KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de Kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Ceder “Tegen christenvervolging, voor geloofsvrijheid: richtinggevende voorstellen voor een diplomatiek daadkrachtig buitenlandbeleid” (Kamerstuk 36888-5)

19 aug 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 89029fe27cd172b2 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 888Initiatiefnota van de leden Ceder en Stoffer over«Tegen christenvervolging, voor geloofsvrijheid:richtinggevende voorstellen voor eendiplomatiek daadkrachtig buitenlandbeleid»Nr. 6 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 19 augustus 2026 De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over debrief van 25 maart 2026 inzake de kabinetsreactie op de initiatiefnota vande leden Ceder en Stoffer «Tegen christenvervolging, voor geloofsvrijheid:richtinggevende voorstellen voor een diplomatiek daadkrachtig buiten-landbeleid» (Kamerstuk 36 888, nr. 5).De vragen en opmerkingen zijn op 22 april 2026 aan de Ministervoorgelegd. Bij brief van 19 augustus zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,KlaverDe griffier van de commissie,Westerhoff kst-36888-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 61 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en antwoord/reactievan de MinisterVragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsre-actie op de initiatiefnota van de leden Ceder en Stoffer en leggen deMinister van Buitenlandse Zaken naar aanleiding hiervan enkele vragenvoor. In de reactie stelt de Minister dat de bevordering van mensen-rechten, waaronder de vrijheid van religie en levensovertuiging, eenkernonderdeel vormt van het Nederlandse buitenlandbeleid. Tegelijkertijdwijst de Minister op de noodzaak om keuzes te maken binnen een contextvan geopolitieke instabiliteit en budgettaire krapte.Deze leden vragen de Minister om een nadere verduidelijking van de wijzewaarop deze inzet zich verhoudt tot de bredere strategische belangen vanNederland en Europa, in het bijzonder waar het gaat om de samenwerkingmet partners die essentieel zijn voor onze energiezekerheid en migratiebe-heersing. Hoe weegt de Minister de ambitie om een daadkrachtigmensenrechtenbeleid te voeren af tegen het behoud van onze strate-gische autonomie, en op welke wijze wordt voorkomen dat moreleagendering de noodzakelijke diplomatieke ruimte voor het veiligstellenvan Nederlandse kernbelangen in de weg staat?1. Antwoord van het kabinetHet Nederlandse buitenlands beleid is gestoeld op de samenhangtussen veiligheid, welvaart en democratische vrijheden, waaruniversele mensenrechten onlosmakelijk mee zijn verbonden. Deweging tussen deze belangen is zelden zwart-wit; net zomin alsdat agendaring van mensenrechten een puur morele overwegingis. Grove schendingen van arbeidsrechten, bijvoorbeeld dwang-arbeid, verzwakken de concurrentiepositie van onze bedrijven.Grootschalige onderdrukking van rechten van minderhedenkunnen leiden tot instabiliteit en migratie. Intimidatie vanjournalisten of inperking van de vrijheid van meningsuitingversterken desinformatie en autocratische tendensen, die onzegeopolitieke bewegingsruimte inperken. Dat betekent niet dat wehet ons kunnen veroorloven om alleen om te gaan met landen dieonze blik op de wereld volledig onderschrijven. Er zullen zich bijveel landen spanningen voordoen tussen het bevorderen vanmensenrechten en andere Nederlandse belangen – van energie-voorzieningszekerheid tot veiligheid en migratie. In dergelijkesituaties maakt het kabinet per geval steeds een zorgvuldigeweging van belangen. Evenmin zijn onze relaties met anderelanden beperkt tot één thema. Een brede dialoog met landenwaarmee een dito relatie bestaat maakt het juist mogelijk omgevoelige mensenrechtenthema’s, zoals christenvervolging,effectief te agenderen. In de brede bilaterale dialoog komen danalle relevante thema’s aan de orde, waaronder naast mensen-rechten, ook economische samenwerking, regionale veiligheid enandere terreinen van gemeenschappelijk belang. In situatieswaarin een publieke benadering contraproductief zou zijn of depositie van lokale christelijke gemeenschappen en anderereligieuze minderheden zou verzwakken, kiest het kabinet bijgrote voorkeur voor stille diplomatie en inzet achter deschermen.Ten aanzien van de institutionele inrichting kondigt de Minister aan teverkennen hoe de functie van de Speciaal Gezant voor de Vrijheid vanReligie en Levensovertuiging (SGRL) structureel kan worden verankerdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 62 met een eigen mandaat en budget. De leden van de VVD-fractie merkenop dat de Minister in dezelfde brief het postennet en de ambassadeursomschrijft als het hart van het Nederlandse mensenrechtenbeleid.Deze leden vragen daarom naar de noodzaak en de doelmatigheid vaneen dergelijke structurele verankering van een thema-specifieke gezant.Dreigt hiermee niet een bureaucratische silo te ontstaan die de integraleslagkracht van onze ambassadeurs ter plaatse juist verzwakt? Kan deMinister toelichten waarom de huidige ambtelijke ondersteuning binnenhet ministerie niet volstaat en hoe een structurele gezant zich verhoudt totde bredere wens van deze leden om de overhead bij de overheid tebeperken en de focus op kerntaken te versterken? Deze leden horen graaghoe de Minister borgt dat mensenrechtenbeleid een integrale verantwoor-delijkheid blijft van het gehele diplomatieke netwerk in plaats van teworden gedelegeerd aan een afzonderlijke functionaris. Ook horen zijgraag hoe de Nederlandse en de Europese gezant zich tot elkaarverhouden. Zou het niet beter zijn gebruik te maken van de Europesegezant?2. Antwoord van het kabinetHet mensenrechtenbeleid is een kernonderdeel van het buiten-landbeleid en een integrale verantwoordelijkheid van het gehelediplomatieke netwerk. Dat geldt dus ook voor de bevordering vanvrijheid van religie en levensovertuiging, als één van de vijfmensenrechtenprioriteiten binnen het Nederlandse mensen-rechtenbeleid. In de praktijk is die inzet sterk contextafhankelijken in sommige situaties complex, met oog op de veiligheid vansommige religieuze groepen. De programmatische inzet gebeurtvia centrale en decentrale mensenrechtenprogramma’s,waaronder het mensenrechtenfonds. De programma’s gericht opFoRB (Freedom of Religion and Belief) worden altijd in samen-spraak met ambassades in de betrokken landen vormgegeven,met oog voor de repercussies voor lokale gemeenschappen enhet «do no harm-principe».De Speciaal Gezant voor de Vrijheid van Religie en Levensover-tuiging (SGRL) dient daarbij expliciet niet als vervanging van ofalternatief voor de inzet van ambassades, maar juist als eenversterking daarvan. De SGRL werkt daarom nauw samen metons diplomatieke netwerk.De meerwaarde van deze thema-specifieke gezant ligt op driepunten:•als inhoudelijk expert en verbinder tussen beleid, posten enmaatschappelijke actoren op een complex en gevoelig themaals FoRB;•als zichtbaar aanspreekpunt in internationale coalities zoals deInternational Religious Freedom or Belief Alliance en deInternational Contact Group on FoRB (IRFBA), waar gezamen-lijke acties worden voorbereid, onder meer tegen christenver-volging;•als centrale aanjager voor kennisopbouw en religieuzegeletterdheid binnen BZ en het diplomatieke netwerk, in lijnmet de motie-Ceder over religieuze geletterdheid1.De rollen van de EU-gezant op Freedom of Religion and Belief ende nationale SGRL zijn daarbij complementair. De EU-gezant kan1Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 49Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 63 FoRB in de externe betrekkingen van de Europese Unie systema-tisch agenderen. De Nederlandse SGRL kan daarnaast nationaleprioriteiten benadrukken, waaronder toenemende zorgen overchristenvervolging, en deze inbrengen in EU-kaders; de Europeseinzet vertalen naar concrete bilaterale acties en programmering;en in coalities als IRFBA optreden waar de EU als geheel geen lidvan is.Alleen leunen op het werk van de EU-gezant zou de Nederlandsehandelingsruimte beperken en onze zichtbaarheid in interna-tionale FoRB-netwerken verminderen. Daarom kiest het kabinetvoor beide: een sterke EU-gezant én een goed ingebedde Neder-landse SGRL die nauw met elkaar en met onze ambassadessamenwerken.De Minister geeft in zijn reactie aan dat religieuze geletterdheid reeds eenvast onderdeel is van de opleiding voor jonge diplomaten en detrainingen voor uitgezonden personeel, waarmee hij deels tegemoetkomtaan de wensen in de initiatiefnota.De leden van de VVD-fractie vragen de Minister op welke wijze dezetrainingen specifiek bijdragen aan het beter begrijpen van de geopolitiekedynamiek in conflictgebieden en het behartigen van Nederlandsebelangen. Wordt in deze trainingen ook aandacht besteed aan de risico’svan religieuze beïnvloeding door statelijke actoren die onvrijheid alsinstrument gebruiken om de stabiliteit in regio’s als de Sahel of deWestelijke Balkan te ondermijnen? Ten aanzien van de digitaleweerbaarheid ondersteunt het kabinet de inzet voor internetvrijheid viainternationale coalities, maar deze leden missen een directe koppelingmet de bredere strijd tegen statelijke desinformatie vanuit landen alsRusland en China. Hoe zorgt de Minister ervoor dat de inzet op internet-vrijheid en de bestrijding van online haat volledig wordt geïntegreerd inde nationale cyberstrategie om onze open samenleving te beschermentegen antidemocratische krachten?3. Antwoord van het kabinetZoals in de kabinetsreactie is aangegeven, is religieuze gelet-terdheid een voorwaarde voor effectief mensenrechtenbeleid endiplomatie. In de acculturatiecursussen, de jaarlijkse mensen-rechtencursus en andere opleidingen voor Nederlandse diplo-maten wordt religie nadrukkelijk geplaatst in de bredere analysevan macht, conflict en buitenlandse beïnvloeding. Dit draagt opverschillende manieren bij aan het beter begrijpen van degeopolitieke dynamiek in conflictgebieden en het behartigen vanNederlandse belangen.Diplomaten leren onder meer hoe religieuze identiteiten eninstituties kunnen worden ingezet in binnenlandse machtsstrijden buitenlandse politiek, bijvoorbeeld door regimes die religiegebruiken om oppositie te delegitimeren of minderheden temarginaliseren. Ook wordt aandacht besteed aan de positieve roldie religieuze actoren kunnen spelen in conflictpreventie,verzoening en stabilisatie, zodat ambassades deze actorengericht kunnen betrekken bij Nederlandse inzet op veiligheid,migratie en economische ontwikkeling. Daarnaast wordtaandacht besteed aan de risico’s die er zijn van religieuzebeïnvloeding door statelijke actoren die onvrijheid en polarisatiebewust inzetten om stabiliteit te ondermijnen, ook in regio’s alsde Sahel en de Westelijke Balkan. Dit helpt diplomaten omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 64 dergelijke patronen te herkennen, te duiden en hierover terapporteren.Ten aanzien van digitale weerbaarheid en internetvrijheid geldt,in lijn met de kabinetsreactie, dat deze inzet steeds nauwerwordt verbonden met de bredere aanpak van desinformatie encyberdreigingen. Nederland zet zich internationaal in voorinformatie integriteit en tegen de online verspreiding van haat,onder meer via steun aan maatschappelijke organisaties diewerken aan digitale geletterdheid, mediawijsheid, persvrijheid ende bescherming van mensenrechtenverdedigers, inclusiefreligieuze minderheden, mede via het Mensenrechtenfonds enprogrammatische instrumenten zoals Safety for Voices. Ookwerkt Nederland aan actieve inzet in EU-kaders rond de DigitalServices Act en de aanpak van desinformatie, waar ook statelijkeactoren als Rusland en China expliciet in beeld zijn. Verder maaktNederland deel uit van internationale coalities die internetvrijheidbevorderen, zoals de Freedom Online Coalition en de MediaFreedom Coalition, waar oog is voor de risico’s van surveillance-technologie en digitale repressie.De koppeling met de nationale cyberstrategie wordt gelegd viade Internationale Cyberstrategie 2025–2028. In de uitvoering vandeze strategie werkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken nauwsamen met de ministeries van Economische Zaken en Klimaat,Binnenlandse Zaken en Koninksrijksaangelegenheden, Defensieen Justitie en Veiligheid, ook op thema’s die raken aan hettegengaan van desinformatie en het promoten van informatieintegriteit. De bescherming van vrijheid van meningsuiting online(met inbegrip van de vrijheid van religie en levensovertuiging)staat centraal in de inzet om ongewenste inhoud online tegen tegaan.Wat betreft de monitoring van mensenrechtenschendingen wijst deMinister het voorstel voor een afzonderlijk nationaal instrument afvanwege de kosten en de reeds bestaande internationale rapportages vande Verenigde Naties (VN) en ngo’s. De leden van de VVD-fractie steunendit besluit vanuit het oogpunt van een efficiënte overheid en budgettairebeheersbaarheid.Zij vragen de Minister wel hoe hij waarborgt dat de informatie uit dezeexterne bronnen effectief wordt vertaald naar concrete diplomatieke actiedie aansluit bij de Nederlandse prioriteiten. Wordt deze informatie ookbenut om de risico’s van ongewenste buitenlandse inmenging inNederland in kaart te brengen, bijvoorbeeld wanneer regimes de diasporamisbruiken als instrument voor hun buitenlandbeleid? Tot slot vragendeze leden om een verheldering over de financiële realiteit die de Ministernoemt. Kan de Minister bevestigen dat er geen sprake zal zijn van eenautomatische verhoging van budgetten voor sociaaleconomischeprojecten in het buitenland zonder dat hier een direct Nederlands belangtegenover staat?4. Antwoord van het kabinetZoals in de kabinetsreactie uiteengezet is het, gelet op de velebestaande VN- en NGO-rapportages, niet doelmatig om eenparallel nationaal monitoringsinstrument op te tuigen. Hetgericht gebruiken van beschikbare informatie voor diplomatiekeactie en programmering geschiedt door middel van systematischebeleidsvertaling, waarbij informatie uit VN-mechanismen (zoalsde Universal Periodic Review), EU-rapportages, NGO-studiesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 65 (waaronder de ranglijst van Open Doors) en diplomatiekerapportages wordt samengebracht in landenanalyses. Dezevormen de basis voor prioritering in bilaterale contacten,EU-inzet en de keuze van landen en thema’s binnen instrumentenals het Mensenrechtenfonds en het FOCUS-programma (2026–2031), waarvoor EUR 35 miljoen is gereserveerd voor debescherming van religieuze minderheden.De Nederlandse ambassades toetsen externe rapportages aan delokale realiteit, vullen lacunes aan en adviseren over de meesteffectieve mix van publieke en stille diplomatie. Zo voorkomenwe dat Nederland reageert op onvolledige of eenzijdige infor-matie, en stemmen we de inzet af op de veiligheid van lokalegemeenschappen en het «do no harm-principe».Daarnaast worden signalen over geloofsvervolging enFoRB-schendingen, waar relevant, betrokken bij analyses vanconflict, migratie, terrorisme en buitenlandse beïnvloeding, zodatde informatie direct wordt verbonden met bredere Nederlandsebelangen.Wat betreft ongewenste buitenlandse inmenging geldt dat hetMinisterie van Buitenlandse Zaken signalen uit internationalerapportages en van diaspora-gemeenschappen deelt in dedaarvoor bestaande interdepartementale structuren, zoals denationale aanpak statelijke dreigingen. Wanneer regimes diasporainzetten als verlengstuk van hun buitenlandbeleid, kan dat zoweleen mensenrechtenvraagstuk zijn als een veiligheidsrisico. In diegevallen wordt in nauwe samenwerking met andere departe-menten bezien welke maatregelen passend zijn.Financiële ondersteuning van projecten in het buitenland vindtplaats op basis van duidelijk geformuleerde beleidsdoelen.Binnen de beschikbare middelen worden scherpe keuzesgemaakt, waarbij FoRB en de bescherming van religieuzeminderheden worden meegewogen als onderdeel van de bredereinzet op mensenrechten, stabiliteit, rechtsstaat en ontwikkeling.Projecten worden geselecteerd op basis van hun verwachteimpact en hun bijdrage aan zowel lokale behoeften als Neder-landse en Europese belangen, zoals veiligheid, migratiebe-heersing, energiezekerheid en een voorspelbare internationalerechtsorde.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Ceder overchristenvervolging en geloofsvrijheid. Deze leden waarderen dat hetkabinet erkent dat geloofsvervolging, waaronder christenvervolging, eenernstige en hardnekkige realiteit is. Ook zien deze leden dat het kabinet opmeerdere onderdelen bereid is de inzet te versterken, onder meer viareligieuze geletterdheid, diplomatieke agendering, interreligieuze dialoog,online weerbaarheid en monitoring.Tegelijkertijd constateren de leden van de CDA-fractie dat op meerderepunten nog onduidelijk is hoe deze inzet concreet, structureel enniet-vrijblijvend vorm krijgt. Zij hebben daarover de volgende vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 66 AlgemeenDe leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet concreet kan aangevenop welke punten de kabinetsreactie leidt tot een andere of intensievereinzet dan het beleid zoals dat na de eerdere initiatiefnota uit 2021 isgevoerd.5. Antwoord van het kabinetTen opzichte van het beleid na de initiatiefnota uit 2021 zet dezekabinetsreactie, en het daaropvolgende debat over christenver-volging, op een aantal punten nadrukkelijk een stap verder. Deinzet op vrijheid van religie en levensovertuiging wordt structu-reler en intensiever.Waar SGRL eerder geen structurele functie was, heeft het kabineter nu expliciet voor gekozen om de SGRL als zelfstandige envolwaardige functie te behouden en te versterken. Een eerdervoornemen om de functie samen te voegen met die van Mensen-rechtenambassadeur in het kader van de bezuinigingen komtdaarmee te vervallen. Dat betekent continuïteit en meer ruimtevoor landenbezoeken en diplomatieke inzet, juist ook rondchristenvervolging.Graag informeer ik uw Kamer over de benoeming van mevrouwdrs. A.E. Faro tot de nieuwe Speciaal Gezant voor de Vrijheid vanReligie en Levensovertuiging. Zij zal na de zomer de werkzaam-heden van de huidige SGRL overnemen.In de periode 2021–2025 is via het Joint Initiative for StrategicReligious Action (JISRA) circa EUR 37 miljoen ingezet op interre-ligieuze dialoog, samenwerking en het versterken van maatschap-pelijke weerbaarheid in meerdere landen. Met het nieuwebeleidskader FOCUS is er opnieuw EUR 35 miljoen specifiek voorFoRB en de bescherming van religieuze minderheden.Religieuze geletterdheid maakte al deel uit van acculturatiecur-sussen en opleidingen, maar nieuw is dat in reactie op deinitiatiefnota, de motie-Ceder (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 49) enhet debat over christenvervolging, bestaande trainingen verderworden uitgebreid en verdiept, en de rol van de SGRL en externeexpertise bij opleidingen wordt vergroot. Zo wordt onder meerverkend of in samenwerking met het Ministerie van SocialeZaken en Welzijn in de tweede helft van dit jaar een nieuwecursus op het gebied van religieuze geletterdheid kan wordenopgezet.Daarnaast is het voornemen dat Nederland een actievere rolneemt in allianties als de International Religious Freedom orBelief Alliance (IRFBA), waar we in de steering committee zitten,en ons lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad gebruikenom FoRB steviger te agenderen. Zo organiseerde Nederlandtijdens de 58e zitting van de VN-Mensenrechtenraad samen metMarokko een side-event over religieuze tolerantie, waarinoverheden, religieuze leiders en maatschappelijke organisaties ingesprek gingen over het bevorderen van interreligieuze dialoogen het tegengaan van discriminatie op grond van religie.Verder heeft het kabinet zich, mede naar aanleiding van deinitiatiefnota en in lijn met de motie van uw Kamer, sterkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 67 gemaakt voor de benoeming van een nieuwe EU-gezant voorvrijheid van religie en levensovertuiging. Nu die EU-gezant er is,zal het kabinet zoals toegezegd verkennen hoe Nederland haarconcreet kan ondersteunen conform motie met Kamerstuk 36800-V, nr. 91, onder meer via een eventuele detachering enafstemming met de Nederlandse SGRL. Daarnaast is de onder-steuning van de VN-Speciaal Rapporteur voor FoRB geïntensi-veerd, onder meer via het plaatsen van een door Nederlandgefinancierde Junior Professional Officer op haar kantoor.Hiermee wordt beoogd de monitoring en opvolging van schen-dingen, inclusief christenvervolging, door de VN verder teversterken.Het kabinet schrijft dat de inzet op vrijheid van religie en levensover-tuiging plaatsvindt binnen beperkte personele en financiële kaders. Deleden van de CDA-fractie vragen welke gevolgen dit concreet heeft voorde uitvoerbaarheid van de voornemens in deze kabinetsreactie. Op basisvan welke criteria maakt het kabinet de «scherpe keuzes» waar en hoeNederland zich inzet? Welke landen of regio’s krijgen in dat licht prioriteit?6. Antwoord van het kabinetDe beperkte personele en financiële kaders – die voor veelonderdelen van gehele Rijksoverheid gelden – betekenen dat hetkabinet de inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging beterlaat aansluiten bij bestaande instrumenten en prioriteiten. Devoornemens in de kabinetsreactie zijn daarom bewust zo vormge-geven dat zij binnen deze kaders uitvoerbaar zijn: het versterkenvan wat er al is (Speciaal Gezant, FOCUS-programma, religieuzegeletterdheid, inzet in VN/EU en coalities), in plaats van nieuwestructuren op te tuigen.Bij het maken van de geografische keuzes worden drie criteriagehanteerd:•de ernst en aard van de schendingen (waaronder christenver-volging), op basis van o.a. VN- en NGO- rapportages ensignalen van posten en maatschappelijke organisaties;•het handelingsperspectief en de meerwaarde van Nederlandseinzet, al dan niet in EU- of coalitieverband;•de samenhang met andere Nederlandse belangen, zoalsstabiliteit, migratie en regionale veiligheid, en de aanwezig-heid en capaciteit van het postennet.Op basis van deze criteria wordt per land en situatie bepaald of,en met welke mix van diplomatieke en programmatischemiddelen, Nederland zich inzet. Daarbij geldt dat landen encontexten waar religieuze minderheden aantoonbaar zwaar onderdruk staan én waar de inschatting is dat specifieke Nederlandseinzet een verschil kan maken, in de praktijk veelal prioriteitkrijgen.Investeer in religieuze geletterdheid en in structurele contactenmet religieuze actorenHet kabinet noemt acculturatiecursussen, de Academie voor Interna-tionale Betrekkingen, de jaarlijkse mensenrechtencursus en het oplei-dingstraject voor startende beleidsmedewerkers. De leden van deCDA-fractie vragen of het kabinet kan aangeven hoeveel medewerkershier jaarlijks ongeveer aan deelnemen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 68 7. Antwoord van het kabinetDe genoemde acculturatiecursussen, het aanbod van deAcademie voor Internationale Betrekkingen (AIB), de jaarlijksemensenrechtencursus en het opleidingstraject voor startendebeleidsmedewerkers (IBBZ) bereiken jaarlijks een substantieeldeel van ons personeel, maar worden niet uitgesplitst perdeelonderwerp.Omdat deze opleidingen breed zijn opgezet (en niet uitsluitend opFoRB gericht), registreren we geen exacte aantallen. Wel geldt datalle nieuwe beleidsmedewerkers en een belangrijk deel van hetuitgezonden personeel gedurende hun loopbaan op meerderemomenten met religie-sensitief werken in aanraking komen.De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet kan verduidelijken watwordt bedoeld met het «blijvend investeren in deskundigheid, capaciteiten netwerken» op dit terrein. Gaat het hierbij om extra middelen, extra fte,nieuwe trainingen of andere maatregelen.8. Antwoord van het kabinetHet blijvend investeren in deskundigheid, capaciteit ennetwerken is een combinatie van maatregelen binnen debestaande begrotingskaders, geen additionele middelen.Concreet gaat het om:•Deskundigheid: verdere inhoudelijke versterking vanbestaande opleidingen (acculturatie, AIB-modules, mensen-rechtencursus, IBBZ en een nieuwe cursus over religieuzegeletterdheid in samenwerking met SZW) en het beter benut-ten van de expertise van de SGRL en externe kennispartnersbij de ontwikkeling van lesmateriaal en casuïstiek; waarondereen mogelijke nieuwe cursus of in samenwerking met SZW inde tweede helft van dit jaar op het gebied van religieuzegeletterdheid kan worden opgezet.•Capaciteit: borgen dat er binnen BZ voldoende medewerkerszijn met specifieke kennis van religieuze dynamieken, ondermeer via het netwerk rond de SGRL en mensenrechten-aanspreekpunten op posten;•Netwerken: het actief onderhouden en uitbouwen van contac-ten met religieuze actoren (kerken, moskeeën, andere geloofs-gemeenschappen en faith-based organisaties), zowel inpartnerlanden als in Nederland, zodat diplomaten beschikkenover betrouwbare gesprekspartners en tijdige signalen uit hetveld.Ambassades worden aangemoedigd hun netwerken met religieuzeactoren te verdiepen en religieuze dynamieken structureel te betrekken inpolitieke rapportages en landenstrategieën. De leden van de CDA-fractievragen op welke wijze dit wordt aangemoedigd, gevolgd en beoordeeld.9. Antwoord van het kabinetAmbassades worden op verschillende manieren gestimuleerd omreligieuze dynamieken en contacten met religieuze actorenstructureel te betrekken bij hun werk. Dit gebeurt onder meer viabeleidsinstructies en landenstrategieën, waarin in relevantelanden expliciet wordt gevraagd aandacht te hebben voor depositie van religieuze minderheden en voor vrijheid van religie enlevensovertuiging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 69 Daarnaast beschikken posten over het decentrale Mensenrech-tenfonds, waarmee zij projecten kunnen ondersteunen die gerichtzijn op de bescherming van religieuze minderheden, interreli-gieuze dialoog en het tegengaan van haatzaaiing. Dit geeftambassades de mogelijkheid om, in aansluiting op de lokalecontext, concrete initiatieven te steunen die bijdragen aanveiligheid en inclusie.Ook de inzet van de SGRL en de Mensenrechtenambassadeurspeelt een belangrijke rol. Bij landenbezoeken ontmoeten zijsamen met de posten religieuze actoren en delen zij bestpractices, waarmee ambassades verder worden aangemoedigdom religie en levensovertuiging structureel in hun werk teverankeren.Over deze inzet wordt op verschillende manieren gerapporteerd,zodat zowel het departement als uw Kamer zicht houdt op devoortgang en resultaten. Zo vindt er regelmatig contact plaatstussen posten en het departement over ontwikkelingen op hetgebied van vrijheid van religie en de bredere mensenrechtensi-tuatie, waarbij ook wordt gesproken over samenwerken metreligieuze actoren.Daarnaast wordt in de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage aanuw Kamer expliciet aandacht besteed aan voorbeelden vanFoRB-inzet.Tot slot wordt in rapportages en evaluaties van instrumenten alshet Mensenrechtenfonds en programmatische kaders (zoalsJISRA en FOCUS) ook de rol van lokale religieuze partnersbeschreven, waaronder in de recente IOB-evaluatie van hetNederlandse mensenrechtenbeleid. Daarmee wordt geborgd datervaringen uit de uitvoering worden teruggekoppeld naar beleiden programmering.Het kabinet verkent momenteel hoe jaarlijks structureel middelen kunnenworden vrijgemaakt om de SGRL een structurele positie te geven. Deleden van de CDA-fractie vragen wanneer het kabinet deze verkenningverwacht af te ronden en de Kamer hierover te informeren. Kan hetkabinet aangeven aan welke omvang van budget en capaciteit wordtgedacht om de Speciaal Gezant deze structurele positie daadwerkelijk tegeven? Hoe verhoudt de rol van de Speciaal Gezant zich tot die van deMensenrechtenambassadeur? Hoe wordt overlap voorkomen?10. Antwoord van het kabinetConform de motie-Ceder c.s. (Kamerstuk 36 800 V, nr. 76) wordenjaarlijks structureel middelen vrijgemaakt om de SGRL alszelfstandige en volwaardige functie te borgen.Het gaat daarbij om middelen die nodig zijn om de functie zelfstructureel te maken (salaris en beperkte ondersteuning), niet omeen apart programmabudget. Voor programmatische inzet opvrijheid van religie en levensovertuiging bestaan al instrumenten:centraal via het FOCUS-programma (2026–2031), waarin EUR 35miljoen is gereserveerd voor FoRB en bescherming van religieuzeminderheden. En decentraal via het Mensenrechtenfonds, datdoor ambassades wordt ingezet voor contextspecifiekeprojecten, onder meer op FoRB. De SGRL zal, net als de Mensen-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 610 rechtenambassadeur, geen eigen programmabudget beheren,maar gebruikmaken van deze bestaande instrumenten.Wat de rolverdeling betreft: de Mensenrechtenambassadeur heefteen breed mandaat op het gehele mensenrechtenbeleid enbenadrukt FoRB ook in landencontexten waar dit nuttig enrelevant is. De SGRL richt zich specifiek en verdiepend opvrijheid van religie en levensovertuiging, inclusief christenver-volging. Het volledig vermijden van enige overlap is daarbij nietaltijd mogelijk of wenselijk: overlap kan helpen om FoRB stevigte verankeren in onze brede mensenrechteninzet. De inzet isdaarmee complementair: de SGRL is aanvullend op de brede inzetvan de Mensenrechtenambassadeur, en samen bestrijken zij meerlanden en fora dan één van beiden afzonderlijk zou kunnen. Hunactiviteiten worden onderling en met de posten afgestemd, zodatzij elkaar versterken binnen een geïntegreerde mensenrechten-strategie.Versterk online weerbaarheid tegen religieus gemotiveerde haaten vervolgingHet kabinet onderkent dat online haat, desinformatie en oproepen totgeweld kunnen bijdragen aan stigmatisering en fysiek geweld. De ledenvan de CDA-fractie vragen of het kabinet kan aangeven welke concreteprogramma’s of projecten Nederland nu al steunt op dit terrein. Hoeveelmiddelen uit het Mensenrechtenfonds of andere instrumenten wordenmomenteel ingezet voor digitale weerbaarheid van religieuze minder-heden? Op welke manier wordt de effectiviteit van deze inzet gemeten?Ziet het kabinet mogelijkheden om binnen EU-verband sterker op tetrekken tegen online haatcampagnes gericht op religieuze minderheden?11. Antwoord van het kabinetDe inzet op digitale weerbaarheid van religieuze minderhedenmaakt onderdeel uit van bredere projecten op het gebied vanmensenrechten, in het bijzonder gericht op vrijheid van menings-uiting online, persvrijheid en informatie integriteit. Het gaat omprojecten waarin meerdere doelen samenkomen, zoalsbescherming van mensenrechtenverdedigers, tegengaan vanonline haat en desinformatie, het promoten van persvrijheid enonafhankelijke media en de versterking van digitale gelet-terdheid. Binnen het Mensenrechtenfonds en andere instru-menten wordt verder niet separaat bijgehouden hoeveel van deinzet binnen deze projecten specifiek ten goede komt van deweerbaarheid van (ook) religieuze minderheden.In EU-context zou Nederland er voorstander van zijn dat denieuwe EU-gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging,samen met de EU-Speciaal Vertegenwoordiger voor Mensen-rechten, de online dimensies van geloofsvervolging nadrukke-lijker agendeert in de dialoog met derde landen en groteonlineplatforms.Investeer in interreligieuze dialoogHet kabinet verwijst naar het Joint Initiative for Strategic Religious Action(JISRA)-programma en naar voortzetting via het FOCUS-programma. Deleden van de CDA-fractie vragen of het kabinet kan aangeven welke lessenuit JISRA het zwaarst meewegen in de nieuwe inzet. Kan het kabinetdaarnaast nader specificeren hoe de gereserveerde middelen binnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 611 FOCUS voor 2026–2031 worden verdeeld over vrijheid van religie enlevensovertuiging, interreligieuze dialoog, bescherming van religieuzeminderheden en weerbaarheid tegen discriminatie?12. Antwoord van het kabinetUit JISRA is een aantal lessen te trekken die zwaar meewegen inde nieuwe inzet onder FOCUS.Allereerst is langdurige betrokkenheid en lokale verankeringessentieel gebleken: structurele verandering vraagt tijd en moetidealiter worden gedragen door lokale religieuze én seculierepartners. Daarom is het streven om de programmatische inzet,waar mogelijk, in veel van dezelfde landen voort te zetten.Daarnaast bleek dat dialoog het best werkt als die gekoppeld isaan concrete gezamenlijke activiteiten, bijvoorbeeld rondveiligheid, onderwijs of lokale dienstverlening, en niet alleen uitgesprekken bestaat.Verder is gebleken dat inclusiviteit binnen religieuze gemeen-schappen, met name de betrokkenheid van vrouwen en jongeren,de impact en duurzaamheid van interventies vergroot. Interreli-gieuze dialoog moet bovendien worden aangevuld metversterking van rechtsorde, mensenrechtenverdedigers enmechanismen tegen haatzaaiing om echt verschil te maken.Deze lessen zijn terug te zien in de hoofddoelen van hetFoRB-subinstrument binnen FOCUS. De belangrijkste doelstel-lingen daarvan zijn:1.Het versterken van lokale maatschappelijke organisaties engemeenschapsorganisaties die bijdragen aan het bevorderenvan vrijheid van religie en bescherming van religieuzeminderheden;2.Het stimuleren van inter-, intra en extra-religieuze dialoog ensamenwerking;3.Het tegengaan van spanningen, polarisatie en het risico opgewelddadig extremisme in kwetsbare en religieus diversesamenlevingen;4.Versterken van inclusie van kwetsbare groepen, waarondervrouwen, jongeren en lhbtiq+ personen, binnen religieuzegemeenschappen;5.Het ondersteunen van dialoog en internationale belangenbe-hartiging richting overheden om discriminatie tegen religi-euze minderheden te verminderen en hun positie teversterken.Binnen FOCUS is voor 2026–2031 in totaal EUR 35 miljoengereserveerd voor dit FoRB-subinstrument. De ingediendesubsidieaanvragen worden op dit moment nog beoordeeld. Het isdaarom nog niet mogelijk u te informeren over de budgettaireverdeling over de verschillende onderdelen. Ook geldt dat binnendit subinstrument geen vooraf vastgelegde financiële allocatiesper type activiteit worden aangebracht en dat veel activiteitenmeerdere doelstellingen tegelijk zullen dienen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 612 Betrek diasporagemeenschappen bij de inzet tegen geloofsver-volgingHet kabinet erkent dat diasporagemeenschappen een waardevolle bronvan kennis, ervaring en netwerken vormen. De leden van de CDA-fractievragen of het kabinet kan aangeven hoe vaak en in welke vorm hieroverstructureel contact plaatsvindt. Is het kabinet bereid een meer vasteoverlegstructuur in te richten met relevante diasporagemeenschappen,kerken en faith-based organisaties in Nederland? Hoe wordt in diecontacten omgegaan met veiligheidsrisico’s voor familieleden ofcontacten in het land van herkomst? Op welke manier worden signalen uitdiasporagemeenschappen daadwerkelijk teruggelegd in beleid, landen-strategieën en diplomatieke inzet?13. Antwoord van het kabinetContact met diasporagemeenschappen, religieuze instellingen enandere faith-based organisaties vindt functioneel en thematischplaats. Dat gebeurt onder meer via gesprekken van de SGRL ende Mensenrechtenambassadeur met diaspora-organisaties enreligieuze gemeenschappen in Nederland. Voorts via regulierecontacten van directies en ambassades met maatschappelijkeorganisaties die nauw met diaspora samenwerken. Ook diaspora-signalen die worden opgevangen in het kader van specifiekelandensituaties zoals Syrië, Irak, Nigeria of Pakistan, wordenbetrokken bij onze analyses en inzet.In alle contacten met de diaspora wordt zorgvuldig omgegaanmet veiligheid en vertrouwelijkheid. Dat betekent dat het kabinetterughoudend is met het openbaar maken van namen, organi-saties of concrete casussen wanneer dit risico’s kan opleverenvoor familieleden of contacten in het land van herkomst, en datwaar nodig gebruik wordt gemaakt van vertrouwelijke settingenen steeds met betrokkenen afstemmen welke informatie wel enniet kan worden gedeeld.Signalen uit diasporagemeenschappen worden voorts meege-nomen in landenanalyses en mensenrechtenprofielen die richting-gevend zijn voor de diplomatieke inzet, het voeden van deNederlandse positie in VN- en EU-kaders (bijvoorbeeld bijUPR-aanbevelingen of EU-verklaringen) en betrokken bij deprogrammering van instrumenten zoals het Mensenrechtenfondsen FOCUS, door aandacht te hebben voor de thema’s en regio’sdie diaspora als urgent signaleren.Structurele aandacht voor geloofsvervolgingen in diplomatie metconsequentiesHet kabinet schrijft dat structurele aandacht voor geloofsvervolging nietvrijblijvend mag zijn. De leden van de CDA-fractie vragen wat het kabinetprecies verstaat onder «niet vrijblijvend».Kan het kabinet schetsen welke escalatieladder beschikbaar is wanneersprake is van ernstige of verslechterende situaties, bijvoorbeeld vanbilaterale gesprekken en gezamenlijke EU-stappen tot politiekeagendering in multilaterale fora? Welke concrete consequenties zijn in depraktijk denkbaar wanneer landen zich blijven schuldig maken aanernstige schendingen van de vrijheid van religie en levensovertuiging?Kan het kabinet nader toelichten in welke gevallen het kiest voor stillediplomatie en in welke gevallen voor publieke politieke druk?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 613 14. Antwoord van het kabinetSignalen over geloofsvervolging, waaronder christenvervolging,worden consequent genoteerd en verwerkt in onze diplomatiekeinzet en beleidskeuzes, conform de motie- van Baarle c.s.(Kamerstuk 36 800-V, nr. 92). Structurele aandacht betekent datFoRB consequent terugkomt in bilaterale gesprekken,EU-overleggen en multilaterale fora, en dat verslechteringenaanleiding kunnen zijn om de inzet op te schalen. In de praktijkhanteert het kabinet een soort escalatieladder, waarbij deprecieze stappen per land en context verschillen. Elementendaarvan zijn onder meer:•Bilaterale diplomatie: het onderwerp aan de orde stellen inpolitieke gesprekken en mensenrechtendialogen, zowel opambtelijk als op politiek niveau; het vragen om toelichting, hetaandringen op wetgevingswijzigingen of bescherming vanspecifieke gemeenschappen.•Gezamenlijke EU-stappen: wanneer bilaterale signalenonvoldoende effect sorteren, wordt vaak de EU-lijn gevolgd:gezamenlijke demarches, EU-verklaringen, het agenderen vanFoRB in Raadsconclusies of mensenrechtendialogen, en, waarpassend, het meewegen van ernstige schendingen in bredereEU-relaties.•Multilaterale agendering: bij aanhoudende of verslechterendesituaties brengt het kabinet FoRB-schendingen in VN-fora naarvoren, bijvoorbeeld via bijdragen in de Mensenrechtenraad,UPR-aanbevelingen of steun aan resoluties waarin explicietwordt verwezen naar de positie van religieuze minderheden.•Gerichte maatregelen: in ernstige gevallen kan Nederland opnationale basis maatregelen treffen, of binnen EU- ofVN-verband pleiten voor gerichte sancties tegen verantwoor-delijke personen of entiteiten, of voor het conditioneren vanbepaalde vormen van samenwerking, conform de lijn die ookin de initiatiefnota wordt geschetst. Daarbij wordt ook steedsde verwachte effectiviteit van de Nederlandse inzet tegen hetlicht gehouden.De keuze tussen stille diplomatie en publieke politieke druk iseen contextafweging waarin ook bredere Nederlandse belangenworden meegewogen. Stille diplomatie ligt voor de hand wanneerde veiligheid van religieuze minderheden of individuele gespreks-partners in het geding zijn, wanneer er aanwijzingen zijn datvertrouwelijke gesprekken ruimte bieden voor concrete verbete-ringen, of wanneer publieke veroordelingen het risico op verdererepressie of polarisatie zouden vergroten. Publieke politiekedruk, bilateraal, in EU-verband of in VN-fora, is eerder aan deorde wanneer sprake is van ernstige of structurele schendingenwaarbij eerdere stille interventies onvoldoende effect hebbengehad, wanneer er behoefte is aan een duidelijk politiek signaal,ook richting andere landen en maatschappelijke actoren, ofwanneer we samen met gelijkgezinde landen een brederenormatieve boodschap willen afgeven, bijvoorbeeld via eengezamenlijke verklaring of resolutie.Het kabinet noemt onder meer Nigeria, Pakistan, China, Syrië, Irak, India,Algerije, Indonesië en Oost-Congo. De leden van de CDA-fractie vragen ofhet kabinet per genoemd land kort kan aangeven wat in 2026 de belang-rijkste Nederlandse inzet is, welke doelen daarbij horen en hoe de Kamerover de voortgang wordt geïnformeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 614 15. Antwoord van het kabinetIn Nigeria richt de inzet van het kabinet zich in 2026 op hetbevorderen van bescherming van burgers en religieuze minder-heden, in een context van een complex en vaak gewelddadigconflict. Dit vindt plaats door in bilaterale en EU-contactenaandacht te vragen voor veiligheid en straffeloosheid, en door viaFOCUS en het Mensenrechtenfonds interreligieuze dialoog ensamenwerking te ondersteunen.In Pakistan blijft Nederland de zorgen over blasfemiewetgeving,gedwongen bekeringen en de positie van religieuze minderhedenagenderen in bilaterale contacten, in EU-kaders (waaronderGSP+) en in VN-fora, met als doel misbruik van wetgeving tebeperken en rechtsbescherming te versterken.Ten aanzien van China vraagt het kabinet in EU-verband, in deVN-Mensenrechtenraad en bilateraal aandacht voor ernstigebeperkingen op vrijheid van religie en levensovertuiging,waaronder tegen christelijke (huis)kerken. Voor China worden,waar mogelijk, projecten via het Mensenrechtenfonds onder-steund, waarbij grote terughoudendheid in publieke communi-catie wordt betracht om de veiligheid van partners tebeschermen.In Syrië staat de inzet van het kabinet in het teken vanbescherming van gemeenschappen, inclusief religieuze minder-heden, in de context van transitie en wederopbouw. FoRB wordtdaar gekoppeld aan een bredere inzet op mensenrechten,accountability en voorwaarden aan wederopbouw, zoals ookuiteengezet in de recente Kamerbrief over straffeloosheid enmensenrechten in Syrië.2In Irak vraagt het kabinet in contacten met de autoriteitenaandacht voor de positie van religieuze minderheden, waaronderjezidi’s en christelijke gemeenschappen, met nadruk op gelijkerechten en veilige terugkeer. De ervaringen uit JISRA in Irakworden benut bij de beoordeling of en hoe Irak onder FOCUS kanworden geprogrammeerd.In India brengt het kabinet zorgen over de positie van religieuzeminderheden en de toepassing van anti-conversiewetten inEU-India-mensenrechtendialogen en bilaterale contacten in,conform de motie-Stoffer3, steeds in samenhang met de brederestrategische relatie.In Algerije is Nederland in gesprek met religieuze leiders en hetMinisterie van Religieuze Zaken. Waar opportuun deelt Nederlandde visie over het belang van vrijheid van religie en levensover-tuiging. Zo wordt ook gesproken over de positie van christenen.Hierbij is het van belang om een vertrouwelijke dialoog te voerenmet religieuze leiders en de overheid en om onze doelgroep nietin een kwetsbare positie te brengen.In Indonesië bouwen we voort op een goede samenwerking rondFoRB en interreligieuze dialoog, onder meer via bezoeken van de22026D13017, Kamerstuk 32 735, nr. 425, Kamerbrief Nederlandse Inzet op Accountability3Kamerstuk 36 800-V, nr. 85Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 615 SGRL, FOCUS-activiteiten en door de ambassade gesteundeprojecten gericht op bescherming van religieuze vrijheden.In Oost-Congo (DRC) is de inzet gericht op het terugdringen vangeweld door gewapende groepen, waaronder de AlliedDemocratic Forces, en op versterking van lokaal bestuur enrechtsstaat, omdat duurzame vrede en effectief staatsgezag debeste bescherming bieden tegen geweld tegen christelijke enandere gemeenschappen. Religieuze vrijheid en mensenrechtenzijn geïntegreerd in programma’s op het gebied van veiligheid enrechtsorde.Uw Kamer wordt over de voortgang van deze inzet primairgeïnformeerd via de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage4, waarinper mensenrechtenprioriteit de belangrijkste ontwikkelingen enNederlandse acties worden geschetst. Daarnaast wordt, waarrelevant, in reguliere landen- en themabrieven (bijvoorbeeld overSyrië, Nigeria, China of de Grote Meren) nader ingegaan opspecifieke stappen en resultaten.In China worden zorgen zowel bilateraal als via EU-verklaringen geadres-seerd. Onlangs bleek uit nieuw onderzoek van Human Rights Watch(HRW) dat China’s onderdrukking van katholieken sterk is toegenomen.5De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet, via de Nederlandseambassade of via Europese partners, over eigen informatie beschikt diedeze signalen bevestigt. Zo ja, is het kabinet bereid om in EU-verband tepleiten voor een gezamenlijke en duidelijkere Europese reactie op deverslechterende positie van katholieken en andere religieuze minderhedenin China? Welke mogelijkheden ziet het kabinet om mensenrechtenverde-digers, religieuze gemeenschappen en documentatie van mensenrechten-schendingen in en rond China beter te ondersteunen? Kan het kabinetaangeven of deze berichten aanleiding geven om het bredere Neder-landse China-beleid, op het punt van mensenrechten en geloofsvrijheid,aan te scherpen?16. Antwoord van het kabinetHet kabinet vangt met enige regelmaat signalen op dat de drukop geloofsgemeenschappen in China, waaronder katholieken, toeneemt. Die signalen betreffen ook de recent aangenomen wet opde Etnische Eenheid, die onder meer ziet op controle op geloofs-gemeenschappen. Informatie wordt vergaard via eigen contactenen kanalen. In aanvulling hierop wisselt Nederland informatie uitmet gelijkgezinde landen, waaronder EU-lidstaten.Nederland brengt mensenrechten in den brede, waaronder devrijheid van religie, op in gesprekken met Chinese gespreks-partners, op verschillende niveaus. Dat doet Nederland inEU-verband, via multilaterale fora zoals bijvoorbeeld tijdens demeest recente VN Mensenrechtenraad (23.02–31.03 jl.) enbilateraal. Daarbij kijkt het kabinet altijd naar de meest effec-tieve inzet, zowel voor als achter de schermen. Naast voorge-noemde inzet in bilateraal en multilateraal verband, schenkt hetkabinet via het Mensenrechtenfonds extra aandacht aan vrijheidvan religie, onder meer door het identificeren en steunen van4Rapportage Mensenrechten, Democratie en Internationale Rechtsorde 20255NOS, 16 april 2026, «Human Rights Watch: China’s onderdrukking van katholieken escaleert» (https://nos.nl/artikel/2610626-human-rights-watch-china-s-onderdrukking-van-katholieken-escaleert)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 616 projecten. Binnen het huidige Nederlandse China-beleid is erreeds nadrukkelijke aandacht voor mensenrechten, waarondergeloofsvrijheid. Het kabinet ziet binnen het bestaande beleid ende daarbinnen beschikbare instrumenten voldoende ruimte om detoenemende druk op geloofsgemeenschappen te adresseren.Structurele monitoring en rapportage inzake christenvervolgingHet kabinet ziet geen meerwaarde in een afzonderlijk nationaal monito-ringsinstrument, mede vanwege de kosten. De leden van de CDA-fractievragen of het kabinet wel kan bezien of in de jaarlijkse Mensenrechtenrap-portage een vaste paragraaf opgenomen kan worden over vrijheid vanreligie en levensovertuiging, met aandacht voor trends, prioritaire landen,Nederlandse inzet en bereikte resultaten.17. Antwoord van het kabinetIn de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage6 wordt reeds struc-tureel gerapporteerd over vrijheid van religie en levensover-tuiging, met aandacht voor trends, prioritaire landen, de Neder-landse inzet en, waar mogelijk, bereikte resultaten. Een vasthoofdstuk over FoRB is daarmee in de praktijk al gebruik.Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota. Ze danken de Ministervoor het opstellen van de kabinetsreactie en voor de waarde die hetkabinet hecht aan de bescherming en bevordering van mensenrechtenbinnen het buitenlandbeleid, waaronder de vrijheid van religie enlevensovertuiging. De leden hebben een aantal vragen.De leden van de ChristenUnie-fractie zien de aandacht die het kabinetheeft voor de vrijheid van religie en levensovertuiging, ook in het huidigekabinetsbeleid. De leden zien dat de kabinetsreactie vooral al bestaandbeleid bevat, terwijl de initiatiefnota, met verwijzing naar de IOB-evaluatieuit 2023, ook nadrukkelijk tekortkomingen van het beleid blootlegt. Deleden vragen de Minister te reflecteren op de in de initiatiefnotagenoemde bevindingen van de IOB-evaluatie.18. Antwoord van het kabinetDe IOB-evaluatie bevestigt dat er de afgelopen jaren belangrijkestappen zijn gezet, maar legt ook terecht een aantal aandachts-punten bloot. In de initiatiefnota worden met name drie puntenuit de evaluatie genoemd.Ten eerste constateert IOB dat vrijheid van religie en levensover-tuiging in de praktijk binnen sommige multilaterale trajecten,zoals de UPR-inzet, ondanks de formele prioriteitsstatus sinds2007, minder prioriteit kreeg dan andere thema’s. Met de huidigekabinetsreactie is de inzet dat FoRB consequenter wordt meege-nomen in de VN-Mensenrechtenraad en dat de ondersteuning vande VN-Speciaal Rapporteur voor FoRB wordt geïntensiveerd,onder meer via het plaatsen van een door Nederland gefinan-cierde Junior Professional Officer op haar kantoor. Hiermeewordt beoogd de monitoring en opvolging van schendingen,inclusief christenvervolging, door de VN verder te versterken.6Rapportage Mensenrechten, Democratie en Internationale Rechtsorde 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 617 Ten tweede wijst IOB erop dat een deel van de ambassades in depraktijk vaker de nadruk legde op andere thema’s, zoals vrouwen-rechten en LHBTIQ+, dan op vrijheid van religie en levensover-tuiging. FoRB komt inderdaad in de besteding van het decentraleMensenrechtenfonds niet overal even prominent naar voren.Tegelijkertijd is het belangrijk te benadrukken dat FoRB deafgelopen jaren juist ook via grote centrale programmering stevigis opgepakt: in de periode 2021–2025 via JISRA (circa EUR 37miljoen) en nu, voor 2026–2031, via het FOCUS-kader, waarincirca EUR 35 miljoen voor het FoRB-sub-instrument is gereser-veerd. Ambassades kiezen er soms voor om de relatief beperktemiddelen uit het decentrale Mensenrechtenfonds op andereprioriteiten te richten die makkelijker uit te voeren zijn dan in desoms complexe context van religieuze minderheden en -vrijheden.Dat neemt niet weg dat, mede naar aanleiding van de evaluatie,expliciet wordt ingezet op versterking van religieuze gelet-terdheid en op betere inbedding van FoRB in landenstrategieën enrapportages. Binnen de brede inzet op FoRB wil en zal het kabinetnadrukkelijk meer aandacht besteden aan het thema christenver-volging, vooral in landen en regio’s waar christenen aantoonbaaronder druk staan.Ten derde signaleert IOB dat de SGRL in de onderzochte periodenog onvoldoende geïntegreerd was in het departement en relatiefbeperkt werd ingezet voor (digitale) landenbezoeken. Dat is eenbelangrijk aandachtspunt. Met de keuze om de functie van deSGRL als zelfstandige en volwaardige functie te behouden enstructureel te borgen, geeft het kabinet hier een concreetantwoord op. De gezant wordt daarmee een vaste schakel tussenbeleid, ambassades en maatschappelijke actoren.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister tevens om toe telichten wat wordt bedoeld met dat er soms spanningsvelden kunnenontstaan tussen fundamentele rechten. In algemene zin begrijpen deleden dat grondrechten intrinsiek kunnen botsen. Tegelijkertijd zien deleden niet hoe het tegengaan van christenvervolging als gevolg kanhebben dat andere fundamentele rechten onder druk komen te staan. Kande Minister dit verder toelichten en hier wellicht voorbeelden van geven?19. Antwoord van het kabinetDe passage over spanningsvelden tussen fundamentele rechtenbetekent niet dat het tegengaan van christenvervolging opzichzelf andere rechten onder druk zou zetten, maar dat we in depraktijk soms opereren in contexten waarin verschillende rechtentegelijk in het geding zijn en zorgvuldig moet worden gekekennaar onze inzet.Voorbeelden zijn de verhouding tussen vrijheid van religie enlevensovertuiging en vrijheid van meningsuiting. In sommigelanden wordt blasfemiewetgeving gebruikt om religieuzeminderheden, onder wie christenen, te vervolgen. Daar verzet hetkabinet zich tegen. Tegelijkertijd zijn er situaties waarinreligieuze uitingen worden gebruikt om haat of geweld tegenandere groepen aan te wakkeren. Een tweede spanningsveld kanontstaan in de verhouding tussen FoRB en de rechten vanvrouwen en LGBTIQ+-personen. In sommige contexten wordenreligieuze overtuigingen aangevoerd ter rechtvaardiging vanbeperkingen op de rechten van vrouwen of LGBTIQ+-personen.Dit kan in de diplomatieke praktijk betekenen dat we in één enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 618 dezelfde landencontext zowel opkomen voor vervolgde christe-lijke minderheden, als scherpe gesprekken voeren over derechten van vrouwen en LGBTIQ+-personen. Dat vraagt om eenbenadering waarin we mensenrechten in onderlinge samenhangbevorderen, en duidelijk is dat bepaalde rechten naast elkaarkunnen bestaan.De genoemde spanningsvelden hebben te maken met de contextwaarin we opereren en de manier waarop staten of actoren zelfmet rechten omgaan. Daarom blijft het kabinet benadrukken datmensenrechten universeel en ondeelbaar zijn, en dat onze inzeterop gericht is FoRB te versterken zonder dat dit ten koste gaatvan andere fundamentele vrijheden.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister welke concretestappen hij voornemens is te zetten om de positie, het mandaat en deinzet van de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensover-tuiging te versterken, zowel binnen het ministerie als in de internationalediplomatieke praktijk? Kan de Minister aangeven welke extra middelen ofbevoegdheden hiervoor worden ingezet. Tevens vragen de leden overwelke personele en financiële middelen de Speciaal Gezant momenteelbeschikt. Acht de Minister deze middelen voldoende gelet op de mondialeomvang en urgentie van schendingen van vrijheid van religie enlevensovertuiging? Zo ja, waarom? Zo nee, is de Minister bereid aanvul-lende middelen beschikbaar te stellen om de slagkracht van de SpeciaalGezant te vergroten?20. Antwoord van het kabinetZoals aangegeven in de antwoorden op de vragen 2 en 10 is derol van de SGRL nadrukkelijk bedoeld als versterking van de inzetvan ambassades, als thematisch expert en verbinder op vrijheidvan religie en levensovertuiging en worden, conform de motie-Ceder c.s.7, jaarlijks structureel middelen vrijgemaakt om deSGRL als zelfstandige en volwaardige functie te borgen.Zowel de SGRL, als de Mensenrechtenambassadeur, zullen geeneigen programmabudget beheren, maar gebruik maken van debestaande instrumenten: centraal via het FOCUS-programma(2026–2031, EUR 35 miljoen gereserveerd voor FoRB enbescherming van religieuze minderheden) en decentraal via hetMensenrechtenfonds, dat door ambassades wordt ingezet voorcontext specifieke projecten, onder meer op FoRB.De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij dat het kabinet het belangvan investeren in religieuze geletterdheid en in structurele contacten metreligieuze actoren om geloofsvervolging effectiever tegen te gaanonderschrijft. De leden vragen of Minister inzichtelijk wil maken inhoeverre er via ontwikkelingssamenwerking in algemene zin reeds metreligieuze actoren wordt samengewerkt. Is het mogelijk om dit bijvoor-beeld in een percentage te vatten? Ook zijn de leden benieuwd of hetkabinet voornemens is om deze samenwerking te versterken en zo ja, opwelke manier?21. Antwoord van het kabinetVia ontwikkelingssamenwerking wordt op uiteenlopendeterreinen samengewerkt met religieuze actoren, zowel met lokale7Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 49Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 619 religieuze leiders en organisaties als met internationale faith-based organisaties. Dat gebeurt bijvoorbeeld in programma’s ophet gebied van vrede en verzoening, rechtsstaat, onderwijs,gezondheidszorg en humanitaire hulp, en specifiek inFoRB-gerelateerde programma’s zoals JISRA en straks FOCUS.Religieuze actoren zijn in veel landen belangrijke maatschappe-lijke spelers en worden daarom structureel als partnersbetrokken. Het is daardoor niet goed mogelijk om deze samen-werking in een betrouwbaar percentage te vatten. Projecten enprogramma’s worden niet systematisch gecodeerd naar«religieuze» of «niet-religieuze» partner, en veel consortia zijngemengd (religieuze en seculiere organisaties samen). Een pogingom daar achteraf een exact percentage aan te verbinden zouweinig nauwkeurig zijn.De leden van de ChristenUnie-fractie zien de aandacht voor geloofsver-volging in de diplomatie. De leden vragen de Minister nader toe te lichtenin hoeverre er ook echt consequenties aan zijn verbonden. Zijn ervoorbeelden te geven van stevige consequenties richting een land waarbijde vrijheid van godsdienst en levensovertuiging flink onder druk stond ofstaat?22. Antwoord van het kabinetZoals toegelicht in het antwoord op vraag 14 is de inzet opgeloofsvervolging niet vrijblijvend en hanteert het kabinet in depraktijk een escalatieladder, van bilaterale diplomatie engezamenlijke EU-stappen tot multilaterale agendering en, inernstige gevallen, gerichte maatregelen zoals sancties of hetconditioneren van samenwerking. In de 43e Universal PeriodicReview (periodieke mensenrechtentoets van VN-lidstaten) vanNigeria in heeft Nederland bijvoorbeeld aanbevolen, ten behoevevan de uitoefening van het recht op vrijheid van religie enlevensovertuiging, de veiligheid van burgers in alle regio’s vanNigeria te vergroten en de accountability voor schendingen vandit recht te versterken.Aanvullend kan de escalatieladder in de praktijk ook tot stevigeconsequenties leiden. Zo kan ernstige en aanhoudende druk opvrijheid van religie en levensovertuiging ertoe bijdragen datNederland in EU-verband pleit voor opname van verantwoorde-lijke personen of entiteiten op sanctielijsten, of voor het kritischheroverwegen van preferentiële handelsregimes wanneer landenhun mensenrechtenverplichtingen, inclusief FoRB, systematischschenden.Een concreet voorbeeld hiervan is de 15e EU-Pakistan JointCommission van december jl., die de basis vormt voor deGSP+-beoordeling in 2026. In dit kader heeft de EU met Pakistangesproken over vrijheid van religie of levensovertuiging en derechten van minderheden, waarbij is benadrukt dat het preferen-tiële handelsregimes «niet gegarandeerd en niet automatisch» is.In alle gevallen wordt zorgvuldig afgewogen welke combinatievan druk, dialoog en eventuele sancties het meeste perspectiefbiedt op daadwerkelijke verbetering van de positie van religieuzeminderheden, zonder dat zij door zichtbare Nederlandse ofEuropese stappen onbedoeld verder in de gevarenzone komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 620 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister naar de inzet ophet aanspreken van landen die nog de doodstraf hanteren op blasfemie ofafvalligheid. Wanneer kunnen de leden opvolging aan de motie-Ceder/Ceulemans (Kamerstuk 36 800 V, nr. 89) verwachten?23. Antwoord van het kabinetNederland verzet zich principieel tegen blasfemiewetten, in hetbijzonder waar deze de doodstraf mogelijk maken of leiden totvervolging van afvalligen en religieuze minderheden. In bilateralecontacten en in multilaterale fora, zoals deVN-Mensenrechtenraad en in EU-kader, spreekt Nederland landenhierop consequent aan. Daarbij wordt benadrukt dat hetbestraffen met de doodstraf van blasfemie of afvalligheidonverenigbaar is met internationale mensenrechtenverplich-tingen, waaronder vrijheid van religie en levensovertuiging envrijheid van meningsuiting.Tegelijkertijd is in een aantal landen directe afschaffing vanblasfemiewetten politiek (nog) niet haalbaar. Daarom koppeltNederland het principiële pleidooi tegen deze wetgeving aan eenpragmatische inzet om de schade te beperken. Zo zet Nederlandin op het verhogen van bewijslasteisen, het versterken vanprocedurele waarborgen en, waar passend, het verplaatsen vangevoelige zaken naar hogere of gespecialiseerde rechtbanken. Ditverkleint de ruimte voor misbruik van blasfemiebeschuldigingen,bijvoorbeeld in persoonlijke vetes of lokale machtsconflicten, enkan helpen voorkomen dat ter dood veroordelingen wordenuitgesproken of ten uitvoer worden gelegd. In EU-verband pleitNederland daarnaast voor versterking en consequente toepassingvan de EU-richtsnoeren voor vrijheid van religie en levensover-tuiging (FoRB), waarin als uitgangspunt geldt dat religieuzeexpressie vrij moet zijn zolang deze geen haat of geweldaanwakkert.De eerste integrale rapportage over de uitvoering van deze motiezal worden opgenomen in de volgende jaarlijkse Mensenrechten-rapportage, die in de zomer van 2027 aan de Kamer wordtaangeboden. Daarin zal het kabinet uiteenzetten op welke wijzede diplomatieke en multilaterale inzet tegen de doodstraf voorblasfemie en afvalligheid verder is geconcretiseerd.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister of hijvoorbeelden kent van landen met shariawetgeving die op de gehelesamenleving van toepassing zijn verklaard waar christenen en anderereligieuze minderheden niet in de verdrukking raken. Kan hij dattoelichten? De leden vragen of de Minister erkent dat landen metdergelijke shariawetgeving of met een sterk islamitisch staatskarakteroververtegenwoordigd zijn in de top-10 van de Ranglijst christenver-volging van Open Doors. Heeft de Minister daar een verklaring voor? Hoeneemt de Minister dit gegeven mee in het kader van effectieve inter-venties ten aanzien van christenvervolging in deze specifieke contexten?Tevens vragen de leden welke effectieve interventies de Minister voor zichziet bij christenvervolging in totalitaire en socialistische staten als China,Noord-Korea en Eritrea.24. Antwoord van het kabinetIn landen waar religie een sterke plaats heeft in staatsrecht enwetgeving, zien we geregeld dat religieuze minderheden,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 621 waaronder christenen, onder druk kunnen komen te staan. Datgeldt in het bijzonder waar religieus geïnspireerde bepalingen,bijvoorbeeld rond blasfemie, afvalligheid of familie- en huwelijks-recht, ruimte laten voor discriminatie, uitsluiting of vervolgingvan wie afwijkt van de dominante norm. In sommige contextenspeelt islamitisch extremisme daarbij nadrukkelijk een rol:christelijke gemeenschappen, maar ook gematigde moslims enandere religieuze minderheden (waaronder eveneens islamitischegroepen), worden dan doelwit van geweld of intimidatie diereligieus wordt gelegitimeerd. Die realiteit ontkent het kabinetniet; die komt ook terug in rapportages van ambassades en vanorganisaties als Open Doors.Tegelijkertijd is de werkelijkheid genuanceerder dan eeneenvoudig een-op-een verband tussen «sharia» en «vervolging»en wil het kabinet niet generaliseren door religieuze tradities alsgeheel verantwoordelijk te houden voor geweld. In iedere contextzijn de oorzaken van geweld en vervolging vaak complex enhangen zij samen met factoren zoals zwak bestuur, gewapendconflict, sociaaleconomische ongelijkheid, etnische spanningen,georganiseerde criminaliteit en politieke instrumentalisering vanreligie. Dat betekent echter niet dat het kabinet wegkijkt waarreligie en, in sommige contexten, islamitisch-extremismeaantoonbaar een aanjagende rol spelen bij spanningen in engeweld tegen de christelijke gemeenschap. De Nederlandse inzetop FoRB is gericht op bescherming van personen en hun rechten,ongeacht religie, en op het tegengaan van misbruik van religievoor onderdrukking of uitsluiting. Het kabinet benoemt schen-dingen van vrijheid van religie, inclusief christenvervolging enislamitisch-extremisme, en spreekt waar relevant landen daar ookop aan.Ook in landen zonder islamitisch staatskarakter is sprake vanernstige christenvervolging. Zo noemt de ranglijst van OpenDoors prominente voorbeelden van niet-islamitische, sterkautoritaire of totalitaire staten, zoals Noord-Korea en Eritrea,waar christenen en andere gelovigen zwaar worden vervolgd ineen overwegend seculiere of ideologisch gedreven context.Binnen landen met een islamitische meerderheid lopen situatiesbovendien per regio en gemeenschap sterk uiteen; in sommigelanden zijn er bijvoorbeeld aanzienlijke verschillen tussenstedelijke en rurale gebieden of tussen deelstaten. Naastreligieuze normen spelen rechtsstatelijke zwakte, gewapendconflict, etnische spanningen, georganiseerde criminaliteit enpolitieke instrumentalisering van religie een grote rol in de matewaarin minderheden daadwerkelijk worden beschermd of juistkwetsbaar zijn. In onze analyses en inzet proberen we diefactoren in samenhang te wegen: we willen de complexiteit nietreduceren tot één oorzaak, maar ook niet wegkijken waar religie,inclusief islamitisch extremisme, aantoonbaar een aanjagende rolspeelt.In landen met een sterk religieus staatskarakter spreekt hetkabinet autoriteiten aan op hun internationale verplichtingen,inclusief het recht om te geloven, niet te geloven of van geloof teveranderen, en verzetten we ons tegen strafbaarstelling vanblasfemie en afvalligheid, zeker waar de doodstraf mogelijk is. Incontexten waar islamitisch extremisme specifiek bijdraagt aanchristenvervolging, agendeert Nederland dat expliciet, en zet,waar mogelijk samen met lokale religieuze leiders en gelijkge-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 622 zinde landen, in op bescherming van kwetsbare gemeen-schappen, rechtsbescherming en aanpak van straffeloosheid. Inautoritaire en totalitaire staten, of die zich nu religieus profilerenof juist seculier/socialistisch, ligt de nadruk meer op volgehoudenagendering in EU- en VN-kader, steun aan onafhankelijkemonitoring en bewijsvergaring met het oog op accountability, en,waar dat verantwoord kan, ondersteuning van organisaties dievervolgde gelovigen en andere kwetsbare groepen bijstaan.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister in hoeverre er inhet beleid specifiek aandacht is voor de impact van gender specificreligious persecution en van age specific religious persecution. Kan deMinister dit uiteenzetten? Ook vragen de leden of er in het beleid specifiekaandacht si voor de rechten van bekeerlingen? Kan de Minister hieropreflecteren?25. Antwoord van het kabinetIn de Nederlandse inzet op vrijheid van religie en levensover-tuiging staat het individu centraal, met oog voor de verschillendemanieren waarop mensen geloofsvervolging ervaren. Daarbij isnadrukkelijk aandacht voor genderspecifieke en leeftijdsspeci-fieke dimensies van geloofsvervolging, evenals voor de positie enrechten van bekeerlingen.Binnen het mensenrechtenbeleid geldt al langer dat vrouwen enmeisjes, kinderen en jongeren, en lhbtiq+-personen tot dekwetsbare groepen worden gerekend. Dat geldt ook op hetterrein van geloofsvervolging. In beleidskaders en programmeringwordt expliciet gevraagd om gender- en leeftijdssensitieveanalyses. In de praktijk betekent dit dat bij FoRB-programma’s enprojecten, bijvoorbeeld binnen het FOCUS-programma (2026–2031) en via het Mensenrechtenfonds, specifiek wordt gekekennaar situaties waarin meisjes, vrouwen en jongeren extrakwetsbaar zijn, zoals gedwongen huwelijken, seksueel geweld ofuitsluiting van onderwijs en werk op religieuze gronden, en datinterventies daarop worden toegesneden.Ook in diplomatieke contacten wordt deze dimensie meege-nomen. Wanneer Nederland landen aanspreekt op schendingenvan vrijheid van religie en levensovertuiging, wordt waar relevantgewezen op de bijzondere kwetsbaarheid van vrouwen, meisjesen jongeren binnen religieuze minderheden, en op de noodzaakhen effectief te beschermen.Met betrekking tot bekeerlingen geldt dat hun rechten integraalonderdeel zijn van de Nederlandse inzet op FoRB. De vrijheid omvan geloof te veranderen of geen geloof aan te hangen is eenessentieel onderdeel van dit recht. In gesprekken met landenwaar afvalligheid of bekering sociaal of juridisch wordt bestraft,benadrukt Nederland dat vervolging, sociale uitsluiting of geweldtegen bekeerlingen in strijd is met internationale mensenrechten-verplichtingen. Ook in multilaterale fora, zoals deVN-Mensenrechtenraad, steunt Nederland resoluties en aanbeve-lingen die expliciet aandacht vragen voor de rechten van bekeer-lingen en voor het beëindigen van strafbaarstelling vanafvalligheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 623 Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsre-actie op de initiatiefnota over christenvervolging en de bevordering vanvrijheid van religie en levensovertuiging. Deze leden onderschrijven hetbelang van bescherming van religieuze minderheden wereldwijd, maarconstateren dat de inzet van het kabinet op onderdelen abstract blijft envragen oproept over effectiviteit, prioritering en consequenties.De leden van de BBB-fractie constateren dat het kabinet benadrukt dat deinzet plaatsvindt binnen beperkte personele en financiële kaders, en datdit noopt tot scherpe keuzes. Deze leden vragen op basis van welkeconcrete criteria deze keuzes worden gemaakt. Hoe wordt bepaald inwelke landen of situaties Nederland zich wél of juist niet actief uitspreektof inzet tegen christenvervolging, en hoe wordt de effectiviteit van diekeuzes geëvalueerd? Deze leden lezen dat het kabinet spreekt over eenmix van maatregelen «voor en achter de schermen». Kan het kabinetconcreet maken in welke gevallen wordt gekozen voor stille diplomatie enwanneer voor zichtbare politieke druk? Welke afwegingen spelen daarbijeen doorslaggevende rol, en hoe wordt voorkomen dat stille diplomatiefeitelijk leidt tot vrijblijvendheid of gebrek aan zichtbare druk?26. Antwoord van het kabinetIn het antwoord op vraag 14 is toegelicht welke stappen op deescalatieladder beschikbaar zijn en op basis van welke criteria deafweging tussen stille diplomatie en publieke druk wordtgemaakt.Over deze inzet en de effectiviteit ervan wordt gerapporteerd viaregulier contact tussen posten en het departement over FoRB ende bredere mensenrechtensituatie, via de jaarlijkse mensenrech-tenrapportage aan uw Kamer, en via rapportages en evaluatiesvan instrumenten als het Mensenrechtenfonds en programma-tische kaders, waaronder de recente IOB-evaluatie van hetNederlandse mensenrechtenbeleid. Daarbij wordt onder meergekeken of diplomatieke interventies bijdragen aan zichtbareveranderingen, zoals het aanpassen van wetgeving, het vermin-deren van geweld of het realiseren van betere bescherming voorspecifieke gemeenschappen.De leden van de BBB-fractie erkennen het belang van religieuze gelet-terdheid, maar constateren dat het kabinet vooral verwijst naar bestaandeopleidingen en cursussen. Kan het kabinet aangeven hoe wordt gemetenof deze investeringen daadwerkelijk leiden tot betere bescherming vanreligieuze minderheden in de praktijk? Zijn er concrete voorbeelden waarverhoogde religieuze kennis van diplomaten aantoonbaar heeft geleid totverbeterde positie van christelijke gemeenschappen?27. Antwoord van het kabinetOpleidingen en cursussen worden geëvalueerd op deelname,relevantie en toepasbaarheid in het werk van diplomaten.Daarnaast leidt betere kennis van religieuze contexten ertoe datambassades gerichter netwerken opbouwen, scherper rappor-teren en effectiever interveniëren wanneer religieuze minder-heden onder druk staan. Zie ook het antwoord op vragen 7 en 8.De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet inzet op het tegengaanvan online haat, maar tegelijkertijd benadrukt dat vrijheid van menings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 624 uiting niet mag worden ingeperkt. Deze leden vragen hoe ditspanningsveld in de praktijk wordt opgelost. In welke concrete gevallenheeft Nederland zich uitgesproken tegen online haatcampagnes gericht opchristenen, en welke instrumenten zijn toen daadwerkelijk ingezet richtingplatforms of staten?28. Antwoord van het kabinetHet kabinet deelt de zorgen dat het tegengaan van ongewensteinhoud online, zoals desinformatie en haatspraak, regelmatigwordt aangewend als reden om te verregaande inperking van devrijheid van meningsuiting online te legitimeren. Nederland kiester daarom voor in de aanpak van deze inhoud focus te leggen ophet promoten van informatie integriteit, zowel in multilateraal alsbilateraal verband. Hiermee ligt nadruk op het promoten vanonline structuren die bijdragen aan een gezond informatieecosysteem, in plaats van het definiëren van ongewenste inhoud.Uitingen, ook online, die oproepen tot geweld of aanzetten tothaat tegen personen op grond van hun religie zijn in strijd metinternationale mensenrechtennormen; daartegen treedt hetkabinet principieel op. Kritiek op religie, religieuze opvattingenof religieuze instellingen vallen in beginsel echter onder devrijheid van meningsuiting.Wanneer online haatcampagnes tegen christenen of anderereligieuze minderheden aanzetten tot geweld of discriminatie; ofwanneer de reacties van overheden op online haat leiden totdisproportionele inperking van de vrijheid van meningsuiting, kanNederland dit aankaarten in bilaterale gesprekken met debetrokken staat, in EU-kader of in multilaterale fora. Daarnaastfinanciert Nederland projecten die lokale organisaties onder-steunen bij het monitoren en rapporteren van online haat en hetvergroten van digitale weerbaarheid van de getroffen gemeen-schappen. Omdat deze inzet onderdeel is van bredere (mensen-rechten)programma’s en vaak in vertrouwelijke context plaats-vindt, kan geen lijst van afzonderlijke casussen worden gegeven.Steeds staat voorop dat maatregelen tegen online haat nietworden gebruikt als voorwendsel om legitieme religieuze ofandere vreedzame uitingen te beperken.De leden van de BBB-fractie zien dat aanzienlijke middelen zijn ingezetvoor interreligieuze dialoog, onder andere via JISRA. Kan het kabinetconcreet maken welke meetbare resultaten deze programma’s hebbenopgeleverd specifiek ten aanzien van het terugdringen van geweld ofdiscriminatie tegen christenen? In hoeverre wordt bij nieuweprogramma’s gestuurd op aantoonbare impact in plaats van proces- ofdialoogresultaten?29. Antwoord van het kabinetProgramma’s als JISRA zijn er niet alleen op gericht om geweldof discriminatie tegen christenen terug te dringen, maar ombreder vrijheid van religie en levensovertuiging te bevorderen enspanningen tussen groepen, waaronder christelijke enniet-christelijke gemeenschappen, te verminderen. Binnen diebrede doelstelling is in meerdere landen expliciet aandachtgeweest voor de positie van christelijke minderheden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 625 De resultaten worden gemeten aan de hand van land- enprogramma-specifieke indicatoren, zoals vermindering van hetaantal gerapporteerde geweldsincidenten tussen bepaaldegemeenschappen in een district; toegenomen meldingsbereidheiden betere doorverwijzing van slachtoffers; afspraken tussenreligieuze leiders om haatprediking tegen andere groepen tegente gaan; of concrete interventies van lokale autoriteiten nasignalen uit interreligieuze platforms. Evaluaties laten zien datJISRA op lokaal niveau heeft bijgedragen aan verbeterde samen-werking tussen religieuze leiders, het voorkomen of de-escalerenvan spanningen én een grotere zichtbaarheid van de problemenwaarmee religieuze minderheden, waaronder christenen, temaken hebben.Bij nieuwe programma’s, waaronder FOCUS (2026–2031), wordtook nadrukkelijk gestuurd op aantoonbare impact. Dat betekentdat naast proces- en dialoogresultaten (zoals aantal bijeen-komsten of gevormde platforms) ook outcome-indicatorenworden gehanteerd, bijvoorbeeld veranderingen in ervarenveiligheid van minderheden, lokale beleidsaanpassingen, ofaantoonbare opvolging van incidenten door autoriteiten. Subsi-dieontvangers moeten die resultaten onderbouwen met contextspecifieke data, waarbij we ons er ook van bewust zijn datcausale relaties in complexe conflictsituaties niet altijd eenduidigzijn.De leden van de BBB-fractie constateren dat het kabinet spreekt overstructurele aandacht voor geloofsvervolging, maar dat concrete conse-quenties bij verslechterende situaties beperkt worden uitgewerkt. Dezeleden vragen welke concrete diplomatieke of politieke maatregelenNederland bereid is te nemen wanneer landen structureel tekortschietenin de bescherming van christelijke minderheden. Wordt daarbij ookgedacht aan het conditioneren van samenwerking, handelsrelaties ofontwikkelingsprogramma’s, en zo ja, onder welke voorwaarden?30. Antwoord van het kabinetZoals toegelicht in het antwoord op vraag 14 is de inzet opgeloofsvervolging, waaronder christenvervolging, niet vrijblijvenden hanteert het kabinet in de praktijk een escalatieladder: vanbilaterale diplomatie en gezamenlijke EU-stappen tot multila-terale agendering en, in ernstige gevallen, gerichte maatregelenzoals sancties of het conditioneren van samenwerking. In hetantwoord op vraag 22 is verder uiteengezet dat deze escalatie-ladder ook daadwerkelijk kan leiden tot stevige consequenties,bijvoorbeeld door in EU-verband te pleiten voor opname vanverantwoordelijke personen of entiteiten op sanctielijsten, ofvoor het kritisch heroverwegen van preferentiële handelsregimeswanneer landen hun mensenrechtenverplichtingen, inclusiefFoRB, systematisch schenden.Daarbij sluit het kabinet nooit uit dat, wanneer landen structureeltekortschieten in de bescherming van christelijke minderhedenen andere religieuze groepen, in samenwerking met andere(Europese) partners, ook bredere vormen van samenwerking,handelsrelaties of ontwikkelingsprogramma’s kunnen wordengeconditioneerd. Zulke stappen vergen altijd een zorgvuldigeafweging: enerzijds het belang van een duidelijk politiek signaalen druk op de verantwoordelijke autoriteiten, anderzijds hetrisico dat kwetsbare gemeenschappen door het wegvallen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 626 samenwerking of programma’s juist extra geraakt worden, en deweging van andere voor Nederland strategische belangen. In allegevallen staat voorop welke combinatie van druk, dialoog eneventuele sancties het meeste perspectief biedt op daadwerke-lijke verbetering van de positie van religieuze minderheden,zonder dat zij door zichtbare Nederlandse of Europese stappenonbedoeld verder in de gevarenzone komen.De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet geen meerwaarde ziet ineen apart monitoringsinstrument vanwege bestaande rapportagestruc-turen. Deze leden vragen hoe binnen de huidige rapportages specifiekzicht wordt gehouden op de ontwikkeling van christenvervolging, in plaatsvan bredere, meer algemene mensenrechtenindicatoren. Hoe wordtvoorkomen dat specifieke trends of escalaties onvoldoende scherp inbeeld komen binnen deze bredere kaders? Daarnaast vragen deze ledenhoe de Kamer tijdig wordt geïnformeerd bij acute verslechteringen inspecifieke landen, gezien de jaarlijkse rapportagecyclus mogelijk te traagis voor snel veranderende situaties.31. Antwoord van het kabinetZoals in het antwoord op vraag 4 is toegelicht, is het, gelet op devele bestaande VN-, EU- en NGO-rapportages, niet doelmatig omdaarenboven een parallel nationaal monitoringsinstrument op tetuigen.Binnen die bestaande structuren is er specifieke aandacht voorchristenvervolging. In landenanalyses en mensenrechtenrappor-tages wordt niet alleen gekeken naar algemene indicatoren, maarexpliciet naar de positie van religieuze minderheden, waaronderchristelijke gemeenschappen. Rapportages van organisaties alsOpen Doors en Kerk in Nood, signalen van kerken en christelijkeNGO’s, en bevindingen van onze ambassades worden daarbijnadrukkelijk betrokken. De uitkomsten hiervan werken door inde prioritering van landen en thema’s in bilaterale gesprekken, inEU- en VN-inzet en in de keuze van projecten binnen het Mensen-rechtenfonds en het FOCUS-programma.Wat betreft tijdige informatievoorziening richting de Kamer:wanneer zich acute en ernstige verslechteringen voordoen,bijvoorbeeld grootschalig geweld tegen christelijke gemeen-schappen of andere religieuze minderheden, is het kabinet nietbeperkt tot de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage. In zulkegevallen kan de Kamer zo nodig tussentijds worden geïnformeerdvia aparte landenbrieven, thematische Kamerbrieven of geanno-teerde agenda’s voorafgaand aan relevante Europese Raden enVN-zittingen. Op die manier kunnen zowel de ontwikkelingen alsde Nederlandse inzet bij snel veranderende situaties tijdig met deKamer worden gedeeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 888, nr. 627

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.