KamerkringInloggen
Kamerstuk

Lijst van vragen en antwoorden over het interdepartementaal beleidsonderzoek bekostiging van de elektriciteitsinfrastructuur (Kamerstuk 29023-553)

13 mei 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie a5bacfcf208587be · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 023Voorzienings- en leveringszekerheid energieNr. 569 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 13 mei 2025 De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft een aantalvragen voorgelegd aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over debrief van 7 maart 2025 inzake het Interdepartementaal beleidsonderzoek(IBO) bekostiging van de elektriciteitsinfrastructuur (Kamerstuk 29 023,nr. 553).De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 13 mei 2025.Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De voorzitter van de commissie,ThijssenAdjunct-griffier van de commissie,Teske kst-29023-569ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 5691 Vragen en antwoorden Vraag 1In hoeverre kan het Right to Challenge-principe bijdragen aan lagerekosten?Antwoord 1Er wordt door marktpartijen gezocht naar mogelijkheden om de bouw vaneen aansluiting te versnellen. Een van de opties is het Right to Challengewaarbij een deel van de werkzaamheden door een derde partij wordtovergenomen. Right-to-Challenge is een generiek concept, breedtoepasbaar en dus niet enkel relevant binnen werkzaamheden aan hetelektriciteitssysteem.Voor elektriciteitsaansluitingen wordt het Right-to-Challenge op ditmoment in twee vormen toegepast. De eerste vorm is zelfaanleg, waarbijde marktpartij in eigen beheer een (grote) aansluitleiding realiseert endeze vervolgens overdraagt aan de transmissiesysteembeheerder ofdistributiesysteembeheerder voor elektriciteit. De tweede vorm is «klantsluit zichzelf aan» (KSZA), waarbij een marktpartij de mogelijkheid krijgtom zelf een (door de distributiesysteembeheerder erkende) installateur teselecteren die voor hem een aansluiting op het middenspanningsdistribu-tiesysteem kan realiseren.In het IBO is niet onderzocht in hoeverre het Right to Challenge-principekan bijdragen aan lagere kosten. Waar het Right to Challenge-principe aankan bijdragen, is het eerder realiseren van de fysieke aansluiting, ervanuitgaande dat er transportcapaciteit beschikbaar is, doordat in eenarbeidsgang werkzaamheden gepland kunnen worden. Het gaat hierbijdus niet om werkzaamheden en kosten ten behoeve van het verzwaren ofuitbreiden van het stroomnet. Tegelijkertijd levert het eerder realiserenvan fysieke aansluitingen – bij voldoende ruimte op het net – welmaatschappelijke baten op, zoals aangegeven in het IBO-rapport.Vraag 2Wat adviseert het IBO ten aanzien van investeringen in het onderwijs(voor netverzwaring)? Moet hier meer in worden geïnvesteerd en zo jahoeveel en op welke manier?Antwoord 2In het IBO wordt niet expliciet geadviseerd over investeringen in hetonderwijs. Wel wordt in het IBO genoemd dat de investeringsplannen vannetbeheerders een «maakbaarheidsgat» bevatten als gevolg van deschaarste aan materialen en mensen. Ook wordt aangegeven dat het bijde ACM – zeker in een krappe arbeidsmarkt – tijd kost om specifiekedeskundigheid en expertise op te bouwen om de totstandkoming entoetsing van de investeringsplannen zo vorm te geven dat: «zij insamenhang de grootst mogelijke bijdrage leveren aan de maatschappelijkjuiste investeringen op het juiste moment en op de juiste locatie».Vraag 3 en 17Hoeveel zou er bespaard kunnen worden op de kosten van het net doormeer in te zetten op lokale energiegemeenschappen?Antwoord 3 en 17Lokale energiegemeenschappen kunnen ertoe besluiten om energie tedelen. Het delen van energie zal echter niet vanzelf leiden tot netkostenbe-sparing. Alleen in specifieke omstandigheden, wanneer energie gedeeldwordt tussen partijen aangesloten op eenzelfde relevant netdeel terwijl ertegelijkertijd sprake is van netcongestie, kan dit voordeel optreden. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 5692 voordeel volgt in dat geval niet uit het delen van energie zelf, maar uit hetfeit dat de gezamenlijke afstemming het gelijktijdige piekgebruik van detransportcapaciteit kan beperken. In het IBO-rapport wordt in bredere zinin beeld gebracht wat de voordelen zijn van het sterker sturen op hetdichter bij elkaar plaatsen van opwek, gebruik en opslagcapaciteit. Deglobale inschatting is dat dit de investeringsopgave op termijn kandrukken met een bedrag van 2–3 miljard euro (op een totaal van107 miljard euro) en op de kortere termijn ruimte vrijspeelt voor nieuwe ofzwaardere aansluitingen met een economische waarde van 0–7,2 miljardeuro structureel.Vraag 4Hoe wijst het Rijk medeoverheden op locatiesturing, en hoe verhoudt zichdat tot de doelen van de Regionale Energiestrategieën?Antwoord 4Op decentraal niveau worden energievisies vertaald naar ruimtelijk beleid,inclusief proactieve reserveringen. Afspraken met decentrale overhedenzijn nodig voor een systeemefficiënte ruimtelijke inpassing op de lagerenetvlakken. Decentrale overheden zijn qua ruimtelijke sturing verantwoor-delijk voor veel onderdelen, zoals locatiekeuzes over windmolens op land,zonnepanelen, hoogspanning van 150kV en lager. Op regionaal niveauvergt dit een nadere (gestandaardiseerde) uitwerking en inzet vaninstrumenten door provincies en gemeenten aan de hand van deprovinciale Energievisie.In 2025 werkt het Rijk in het kader van de uitwerking van de interbestuur-lijke samenwerkingsagenda energiesysteem aan bestuurlijke afsprakenover de doorontwikkeling van het energiesysteem; hier kunnen ooknadere afspraken gemaakt worden over systeem-efficiënte locatiesturingvia planologische instrumenten en wat hiervoor nodig is. Bijvoorbeelddoor de energievisies op te stellen als een omgevingswetprogramma.Overheden dienen ook de impact op de energie-infrastructuur als belangte kunnen meewegen om bepaalde plannen wel/niet te vergunnen. Waarbovenstaand beleid vooral nuttig is voor de programmering van aanbod,flexibiliteit en transport, kan deze maateregel helpen om ook te sturen opde afnamekant. Decentrale overheden worden in staat gesteld om met hetoog op het belang van de doelmatige ontwikkeling van de energie-infrastructuur ruimtelijke keuzes te maken die bepaalde netgebruikerssturen naar locaties waar het energieverbruik passend is bij de aanwezige(of te ontwikkelen) energie-infrastructuur.Aanvullend kan een aanpassing van de Omgevingswet (in samenhangmet de uitwerking van artikel 6.12, tweede lid, Energiewet) het eenvou-diger maken voor decentrale overheden om ruimtelijk te sturen op nieuwevraag en aanbod, vanuit doelmatig gebruik en ontwikkeling van energie-infrastructuur.Via de Regionale Energie Strategieën (RES) maken de medeoverhedenlocatiekeuzes over wind en zon op land om het Klimaatakkoord-doel vanminimaal 35TWh hernieuwbare elektriciteitsproductie te realiseren in2030. Lokale overheden maken hierin zelf een afweging, het Rijk geeft viahet Programma Opwek van Energie op Rijksvastgoed (OER) demogelijkheid om ook rijksgronden beschikbaar te stellen. De RES-ambitiesworden uitgewerkt naar concrete zoekgebieden in het Omgevingsbeleiden uiteindelijk vergunde en gerealiseerde projecten.Daarbij hanteren we bijvoorbeeld een afwegingskader waarbij de impactvan het energiesysteem een van de belangrijke aspecten is. Dit is eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 5693 voorbeeld van de bredere ondersteuning (via onder meer handreikingenen kennisuitwisseling) aan RES-regio’s vanuit het Nationaal ProgrammaRES. Netcongestie is een belangrijk thema bij de RES en netbeheerderszijn nauw betrokken bij de totstandkoming van zowel de strategieën als delocatiekeuze.Vraag 5Hoe is het Rijk precies van plan om energieplanologie mee te nemen inruimtelijke ordeningskwesties?Antwoord 5Via de nationale ruimtelijke programma’s als Programma Energiehoofd-structuur en Programma Verkenning Aanlanding Wind op Zee sturen weop de nationale onderdelen van het energiesysteem. Daarmee sturen weop optimale locaties en anticiperen we op de toekomstige ruimtebehoeftevan het energiesysteem.Dit vormt ook input voor de overkoepelende Nota Ruimte waarbinnen deverschillende grote nationale opgaven en onderliggende programma’sworden samengebracht. Onder de koepel van de Nota Ruimte vindt erstructurele afstemming plaats over de verschillende grote nationaleopgaven in de fysieke leefomgeving.Ook op regionaal niveau is locatiesturing en energieplanologie eenrelevant thema. In de nieuwe interbestuurlijke samenwerkingsagendamaken Rijk en decentrale overheden verdere afspraken over de ruimtelijkekaders die nodig zijn bij de verdere ontwikkeling van de decentrale kantvan het energiesysteem.Vraag 6Hoeveel partijen worden verwacht nog op een wachtlijst te staan, ook bijde gedane geraamde investeringen de komende jaren?Antwoord 6Er staan momenteel meer dan 20 duizend verzoeken voor een (zwaardere)aansluiting voor zowel opwek als invoeding met een totaalvermogen vanruim 32.000 MW. De investeringen die benodigd zijn om partijen op dewachtlijst aan te kunnen sluiten zijn al geïdentificeerd en opgestart (vaakook al in realisatie), of worden opgestart als noodzaak blijkt uit deberekeningen voor de investeringsplannen.Er is daarbij sprake van een zogenoemd maakbaarheidsgat: als gevolgvan schaarste aan mensen, grondstoffen, materialen en ruimte en delange doorlooptijden van bestemmings- en vergunningsprocedureskunnen netbeheerders vaak niet elke investering uitvoeren die zij welzouden willen doen. De in het IBO uitgewerkte interventies kunnen op dekorte termijn leiden tot extra aangesloten volumes en het inlopen van hetmaakbaarheidsgat, waardoor partijen versneld kunnen worden aange-sloten. Het additioneel aangesloten volume wordt in het hoogste scenariogeschat op 5–6 GW in 2030.Vraag 7Kan de zin «Duurzaamheid wordt op Europees en nationaal niveau vaakvertaald naar concrete en wettelijk verankerde doelen; geldt minder voorbetrouwbaarheid en betaalbaarheid» nader toegelicht worden?Antwoord 7Voor duurzaamheid – in casu doelen voor klimaat, hernieuwbare energie,en energiebesparing – zijn zowel Europees als nationaal concretedoelstellingen geformuleerd. Voor het realiseren van deze doelstellingenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 5694 is onder andere voldoende infrastructuur noodzakelijk om de betrouw-baarheid van het elektriciteitsnet te waarborgen, maar daaromtrentworden geen concrete doelen gesteld. Ook voor betaalbaarheid van deoptredende kosten die daarmee samenhangen, worden geen concretedoelen gesteld, terwijl betaalbaarheid uiteraard wel een belangrijkvraagstuk is.Vraag 8Klopt het dat u onder de huidige Routekaart windenergie op zee uitroltonder de voorziene elektriciteitsvraag, en zo ja, waarom?Antwoord 8Het klopt dat de elektriciteitsproductie van de 21 GW die volgens dehuidige routekaart in 2032 gerealiseerd zal zijn, lager is dan de voorzieneelektriciteitsvraag op dat moment. De bijdrage van windenergie aan hetinvullen van de elektriciteitsproductie zal ook op langere termijn eenaanzienlijk deel van de vraag zijn, maar niet de gehele vraag dekken,omdat er periodes zijn zonder wind en om te komen tot een enigszinsgebalanceerde en robuuste elektriciteitsmix.Vraag 9Stelt u, net als Denemarken, bij aanvang van het (via TenneT) doen van de195 miljard euro aan investeringen tot 2040 de eis aan andere landen diedaarvan zullen (mee)profiteren, dat zij mee zullen delen in de kosten? Zonee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en met welke verdeelsleutel vande kosten gebeurt dit?Antwoord 9Investeringen in het binnenlandse elektriciteitsnet zijn primair bedoeld omhet transport van elektriciteit te faciliteren van producenten naarverbruikers in Nederland. Er is sprake van een integrale Noordwest-Europese energiemarkt. Als Nederlandse elektriciteitsproductie per saldogoedkoper is dan in het buitenland zal er op dat moment export plaats-vinden. En dat geldt ook andersom, als landen om ons heen goedkoperproduceren, dan importeert Nederland. De uitwisseling van elektriciteitvormt een essentieel onderdeel voor het garanderen van de leveringsze-kerheid. Deze rol van interconnectie wordt steeds belangrijker naarmatelanden steeds afhankelijker worden van zon- en windenergie.Voor de ontwikkeling van nieuwe infrastructuur op zee, nieuwe intercon-nectoren, en daaraan gerelateerde infrastructuur, zijn afspraken over hetdelen van deze kosten essentieel. Om tot concrete opties te komen vooreen kosten- en batendelingsmechanisme van infrastructuur op zee metbuurlanden zet Nederland in op internationale samenwerking om totgezamenlijke voorstellen te komen binnen de North Seas EnergyCooperation (NSEC). Op welke wijze en met welke (eventuele) verdeel-sleutel zal uit deze gesprekken moeten blijken.Vraag 10Hoe is de regering van plan kosten te mitigeren voor het elektriciteits-netwerk op zee? Door bijvoorbeeld in te zetten op lokale waterstofpro-ductie of alternatieve vormen van opwek zonder hoge netwerkkosten?Antwoord 10Offshore elektrolyse zou wellicht op termijn infrastructuurkosten voorelektriciteit kunnen besparen (en tegelijkertijd investeringen in waterstof-infrastructuur vergen) maar er zijn wel onzekerheden. Het transport vanenergie wordt weliswaar goedkoper, maar elektrolyse op zee is duurderdan elektrolyse op land. Er is daarom nog ontwikkeling van de offshoreelektrolyse technologie nodig. Met die reden stimuleert KGG onderzoek-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 5695 en demonstratieprojecten voor offshore elektrolyse. Zoals toegelicht inhet IBO levert extra waterstofproductie tegelijkertijd geen lagere totalesysteemkosten op, zie daarvoor ook de bij het IBO bijgevoegde studie vanKalavasta en Berenschot naar de effecten van systeemkeuzes opinvesteringen elektriciteitsinfrastructuur (bijlage 10C). Naast elektrolysewordt er ook gekeken naar mogelijkheden om het net op zee beter tebenutten, onder meer door het overdimensioneren van windparken opzee en andere oplossingen om de infrastructuur op zee efficiënter tebenutten.Uit de verschillende energiesysteemstudies, zoals de TNO studies Adapt& Transform, komen geen aantrekkelijke alternatieven voor windparkenop zee. Dit ondanks de hoge netwerkkosten voor die windparken op zee.In deze studies wordt binnen randvoorwaarden geoptimaliseerd op delaagste kosten. Vanuit de netwerkkosten bezien zouden er aantrekkelijkealternatieven kunnen zijn. Als er bijvoorbeeld meer wind op landgebouwd zou kunnen worden, dan zou dat een besparing op de netwerk-kosten opleveren. Het potentieel hiervoor is echter beperkt, vanwege delastige ruimtelijke inpassing. Het kabinet ziet dat niet als een werkbaaralternatief.Vraag 11In hoeverre kan er verlichting komen van de kosten voor uitbreiding vanhet stroomnet indien Duitsland, zoals in Denemarken mee gaat betalenaan de kosten?Antwoord 11De impact hiervan op de kosten van het stroomnet in Nederland zalafhangen van de afspraken die gemaakt worden (zie ook vraag 9). Daarkan op dit moment niet op vooruit worden gelopen.Vraag 12Is het kabinet voornemens om via de jaarlijkse energienota het ambitie-niveau voor wind op zee op of af te schalen, en waarom?Antwoord 12Gezien de ontwikkelingen in de wind op zee sector en de nieuwescenario’s voor de vraagontwikkeling doet het kabinet in het WindenergieInfrastructuurplan Noordzee (WIN), dat rond de zomer aan de Kamerwordt verstuurd, en de klimaat- en energienota, die de Kamer metPrinsjesdag ontvangt, onderzoek naar welke ambities voor 2030, 2040 en2050 realistisch zijn en daaraan verbonden maatschappelijke kosten enbaten. Indien de uitkomsten van deze analyse en afweging vanmaatschappelijke kosten en baten impact hebben op de ambitieniveausvoor 2030, 2040 en 2050 zal het kabinet dit meenemen in de integraleafweging bij de energie- en klimaatnota en in 2026 bij de actualisatie vanhet NPE.De uitrol van windenergie op zee vergt planning op basis van langetijdslijnen. Hierbij geldt dat de ontwikkeling van de elektriciteitsvraagonzeker is en het tempo van de groei niet op jaarbasis in te schatten zalzijn. Het is dus zaak om voor de lange termijn de behoefte aan elektriciteitqua ordegrootte accuraat in te schatten en daarnaast beleid te hebben datborgt dat elektrificatie en aanbodgroei stabiel door kunnen gaan ondankstijdelijke overschotten en schaarstes. Hoewel de ambitie voor de langetermijn daarmee niet wijzigt, worden de beslissingen over de infra-structuur in stappen genomen waardoor er mogelijkheden ontstaan om inbepaalde jaren op te schalen of af te schalen op basis van nieuweinzichten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 5696 Vraag 13Hoeveel kosten kunnen worden gedempt van investeringen in warmte-netten als er gekozen wordt voor een groter privaat aandeel?Antwoord 13De investeringskosten in warmtenetten zijn in principe gelijk bij private ofpublieke aandeelhouders. De aandelenverdeling bepaalt de partij die dieinitieel de renderende investeringen doet en de dividenden incasseert.Greenvis heeft in 2022 de omvang van de totale investeringsopgave voorhet doel van 500.000 nieuwe aansluitingen geraamd op € 4,8 miljard.1 Hetvoornaamste deel van dit bedrag zal via vreemd vermogen wordengefinancierd, waarna zo’n € 1,4 miljard resteert voor de aandeelhouders.Vraag 14Wat wordt er precies bedoeld met, en wat is de onderbouwing voor, «eenadoptiegraad van 20% warmtenetten in 2050»?Antwoord 14PWC heeft een investeringsprognose voor de netbeheerders opgesteld, enheeft daarvoor een aantal aannames gedaan. Een van de gehanteerdeaannames is dat in 2050 20% van de kleinverbruikers is aangesloten opeen warmtenet. Daarbij geven de onderzoekers aan dat deze aannamenog veel onzekerheden kent. De investeringsprognoses voor de elektrici-teitsinfrastructuur in rapporten zoals FIEN en het IBO zijn gebaseerd op deinvesteringsplannen en aannames van de netbeheerders. Als er minderdan 20% van de gebouwen wordt aangesloten op warmtenetten, betekentdat dat er juist méér geïnvesteerd moet worden in de elektriciteitsnetten.Na publicatie van het IBO heeft PBL een actualisatie van de Startanalysegepubliceerd.2 In hun modelmatige benadering komen warmtenettenvoor ongeveer een derde van de woningvoorraad naar voren als de optiemet relatief de laagste nationale kosten.Vraag 15Hoeveel gebruik van (systeem)batterijen wordt er precies beoogd?Antwoord 15(Systeem)batterijen kunnen een steeds belangrijkere rol spelen in onstoekomstig energiesysteem. Ze bieden met name korte termijn flexibiliteitdie essentieel is om de balans tussen vraag en aanbod te behouden in eensysteem met veel weersafhankelijke opwek uit zon en wind. Wel zijn dezebatterijen één van de beschikbare vormen van flexibiliteit. Deze vorm vanflexibiliteit kan een waardevolle bijdrage leveren aan het verminderen vannetcongestie en het omgaan met de variabiliteit van zon- en windenergie,net als andere typen flexibiliteit in het energiesysteemOp dit moment is in Nederland ongeveer 500 MW (megawatt) aanvermogen van systeembatterijen aangesloten op het midden- enhoogspanningsnet. Hoeveel vermogen precies wordt beoogd is niet directte zeggen. In lijn met de herziene Electricity Market Design-verordening(artikel 19f) wordt op Europees niveau gewerkt aan een uniformemethodologie om de flexibiliteitsbehoefte te bepalen. Deze methodologievormt de basis voor een indicatief nationaal doel voor niet-fossieleflexibiliteit per lidstaat, met een specifieke uitsplitsing naar vraagresponsen energieopslag. Over dit indicatieve doel wordt de Kamer later dit jaarverder geïnformeerd.1Greenvis (2022). Investeringsopgave warmte infrastructuur.2Planbureau voor de Leefomgeving (2025). Actualisatie Startanalyse aardgasvrije buurten 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 5697 Vraag 16Hoe werkt het instrument van een prijsgarantie bij warmtenetten precies,en hoe wordt dit instrument meegenomen, dan wel zal het wordenmeegenomen in geval van goed onderzoeksresultaat, in het wetsvoorstelWcw?Antwoord 16De Tweede Kamer heeft 27 maart jl. de Kamerbrief actualisatie randvoor-waarden collectieve warmte ontvangen, waarin dit nader toegelicht wordt.Een relatieve prijsgarantie zou bewoners in wijken waar warmtenetten totde laagste nationale kosten leiden de zekerheid geven dat zij gedurendeeen periode niet meer betalen dan voor aardgas, of op termijn eenwarmtepomp. Hoe meer bewoners hierdoor aansluiten op een collectiefwarmtesysteem, hoe lager de aanloopkosten van dat systeem zijn en hoekorter de relatieve prijsgarantie gebruikt wordt. Als bewoners ervanovertuigd zijn dat de keuze voor een collectieve oplossing voor hen debeste is, worden bovendien onnodige investeringen in gas- en elektrici-teitsnetten voorkomen. Het is nog onzeker of dit instrument er ook gaatkomen en ook de precieze werking is nog niet bekend. Gedurende deeerste fase van de tariefregulering van de Wcw ontstaat meer inzicht in dekostenopbouw van collectieve warmtesystemen. Met dit inzicht zal deACM kostengebaseerde regulering voorbereiden. Als de voorbereidingenvoldoende gevorderd zijn wordt het mogelijk om de effecten vankostengebaseerde regulering voor eindgebruikers in te schatten. Mede opbasis van dit inzicht kunnen dan ook verschillende ontwerpkeuzes metbetrekking tot het borgen van de betaalbaarheid worden gemaakt.Vraag 18Kan toegelicht worden hoe sturing naar locatie in het IBO is meege-nomen, aangezien sturing naar locatie alleen werkt als er financiëlevoordelen zitten aan deze menging van opwek, opslag en vraag? Is daarbijook gekeken naar een lager tarief bij (gelijktijdig) gebruik van lokaalopgewekte of opgeslagen elektriciteit?Antwoord 18Het Rijk kan met planologische instrumenten sturen op de ontwikkelingvan vraag en aanbod. Zie ook hoofdstuk 3.3 van het rapport. Het sturen oplocaties kan bijvoorbeeld door specifiek locaties voor te schrijven in desubsidievoorwaarden en mogelijk ook de voorwaarden van aftrekrege-lingen voor duurzame investeringen. Zie ook beleidsoptie 3.7. Naast ofaanvullend op financiële prikkels kan het Rijk, in samenspraak metmedeoverheden, strikter energieplanologisch beleid voeren waarin hetexpliciet de ruimte aanwijst waar opwek of vraag zich kan ontwikkelen enook waar dit niet kan. Dit kan via het Programma Energiehoofdstructuur(PEH), het besluit Kwaliteit Leefomgeving en de mogelijkheden onder deomgevingswet voor medeoverheden. Dit geldt ook voor opslagcapaciteit.Om te voorkomen dat ineffectieve opslagcapaciteit wordt aangesloten,valt te overwegen om gebruik te maken van het omgevingsrecht. Hierbijwordt alleen een vergunning gegeven voor het plaatsen van een batterijals deze de netcongestie vermindert. In het meest verregaande geval kande beschikbaarheid van een voorkeurslocatie nog meer gegarandeerdworden door gebruik te maken van strategische grondverwerving via hetRijksvastgoedbedrijf (beleidsoptie 3.10). Marktpartijen kunnen alvoordelen behalen door het lokaal afstemmen van vraag en aanbod. Datkan door een gesloten distributiesysteem op te richten, een groepstrans-portovereenkomst af te sluiten of gebruik te maken van cable pooling. Bijeen groepstransportovereenkomst of een andere flexibele overeenkomstwaarbij een partij het elektriciteitsverbruik aanpast aan de lokale situatiein het net, kan een lager nettarief worden gerealiseerd bij grootverbruikersTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 5698 en ook bij kleinverbruikers wanneer gedifferentieerde tarieven wordengeïntroduceerd.In de komende jaren zal er op veel plekken in Nederland (gedeeltelijk)sprake blijven van congestie. Deze wordt gefaseerd opgelost doorverschillende uitbreidingsprojecten. In deze periode kan informatie vannetbeheerders welke transportcapaciteit waar wel of niet beschikbaar is(of komt) ook een bijdrage leveren aan effectieve locatiesturing. Dezeinformatie wordt steeds meer door netbeheerders beschikbaar gesteld,voornamelijk via extra functionaliteiten van de landelijke capaciteitskaart.In het IBO-rapport is in bredere zin in beeld gebracht wat de voordelen zijnvan het sterker sturen op het dichterbij elkaar plaatsen van opwek, gebruiken opslagcapaciteit. Zie ook het antwoord op vraag 3 en 17.Vraag 19Is in het IBO gekeken naar «lokale optimalisatie» als instrument, waarmeezowel planologisch als ook als «makelaar» tussen sectoren in een gebiedwordt gekeken?Antwoord 19In hoofdstuk 3.3 van het IBO-rapport (blz. 46–48) is meer informatie tevinden over hoe locatiesturing van opwek en (groot)verbruik kanbijdragen aan het verminderen van de investeringsopgave.Beleidsoptie 3.6 (aanjagen energiehubs), 3.7 (locatie sturen via energiepla-nologie), 3.8 (invoeren van verschillende biedzones binnen Nederland),3.9 (gerichter investeren in elektrolysers op de juiste locatie) en 3.10(actiever grondbeleid voeren op ruimtelijke inpassing geven ook meerinzicht) werken de mogelijkheden in meer detail uit. Deze uitwerking isterug te vinden in bijlage 6 van het rapport.Vraag 20Hoe is het in het IBO onderzocht hoeveel investeringen er nodig zoudenzijn voor het hoogspanningsnet versus het laagspanningsnet? Hoeverhoudt zich dit tot sturing op locatie en de mate waarin lokale opwek engebruik als prioriteit wordt gesteld?Antwoord 20De huidige prognose is dat netbeheerders in de periode 2024–2040cumulatief 195 miljard euro (bandbreedte: 136–253 miljard euro)investeren in het elektriciteitsnet. Deze prognose is uitgevoerd door PwCen is gebaseerd op de investeringsplannen van TenneT, Liander, Enexis enStedin van 2024. Deze investeringsplannen reiken tot 2034. Voor deperiode 2034–2040 is gebruik gemaakt van een interne financiëleextrapolatie door netbeheerders. Gegeven de lange periode die deprognose betreft en onzekerheden zoals prijsontwikkelingen, de vraagnaar grondstoffen, technologische ontwikkelingen en veranderingen in(internationaal) beleid hanteert PwC een onzekerheidsmarge van +/- 30%.Ook voor de verdeling van de investeringen over het laag- en hoogspan-ningsnet is gekeken naar de investeringsplannen van de netbeheerders.De investeringsplannen voor het net op land kennen een omvang vancirca 107 miljard euro tussen 2024 en 2040 met een bandbreedte van75 tot 139 miljard euro. Grofweg is deze 107 miljard euro als volgtverdeeld over de verschillende netvlakken: laagspanning – 16 miljardeuro, middenspanning – 37 miljard euro en hoogspanning – 54 miljardeuro. Het onderzoek laat zien dat locatiesturing op verschillendenetvlakken tot kostenvoordelen kunnen leiden (zie ook het antwoord opvraag 3 en 17). Het is overigens zo dat ook bij veel meer lokale opwek enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 5699 gebruik desbetreffende partijen nog steeds een beroep zullen doen op hetmidden- en hoogspanningsnet zowel voor opwek als verbruik.Vraag 21Bent u voornemens te voorzien in modelcontracten voor energiehubs?Antwoord 21Bij energiehubs is er sprake van verschillende soorten contracten (tussenhub en netbeheerder, tussen hub-deelnemers onderling, tussen hub endienstverleners). Het Ministerie van KGG pakt een rol om de kennisont-wikkeling hierop te organiseren. Zo zijn er subsidies verstrekt omvoorbeelden te ontwikkelen (Invest-NL en Oost NL) en wordt er onderzoekgedaan naar aansprakelijkheid. Hiermee wordt bevorderd dat er geleerdwordt over hoe te komen tot goede contracten, zodat best practices snelgedeeld kunnen worden en standaardisatie optreedt waar dat zinvol is.Kennis die ontwikkeld wordt rondom contracten kan bijv. gedeeld wordenop de maandelijkse ontmoetingsplaats energiehubs.Vraag 22Adviseert u ook over de inrichting van energiehubs, bijvoorbeeldenergiebronnen, zoals de voorwaarden waaronder er één of meerderewindmolens geplaatst kunnen worden bij en ten behoeve vanenergiehubs?Antwoord 22Hier zijn nog geen concrete voornemens voor. Energiehubs vragen vooreen belangrijk deel lokaal maatwerk.Vraag 23Wat is de inschatting van verhoogde verstoringsminuten de komendejaren en hoe verhoudt zich dit tot de potentie van stroomstoringen inNederland, vergelijkbaar met dat in Spanje, Frankrijk en Portugal in april2025?Antwoord 23Het aantal storingsminuten in Nederland ligt in Nederland lager dan inveel andere westerse landen (circa 34 minuten versus ca. 64 minuten inFrankrijk, 167 minuten in Noorwegen, 192 minuten in de VS, en201 minuten in Portugal).3In het IBO wordt aandacht besteed aan een intensievere benutting van denetcapaciteit door zwaarder belasten van assets en meer gebruik temaken van de redundantie in het stroomnet. Dit biedt ruimte voor veelnieuwe en zwaardere aansluitingen en besparingen op de investerings-opgave maar zal moeten worden afgewogen tegen een hoger storings-risico. Om meer inzicht te krijgen in de limieten van het net start hetMinisterie van KGG samen met de ACM binnenkort een onderzoek of hetelektriciteitsnet zwaarder belast kan worden. Daarin worden ook destoringsminuten en de veiligheid van het systeem meegenomen. Deoorzaak van de stroomstoring in Spanje, Portugal en Frankrijk is op ditmoment nog onduidelijk, maar de lessen daaruit zullen zeker wordenmeegenomen in het waarborgen van de veiligheid van het net.Vraag 243Volgens de System Average Interruption Duration Index (SAIDI) voor zowel geplande alsongeplande storingsminuten per aansluiting per jaar in 2018. Data voor de VS is gebaseerd op2019. CEER-ECRB (2022). 7th CEER-ECRB Benchmarking report on the quality of electricity andgas supply; U.S. Energy Information Administration (2024). Annual Electric Power IndustryReport.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 56910 Waarom is uitgegaan van slechts één kerncentrale ter verlichting vanbelasting van het hoogspanningsnet in vergelijking met wind op zee?Antwoord 24In de taakopdracht van het IBO is genoemd dat de benodigde investe-ringen in andere energie-infrastructuur dan elektriciteit niet de focus zijnvan het IBO, maar wel meegenomen kunnen worden in het kader vaninteractie-effecten en het overzicht van de omvang van investeringen.Daarom is in het IBO op energiesysteemniveau verkend of anderesysteemkeuzes (meer kernenergie, minder wind op zee, meer waterstof)de investeringsopgave kunnen dempen. Het IBO heeft zich beperkt tot debenodigde netinvesteringen tot 2040 en er is in de gevoeligheidsanalysesniet voorbij dit jaartal gekeken. Daarom is gekeken naar de impact van hetrealiseren van één extra kerncentrale ten opzichte van het referentiesce-nario.Vraag 25Hoe verlichten twee, respectievelijk vier, kerncentrales de belasting vanhet stroomnet en de uitbreidingskosten daarvan?Antwoord 25Volgens de berekeningen van Berenschot en Kalavasta in bijlage 10C vanhet IBO-rapport reduceert één additionele kerncentrale aan de kust van1,5 GW in 2040 de piekbelasting op het hoogspanningsnet met 1 GW enhet offshore netwerk met circa 2 GW. Deze reductie is relatief beperkt enlijkt voornamelijk te komen door het beperkte additionele vermogen vanéén extra kerncentrale ten opzichte van het totale opgestelde vermogen in2040. De uiteindelijke investeringen in het totale elektriciteitsnetwerknemen met 2% af. Tegelijkertijd vergt de bouw van kerncentralesinvesteringen, waardoor de netto impact op de totale systeemkostenbeperkt zal zijn als gevolg van de relatief beperkte capaciteit vankernenergie vergeleken met de plannen voor wind op zee. Men verwachtdaarom niet dat een grotere inzet aan capaciteit kernenergie tot wezenlijkandere uitkomsten zal leiden. Het kabinet voert op dit moment eendiepgaande studie uit naar de systeemkosten effecten van kernenergie enkomt daar na de zomer op terug.Vraag 26Waarom is er geen rekening gehouden met een scenario van potentiëlebouw van Small Modular Reactors (SMR’s) rond 2030–2040?Antwoord 26De ingeschatte investeringsopgave is met onzekerheid omgeven dooraannames over beleidsontwikkelingen, maar ook door technologischeontwikkelingen. Bij sommige aannames, zoals het behalen van beleids-doelen rond warmtenetten, geldt dat de investeringsopgave toeneemt alsdeze niet worden gerealiseerd. Bij andere aannames, zoals technologischevooruitgang, geldt juist dat de opgave mogelijk kleiner is. Om dezeredenen is in de PwC-prognose gerekend met een onzekerheidsmarge van30% naar boven en beneden.Specifiek ten aanzien van SMR’s geldt dat aan het IBO de keuzes enontwikkelingen uit het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) alsuitgangspunt zijn meegegeven. SMR’s zijn daar geen onderdeel van endaarom niet meegenomen.Vraag 27Welke maatregelen treft de regering om te komen tot meer harmonisatievan nettariefkosten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 56911 Antwoord 27Het kabinet spant zich binnen de EU en in gesprekken met buurlanden invoor een gelijk speelveld en verdere harmonisatie van de methodologievan netwerktarieven voor elektrolyse, batterijopslag en de industrie. Hetkabinet kijkt dan ook uit naar de aanbevelingen van de EuropeseCommissie over nettarieven gericht op het flexibeler energieverbruik enhet waarborgen van het gelijk speelveld, zoals aangekondigd in hetActieplan voor betaalbare energieprijzen.Vraag 28Waarom worden de dubbelingen in wachtrijen opnieuw benoemd, terwijlde Kamer dit eerder al heeft aangekaart en opdracht heeft gegeven om ditaan te passen?Antwoord 28De netbeheerders zullen de wachtlijsten opschonen voor dubbelingen. Erlopen op dit moment verschillende acties bij netbeheerders om dewachtrijen zo realistisch mogelijk te maken. Belangrijk onderdeel hiervanis een beter inzicht in waar capaciteit beschikbaar is of waar deze alseerste beschikbaar komt. Deze transparantie voorkomt dat partijendubbele aanvragen doen op verschillende locaties om inzicht te krijgen inhoe snel ze kunnen worden aangesloten. Daarnaast wordt op dit momentonderzoek gedaan naar de wachtrijmethodiek van andere landen. Ditonderzoek moet inzicht geven aan netbeheerders dat zij kunnen gebruikenvoor hun methodiek. Het Verenigd Koninkrijk is onderdeel van hetonderzoek. Dit onderzoek wordt in de zomer afgerond.Vraag 29Kan een overzicht worden gegeven van de mogelijke stijging enmitigering van de nettarieven voor een eenpersoonshuishouden,gezinshuishouden met kinderen, tweepersoonshuishouden?Antwoord 29De mogelijke stijging van de nettarieven is van toepassing op allegebruikers van het elektriciteitsnet. De prognose van de nettariefontwik-keling elektriciteit tussen 2024 en 2040, zoals gedeeld het IBO, verschiltper gebruikersgroep, waarbij de verwachting is dat de nettarieven voor degroep «kleinzakelijk en huishoudens» oploopt met gemiddeld 6,7% perjaar. Waar een gemiddeld huishouden in 2024 ongeveer 400 euro aannetkosten betaalde voor elektriciteit, kan dit bedrag oplopen tot circa1.100 euro per jaar in 2040. Dit bedrag verschilt niet per type huishouden(eenpersoonshuishouden, gezinshuishouden met kinderen, tweepersoon-shuishouden), het nettarief is immers een vast bedrag per jaar, dat op ditmoment niet afhankelijk is van het verbruik van de afnemer. Mitigerendemaatregelen die voorkomen dat de tarieven (deels) stijgen, zullen daaromevenveel bij ieder type huishouden terecht komen. De uitwerking vanmitigerende maatregelen buiten de nettarieven om, zoals benoemd in hethoofdstuk «Anders verdelen», zijn zeer afhankelijk van diverse factoren,zoals inkomen, energetische kwaliteit van de woning of stookgedrag.De bestaande investeringsprognose die optelt tot 195 miljard euro in 2040(bandbreedte 136 tot 253 miljard euro), leidt onder de huidige tariefme-thodologie tot een jaarlijkse tariefstijging van 4,8% voor grootverbruikersaangesloten op het hoogspanningsnet tot 6,7% voor kleinverbruikers ophet laagspanningsnetvlak. Indien enkel gekozen wordt voor een laagscenario uit het IBO-rapport, dan zal dit voor een partij aangesloten op hethoogspanningsnet leiden tot een afname van –0,5% tot –1,0% in het tariefin 2040. Voor een huishouden zou dit –1,8% zijn. In de allerhoogstescenario’s zal het effect –3,8% in 2040 zijn voor een partij aangesloten ophet hoogspanningsnet en –7,5% in 2040 voor een afnemer aangesloten opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 56912 het middenspanningsnet. Voor huishoudens is dit effect dan –8% in 2040.Deze berekeningen gaan uit van de huidige tariefmethodologie en geenwijzigingen in de investeringsprognose voor het net op zee (die ookmeelopen in de tarieven).Netbeheerders werken aan een voorstel voor een volume- en tijdsafhan-kelijk nettarief voor kleinverbruikers dat zij indienen bij de ACM. Hierdoorloont het voor kleinverbruikers om elektriciteit te verbruiken opmomenten dat er ruimte is op het elektriciteitsnet. Huishoudens met eenlaag verbruik – bijvoorbeeld een appartementseigenaar of een modaalhuishouden – kunnen hierbij tot wel € 190 per jaar lager uitkomen tenopzichte van prognoses van huidige tariefstructuur, zonder hun gedragaan te passen. Huishoudens die veel stroom gebruiken kunnen met ditmodel bewust energie verbruiken in de daluren, zodat zij profiteren vanlagere tarieven buiten piekmomenten.Nederland vormt momenteel een uitzondering. In de meerderheid van deWesterse landen wordt momenteel al gewerkt met tijdsafhankelijketarieven. Het kabinet kijkt hoe zij de invoering van een tijdsafhankelijknettarief kan ondersteunen.Vraag 30Wat is het verschil tussen amortisatie en financiering uit algemenemiddelen?Antwoord 30Bij amortisatie gaat het om leningen aan TenneT die gebruikt worden omop korte termijn de nettarieven te verlagen, waarbij het voornemen is datdeze op termijn worden terugbetaald door de nettarieven dan juist hogervast te stellen.Bij financiering (subsidie) uit algemene middelen is in geen geval sprakevan terugbetaling door netgebruikers en worden de kosten altijdopgebracht door de samenleving in den brede.Vraag 31Wat doen de investeringen in het net, middels amortisatie dan welmiddels algemene middelen, voor het begrotingssaldo? Is dit al meege-nomen in de Voorjaarsnota 2025? Kan een inschatting worden gegevenvan wat de effecten zullen zijn op het begrotingssaldo afhankelijk van demanier waarop het net wordt gefinancierd?Antwoord 31In het IBO rapport is een amortisatievariant opgenomen waarbij ook eengarantie wordt afgegeven door de Rijksoverheid aan TenneT. Daarbijschrijft het IBO op pagina 87 «Deze constructie heeft zeer waarschijnlijkeen staatsgarantie nodig. Hierdoor is er grote kans dat het CBS de leningals saldorelevant classificeert. Zonder garantie bestaat dat risico ook,afhankelijk van de marktconformiteit van de lening en de wijze waarop hetCBS de implicaties van de hiermee gepaard gaande aanpassing in detarievenregelgeving waardeert.» En op pagina 109: «Doordat de overheidindirect de tarieven van TenneT beïnvloedt, en de financiële verwevenheidtussen TenneT en Rijk groter wordt, bestaat het risico dat TenneT door hetCBS tot de sector overheid zal worden gerekend. Hierdoor zou destaatsschuld met tientallen miljarden oplopen en worden leningen aanTenneT saldorelevant.» Het kabinet heeft in de kabinetsreactie op het IBObesloten met een positieve grondhouding naar invoering van eenamortisatierekening te kijken, maar alleen indien voldaan wordt aan derandvoorwaarden zoals weergegeven in de kabinetsreactie op hetIBO-rapport. Of dit mogelijk is moet de komende maanden blijken.Wanneer de overheid besluit om uit algemene middelen te subsidiëren,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 56913 dan komt het subsidiebedrag direct ten laste van het EMU-saldo. Metbeide mogelijke effecten op het begrotingssaldo is geen rekeninggehouden in de Voorjaarsnota 2025 omdat er nog geen definitief besluitmet budgettaire effecten is genomen.Vraag 32Wanneer kan er sprake zijn van de situatie dat «Europese afspraken overkostendeling uitblijven»? Wanneer kunt u op basis daarvan besluiten omlater of minder windparken op zee te realiseren, en hoe en wanneer wordtde Kamer bij een dergelijk besluit betrokken?Antwoord 32Het kabinet is op dit moment met omringende landen in gesprek over hetdelen van de kosten in het kader van de NSEC (zie ook vraag 9). Er kan opdit moment niet vooruit gelopen worden op de vraag wanneer ditvoldoende of onvoldoende resultaat oplevert, noch op de consequentiesdie hieraan worden verbonden. Het belang wordt echter onderschreven inEuropa. De Europese Commissie heeft aangekondigd om in het kader vaneen Grids Package onder andere met voorstellen te komen voor deontwikkeling van een effectief kostenverdelingsmechanisme voor (onderandere grensoverschrijdende) projecten. De windparken op zee wordengebouwd om de Nederlandse industrie en samenleving te voorzien vanduurzame energie. In het Windenergie Infrastructuurplan Noordzee (WIN)dat rond de zomer naar de Kamer gaat, wordt ingegaan op de toekom-stige uitrol waarbij fasering wordt aangebracht zodat het kabinet kanbijsturen indien nodig. De huidige ambitie die is opgenomen in deroutekaart komt volgens de analyses voornamelijk ten gunste vanbinnenlands verbruik.Vraag 33Kan een toelichting worden gegeven op de verschillende opties – eensociaal tarief en een noodfonds – om huishoudens die hun energiere-kening niet kunnen betalen tegemoet te komen?Antwoord 33Het IBO signaleert dat huishoudens met een substantiële stijging van denettarieven worden geconfronteerd en heeft verschillende optiesonderzocht in de breedte van de energierekening van huishoudens. Eenstijging van de energierekening komt tot uiting in de inflatie en looptzodoende jaarlijks mee in de koopkrachtbesluitvorming. Wanneer eenstijging van de energierekening zorgt voor koopkrachtdaling van eeninkomensgroep kan daarvoor gecorrigeerd worden. De energierekeningkan echter van huishouden tot huishouden verschillen, ook binneninkomensgroepen. Aanvullende maatregelen zoals in het IBO onderzochtkennen elk hun eigen voor- en nadelen. Deze worden geschetst in de«Oplegger beleidsopties verdelingsvraagstuk kosten huishoudens».4 Hetkabinet overweegt op dit moment geen sociaal tarief.Het sociaal tarief biedt huishoudens prijszekerheid, maar kent verschil-lende nadelen. Zo is er op dit moment geen oplossing voorhanden voorde complexe en kostbare uitvoeringsproblematiek, ook met betrekking tothuishoudens achter een blokaansluiting, en werkt de maatregel marktver-storend. Het kabinet werkt in het kader van het Nederlandse SocialClimate Fund (SCF) plan aan een publiek noodfonds waar mensen inenergiearmoede een beroep op kunnen doen.Ook een publiek energiefonds kent op zichzelf uitdagingen in deuitvoering, maar er is wel enige ervaring opgedaan met het Tijdelijk4Bijlage Oplegger beleidsopties bekostiging elektriciteitsinfrastructuur, pagina 118.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 56914 Noodfonds Energie de afgelopen jaren. Het Ministerie van SZW en hetMinisterie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening hebbengezamenlijk een voorstel uitgewerkt voor het SCF, waarbij ingezet wordtop maatregelen die bijdragen aan structurele verduurzaming en hetenergiezuiniger maken van woningen in combinatie met directe tijdelijkesteun op de energierekening voor huishoudens in een financieelkwetsbare positie. De steun op de energierekening richt zich uitsluitend ophet dempen van de verwachte kostenstijging als gevolg van de invoeringvan het Europese emissiehandelssysteem voor gebouwen en wegverkeer(ETS-2), en is dus niet bedoeld voor het compenseren van stijgendenetwerkkosten. Het kabinet heeft besloten, onder voorbehoud vangoedkeuring van de Europese Commissie, om uit de middelen voor hetSCF 174,5 miljoen euro in te zetten voor dit fonds.5 Samen met de60 miljoen euro uit de Rijksbegroting is er 234,5 miljoen euro beschikbaarvoor de periode van 2026 tot 2032. Het kabinet heeft voor alle eindge-bruikers met een elektriciteitsaansluiting in de Voorjaarsnota de belasting-vermindering op energie verhoogd in 2026, 2027 en 2028. De belastingver-mindering is een vast bedrag per elektriciteitsaansluiting dat ongeacht dehoeveelheid verbruikte energie in mindering wordt gebracht op deenergierekening. In 2026 wordt de belastingvermindering hierdoorverhoogd naar 529,10 euro.Vraag 34Wat is precies de status van het laatste ontwikkelkader voor wind op zeeen de ruimtelijke inpassing daarvan? Welk investeringsagenda van TenneTen inpassingskosten zijn er in de laatste Voorjaarsnota opgenomen(gedekt)?Antwoord 34De meest recente versie van het ontwikkelkader windenergie op zee isgepubliceerd in december 2024.6 Door middel van dit ontwikkelkaderheeft TenneT opdracht om de huidige routekaart van 21 GW aan te sluitenen voorbereidende activiteiten te treffen voor de aansluiting van heteerste windpark daarna, Doordewind II. De ruimte benodigd om dewindparken die aangesloten worden te kunnen ontwikkelen is voor deze21GW al aangewezen in het Programma Noordzee 2022–2027 in maart2022.7 In de voorjaarsnota is een garantie vanuit de Staat voor TenneTNederland opgenomen. Hiermee kan TenneT de benodigde financieringvoor reeds wettelijk verplichte 21GW aantrekken en daarnaast ook definanciering voor de 2GW Doordewind II verbinding aantrekken.Binnenkort zal een nieuwe versie van het ontwikkelkader wordengepubliceerd. De Kamer zal daar over worden geïnformeerd.De structurele inpassingskosten (na 2030) van de 21GW routekaart enDoordewind II zijn budgettair gedekt in de eerste suppletoire begroting2025 van KGG (samenhangend met de Voorjaarsnota). De inpassings-kosten tot en met 2030 zijn onderdeel van het pakket voor een weerbaarenergiesysteem en een toekomstbestendige industrie en gedekt bij denota van wijziging op de eerste suppletoire begroting van KGG.Vraag 355Kamerbrief «Pakket voor Groene Groei: voor een weerbaar energiesysteem en een toekomstbe-stendige industrie» 25 april 2025, KGG/98465657 (Kamerstuk 33 043, nr. 114).6Kamerbrief «Wijziging ontwikkelkader windenergie op zee», 20 december 2024, KGG/94322275(Kamerstuk 33 561, nr. 67).7Kamerbrief «Nationaal Water Programma 2022–2027», 18 maart 2022, IENW/BSK-2022/25265(Kamerstuk 35 325, nr. 5)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 56915 Hoe verhoudt de effectiviteit van het aantal regionale netbeheerders(RNB’s) zich op basis van het aantal daarvan, zoals de tegenstellingDuitsland-Slovenië?Antwoord 35In het algemeen geldt, hoe groter de schaal, hoe meer schaalvoordelenzouden kunnen optreden. Meerdere netbeheerders kunnen gebenchmarktworden, waardoor een norm voor efficiëntie gesteld kan worden. Hethuidige aantal regionale netbeheerders in Nederland komt voort uithistorische ontwikkelingen. Als de kaart opnieuw zou worden getekend,dan zou waarschijnlijk voor een andere, meer consistente indeling wordengekozen met een kleiner aantal regionale netbeheerders. De reguleringstimuleert regionale netbeheerders om efficiënt te werken en dus om eenefficiënte schaal te organiseren. Er wordt op veel fronten samengewerkttussen de netbeheerders en er vindt ook meer en meer standaardisatievan producten en processen plaatsvindt met de kanttekening dat denetten van de regionale netbeheerders technisch gezien niet identiek zijnuitgelegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 56916

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · ba626c4c0fc9d439

14 okt 2026 · 49c581cd66e10cfd

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.