbetaling wordt gegeven.• Een uitgever verkoopt boeken via eenplatform waarvoor het platform uitstel vanbetaling verleent.Ook deze situatie wordtonder het toepassings-bereik gebracht van de Wft en Titel 2a vanBoek 7 BW door gebruik te maken van debeleidsruimte die de richtlijn biedt. Voor eentoelichting daarop wordt verwezen naarparagraaf 4 van deze toelichting.Uitstel van betaling verleend door een grotewebwinkel (geen mkb-onderneming) zonderfysieke winkel onder de voorwaarden dat:a. binnen 14 dagen de betaling volledig moetzijn verricht;b. er geen rente of andere kosten wordengerekend, met uitzondering van redelijkekosten bij niet-nakoming; enc. er niet wordt gedaan aan factoring.Bijvoorbeeld:• Een grote webwinkel biedt de mogelijkheideen aangeschafte laptop binnen 14 dagen tebetalen.Elke vorm van uitstel van betaling tegenbepaalde kosten zoals rente, met uitzonderingvan redelijke kosten bij niet-nakoming.Bijvoorbeeld:• Een winkel biedt voor € 2,– uitgesteldebetaling aan als één van de betaalopties.• Een winkel rekent rente over de looptijdwaarin de betaling voldaan moet zijn.Uitstel van betaling dat niet voldoet aan devoorwaarden voor de uitzondering zoalsgenoemd in de rechterkolom. Tweede lidMet de komst van de richtlijn is een kredietovereenkomst in de vorm vaneen geoorloofde debetstand waarbij binnen een maand wordt afgelostbinnen het toepassingsbereik komen te vallen. Er is daarmee geen ruimtemeer voor een licht regime voor dit type krediet zoals opgenomen in hethuidige tweede lid van artikel 1:20 Wft.54 De maatwerkregeling voor degeoorloofde debetstand (roodstand) komt te vervallen en het tweede lidwordt vervangen door een maatwerkregeling voor kredietovereen-komsten in de vorm van overschrijding. Hiermee wordt artikel 2, vierdelid, onderdeel a, van de richtlijn geïmplementeerd.Derde lidHet derde lid implementeert artikel 47 van de richtlijn. In het derde lidwordt bepaald dat de relevante wijzigingen van de Wft in dit wetsvoorstelniet van toepassing zijn op bestaande kredietovereenkomsten die voorinwerkingtreding van dit wetsvoorstel zijn gesloten. De oude bepalingenvan de Wft blijven op die kredietovereenkomsten van toepassing. Enkelegewijzigde bepalingen van het BW zullen wel van toepassing zijn opkredietovereenkomsten voor onbepaalde tijd die waren gesloten voorinwerkingtreding van deze wet. Zie de toelichting bij artikel IV.54Overweging 15 van de preambule van de richtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 369 Vierde lidIn het vierde lid wordt een overgangsregeling opgenomen voor kredieto-vereenkomsten in de vorm van kaarten met uitgestelde debitering. Zieparagrafen 4 en 13 van de algemene toelichting. De bestaande uitzonde-ringsgrond in het eerste lid, onderdeel e, voor financiële diensten metbetrekking tot krediet dat binnen drie maanden dient te worden afgelosten terzake waarvan slechts onbetekenende kosten aan de consument inrekening worden gebracht, blijft voor een periode van zes maanden nainwerkingtreding van kracht voor kredietovereenkomsten in de vorm vanuitgestelde debitering zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de richtlijn.DArtikel 1:77q implementeert artikel 41, negende lid, van de richtlijn.Middels dit artikel wordt gebruik gemaakt van de beleidsruimte om deAFM productinterventiebevoegdheden toe te kennen. De richtlijn schrijftniet voor op welke wijze de productinterventie moet worden ingekleed.Daarom voorziet artikel 1:77q in de voorwaarden voor gebruikmaking vandeze bevoegdheid. Er is gedeeltelijk aangesloten bij de bestaandeproductinterventiebevoegdheden van de AFM, die volgen uit artikel 42van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten.55Het eerste lid regelt dat de AFM een verbod of beperking kan opleggenom bepaalde kredieten (denk aan nieuwe productsoorten die in zijngeheel door een aantal kenmerken onwenselijk zijn) of kredieten metbepaalde specifieke kenmerken (zoals onrealistische, voor de consumentzeer ongunstige voorwaarden) aan te bieden of om bepaalde marktprak-tijken te verrichten. Er is sprake van een brede bevoegdheid: een verbodof beperking kan ook worden opgelegd voordat bepaalde kredieten ofkredieten met bepaalde specifieke kenmerken op de markt zijn gebracht.Wel dient de AFM op redelijke gronden te concluderen of een verbod ofbeperking moet worden opgelegd.Onder onderdeel a en b van het eerste lid staan de voorwaarden op grondwaarvan de AFM beoordeelt of zij gebruik mag maken van debevoegdheid. Ten eerste moet een krediet of marktpraktijk een significantereden tot bezorgdheid vormen over de consumentenbescherming. Erhoeft derhalve geen sprake te zijn van een overtreding. Tevens moetworden geconcludeerd dat andere bevoegdheden voor toezicht ofhandhaving niet volstaan of niet doelmatig of evenredig zijn om debezorgdheid af te wenden. Hieruit kan worden afgeleid dat debevoegdheid alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden ingezet.Normaal gesproken zullen bijvoorbeeld de regels uit de richtlijn, geïmple-menteerd in de Wft en het BW, afdoende zijn om de consumentenbe-scherming te borgen. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprakezijn bij (technologische) ontwikkelingen waarin de richtlijn niet voorziet endaardoor niet effectief kan worden opgetreden.Het tweede lid regelt een delegatiegrondslag om bij algemene maatregelvan bestuur de criteria en factoren nader uit te werken die de AFM inaanmerking kan nemen om te bepalen of sprake is van een significantereden tot bezorgdheid over de consumentenbescherming. Deze zullen inhet BGfo worden opgenomen.55Richtlijn (EU) 2014/65 betreffende markten voor financiële instrumenten (MiFIDII).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 370 EMet de nieuwe registratieplicht voor de in artikel 2:81 beschrevenspecifieke groep grote bemiddelaars in krediet is ook aanpassing nodigvan artikel 1:107. Door opname in het tweede lid onder 11°, van eenverwijzing naar artikel 2:81, vierde lid, onderdeel b, wordt geregeld dat deregisterhouder, de AFM, zorgdraagt voor inschrijving van deze categoriebemiddelaars in het openbaar register.FArtikel 2:64c implementeert artikel 5 van de richtlijn kredietservicers enkredietkopers (EU 2021/2167), dat de vergunningvereisten voor kredietser-vicers bevat. Bij de implementatie van deze richtlijn is per abuis eenverwijzing opgenomen naar het tweede en vierde lid van artikel 4:9, inzakeverplichtingen voor financiëledienstverleners ten aanzien van vakbe-kwaamheid van medewerkers. Aangezien de hiervoor genoemde richtlijnnoch in artikel 5, dat de vergunningvereisten voor kredietservicersbepaalt, noch in de overige richtlijnbepalingen vereisten ten aanzien vanvakbekwaamheid oplegt, vervalt de verwijzing naar artikel 4:9, tweede envierde lid en de zinssnede «en vakbekwaamheid» in het eerste lid,onderdeel a, van artikel 2:64c.GIn dit artikel wordt artikel 37, eerste lid, van de richtlijn, geïmplementeerdwaaruit een toelatings- dan wel registratievereiste voor aanbieders vankrediet en bemiddelaars in krediet volgt. Aanbieders zijn op grond vanartikel 2:60 Wft al verplicht om een vergunning voor het aanbieden vankrediet aan te vragen bij de AFM. Voor bemiddelaars in krediet volgt devergunningplicht uit artikel 2:80 Wft.Als gevolg van de richtlijnimplementatie vallen meer partijen onder devergunningplicht van artikel 2:80, zoals leveranciers van roerende zaken ofaanbieders die «koop nu, betaal later»-diensten aanbieden via een derdepartij, zoals fysieke winkels of webwinkels. Voor deze leveranciers vanroerende zaken of diensten is in artikel 2:81 een vierde lid ingevoegd, dateen registratieplicht in plaats van een vergunningplicht regelt. Dezeregistratieplicht komt te bestaan naast de registratieplicht uit artikel 2:81,tweede lid, voor verbonden bemiddelaars. De delegatiegrondslag uit hetvijfde lid (nieuw) is daarop aangepast om ook regels te kunnen stellen metbetrekking tot het vierde lid (nieuw), onderdeel b.Bij dit nieuwe regime van artikel 2:81, vierde lid wordt, in tegenstelling tothet regime voor verbonden bemiddelaars uit het tweede lid, dat ook vantoepassing kan zijn bij bemiddeling in andere financiële producten dankrediet, niet de voorwaarde van aansluiting bij slechts één aanbieder vankrediet gesteld, maar bestaat de mogelijkheid voor leveranciers vanroerende zaken of diensten om te bemiddelen voor meerdere aanbieders.Voor de aanbieder of, indien van toepassing, aanbieders geldt deverplichting om de bemiddelaar aan te melden bij de AFM. De bemid-delaar blijft, anders dan een verbonden bemiddelaar uit het tweede lid,zelf volledig verantwoordelijk, in die zin dat hij zelf zorg draagt voor hetvoldoen aan de op hem van toepassing zijnde bepalingen uit de Wft. Ditbetekent dat de bemiddelaar dient te controleren of alle aanbieders waarhij voor bemiddelt hem hebben aangemeld bij de AFM en ook zelfverantwoordelijk is voor naleving van de bepalingen uit deel 4 van de Wftdie op hem van toepassing zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 371 De registratieplicht is van toepassing op een leverancier van roerendezaken of diensten die geen micro-, kleine of middelgrote onderneming isals bedoeld in Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie vankleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) en diein nevenactiviteit bemiddelt in kredietovereenkomsten die voorzien inuitstel van betaling van ten hoogste drie maanden na de levering van deroerende zaak of de dienst. Er wordt uitgegaan van een termijn van driemaanden om aan te sluiten bij de termijn genoemd in artikel 7:84 BW tenaanzien van goederenkrediet dat wordt aangemerkt als kredietovereen-komst. Het lichte regime van de registratieplicht is nadrukkelijk bedoeldvoor «koop-nu, betaal later»-diensten en bijvoorbeeld niet voor huurover-eenkomsten of langdurige koop of afbetaling.Voor de achtergrond van de keuze om een registratieplicht in plaats vaneen vergunningplicht in te voeren voor deze partijen wordt verwezen naarparagraaf 4 van het algemeen deel van deze toelichting. Voor leveranciersvan roerende zaken of diensten die wel kwalificeren als micro-, kleine ofmiddelgrote ondernemingen wordt gebruik gemaakt van de lidstaatoptieuit artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn, om hen volledig vrijte stellen van een vergunning- en registratieplicht. Dit zal wordengeregeld in de Vr Wft.HArtikel 4:2d bevatte een reeks aan uitzonderingsbepalingen voor financiëlediensten met betrekking tot een geoorloofde debetstand waarbij deconsument binnen drie maanden dient af te lossen. Het ging om bepaaldegedragsbepalingen en informatieverplichtingen. Het artikel komt tevervallen, nu de proportionele maatwerkregeling uit de CCDI in de richtlijnis komen te vervallen, onder verwijzing naar de artikelsgewijze toelichtingbij onderdeel C.ITer implementatie van artikel 16, derde lid, onderdeel e, van de richtlijnwordt aan artikel 4:23, eerste lid, een onderdeel toegevoegd. Artikel 4:23ziet op verplichtingen voor financiële ondernemingen die consumentenadviseren of vermogen van cliënten beheren. Aan het eerste lid wordt eenonderdeel toegevoegd dat bepaalt dat een adviseur gelijktijdig met hetverstrekken van een advies ten aanzien van consumptief krediet eenafschrift van het advies aan een consument verstrekt op een door deconsument gekozen duurzame drager. Dat betekent in de praktijk datbijvoorbeeld tijdens een adviesgesprek de consument het advies ookschriftelijk ontvangt, bijvoorbeeld op papier of per e-mail.De overige bepalingen van artikel 16 ten aanzien van adviesdiensten zijnreeds geïmplementeerd in artikel 4:23 of krijgen uitwerking in het BGfo.JAan artikel 4:32, tweede lid, wordt een zinsnede toegevoegd ter imple-mentatie van artikel 19, zesde lid, van de richtlijn. Dat lid bepaalt dat deaanbieder van krediet de consument kosteloos en onverwijld in kennisstelt van het resultaat van de raadpleging en de details van het geraad-pleegde stelsel van kredietregistratie, indien afwijzing van een kredietaan-vraag uit de raadpleging van het stelsel van kredietregistratie volgt. Aandat lid wordt toegevoegd dat ook de categorieën van gegevens die zijngeraadpleegd worden medegedeeld aan de consument.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 372 Artikel 19, zevende lid, van de richtlijn ziet op enkele informatieverplich-tingen van de aanbieders van databanken aan de consument bij regis-tratie van een krediet in de databank. Artikel 4:32, vierde lid, implemen-teert dit artikel, zij het dat de betreffende informatieverplichtingen met ditwetsvoorstel niet worden toebedeeld aan de databank (BKR inNederland), maar aan aanbieders van krediet. Zo moet de aanbieder deconsument binnen dertig dagen op de hoogte stellen van de registratievan zijn betalingsachterstand inzake het krediet en moet de consument opde hoogte worden gesteld van de rechten op grond van de Algemeneverordening gegevensbescherming, bijvoorbeeld door middel van eenwaarschuwing per e-mail.KIn het eerste lid is een passage ingevoegd ter implementatie vanartikel 18, derde en elfde lid, van de richtlijn. Waar artikel 4:34, eerste lid,Wft, voorheen een open norm betrof, is deze als gevolg van de richtlijnnader ingekleed met een proportionaliteitstoets. De hoeveelheid infor-matie die een aanbieder van krediet bij een kredietwaardigheidsbeoor-deling moet opvragen van de consument, hangt af van de aard, duur,waarde en risico’s van het krediet. De informatie moet ten minste hetinkomen en de uitgaven van de consument omvatten, met passendeaandacht voor de lopende verplichtingen van de consument, onder meerde kosten van levensonderhoud, de kosten van het huishouden en definanciële verplichtingen van de consument.56Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om de term «kredietovereen-komst» in het tweede lid van artikel 4:34 te wijzigen naar «overeenkomstinzake krediet» om daarmee aan te sluiten bij de definitie van krediet in deWft en tevens bij de term gebruikt in het eerste lid. Verder is ter imple-mentatie van het elfde lid van artikel 18, van de richtlijn, toegevoegd datde beoordeling niet uitsluitend gebaseerd mag zijn op de kredietgeschie-denis van de consument. Het enkel raadplegen van een stelsel vankredietregistratie om tot een beoordeling te komen is niet voldoende omde kredietwaardigheid te beoordelen.Het nieuwe derde lid van artikel 4:34 implementeert artikel 35, eerste lid,tweede alinea, van de richtlijn. De kredietgever is op grond van deartikelen 70a en 128aa van Boek 7 BW en artikel 4:35a Wft verplicht omwaar passend respijtmaatregelen te treffen, zoals een verlaging van derente of verlenging van de duur van de overeenkomst. Deze artikelen zijningevoegd met de inwerkingtreding van de Implementatiewet richtlijnkredietservicers en kredietkopers. 57 De artikelen in Boek 7 BW sommende verplichting alsmede mogelijke respijtmaatregelen op. Artikel 4:35aschrijft voor dat de aanbieder van krediet over adequaat beleid enadequate procedures moet beschikken inzake de omgang met betalings-achterstanden op grond van kredietovereenkomsten voor consumentenen waar passend de in de artikelen 70a en 128aa van Boek 7 BWgenoemde respijtmaatregelen moet treffen. Het is in het belang van deconsument dat de aanbieder respijtmaatregelen treft. Op basis van deNederlandse wet wordt een reguliere betalingsregeling met eenconsument beschouwd als een voortzetting van de bestaande kredietover-eenkomst.58 Indien de voorwaarden dermate wijzigen dat daarmee eennieuwe kredietovereenkomst tot stand komt, vereist artikel 4:34, eerste lid,een nieuwe kredietwaardigheidsbeoordeling. Het derde lid maakt hierop56Zie ook overweging 55,van de preambule van de richtlijn.57Implementatiewet richtlijn kredietservicers en kredietkopers, te raadplegen via:https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK01408458Kamerstukken II, 2009/10, 32 339, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 373 in het kader van respijtmaatregelen een uitzondering door deze beoor-deling alleen voor te schrijven indien sprake is van een belangrijkeverhoging van de kredietlimiet, dan wel de som van de bedragen die aande consument ter beschikking zijn gesteld. Daarmee worden immers delasten van de consument verzwaard. De uitzondering in het derde lid geldtalleen voor krediet, niet zijnde hypothecair krediet, door de verwijzingnaar artikel 4:35a, die alleen op dit type krediet ziet.LArtikel 4:34aDe kredietaanbieder is op grond van artikel 4:34 verplicht om, alvorens hijeen krediet mag verstrekken, een kredietwaardigheidsbeoordeling uit tevoeren om overkreditering van de consument te voorkomen. Deaanbieder verstrekt geen krediet indien dit op basis van de kredietwaar-digheidsbeoordeling onverantwoord is met het oog op overkrediteringvan de consument. Deze beoordeling voert de aanbieder ingevolgeartikel 18, derde lid, van de richtlijn, uit op basis van informatie over definanciële positie van de consument, die noodzakelijk is en evenredig ismet de aard, duur, waarde en risico’s van het krediet voor de consument.De informatie mag op grond van artikel 4:34 Wft bestaan uit medede-lingen van de consument, met dien verstande dat artikel 113 BGfoverificatie voorschrijft aangaande de financiële positie van de consumentindien het totale kredietbedrag de aldaar genoemde grens overschrijdt. Deaanbieder dient boven die grens te beschikken over schriftelijke informatieaangaande de financiële positie van de consument. Die informatie kanbijvoorbeeld bestaan uit bewijs van inkomsten of andere terugbetalings-bronnen, informatie over financiële activa en passiva, of informatie overandere financiële verplichtingen. Aanvullend wordt de open norm vanartikel 4:34 Wft in de praktijk ingekleurd door de Leennormenmethodiekconsumptief krediet van de VFN. Voor de verificatiegrens in artikel 113BGfo en de grens voor raadpleging van het BKR in artikel 114 BGfo geldtdat deze zullen worden aangescherpt als gevolg van recente inzichten datook kleine kredieten tot betalingsachterstanden kunnen leiden59 en het feitdat «koop nu, betaal later»-diensten onder het toepassingsgebied van deWft en de richtlijn zijn gebracht.Artikel 4:34a, eerste lid, implementeert de artikelen 18, derde lid, enartikel 19, vijfde lid, van de richtlijn. Op grond van dit eerste lid mogen bijde kredietwaardigheidsbeoordeling geen bijzondere categorieën vanpersoonsgegevens in de zin van artikel 9, eerste lid, van de AVG ofpersoonsgegevens die via digitale sociale netwerken zijn verkregenbetrokken worden. In het tweede lid wordt daarnaast een wettelijkegrondslag gecreëerd voor het verwerken van bijzondere categorieën vanpersoonsgegevens. Dat zit als volgt. In het kader van de kredietwaardig-heidsbeoordeling kan het voorkomen dat, bij wijze van bijvangst,bijzondere categorieën van persoonsgegevens deel uitmaken van de doorkredietgever opgevraagde informatie. Deze situatie doet zich bijvoorbeeldvoor wanneer een kredietgever rekeningafschriften opvraagt van deconsument om het inkomen en de uitgaven van de consument te kunnenverifiëren. Op die rekeningafschriften kan een contributie staan aan eenkerkgenootschap of politieke partij, waaruit een religieuze of politiekeovertuiging blijkt. Dit zijn bijzondere categorieën van persoonsgegevens,waarvan verwerking – behoudens een mogelijke uitzonderingsgrond – inbeginsel verboden is. Tegelijkertijd is het van belang dat de consumentniet zelf onderdelen van het opgevraagde rekeningafschrift gaat lakken.Dan kan de beoordeling namelijk niet betrouwbaar en correct worden59Kamerstukken II 2020/21, 32 013, nr. 579.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 374 uitgevoerd. Het is daarom noodzakelijk toe te staan dat de aanbieder vankrediet bijzondere categorieën van persoonsgegevens mag verwerken omde van de consument verkregen informatie te schonen van bijzonderecategorieën van persoonsgegevens. Deze geschoonde informatie kanvervolgens worden gebruikt voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. Hetis zowel in het belang van de consument als het financieel stelsel en deschuldenlast in de maatschappij als geheel dat overkreditering van deconsument wordt voorkomen. Daarmee is sprake van een zwaarwegendalgemeen belang in de zin van artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG,waarmee deze gegevensverwerking is toegestaan. Er is in deze gevallensprake van verwerking die noodzakelijk is om redenen van zwaarwegendalgemeen belang, zoals hiervoor omschreven, waarbij de evenredigheidmet het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud vanhet recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd ener specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van degrondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene. Er is indat geval ook sprake van een rechtmatige verwerking op grond vanartikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG, juist omdat die verplichting om eenkredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren voortvloeit uit de wet.De hierboven genoemde verwerking mag alleen plaatsvinden onder de inhet tweede lid genoemde voorwaarden. Op grond van onderdeel a magde verwerking er alleen toe dienen om de van de consument voor dekredietwaardigheidsbeoordeling verkregen informatie te controleren opde aanwezigheid van bijzondere categorieën van persoonsgegevens endeze, waar aanwezig, te verwijderen. Deze verwerking moet bovendien alsdoel hebben dat de geschoonde informatie uiteindelijk wordt gebruiktvoor de kredietwaardigheidsbeoordeling (de informatie mag dus nietergens anders voor worden gebruikt). Voor de praktijk van belang is dat ersprake moet zijn van een functiescheiding. Dit betekent bijvoorbeeld dateen andere afdeling of persoon de bijzondere categorieën van persoons-gegevens uit de verkregen informatie filtert, bijvoorbeeld door deze telakken. Deze gelakte gegevens worden vervolgens overgedragen aan deafdeling die de kredietwaardigheidsbeoordeling daadwerkelijk uitvoert.Ook is het mogelijk om gebruik te maken van een derde partij die in dezefiltering voorziet. Indien de aanbieder van krediet kiest voor uitbestedingvan de werkzaamheden aan een dergelijke derde partij, blijft de aanbiederop grond van artikel 4:16 Wft verantwoordelijk voor het voldoen aan de inhet artikel 4:34a genoemde verplichtingen, alsmede de verplichting omvoldoende financiële informatie in te winnen en verplichtingen die volgenuit de AVG. De bewaartermijn die de aanbieder dient te hanteren volgt uitartikel 33 BGfo. De afdeling of derde partij die de gegevens waar nodigheeft gelakt en vervolgens heeft overgedragen aan de afdeling die gaatover de kredietwaardigheidsbeoordeling, zal de hiervoor genoemdepersoonsgegevens waar het niet meer noodzakelijk is om deze te bewarenmoeten verwijderen op grond van het beginsel van minimale gegevens-verwerking uit de AVG.Op grond van artikel 4:34a, tweede lid, onderdeel b, geldt daarnaast datde verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevensnoodzakelijk moet zijn om tot de kredietwaardigheidsbeoordeling tekomen. Dit houdt in dat de beoordeling niet correct of volledig genoegkan worden uitgevoerd op basis van andere gegevens dan de informatiedie mogelijk bijzondere categorieën van persoonsgegevens bevat en dathet om deze reden noodzakelijk is om informatie van de consument op tevragen die mogelijk bijzondere categorieën van persoonsgegevens bevat.In dat geval moet die informatie dus eerst langs de andere afdeling ofderde partij worden gestuurd om te worden gecontroleerd en moeten,waar nodig, bijzondere persoonsgegevens worden gelakt. In die zin moetde verwerking door deze andere afdeling of derde partij – hoewel geenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 375 onderdeel van de kredietwaardigheidsbeoordeling – wel noodzakelijk zijnvoor de kredietwaardigheidsbeoordeling zelf.Het derde lid ziet op de inzage door en zeggenschap van de consumentinzake de afgeschermde bijzondere persoonsgegevens, voordat dezegegevens worden gebruikt in het kader van een kredietwaardigheidsbe-oordeling. De vraag of een persoonsgegeven een bijzonder persoonsge-geven in de zin van artikel 9 AVG is, is een complexe vraag. Meerderepersoonsgegevens die samen iets zeggen of kunnen zeggen overbijvoorbeeld de gezondheid of levensbeschouwelijke overtuiging van eenpersoon, zijn bijzondere persoonsgegevens. Het herkennen van bijzonderepersoonsgegevens is van groot belang maar vergt van de aanbieder vankrediet of de door hem aangewezen derde dat hij de ontvangen persoons-gegevens van een consument zorgvuldig naloopt en daarbij oog heeftvoor de bredere context waarin zij voorkomen in het leven van deconsument. Vanwege deze complexiteit en de vereiste kennis van debredere context, is het noodzakelijk om de consument inzicht te gevenover welke gegevens wel of niet als bijzonder persoonsgegeven gelaktworden. In geval van een inzageverzoek mag de beoordelaar die hetinzageverzoek afhandelt de gegevens opvragen bij de afdeling of derdedie de gegevens gelakt heeft, enkel met het doel deze aan de consumentte verstrekken. De consument zal inzage worden gegeven in de gelaktegegevens en de mogelijkheid wordt geboden daarop te reageren. Dit rechtis opgenomen in het nieuwe derde lid van artikel 4:34a Wft.Artikel 4:34bArtikel 4:34b, eerste lid, dient ter invulling van artikel 6 van de richtlijn enbevat een verbod voor aanbieders van krediet om een krediet, niet zijndehypothecair krediet aan te gaan met een minderjarige consument. Opgrond van de eerste alinea van artikel 6 van de richtlijn moeten lidstatenervoor zorgen dat de voorwaarden waaraan moet worden voldaan omeen krediet te krijgen, niet discriminerend in de zin van artikel 21 van hetHandvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: hetHandvest) zijn voor consumenten. Dit doet geen afbreuk aan demogelijkheid om verschillende voorwaarden voor toegang tot een krediette bieden, indien die verschillende voorwaarden terdege door objectievecriteria worden gerechtvaardigd. Dit betekent dat het mogelijk is omleeftijd als voorwaarde voor toegang tot krediet te stellen, aangezien ditonderscheid op grond van leeftijd door objectieve criteria wordt gerecht-vaardigd. Dit onderscheid dient een legitiem doel en het verbod ispassend en noodzakelijk (zie voor de toelichting hierop het kopje«Voorschriften inhoudende een minimumleeftijd en leeftijdsverificatie» inparagraaf 5).Het verbod is echter niet van toepassing indien aan twee cumulatievevoorwaarden is voldaan: de wettelijke vertegenwoordiger moettoestemming voor het aangaan van de overeenkomst hebben gegeven,die blijkt uit een ondubbelzinnige en duidelijk bevestigende handeling, enhet mag niet gaan om krediet in de vorm van uitstel van betaling. Daarbijgaat het onder andere over het «koop nu, betaal later»-krediet of kredietdat ziet op kaarten met uitgestelde debitering(creditcards). Deze soortenkrediet zijn te allen tijde voor minderjarige consumenten verboden.De eerste voorwaarde ten aanzien van de uitdrukkelijke en ondubbel-zinnige toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger moet wordenbezien in samenhang met artikel 1:234 BW, dat bepaalt dat minderjarigenslechts handelingsbekwaam zijn als zij handelen met toestemming vanhun wettelijke vertegenwoordiger. Dit houdt in dat minderjarigen zonderdeze toestemming in beginsel geen rechtsgeldige overeenkomstenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 376 kunnen aangaan. In bepaalde gevallen mag deze toestemming echterworden verondersteld, namelijk wanneer het een rechtshandeling betreftten aanzien waarvan het in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is datminderjarigen die op een bepaalde leeftijd zelfstandig verrichten. Heteerste lid van artikel 4:34b Wft bepaalt met zoveel woorden dat hetzelfstandig aangaan van een kredietovereenkomst door minderjarigeconsumenten nimmer geldt als in het maatschappelijk verkeer gebrui-kelijk. Zij zijn hiervoor nooit zelfstandig handelingsbekwaam en moetenaltijd de (ondubbelzinnige en duidelijk bevestigende) toestemming vanhun wettelijk vertegenwoordig hebben. Indien tevens sprake is van eenovereenkomst van geldlening blijft artikel 1:345, eerste lid, onderdeel dBW onverminderd van toepassing. Dit artikel vereist voor het aangaan vaneen lening door een voogd en ingevolge artikel 1:253k BW ook door eenouder de toestemming van de kantonrechter. Voor het verlenen vantoestemming door de wettelijke vertegenwoordiger op grond vanartikel 1:234 BW aan de minderjarige voor het aangaan van een overeen-komst van geldlening is dan ook de toestemming van de kantonrechternodig (zie ook het algemeen deel van de toelichting).Met de tweede voorwaarde wordt duidelijk gemaakt dat krediet in devorm van uitstel van betaling nooit zelfstandig door minderjarigeconsumenten kan worden aangegaan. Hiermee wordt onder andereopvolging gegeven aan een toezegging om een leeftijdsgrens voor «koopnu, betaal later»-krediet op te nemen in de wet. Uit onderzoek van de AFMblijkt dat minderjarigen zonder toestemming van hun wettelijke vertegen-woordiger op grote schaal gebruik maken van «koop nu, betaal later»-diensten. Dit zijn overeenkomsten die in korte tijd veelal online tot standkomen. Daarbij vond tot op heden niet of in elk geval geen grondigeleeftijdsverificatie plaats. Aangezien minderjarige consumenten zo metveel gemak een krediet kunnen aangaan terwijl zij financieel extrakwetsbaar zijn, is «koop nu, betaal later»-krediet onder geen beding voorhen toegankelijk.Door in de Wft het verbod op het zelfstandig aangaan van krediet doorminderjarige consumenten op te nemen, kan de AFM toezicht houden opde naleving hiervan. Het verbod sluit tevens aan bij het doel van derichtlijn om onverantwoorde leningspraktijken en overmatige schuldenlastte voorkomen. De bepaling ziet niet op hypothecair krediet, nu hetprobleem zich daar niet voordoet.Om aan artikel 4:34b, eerste lid, te kunnen voldoen, is in het tweede lidbepaald dat aanbieders van krediet, niet zijnde hypothecair krediet, dienente beschikken over adequate processen om de leeftijd van de consumentte verifiëren. Het is aan marktpartijen om (al dan niet) in samenspraak metde AFM te kiezen voor een geschikte methode van leeftijdsverificatie.Verificatie van de leeftijd dient in ieder geval plaats te vinden aan de handvan documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhanke-lijke bronnen. Voor aanbieders geldt reeds op grond van de Wet tervoorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) dat zij deidentiteit van klanten dienen vast te stellen en te verifiëren of de door deklant verstrekte identiteit overeenkomt met zijn werkelijke identiteit.Leeftijdsverificatie kan onderdeel zijn van het «ken uw klant»-proces. Bijdie verificatie dient aandacht te worden besteed aan de bescherming vande consument bij de verwerking van persoonsgegevens, in het bijzonderwaar het gaat om identificatie van minderjarigen.Tot slot schept het derde lid een delegatiegrondslag om bij of krachtensalgemene maatregel van bestuur extra regels te kunnen stellen tenaanzien van de wijze van leeftijdsverificatie en extra voorschriften tekunnen stellen waaraan de leeftijdsverificatie moet voldoen metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 377 betrekking tot de veiligheid en betrouwbaarheid daarvan. Dezemogelijkheid wordt toegevoegd om – gezien de snelle ontwikkelingen inde markt en het grote maatschappelijke belang bij betrouwbare leeftijds-verificatie, met name bij «koop nu, betaal later»-krediet – een vinger aande pols te kunnen houden en waar nodig actie te kunnen ondernemen.Het is bovendien mogelijk dat de EU regels of voorschriften gaat stellenten aanzien van leeftijdsverificatie in den brede, in welk geval hetwenselijk is enige flexibiliteit te behouden voor de opvolging c.q.implementatie daarvan.Artikel 4:34cIn artikel 4:34c, waarin wordt verwezen naar artikel 7:58a BW, worden deartikelen 15 en 17, van de richtlijn mede geïmplementeerd. Artikel 17 heeftals doel om te voorkomen dat kredietgevers krediet verlenen waarconsumenten niet om hebben gevraagd, zoals het ongevraagd toesturenvan kredietkaarten, eenzijdige verlening van geoorloofde debetstand ofoverschrijding of eenzijdige verhogingen van krediet.60 Uit artikel 15 volgtdat een consument enkel na uitdrukkelijke instemming gebonden is aaneen overeenkomst inzake krediet, niet zijnde hypothecair krediet. Deartikelen zijn geïmplementeerd in artikel 7:58a BW. Artikel 4:34c regeltvervolgens dat een aanbieder dient te beschikken over adequateprocessen om naleving van artikel 7:58a BW te borgen.MArtikel 4:35bArtikel 4:35b implementeert artikel 36, tweede en derde lid, van derichtlijn. De aanbieder van krediet heeft de verantwoordelijkheid om ookna het sluiten van de overeenkomst alert te zijn op terugbetalingspro-blemen van de consument. De aanbieder dient processen en beleid tehebben om die problemen vroegtijdig te signaleren en is verplicht deconsument bij terugbetalingsproblemen door te verwijzen naar schuldad-viesdiensten. In de praktijk betekent dit dat de aanbieder contact opneemtmet de consument en, eventueel op algemene wijze, de consumentdoorverwijst naar de gemeente waarin de consument woonachtig is. Degemeente is op grond van de Wgs verantwoordelijk voor schuldhulpver-lening. Het is ook hier aan de marktpartijen om (al dan niet) in samen-spraak met de AFM te kiezen voor een invulling van processen en beleidvoor vroegtijdige signalering.N en ODe bijlagen behorend bij artikel 1:79 en artikel 1:80 Wft worden uitgebreidmet enkele artikelen, teneinde de aldaar genoemde voorschriften tekunnen handhaven. Artikel 1:79 regelt dat de AFM een last onderdwangsom kan opleggen ter zake van een overtreding en artikel 1:80 datde AFM een bestuurlijke boete kan opleggen. Aan beide bijlagen wordende volgende bepalingen toegevoegd: 1:77q, 4:34a, 4:34b, eerste en derdelid, 4:34c en 4:35b. Voor artikel 4:35b geldt dat alleen het eerste lid isopgenomen in de bijlage bij artikel 1:80 Wft. Het tweede lid is daarmeeniet handhaafbaar middels een bestuurlijke boete, dit handhavingsin-strument wordt te zwaar geacht voor het niet nakomen van een doorver-wijsplicht.60Zie ook overweging 51,van de preambule van de richtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 378 ARTIKEL II (Boek 7 Burgerlijk Wetboek)Dit artikel bevat de wijzigingen in Boek 7 BW, die betrekking hebben opTitel 2a over consumentenkredietovereenkomsten. Titel 2a bestaat uittwee afdelingen. De meeste wijzigingen hebben betrekking op Afdeling 1,waarin de CCD1 al is geïmplementeerd.AAls gevolg van de herziening van de vorige richtlijn (CCDI) is de naam vanAfdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 BW gewijzigd.BArtikel 7:57 BW implementeert de definities uit artikel 3 van de richtlijn.Als gevolg van de herziening van de richtlijn zijn in bestaande definitiesaanvullingen of verduidelijkingen aangebracht en definities toegevoegd.Onderdeel dDe definitie van geoorloofde debetstand is gewijzigd, in die zin dat dewoorden «te boven gaan» zijn vervangen door «overschrijden». Dit sluitaan bij de richtlijntekst.Onderdeel eDe definitie van overschrijding is gewijzigd, waardoor de definitie aansluitbij de richtlijntekst. Dit houdt in dat het de woorden «te boven gaan» zijnvervangen door «overschrijden».Onderdeel fDe aanhef van onderdeel f is op enkele punten aangevuld. Zo is toege-voegd dat een partij pas als kredietbemiddelaar kwalificeert als hij in hetkader van zijn werkzaamheden meer doet dan het enkel direct of indirectin contact brengen van een consument met een kredietgever. Daarnaast isde notaris nog expliciet uitgezonderd in deze definitie.Onderdeel iEr is gekozen om aan te sluiten bij de definitie van het jaarlijks kostenper-centage zoals volgt uit artikel 3 en 30 van de richtlijn. Overeenkomstig dedaar gekozen systematiek wordt in de definitie verwezen naar artikel 7:71BW, waarin het jaarlijks kostenpercentage nader wordt uitgewerkt. Deverwijzing in de huidige definitie van het jaarlijks kostenpercentage naarartikel 7:57, derde lid, BW komt te vervallen, omdat de aanvulling dat hetjaarlijks kostenpercentage indien toepasselijk ook met de in het derde lidbedoelde kosten moet worden aangevuld, reeds onderdeel is vanartikel 30 van de richtlijn, waarnaar in de nieuwe definitie van het jaarlijkskostenpercentage integraal wordt verwezen.Onderdeel nDe definitie van gelieerde kredietovereenkomst is uitgesplitst in onderdeeln en het vierde lid (nieuw) van artikel 7:57 BW. Dit was reeds eenbestaande definitie, waaraan de richtlijn de zinssnede «of de betreffendediensten» toevoegt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 379 Onderdeel u tot en met aeDe richtlijn introduceert een aantal nieuwe definities. Enkele van dezenieuwe definities zijn, zo luidt de toelichting bij het initiële voorstel voorde Richtlijn van de Europese Commissie (COM(2021) 347), zoveel mogelijkin lijn met EU-regelgeving. De nieuwe definities van nevendienst,koppelverkoop en gebundelde verkoop zijn afkomstig uit de richtlijnhypothecair krediet, Richtlijn (EU) 2014/17. De definitie van profilering istoegevoegd als gevolg van de inwerkingtreding van de AVG. Voor detoegevoegde definitie van adviesdiensten is tot slot aangesloten bij dedefinitie van adviseren als bedoeld in artikel 1:1 Wft. Voor deze definitie ende definitie van schuldadviesdiensten wordt verwezen naar de artikelsge-wijze toelichting bij dat artikel. De definitie van platform houdt verbandmet artikel 58, tweede lid, onderdelen d en e, waarin toepassing vanTitel 2A wordt uitgesloten voor bepaalde kredietovereenkomsten in devorm van uitstel van betaling. Voor deze uitzonderingen en de definitievan platform wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bijartikel I onderdeel C.Derde en vierde lid (nieuw)Het derde lid wordt vervangen, zoals toegelicht bij onderdeel i.In het vierde lid (nieuw) wordt de definitie van commerciële eenheidverder uitgebreid met de situatie waarin een kredietgever de kredietover-eenkomst vermarkt.CArtikel 7:58 BW implementeert artikel 2 van de richtlijn. Het toepassings-gebied van de richtlijn wordt met de herziening aangepast.In artikel 7:58, tweede lid, BW worden enkele onderdelen gewijzigd.Het tweede lid, onderdeel b, wordt beperkt gewijzigd als gevolg vanimplementatie van artikel 2, onderdeel b, van de richtlijn. Zo was algeregeld in artikel 7:58, tweede lid, onderdeel b,BW dat de bepalingen uitTitel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW niet van toepassing waren opkredietovereenkomsten voor het verkrijgen of behouden van eigendoms-rechten betreffende grond of een bestaand of gepland gebouw. Daar is bijdit voorstel van wet aan toegevoegd dat dit onder meer geldt voor in deuitoefening van een beroep of bedrijf gebruikte terreinen en gebouwen.Het tweede lid, onderdeel c, wordt gewijzigd als gevolg van de implemen-tatie van artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van de richtlijn, zoals toegelichtbij artikel 1:20, eerste lid, onderdeel c, Wft.Artikel 7:58 BW, tweede lid, onderdeel d en e worden vervangen door deuitzonderingen voor «koop nu, betaal later»-diensten en implementerendaarmee artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van de richtlijn. Voor detoelichting op deze nieuwe uitzonderingen wordt verwezen naar deartikelsgewijze toelichting bij artikel 1:20, eerste lid, Wft. De onderdelenhielden uitzonderingen in voor kredietovereenkomsten in de vorm vaneen geoorloofde debetstand op een rekening en die binnen een maandmoet worden afgelost en een uitzondering voor kredietovereenkomstenzonder rente en andere kosten die binnen een termijn van drie maandenmoet worden terugbetaald met slechts aanrekeningen van onbetekenendekosten. Deze uitzonderingen vervallen. Voor toelichting wordt ookverwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:20, eerste lid, Wft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 380 Het derde lid, dat de maatwerkregeling inhield voor kredietovereen-komsten in de vorm van een geoorloofde debetstand, komt nu zo teluiden dat het een maatwerkregeling bevat voor kredietovereenkomstenin de vorm van overschrijding. Dit stond eerder in het vierde lid. Hiermeewordt artikel 2, vierde lid, onderdeel a, van de richtlijn geïmplementeerd,zoals toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:20, tweedelid, Wft. De bepalingen in het BW die van toepassing zijn op een kredieto-vereenkomst in de vorm van een overschrijding, zien op i) het verbod opongevraagde kredietverlening, ii) de verplichting voor de kredietgever omde consument bij een vermoeden van financiële moeilijkheden bij hetnakomen van de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplich-tingen door te verwijzen naar schuldadviesdiensten, iii) een bepaling overde rechten van de consument wanneer de kredietovereenkomst ofwelrechten op grond van die kredietovereenkomst worden overgedragen, iv)een specifieke bepaling voor informatieverstrekking door de kredietgeverbij kredietovereenkomsten in de vorm van overschrijding, v) regels overhet treffen van respijtmaatregelen in geval van een betalingsachterstand,vi) het dwingende karakter van Titel 2a van Boek 7 BW en vii) regelsomtrent de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding. Het betreft deartikelen 58a, eerste lid, 68a, 69, 70, 70a, 73 en 76 van Boek 7 BW.DArtikel 7:58a BWArtikel 7:58a BW implementeert de artikelen 15 en 17 van de richtlijn. Heteerste lid implementeert artikel 17 van de richtlijn, waarbij wordtverwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel 4:34c Wft. Hettweede en derde lid implementeren artikel 15, van de richtlijn en regelendat uitdrukkelijke instemming door een consument is vereist om eenkredietovereenkomst of nevendienst aan te gaan. Er worden extravoorwaarden gesteld aan de instemming indien gebruik wordt gemaaktvan standaardopties.Artikel 7:58b BWArtikel 7:58b BW implementeert artikel 5 van de richtlijn. Het artikel schrijftvoor dat de kredietgever alle informatie kosteloos aan de consumentverstrekt. In de CCDI bestond deze algemene norm nog niet, maar was hetkosteloos verstrekken van informatie verwerkt in diverse bepalingen,onder andere omtrent precontractuele informatie en het raadplegen vandatabanken. Het nieuwe artikel regelt dat alle andere informatie, alsmedede toelichting op grond van artikel 12 van de richtlijn, ook kosteloos wordtverstrekt.EIn artikel 7:59 BW wordt in het eerste lid, artikel 7, van de richtlijn,geïmplementeerd. Reclame mag op grond van artikel 7 niet oneerlijk,onduidelijk of misleidend zijn. In het bijzonder mogen in reclame voorkredietovereenkomsten geen bewoordingen worden gebruikt die bij deconsument valse verwachtingen kunnen scheppen over de beschik-baarheid of de kosten van een krediet of het totale door de consument tebetalen bedrag. De Richtlijn oneerlijke handelspraktijken – geïmplemen-teerd in Titel 3, Afdeling 3a, van Boek 6 BW – beschermt de consumenttegen oneerlijke of misleidende praktijken. Artikel 7 van de richtlijnbehoeft daarom slechts gedeeltelijke implementatie. Oneerlijke, onduide-lijke of misleidende reclame is immers al een oneerlijke handelspraktijkals bedoeld in artikel 193b van Boek 6 BW. De AFM kan op grond van ditartikel reeds handhaven. Alleen de zinssnede inzake het verbod opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 381 bewoordingen die valse verwachtingen kunnen scheppen wordt daaromovergenomen in artikel 7:59, eerste lid, BW. Om handhaving mogelijk temaken wordt deze bepaling toegevoegd in onderdeel b van de bijlage vande Whc.Het tweede en het derde lid implementeren artikel 8 van de richtlijn datverplichtingen stelt ten aanzien van de waarschuwing en standaardinfor-matie die bij reclame voor krediet moet worden opgenomen. Voorheenbevatte artikel 7:59, eerste lid, BW enkel een verwijzing naar hetCCDI-artikel over reclame voor krediet (artikel 4). Aangezien denormadressant van artikel 8, eerste lid, van de richtlijn echter de lidstatenzijn, is het niet meer mogelijk om in artikel 7:59 BW integraal hiernaar teverwijzen. Daarom is in het tweede lid de verplichting van artikel 8, eerstelid, van de richtlijn uitgeschreven dat kredietgevers in reclame voorkrediet een duidelijke waarschuwing opnemen dat geld lenen geld kost.De in Nederland gangbare waarschuwing is: «Let op! Geld lenen kostgeld». Het derde lid stelt regels ten aanzien van de standaardinformatiedie moet worden opgenomen bij reclame voor kredietovereenkomstenwaarin een rentevoet of cijfers over de kredietkosten worden vermeld.Voor het vierde lid (nieuw) is het wel mogelijk te volstaan met eenverwijzing, waardoor de verwijzingen naar artikel 4 van de CCDI wordenvervangen door verwijzingen naar de betreffende leden van artikel 8 vande richtlijn.FArtikel 7:60 BW implementeert artikel 10 en 12 van de richtlijn. In heteerste lid is de verplichting uit artikel 10, eerste lid, eerste alinea, van derichtlijn, opgenomen voor de kredietgever of, in voorkomend geval, dekredietbemiddelaar, om aan de consument de precontractuele informatiete verstrekken die nodig is om een geïnformeerde beslissing te kunnennemen. Daartoe moet de informatie duidelijk zijn en begrijpelijk. Ook moetde informatie de consument in staat stellen om het aanbod met verschil-lende andere aanbiedingen te vergelijken. De kredietgever, of invoorkomend geval, de kredietbemiddelaar, verstrekt de informatie in iedergeval op de in artikel 10 voorgeschreven wijze. De verwijzing naarartikel 10 komt overeen met de oude verwijzing naar artikel 5 van de CCDI.Omdat artikel 10, eerste lid, van de richtlijn, eerste alinea, is gericht aan delidstaten, zijn de verplichtingen volledig overgenomen in het eerste lid.Voor de definitie van precontractuele informatie wordt verwezen naar dedefinitie als genoemd in artikel 3, aanhef en onder 13 van de richtlijn. Deoude verwijzing naar artikel 6 van de CCDI vervalt, omdat in de richtlijngeen maatwerkregeling voor precontractuele informatie meer is geregeldinzake de geoorloofde debetstand.Het tweede lid implementeert artikel 10, eerste lid, tweede alinea, van derichtlijn. Omdat artikel 10, eerste lid, van de richtlijn, tweede alinea, isgericht aan de lidstaten, zijn de verplichtingen overgenomen in hettweede lid.Het derde lid implementeert artikel 12 van de richtlijn. Kredietgevers, of invoorkomend geval kredietbemiddelaars, dienen een adequate toelichtingte verstrekken bij de voorgestelde kredietovereenkomsten en eventuelenevendiensten, zodat consumenten in staat zijn te beoordelen of devoorgestelde kredietovereenkomsten en nevendiensten zijn toegesnedenop de behoeften en financiële situatie van de consument. Overweging 45van de preambule van de richtlijn benadrukt dat dergelijke toelichting opzichzelf niet een persoonlijke aanbeveling mag zijn. Het gaat dus niet omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 382 het verstrekken van advies in de zin van de Wft. In de onderdelen a tot enmet c wordt opgesomd uit welke elementen de toelichting moet bestaan.Het vierde lid implementeert artikel 13 van de richtlijn. Indien krediet-gevers, of in voorkomend geval kredietbemiddelaars, ervoor kiezen omgebruik te maken van geautomatiseerde verwerking van persoonsge-gevens om een gepersonaliseerd aanbod aan consumenten te kunnendoen, dienen zij die consumenten daarover op heldere en begrijpelijkewijze te informeren. Bij geautomatiseerde verwerking kan gedacht wordenaan artificiële-intelligentiesystemen. Kredietgevers en kredietbemidde-laars die hier gebruik van maken bij het bepalen van een prijs vooraanbiedingen aan specifieke consumenten of categorieën van consu-menten moeten de consument hierover duidelijk informeren. Dat houdtonder andere in dat de consument wordt ingelicht dat de voorgesteldeprijs op basis van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevenstot stand is gekomen. Deze specifieke verplichting laat eventueleverplichtingen en verboden die volgen uit algemeen consumentenrechten uit de AVG onverlet. Een voorbeeld hiervan is artikel 14, tweede lid,onderdeel f, van de AVG. Krachtens dat artikel moeten kredietgevers enkredietbemiddelaars consumenten die de aanbieding ontvangen, ookinformeren over de gegevensbronnen die zijn gebruikt om de aanbiedingte individualiseren.Het vijfde (nieuw) en zevende lid (nieuw) betreffen reeds bestaande leden.In het vierde lid zijn enkele verwijzingen naar artikelen van de richtlijngewijzigd.Het zesde lid (nieuw) implementeert de lidstaatoptie van artikel 2, achtstelid, van de richtlijn, voor de uitzondering op artikel 10, vijfde lid, van derichtlijn. De precontractuele verplichtingen uit artikel 10, vijfde lid, van derichtlijn, worden daarom buiten toepassing verklaard voor kredietovereen-komsten voor een totaal kredietbedrag van minder dan 200 euro,kredietovereenkomsten waarbij krediet zonder rente of andere kostenwordt verleend, en kredietovereenkomsten volgens welke krediet binnendrie maanden moet worden afgelost en er slechts onbetekenende kostenverschuldigd zijn.GIn Onderafdeling 3 worden voor artikel 7:61 BW de artikelen 7:60a en7:60b BW ingevoegd. Deze artikelen implementeren artikel 14 van derichtlijn, waarin regels worden gesteld ten aanzien van koppelverkoop engebundelde verkoop. Koppelverkoop wordt in de richtlijn in beginselverboden en is slechts toegestaan waar het gaat om een verzekering ofeen betaal- of spaarrekening, onder de in de richtlijnbepaling voorge-schreven voorwaarden. De financiële dienst of het financiële product kandan een wezenlijk onderdeel vormen van het krediet, bijvoorbeeld in hetgeval van een geoorloofde debetstand op een rekening. Het doel van ditverbod is om te voorkomen dat diensten of producten die niet in hetbelang zijn van de consument gekoppeld worden verkocht.61 Hetstringente verbod op koppelverkoop is afkomstig uit de richtlijnhypothecair krediet.Artikel 7:60a BWHet verbod op koppelverkoop bestond reeds in het nationale recht,namelijk in artikel 7:77 BW, dat is opgenomen in Titel 2a, Afdeling 2, vanBoek 7 BW. Nu het verbod op koppelverkoop en enkele uitzonderingen61Overweging 47 van de preambule van de richtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 383 daarop worden geregeld in de richtlijn, is implementatie nodig in Titel 2a,Afdeling 1, van Boek 7 BW. Artikel 7:77 BW blijft bestaan naastartikel 7:60a BW. Daarom is in dat artikel een samenloopbepalingopgenomen.Het eerste lid van artikel 7:60a BW implementeert artikel 14, eerste lid, vande richtlijn. Gebundelde verkoop is toegestaan, maar koppelverkoop is inbeginsel verboden. Voor de bewoordingen van deze bepaling is aange-sloten bij het reeds bestaande artikel 7:121 BW, dat voortkomt uit derichtlijn hypothecair krediet. Een koppelverkoopbeding dat verboden is opgrond van artikel 7:60a BW is vernietigbaar op grond van artikel 7:73 BWjo. artikel 3:40 BW.Het tweede lid implementeert artikel 14, tweede lid, van de richtlijn enbepaalt dat koppelverkoop van een consumentenkredietovereenkomstmet een betaal- of spaarrekening is toegestaan. Koppelverkoop van eenbetaalrekening was reeds onder bepaalde voorwaarden toegestaan opgrond van artikel 7:77 BW, eerste lid onderdeel b, subonderdeel 2. Dieuitzonderingen worden ingeperkt voor consumentenkredietovereen-komsten in de zin van Afdeling 1 van Titel 2a. Koppelverkoop van eenbetaal- of spaarrekening is op grond van de richtlijn slechts toegestaanindien het enige doel van die rekening is één of meer van de in artikel 14,tweede lid, opgesomde gevallen, bijvoorbeeld indien de kredietgeververzoekt om een rekening te openen omdat daarmee bijkomendezekerheid wordt verschaft in geval van niet-nakoming. Een te strikte lezingvan de bewoordingen «enige doel» kan in sommige gevallen onwense-lijke gevolgen hebben. Bijvoorbeeld als het niet zou zijn toegestaan dat deconsument de rekening tevens gebruikt voor reguliere betalingen die niette maken hebben met het krediet. Een te strikte lezing zou in dat gevalstrijdig zijn met het doel van de richtlijn, omdat het gunstige voorwaardenvoor de consument in de weg staat. Zolang een ruimere lezing in hetvoordeel is van de consument, is dat geoorloofd. In artikel 7:77 BW stondverder de eis dat de consument het recht heeft te bepalen met welkewederpartij de overeenkomst wordt aangegaan. Die eis geldt niet meervoor kredietovereenkomsten in de zin van Titel 2a. Anders dan artikel 7:77BW wordt koppelverkoop onder voorwaarden van een spaarrekeningtoegestaan in artikel 7:60a BW.Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat er geen sprake is van koppel-verkoop van een kredietovereenkomst samen met een verzekering als hetgaat om een automatische groepsverzekering bij een kredietovereen-komst waarbij (i) de consument geen keuze heeft ten aanzien van deverzekering of (ii) de aanbieder geen vergoeding ontvangt voor dedistributie. Dit volgt uit jurisprudentie van het Hof van Justitie.62 De AFMheeft in een handleiding ter duiding uiteengezet wanneer de consumentgeen keuzevrijheid heeft ten aanzien van de verzekering. Daarvoor mag deconsument geen keuze hebben (i) voor een bepaalde dekking, (ii) voor eenbepaald verzekerd bedrag, (iii) tussen verschillende polissen en (iv) vooreen aanbieder/verzekeraar.63 Wordt hieraan voldaan, dan is reeds geensprake van verzekeringsbemiddeling of koppelverkoop, ongeacht of deaanbieder een vergoeding ontvangt voor de distributie. De kredietaan-bieder faciliteert dan immers niet in de totstandkoming van een nieuweverzekeringsovereenkomst. Biedt de aanbieder wel keuzemogelijkheidmaar ontvangt deze geen vergoeding, dan is er eveneens geen sprake vanverzekeringsbemiddeling of koppelverkoop. Pas als aan beide62HvJ-EU, 29 september 2022, C-633/20.63Zie «Duiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake groeps-verzekeringen» van de AFM: https://www.afm.nl/nl-nl/sector/actueel/2024/maart/interpretatie-groepsverzekeringen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 384 voorwaarden cumulatief wordt voldaan (keuzemogelijkheid en ontvangstvan vergoeding), is daarvan sprake, in welk geval eveneens sprake is vaneen vergunningplicht voor verzekeringsbemiddeling.Artikel 7:60a, derde en vierde lid, BW implementeren het derde en vijfdelid van artikel 14, van de richtlijn. Deze bepalingen bestaan in hetnationale recht al in artikel 7:121 BW voor consumentenkredietovereen-komsten betreffende voor bewoning bestemde onroerende zaken. Bij deimplementatie van deze richtlijn is dan ook grotendeels aangesloten bij debewoordingen van artikel 7:121, derde lid BW. Uit overweging 47 van depreambule van de richtlijn volgt dat kredietgevers, met inachtneming vanproportionaliteitsoverwegingen kunnen eisen dat consumenten over eenverzekeringspolis beschikken ter garantie van het krediet of om de waardevan de zekerheid te verzekeren. De consument moet hierbij wel demogelijkheid hebben zijn eigen verzekeraar te kiezen. Daarbij geldt alsvoorwaarde dat de door deze verzekeringspolis geboden waarborggelijkwaardig is aan de verzekeringspolis die de kredietgever heeftvoorgesteld of aangeboden. Om ervoor te zorgen dat de consument meertijd heeft om verzekeringsaanbiedingen te vergelijken voordat hij eenverzekeringspolis afsluit, moet hij ten minste drie dagen de tijd krijgen omverzekeringsaanbiedingen in verband met de kredietovereenkomst tevergelijken, zonder dat de aanbieding wordt gewijzigd. De consumentmoet hiervan in kennis worden gesteld en krijgt daarbij ook demogelijkheid om voor het verstrijken van de termijn van drie dagen eenverzekeringspolis af te sluiten. De consument dient in dit laatste gevaluitdrukkelijk te verzoeken om het eerder afsluiten van de polis.Artikel 7:60b BWArtikel 7:60b BW implementeert het verbod uit artikel 14, vierde lid, van derichtlijn, om in het kader van een verzekeringspolis met betrekking tot eenkredietovereenkomst persoonsgegevens te gebruiken betreffende dediagnose van oncologische ziekten. Dit verbod heeft betrekking opsituaties van koppelverkoop en gebundelde verkoop van een verzeke-ringspolis met een consumentenkredietovereenkomst. Bij de implemen-tatie is gedeeltelijke aansluiting gezocht bij de op grond van het nationaalrecht bij uitvaartverzekeringen en overlijdensrisicoverzekeringen reedsgeldende schone lei-regeling, die zijn oorsprong heeft in de Wet op demedische keuringen. Bij deze typen verzekeringen en onder de in hetBesluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten en de Wet op demedische keuringen genoemde voorwaarden, is de vraag of er bij eenkeurling in het verleden kanker is geconstateerd een onevenredigeinbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de keurling in de zin vanartikel 3 van de Wet op de medische keuringen, indien gedurende eenperiode van tien jaar geen terugkeer van kanker is geconstateerdgerekend vanaf het moment van volledige remissie. De termijn is kortervoor personen die jonger waren dan 21 jaar op het moment van dediagnose of indien sprake is van een kankersoort op grond van artikel 3van het Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten.De bovenstaande nationale regeling wijkt op een aantal punten af van deschone-lei-regeling in de richtlijn. Allereerst heeft de nationale schone-lei-regeling uitsluitend betrekking op uitvaartverzekeringen en overlijdensrisi-coverzekeringen. Deze beperking van het toepassingsbereik ontbreekt bijde schone-lei-regeling in de richtlijn. Deze ziet op alle typen verzeke-ringen. Daarnaast heeft de schone-lei-regeling in de richtlijn enkelbetrekking op verzekeringen die in het kader van een kredietovereenkomstworden afgesloten. Dat is niet het geval bij de nationale schone-lei-regeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 385 Een derde verschil tussen de regelingen is de (wijze van bepaling van de)startdatum van de periode waarna persoonsgegevens betreffende dediagnose van oncologische ziekten van consumenten niet meer gebruiktmogen worden. De richtlijn gaat uit van een periode van maximaal vijftienjaar na het einde van de medische behandeling van een consument. Opgrond van de nationale schone-lei-regeling geldt een termijn van tien jaarvanaf het moment van volledige remissie, waarbij de termijn korter isvoor personen die jonger waren dan 21 jaar op het moment van dediagnose (termijn van vijf jaar) of indien sprake is van bepaalde kanker-soorten (zie artikel 3 van het Besluit verzekeringskeuringenex-kankerpatiënten).Voor de bepaling van de startdatum voor de genoemde periode sluitartikel 7:60b BW aan bij de nationale schone-lei-regeling. Er wordt dus eentermijn aangehouden van – kort gezegd – tien jaar na het moment vanvolledige remissie. Dit valt binnen de richtlijnbepaling van artikel 14,vierde lid – die uitgaat van een periode van vijftien jaar na het einde vande medische behandeling – omdat er in de regel slechts korte tijd zittussen «einde behandeling» en volledige remissie. Slechts indien er meerdan vijf jaar tussen beide momenten zou zitten, zou het in strijd zijn metde richtlijn om een termijn van tien jaar na volledige remissie aan tehouden. Dan zou immers de termijn van vijftien jaar na einde behandelingworden overschreden. Om dat theoretische risico te ondervangen, regelthet tweede lid dat in dat geval de termijn van vijftien jaar na eindebehandeling wordt aangehouden.Indien sprake is van een overlijdensrisicoverzekering of een uitvaartverze-kering die wordt afgesloten in combinatie met een kredietovereenkomstkan samenloop ontstaan met de nationale schone-lei-regeling. Indienzowel op grond van artikel 7:60b BW als op grond van de nationaleschone-lei-regeling een termijn van tien jaar geldt, is er geen sprake vantegenstrijdigheid. Als echter op grond van de nationale schone-lei-regeling een kortere termijn dan tien jaar zou gelden – omdat sprake isvan een persoon die jonger dan 21 jaar was toen hij kanker kreeg ofomdat sprake is van bepaalde kankersoorten zoals opgenomen in artikel 3van het Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten – geldt diekortere termijn en niet de termijn van tien jaar. Dit is tot uitdrukkinggebracht door het woord «maximaal» toe te voegen in de bepaling vanartikel 7:60b BW.HArtikel 7:61 BW implementeert artikel 20 en 21 van de richtlijn. Het artikelis ten opzichte van de CCDI slechts beperkt gewijzigd. Het eerste lid wordtingevolge artikel 20 van de richtlijn uitgebreid met de zinsnede dat ookeventuele wijzigingen in de overeenkomst op papier of duurzame dragerworden opgesteld. Een duurzame drager is bijvoorbeeld een e-mail. Aanhet tweede lid, zijn twee onderdelen toegevoegd. Onderdeel x ziet op deverplichting van de kredietgever om contactgegevens van schuldadvies-diensten op te nemen in de kredietovereenkomst. Eveneens volgt uit ditonderdeel de verplichting om een aanbeveling op te nemen in deovereenkomst richting de consument om met deze dienstverleners incontact te treden als er sprake is van terugbetalingsproblemen. Inonderdeel y wordt opgenomen dat in de kredietovereenkomst vermeldmoet staan op welke duurzame drager de consument informatie ontvangt,met inachtneming van diens keuzemogelijkheid. Nieuw in de richtlijn isdat die keuzemogelijkheid van de consument in verschillende bepalingenexpliciet wordt benadrukt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 386 Er wordt een derde lid ingevoegd in artikel 7:61 BW. Het lid voegt hetvereiste toe dat rekening wordt gehouden met de technische beperkingenvan de drager waarop de informatie wordt weergegeven. Zo moet deinformatie duidelijk leesbaar zijn en aangepast zijn aan de technischebeperkingen van bepaalde media, zoals het scherm van mobieletelefoons.64IArtikel 7:62 BW implementeert artikel 23 van de richtlijn. Het artikel is tenopzichte van CCDI slechts op enkele punten aangepast, om aan te sluitenbij de ontwikkelingen op het gebied van digitalisering. Verder is hettweede lid onderverdeeld in drie onderdelen, die de leesbaarheid tengoede komen.JArtikel 7:63 BW implementeert artikel 24 van de richtlijn inzake kredieto-vereenkomsten in de vorm van een geoorloofde debetstand. In het eerstelid is de term «regelmatig» vervangen door de term «ten minste maande-lijks».Het tweede lid bevat de wijziging dat de consument «geruime tijd» vooreen wijziging van de hoogte van de debetrentevoet of kosten in kenniswordt gesteld. Uit de wetshistorie bij artikel 7:60 BW, waar deze term ookterug komt, volgt dat wat precies moet worden verstaan onder «geruimetijd» van geval tot geval moet worden uitgemaakt.65Het derde lid bevat een toevoeging dat informatie van de kredietgevertevens kan worden verstrekt via een website of mobiele applicatie.Er worden twee nieuwe leden toegevoegd aan artikel 7:63 BW. Het vierdelid implementeert artikel 24, derde lid, van de richtlijn, en introduceert eennieuwe bepaling omtrent het verlagen of annuleren van de geoorloofdedebetstand. Het vijfde lid implementeert artikel 24, vierde lid, van derichtlijn en schrijft voor dat bij annulering of verlaging van de geoorloofdedebetstand op een rekening aan de consument de mogelijkheid wordtgeboden om zonder extra kosten het daadwerkelijk opgenomen bedragterug te betalen, voordat een incasso- of invorderingsprocedure wordtingeleid. Met invorderingsprocedure wordt bijvoorbeeld beslagleggingbedoeld. De verplichting voor de kredietgever biedt de consument eenextra gelegenheid om een formele procedure via de rechter tevoorkomen, bijvoorbeeld door een terugbetalingsregeling te treffen.KArtikel 7:66 BW implementeert artikel 26 van de richtlijn en regelt het rechtvan ontbinding van de kredietovereenkomst. Er wordt een lid ingevoegd,op grond waarvan de consument wordt beschermd indien hij contractuelevoorwaarden en informatie overeenkomstig artikel 7:61 BW niet heeftontvangen. De consument heeft 12 maanden en 14 dagen na sluiten vande kredietovereenkomst de gelegenheid om de overeenkomst teontbinden, zonder opgave van redenen en sancties, als hij slechts eendeel van de informatie heeft ontvangen. Om de rechtszekerheid van deconsument te vergroten geldt in deze situatie een aanzienlijk langeretermijn, dan de standaardtermijn van 14 dagen. Indien de consument niet64Zie ook overweging 33 van de preambule van de richtlijn.65Kamerstukken II 2009/10, 32 339, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 387 is geïnformeerd over zijn recht van ontbinding, geldt er geen termijn vanontbinding en mag de consument altijd ontbinden.Aan het einde van artikel 7:66 BW wordt een negende lid toegevoegdinzake het recht van ontbinding bij een gelieerde kredietovereenkomst.Hierbij kan gedacht worden aan de online aankoop van een kledingstuk ineen webshop, waarbij gebruik wordt gemaakt van achteraf betalenmiddels een derde die krediet aanbiedt of overkoopt. Er is dan sprake vaneen gelieerde kredietovereenkomst, namelijk een kredietovereenkomstgelieerd aan de koopovereenkomst van het kledingstuk. Als het terugga-vebeleid, ook wel retourbeleid, van de webshop inhoudt dat hetkledingstuk nog 30 dagen geretourneerd mag worden tegen volledigeterugbetaling, geldt voor de gelieerde kredietovereenkomst ook eentermijn van ontbinding van 30 dagen.LArtikel 7:67a BW implementeert artikel 18, zevende lid, van de richtlijn. Hetis de kredietgever, indien deze een kredietovereenkomst met eenconsument sluit, vervolgens niet toegestaan om die kredietovereenkomstten nadele van de consument te beëindigen of wijzigen op grond van eenonjuist uitgevoerde beoordeling van de kredietwaardigheid. Dit is andersindien de consument bewust informatie heeft achtergehouden of onjuistheeft weergegeven. De bewijslast daarvan ligt bij de kredietgever.66 Het isnodig dat de AFM op deze regel kan handhaven. Dit wordt geregeld in deWhc.MArtikel 7:68 BW, eerste lid, implementeert artikel 29, eerste lid, van derichtlijn. Aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd dat alle door dekredietgever in rekening gebrachte kosten in aanmerking wordengenomen bij de berekening van de verlaging van het kredietbedrag alsgevolg van vervroegde aflossing. In het derde lid is het drempelbedragwaarboven de kredietgever hogere kosten in rekening mag brengen voorvervroegde aflossing verhoogd van 75.000 naar 100.000 euro om rekeningte houden met indexatie als gevolg van de inflatie sinds de CCDI.67 Hetbedrag is gelijk aan de bovengrens uit artikel 2, tweede lid, onderdeel c,van de richtlijn. Ook is in het derde lid opgenomen dat indien de door dekredietgever gevorderde vergoeding hoger is dan het werkelijk geledenverlies, de consument een overeenkomstige vermindering kan vorderen.Dit is implementatie van artikel 29, vierde lid, van de richtlijn.NArtikel 7:68a BW implementeert artikel 36, derde lid, van de richtlijn, enschrijft voor dat kredietgevers consumenten die financiële moeilijkhedenondervinden moeten doorverwijzen naar schuldadviesdiensten. In depraktijk betekent dit dat de kredietgever de consument op de hoogte moetstellen dat de consument terecht kan bij zijn of haar gemeente in gevalvan terugbetalingsproblemen.OMet de wijzigingen in artikel 7:70 BW wordt artikel 25 van de richtlijngeïmplementeerd. Het eerste lid betreft een wijziging van de verwijzingnaar de CCDI naar de herziene richtlijn.66Overweging 7 van de preambule van de richtlijn.67Overweging 20 van de preambule van de richtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 388 Er worden drie nieuwe leden toegevoegd. Het derde lid verplichtkredietgevers om consumenten met een regelmatige overschrijding ophun rekening adviesdiensten aan te bieden en door te verwijzen naarschuldadviesdiensten. Zie voor de achtergrond van de verwijzing naarschuldadviesdiensten ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 7:61 BW.Het vierde en vijfde lid komen overeen met de leden die aan artikel 7:63BW, inzake kredietovereenkomsten in de vorm van een geoorloofdedebetstand, zijn toegevoegd. Het vierde lid implementeert artikel 25,vierde lid, van de richtlijn en introduceert een nieuwe bepaling op grondwaarvan de kredietgever de consument op de hoogte moet stellen indiende overschrijdingslimiet wordt verlaagd of overschrijding niet langer istoegestaan. Het vijfde lid implementeert artikel 25, vijfde lid, van derichtlijn, en schrijft voor dat bij verlaging of beëindiging van deoverschrijding aan de consument de mogelijkheid wordt geboden omzonder extra kosten het daadwerkelijk opgenomen bedrag terug tebetalen, voordat een incasso- of invorderingsprocedure wordt ingeleid.PIn artikel 7:71 BW is de verwijzing naar het richtlijnartikel gewijzigd vanartikel 19 naar artikel 30. Artikel 30 van de richtlijn is verder ongewijzigdten opzichte van de CCD1.QArtikel 7:75 vierde lid BW, betreft nadere invulling van artikel 6 van derichtlijn en bevat een verbod voor kredietgevers om een kredietovereen-komst aan te gaan met een minderjarige consument. Dit verbod is echterniet van toepassing als aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan: dewettelijke vertegenwoordiger moet toestemming voor het aangaan van deovereenkomst hebben gegeven die blijkt uit een ondubbelzinnige enduidelijk bevestigende handeling en het mag niet gaan om krediet in devorm van uitstel van betaling van roerende zaken of diensten. Dat kredietis te allen tijde voor minderjarige consumenten verboden. Voor eentoelichting op deze voorwaarden wordt verwezen naar de artikelsgewijzetoelichting bij artikel 4:34b Wft.RArtikel 7:76 BW wordt gewijzigd om te zorgen dat de regels over krediet-vergoeding ook passend zijn voor de kredietvorm uitstel van betaling. Denadere regels over kredietvergoeding staan in het Bk en worden naaraanleiding van de richtlijn en dit wetsvoorstel eveneens gewijzigd. Dewijziging van artikel 7:76 BW anticipeert hierop.Het huidige artikel 7:76, eerste lid BW bepaalt – kort gezegd – datkredietgevers slechts twee vergoedingen mogen rekenen: (i) een regulierevergoeding verschuldigd bij «afwikkeling overeenkomstig de kredietover-eenkomst» en (ii) een vertragingsvergoeding op het moment dat deconsument zijn betalingsverplichtingen niet nakomt en in gebreke is. Dezestrikt beperkte, toegestane vergoedingen zijn toegespitst op de klassiekevorm van krediet, waarbij een consument een geldbedrag leent en dit intermijnen inclusief vergoeding (veelal uitgedrukt in rente) terugbetaalt.Als hij niet tijdig of volledig nakomt, moet hij een vertragingsvergoedingbetalen. Om consumenten te beschermen, is in het Bk opgenomen datvoor krediet geen hogere kredietvergoeding mag gelden dan (thans) 12%en dat de vertragingsvergoeding bovendien niet meer mag zijn dan deafgesproken rente bij reguliere aflossing. Aangezien de regulierekredietvergoeding is gemaximeerd op (thans) 12%, kan de vertragingsver-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 389 goeding ook nooit meer zijn dan dat percentage. De reguliere kredietver-goeding omvat alle beloningen en vergoedingen ter zaken van eenkredietovereenkomst, onder welke benaming ook bedongen.68 Devertragingsvergoeding omvat eveneens alle kosten die bij vertraging inrekening mogen worden gebracht, inclusief incassokosten. De grondslagvoor het Bk waarin de maximumkredietvergoeding is geregeld isartikel 7:76, tweede lid BW.Artikel 7:76 BW wordt vereenvoudigd in die zin dat het nieuwe eerste lidslechts bepaalt – kort gezegd – dat kredietgevers geen hogere vergoedingmogen rekenen dan bij of krachtens algemene maatregel van bestuurbepaald (in dit geval het Bk). Daarnaast mag de kredietvergoeding niet opeen ander tijdstip in rekening worden gebracht dan bij Bk bepaald. Dezewijziging geeft de nodige flexibiliteit om op een later moment – bij dewijziging van het Bk naar aanleiding van dit wetsvoorstel – de regels tenaanzien van de maximumkredietvergoeding en -vertragingsvergoeding zoaan te passen dat ze ook passend zijn voor kredietvormen die nieuwworden gereguleerd, met name uitstel van betaling. Wordt deze wijzigingniet doorgevoerd, dan mogen aanbieders van uitstel van betaling nainwerkingtreding van dit wetsvoorstel slechts één vergoeding rekenen bijreguliere afwikkeling. Dit terwijl aanbieders van bijvoorbeeld kaarten metuitgestelde debitering op dit moment meerdere vergoedingen in rekeningbrengen bij de consument: niet alleen maandelijkse kaartkosten maar ooktransactie-gerelateerde kosten. Instandhouding van het eerste lid zoals hetnu luidt zou zo een forse ingreep in het kostenmodel van deze aanbiedersbetekenen, waarvoor geen aanleiding is. Bovendien valt dan niet uit tesluiten dat het kostenmodel van deze aanbieders, die met dit wetsvoorstelonder het regime van de richtlijn worden gebracht, dermate onder drukkomt te staan dat het aanbod verschraalt. Onder meer gezien het nut vandeze kaarten voor consumenten (denk aan het huren van een auto tijdenseen vakantie in het buitenland) en het feit dat er weinig schuldenproble-matiek hierbij voorkomt, is het wenselijk het aanbieders van kaarten metuitgestelde debitering toe te (blijven) staan maandelijkse kaartvergoe-dingen én transactiekosten in rekening te kunnen brengen.De materiële norm zoals vastgelegd in het huidige artikel 7:76, eerste lidBW zal hiervoor worden overgeheveld naar het Bk en blijven gelden vooronder andere «klassiek krediet» waarbij een geleend geldbedrag over eenperiode met rente wordt terugbetaald. Dit houdt in – kort gezegd – datdeze aanbieders bij reguliere afwikkeling slechts één vergoeding mogenrekenen, veelal een rentepercentage op de maandelijkse termijnen. Vooruitstel van betaling zal naar verwachting worden geregeld dat aanbieders– onder strikte, nader te bepalen voorwaarden – meerdere vergoedingenmogen rekenen. Hierbij wordt in elk geval gedacht aan de voorwaarde datover het opgenomen bedrag (het bedrag waarvoor uitstel van betaling isverleend) geen rentepercentage mag worden gerekend. Dit is naarverwachting namelijk ook positief voor de consumentenbescherming bijuitstel van betaling in de vorm van «koop nu, betaal later»-krediet. Eenconsument wordt dan niet achteraf geconfronteerd met rentekosten, maarwordt gehouden enige kosten met betrekking tot «koop nu, betaallater»-krediet op andere wijze te voldoen, bijvoorbeeld in de vorm vantransactie-gerelateerde kosten (die nu ook gebruikelijk zijn bij kaarten metuitgestelde debitering). Deze kosten zouden een wenselijke drempelvormen – met name voor jongere consumenten – om achteloos van «koopnu, betaal later»-krediet gebruik te maken. Andere voorwaarden ommeerdere vergoedingen te rekenen worden nog overwogen. Opgemerktzij overigens dat aanbieders van «koop nu, betaal later»-krediet68Zie ook: Siemerink, L.A.R., «Buitengerechtelijke incasso van privaatrechtelijke schulden bijnatuurlijke personen» Nederlands Juristenblad afl. 27 h. 4.1, 13 september 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 390 momenteel op voorhand veelal geen enkele vergoeding rekenen, en dathet gezien dit inmiddels breed bekende model ook niet de verwachting isdat deze kredietgevers dit gaan doen.Tot slot, geldt dat – waar de mogelijkheid tot het rekenen van eenreguliere kredietvergoeding bij uitstel van betaling zal worden verruimd –de vertragingsvergoeding wel wettelijk zal worden gemaximeerd. Dit isbelangrijk, want met name bij «koop nu, betaal later»-krediet bestaat hetrisico dat aanbieders op voorhand gemakkelijk kosteloos uitstel vanbetaling verlenen, wat verleidelijk is voor consumenten. Pas op hetmoment dat consumenten niet kunnen of vergeten te betalen, kunnen bijhen hoge (onvoorziene) kosten in rekening worden gebracht, die debetalingsproblemen slechts verergeren. Aangezien de vertragingsver-goeding op dit moment niet hoger mag zijn dan de overeengekomenkredietvergoeding (en er voor kosteloos uitstel van betaling dus ook geenvertragingsvergoeding zou mogen worden gerekend), zal het Bk hiervoorworden aangepast. Het is immers niet wenselijk dat er überhaupt geenvertragingsvergoeding mag worden gerekend. Aanbieders maken bijvertraging namelijk wel degelijk kosten, die zij redelijkerwijs ook inrekening mogen brengen.SAan artikel 7:77 BW wordt een lid toegevoegd om de samenloop teregelen tussen dit artikel en artikel 7:60a BW, dat strekt tot implementatievan artikel 14 van de richtlijn. Artikel 7:77 BW blijft immers bestaan naastartikel 7:60a BW, voor de gevallen waarin niet sprake is van een consu-mentenkredietovereenkomst in de zin van afdeling 1, maar wel van eenconsumentenkredietovereenkomst in de zin van afdeling 2.ARTIKEL III (Wet handhaving consumentenbescherming)Dit artikel wijzigt de Whc. De Whc regelt de toekenning van taken enbevoegdheden aan bevoegde instanties in geval van inbreuken opbepaalde regels van consumentenrecht. Een inbreuk op grond van deWhc is een overtreding van een wettelijke bepaling als bedoeld in debijlage bij de Whc die schade toebrengt of kan toebrengen aan decollectieve belangen van consumenten. De AFM is de bevoegde instantieals een dergelijke inbreuk betrekking heeft op een financiële dienst ofactiviteit.69De AFM is op grond van artikel 3.1, tweede lid, van de Whc, aangewezenals de bevoegde autoriteit voor inbreuken of inbreuken binnen de Unie opwettelijke bepalingen bedoeld in onderdeel b van de bijlage bij de Whc.Aan dit onderdeel van de bijlage worden met dit wetsvoorstel toegevoegdde artikelen 7:58b, 7:60, vierde lid, 7:60a, 7:60b, 7:62, 7:66, 7:67a, 7:68,7:68a, 7:70, 7:75 en 7:77 BW.ARTIKEL IV (Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek)Artikel 47 van de richtlijn bevat overgangsrecht. Ter implementatie van ditartikel wordt een nieuwe bepaling ingevoegd in de OnBW. Artikel 211aaregelt dat de tevoren geldende Titel 2a van Boek 7 van toepassing blijft opbestaande overeenkomsten voor bepaalde tijd. Voor consumentenkredie-tovereenkomsten met een onbepaalde looptijd hebben een aantal nieuweartikelen directe werking. Deze zijn daarom uitgezonderd van de eerbiedi-gende werking. Tot slot is in het derde lid de overgangsregeling voor69Zie ook: Lieverse, C.W.M., «Wet handhaving consumentenbescherming: de rol en hetspeelveld van de AFM» Tijdschrift voor Financieel Recht nr. 5, mei 2022.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 391 kredietovereenkomsten in de vorm van kaarten met uitgestelde debiteringgeregeld in overeenstemming met artikel 1:20, vierde lid, Wft. Zie vooreen toelichting op deze overgangsregeling de artikelsgewijze toelichtingbij artikel 1:20, vierde lid, Wft.ARTIKEL VDe richtlijn dient op 20 november 2025 in nationale wetgeving- enregelgeving te zijn geïmplementeerd. De nationale bepalingen dienenuiterlijk van toepassing te zijn op 20 november 2026. De beoogde datumvan inwerkingtreding van deze bepalingen is 26 november 2026.De Minister van Financiën,E. HeinenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 392 TransponeringstabelBepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 1Behoeft geen implementa-tieN.v.t.N.v.t.Artikel 2 lid 1Behoeft geen implementa-tieN.v.t.N.v.t.Artikel 2 lid 2onderdeel aReeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:58 lid 2 onder-deel a BWN.v.t.N.v.t.Artikel 2 lid 2onderdeel bArtikel 7:58 lid 2 onder-deel b BWN.v.t.N.v.t.Artikel 2 lid 2onderdeel cDeze uitsluiting is nietgeïmplementeerdDe richtlijn sluit kredieto-vereenkomsten uit vooreen totaal kredietbedragvan meer dan € 100.000.Het staat lidstaten vrij ombuiten het geharmoni-seerd gebied bestaandenationale regels in testellen of te handhaveningevolge artikel 42 enoverweging 13 en 14 vande preambule van derichtlijn.Van de beleidsruimte is,evenals bij de implementa-tie van de CCDI, gebruikge-maakt, omdat er voor deNederlandse situatie geenreden is om de consumentbij de totstandkoming vandeze overeenkomsten debescherming van Titel 2avan Boek 7 BW te ontzeg-gen. Consumptief krediet(oftewel zonder hypothe-caire of pandrechtelijkezekerheid) van boven de€ 100.000 komt niet totnauwelijks voor inNederland. Instandhoudingvan de status quo (zonderbovengrens van hettoepassingsgebied) levertdaarom ook geen noemens-waardige regeldruk op.Artikel 2 lid 2onderdeel dReeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:58 lid 2 onder-deel f BWN.v.t.N.v.t.Bijlage.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 393 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 2 lid 2onderdeel eReeds onderdeel van hetbestaande recht inartikelen 7:59 lid 2, 7:60 lid2, 7:61 lid 7, 7:64, 7:66 lid 7en 7:67 lid 4 BWOvereenkomsten waarbijeen kredietgever deconsument een kredietverstrekt en met dit kredietvoor de consumentfinanciële instrumentenaankoopt, zijn uitgezon-derd van het toepassings-gebied van de richtlijn. Derichtlijn biedt echter demogelijkheid om dezeuitsluiting niet over tenemen ingevolgeoverweging 13 en 14 vande preambule van derichtlijn.Overeenkomsten waarbijeen kredietgever deconsument een kredietverstrekt en met dit kredietvoor de consumentfinanciële instrumentenaankoopt, zijn nietuitgezonderd in artikel 1:20Wft en artikel 7:58 BW. Ditwordt gehandhaafd omdatdeze effectenkredietenrisicovolle hefboomcon-structen zijn waarbij eenconsument belegt metgeleend geld. Het belangvan consumentenbescher-ming gaat hier boven hetzakelijk belang vankredietaanbieders ommogelijk geld te verdienenaan risicovol effectenkredieten daarmee boven hetbelang van een mogelijkelastenluwe implementatievan de richtlijn.Artikel 2 lid 2onderdeel fReeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:58 lid 2 onder-deel g BWN.v.t.N.v.t.Artikel 2 lid 2onderdeel gArtikel 7:58 lid 2 onder-deel c en artikel 1:20 lid 1,onderdeel c WftN.v.t.N.v.t.Artikel 2 lid 2onderdeel hArtikel 7:58 onderdelen den e BW en 1:20, lid 1,onderdeel e WftN.v.t.N.v.t.Artikel 2 lid 2onderdeel iReeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:58 lid 2 onder-deel h BWN.v.t.N.v.t.Artikel 2 lid 2onderdeel jReeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:58 lid 2 onder-deel i BWN.v.t.N.v.t.Artikel 2 lid 2onderdeel kReeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:58 lid 2 onder-deel j BW en artikel 1:20 lid1 onderdeel a WftN.v.t.N.v.t.Artikel 2 lid 2onderdeel lArtikel III en artikel IV.N.v.t.N.v.t.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 394 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 2 lid 3Reeds onderdeel van hetbestaande recht.Zie toelichting in detransponeringstabel,artikel 2, lid 2, onderdeel c.Zie toelichting in detransponeringstabel,artikel 2, lid 2, onderdeel c.Artikel 2 lid 4 aanhefen aArtikel 1:20 lid 2 Wft enartikel 7:58 lid 3 BW.N.v.t.N.v.t.Artikel 2 lid 4 aanhefen bArtikel 1:20 lid 2 Wft.Artikel 2 lid 4 aanhef en bbiedt lidstaten de ruimteom kredietovereenkom-sten in de vorm vanoverschrijding uit tezonderen van artikel 18van de richtlijn.Van de beleidsruimte omartikel 18 niet van toepas-sing te verklaren opkredietovereenkomsten inde vorm van overschrijdingis gebruik gemaakt, omdathet bij overeenkomsten inde vorm van overschrijdingniet de intentie van partijenis om krediet af te sluiten.Overschrijding is immersniet vooraf overeengeko-men, maar vindt plaatswanneer tijdelijk denulstand van een betaalre-kening wordt overschreden.Het is wenselijk datkredietgevers dezeflexibiliteit in het regulierebetalingsverkeer blijvenaanbieden.Artikel 2 lid 5Behoeft geen implementa-tie.Artikel 2 lid 5 biedtlidstaten de ruimte omkredietovereenkomsten inde vorm van kaarten metuitgestelde debitering vrijte stellen van de richtlijn.Van de beleidsruimte isgeen gebruik gemaakt. Dereden hiervoor is dat dezekredieten een vorm vanuitgestelde betaling zijn,wat onder het toepassings-bereik van de richtlijn iskomen te vallen. Eenuitzondering hierop ligt nietin de rede. Zie voor eenuitgebreidere toelichtingparagraaf 4 van hetalgemeen deel.Artikel 2 lid 6Behoeft geen implementa-tieArtikel 2 lid 6 biedtlidstaten de ruimte om eenmaatwerkregeling tetreffen voor kredietover-eenkomsten die wordengesloten door eenorganisatie waarbij hetkrediet wordt aangebodenaan een beperkt publiek.Bij de implementatie van deCCDI is geen gebruikgemaakt van deze lidstaat-optie, omdat destijds geendergelijke organisaties dieaan de eisen voldedenbestonden in Nederland.Deze situatie lijkt nietveranderd te zijn. Er zijn ookgeen signalen dat erbehoefte bestaat aan hetgebruikmaken van dezebeleidsruimte.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 395 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 2 lid 7Behoeft geen implementa-tieArtikel 2 lid 7 biedtlidstaten de ruimte om eenmaatwerkregeling tetreffen voor kredietover-eenkomsten die voorzienin regeling voor uitstel vanbetaling.Bij de implementatie van deCCDI is geen gebruikgemaakt van deze lidstaat-optie. Ook is daar nu geenaanleiding voor. Van belangis dat een betalingsregelingop basis van het Neder-landse recht wordtbeschouwd als eenvoortzetting van debestaande kredietovereen-komst, zodat de verplichtin-gen voor de kredietgeverbeperkt zijn en er dus geennoodzaak bestaat om eenlichter regime te latengelden voor de betalingsre-geling door gebruik temaken van de lidstaatoptie.Artikel 2 lid 8Artikel 7:60 lid 6 BWArtikel 2 lid 8 biedtlidstaten de ruimte ombepaalde onderdelen vanartikelen uit de richtlijninzake reclamevereisten enprecontractuele informatiebuiten toepassing teverklaren.Er wordt vanuit het oogpuntvan het beperken vanlastendruk gebruik gemaaktvan deze lidstaatoptie, dooreen uitzondering te regelenop artikel 10 lid 5 van derichtlijn voor bepaaldekredieten. Zie voor eenuitgebreidere toelichtingparagraaf 4 van hetalgemeen deel.Artikel 3Artikelen 1:1 Wft en 7:57BWN.v.t.N.v.t.Artikel 4Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t.Artikel 5Artikel 7:58b BWN.v.t.N.v.t.Artikel 6Artikel 4:34b WftN.v.t.Op grond van artikel 6 vande richtlijn is het mogelijkom leeftijd als voorwaardete stellen voor toegang totkrediet, indien dit onder-scheid op grond van leeftijddoor objectieve criteriagerechtvaardigd is. Artikel 6van de richtlijn is degrondslag voor het verbodin artikel 4:34b Wft.Artikel 7Artikel 7:59 lid 1 BW enreeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 6:193b BWN.v.t.N.v.t.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 396 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 8 lid 1Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 4:22 Wft, artikel 56BGfo en 2:2 Naderregeling gedragstoezichtfinanciële ondernemingenN.v.t.N.v.t.Artikel 8 lid 2 tot enmet 6Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:61 lid 2 BW enartikel 4:22 Wft, artikel 53BGfo en artikel 2:2 Naderregeling gedragstoezichtfinanciële ondernemingenN.v.t.N.v.t.Artikel 8 lid 7BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 8 lid 8BGfoArtikel 8 lid 8 biedtlidstaten de ruimte ombepaalde vormen vanreclame inzake krediet teverbieden.Nader uit te werken opAMvB-niveau. Het voorne-men is om gebruik te makenvan deze beleidsruimte omdeze vormen van reclame teverbieden.Artikel 9BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 10Artikel 4:33 Wft enartikel 7:60 BW en BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 11Behoeft geen implementa-tieN.v.t.N.v.t.Artikel 12 lid 1Artikel 7:60 lid 2 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 12 lid 2(adequate toelichting)Behoeft geen implementa-tieArtikel 12 lid 2 biedtlidstaten de ruimte omspecifieke eisen te stellenaan de vereiste toelichtingop de kredietovereen-komst, afhankelijk van dedoelgroep, het soortkrediet of de omstandighe-den van het kredietaan-bod.Van deze lidstaatoptie wordtgeen gebruik gemaakt.Uit algemeen consumenten-recht en regels die al vantoepassing op financiëledienstverleners, volgt datkredietgevers bij hetaanbieden van hunproducten al rekeningdienen te houden met dedoelgroep, type product enomstandigheden van hetaanbod. Aanvullende eisenhebben beperkte toege-voegde waarde op dezebestaande regels en detoelichting die de kredietge-ver moet verstrekken opgrond van artikel 12, eerstelid, van de richtlijn.Artikel 13Artikel 7:60 lid 4 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 14 lid 1Artikel 7:60a lid 1 BWN.v.t.N.v.t.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 397 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 14 lid 2Artikel 7:60a lid 2 BWArtikel 14 lid 2 biedtlidstaten de ruimte om eenuitzondering te maken ophet verbod op koppelver-koop door koppelverkoopvan een spaar- enbetaalrekening bij eenkredietovereenkomst weltoe te staan.Er wordt gebruik gemaaktvan deze beleidsruimte omde bestaande praktijk vankoppelverkoop van eenbetaalrekening op basis vanhet reeds bestaandeartikel 7:77 lid 1, onder-deel b, onder 2, BW tehandhaven. Hiermee wordtlastenluw geïmplemen-teerd.Artikel 14 lid 3Artikel 7:60a lid 3 BWArtikel 14 lid 3 biedtlidstaten de ruimte omonder voorwaarden eenuitzondering mogelijk temaken voor koppelver-koop van een verzeke-ringspolis bij eenkredietovereenkomst.Deze uitzondering maaktreeds onderdeel uit van hetbestaande recht, inartikel 7:77, lid 1, onder-deel b, onder 1, BW. Erwordt gebruik gemaakt vandeze lidstaatoptie omdat destatus quo – die hiermeewordt gehandhaafd – hetmidden vindt tussenbeperking van lastendruk enconsumentenbescherming.Enerzijds wordt deconsument door deverplichte verzekeringbeschermd tegen bijvoor-beeld het wegvallen vaninkomen en het niet meerkunnen aflossen van de(rest)schuld. Anderzijdsbehoudt de consument devrijheid om te kiezen bijwelke verzekeraar hij deverzekering afsluit, zodat hijniet wordt gedwongen depotentieel nadeligevoorwaarden van dekredietgever te accepteren.Opgemerkt zij overigens datverplichte verzekeringen bijconsumptief krediet inNederland nauwelijksvoorkomen.Artikel 14 lid 4Artikel 7:60b BWN.v.t.N.v.t.Artikel 14 lid 5Artikel 7:60a lid 4 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 15Artikel 7:58a lid 2 en 3 BWen artikel 4:34c WftN.v.t.N.v.t.Artikel 16 lid 1 en 3Artikel 4:23 Wft en BGfoN.v.t.N.v.t.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 398 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 16 lid 2Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 4:23 Wft en BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 16 lid 4BGfoArtikel 16 lid 4 biedtlidstaten de ruimte om hetgebruik van de termen«advies» of «adviseur»voor kredietgevers ofkredietbemiddelaars teverbieden.Nader uit te werken opAMvB-niveau. Het voorne-men is om geen gebruik temaken van deze beleids-ruimte. Het nationale rechtstelt reeds zware eisen aande financiële dienst vanadviseren, waarmee eenverbod op het gebruik vandeze termen niet noodza-kelijk is ter bescherming vande consument. Als gevolgvan deze keuze dienen weleisen gesteld te worden aanhet gebruik van de termen«onafhankelijk advies» en«onafhankelijk adviseur».Artikel 16 lid 5BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 16 lid 6Artikel 5 Vr WftArtikel 16 lid 6 biedtlidstaten de ruimte om éénof meer van de in hetzesde lid genoemdevormen van advisering toete staan, door personendie niet tevens kredietge-ver of kredietbemiddelaarzijn.Nader uit te werken opAMvB-niveau. Het voorne-men is om gebruik te makenvan de lidstaatoptie om desituaties toe te staan alsgenoemd in de onderdelenb, c en d van artikel 16 lid 6,zodat ook personen kunnenadviseren die niet tevensbemiddelen. Onderdeel a isniet aan de orde, nu deuitzondering te breed is.Artikel 17Artikel 7:58a lid 1 BW enartikel 4:34c WftN.v.t.N.v.t.Artikel 18 lid 1Artikel 4:34, artikel 4:34aWft, artikel 7:74 lid 4 BWen BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 18 lid 2Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 4:99 WftN.v.t.N.v.t.Artikel 18 lid 3Artikel 4:34 en 4:34a Wften BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 18 lid 4Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 115 lid 1 BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 18 lid 5Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 4:34 lid 1 Wft.N.v.t.N.v.t.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 399 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 18 lid 6Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 4:34 lid 2 WftN.v.t.N.v.t.Artikel 18 lid 7Artikel 7:67a BW en BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 18 lid 8BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 18 lid 9BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 18 lid 10Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 4:34 WftN.v.t.N.v.t.Artikel 18 lid 11Artikel 4:32 en 4:34 lid 1Wft en artikel 114 BGfoArtikel 18 lid 11 biedtlidstaten de ruimte omraadpleging van eendatabank te verplichten.Er wordt gebruik gemaaktvan de beleidsruimte omhet bestaande recht tekunnen handhaven, waarbijde aanbieder van kredietverplicht is een relevantedatabank, zoals in Neder-land de databank van BKR,te raadplegen voor dekredietwaardigheidsbeoor-deling. BKR is in Nederlandzo ingebed in het systeem,dat de aanwijzing van BKRals beheerder van hetstelsel van kredietregistratiein de rede ligt en het nietopportuun is om een anderepartij of de overheid dat telaten doen.Artikel 19 lid 1Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 4:32 Wft en 114BGfo en Wetsvoorstelstelsel kredietregistratieN.v.t.N.v.t.Artikel 19 lid 2Wetsvoorstel stelselkredietregistratieN.v.t.N.v.t.Artikel 19 lid 3Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t.Artikel 19 lid 4Wetsvoorstel stelselkredietregistratieN.v.t.N.v.t.Artikel 19 lid 5Artikel 4:34a WftN.v.t.N.v.t.Artikel 19 lid 6Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 4:32 lid 2 WftN.v.t.N.v.t.Artikel 19 lid 7Artikel 4:32 lid 4 WftN.v.t.N.v.t.Artikel 19 lid 8Wetsvoorstel stelselkredietregistratieN.v.t.N.v.t.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 3100 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 20 lid 1Artikel 7:61 lid 1 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 20 lid 2Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t.Artikel 21Artikel 7:61 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 22Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:61a BW (Imple-mentatiewet richtlijnkredietservicers enkredietkopers)N.v.t.N.v.t.Artikel 23Artikel 7:62 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 24 lid 1Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:63 lid 1 BW.N.v.t.N.v.t.Artikel 24 lid 2 tot enmet lid 4Artikel 7:63 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 24 lid 5Behoeft geen implementa-tieArtikel 24 lid 5 biedtlidstaten de ruimte omstrengere regels voor teschrijven voor kredietover-eenkomsten in de vormvan een geoorloofdedebetstand.Er wordt geen gebruikgemaakt van deze beleids-ruimte om striktere regels inte stellen voor dezekredietvorm, nu de regels inde richtlijn reeds zijnaangescherpt en ditvoldoende consumentenbe-scherming biedt.Artikel 25Artikel 7:70 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 25 lid 6Behoeft geen implementa-tieArtikel 25 lid 6 biedtlidstaten de ruimte omstrengere regels voor teschrijven voor kredietover-eenkomsten in de vormvan overschrijding.Er wordt geen gebruikgemaakt van deze beleids-ruimte om striktere regels inte stellen voor dezekredietvorm, nu de regels inde richtlijn reeds zijnaangescherpt en ditvoldoende consumentenbe-scherming biedt.Artikel 26Artikel 7:66 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 26 lid 4Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 3101 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 26 lid 8Behoeft geen implementa-tieArtikel 26 lid 8 biedtlidstaten de ruimte om deleden 1 tot en met 6 vandit artikel niet vantoepassing te verklaren opkredietovereenkomstendie volgens de nationalewetgeving door tussen-komst van een notarismoeten worden gesloten.Er wordt geen gebruikgemaakt van deze lidstaat-optie, omdat het nationalerecht geen tussenkomst vaneen notaris bij consumen-tenkredietovereenkomstenvoorschrijft.Artikel 27 lid 1Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 6:271 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 27 lid 2Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:67 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 27 lid 3Behoeft naar zijn aardgeen implementatie.N.v.t.N.v.t.Artikel 28Reeds onder-deel bestaande recht inartikel 7:65 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 29 lid 1Reeds onder-deel bestaande recht inartikel 7:68 lid 1 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 29 lid 2Reeds onder-deel bestaande recht inartikel 7:68 lid 2 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 29 lid 3Reeds onder-deel bestaande recht inartikel 7:68 lid 2 en lid 5BWN.v.t.N.v.t.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 3102 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 29 lid 4Artikel 7:68 lid 3 BWArtikel 29 lid 4 biedtlidstaten de ruimte om teregelen dat a) de krediet-gever pas vergoedingenbij vervroegde aflossing inrekening mag brengenindien deze boven eenbepaald drempelbedragkomt of om te regelen datb) hogere vergoedingendan genoemd in derichtlijn zijn toegestaan.Bij de implementatie van deCCDI is gedeeltelijk gebruikgemaakt van de beleids-ruimte, namelijk de ruimtein onderdeel b. Deze keuzewordt gehandhaafd omdater geen signalen zijn vanonevenredige nadelen voorde consument als gevolgvan deze keuze en omdathet bij grote kredieten vooreen kredietgever van belangis om zekerheid te hebbenover betalingen tegen eenafgesproken rentetarief(welke zekerheid zouworden ondermijnd bij eenonbeperkt recht opvervroegde, kostelozeaflossing). Van de gelegen-heid is ook gebruikgemaaktom het drempelbedrag alsgenoemd in artikel 7:68 lid 3BW in lijn te brengen methet toepassingsbereik vande herziene richtlijn, teweten kredietovereenkom-sten tot een bedrag van€ 100.000. Dat was eerst€ 75.000. Ook is van degelegenheid gebruikge-maakt om toe te voegen datindien de door de kredietge-ver gevorderde vergoedinghoger is dan het werkelijkgeleden verlies, deconsument een overeen-komstige vermindering kanvorderen.Artikel 29 lid 5Reeds onder-deel bestaande recht inartikel 7:68 lid 4 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 30Artikel 7:57 lid 1 onder-deel i, artikel 7:71 BWen bijlage A BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 31 lid 1Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 115a BGfo enartikel 1a Uitvoeringsrege-ling Wft en BkN.v.t.N.v.t.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 3103 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 31 lid 2Artikel 1:16 Wft. In het BWreeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:76 lid 2 BW en hetBkArtikel 31 lid 2 biedtlidstaten de ruimteverboden of beperkingenvast te stellen wat betreftspecifieke kosten ofvergoedingen die doorkredietgevers op hungrondgebied wordentoegepast.Er is gebruik gemaakt vandeze lidstaatoptie om hetbestaande recht (dewettelijke maximumkrediet-vergoeding) te kunnenhandhaven, waarbij dekredietvergoeding en devertragingsvergoeding isgemaximeerd in het BesluitKredietvergoeding. Ditbeschermt de kredietnemer,die zich in een afhankelijk-heidspositie bevindt tenopzichte van de kredietge-ver, tegen de kredietgever.Hiermee wordt nietlastenluw geïmplementeerd(kredietgevers kunnenimmers geen onbeperkt JKPrekenen) omdat het belangvan consumentenbescher-ming hier prevaleert.Artikel 31 lid 3Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t.Artikel 31 lid 4Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t.Artikel 32 lid 1Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikelen 4:15, 4:24a, 4:25Wft en paragraaf 5.2, 8.1.3,8.2 BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 32 lid 2Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 1:119 WftN.v.t.N.v.t.Artikel 32 lid 3Afdeling 1.7.2 WftN.v.t.N.v.t.Artikel 32 lid 4Artikel 4:74 Wft enartikel 155 BGfoArtikel 32 lid 4 biedtlidstaten de ruimte omcommissielonen door dekredietgever aan dekredietbemiddelaar teverbieden.Van de beleidsruimte wordtgeen gebruik gemaakt. Hetnationale recht gaat inbeginsel uit van eenprovisiegebod, inhoudendedat de bemiddelaar alleenbetaald mag worden doorde kredietgever (kredietaan-bieder).Artikel 32 lid 5BGfoN.v.t.N.v.t.Artikel 33 lid 1 en 2Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 4:9 Wft en artikel 6en 7 BGfoN.v.t.N.v.t.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 3104 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 33 lid 3Behoeft naar zijn aardgeen implementatie, volgtuit systeem van de wet,afdeling 1.4.2. WftN.v.t.N.v.t.Artikel 34Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t.Artikel 35 lid 1eerste alineaArtikel 4:35a Wft enartikel 7:70a BW (Imple-mentatiewet richtlijnkredietservicers enkredietkopers)N.v.t.N.v.t.Artikel 35 lid 1 tweedealineaArtikel 4:34 lid 3 WftN.v.t.N.v.t.Artikel 35 lid 2Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t.Artikel 35 lid 3Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:76 BW enartikel 11 BkArtikel 35 lid 3 biedtlidstaten de ruimte om tevereisen dat de kostenvoor niet-nakoming niethoger zijn dan hetgeennodig is ter vergoedingvan de schade die dekredietgever als gevolgvan de niet-nakomingheeft geleden.Er is gebruik gemaakt vandeze lidstaatoptie om hetbestaande recht te kunnenhandhaven, waarbij dekredietgever wordttoegestaan kosten terekenen aan de kredietne-mer wegens niet-nakomingvan de kredietovereenkomstin de vorm van eenvertragingsvergoeding.Daarin zijn wel beperkingenaangebracht om dekredietnemer, die zich ineen afhankelijkheidspositiebevindt ten opzichte van dekredietgever, te bescher-men.Artikel 35 lid 4Behoeft naar zijn aardgeen implementatie.Artikel 35 lid 4 biedtlidstaten de ruimte om eenplafond vast te stellenindien zij kredietgeverstoestaan aan de consu-ment aanvullende kostenaan te rekenen op grondvan het derde lid.Aangezien geen gebruik isgemaakt van de lidstaatop-tie uit artikel 35 lid 3, isimplementatie niet aan deorde.Artikel 35 lid 5Behoeft naar zijn aardgeen implementatie.N.v.t.N.v.t.Artikel 36 lid 1Reeds onderdeel van hetbestaande recht in Wetgemeentelijke schuldhulp-verlening.N.v.t.N.v.t.Artikel 36 lid 2 en 3Artikel 4:35b Wft en 7:68aBWN.v.t.N.v.t.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 3105 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 36 lid 4Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t.Artikel 37 lid 1Artikel 2:80 en 2:81 Wft enartikel 6 Vr WftN.v.t.N.v.t.Artikel 37 lid 2Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 2:61 lid 1 WftN.v.t.N.v.t.Artikel 37 lid 3onderdeel aArtikel 2:80, 2:81 Wft enartikel 6 Vr Wft.Artikel 37 lid 3 onderdeel abiedt lidstaten de ruimteom registratie- envergunning vereistenbuiten toepassing teverklaren voor leveran-ciers van goederen ofdienstverleners diebemiddelen en die aanbepaalde voorwaardenvoldoen.Er wordt vanuit het oogpuntvan vermindering vanlastendruk gebruik gemaaktvan de beleidsruimte ommicro-, kleine- en middel-grote kredietbemiddelaarsdie in nevenactiviteitbemiddelen uit te zonderenvan artikel 37 lid 1.Zie voor een uitgebreideretoelichting paragraaf 4 vanhet algemeen deel.Artikel 37 lid 3onderdeel b2:60 WftArtikel 32 lid 3 onderdeel bbiedt lidstaten de ruimteom registratie- envergunning vereistenbuiten toepassing teverklaren voor leveran-ciers van goederen ofdienstverleners die kredietaanbieden en die die aanbepaalde voorwaardenvoldoen.Er wordt vanuit het oogpuntvan bescherming van deconsument geen gebruikgemaakt van de beleids-ruimte om micro, kleine- enmiddelgrote aanbieders vankrediet die in nevenactiviteitaanbieden en aan bepaaldevoorwaarden voldoen, uit tezonderen van de vergun-ningplicht.Zie voor een uitgebreideretoelichting paragraaf 4 vanhet algemeen deel.Artikel 38Reeds onder-deel bestaande recht inartikel 4:74 Wft enartikel 7:72 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 39Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:69 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 40Reeds onder-deel bestaande recht inartikel 4:17 WftN.v.t.N.v.t.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 3106 Bepaling EU-regelingBepaling in implementa-tieregeling of bestaanderegelingOmschrijving beleids-ruimteToelichting op de keuze(n)bij de invulling van debeleidsruimteArtikel 41 lid 1Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 1:25 Wft enparagraaf 1 van Hoofd-stuk 3 van de Wethandhaving consumenten-bescherming.N.v.t.N.v.t.Artikel 41 lid 2 t/m 8Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t.Artikel 41 lid 9Artikel 1:77q WftArtikel 41 lid 9 biedtlidstaten de ruimte omproductinterventiemoge-lijkheden toe te kennenaan de nationale bevoegdeautoriteiten.Van deze lidstaatoptie wordtgebruik gemaakt om hetinstrumentarium van deAFM uit te breiden omdirect in te kunnen grijpenbij onwenselijke krediet-praktijken Zie voor eenuitgebreidere toelichtingparagraaf 4 van hetalgemeen deel.Artikel 42Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t.Artikel 43Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikel 7:73 BWN.v.t.N.v.t.Artikel 44Reeds onderdeel van hetbestaande recht inartikelen 1:25 lid 2, 1:79,1:80 en 1:81 Wft en Besluitbestuurlijke boetesfinanciële sectorN.v.t.N.v.t.Artikel 45Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t.Artikel 46Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t.Artikel 47Artikel IV en artikel 211aOnBWN.v.t.N.v.t.Artikel 48 t/m 50Behoeft naar zijn aardgeen implementatieN.v.t.N.v.t. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 3107

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 75f99a105dc73c39

14 okt 2026 · 44f8ed8793016eb6

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.