Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
Brontekst
Versie 9e61e587431e51b5 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 VIIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap (VIII) voor het jaar 2025Nr. 18 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN ENANTWOORDENVastgesteld 8 november 2024 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast methet voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eerverslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daaropgegeven antwoorden.De vragen zijn op 17 oktober 2024 voorgelegd aan de Minister vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bij brief van 8 november 2024 zijn zedoor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beantwoord.Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbarebehandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.De voorzitter van de commissie,BrometDe adjunct-griffier van de commissie,Huls kst-36600-VIII-18ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 181 1Welke maatregelen neemt u om de vrijheid van meningsuiting op scholenen universiteiten te bevorderen?De vrijheid van meningsuiting is verankerd in onze Grondwet, behoudensieders verantwoordelijkheid volgens de wet. In het funderend onderwijsen het mbo wordt via de burgerschapsopdracht gewerkt aan deversterking van competenties van leerlingen en studenten om met eenpluriformiteit aan opvattingen om te gaan.Voor hogescholen en universiteiten bestaat de wettelijke verplichting omhet maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef van hun studenten tebevorderen en om de academische vrijheid te borgen. De academischevorming van studenten draagt bij aan de vaardigheden om deel te nemenaan het maatschappelijke debat. In het regeerprogramma (bijlage bijKamerstuk 36 471, nr. 96) is opgenomen dat met betrokkenen in het hboen wo wordt gekeken hoe ook burgerschap een betere plek in hetonderwijs kan krijgen.2Kunt u inzichtelijk maken op welke manier u gaat sturen op deNWO1-gelden? In hoeverre verschilt deze sturing met die van uwvoorganger?NWO is een zelfstandig bestuursorgaan (zbo). Daarop is de Kaderwetzelfstandige bestuursorganen en de circulaire «Governance ten aanzienvan zelfstandige bestuursorganen (zbo’s)» van toepassing. Op NWO isdaarnaast de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijkonderzoek van toepassing. Sturing op de NWO-gelden geschiedt conformdeze wetten. Het uitgangspunt van de sturing is dat OCW de beleids-doelen vaststelt, en dat NWO wordt vrijgelaten in de wijze waarop dedoelen worden gerealiseerd. Dit verschilt niet met de sturing van hetvorige kabinet. Zo schrijft NWO elke vier jaar een instellingsplan datrichting geeft aan de inzet van de middelen door NWO. Zes maanden naontvangst van het instellingsplan informeren wij NWO over onsstandpunt. Daarnaast ontvangen wij elk jaar ter goedkeuring de begrotingen jaarrekening van NWO. Ook kan NWO specifieke opdrachten krijgenvoor de uitvoering van programma’s van OCW of andere departementen.3Gaat het volledige budget voor de kleine scholentoeslag gebruikt wordenvoor de omvorming naar de dunbevolktheidstoeslag?Ja.4Welke gevolgen (positief dan wel negatief) verwacht u van de omvormingvan de kleinescholentoeslag naar de dunbevolktheidstoeslag?Een en ander hangt af van de precieze vormgeving. Door de omvormingvan de kleine scholentoeslag naar de dunbevolktheidstoeslag wordtrekening gehouden met de dunbevolktheid van het gebied waar de schoolzich bevindt. Dit zorgt ervoor dat kleine scholen in dunbevolkte gebiedenmakkelijker open kunnen blijven. Kleine scholen in drukbevolkte gebiedenkrijgen geen of minder extra middelen. Met aanpassingen op de kleine-scholentoeslag en op de uitzonderingen wordt de concurrentie indrukbevolkte gebieden verminderd. Dit kan ook in het kader van hetlerarentekort positieve effecten met zich meebrengen, omdat de inzet vanleraren verplaatst van kleine klassen naar scholen met een grotere1NWO: Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk OnderzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 182 groepsomvang, waardoor er minder leraren nodig zijn voor dezelfdehoeveelheid leerlingen. Eind van het jaar wordt de Kamer nader geïnfor-meerd over dit beleidsvoornemen en de effecten hiervan.5Wat is de definitie van «politiek neutrale lesmethoden»?Het is belangrijk dat leerlingen vanuit verschillende invalshoeken, diepassen binnen de kaders van de democratische rechtsstaat, thema’skrijgen aangereikt. Uiteindelijk leren leerlingen op basis hiervan een eigenmening en waardenkader te vormen.De inrichting van het onderwijs is vrij. Dat betekent dat scholen degrondwettelijke vrijheid hebben om hun eigen leermiddelen te kiezen endaarbij hun eigen accenten aan te brengen. Ze moeten in de keuze voorlesmateriaal zorgvuldig afwegen met welke lesmaterialen zij, leeftijdsade-quaat, aansluiten op de kerndoelen. De wettelijke burgerschapsopdrachtverplicht scholen om zich binnen hun onderwijsaanbod onder meerherkenbaar te richten op het bijbrengen van respect voor en kennis van debasiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dit maakt dat leermid-delen die aanzetten tot haat of discriminatie niet acceptabel zijn aangeziendeze in strijd zijn met de wet.6Wat zijn de gevolgen van de voorgenomen subsidie op praktijkleren?Zoals de Minister van OCW in de Kamerbrief van 24 oktober 2024(Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 15) met de invulling van de subsidietaakstellingvoor OCW heeft laten weten, blijft de Minister inzetten op de subsidiere-geling praktijkleren. Dit betekent dat er vanaf 2030 slechts 5% structureelbezuinigd wordt op de regeling, waardoor € 220 miljoen voorpraktijkleren overblijft. Gezien de verwachte daling van het aantalmbo-studenten, heeft de korting op deze regeling naar verwachting geensignificante impact op het aantal en op het bedrag per praktijk- enwerkleerplaats na 2030.Met deze inhoudelijke invulling van de subsidietaakstelling en doorslechts 5% te bezuinigen, onderstreept de Minister van OCW het belangvan praktijkleren voor het opleiden van voldoende vakmensen. OCW zetbovendien samen met werkgevers, werknemers en studenten in op hetbekender en aantrekkelijker maken van de bbl via een bbl-offensief. Eenupdate over het bbl-offensief ontvangt uw Kamer dit najaar in de briefover de Werkagenda MBO.7Welk budget verwacht u dat nodig is om de techniekhavo, zoals die opslechts een paar scholen in Nederland wordt vormgegeven, uit te breidenzodat er in elke provincie een techniekhavo is?Er wordt een subsidie verstrekt aan havo-scholen met als doel devoorbereiding, (door)ontwikkeling en structurele inbedding van depraktijkgerichte havo goed te laten verlopen. Hiervoor is € 32,3 miljoenbeschikbaar voor de periode 2023 tot en met 2026. Sinds schooljaar2024/2025 maken 160 scholen deel uit van dit traject, waaronder zo’n 90scholen met het praktijkgerichte programma Technologie. Dat laat zien datde behoefte aan de doorontwikkeling van een dergelijk schoolexamenvakvoor de havo groot is en dat veel scholen worden bereikt. Vrijwel in iedereprovincie zijn er al meerdere scholen mee aan de slag (al dan niet met eenvoorbereidingsjaar). Een uitzondering daarvan in de provincie Drenthe,daar is nog geen school ingeloot. De verwachting is dat dit in eenvolgende ronde wel het geval gaat zijn. Havo-scholen hebben nog demogelijkheid om deelname aan te vragen van 6 januari tot en metTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 183 21 februari 2025 (en een laatste ronde in 2026). In potentie heeft dan dehelft van alle havo-vestigingen (in totaal 323 scholen) subsidie kunnenaanvragen.In de Kamerbrief van 17 april 2024 (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 126) is deintentie aangegeven dat scholen met een praktijkgerichte havo structureeleen hogere bekostiging zullen krijgen. Zoals aan uw Kamer is gemeld, zijnde middelen voor een hogere bekostiging van havoleerlingen beschikbaarop de OCW-begroting vanaf 2027. Hierbij wordt uitgegaan van hetzelfdeaanvullende bedrag per leerling als voor een leerling die de gemengdeleerweg in het vmbo volgt. Het gaat om € 41 miljoen per jaar. Conformtoezegging naar aanleiding van de breed aangenomen motie van deLeden Ceder (CU), De Kort (VVD) en Van Zanten (BBB) (Kamerstuk 36 410VIII, nr. 85) zal uw Kamer voor het einde van het jaar worden geïnfor-meerd over de stand van zaken bij de doorontwikkeling praktijkgerichtehavo.8Heeft u een brief van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie)ontvangen met haar visie op de voorgestelde rol van de inspectie bij hettoezicht op informeel onderwijs?De inspectie heeft haar visie op het wetsvoorstel en over de voorgestelderol van de inspectie gedeeld met het ministerie. De inspectie heeftdaarnaast de gelegenheid een uitvoeringstoets op het uiteindelijkewetsvoorstel uit te brengen. Bij het doorzenden van het wetsvoorstel aanuw Kamer, zullen de diverse adviezen en ook de uitvoeringstoets van deinspectie over dit wetsvoorstel meegezonden worden, zodat de Kamereen integrale weging kan maken over het wetsvoorstel.9Bent u voornemens te verkennen of de subsidie van Kamp Westerborkvoor 2026 en daarna kan worden verplaatst naar de begroting van OCW?Kamp Westerbork is één van de herinneringscentra die structureel wordenondersteund door het Ministerie van VWS. De herinneringscentra vormeneen samenhangend geheel waarmee het verhaal van de TweedeWereldoorlog in al haar facetten wordt overgedragen. Het onderbrengenvan Westerbork bij het Ministerie van OCW kan ten koste gaan van dezesamenhang. Bovendien is overdracht van Kamp Westerbork van hetMinisterie van VWS naar OCW geen oplossing voor de financiëleproblematiek bij de instelling: er zijn hier op de OCW-begroting geenmiddelen voor gereserveerd. Op dit moment is er daarom geen aanleidingom een verkenning uit te voeren naar het verplaatsen van de subsidie aanKamp Westerbork naar het Ministerie van OCW.10Hoeveel kost het de rijksoverheid om vluchtelingen uit Oekraïne struc-tureel het verlaagde collegegeld te laten betalen?Het is lastig om in te schatten hoeveel Oekraïense studenten willen enzullen gaan studeren in het hbo- en wo-onderwijs op het moment dat zijoveral het wettelijk collegegeld zouden betalen. Het staat instellingen vrijom Oekraïense studenten het verlaagde tarief te laten betalen, maar zijworden hier niet voor bekostigd. Deze studenten zijn immers geenEER-studenten.Voor het door u gevraagde scenario dat het Rijk instellingen hier wel voorzou bekostigen, is hierna een grove schatting gemaakt. Hierbij zijn devolgende aannames gemaakt. Een grove schatting dat ongeveer 20% vande Oekraïense ontheemden in de leeftijdscategorie 16 tot 30 jaar een hbo-of wo-opleiding zou willen volgen, ingaande vanaf 2026. In dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 184 berekening is enkel de bekostiging meegenomen en niet eventuelestudiefinanciering en eventuele gedragseffecten. Deze schatting levert hetvolgende beeld op:€ xmiljoen20262027202820292030Struc.Bekosti-ging1250798794.871.42999.957.397 Hier zijn geen middelen voor beschikbaar.11Klopt het dat (eventuele) verlaging van het collegegeld voor studenten uitOekraïne een generaal dossier is en dus niet hoeft te worden gedektbinnen de OCW-begroting?Het verlagen van het collegegeld voor studenten uit Oekraïne is geengeneraal dossier. Gezien de omvangrijke taakstellingen op het gebied vanhbo en wo zien wij geen ruimte een eventuele verlaging in te passen opde OCW-begroting.12Hoeveel kost het om de rente op studieschuld voor alle studenten op 0%te zetten?Het is lastig om de exacte kosten te kwantificeren omdat de rente opstudieschulden afhankelijk is van toekomstige renteontwikkelingen opstaatsobligaties. Ook is het moeilijk om in te schatten welk effect ditvoorstel heeft op het leen- en aflossingsgedrag van studenten. Daaromwordt er een berekening gemaakt op basis van de verwachte langetermijn rente volgens het CPB, ofwel een rente van 2,75%. Uitgaande vandit percentage zal het afschaffen van rente op alle huidige studieleningenleiden tot jaarlijks structurele kosten van € 720 miljoen, maar het feitelijkeeffect op het EMU-saldo kan dus groter of kleiner zijn. Dit is exclusiefuitvoeringskosten.13Hoeveel kost het om de rente voor de leenstelselgeneratie op 0% tezetten?Het is lastig om de exacte kosten te kwantificeren omdat de rente opstudieschulden afhankelijk is van toekomstige renteontwikkelingen opstaatsobligaties. Ook is het moeilijk om in te schatten welk effect ditvoorstel heeft op het leen- en aflossingsgedrag van studenten. Daaromwordt er een berekening gemaakt op basis van de verwachte langetermijn rente volgens het CPB, ofwel een rente van 2,75%. Een voorstelom de rente voor leenstelselgeneratie op 0% te zetten zou, uitgaande vaninwerkingtreding in 2027, leiden tot incidentele kosten van € 8,6 miljard,maar het feitelijke effect op het EMU-saldo kan dus groter of kleiner zijn.Afhankelijk van de daadwerkelijke renteontwikkelingen omtrent studie-schulden kunnen de kosten hoger of lager uitvallen. Daarnaast is ditexclusief uitvoeringskosten.14Hoeveel zou het kosten om de jaarlijkse rente op studieschuld voor alleenstudenten (tijdens hun studietijd) op 0% te zetten, waarbij de systematiekvan de vijfjaarsrente na afloop ongewijzigd blijft? Is dit voorsteluitvoerbaar?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 185 Het is lastig om de exacte kosten te kwantificeren omdat de rente opstudieschulden afhankelijk is van toekomstige renteontwikkelingen opstaatsobligaties. Ook is het moeilijk om in te schatten welk effect ditvoorstel heeft op het leen- en aflossingsgedrag van studenten. Daaromwordt er een berekening gemaakt op basis van de verwachte langetermijn rente volgens het CPB, ofwel een rente van 2,75%. Om de kostenvan dit voorstel te berekenen is uit gegaan van het verwachte gemiddeldeleenbedrag voor 2024. Op basis van deze cijfers bedragen de jaarlijksekosten structureel € 150 miljoen, maar het feitelijke effect op hetEMU-saldo kan dus groter of kleiner zijn.Het gaat om een complexe maatregel, en dus is het zonder verdereuitwerking van de vraag moeilijk om de uitvoerbaarheid precies in teschatten. In eerste instantie lijkt een dergelijke maatregel uitvoerbaar,maar vergt het wel veel van de uitvoering, inclusief hoge uitvoerings-kosten en een langere doorlooptijd. Daarnaast vergt dit een wetgevings-traject, dat vanwege de complexiteit naar verwachting ten minste tweejaar zal vergen.15Hoeveel geld is er in de periode 2000–2030 per jaar uitgegeven aanonderwijs (in miljarden €)?Hieronder worden de gerealiseerde uitgaven aan onderwijs door hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap weergegeven zoals ookgepubliceerd op OCWincijfers.nl. Het gaat om alle uitgaven vooronderwijsbekostiging van de begrotingsartikelen primair onderwijs (art.1), voortgezet onderwijs (art.3), middelbaar beroepsonderwijs (art. 4),hoger beroepsonderwijs (art. 6) en wetenschappelijk onderwijs (art. 7), ende relevante uitgaven aan studiefinanciering (gecorrigeerd voorkasschuiven). Hierin zijn alle uitgaven op het instrument bekostigingmeegerekend. Uitgaven op andere instrumenten die bij scholen terecht(kunnen) komen, zoals subsidies, zijn hierin niet meegerekend.De gerealiseerde uitgaven worden berekend op basis van het jaarverslag,voor 2024 tot en met 2029 zijn de cijfers gebruikt uit de Ontwerpbegroting2025. De begrotingshorizon van de Ontwerpbegroting 2025 loopt tot enmet 2029, vandaar dat voor 2030 nog geen cijfers beschikbaar zijn. Verderzijn de uitgaven aan het onderwijs pas vanaf 2002 op dusdanige wijzegemonitord dat een zinnige vergelijking en trend kan worden getoond.Vanaf 2019 is gekozen voor een nieuwe uniforme rekenmethode met alsuitgangspunt de gerealiseerde uitgaven aan onderwijsbekostiging uit hetjaarverslag. Hierdoor kan middels openbare informatie door eeniederherleid worden op basis van welke onderliggende bedragen de totaleuitgaven zijn gedaan door het Ministerie van OCW. Vóór 2019 waren deberekeningen per onderwijssector verschillend en bevatten dezecorrecties die niet direct herleid konden worden uit openbare informatie.Vanwege de nieuwe rekenmethode kan er een methodebreuk ontstaan inde trend vanaf 2019. Daarom zijn ter illustratie de cijfers van 2018 en 2019zowel op basis van de oude methode als op basis van de nieuwe methodezichtbaar. Daarmee kan de methodebreuk gevolgd worden en is de trendvanaf 2018 tot en met 2023 consistent.In de onderstaande tabel staan de totale onderwijsuitgaven van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in lopende prijzen(werkelijk uitgegeven bedragen in een jaar). Tot slot zijn de bedragen van2024 tot en met 2029 gebaseerd op de begrotingstanden uit de Ontwerp-begroting 2025.Bedragen in miljarden €PeriodeOude RekenmethodeNieuwe Rekenmethode2002€ 21,2Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 186 PeriodeOude RekenmethodeNieuwe Rekenmethode2003€ 22,42004€ 23,62005€ 24,62006€ 26,32007€ 26,92008€ 28,72009€ 29,72010€ 30,22011€ 30,72012€ 30,82013€ 32,02014€ 32,62015€ 33,32016€ 35,42017€ 34,92018€ 38,9€ 36,82019€ 39,4€ 38,02020€ 38,82021€ 42,42022€ 46,32023€ 47,62024€ 50,02025€ 49,52026€ 48,62027€ 49,82028€ 48,12029€ 47,8 16Hoeveel geld is er in de periode 2000–2030 per jaar uitgegeven aanonderwijs (in % van de rijksbegroting)?In de onderstaande tabel staan de totale onderwijsuitgaven van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als percentage van detotale overheidsuitgaven per jaar. Zie toelichting van de berekeningswijzebij vraag 15.PeriodeOude RekenmethodeNieuwe Rekenmethode20029,41%20039,51%20049,94%200510,24%200610,18%20079,98%20089,96%20099,73%20109,61%20119,80%20129,82%201310,11%201410,28%201510,53%201611,19%201710,87%201811,64%11,01%201911,28%10,88%20209,94%202110,36%202210,77%202310,32%202411,81%202510,83%20269,87%20279,98%20289,30%Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 187 PeriodeOude RekenmethodeNieuwe Rekenmethode20298,89% 17Hoeveel geld is er in de periode 2000–2030 per jaar uitgegeven aanonderwijs (in % van het bbp)?In de onderstaande tabel staan de totale onderwijsuitgaven van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als percentage van hetbruto binnenlands product (bbp). Zie toelichting van de berekeningswijzebij vraag 15. Voor het bbp is t/m 2023 gebruik gemaakt van de realisatie-cijfers van het CBS. Voor 2024 en 2025 is gebruik gemaakt van de raminguit de Macro Economische Verkenning (MEV) 2025 en voor 2026 en verderis de gemiddelde groei uit de Verkenning middellange termijnraming2024–2028 van het CPB gehanteerd.PeriodeOude RekenmethodeNieuwe Rekenmethode20020,42%20030,44%20040,44%20050,44%20060,45%20070,43%20080,44%20090,47%20100,47%20110,47%20120,47%20130,48%20140,48%20150,48%20160,49%20170,47%20180,49%0,47%20190,47%0,46%20200,48%20210,48%20220,47%20230,45%20240,47%20250,45%20260,44%20270,44%20280,42%20290,41% 18Hoeveel geld is er in de periode 2000–2030 per jaar uitgegeven aan hethoger onderwijs (in miljarden €)?In de onderstaande tabel staan de totale onderwijsuitgaven aan het hogeronderwijs (hbo en wo) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap in lopende prijzen (werkelijk uitgegeven bedragen in eenjaar). Zie toelichting van de berekeningswijze bij vraag 15.Bedragen in miljarden €PeriodeOude RekenmethodeNieuwe Rekenmethode2002€ 4,62003€ 4,82004€ 4,9Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 188 PeriodeOude RekenmethodeNieuwe Rekenmethode2005€ 5,12006€ 5,32007€ 5,52008€ 5,82009€ 6,12010€ 6,32011€ 6,52012€ 6,52013€ 6,72014€ 6,92015€ 7,02016€ 7,22017€ 7,42018€ 8,1€ 8,02019€ 8,5€ 8,42020€ 8,82021€ 10,22022€ 11,22023€ 11,52024€ 12,02025€ 11,42026€ 11,12027€ 10,62028€ 10,52029€ 10,4 19Hoeveel geld is er in de periode 2000–2030 per jaar uitgegeven aan hethoger onderwijs (in % van de rijksbegroting)?In de onderstaande tabel staan de onderwijsuitgaven in het hogeronderwijs (hbo en wo) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap als percentage van de totale overheidsuitgaven per jaar. Zietoelichting van de berekeningswijze bij vraag 15.PeriodeOude RekenmethodeNieuwe Rekenmethode20022,04%20032,04%20042,06%20052,12%20062,05%20072,04%20082,01%20092,00%20102,00%20112,07%20122,07%20132,12%20142,18%20152,21%20162,28%20172,30%20182,42%2,39%20192,43%2,40%20202,25%20212,49%20222,61%20232,49%20242,82%20252,49%20262,26%20272,13%20282,02%20291,93% Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 189 20Hoeveel geld is er in de periode 2000–2030 per jaar uitgegeven aan hethoger onderwijs (in % bbp)?In de onderstaande tabel staan de onderwijsuitgaven in het hogeronderwijs (hbo en wo) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap als percentage van het bruto binnenlands product (bbp). Zietoelichting van de berekeningswijze bij vraag 15.PeriodeOude RekenmethodeNieuwe Rekenmethode20020,09%20030,09%20040,09%20050,09%20060,09%20070,09%20080,09%20090,10%20100,10%20110,10%20120,10%20130,10%20140,10%20150,10%20160,10%20170,10%20180,10%0,10%20190,10%0,10%20200,11%20210,11%20220,11%20230,11%20240,11%20250,10%20260,10%20270,09%20280,09%20290,09% 21Klopt het dat een daling van het aantal studenten automatisch leidt totminder geld voor OCW? Klopt het dan ook dat een beleidsmatigebezuiniging op minder studenten uiteindelijk leidt tot een dubbelebezuiniging?Jaarlijks wordt een nieuwe Referentieraming opgesteld van het aantalleerlingen en studenten in het Nederlandse onderwijssysteem. Als dezeraming meer of minder leerlingen en studenten in het onderwijs voorspeltdan de raming van het jaar ervoor, dan wordt de begroting voor debekostiging bij Voorjaarsnota respectievelijk omhoog of omlaag bijgesteldrekening houdend met de actuele bedragen per leerling en student in deonderwijsbekostiging. Het uitgangspunt is namelijk dat de bekostigingvoor instellingen meebeweegt met het aantal leerlingen of studenten.De bijstelling van de OCW-begroting voor het aantal leerlingen enstudenten is jaarlijks onderdeel van de Voorjaarsnotabesluitvorming. Ditbetekent dat de bovenstaande standaardmethodiek mee wordt genomenin de integrale besluitvorming over de uitgaven aan onder meer hetonderwijs.Voor een ingeboekte bezuiniging op de onderwijsbekostiging op basis vaneen verwachte daling van het aantal leerlingen of studenten wordt permaatregel, zover mogelijk, een uitzondering op de reguliere werkwijzebezien om dubbele bezuinigingen te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeldworden gedaan door op basis van volgende ramingen bij te houden of hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1810 aantal leerlingen of studenten inderdaad verminderd blijkt te zijn tenopzichte van de vorige ramingen conform verwachting bij de ingeboektebezuiniging. Wanneer dit het geval is zal hier niet nogmaals budget voorin mindering worden gebracht maar kan de bezuiniging als afgerondworden beschouwd. Verdere daling van leerlingen of studenten (dan dereeds ingeboekte bezuiniging) worden weer op reguliere wijze alsmeevallers op het budget verwerkt.22Wat is de verwachte daling van internationale studenten?Het is lastig vooraf schattingen te maken van de impact van het beleidrond internationalisering in het hbo en wo. Daarbij gaat het bijvoorbeeldover effecten van het beleid rond werving en selectie bij instellingen, envan beleid, zoals het streven om bestuurlijke afspraken te maken en, optermijn, om effecten van de maatregelen in de Wet internationalisering inbalans. Op basis van de huidige cijfers is wel al te zien dat de instroomvan internationale studenten minder snel groeit dan eerder verwacht. Hetis nog niet duidelijk of deze trend doorzet omdat definitieve inschrijfcijferspas begin 2025 beschikbaar zijn en dan ook de nieuwe referentieramingverschijnt.23Kunt u aangeven of datzelfde bedrag voor de jaren na 2025 gereserveerdis?Ons is onduidelijk wat u bedoelt met «datzelfde bedrag». Op dit momentis een antwoord niet mogelijk.24Waar is de subsidieregeling Landelijk Dekkend Netwerk Onderwijs tevinden op de begroting?«De subsidieregeling Landelijk Dekkend Netwerk Onderwijs is te vinden opArtikel 9, onder het instrument bekostiging. De subsidieregeling is terug tevinden in de tabel budgettaire gevolgen van beleid bij Artikel 9 als«Tekorten regio’s».25Op welke manier ondersteunt u kleinschalige studies die dreigen teverdwijnen?De lumpsumbekostiging biedt besturen in het mbo, hbo en wo veelvrijheid en ruimte om middelen naar eigen inzicht in te zetten. Daardoorhebben ze de vrijheid om extra middelen in te zetten voor het in standhouden van kleinere opleidingen en in de wijze waarop ze het onderwijsorganiseren en innoveren.In het wo wordt daarnaast blijvend geïnvesteerd middels de continueringvan de sectorplannen, waarbij ook specifiek aandacht wordt gegeven aanversterking van de kleine studies in de Geesteswetenschappen, in hetbijzonder voor de moderne vreemde talen en de Nederlandse taal encultuur. Verder kennen wij specifieke middelen toe voor versterking van deopleidingen in de Geesteswetenschappen en de landelijke samenwerkingdaarin, voor de instandhouding en de versterking van de opleidingenNederlands en voor een bachelor Fries. Nederlands en Fries zijn immersde twee officiële talen van Nederland (Fries in Friesland).Specifiek voor het behoud van kleinschalig specialistisch vakmanschap inhet mbo, wordt vanuit het Ministerie van OCW structureel het Experti-sepunt Kleinschalig Vakmanschap gesubsidieerd. Dit expertisepuntondersteunt kleine, specialistische beroepen en hun opleidingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1811 Als de studentenaantallen in de ogen van een instelling per opleiding teklein worden, dan is het aan de instellingen zelf om te bezien hoe deopleidingen doelmatiger kunnen worden georganiseerd, bijvoorbeelddoor opleidingen samen te voegen of door samen te werken met andereonderwijsinstellingen.26Hoe wordt de tweede tranche van de krimpmiddelen die in 2025 en 2026ter beschikking komt ingezet om te voorkomen dat in regio’s met dalendestudentenaantallen cruciale hbo-opleidingen verdwijnen?De Vereniging Hogescholen werkt op dit moment – net als bij de eerstetranche – aan een voorstel voor besteding van de tweede tranche van demiddelen. In vergelijking met de eerste tranche ligt de nadruk sterker opde benodigde transitie om de toekomstbestendigheid van opleidingen teverbeteren en toekomstige krimp op te vangen. Instellingen kunnen ditnajaar een aanvraag indienen en de VH zal in voorjaar 2025 het planaanbieden. Op basis daarvan wordt overgaan tot beschikking van demiddelen.27Hoe is de eerste tranche ingezet?Uw Kamer is hierover geïnformeerd bij brief van 6 juli 2023. Voor deeerste tranche (€ 45 miljoen) hebben twaalf instellingen voor in totaal 176opleidingen (21 associate degrees, 130 bachelors en 25 masters) eenaanvraag ingediend. Uiteindelijke zijn 104 bijdragen goedgekeurd en ishet beschikbare budget voor de eerste tranche volledig ingezet.28Beschikken instellingen vrij over deze krimpmiddelen of kleeft aan debesteding ervan een bindende specifieke toewijzing?De middelen worden verstrekt via de lumpsum die de instellingenontvangen. De verantwoording van de lumpsum verloopt via de jaarver-slagen van de onderwijsonderstellingen. De middelen zijn onderdeel vanbestuurlijke afspraken. Wij vertrouwen er op dat de instellingen demiddelen conform hun eigen plannen besteden.29Als de krimpmiddelen vrij besteedbaar zijn, welke maatregelen zijn er danom de doelmatigheid van deze krimpmiddelen te bewaken?Aan de voorkant worden de ingediende plannen beoordeeld op basis vaneen beoordelingskader. Hiermee borgen we dat opleidingen pas middelenontvangen als zij voldoen aan de gestelde criteria. De verantwoording vande middelen vindt plaats via de reguliere systematiek van jaarverslag-legging. Zie ook het antwoord op vraag 28.30Hoe luidt uw reactie op het nieuws dat de faculteit Geesteswetenschappenvan de Universiteit Leiden fors moet bezuinigen en er studies wordengeschrapt en samengevoegd?De door dit kabinet gemaakte keuzes in de overheidsfinanciën maken datook op onderwijs en onderzoek moet worden bezuinigd. Daarnaast daalthet budget ook door de autonome daling van studentenaantallen, metname in het hbo. Dat zal zijn weerslag hebben op en binnen de instel-lingen, waarbij iedere instelling eigen uitdagingen heeft. Ten aanzien vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1812 het maken van keuzes over het stoppen of samenvoegen van opleidingen,zie het antwoord op vraag 25.31Wanneer ontvangen leenstelselstudenten de eenmalige extra uitkering?De eerste tegemoetkoming leenstelselstudenten (€ 1,2 miljard) wordtvanaf 2025 uitgekeerd. Wanneer precies hangt af van het moment waaropde student zijn/haar diploma haalt. Volgens hetzelfde tijdpad wordt ook detegemoetkoming studievoorschotvoucher uitgekeerd aan studenten dietussen 2014/15 en 2018/2019 begonnen zijn met hun studie. Daarnaastheeft dit kabinet € 1,4 miljard extra beschikbaar gesteld voor een tweedetegemoetkoming voor leenstelselstudenten. Deze tweede tegemoet-koming wordt op dit moment uitgewerkt en zal vanaf 2027 wordenuitgekeerd.32Waarvoor zijn de extra € 47 miljoen en € 27 miljoen die in 2028 en 2029worden overgeheveld naar de OCW-begroting?Een student moet binnen de diplomatermijn van (in beginsel) tien jaar eendiploma hebben behaald om voor een tegemoetkoming leenstelstudentenin aanmerking te komen. De tweede tegemoetkoming voor leenstelstu-denten wordt vanaf 2027 uitgekeerd. De verwachting is dat een deel vande studenten in 2027 nog studeert, en dus pas na 2027 een diploma zalbehalen. Daarmee houden we rekening in de begroting.33Betekent deze gefaseerde overheveling dat de eenmalige uitkering nietaan alle leenstelselstudenten tegelijkertijd uitgekeerd wordt? Zo ja, watbepaalt de volgorde van de uitkeringen?Het klopt dat de tweede tegemoetkoming niet tegelijk aan alle leenstelsel-studenten wordt uitgekeerd. De tweede tegemoetkoming wordt vanaf2027 uitgekeerd aan leenstelselstudenten die voldoen aan de gesteldevoorwaarden. Een van de voorwaarden is de diplomaeis. De verwachtingis dat een deel van de studenten pas na het eerste uitkeringsmoment van2027 een diploma zal behalen. Een deel van de leenstelselstudenten zal detegemoetkoming daarom pas na 2027 uitgekeerd krijgen.34Wat zijn de volledige voorziene effecten van de langstudeermaatregel,inclusief collegegeld en dalende instroom?Het kabinet werkt op dit moment de langstudeermaatregel uit. Conformtoezegging uit het Commissiedebat DUO en hoger onderwijs stuurt hetkabinet uw Kamer voor de plenaire behandeling van de begroting vanOCW voor het jaar 2025 een brief over de dilemma’s en uitwerking vandeze maatregel.35Kunt u de ontwikkeling van het lumpsumgedeelte van de rijksbijdrage vande afgelopen tien jaar overzichtelijk uitsplitsen voor hbo, wo en umc2’s?Deze ontwikkeling treft u in de onderstaande tabel.2umc: universitair medisch centrumTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1813 De bedragen zijn in miljarden euro’s en op prijspeil van het betreffendejaar (m.u.v. 2025, 2025 is op prijspeil 2024).36Kunt u daarbij ook inzichtelijk maken per jaar welk aandeel de promotie-premies in dit lumpsumgedeelte hebben?Dit inzicht treft u in de onderstaande tabel.In deze tabel is het subonderdeel promoties en ontwerpcertificaten(verondersteld wordt dat dat wordt bedoeld met de promotiepremies)gedeeld door de totale Rijksbijdrage OCW van het wo (zie de tabel bijvraag 35).37Kunt u de ontwikkeling van het aantal succesvol afgeronde promoties inde afgelopen tien jaar uitsplitsen naar universiteiten en umc’s?Deze ontwikkeling treft u in de onderstaande tabel.Het ministerie beschikt niet over een uitsplitsing van promoties binneneen instelling naar het UMC-deel en het niet-UMC-deel. De afgelopen driejaar hebben de instellingen deze cijfers wel in hun jaarverslagen gepubli-ceerd. Deze zijn als volgt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1814 38Kunt u een overzicht geven van wat de afgelopen tien jaar de jaarlijksvastgestelde promotiepremie bedroeg verbonden aan een succesvolafgeronde promotie?Dit overzicht treft u in de onderstaande tabel.Bedrag per promotie2016 (Prijspeil 2016)€ 98.6202017 (Prijspeil 2017)€ 80.2702018 (Prijspeil 2018)€ 79.1682019 (Prijspeil 2019)€ 80.3292020 (Prijspeil 2020)€ 82.3912021 (Prijspeil 2021)€ 83.7602022 (Prijspeil 2022)€ 86.0502023 (Prijspeil 2023)€ 90.8822024 (Prijspeil 2024)€ 96.0722025 (Prijspeil 2024)€ 92.771 39Wat is het belang van het behoud van kleinschalige studies?Het is van belang dat in heel Nederland een kwalitatief sterk, toegankelijken toekomstbestendig aanbod van opleidingen in stand blijft. Kleine (enunieke) opleidingen kunnen om verschillende redenen grote waardehebben voor de economie en samenleving. Het is belangrijk dat dergelijkestudies met grote maatschappelijke waarde (in enige vorm) behoudenblijven. Dat wil overigens niet zeggen dat kleine studies niet aan veran-dering onderhevig kunnen zijn. De wereld is immers in verandering,evenals de vakgebieden en de voorkeuren van studenten. Het is belangrijkdat het onderwijs daar responsief op inspeelt. Bijvoorbeeld door middelvan het samenvoegen van kleine opleidingen, verbreding van oplei-dingen, interdisciplinair onderwijs, het gezamenlijk verzorgen vanonderwijs of in uiterste gevallen door het opheffen van opleidingen. Het iseen gezamenlijke verantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen, oplandelijk en sectoraal niveau, om dit bezien.Zie het antwoord op vraag 25 betreffende de ondersteuning voorkleinschalige studies.40Kunt u een overzicht geven van het totaal aantal uitgekeerde promotie-premies per jaar aan Nederlandse onderwijsinstellingen in de afgelopentien jaar en deze uitsplitsen naar universiteiten en umc’s?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1815 Dit overzicht treft u in de onderstaande tabel.In de tabel is het subonderdeel promoties en ontwerpcertificaten van deRijksbijdrage OCW uitgesplitst per universiteit per jaar (zie de tabel bijvraag 35, verondersteld wordt dat de vraag is gericht op het totaalbedragaan uitgekeerde promotiepremies). De bedragen zijn in miljoenen euro’sen op prijspeil van het betreffende jaar (m.u.v. 2025, 2025 is op prijspeil2024).41Welke verschuivingen hebben de afgelopen tien jaar plaatsgevonden vande tweede naar de eerste geldstroom?De afgelopen tien jaar heeft er alleen in de begroting 2020 eenverschuiving plaatsgevonden van de tweede naar de eerste geldstroomvan in totaal € 61,8 miljoen, naar aanleiding van het advies «wissels om».Dit betrof ten eerste een verschuiving van € 41,2 miljoen, waarbij eensubsidieregeling voor de stimulering van Europees onderzoek van NWOwerd stopgezet, en dit bedrag werd opgenomen in de bekostiging vanuniversiteiten. Daarnaast is er in dat jaar structureel € 20,6 miljoenovergeheveld van de tweede naar de eerste geldstroom voor hetsectorplan onderzoek bètatechniek.42Kunt u de ontwikkeling van het instellingsgeld en het collegegeld van deafgelopen tien jaar en de komende jaren, uitgesplitst naar hbo en wo,inzichtelijk maken?De ontwikkeling van het wettelijk collegegeld treft u in de onderstaandetabel.Wettelijk collegegeld32016–2017€ 1.9842017–2018€ 2.0062018–2019€ 2.0602019–2020€ 2.0832020–2021€ 2.1432021–2022€ 2.1682022–2023€ 2.2092023–2024€ 2.3142024–2025€ 2.5302025–2026€ 2.601 Het wettelijk collegegeld wordt jaarlijks verhoogd met de consumenten-prijsindex.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1816 Omdat instellingen vrij zijn bij het bepalen van het instellingscollegegelden er dus heel veel tarieven zijn, is het niet mogelijk om de ontwikkelingvan het instellingscollegegeld weer te geven.43Kunt u toelichten waarom het bedrag voor de maatschappelijke diensttijdverschilt van het bedrag in het hoofdlijnenakkoord (Kamerstuk 36 471, nr.37)?De besparingsreeks uit de budgettaire bijlage bij het hoofdlijnenakkoord isaangepast, maar de totale besparing blijft hetzelfde. Het betreft enkel eenaanpassing van het kasritme. Deze aanpassing is nodig om de hoofdsub-sidieregelingen MDT (vanaf start tot en met 2024) uit te betalen volgenshet betaalritme in die regelingen.44In eerdere brieven gaf u aan dat het wetsvoorstel toezicht op informeelonderwijs voor Prinsjesdag aangeboden zou worden voor internetconsul-tatie. Om welke redenen is het wetsvoorstel niet voor Prinsjesdag terinternetconsultatie aangeboden?Het wetsvoorstel zal naar verwachting in november aangeboden wordenvoor internetconsultatie. Dat is conform de ambitie uit het regeerakkoordwaarin is aangegeven dat het wetsvoorstel hierover in het tweede deelvan 2024 in internetconsultatie zou gaan. Dit is niet gelukt vóór Prins-jesdag, omdat nadere afstemming heeft plaatsgevonden met debetrokken departementen en de voorziene uitvoeringsorganisaties, zoalsgemeenten en het OM, over de grondslagen voor en een zorgvuldigeinrichting van de gegevensdelingen tussen overheidsinstanties die bij deuitvoer van het wetsvoorstel komt kijken. Ook de kabinetswissel heeft hetaanbieden van de internetconsultatie vertraagd.45Wanneer wordt het wetsvoorstel toezicht op informeel onderwijsaangeboden voor internetconsultatie?Het wetsvoorstel zal naar verwachting in november aangeboden wordenvoor internetconsultatie.46Wat is de reikwijdte van het wetsvoorstel toezicht op informeel onderwijs?De reikwijdte van het voorstel is dat het wettelijk toezicht op al hetonderwijs aan minderjarigen van toepassing zal zijn, met uitzondering vanhet leerplichtig onderwijs. Daarbij geldt wel nog een aantal nadereafbakeningen: de wet zal niet van toepassing zijn op onderwijs in dewoning of op onderwijs dat ouders aan alleen hun eigen kinderen geven.De inspectie zal overigens alleen toezicht uitoefenen ten aanzien vaninformele onderwijsinstellingen als er op basis van signalen een redelijkvermoeden is van overtreding van de wet.47Kunt u aangeven wanneer er gevolg wordt gegeven aan de uitvoering vanmotie van het lid Ceder c.s. over de visie op de rol van de inspectie bij hettoezicht op informeel onderwijs?3De inspectie heeft in diverse gesprekken en ook via een nota haar visie ophet wetsvoorstel en de voorgenomen rol van de inspectie gedeeld met het3Kamerstuk 31 289, nr. 575Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1817 ministerie. De inspectie wordt daarnaast gevraagd om een uitvoerings-toets uit te voeren. Bij indiening van het wetsvoorstel bij uw Kamer, zal deuitvoeringstoets evenals de adviezen van andere partijen en uit deinternetconsultatie openbaar worden gemaakt, zodat uw Kamer eenintegrale weging kan maken over het wetsvoorstel. Daarmee wordtinvulling gegeven aan de motie van het lid Ceder c.s. om de Kamer teinformeren over de visie van de inspectie op de voorgenomen rol bij hettoezicht op het informeel onderwijs.48Kunt u de juridische meerwaarde van de reikwijdte van het wetsvoorsteltoezicht op informeel onderwijs ten opzichte van bepalingen in hetstrafrecht nader toelichten?Aanzetten tot haat, geweld en discriminatie is strafbaar gesteld in artikel137d van het Wetboek van Strafrecht voor zover het openbare uitingenbetreft. De meerwaarde van dit wetsvoorstel zit in het feit dat informeelonderwijs doorgaans niet in de openbaarheid plaatsvindt, zodatgenoemde strafrechtelijke bepaling niet van toepassing is. Een uitbreidingvan de strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht (door bijvoorbeeldin bepaalde uitingsdelicten het openbaarheidsvereiste te schrappen voorzover het uitingen gericht aan minderjarigen betreft) zou te veel gerichtzijn op leedtoevoeging, terwijl het primaire doel van het wetsvoorsteltoezicht op informeel onderwijs is: een einde te maken aan onaan-vaardbare situaties in het informeel onderwijs door snel en gericht op tetreden. Uw Kamer is eerder geïnformeerd over dit wetsvoorstel op 20maart 2024.49Kunt u de probleemanalyse (in kwantitatieve zin) toesturen die denoodzaak van het wetsvoorstel toezicht op informeel onderwijs laatblijken?De noodzaak voor wettelijk toezicht op informeel onderwijs is reedsbeschreven in Kamerbrieven van 14 juni 2023 en 20 maart 2024. Hetconceptwetsvoorstel zal naar verwachting in november in internetconsul-tatie gaan. In de memorie van toelichting bij het voorstel, die daarmee ookopenbaar wordt, wordt uitgebreid ingegaan op de noodzaak van hetwetsvoorstel. En uiteraard zal het wetsvoorstel, conform de regulierewetgevingsprocedure – na advisering door de Raad van State – ook bij uwKamer aanhangig worden gemaakt.50Hoeveel subsidies worden er in 2025 verstrekt aan het COC en StichtingSchool en Veiligheid ter ondersteuning van LHBTIQ+ acceptatie in hetonderwijs?COC ontvangt in 2025 twee projectsubsidies (in totaal € 1,5 miljoen) terondersteuning van de lhbtiq+-acceptatie in het onderwijs en daarnaast isCOC ook onderdeel van de via de alliantie «Kleurrijk en Vrij» (€ 2,6 miljoenper jaar). Stichting School en veiligheid (SSV) ontvangt via de alliantie«Worden wie je bent» subsidie (€ 0,9 miljoen per jaar) voor onder anderede ondersteuning van de lhbtiq+-acceptatie in het onderwijs.51Hoe meet u het effect van deze subsidies op de veiligheid en acceptatievan LHBTIQ+ leerlingen in het onderwijs?Het COC en Stichting School en Veiligheid voeren verschillende activi-teiten uit die bijdragen aan lhbtiq+-veiligheid en acceptatie onderTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1818 leerlingen en op scholen, waar verantwoording over wordt afgelegd naommekomst van de subsidieperiode. Movisie heeft in 2023 een rapportgeschreven over wat werkt bij het verminderen van discriminatie vanonder meer lhbtiq+ personen. De inzet van Gender and Sexuality Alliances(GSA’s) op scholen zijn als «veelbelovende aanpakken» vermeld in hetrapport van Movisie in 2023. In 2025 zal er een Periodieke Rapportage vanhet gehele emancipatiebeleid worden uitgevoerd. Hierin wordt hetemancipatiebeleid over de periode 2018 tot 2025 geëvalueerd opdoeltreffendheid, doelmatigheid en maatschappelijk impact.Momenteel loopt ook een midterm evaluatie van de strategische alliantiesvan het emancipatieveld door onderzoeksbureau Ecorys. Daarna zal in2027 een eindevaluatie van die allianties volgen. Hierbij wordt deeffectiviteit van de allianties geëvalueerd.52Wat zijn de belangrijkste resultaten van Nederland op het gebied vangelijke rechten voor LHBTIQ+ personen binnen de Raad van Europa en deVN-organisaties?De Nederlandse inzet omtrent lhbtiq+ personen in de Raad van Europa(RvE) en de Verenigde Naties (VN) is erop gericht om wereldwijd gelijkerechten te realiseren. Dat gebeurt door het continu agenderen van dezethema’s in deze gremia en ze op te nemen in relevante internationaleafspraken.Zo heeft Nederland zich hard gemaakt voor de totstandkoming van eenspecifiek comité van deskundigen bij de RvE inzake seksuele geaardheid,genderidentiteit en -expressie en geslachtskenmerken. Dit comité (ADISOGIESC) is in 2024 opgericht en zal belangrijke internationale kadersscheppen voor de positie en mensenrechten van lhbtiq+ personen.Daarnaast was Nederland in 2024 gastland van het Europese IDAHOT+Forum, waar 32 Europese landen een politieke verklaring tekenden voorde bescherming van lhbtiq+ mensenrechten.Binnen de Verenigde Naties (VN) maakt Nederland zich – onder andere –als covoorzitter van de UN LGBTI Core Group hard voor het brederagenderen van de gelijke rechten van lhbtiq+ personen. Bijvoorbeeld doorhet mede-organiseren van het jaarlijks terugkerende lhbtiq evenementvan deze groep tijdens de Algemene Vergadering van de VN. Ook draagtNederland op verschillende wijzen actief bij aan het werk van de VNOnafhankelijk Expert voor de bescherming tegen geweld en discriminatieop basis van seksuele oriëntatie en gender identiteit.53Hoeveel middelen zijn in 2024 toegewezen aan de alliantie «FinancieelSterk door Werk» en het onderzoeksprogramma «Economische Veerkrachtvan vrouwen NWO»?De alliantie Financieel Sterk door Werk heeft in 2024 € 1 miljoen (per jaar)toegewezen gekregen. De totale omvang van de subsidie is € 5,1 miljoenvoor een periode van 5 jaar.Het programma Economische Veerkracht van vrouwen loopt sinds 2019.De drie deelprojecten zijn recent afgerond. Het overkoepelende projectloopt nog door tot september 2026. In totaal is voor dit programma € 3miljoen beschikbaar gesteld.54Hoeveel vrouwen zijn in de periode 2022–2024 in leidinggevende positiesterechtgekomen dankzij de Topvrouwenwet en wat zijn de resultaten vande effectiviteitsstudie van het CPB hierover?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1819 Eind maart 2024 is de eerste SER monitor Genderbalans in het bedrijfs-leven naar de Kamer gestuurd. Deze rapportage heeft betrekking op hetboekjaar 2022. De rapportage laat zien dat het aandeel vrouwen in de topvan het Nederlandse bedrijfsleven is gegroeid ten opzichte van 2020. In deRaad van Commissarissen (RvC’s) is eind 2022 gemiddeld 26,2% vrouw(2020: 21,9%). In de Raden van Bestuur (RvB’s) is eind 2022 gemiddeld14,7% vrouw (2020: 13,8%).Bedrijven die onder de wet vallen hebben tot en met 31 oktober van ditjaar de tijd om te rapporteren aan de SER over het boekjaar 2023. Naarverwachting wordt uw Kamer in Q2 2025 de Kamer geïnformeerd over deresultaten over het boekjaar 2023.Het Centraal Planbureau (CPB) heeft in opdracht van het Ministerie vanOCW onderzocht of er sinds de aankondiging en invoering van de wet eenverandering is opgetreden in het aandeel vrouwelijke commissarissen inde RvC’s van beursgenoteerde bedrijven. Ook onderzocht het CPB dekenmerken van RvC’s van beursgenoteerde ondernemingen en kwalifi-caties van individuele commissarissen. Al vanaf het moment vanaankondiging van de wet neemt de kans dat het aandeel vrouwen in eenRvC hoger is dan een derde, significant toe onder beursgenoteerdebedrijven. Het quotum leidde op de korte termijn tot een evenwichtigereman-vrouwverdeling. Daarnaast blijkt uit de resultaten dat beursgeno-teerde bedrijven die het aandeel van een derde hebben behaald, nietstoppen met het streven naar meer vrouwen in hun RvC.55Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de loonkloof tussenmannen en vrouwen sinds de implementatie van de EU-richtlijn voorloontransparantie?De richtlijn loontransparantie is in werking getreden in juni 2023. Op ditmoment wordt gewerkt aan het wetsvoorstel waarmee de richtlijn wordtgeïmplementeerd in Nederland. Het streven is dit wetsvoorstel begin 2025voor internetconsultatie open te stellen zodat het nog de eerste helft van2025 aan uw Kamer kan worden aangeboden. De huidige loonkloofbedroeg in 2023 12%. Dit houdt in dat in 2023 het gemiddelde uurloon vanvrouwen 12 procent lager lag dan dat van mannen (Bron: CBS, Dearbeidsmarkt in cijfers 2023).56Hoeveel steden zijn er inmiddels aangesloten bij het programma VeiligeSteden om de veiligheid van vrouwen in de publieke ruimte teverbeteren?In de zomer van 2024 is het programma uitgebreid met 4 steden naar intotaal 24 steden.57Welke specifieke maatregelen worden genomen in het NationaalActieprogramma tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag ombewustwording en gedragsverandering te bevorderen?We zetten met het Nationaal Actieprogramma (NAP) onder andere in oppubliekscommunicatie en het stimuleren van het gesprek over onzeomgangsvormen – zowel breed als binnen specifieke doelgroepen –,mannenemancipatie, de rol van ouders en verzorgers, onderwijs enomstanderinterventies. Ook ondersteunen we organisaties en sectoren inde aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag, waarondersportverenigingen, onderwijsinstellingen en kerken. Tenslotte is MariëtteHamer aangesteld als regeringscommissaris seksueel grensover-schrijdend gedrag en seksueel geweld om het maatschappelijk gesprek teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1820 voeden en verder te brengen en cultuurverandering tot stand te brengen.In de Kamerbrief van 18 maart 2024 bent u over de voortgang van deverschillende maatregelen geïnformeerd. In Q1 2025 ontvangt u detweede voortgangsrapportage.58Wat waren de belangrijkste bevindingen van het publieksonderzoek in2023 met betrekking tot maatschappelijke sentimenten over seksueelgrensoverschrijdend gedrag?Iets meer dan de helft van de Nederlanders ziet seksueel grensover-schrijdend gedrag als een groot probleem in Nederland. Een ruimemeerderheid geeft aan dat onderwerp makkelijk bespreek te vinden. Hethandelen wanneer men seksueel grensoverschrijdend gedrag ervaart ofals omstander waarneemt vindt men lastig. De resultaten zijn grotendeelsvergelijkbaar met eerdere onderzoeken en de resultaten nopen dus niettot wezenlijke beleidswijzigingen. Ook vindt een ruime meerderheid vande respondenten het makkelijk om over licht seksueel grensover-schrijdend gedrag te spreken. Dit is in 2024 (68%) wel gedaald tenopzichte van 2023 (75%). Deze uitkomsten passen bij het beeld dat we inde samenleving zien. We merken dat het gesprek over seksueel grens-overschrijdend gedrag en seksueel geweld de afgelopen jaren niet meer isgestopt. Overal in de maatschappij komt aandacht voor deze problematiekterug. Het ingrijpen bij seksueel grensoverschrijdend gedrag is voor veelmensen wel nog lastig. In 2024 gaf 41% van de respondenten die in deafgelopen 12 maanden seksueel grensoverschrijdend gedrag heeftwaargenomen bij een ander aan geen actie te hebben ondernomen.Daarnaast geven veel respondenten aan niet te weten welke acties zekunnen ondernemen als omstander.Op basis van de monitor onderscheidt Ipsos globaal gezien twee groepen:1) mensen met weinig tot geen probleembesef en 2) mensen met eengroot probleembesef. De mensen met weinig tot geen probleembesefvinden seksueel grensoverschrijdend gedrag vaker geen groot probleem,vinden niet dat het harder moet worden aangepakt, en zijn van meningdat gedrag te snel als grensoverschrijdend wordt gezien. De mensen metgroot probleembesef vinden seksueel grensoverschrijdend gedrag vakereen groot probleem, vinden dat het harder moet worden aangepakt, enzijn van mening dat gedrag niet te snel als grensoverschrijdend wordtgezien. Vanuit het NAP wordt naar beide groepen geluisterd, zodat we ditmee kunnen nemen in de verdere ontwikkeling van het programma. Depublieksmonitor wordt gedurende de looptijd van het NAP jaarlijksherhaald.59De structurele besparing op internationale studenten is voor 2029 € 293miljoen. Kunt u concreet aangeven met hoeveel inschrijvingen het aantalinternationale studenten vervolgens zou moeten dalen?Het is belangrijk om te vermelden dat – hoewel de financiële omvang vande ombuiging vaststaat – dit geen streefcijfers zijn bij het wetsvoorstelWet internationalisering in balans. De intentie is om over de financiëleombuiging zoals in het hoofdlijnenakkoord is opgenomen naderebestuurlijke afspraken te maken met hogescholen en universiteiten. Opbasis van de huidige cijfers is wel al te zien dat de instroom van interna-tionale studenten minder snel groeit dan eerder verwacht. Het is nog nietduidelijk of deze trend doorzet omdat definitieve inschrijfcijfers pas begin2025 beschikbaar zijn en dan ook de nieuwe referentieraming verschijnt.60Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1821 De langstudeerboete loopt op van 95 miljoen in 2026 oplopend naarstructureel € 282 miljoen in 2029. Kunt u aangeven wat u precies gaatonderzoeken en aangeven in hoeverre instellingen en studenten hierbijbetrokken worden?Het kabinet werkt op dit moment de langstudeermaatregel uit. Conformtoezegging uit het Commissiedebat DUO en hoger onderwijs stuurt hetkabinet uw Kamer voor de plenaire behandeling van de begroting vanOCW voor het jaar 2025 een brief over de dilemma’s en uitwerking vandeze maatregel.Op basis van deze brief vervolgt het kabinet de gesprekken met instel-lingen en studenten. In de beleidsbrief vervolgonderwijs en wetenschap,die het kabinet in het eerste kwartaal van 2025 aan uw Kamer beoogt testuren, zet het kabinet de definitieve invulling van deze maatregel uiteen.61Hoeveel en welke scholen vallen buiten de boot door de bezuiniging ophet programma School en Omgeving?In het hoofdlijnenakkoord is besloten om prioriteit te geven aan descholen met de hoogste relatieve onderwijsachterstandsscores, die samenvijf procent van het totaal aantal leerlingen in Nederland bedienen. Debeschikbare middelen zijn hier middels de bezuiniging uit het hoofdlijnen-akkoord op aangepast en worden ingezet voor de leerlingen die hetprogramma het hardste nodig hebben.De korting van € 155 miljoen betreft 33% van het totale budget. Naarverwachting zullen er hierdoor structureel circa 33% minder leerlingendeel kunnen nemen aan het programma dan met het oorspronkelijkebudget. Naar verwachting zal het aantal scholen in het primair- envoortgezet onderwijs dat kan deelnemen aan het programma metongeveer hetzelfde percentage dalen. Met de ervaringen uit de dezesubsidieregeling wordt de nieuwe subsidieregeling op dit momentvormgegeven. Het is daarom nu niet in te schatten of en zo ja, hoeveel enwelke scholen er in de nieuwe subsidieregeling precies buiten de bootzullen vallen. Dit hangt ook af van het aantal nieuwe aanvragen.62Hoeveel leerlingen krijgen minder ondersteuning door de bezuiniging ophet programma School en Omgeving?Zie antwoord op vraag 61.63Kunt u aangeven hoeveel jongeren er in 2024 deelnemen aan demaatschappelijke diensttijd?De verwachting is dat in 2024 in totaal circa 90.000 jongeren deelnemenaan MDT.64Hoeveel trajecten maatschappelijke diensttijd zijn succesvol afgerond?Vanuit de hoofdsubsidieregelingen (2018 tot en met 2023) zijn tot en metQ2 2024 circa 120.000 MDT trajecten succesvol afgerond.Daarbovenop zijn nog eens circa 30.000 trajecten gerealiseerd via eenMDT-kort project tijdens de coronaperiode, de Oekraïneronde en MDTKort, en hebben in diezelfde periode circa 70.000 jongeren deelgenomenaan het door MDT gefinancierde project «Jeugd aan Zet,» waaraan veelNederlandse gemeenten deelnamen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1822 65Hoeveel jongeren gaan na de maatschappelijke diensttijd vrijwilligerswerkdoen?Het meedoen aan MDT heeft concrete gevolgen voor 39% van dejongeren: 12% blijft vrijwilligerswerk doen, 17% vindt een werkplek/stageen 10% gaat een (vervolg)opleiding doen. Verder geeft 17% van dejongeren aan na hun MDT-project nog (losse) vrijwillige activiteiten uit tevoeren. Daarnaast blijkt uit de MDT onderzoeksrapportage 2023 dat 69%van de jongeren aangeeft dat ze zonder MDT geen vrijwilligerswerkzouden doen.66Op welke manier gaat u beleid bijsturen op basis van de trends dieworden waargenomen in de vrouw/man-verhouding in de top vanorganisaties?De Female Board Index 2024 laat een flinke stijging van het percentagenieuwbenoemde vrouwelijke bestuurders zien bij beursgenoteerdebedrijven. Bijna 33% van de nieuwe bestuurders is een vrouw, tegenover13% in de voorgaande peiling. Verder is het een positieve ontwikkeling dathet percentage vrouwelijke commissarissen met 40% stabiliseertwaarmee het wettelijk quotum van 33% uitpakt als een absolute onder-grens. Het is zaak dat de stijgende lijn, die de Female Board Index in kaartbrengt, verder doorzet. De positie van vrouwen in topposities zal daaromnauwkeurig in de gaten worden gehouden. De Topvrouwenwet zal in2027, vijf jaar na inwerkingtreding, worden geëvalueerd. Op basis van deuitkomsten zal worden bezien of aanpassing van beleid mogelijk nodig is.67Op welke manier worden de resultaten van de monitor en de rapportagesvan de SER openbaar gemaakt voor het brede publiek?Jaarlijks rapporteren beursgenoteerde bedrijven en grote bedrijven aande SER over de man-vrouwverhouding in hun top en subtop. Dezerapportageverplichting komt voort uit de Topvrouwenwet. De SERDataverkenner publiceert de rapportages van deze bedrijven. Dat houdt indat de streefcijfers, de man-vrouwverhouding en het plan van aanpak indeze dataverkenner komen te staan. Ook worden gemiddelden gepubli-ceerd voor verschillende sectoren en voor Nederland. Deze informatie isvoor iedereen toegankelijk.68Welke maatregelen worden overwogen als de genderdiversiteitsdoelstel-lingen in de (semi)publieke sector niet worden gehaald?De Monitor Genderdiversiteit houdt sinds 2022 jaarlijks bij hoe het isgesteld met genderdiversiteit aan de top van de (semi)publieke sector. Weverwachten voor het eind van dit jaar de Monitor Genderdiversiteit 2024aan de Kamer te sturen. De positie van vrouwen in topposities in de(semi)publieke sector zal ook de komende jaren nauwkeurig in de gatenworden gehouden. Na de evaluatie van de Topvrouwenwet zal wordenbezien of aanvullende of nieuwe maatregelen nodig zijn. Daar kunnen dande geleerde lessen in worden meegenomen.69Hoeveel bedrijven en instellingen zullen verplicht worden om hunvrouw/man-verhoudingen te rapporteren aan het diversiteitsportaal vande SER?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1823 De Topvrouwenwetbestaat uit twee onderdelen. Het ingroeiquotum geldtvoor de RvC van bedrijven met een beursnotering in Nederland. Destreefcijfer- en transparantieregeling geldt voor het bestuur, de RvC en desubtop van alle grote bedrijven in Nederland.Onder het streefcijfer- en transparantiegedeelte van de wet vallen allenaamloze en besloten vennootschappen die volgens het jaarrekeningen-recht een grote rechtspersoon zijn. Dit is het geval als een vennootschapop twee opeenvolgende balansdata voldoet aan ten minste twee van driecriteria, te weten:–de waarde van de activa bedraagt meer dan € 25 miljoen;–de netto-omzet is meer dan € 50 miljoen;–het gemiddeld aantal werknemers is 250 of meer.De groottecriteria van het jaarrekeningenrecht zijn in 2024 gewijzigd.Circa 5.000 bedrijven vallen onder de werking van de wet.70Welke specifieke governancecodes worden gemonitord in de rapportageover genderdiversiteit in de top van de (semi)publieke sector?In de SER rapportage worden geen governancecodes gemonitord.71Wanneer worden de eerste resultaten verwacht van de periodiekeevaluatie van het emancipatiebeleid dat in 2024 is gestart?De verwachting is de resultaten van de Periodieke Rapportage Emanci-patie met u te kunnen delen in het vierde kwartaal van 2025.72Op welke manier worden maatschappelijke factoren meegenomen in deevaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het emancipatie-beleid?Het is aan de onderzoekers om te bepalen welke onderzoeksmethodenworden gebruikt. Bij de aanbestedingsprocedure van het onderzoek, dieop dit moment nog loopt, is aan de inschrijvende partijen wel gevraagdom de doeltreffendheid en doelmatigheid te beoordelen aan de hand vaneen gereconstrueerd beleidstheorie, waarin ook de invloed van externemaatschappelijke factoren op de beoogde impact van het beleid wordenverwerkt.73Hoe wordt in de evaluatie bepaald welke maatschappelijke veranderingendirect te relateren zijn aan de uitgaven van het ministerie?Het is aan de onderzoekers om te bepalen welke onderzoeksmethodenworden gebruikt. Bij de aanbestedingsprocedure van het onderzoek, dieop dit moment nog loopt, is aan de inschrijvende partijen gevraagd om inhun onderzoeksvoorstellen rekening te houden met het feit dat emanci-patie een grotendeels «voorwaardenscheppend» beleidsterrein is. Dat wilzeggen dat andere actoren dan de rijksoverheid medeverantwoordelijkzijn voor doelrealisatie, maar dat beleidsinzet wel voorwaarden kanscheppen die kunnen bijdragen hieraan. De onderzoekers zullen dusonder andere de realisatie van deze voorwaarden analyseren in relatie totde gedane uitgaven.74Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1824 Wat zijn de belangrijkste thema’s die worden behandeld in de Emancipa-tiemonitor en de LHBTIQ+-monitor die in 2024 worden opgeleverd?De Emancipatiemonitor 2024 bevat op hoofdlijnen dezelfde onderwerpenals de Emancipatiemonitor 2022 en zal ingaan op de positie van vrouwenen mannen op het gebied van gezondheid, onderwijs, werk, zorg,inkomen, sociale veiligheid en gelijkheid in Europees perspectief. Naastde positie van vrouwen en mannen zullen ook enkele «emancipatie-opinies» met maatschappelijke opvattingen over de rol van vrouwen enmannen weer in beeld worden gebracht. Daarnaast bevat de Emancipatie-monitor 2024 enkele toevoegingen ten opzichte van eerdere jaren: Innavolging van de motie-Werner/Westerveld van 5 december 2022(Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 159) wordt een nieuw hoofdstuk toegevoegdmet uitgesplitste cijfers over vrouwen en mannen met en zonder eenbeperking op de terreinen onderwijs, arbeid en maatschappelijkeparticipatie. Ook bevat de nieuwe editie van de monitor voor een aantalcijfers een nieuwe uitsplitsing naar stedelijkheidsgraad van vrouwen enmannen, aanvullend op de gebruikelijke uitsplitsing naar herkomst enonderwijsrichting op diverse onderdelen. De nieuwe Emancipatiemonitor2024 wordt naar verwachting door het CBS gepubliceerd op 14 novemberaanstaande.De nieuwe lhbtiq+-monitor is op 6 november 2024 aan uw Kameraangeboden. Deze bevat bevindingen over de leefsituatie van lhbtiq+personen als het gaat om hun sociaaleconomische situatie, veiligheid,seksueel geweld, discriminatie en gezondheid. Tevens bevat de monitornieuwe cijfers over de maatschappelijke opvattingen over lhbtiq+personen (acceptatiecijfers).75Welke specifieke veranderingen en/of trends op het gebied van vrouwen-emancipatie en gendergelijkheid op de arbeidsmarkt zijn sinds de vorigeEmancipatiemonitor waargenomen?De Emancipatiemonitor verschijnt elke twee jaar en is voor het laatstverschenen op 29 november 2022. De volgende editie wordt naarverwachting door het CBS gepubliceerd op 14 november aanstaande.Actuele kerncijfers en indicatoren zijn in de tussentijd beschikbaar op desectorpagina Emancipatie op OCW in Cijfers.76Welke groepen binnen de LHBTIQ+ gemeenschap worden specifiek inkaart gebracht in de monitor en welke trends of ontwikkelingen zijn tot nutoe zichtbaar?In de vernieuwde lhbtiq+-monitor is onderscheid gemaakt naar devolgende (soms deels overlappende) groepen: cisgender-heteroseksueel,lesbisch, homoseksueel, bi+, transgender, non-binair, intersekse, queer enaseksueel, alsmede lhbtiq+ personen van kleur en/of met eenniet-westerse migratieachtergrond en lhbtiq+ personen met eenbeperking. Inhoudelijke bevindingen zijn beschikbaar in het onderzoeks-rapport, dat uw Kamer op 6 november 2024 is aangeboden.77Hoe wordt de houding van de Nederlandse bevolking ten opzichte vanLHBTIQ+ personen gemeten en welke ontwikkelingen zijn daarin zichtbaarsinds de vorige rapportage?De maatschappelijke opvattingen over lhbtiq+ personen zijn in kaartgebracht aan de hand van een vragenlijst die middels een steekproef isvoorgelegd aan groep die representatief is voor de NederlandseTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1825 bevolking. Voor de inhoudelijke bevindingen en nadere methodologischetoelichting verwijzen wij u graag naar het onderzoeksrapport, dat uwKamer op 6 november 2024 is aangeboden.78Kunt u uitleggen hoe u van plan bent de kennis en ervaring die zijnopgedaan met de maatschappelijke diensttijd zorgvuldig te borgen enover te dragen?OCW hecht een groot belang aan een zorgvuldige afbouw van MDT,waarbij we oog hebben voor de geleerde lessen en de opgedane kennisen kunde wordt geborgd en overgedragen aan (delen van) hetMDT-netwerk. Dit wordt gedaan in co-creatie met jongeren en hetnetwerk. U ontvangt voor de begrotingsbehandeling een brief, waarin deKamer wordt geïnformeerd over hoe dit co-creatieproces rondom deborging en verduurzaming van MDT wordt ingericht.79Hoeveel organisaties krijgen nog een subsidie in 2025 voor projectenmaatschappelijke diensttijd?We verwachten dat in 2025 in totaal circa 400 organisaties een subsidiere-latie hebben met OCW/MDT. Dit is mede afhankelijk van het aantaltoekenningen uit de subsidieronde MDT2024 die eerder dit jaar isopengesteld. De huidige afspraken worden nagekomen.80Hoe wordt de gerichte bekostiging voor het verbeteren van basisvaardig-heden besteed?Momenteel kunnen scholen gebruik maken van de subsidieregelingVerbetering basisvaardigheden. Scholen die de subsidie ontvangen,zetten het meest in op deskundigheidsbevordering van het schoolteam enzorgen daarmee voor een duurzame verbetering van de onderwijskwa-liteit. Daarnaast blijkt uit onderzoek door Sardes en SEO EconomischOnderzoek dat scholen de subsidie vaak besteden aan de aanschaf vanlesmateriaal en om nieuw personeel aan te trekken of bestaandecontracten uit te breiden. Vanaf 1 januari 2027 krijgen alle scholen via hetnieuwe wettelijke instrument gerichte bekostiging voor de verbetering vanbasisvaardigheden. Het omzetten van het grootste deel van de subsidiere-geling naar gerichte bekostiging zorgt ervoor dat scholen voor de langeretermijn plannen kunnen maken. Op deze manier kunnen scholen debasisvaardigheden blijvend verbeteren. Een deel van het budget voorbasisvaardigheden blijft behouden voor een subsidieregeling om descholen met de grootste achterstanden gericht te ondersteunen.81Waar is de € 231,6 miljoen voor de onderwijsregio’s voor bestemd?Het overgrote deel van deze middelen wordt via de regeling LandelijkDekkend Netwerk Onderwijsregio’s (LDNO) verstrekt aan de onderwijsre-gio’s voor het uitvoeren van hun plannen voor de aanpak van hetlerarentekort. Op basis van hun regionale arbeidsmarktanalyse wordtingezet op het werven, matchen, opleiden, begeleiden en professionali-seren van onderwijspersoneel. Op deze manier geven we een sterkeimpuls aan de regionale aanpak van de personeelstekorten. Er is voorruim € 217 miljoen aangevraagd voor deze regeling. Daarnaast wordendeze middelen ingezet voor de met de PO- en VO-Raad afgesprokenvolgersregeling voor scholen die nog extra ondersteuning nodig hebbenom aan te sluiten bij de onderwijsregio’s. Ook worden middelen ingezetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1826 voor de in de regeling LDNO aangekondigde plusregeling die gericht is ophet stimuleren van onderwijsregio’s die al verder zijn.82Hoeveel geld gaat er vanuit het Ministerie van OCW naar proefdiervrijonderzoek en hoeveel geld gaat er naar onderzoek met proefdieren?Het totale budget van de OCW-begroting dat beschikbaar is voorproefdiervrij onderzoek of onderzoek met proefdieren is niet in cijfersweer te geven. Dat komt omdat onderzoeksfinanciering niet op basis vanmethode wordt toegekend, maar door met name ZonMw en NWO incompetitie wordt verdeeld op basis van excellentie en impact. Daarbijwordt het beste voorstel gefinancierd. De toets of hierbij een dierproef istoegestaan, ligt in handen van de Centrale Commissie Dierproeven (CCD)die wordt geadviseerd door Dier Experimenten Commissies (DEC’s). Dezetoets geldt ook voor onderzoek dat binnen universiteiten en andereonderzoeksinstellingen wordt voorgesteld en gefinancierd. Welkeonderzoeksmethodes in individuele gehonoreerde onderzoeken wordengebruikt, wordt niet systematisch gemonitord.Wat wel mogelijk is, is een overzicht te geven van enkele gerichtefinancieringsinstrumenten. In 2025 geeft het Ministerie van OCW eeninstellingssubsidie aan het Biomedical Primate Research Centre (BPRC)van in totaal € 12,5 miljoen. Daarvan besteedt het BPRC conform deafspraken hierover minimaal 17% aan alternatieven. Daarnaast heeft hetMinisterie van OCW samen met LVVN en I&W een plan van aanpak vooreen call ingediend voor de Nationale Wetenschapsagenda. Deze call zalzich specifiek richten op proefdiervrije innovatie en het stimuleren van deimplementatie ervan. Na goedkeuring zal publicatie van de call in 2025plaats kunnen vinden. Ook lopen in 2025 nog de drie projecten die deMinisteries van OCW, I&W, VWS, EZ, Defensie en LVVN (en hunvoorgangers) financierden in het programma vanuit de NationaleWetenschapsagenda «Proefdiervrije modellen: acceptatie en implemen-tatie.» Voor de looptijd van deze projecten is in 2021 totaal circa € 2,9miljoen toegekend.Tot slot investeert het Ministerie van OCW in de jaren 2023–2025 jaarlijks€ 125.000 in het VitalTissue initiatief. Medefinanciers zijn LVVN, VWS,ZonMw en Stichting Proefdiervrij. VitalTissue is een initiatief (inclusieflogistieke infrastructuur) dat vraag en aanbod van humaan restweefselmet elkaar wil verbinden, zodat onderzoekers toegang krijgen tot humaanweefsel, als alternatief voor dierlijk materiaal.83Wanneer worden de resultaten van het onderzoek naar het uitfaseren vandierproeven met apen verwacht?In de motie Wassenberg c.s. is verzocht om de opdracht te geven tot eenonafhankelijk onderzoek naar de mogelijkheid om het aantal proeven opniet-humane primaten verder te verlagen, zonder dat dit gevolgen heeftvoor het onderzoek dat strikt noodzakelijk is voor de bestrijding vanlevensbedreigende ziekten en uitbraken van infectieziekten die devolksgezondheid bedreigen (Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 113). Dit onderzoekwordt momenteel uitgevoerd door de commissie Bijker. De commissieheeft mij geïnformeerd dat het onderzoek niet voor het einde van 2024wordt afgerond. Dit vanwege de complexiteit van het vraagstuk en degeboden zorgvuldigheid en kwaliteitsborging van het onderzoek, onderandere met een internationale review. De commissie heeft aangegevendat de resultaten van het onderzoek het eerste kwartaal van 2025verwacht worden.84Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1827 Welke onderzoeksvragen zijn gebruikt voor het onderzoek naar hetuitfaseren van dierproeven met apen?Voor het onderzoek naar de mogelijkheden om het aantal proeven opniet-humane primaten verder te verlagen, zijn de volgende taken aan decommissie gegeven:–De commissie zorgt voor een afbakening van de begrippen «levensbe-dreigende ziekte» en «infectieziekte die de volksgezondheid bedreigt».–De commissie onderzoekt welk wetenschappelijk onderzoek metniet-humane primaten nodig is ten behoeve van de bestrijding vanlevensbedreigende ziekten en uitbraken van infectieziekten die devolksgezondheid bedreigen en onder welke omstandigheden ditonderzoek in de toekomst verder kan worden afgebouwd.–De commissie onderzoekt de mogelijkheden hoe het overige weten-schappelijk onderzoek met niet-humane primaten zo snel mogelijknaar nul kan worden afgebouwd.–De commissie brengt de mogelijkheden met verschillende scenario’s inkaart, waarbij wordt ingegaan op de wetenschappelijke, ethische,juridische, economische, internationale en maatschappelijkeimplicaties.Zie hiervoor ook het Instellingsbesluit Commissie onderzoek niet-humaneprimaten. In de Kamerbrief van 6 juli 2023 is de aanpak van het onderzoek,en daarmee de invulling van de motie Wassenberg c.s. nader toegelicht.85Hoeveel subsidie is de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar jaar, door hetBPRC4 ingezet voor onderzoek met proefdieren en hoeveel subsidie isgebruikt voor proefdiervrij onderzoek?Het BPRC geeft aan dat zij van de OCW-subsidie in 2020 14,1% (€ 1,6miljoen), in 2021 17,7% (€ 1,9 miljoen), in 2022 16,4% (€ 1,9 miljoen), in2023 18,5% (€ 2,2 miljoen) aan proefdiervrij onderzoek besteedde. Dezepercentages wijken licht af van eerder hierover aan uw Kamer gerappor-teerde percentages, dat is te verklaren omdat in sommige gevallen in hetverleden over het lopende boekjaar werd gerapporteerd. De cijfers voor2024 zijn nog niet compleet in verband met het lopende jaar, maar hetBPRC heeft zich eraan gecommitteerd in 2024 het percentage van desubsidie dat zij besteden aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethodenminimaal 17% te laten zijn en zich in te zetten om dit percentage dekomende jaren te laten oplopen.De rest van de OCW-subsidie wordt door het BPRC met name besteed aande faciliteiten en organisatie van het BPRC, inclusief de kolonie en hetdierenwelzijn. Het daadwerkelijke onderzoek met dierproeven wordt metname gefinancierd uit externe projectinkomsten.86Op welke manier(en) bevordert u de toepassing van systematic reviewsvoorafgaand aan dierproeven?Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van feitelijke vragen bij debegroting 2025 van LVVN. Daarin is namens het kabinet toegelicht: «Het isaan universiteiten en umc’s zelf om systematic reviews waar mogelijk teimplementeren in opleidingen. De hogescholen en universiteiten zijnverantwoordelijk voor het vormgeven en de kwaliteit van het onderwijs enonderzoek. OCW stuurt niet inhoudelijk op het curriculum van opleidingenof trainingen in het hbo en wo, ook met oog op de academische vrijheiden de onderwijsvrijheid in Nederland. Het Ministerie van OCW is wel in4BPRC: Biomedical Primate Research CentreTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1828 gesprek met Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra(NFU) en Universiteiten van Nederland (UNL) over de mogelijkheden diekennis- en onderwijsinstellingen zien voor uitvoering van deze motie. Zijgeven aan hier voortvarend mee bezig te zijn. Er is daarnaast eenstreefbeeld onderwijs ontwikkeld door de onderwijsinstellingen zelfwaarin de mogelijkheden benoemd staan om de transitie naar proefdier-vrije innovatie te versnellen. Het Ministerie van OCW is ook met detrekkers van dat streefbeeld in gesprek om de mogelijkheden te verkennenhoe de praktijk van systematic reviews bredere inbedding kan krijgen inhet curriculum.87Hoeveel organisaties en instellingen ontvangen in 2025 subsidies via desubsidieregeling gender- en LHBTI+ gelijkheid?In 2025 ontvangen 32 organisaties en instellingen subsidie vanuit desubsidieregeling.88Wanneer wordt de nieuwe Emancipatienota van het kabinet verwacht enwelke concrete beleidsmaatregelen zullen daarin worden opgenomen?De Emancipatienota wordt voor de zomer van 2025 aan de Kamerverzonden. Daarin staan de beleidsmaatregelen nader uitgewerkt engeconcretiseerd, in overleg met collega-bewindspersonen en met inputvan het maatschappelijk middenveld.89Op welke manier worden de resultaten van de samenwerking tussenverschillende departementen in de uitvoering van de Emancipatienotagemonitord?De Kamer wordt over de voortgang van het Emancipatiebeleid geïnfor-meerd in de Voortgangsrapportages van de Emancipatienota. Een grootdeel van elke Voortgangsrapportage geeft de resultaten weer van desamenwerking tussen verschillende departementen. De meest recenteVoortgangsrapportage Emancipatie heeft de Kamer op 1 december 2023ontvangen.90Welke specifieke maatregelen zullen worden genomen om de veiligheidvan LHBTIQ+ personen en vrouwen te vergroten in het kader van deprioriteit «veiligheid»?Het Ministerie van OCW ondersteunt Regenboogsteden die zich inzettenvoor de verbetering van veiligheid en sociale acceptatie van lhbtiq+personen op lokaal niveau. Dit doen zij door samen te werken met lokaleuitvoeringsorganisaties. Ook ondersteunt OCW het programma «Onsvoetbal is van iedereen» om discriminatie in de sport tegen te gaan.Daarnaast werken de Ministeries van OCW en JenV gezamenlijk aan eenaanpak gericht op het bevorderen van de veiligheid van de lhbtiq+gemeenschap. U zult hier in het voorjaar van 2025 verder over wordengeïnformeerd.Om de veiligheid van vrouwen te bevorderen lopen meerdereprogramma’s met veel specifieke maatregelen, bijvoorbeeld de AanpakFemicide, het programma Veilige Steden en het Nationaal Actiepro-gramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueelgeweld. Dan gaat het bijvoorbeeld om maatregelen als het faciliteren vangemeenten om de veiligheid van vrouwen in de openbare ruimte teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1829 vergroten, campagnes om bewustwording en gelijkwaardigheid tevergroten en het aanscherpen van wetgeving.91Op welke manier wordt de economische zelfstandigheid van vrouwenbevorderd en hoeveel vrouwen hebben sinds de invoering van dezemaatregelen hun koopkracht en arbeidsmarktkansen verbeterd?De economische zelfstandigheid van vrouwen wordt bevorderd door tweegroepen van verschillende maatregelen. Enerzijds maatregelen die hetaantrekkelijker maken om te gaan werken of om de gewerkte uren uit tebreiden, anderzijds maatregelen om vrouwen (vooral vrouwen met eenafstand tot de arbeidsmarkt) naar werk te begeleiden.Bij de eerste groep maatregelen gaat het bijvoorbeeld om maatregelen ophet gebied van (betaald) ouderschaps- en partnerverlof en op het gebiedvan kinderopvang. Dit vergemakkelijkt de combinatie en verdeling vanarbeid en zorgtaken. En om maatregelen op fiscaal gebied, waardoor hetlonender wordt om (meer) te werken. Hieraan raakt bijvoorbeeld ook desubsidie aan de Alliantie Financieel Sterk door Werk. Deze is gericht ophet vergroten van het aantal uren werk door vrouwen in de schoonmaak-,kinderopvang- en zorgsector.Met de tweede groep maatregelen richten SZW en OCW zich op hetondersteunen van gemeenten met de ontwikkeling en verspreiding vanbewezen effectieve interventies, die rekening houden met specifiekebelemmeringen voor vrouwen (met een afstand tot de arbeidsmarkt). Ditvraagt om maatwerk dat het beste geleverd kan worden door degemeenten en het UWV. Zij staan het dichtst bij de burger en kunnendaardoor rekening houden met hun omstandigheden en doenvermogen.Een voorbeeld zijn de projecten die zijn ontwikkeld in het kader van desubsidieronde economische zelfstandigheid van het programmaVakkundig aan het Werk.Het bevorderen van economische zelfstandigheid maakt al vele jaren deeluit van het emancipatiebeleid. Gedurende die tijd is de economischezelfstandigheid aanmerkelijk toegenomen. Cijfers van het CBS laten ziendat in1989 29,3% van de vrouwen economisch zelfstandig was. In 2022was dit 68,8%. Wel zijn er nog steeds verschillen tussen vrouwen enmannen; van de mannen was in 2022 82,7% economisch zelfstandig.92Wat zijn de belangrijkste veranderingen in het onderwijsbeleid om deveiligheid en gelijke behandeling van leerlingen, ongeacht gender ofseksuele oriëntatie, te garanderen?Het Wetsvoorstel Vrij en Veilig Onderwijs zal naar verwachting in hettweede kwartaal van 2025 bij de Tweede Kamer worden ingediend. Ditwetsvoorstel stelt verschillende maatregelen om de veiligheid op scholente verbeteren. Ook is een wegwijzerwebsite opgericht, waarop scholeninformatie kunnen vinden om de sociale veiligheid van leerlingen tebevorderen. Verder ondersteunt het kabinet verschillende organisaties,zoals SSV en COC, waarbij scholen terecht kunnen voor ondersteuning enadvies op het gebied van sociale veiligheid en acceptatie van lhbtiq+leerlingen.93Hoe worden gemeenten ondersteund bij de uitvoering van het lokalebeleid voor LHBTIQ+ gelijkheid via de decentralisatie-uitkeringen?De Regenboogsteden bepalen wat er op lokaal niveau nodig is voor deverbetering van veiligheid en sociale acceptatie van lhbtiq+-personen. Ditdoen zij door samen te werken met lokale uitvoeringsorganisaties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1830 Kennisinstituut Movisie ondersteunt Regenboogsteden door inhoudelijkeadvisering aan de gemeenten bij het ontwikkelen van beleidsplannen.Movisie publiceert ook artikelen over actuele thema’s en stelt toeganke-lijke handreikingen ter beschikking. Ook stimuleert Movisie kennisuitwis-seling tussen de gemeenten door reguliere bijeenkomsten met beleidsad-viseurs van de Regenboogsteden.94Kunt u aangeven wat de bestemming is van de gelden die met hetamendement Omtzigt c.s. zijn vrijgespeeld voor de pechgeneratie,specifiek over het bedrag van € 6 miljard tot € 14 miljard?5Het amendement Omtzigt c.s. voorzag in een rentemaatregel voorstudenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd. In lijn met ditamendement trekt dit kabinet € 1,4 miljard uit om deze doelgroep eenextra tegemoetkoming te geven.Voor de volledigheid wordt benoemd dat de genoemde bedragen van € 6miljard en € 14 miljard niet worden herkend. Deze bedragen waren geenonderdeel van de brief waaraan wordt gerefereerd.95Wat wordt bedoeld met anti-democratische, anti-integratieve enanti-rechtsstatelijke opvattingen in het onderwijs in het kader vanburgerschap en kunt u specifieke voorbeelden hiervan uit het verledennoemen?Onder antidemocratisch, anti-integratief en antirechtstatelijk onderwijsverstaat dit kabinet in het kader van het wetsvoorstel toezicht informeelonderwijs: onderwijs dat aanzet tot haat, geweld of discriminatie.Specifieke voorbeelden worden genoemd in de memorie van toelichtingbij het wetsvoorstel toezicht op informeel onderwijs dat naar verwachtingin november in consultatie zal gaan. Zie ook de Kamerbrief van 20 maart2024 (Kamerstuk 29 614, nr. 172).96Als de maatschappelijke diensttijd stop wordt gezet welke projecten ensubsidieregelingen bestaan er dan nog om kansenongelijkheid aan tepakken?Door in te zetten op steengoed onderwijs met een veilige en stevige basis,waarin leerlingen goed kunnen leren lezen, schijven en rekenen, stellenwe alle kinderen in staat om zich zo optimaal mogelijk te kunnenontwikkelen. Soms is meer nodig om die basis te versterken, omdat vanhuis uit een leerling minder mee kan krijgen. We investeren daarom metde subsidieregelingen School & Omgeving, Schoolmaaltijden enBrugfunctionaris in ondersteuning voor de leerlingen die dit het hardstnodig hebben, om maximaal tot leren te komen.Met het programma School en Omgeving bieden coalities van scholen,gemeenten en andere organisaties een buitenschools aanbod in hetprimair- en voorgezet onderwijs, met prioriteit voor de scholen met de 5%relatief hoogste onderwijsachterstanden. Met de inmiddels structurelefinanciering voor Schoolmaaltijden bieden we ruim 300.000 leerlingen eendagelijkse schoolmaaltijd. De brugfunctionaris legt de verbinding tussenhet gezin thuis, het kind op school en – waar nodig – met professionals,instanties en partners in de wijk. Zo hebben ouders iemand die naast henstaat, kunnen leerkrachten en docenten zich blijven concentreren op hunkerntaak en komen leerlingen beter aan leren toe en doen ze extravaardigheden en ervaringen op.5Kamerstuk 36 410-VIII, nr. 36Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1831 Het kabinet blijft verder, zowel binnen als buiten het onderwijs, inzettenop de brede doelgroep jongeren 12–30 jaar; onder andere voortijdigschoolverlaters en jongeren in een kwetsbare positie. Tevens wordt nauwsamengewerkt met andere departementen op het gebied van mentalegezondheid van jongeren.Daarnaast is, op initiatief van Uw kamer, een nieuwe maatregel geïntrodu-ceerd om (structurele) onderadvisering tegen te gaan van verschillendegroepen. Het uitgangspunt is dat bij leerlingen, met een hoger toetsadviesdan het voorlopig schooladvies, het schooladvies wordt bijgesteld tenzijhet in het belang van de leerling is om hiervan af te wijken, in dat gevaldient de school dit te motiveren. Daarnaast worden de overgangen in onsonderwijsstelsel en brede scholengemeenschappen, schoolkosten enaanvullend onderwijs gemonitord.Tot slot zetten we in het op het vergaren en delen van kennis over allerleionderwerpen om de kansenongelijkheid aan te pakken. Daarbij valt tedenken aan het volgen van de loopbaan van leerlingen, specifiek opovergangen in ons onderwijsstelsel. Ook monitoren we onder meer: bredescholengemeenschappen, schoolkosten, de vrijwillige ouderbijdrage,aanvullend onderwijs en een leerlingvolgsysteem in het vo.97Kunt u specifiek aangeven hoe de verlaging van de financiering van NWOde strategische onderzoeksagenda’s van universiteiten op de langetermijn zal beïnvloeden?Onderzoek aan de Nederlandse universiteiten wordt vanuit verschillendebronnen gefinancierd. De tweede geldstroom, waarvan NWO onderdeelis, is er daar één van. Het belang van de financiering door NWO blijktbijvoorbeeld uit dat 15% van het wetenschappelijk personeel werkzaam inhet hbo en wo of aan onderzoeksinstellingen wordt gefinancierd uitNWO-subsidies. Elke instelling stelt zijn eigen strategische onderzoeks-agenda op. De beschikbare middelen bij NWO worden daarin meege-wogen, net als die bij andere financiers, zoals de bekostiging van het Rijk,onderzoeksmiddelen van de Europese Unie en middelen uit de derdegeldstroom.98Op welke wijze komt u binnen uw ministerie tot de concrete doelstellingendie in de paragraaf Beleidsprioriteiten genoemde concrete doelstellingen,maatregelen en middelen worden genoemd?De plannen uit het hoofdlijnenakkoord worden uitgewerkt met behulp vanhet Beleidskompas. Het formuleren van doelstellingen maakt hieronderdeel van uit.99Op welke wijze komt u tot de indicatoren om de voortgang op dedoelstellingen te kunnen volgen?In beleidsbrieven worden doelstellingen en subdoelen nader uitgewerkten beschreven met welke maateregelen deze bereikt kunnen worden. Eenmonitoringsplan voor deze maatregelen bevat onderzoek inclusiefindicatoren om resultaten te meten.100Er wordt de komende vier jaar jaarl(ks € 8 miljoen geïnvesteerd in hetlandel(ke programma sociale veiligheid van universiteiten, hogescholenen studie- en studentenverenigingen. Kunt u aangeven welke ruimtehierin is voor beleid tegen antisemitisme?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1832 Voor de integrale aanpak sociale veiligheid in het hoger onderwijs en dewetenschap is de komende jaren in totaliteit jaarlijks € 8 miljoenbeschikbaar. Binnen deze middelen is vooraf geen specifieke reserveringgemaakt voor antisemitismebestrijding. Enerzijds omdat de aanpak op hetgebied van sociale veiligheid vanuit de instellingen in zichzelf reeds eenbijdrage levert aan antisemitismebestrijding; en anderzijds omdat via eensubsidieaanvraag binnen het landelijk programma sociale veiligheid ookspecifieke initiatieven op dit terrein gefinancierd kunnen worden. Voor hetlandelijk programma sociale veiligheid is jaarlijks (2024–2027) € 4 miljoenbeschikbaar. Met deze middelen wordt een subsidieregeling bekostigdvoor het financieel ondersteunen van activiteiten van de regiegroepsociale veiligheid en het veld met als doel de bevordering van een sociaalveilige leer- en werkomgeving voor studenten en werknemers in het hboen wo en de wetenschap. Hier kunnen door de (samenwerkende)universiteiten, hogescholen, studie- en studentenverenigingen alsmedemedewerkers- en promovendiorganisaties ook voorstellen ter bestrijdingvan antisemitisme worden ingediend. Daarnaast wordt van 2022 tot enmet 2031 jaarlijks € 4 miljoen beschikbaar gesteld aan hogescholen enuniversiteiten voor de uitvoering van de afspraken ten aanzien van socialeveiligheid in het Bestuursakkoord. Deze middelen kunnen eveneens dooronderwijsinstellingen besteed worden aan antisemitismebestrijding.Voorts zijn aanvullend op de integrale aanpak sociale veiligheid in aprilaanvullende maatregelen aangekondigd in het kader van antisemitisme-bestrijding binnen het hbo en wo. Zo wordt in het onderzoek naar klacht-en meldvoorzieningen gekeken naar het handelingsperspectief bijmeldingen van antisemitisme. De resultaten van dit onderzoek worden inhet voorjaar van 2025 verwacht. Daarnaast wordt met functionarissenrondom sociale veiligheid (zoals vertrouwenspersonen) gesproken overwat zij verder nodig hebben in het herkennen van en omgaan metantisemitisme. Verder wordt momenteel kabinetsbreed gewerkt aan eennationale strategie antisemitismebestrijding. Deze wordt dit najaar naarde Kamer gestuurd.101De instellingen hebben gezamenl(ke richtl(nen opgesteld over deomgang met demonstraties en daarnaast uitgangspunten voor de(door)ontwikkeling van criteria voor de weging van internationalesamenwerkingen. Kunt u aangeven hoe het staat met de uitwerking,toepassing en monitoring hiervan?Instellingen gebruiken de gezamenlijke Richtlijn protesten universiteitenen hogescholen naast de instellingspecifieke huisregels, met als doel omdemonstraties zo goed mogelijk in banen te leiden. De richtlijn biedtbewegingsruimte om deze naar lokale omstandigheden toe te passen insamenspraak met de lokale driehoek.De instellingen hebben aangegeven de uitgangspunten voor de beoor-deling van samenwerkingen uit de Kamerbrief van 31 mei 2024 mee tenemen in de doorontwikkeling van hun interne procedures. De meesteuniversiteiten en een aantal hogescholen hebben inmiddels commissiesdie het bestuur adviseren over samenwerking waarbij sprake kan zijn vaneen conflict met eigen maatschappelijke waarden, bijvoorbeeld in gevalvan samenwerkingspartners in conflictgebieden. De scope en werkwijzevan deze commissies verschilt per instelling. In sommige gevallen zijndoor de commissie interne richtlijnen voor samenwerking beoordeeld, inandere gevallen adviseert de commissie over casuïstiek. Er is geenstructurele monitoring rondom de (door)ontwikkeling van de interneprocedures.102Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1833 Mbo-instellingen in krimpregio’s ontvangen de komende jaren extramiddelen om een goed en toegankel(k mbo-aanbod in stand te houden.Op welke wijze worden de instellingen gestimuleerd om samen met hetvo en hbo de krachten te bundelen en gezamenlijk te werken aanduurzame regionale oplossingen?Om te zorgen dat iedere regio in Nederland vitaal blijft is het belangrijkdat vo-scholen, mbo-, hbo- en wo-instellingengoed samenwerken. Zijdragen namelijk samen zorg voor het onderwijsaanbod dat scholieren enstudenten perspectief biedt op werk en een zelfredzaam bestaan. Zeker inregio’s waar het aantal studenten daalt is het belangrijk dat scholen eninstellingen goede afwegingen maken over hun onderwijsaanbod. Om iniedere regio bijvoorbeeld voldoende technici en zorgpersoneel tebehouden is het belangrijk dat instellingen die opleidingen blijvenaanbieden. Leerlingen moeten dan wel de profielen in het voortgezetonderwijs kunnen volgen die daarop aansluiten. Samenwerking, in debreedste zin van het woord staat centraal in de krimpaanpak voor hetmbo. Mbo-instellingen dienen gezamenlijk een regioplan in om inaanmerking te komen voor de aanvullende middelen. Een belangrijkaspect van het regioplan is dat de vo-scholen en ho-instellingen daarbijworden betrokken.103Welke rol heeft het Commissariaat voor de Media in het proces om desamenleving meer weerbaar te maken tegen desinformatie enwantrouwen tegen onafhankel(ke nieuwsvoorziening?Het Commissariaat is belast met het toezicht op de Mediawet 2008. HetCommissariaat kijkt bijvoorbeeld naar hoe publieke omroepen invullinggeven aan hun publieke taak. Onderdeel van die publieke taak is hetbieden van media-aanbod dat voldoet aan hoge professionele, journalis-tieke kwaliteitseisen die in de sector gebruikelijk zijn. Ook heeft hetCommissariaat een onderzoekstaak. Zo brengt het Commissariaat jaarlijkshet Digital News Report uit. Daarin wordt het vertrouwen van gebruikersin het nieuws en de bekende nieuwsmerken gemonitord.Binnen het mediabeleid is «Netwerk Mediawijsheid» al ruim 15 jaar bezigmet het bevorderen van mediawijsheid in de samenleving. «NetwerkMediawijsheid», bestaande uit meer dan 1.200 partners, heeft hetbevorderen van weerbaarheid tegen desinformatie bestempeld alsbelangrijke maatschappelijke opgave in het meerjarenplan dat begin 2024van start is gegaan. Daarnaast wordt het project «DichterBijNieuws»uitgevoerd door het «Netwerk Mediawijsheid». Het doel van het project isom mensen meer bewust te maken van de werking en invloed op desamenleving van het nieuws. Zoals vermeld in de beleidsprioriteiten vande ontwerpbegroting 2025 versterkt het kabinet de inzet op media-wijsheid, onder andere door het project «DichterBijNieuws» te verlengenin 2025.104Wanneer wordt de opzet van de periodieke rapportage onderzoeks- enwetenschapsbeleid naar de Tweede Kamer gestuurd?De Minister informeert de Tweede Kamer tenminste één week voorPrinsjesdag volgend jaar over de opzet van de periodieke rapportageonderzoeks- en wetenschapsbeleid. Dit is conform artikel 4 lid 3 van deRegeling periodiek evaluatieonderzoek 2022 waarin staat dat de onder-zoeksopzet ten minste één jaar voor het rapporteren over de periodiekerapportage aangeboden wordt aan de Tweede Kamer. De rapportage staatgepland voor het najaar 2026.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1834 105Voor de aanpak van werkdruk is in kalenderjaar 2025 circa € 519,5 miljoenbeschikbaar. Kunt u nader toelichten hoe deze middelen worden ingezet?In het werkdrukakkoord (2018) hebben het kabinet, de vakbonden enPO-Raad afgesproken dat de keuze voor de inzet van deze middelen –€ 519,5 miljoen in 2025 – op schoolniveau plaatsvindt. Alle scholen in hetprimair onderwijs ontvangen hier middelen voor. Scholen kunnen zelfkiezen hoe zij de middelen inzetten, passend bij de ervaren werkdruk. Inopdracht van OCW wordt het proces en de effectiviteit van de werkdru-kaanpak gemonitord. Uit de meest recente rapportage (schooljaar2022–2023) blijkt dat op scholen het grootste deel van de middelen(89,8%) wordt besteed aan de inzet van extra personeel zoals onderwijsas-sistenten, invalleraren of vakleerkrachten. Daarnaast wordt een deel vande middelen ingezet voor professionalisering en de aanschaf vanmateriaal zoals online systemen die administratieve lasten kunnenverminderen.106Op basis van welke aannames is de taakstelling van € 282 miljoen voor delangstudeermaatregel gebaseerd en zijn hierbij gedragseffectenmeegenomen?De maatregel die in het hoofdlijnenakkoord is opgenomen gaat ervan uitdat het collegegeld met € 3.000 wordt verhoogd voor alle voltijdstudentendie langer dan één jaar uitlopen in de bachelor- of masterfase. De ramingvan structureel € 282 miljoen gaat er van uit dat alle geschatte langstu-deerders, in totaal 94.000, € 3.000 extra collegegeld betalen. Instellingenkrijgen dit bedrag per langstudeerder vervolgens minder aan Rijksbekos-tiging, wat tot een bezuiniging leidt. Er is geen gedragseffect meege-nomen.107Hoeveel studenten zijn ook mantelzorger, hoeveel studenten doen eenfulltime bestuursjaar en hoeveel studenten hebben een ondersteunings-behoefte?Er is geen sluitende definitie van mantelzorg, waardoor het niet altijdduidelijk is wanneer iemand wel of geen mantelzorger is. Ook Mantel-zorgNL geeft aan dat het verlenen van onbetaalde zorg erg divers is,waardoor er geen sluitende definitie is van mantelzorg. Daarom kan erook niet met zekerheid worden aangegeven hoeveel studenten ermantelzorger zijn. Wel blijkt uit de meest recente versie van de monitorbeleidsmaatregelen dat 6% van de studenten zelf aangeeft (mantel)zorg-taken te verrichten en dat 38% van de studenten in het hbo/wo aangeefteen functiebeperking te hebben. Veelvoorkomende beperkingen zijnADHD/ADD, concentratieproblemen, dyslexie, dyscalculie en psychischeaandoeningen. Het is niet bekend hoeveel studenten een fulltimebestuursjaar doen.108Hoeveel langstudeerders zijn er in het hbo en het wo?Op 1 oktober 2023 waren er in het hbo circa 50.000 langstudeerders en inhet wo circa 43.000. Dit zijn studenten die langer dan de nominalestudieduur plus één jaar staan ingeschreven aan een voltijdopleiding enhet wettelijk collegegeld betalen. (bron: DUO-gegevens)109Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1835 PWC concludeerde dat de bekostiging van het WO structureel € 1,1miljard te laag was. Hoe ontwikkelt dit tekort zich in de periode2025–2028?Het onderzoek van PWC concludeerde dat de financiering van het wo optotaalniveau niet toereikend was en dat structureel € 800 miljoen nodigwas om achtergebleven investeringen vlot te trekken, een inhaalslag temaken op onderzoeksbudgetten en om de ambities op kleinschaligonderwijs te realiseren. Naast de structurele investering geeft hetonderzoek aan dat € 300 miljoen aan incidentele middelen nodig waren inverband met achtergebleven investeringen. Het onderzoek baseert zich opde gegevens tot en met 2018 en bevat geen doorkijk naar de periodetussen 2025–2028. Dit tekort is dus niet één op één door te trekken naar detoekomst.110Hoeveel gedwongen ontslagen of niet verlengde contracten verwacht udoor de aankomende bezuinigingen op het mbo, hbo en wo?De door dit kabinet genomen keuzes in de overheidsfinanciën maken datop het onderwijs en onderzoek wordt bezuinigd. Instellingen hebbenbestedingsvrijheid over de middelen die zij ontvangen van het Rijk en zijntevens verantwoordelijk voor het zorgvuldig doorvoeren van bezuini-gingen. Hoe de onderwijsinstellingen dit doen valt onder de autonomievan de instelling. Hierover verantwoorden zij zich niet richting OCW, maarrichting de medezeggenschap en het intern toezicht.In het wo worden de sectorplannen behouden. Zij zijn cruciaal voorsamenwerking en vaste banen voor talentvolle wetenschappers. In plaatsdaarvan wordt de komende jaren bezuinigd op de starters- en stimule-ringsbeurzen. De beurzen zijn persoonlijk werkkapitaal voor jongewetenschappers. Dat dit nu wegvalt doet pijn, maar is minder schadelijkdan het afschaffen van de sectorplannen.Wat de personele gevolgen zijn, is niet bekend aangezien dit afhankelijk isvan de wijze waarop de instellingen de bezuinigingen verder precies gaanvormgeven.De bezuinigingen op het mbo zijn relatief beperkt.111Hoeveel onderwijsinstellingen lopen risico de signaleringswaarden, die deinspectie gebruikt voor haar toets naar de financiële continuïteit, niet tehalen?Voor de signalering van onderwijsinstellingen met mogelijke financiëlerisico’s kijkt de inspectie naar de drie financiële kengetallen: solvabiliteit II,liquiditeit en absolute omvang liquide middelen. De signaleringswaardenkunnen voor de inspectie aanleiding zijn om het bestuur nader te bekijkenen te bezien of er mogelijk sprake is van een financieel risico. Daaromleidt het onderschrijden van een signaleringswaarde niet automatisch toteen financieel risico en tot verscherpt toezicht door de inspectie.Eind 2023 waren er in totaal 90 onderwijsinstellingen (59 primaironderwijs, 23 voortgezet onderwijs, 3 mbo, 5 hbo) met één of meerderefinanciële kengetallen onder de signaleringswaarde.De inspectie bestudeert de jaarrekeningen van deze onderwijsinstellingenom de oorzaak te achterhalen en voert indien nodig onderzoek uit waarbijveel meer aspecten in ogenschouw worden genomen. Daarna besluit zeof het nodig is om het bestuur onder verscherpt toezicht te plaatsten. Hetbesluit om een bestuur onder verscherpt financieel toezicht te stellen, isaltijd gebaseerd op een uitvoeriger onderzoek van de inspectie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1836 Op dit moment staan in totaal 9 onderwijsinstellingen onder hetverscherpt financieel toezicht van de inspectie.Deze informatie is terug te vinden op de website van de Inspectie van hetonderwijs.112Hoeveel % van het bbp zal de komende jaren aan publieke R&D wordenuitgegeven?Het Rathenau Instituut heeft als taak om jaarlijks een doorrekening tepubliceren, waaruit blijkt welk deel van het bbp is besteed aan R&D(research & development). Dit gebeurt altijd terugkijkend, omdat dezeberekening afhankelijk is van CBS-data die achteraf beschikbaar wordengesteld. Het meest recente onderzoek van het Rathenau Instituutverscheen afgelopen juni. Daaruit bleek dat de totale uitgaven aan R&D inNederland in het jaar 2022 2,3% waren. In 2022 was een deel van deinvesteringen van het vorige kabinet reeds gestart, maar deze waren nogniet op het niveau van 2023 en 2024, aangezien de omvang opliep na2022. De verwachting is dat het percentage van het bbp dat wordtgeïnvesteerd in R&D zal afnemen de komende jaren als gevolg van debezuinigingen van dit kabinet, tenzij een stijging van de private investe-ringen in R&D deze afname van publieke investeringen zal compenseren.Volgens de laatste ramingen van het Rathenau nemen de publiekeR&D-investeringen over 2024 nog toe. Met name omdat er dit jaar nogaanzienlijke, reeds toegekende middelen geïnvesteerd worden vanuit hetNationaal Groeifonds en vanwege de structurele investeringen inonderzoek en wetenschap en investeringen uit het Fonds voor Onderzoeken Wetenschap. Vanaf 2025 wordt een daling in de publiekeR&D-investeringen verwacht, met name omdat de vierde en vijfde rondevan het Groeifonds niet doorgaan, en vanwege de bezuiniging oponderzoek en wetenschap. Hiermee zullen de totale publiekeR&D-uitgaven door de rijksoverheid afnemen.113Welke duurzaamheidsinvesteringen zullen onderwijsinstellingen dekomende jaren moeten doen en wat zijn hun financiële mogelijkhedendaartoe?In de sectorale routekaarten uit 2019 is in kaart gebracht hoe degebouwen van onderwijsinstellingen er voor staan en wat er nodig is voorverduurzaming. In 2025 worden de sectorale routekaarten herijkt. Om aande minimumeisen van de Europese richtlijn EPBD IV te voldoen, moet metname het renovatietempo van onderwijsinstellingen in primair envoortgezet onderwijs omhoog. Het IBO onderwijshuisvesting uit 2021beschrijft wat nodig is. Andere richtlijnen die onderwijsinstellingen rakenzijn EED en RED.Tot financiële mogelijkheden behoren de subsidieregeling duurzaammaatschappelijk vastgoed (DUMAVA), bancaire leningen bij zowel BNG alscommerciële banken en schatkistbankieren onder bepaalde voorwaarden.Ook wordt gewerkt aan een waarborgfonds maatschappelijk vastgoedvoor borgstellingen. Met regelingen zoals DUMAVA kan een deel van deopgave bij onderwijsinstellingen gerealiseerd worden, maar die zijn nietaltijd toereikend.114Hoeveel bezuinigt dit kabinet op onderwijs in 2025 en structureel,absoluut en relatief?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1837 In 2025 wordt in totaal € 533 miljoen bezuinigd op onderwijs. Dit is 1%van de totale OCW-begroting in 2025. Structureel wordt in € 1,6 miljardbezuinigd op onderwijs. Dit is 3,2% van de totale OCW-begroting in 2030.Hierbij zijn alle bezuinigingen op begrotingsartikel 1 primair onderwijs, 3voortgezet onderwijs, 4 mbo, 6 hbo en 7 wo meegerekend. Dit betreftonder andere de bezuinigingen op het hoger onderwijs in verband metinternationale studenten en een langstudeermaatregel, het afschaffen ofverlagen van subsidies (zoals de Maatschappelijke Diensttijd, bredebrugklassen en School en Omgeving en verwerking van de subsidietaak-stelling) en het stopzetten van de startersbeurzen. Meer informatie overde extensiveringen kan worden gevonden in tabel 4 en 7 van deOCW-begroting. In de Kamerbrief van 24 oktober 2024 is uw Kamergeïnformeerd over de subsidietaakstelling.115Wat zijn de verwachte economische effecten van het wetsvoorstel Wetinternationalisering in balans?Zoals ook benadrukt in de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wetinternationalisering in balans, laten de economische effecten van hetwetsvoorstel Wet internationalisering in balans zich moeilijk voorspellen,omdat instellingen zelf bepalen hoe zij de aangereikte fixusinstrumenteninzetten. Bovendien is de uitkomst van de toets anderstalig onderwijs nietop voorhand bekend: het is nog niet duidelijk hoeveel bacheloroplei-dingen wel en hoeveel geen toestemming zullen krijgen voor anderstaligonderwijs.Wel kan worden gesteld dat internationale studenten uit de EER die directna hun studie uit Nederland vertrekken, kosten met zich meebrengen voorde Nederlandse staat. Een afname van deze groep studenten zal leiden toteen besparing voor de staatskas. Tegelijkertijd dragen internationalestudenten die in Nederland blijven, zoals aangetoond door het CPB in2019, bij aan de Nederlandse economie. Een daling van deze groep zoudus mogelijk nadelig kunnen zijn voor de economie. Daarbij moet wordenopgemerkt dat er op dit moment hogere kosten zijn dan die zijn aange-nomen in het CPB-onderzoek. Zo betekent de herinvoering van debasisbeurs dat ook EER-studenten daarvan gebruik kunnen maken; deurennorm daarvoor is onlangs verlaagd na een uitspraak van de CentraleRaad van Beroep.Om de balans te verbeteren, kiest het wetsvoorstel voor een selectieveinstroom van internationale studenten. Het biedt strategische ruimte vooranderstalig onderwijs op locaties en in vakgebieden waar dit het meesteoplevert, zowel economisch als maatschappelijk. Een kleiner aantalinternationale studenten hoeft niet direct een nadelig effect te hebbenvoor de Nederlandse economie, zolang het percentage van dezestudenten dat na de studie in Nederland blijft werken groter wordt. Datzijn immers de studenten die blijven die bijdragen aan de Nederlandseeconomie.De wet tracht daarom deze blijfkans te vergroten door de zorgplicht vaninstellingen te verbreden om de Nederlandse taalvaardigheid vanstudenten te bevorderen, waardoor ook internationale studenten in staatworden gesteld om Nederlands te leren. Dit proces van socialisatievergroot de kans dat zij na hun studie in Nederland blijven. Uit onderzoekvan Nuffic blijkt dat 67% van de internationale studenten die na hun studiein Nederland bleven aan dat Nederlandse taalvaardigheid belangrijk ofzeer belangrijk is om je thuis te voelen Tegelijkertijd geeft 30% van deinternationale studenten die besluiten om Nederland na hun studie teverlaten aan dat taalbarrières belangrijk of zeer belangrijk waren in hunbesluit om te vertrekken. Met het wetsvoorstel Wet internationalisering inbalans wordt de instroom van internationale studenten selectiever, wat dedruk op het hoger onderwijsstelsel en publieke voorzieningen vermindert,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1838 terwijl de bijdrage per student aan de Nederlandse samenleving wordtvergroot.116Welk budget is verbonden aan de 13,8 fte onderwijscoördinatoren?Als het gaat om werkelijke loonkosten is er in 2023 in totaal € 1.1 miljoenuitgegeven aan onderwijscoördinatoren.117Hoeveel kinderen krijgen in totaal op dit moment een rijke schooldag?In totaal doen er in de huidige regeling circa 140.000 leerlingen mee aanhet programma School en Omgeving.118Welke onderwijsinstellingen zullen de aankomende jaren met meer dan10% krimpen?Daling van leerlingen- en studentenaantallen is voor bijna alle onderwijs-sectoren een ontwikkeling die de komende jaren aandacht vraagt enuitdagingen met zich meebrengt. Deze uitdagingen verschillen onderandere per onderwijssector, per regio en per instelling.Op de website van DUO zijn onder «open onderwijsdata» voor elkeonderwijssector prognoses te vinden die een indicatie geven van deontwikkeling van het aantal leerlingen/studenten per instelling. Hieronderwordt per sector toegelicht voor hoeveel instellingen in de prognose eenkrimp wordt verwacht van 10% of meer ten opzichte van 2023. Dit isnadrukkelijk een indicatie, de werkelijke ontwikkeling van aantallen kanzowel op totaal niveau als per instelling anders verlopen dan geprognosti-ceerd.–In het primair onderwijs (basisonderwijs en speciaal basisonderwijs)zullen van de 6.299 scholen naar verwachting 359 scholen in 2024 temaken krijgen met 10% krimp. In 2025 zullen dat er naar verwachting877 zijn en de jaren daarna loopt dit aantal verder op tot circa 1.940scholen in 2028.–In het voortgezet onderwijs zullen van de 640 scholen naar verwach-ting 15 scholen in 2024 te maken krijgen met 10% krimp. In 2025 zullendat er naar verwachting 63 zijn en de jaren daarna loopt dit aantalverder op tot circa 120 scholen in 2028.–In het middelbaar beroepsonderwijs zullen van de 56 instellingen naarverwachting geen instellingen in 2024 te maken krijgen met 10% krimpten opzichte van 2023. In 2025 zal naar verwachting 1 instelling met10% gekrompen zijn, hier komt vanaf 2027 nog 1 instelling bij. Ditbeperkte aantal geeft geen compleet beeld, omdat de krimp van delaatste jaren hierin niet is meegenomen. Na 2028 neemt de daling inhet aantal studenten in het mbo weer toe voor 2033 wordt verwachtdat 17 instellingen met 10% zijn gekrompen.–Van de 36 onderwijsinstellingen in het hbo krijgt naar verwachting 1instelling in 2024 te maken met 10% krimp ten opzichte van 2023. In2025 zullen dat er naar verwachting 6 zijn en de jaren daarna loopt ditaantal verder op tot circa 17 instellingen in 2028. Met name deniet-Randstedelijke hogescholen ondervinden een grotere impact vandalende studentenaantallen.–In het wo is de verwachting dat het aantal studenten na jaren van groeizich nu stabiliseert. In 2025 verwachten we dat 2 instellingen, van de18 onderwijsinstellingen in totaal, te maken krijgen met 10% krimp tenopzichte van 2023. In de jaren daarna blijft dit aantal gelijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1839 Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap houdt de gevolgenvan de ontwikkeling van leerlingen- en studentenaantallen nauwlettend inde gaten en blijft inzetten op een regionaal passende spreiding vanonderwijsaanbod.119Wat is de koopkrachtontwikkeling van studenten van de afgelopen vijfjaar?Op deze vraag kan het kabinet geen antwoord geven. CBS en CPB makengeen koopkrachtberekening voor studenten. De laatste jaren heeft hetkabinet wel, op verzoek van uw Kamer, regelmatig aan Nibud gevraagd ofzij berekeningen kon maken over de koopkracht van studenten. Tijdenshet leenstelsel was dit volgens Nibud onvoldoende mogelijk. Na deherinvoering van de basisbeurs, die een positief effect heeft gehad op hetinkomen van studenten, in het hbo en wo veranderde dit. Daarom heeftNibud dit jaar voor het eerst in lange tijd weer een inschatting gegevenvan de koopkrachtontwikkeling van studenten. Deze statistiek is nietbeschikbaar voor de laatste vijf jaar.120Wat is de voorspelde koopkrachtontwikkeling van studenten voor deaankomende drie jaar?Het kabinet heeft geen voorspelling voor de koopkrachtontwikkeling vanstudenten voor de komende drie jaar.Het kabinet en CPB maken geen raming voor de koopkracht vanstudenten. Wél heeft het Nibud in recent onderzoek een voorspelling voorhet komende jaar gepubliceerd. Op verzoek van de Tweede Kamer heefthet Nibud dit jaar voor het eerst sinds lange tijd in kaart gebracht wat dekoopkrachtontwikkeling van studenten voor het komende jaar is. Hierbij isalleen gekeken naar uitwonende studenten. Thuiswonende studenten zijnnamelijk onderdeel van een huishouden en daardoor van een anderkoopkrachtplaatje. De uitwonende student krijgt volgens het Nibud temaken met een daling van de koopkracht in 2025 tussen de 6,2% en 6,6%.Dit is hoofdzakelijk het gevolg van het verdwijnen van de tijdelijkekoopkrachtmaatregel die gold in het studiejaar 2023/2024 om studententegemoet te komen voor de tijdelijk hoge energieprijzen. Daartegenoverstaan ook positieve ontwikkelingen. Zo is de basisbeurs fors gestegendoor de indexatie en zijn energieprijzen weer gedaald. Volgens recentonderzoek van Nibud geeft 90 procent van de studenten aan rond tekunnen komen. Voor uitwonende bbl-studenten daalt de koopkracht met1,3%. De ontwikkeling zal in de praktijk echter (fors) verschillen tussenstudenten, afhankelijk van bijvoorbeeld de ontwikkeling van hun (kale)huur, energielasten, en overige uitgaven en inkomsten (zoals bijbaan).121Klopt het dat u wijzigingen in beleid voorbereidt ten aanzien van hetbasisonderwijs en niet ten aanzien van de andere onderwijssectoren?De ambities van het Ministerie van OCW zijn beschreven in de paragraafBeleidsprioriteiten van de begroting. Hierin staan de beleidsprioriteitendie voortkomen uit het regeerprogramma en breder. Alle onderwijssec-toren komen voor in de beleidsprioriteiten, niet alleen het basisonderwijs.122Kunt u inmiddels aangeven hoe de subsidietaakstelling voor OCW zalworden ingevuld?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1840 De invulling van de subsidietaakstelling is toegelicht in de Kamer-brief Subsidietaakstelling. De verschillende maatregelen zijn met een Notavan Wijziging verwerkt in de Ontwerpbegroting 2025.123Welke projecten lopen er op dit moment om de opleidingen beter te latenaansluiten op de arbeidsmarkt?De vergrijzing op de arbeidsmarkt, de opkomst van nieuwe technologieënen de veranderingen in de economie vragen van het onderwijs omcontinu in te spelen op de behoefte van de samenleving en demaatschappij. Hier ligt een continue taak voor de onderwijsinstellingenom regelmatig en samen met maatschappelijke partners en werkgeverskritisch te reflecteren op het opleidingsaanbod en de aansluiting met dearbeidsmarkt. Dit gebeurt bijvoorbeeld in de overlegtafels binnen de SBBvoor het mbo en in de beroepenveldcommissies in het hbo en wo.OCW faciliteert, subsidieert en stimuleert actief het verbeteren van deaansluiting van het onderwijs met de arbeidsmarkt en de economie. Metde Werkagenda MBO wordt gewerkt aan verschillende doelstellingen omhet onderwijs te versterken, waaronder het verbeteren van de arbeids-marktpositie van afgestudeerden. In het hbo investeren we structureel€ 30 miljoen om de krapte in de sectoren onderwijs, gezondheidszorg enbètatechniek in te perken. In het wo dragen de sectorplannen bij aanhogere kwaliteit van onderwijs en onderzoek. Hierbij ligt een focus opverschillende maatschappelijke vraagstukken. Daarnaast wordt, samenmet andere ministeries, gewerkt aan verschillende (sectorspecifieke)programma’s. Voorbeelden hiervan zijn het Nationaal VersterkingsplanMicrochiptalent, LLO-katalysator, het opschalen van publiek-privatesamenwerkingen en het Actieplan Groene en Digitale Banen. Ook in dekomende tijd verkennen we actief hoe de aansluiting van het onderwijsmet de arbeidsmarkt verder verbeterd kan worden, onder andere met hetaangekondigde mbo-pact voor het opleiden voor de arbeidsmarkt van detoekomst.124Welke projecten lopen er op dit moment om ons onderwijs en deeconomie beter op elkaar te laten aansluiten?Zie antwoord op vraag 123.125Welke belemmeringen ervaren studenten wanneer zij willen wisselen vanstudie of opleiding?Op verzoek van uw Kamer wordt in kaart gebracht welke belemmeringenstudenten kunnen ervaren bij overstap van het hbo-wo naar het mbo, ofvan mbo 3–4 naar mbo 1–2 wat betreft studiefinanciering. Hierover wordtuw Kamer voor de begrotingsbehandeling van OCW geïnformeerd.Afgezien van die verkenning is er geen specifiek onderzoek uitgevoerdnaar belemmeringen die studenten ervaren wanneer zij switchen vanstudie. In algemene zin geldt dat voor studenten die switchen er verschil-lende belemmeringen kunnen optreden. Zo kan het zijn dat studentenvoor hun studie al studiekosten hebben gemaakt, bijvoorbeeld voor deaanschaf van materialen. Voor een nieuwe studie moeten mogelijk weerstudiekosten worden gemaakt. Ook zijn er situaties mogelijk waar destudent wegens de switch een bepaalde periode moet overbruggen totdatde nieuwe studie start. Daarnaast hebben switchers in sommige gevalleneen deel van hun recht op studiefinanciering en/of het studentenreis-product al gebruikt, waardoor ze hier minder lang recht op hebben tijdensTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1841 hun nieuwe studie. Of kan een overstap ertoe leiden dat een deel van deeerder verkregen prestatiebeurs niet wordt omgezet in een gift.126Hoeveel winst wordt er door uitzendbureaus gemaakt om leraren viauitzendconstructies te laten werken?In het onderzoek van de Algemene Rekenkamer staat dat externe bureauseen bureaumarge hanteren van gemiddeld 25% (variërend van 15% tot46%, exclusief btw) voor een ingehuurd docent in het vo. Deze bureau-marge bestaat uit overheadkosten (personeel, materieel, marketing etcetera) en winst. De bureaumarge is in het rapport niet gesplitst inoverheadkosten en winst. Voor het primair onderwijs zijn deze gegevensniet beschikbaar.127Wat behelst de ABU-gedragscode?De Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) heeft een gedragscodeopgesteld. In de gedragscode is opgenomen waar de leden van de ABUvoor staan en hoe de leden willen handelen. De ABU heeft samen met deleden die actief zijn in het onderwijs ook een Gedragscode verantwoordeinzet flexibele arbeid in het onderwijs ontwikkeld, kortweg deGedragscode Onderwijs. In deze gedragscode staat bijvoorbeeld dat het«wegkopen» van docenten nadrukkelijk geen oplossing is voor deproblemen in de sector.128Welke maatregelen kunnen er door de overheid tegen uitzendbureaus, dieonredelijke belemmeringen opwerpen om een docent in loondienst tenemen, worden genomen?Op alle vormen van terbeschikkingstelling van arbeid, waaronder uitzend,is artikel 9a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs(hierna: Waadi) van toepassing. Dit artikel bevat een belemmerings-verbod. Als er toch sprake is van een belemmering om een dienstverbandaan te gaan, kan daarvan melding worden gemaakt bij de NederlandseArbeidsinspectie, waarna zij een onderzoek kan instellen. Zij kan eenovertreding van artikel 9a Waadi vaststellen in een verslag, maar kan geensanctie opleggen voor het overtreden van het belemmeringsverbod. Het isaan degene die een melding heeft gedaan om vervolgstappen te zetten,bijvoorbeeld door een civiele zaak te starten.129Hoeveel meldingen heeft de Arbeidsinspectie vanuit het onderwijsontvangen van een overtreding van artikel 9a Waadi6, hoe vaak heeft deArbeidsinspectie onderzoek bij uitzendbureaus in het onderwijs gedaanop basis van artikel 9a Waadi en wat zijn er hiervan de uitkomsten?De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft laten weten dat zij geen meldingenheeft ontvangen en geen onderzoeken heeft gedaan naar een eventueleovertreding van genoemd wetsartikel in de onderwijssector. Eeneventuele overtreding van het belemmeringsverbod in artikel 9a van deWaadi is niet bestuursrechtelijk beboetbaar. De Arbeidsinspectie kan opverzoek van vakbonden en individuele arbeidskrachten onderzoek doennaar de naleving van dit verbod. Zie ook antwoord 128 voor de werkwijzevan de Arbeidsinspectie.6Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1842 130Is het belemmeringsverbod onderdeel van de ABU-gedragscode? Zo nee,waarom niet?Het belemmeringsverbod is wettelijk geregeld in artikel 9a van de Waadi.Alle uitzendbureaus moeten zich aan de wet houden, ongeacht of ze degedragscode van de ABU onderschrijven.131Wat is de gemiddelde hoogte van de overnamekosten of boete die externebureaus hanteren om ingehuurd personeel over te nemen?In het rapport van de Algemene Rekenkamer over de inhuur van docentenin het voortgezet onderwijs staat dat de vergoeding die bureaus vragenvoor overgenomen docenten per bureau verschilt. Zo zijn er bureaus dievergoedingen vragen van 15% tot 38% van het uurtarief over de nogopenstaande uren in het contract van de ingehuurde docent (tot eenmaximum van bijvoorbeeld 1.040 of 2.000 uren). Ook zijn er enkelebureaus die een vaste vergoeding vragen van € 18.000 tot€ 45.000 voor het in dienst nemen van een ingehuurde docent. Voor hetprimair onderwijs zijn deze gegevens niet voorhanden.132Vallen alle beloningscomponenten (inclusief werknemers- en werkge-versdeel pensioenpremie, verzekeringen en sociale zekerheid) onder deidentieke beloning bij uitzendkrachten werkzaam in het vo?Het beloningsdeel is in principe gelijk, het deel aan sociale premies niet. Inde cao voortgezet onderwijs is bepaald dat de werkgever verplicht is in deovereenkomst die met de uitlenende instantie wordt gesloten, te bedingendat de uitlenende instantie «voor wat betreft de beloning, inclusieftoelagen en onkostenvergoedingen overeenkomstige arbeidsvoor-waarden toekent als die welke worden toegekend aan de werknemers ingelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de inlenende instelling».Sociale premies (waaronder ook pensioenpremies) kunnen per sectorverschillen. Ook kan bij uitzendbureaus een andere verdeling van hetwerknemers- en werkgeversdeel van de pensioenpremie zijn afgesproken.133Zijn er verschillen, naast het werknemersdeel pensioenpremie, tussen hetStiPP7 en ABP pensioen? En zo ja, welke?Op dit moment betreft de ABP-regeling een uitkeringsovereenkomst en deStiPP-pensioenregeling een beschikbare premieovereenkomst. Bij het ABPgeldt een premie van 27,0%. De werkgever betaalt hier 18,9% van en dewerknemers 8,1%. Het maximum pensioengevend salaris voor het ABP is€ 137.800. Het StiPP kent een maximaal pensioengevend uurtarief van€ 38,26. Het STiPP kent twee pensioenregelingen; de Basisregeling (tot enmet de eerste 52 werkweken) en de Plusregeling (minimaal 52 wekenpensioenopbouw in de Basisregeling). De Basisregeling-premie van StiPPis 7,4% betaald door de werkgever. De premie in de Plusregeling vanStiPP betreft 12% (werknemers betalen hier maximaal voor eenderde deelaan mee). Hoe dit uitpakt voor werknemers verschilt per individu. Het isaan de cao-partijen om de premieverdeling tussen werknemers enwerkgevers vast te stellen.1347StiPP: Stichting Pensioenfonds voor PersoneelsdienstenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1843 Hoeveel leraren zijn er aan de slag als zzp’er in het onderwijs, uitgesplitstnaar po, vo, mbo en hbo?Uit de financiële jaarverslagen van schoolbesturen weten we niet omhoeveel personen het gaat, maar we weten wel welk bedrag er aanpersoneel niet in loondienst (PNIL) wordt uitgegeven. In 2022 ging hetzowel in het primair onderwijs als in het voortgezet onderwijs om 4,4%PNIL-uitgaven ten opzichte van de totale personeelslasten. In het mboging het in 2022 om 7,3% PNIL-uitgaven en in het hbo om 8%. Het gaathierbij om al het onderwijspersoneel. Op basis van een nadere uitvraagweten we dat in 2022 grofweg ongeveer 50% van de PNIL-kosten in hetprimair- en voortgezet onderwijs bestemd was voor ingehuurde leraren.Voor het mbo en hbo zijn geen nadere gegevens beschikbaar. DePNIL-cijfers over 2023 zullen in de trendrapportage bij de lerarenbriefworden opgenomen die in december 2024 naar de Tweede Kamer wordtverzonden.135Hoeveel zzp’ers in het onderwijs bouwen pensioen op en/of hebben eenarbeidsongeschiktheidsverzekering?Uit een Brief aan oud-minister Koolmees van SZW blijkt dat 2 tot 4% vande zelfstandigen pensioen opbouwt via de pensioensopbouw via dewerkgever, de tweede pijler. Cijfers van het CBS laten zien dat in 202116,5% van alle zzp’ers een arbeidsongeschiktheidsverzekering (aov) haden 9,2% een lijfrenteverzekering als pensioenvoorziening. Deze cijfers zienop alle sectoren. Deze cijfers zijn niet specifiek bekend voor zzp’ers in hetonderwijs.136In hoeverre geldt dat er voor zelfstandigen in het onderwijs sprake vaneen gezagsverhouding die een kernactiviteit van de onderwijsinstelling(lesgeven) is?Of er in een arbeidsrelatie sprake is van een gezagsverhouding, is niet inalgemene zin te bepalen, maar is afhankelijk van de omstandigheden.Eventuele inbedding in de organisatie is volgens jurisprudentie vanbelang in deze afweging. Het kabinet stimuleert het uitvoeren vanstructureel werk in een vast dienstverband.137Volgen de salarissen in het onderwijs volledig de contractloonontwik-keling in de markt voor 2025?Over 2025 is dat nog niet te zeggen: nog niet alle onderwijssectorenhebben afspraken voor (heel) 2025 gemaakt en de marktontwikkeling isgaande. Bovendien moet de kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwik-keling voor 2025 nog worden vastgesteld. Dit gebeurt zoals gebruikelijk bijVoorjaarsnota. In de afgelopen drie jaar 2022 – 2024 is het loon in deonderwijssectoren gemiddeld tenminste gelijk aan de markt gegroeid.138Is de incidentele loonontwikkeling ook onderdeel van de volledige loon-en prijsbijstelling voor 2025?De incidentele loonontwikkeling maakt onderdeel uit van het referentie-model waarmee de kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwikkelingwordt berekend (het loon-deel uit de loon- en prijsbestelling). Deverhoging van de kabinetsbijdrage («loonbijstelling») voor 2025 stelt hetkabinet vast in de Voorjaarsnota 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1844 139In hoeverre is de ruimtebrief voor 2024 en 2025 inzichtelijk gemaakt vooralle sociale partners, zoals de Kamer in 2019 had verzocht door degewijzigde motie-Van den Hul c.s. aan te nemen?8In de motie is verzocht er bij de onderwijswerkgeversorganisaties op aante dringen de brief over de kabinetsbijdrage voor de arbeidskostenontwik-keling («ruimtebrief») inzichtelijk te maken voor alle sociale partners aande cao-onderhandelingstafel. Zoals aangegeven in de beantwoording vanKamervragen van het lid Van den Hul c.s. over de uitvoering van degenoemde motie, ontvangen de werkgeversorganisaties de briefvertrouwelijk. De werkgevers hebben de mogelijkheid om aan desectorale cao-tafel vertrouwelijk informatie te delen over de sectoraalbeschikbare loonruimte. De sectoraal beschikbare loonruimte is onderandere afgeleid van de kabinetsbijdrage voor de arbeidskostenontwik-keling. Werkgevers zijn vrij om hierin zelf een afweging en keuze temaken. Het kabinet kan en wil de onderwijswerkgevers niet verplichtenom de inhoud van de brieven inzichtelijk te maken aan de onderhande-lingstafel.140Is er al opvolging gegeven aan de rechterlijke uitspraak om de ouderuimtebrieven aan alle sociale partners te verstrekken?Dit gaat om een uitspraak over het heroverwegen of de ruimtebrievenopenbaar moeten worden gemaakt (voor eenieder inzake de Wet OpenOverheid, niet alleen aan sociale partners). In opvolging van de betref-fende uitspraak heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties een herziene beslissing op bezwaar opgesteld. Het nieuwe besluithoudt in dat brieven ouder dan vijf jaar openbaar worden gemaakt. Destukken zijn gedeeld met uw Kamer in het Woo-besluit over kabinetsbij-drage overheids- en onderwijswerkgevers.141Hoeveel studenten volgen op dit moment een lerarenopleiding?In studiejaar 2023–2024 was het totaal aantal ingeschreven studenten aaneen lerarenopleiding 58.403 studenten. Definitieve cijfers over het totaalaantal ingeschreven studenten dat in dit studiejaar 2024–2025 eenlerarenopleiding volgt zijn er nog niet. Hierover wordt de Kamer later in2025 over geïnformeerd.142Hoeveel studenten die een lerarenopleiding volgen halen hun diploma na5 jaar?Bij de beantwoording van deze vraag gaan we uit van «voltijdstudentendie afstuderen in de nominale studieduur plus één jaar». Het laatstecohort waarover we kunnen rapporteren is het cohort dat is gestart in2017. In de aantallen en percentages hieronder worden alleen destudenten weergegeven die een diploma hebben gehaald voor deze(leraren)opleiding. Dat betekent niet dat de overige studenten zijnuitgevallen. Studenten kunnen ook nog doorstuderen, een diplomahebben gehaald voor een andere opleiding of switchen.Voor de hbo bachelor primair onderwijs (pabo) hebben 2375 van de 4702studenten hun diploma gehaald (51%). In de hbo bachelor tweedegraadsbehaalden 1509 van de 5220 studenten hun diploma (29%). Uit eerderonderzoek is gebleken dat er meerdere oorzaken zijn voor de voortijdige8Kamerstuk 35 000-VIII, nr. 173Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1845 uitval bij de tweedegraads opleidingen, zoals de zwaarte van de studie ende wijze waarop het onderwijs wordt vormgegeven. De opleiding wordtals relatief zwaar ervaren doordat studenten al snel de praktijk (hetonderwijs) in gaan. Verder studeren veel studenten in deeltijd. Decombinatie van gezin, baan en studie wordt aangegeven als oorzaak vanuitval. In het cohort hbo eerstegraads studenten (inclusief kunst enlo-opleidingen) was dit 903 van de 1814 studenten (50%). Voor alle hbobachelor studenten, niet alleen lerarenopleidingen, ligt het percentagediploma’s na de nominale studieduur plus één jaar op 46%.Voor de eerstegraads wo lerarenopleidingen (ulo), geldt dat 600 van de884 studenten hun diploma hebben gehaald in de nominale studieduurplus één jaar (68%).143Hoeveel studenten volgen een schakeltraject om leraar te worden enhoeveel van deze studenten halen hun diploma na 5 jaar?Voor een aantal lerarenopleidingen kunnen studenten met eenniet-verwante vooropleiding een schakeltraject doorlopen. Dit verschilt inomvang van één vak tot 60 EC. Deze studenten worden niet apartgeregistreerd en zijn daarmee in de databestanden van DUO niet tescheiden van andere studenten. Daarom kunnen we deze cijfers nietleveren.144Hoeveel mensen hebben een lesbevoegdheid maar werken op ditmoment niet in het onderwijs?De exacte omvang van deze groep, ook wel «stille reserve» genoemd, isniet bekend. Er wordt, net als bij andere beroepen, niet geregistreerd waariedere leraar die het onderwijs uitstroomt gaat werken. Uit eerderonderzoek van OCW in 2017 kwam naar voren dat er naar schatting eenstille reserve bestond van minimaal 82.000 personen in het funderendonderwijs. Onderzoekers van de Universiteit Maastricht hebben dezegroep in 2024 op 62.000 personen geschat. Dat aantal lijkt realistisch.145Welke ambtenaren vallen onder de in het hoofdlijnenakkoord afgesprokennullijn? Vallen medewerkers van uitvoeringsorganisaties, zorg, onderwijsen gemeenteambtenaren hier ook onder?Deze vraag is ook bij de Algemene Financiële Beschouwingen beant-woord, onder nr. 96. De nullijn in 2026 raakt de ambtenaren die vallenonder de cao Rijk. De meeste uitvoeringsorganisaties vallen onder de caoRijk en de nullijn geldt daarmee ook voor medewerkers van bijvoorbeeldDienst Justitiële Inrichtingen (DJI), Rijkswaterstaat, DUO en de Belasting-dienst. Gemeenten en de zorg- en onderwijssectoren hebben een eigencao. Dit geldt ook voor enkele zelfstandige bestuursorganen binnen derijksoverheid (UWV, SVB), medewerkers van deze organisaties vallen dusniet onder de afgesproken nullijn.146Kunnen de dalende uitgaven tussen 2024–2029 aan het onderwijs wordenuitgesplitst?De begroting voor het onderwijs (artikelen 1, 3, 4, 6 en 6) daalt tussen2024 en 2029 met € 2,9 miljard, zie onderstaande tabel. Deze daling wordtongeveer voor circa € 1,6 miljard veroorzaakt door de maatregelen uit hethoofdlijnenakkoord. Daarnaast dalen de leerlingen- en studentenaan-tallen, wat ook leidt tot een daling van de uitgaven aan het onderwijs. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1846 uitsplitsing van deze daling is tevens te vinden in de horizontaletoelichting van OCW in de Miljoenennota 2025.147Hoeveel mbo-docenten werken op basis van een pedagogisch DidactischGetuigschrift, absoluut en relatief?Er zijn ongeveer 34.000 docenten werkzaam in het mbo. Daarvan is nietbekend of zij een diploma van een lerarenopleiding of een PedagogischDidactisch Getuigschrift (PDG) hebben behaald. Deze informatie wordtnamelijk niet landelijk geregistreerd. Hierdoor is niet te zeggen hoeveelmbo-docenten absoluut en relatief werken op basis van een PDG.Wel is bekend dat jaarlijks aan 900–1.000 zij-instromers in het mbo desubsidie zij-instroom wordt toegekend. Deze zij-instromers starten met hetzij-instroom traject dat leidt tot het PDG. Deze groep PDG’ers wordt opbasis van een geschiktheidsverklaring aangesteld en worden geachtvervolgens binnen twee jaar het getuigschrift te behalen.148Wat zijn de gemiddelde bijdragen en kosten aan overheidsfinanciën vanEER-studenten? Hoe verschilt dit voor hbo en wo?Studenten uit de EER en Zwitserland hebben recht op hetzelfde wettelijkecollegegeld als studenten met de Nederlandse nationaliteit. Hierdoor zijnook de kosten ten aanzien van de onderwijsbijdrage voor deze groepenstudenten hetzelfde. Voor 2025 betreft de jaarlijkse onderwijsbijdrage vooreen hbo-student € 10.500 en voor een wo-student € 9.000. Het colle-gegeld dat de student moet bijdragen betreft voor het studiejaar2024–2025 € 2.530 per jaar. Studenten uit de EER en Zwitserland hebbenaltijd recht op collegegeldkrediet. Het collegegeldkrediet is een lening diein principe volledig wordt terugbetaald.Voorts geldt dat wanneer studenten uit de EER en Zwitserland, hunouder(s) of hun partner kwalificeren als migrerend werknemer, zij rechthebben op volledige studiefinanciering. Migrerend werknemer ben jewanneer je reële en daadwerkelijke arbeid verricht, die niet loutermarginaal en bijkomstig is. DUO hanteert hier de norm dat EER-studentendie gemiddeld 32 uur of meer per maand werken, in elk geval wordenaangemerkt als migrerend werknemer. Daarnaast hebben studenten uit deEER en Zwitserland die al vijf jaar of langer rechtmatig verblijven inNederland recht op volledige studiefinanciering.Zoals in de Kamerbrief van 15 oktober 2024 over de beheersing van deinternationale studentenstromen vermeld, is reeds verkend wat demogelijkheden zijn om de norm van 32 uur te verhogen. Het nationalerecht – een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep – staat hieraanechter in de weg.In onderstaande tabel is inzichtelijk gemaakt op welke studiefinancierings-bedragen deze studenten aanspraak kunnen maken. Belangrijke kantteke-ningen hierbij zijn dat onderstaande bedragen zowel voor hbo als wostudenten gelden, niet alle EER-studenten in aanmerking komen voor(volledige) aanvullende beurs en dat zij naast het collegegeldkrediet ookTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1847 een rentedragende lening kunnen aanvragen. Het is op dit moment nietmogelijk om een gemiddelde per student aan te geven. Er zit veel verschilin het gebruik van studiefinanciering door studenten uit de EER enZwitserland, onder meer vanwege de variatie in opleidingen en duur vandeze opleidingen en omdat slechts een deel kwalificeert als migrerendwerknemer.Tabel normbedragen studiefinanciering voor hbo en wo in euro’s (prijzen 2024)Per maandUitwonende basisbeurs€ 302,39Maximale aanvullende beurs€ 457,60Studentenreisproduct€ 114,92Totaal€ 874,91 149Hoe is het te verklaren dat het CBS andere instroomcijfers voor interna-tionale studenten hanteert dan UNL en waarom maakt het CBS bijinstroomcijfers geen onderscheid tussen bachelor- en masterstudenten?Zowel het CBS als UNL publiceren instroomcijfers van internationalestudenten in het wo, met een uitsplitsing naar bachelor- en masteron-derwijs. De verschillen in cijfers ontstaan door het gebruik van verschil-lende definities. Beide instanties hanteren dezelfde definitie van interna-tionale studenten, namelijk studenten met een niet-Nederlandsevooropleiding en een niet-Nederlandse nationaliteit. Het verschil in deinstroomcijfers zit in de definitie van instroom.Het CBS telt alleen studenten als eerstejaars in het wo wanneer zij voorhet eerst in het wo instromen, ongeacht of dat in de bachelor of master is.Studenten die al een bachelor in Nederland hebben afgerond endoorstromen naar een master, worden niet opnieuw geteld. UNLdaarentegen telt deze doorstroom van bachelor naar master wél mee alsnieuwe instroom, wat leidt tot hogere instroomcijfers (aantallen) voorzowel Nederlandse als internationale studenten in de masterfase. Ditverschil in definitie verklaart ook waarom CBS juist tot een hoger aandeelinternationale studenten bínnen de instroom in de masterfase komt danUNL: afhankelijk van of doorstromende Nederlandse studenten wel of nietworden meegerekend in het totaalaantal studenten, wordt het aandeelinternationale studenten groter of kleiner.150Heeft u al, met het oog op de dwingende kaders van het Unierecht, naderjuridisch advies ontvangen over de vraag of de voorgenomen bezuinigingop de instroom van EER-studenten rechtmatig is, gelet op het feit dat ditin feite discriminatie van EER-studenten betekent?Over de bezuiniging is geen nader juridisch advies ingewonnen. Hetkabinet acht dit ook niet nodig aangezien de geldende juridische kaders inacht worden genomen bij de uitwerking van de bezuiniging in concretemaatregelen. Het EU-recht kent geen verplichting voor lidstaten om hethbo en wo in een andere taal aan te bieden dan de officiële taal van delidstaat. Het hanteren van het uitgangspunt dat het onderwijs in de eigenlandstaal moet worden verzorgd is in Unierechtelijk verband geenuitzonderlijkheid. Een neveneffect van de bescherming van de eigen taalen cultuur in het onderwijs kan zijn dat de instroom van het aantalinternationale studenten terugloopt. Hiermee kan het wetsvoorstel Wetinternationalisering in balans bijdragen aan de kostenbesparing, al is ditniet primair het doel van het wetsvoorstel. Zoals in het regeerprogrammais opgenomen, worden er ook andere maatregelen genomen om deambitie te realiseren, waaronder het sluiten van bestuurlijke afspraken terTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1848 voorbereiding op de begroting van 2026, die leiden tot een lagereinternationale instroom. Ook hierbij worden de geldende juridische kadersin acht genomen.151Hoe definieert u de doelmatigheid van het hoger onderwijs, nu het IBO,dat gaat over doelmatigheid van het hoger onderwijs, nergens duidelijkgedefinieerd heeft wat doelmatigheid is?De doelmatigheid van het hbo en wo kan op verschillende manierenworden gedefinieerd. Onze definitie is dat de doelmatigheid van het hboen wo drie onderdelen omvat, te weten de macrodoelmatigheid van hetonderwijsaanbod, de doelmatigheid van studieloopbanen en financiëledoelmatigheid.Macrodoelmatigheid van het onderwijsaanbod houdt in dat met eenefficiënte inzet van publieke middelen het onderwijsaanbod in het hbo enwo landelijk zo dekkend mogelijk aansluit op de behoeften van dearbeidsmarkt, maatschappij en wetenschap. De spreiding van opleidingenis daarbij van belang.Van doelmatige studieloopbanen kan worden gesproken als studentenkiezen voor een studie die het beste bij hun talenten, capaciteiten enmotivatie past en binnen een redelijke termijn hun studie afronden.Financiële doelmatigheid houdt in dat de doelstellingen van het hbo enwo worden bereikt met een zo efficiënt mogelijke inzet van de beschikbarefinanciële middelen (IBO: Interdepartementaal Beleidsonderzoek).152Hoe beoordeelt u de veronderstelling dat een doelmatiger, in de ogen vanhet IBO goedkoper, onderwijs zorgt voor betere prestaties in de college-zalen nu het IBO-rapport lijkt te impliceren dat een doelmatiger onderwijshetzelfde is als minder uitgaven voor de rijksoverheid?Deze veronderstelling wordt niet herkend. Doelmatigheid gaat er in dekern vanuit dat elke euro aan belastinggeld zo zinvol mogelijk wordtbesteed, maar dat betekent niet dat dit met minder publieke middelengepaard moet gaan. Het IBO bevat – naast budgetneutrale beleidsopties –twee besparingsvarianten, die dienen bij te dragen aan een hogeredoelmatigheid van het hbo en wo. Dit is conform de spelregels van IBO’s,die vragen om tenminste één besparingsvariant van -10% tot -20%. Degedachte achter een besparingsvariant is dat het de werkgroep van hetIBO dwingt om met creatieve oplossingen te komen die niet per se passenbinnen de gebaande paden en/of uitsluitend een efficiencytaakstellingbetreffen.Specifiek ten aanzien van het studierendement, kunnen wij aangeven inbrede zin te kijken naar de uitvoerbaarheid en naar manieren voorinstellingen en studenten om langstuderen tegen te gaan. Zoals het IBOterecht stelt, is er sprake van een complex vraagstuk en is er geenpasklare oplossing of één beleidsinterventie die het geheel aan oorzakenaanpakt.153Kan de in het IBO-rapport gestelde relatie tussen uitval/switch en selectie,door bijvoorbeeld voor te stellen om bij opleidingen met hoge uitval/switch decentrale selectie toe te passen, meer geduid worden?Het IBO constateert op basis van onderzoek (ResearchNed, 2022) datselecterende opleidingen een lager uitval- en switch percentage kennendan opleidingen die geen gebruik maken van decentrale selectie. Volgenshet IBO kan dit duiden op een positief effect van selectie op uitval enswitch en in het verlengde daarvan op studierendement. TegelijkertijdTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1849 stelt het rapport dat er geen sprake is van een aantoonbaar causaalverband. Hoewel deze maatregel een positief effect kan hebben opdoelmatigheid geeft het rapport ook aan dat de maatregel gepaard gaatmet een negatief effect op de toegankelijkheid en kansengelijkheid van hetonderwijs. Zoals het IBO terecht stelt, is hier sprake van een complexvraagstuk en is er geen pasklare oplossing of één beleidsinterventie diehet geheel aan oorzaken aanpakt om uitval en switch tegen te gaan en hetstudierendement te verbeteren.154Hoe beïnvloedt de constatering uit het IBO-rapport dat de «verbetermoge-lijkheden» vooral neerkomen op verder bezuinigen of OCW meer toeganggeven tot interne systemen van instellingen in uw optiek de regeldruk opde instellingen?Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 152 wordt niet herkend dathet IBO alleen verbeteringen in de doelmatigheid ziet door middel vanbezuinigingen. Ieder IBO bevat – naast budgetneutrale beleidsopties –besparingsvarianten, conform de spelregels van IBO’s.Het IBO stelt een administratieve lastenverlichting voor die te bereiken isdoor de verantwoordingslast op incidentele gelden te verminderen doorhet inzicht van de rijksoverheid in de financiën van instellingen tevergroten. Dit zou geen verhogend effect op de regeldruk moeten hebben.155Welke gevolgen hebben de forse bezuinigingen bij het hoger onderwijs enwetenschap, die in het regeerprogramma staan, op de financiëlecontinuïteit van het stelsel van hoger onderwijs waarvoor u verantwoor-delijkheid draagt en de hoger onderwijsinstellingen en wat gaat de impactzijn op de signaleringswaarden die de inspectie gebruikt voor haar toetsnaar de financiële continuïteit?De in het hoofdlijnenakkoord gemaakte keuzes ten aanzien van deoverheidsfinanciën maken dat op hbo, wo en onderzoek wordt bezuinigd.Zoals de vraag aangeeft hanteert de inspectie signaleringswaarden vooreen aantal kengetallen bij de toetsing op de financiële gezondheid vanonderwijsinstellingen. Instellingen hebben bestedingsvrijheid over demiddelen die zij ontvangen van het Rijk en zijn tevens verantwoordelijkvoor het zorgvuldig doorvoeren van bezuinigingen. Hoe deze kengetallenzich ontwikkelen op instellingsniveau is afhankelijk van hoe OCW demaatregelen vormgeeft en hoe de instellingen de bezuinigingenvervolgens verwerken, en tevens van andere ontwikkelingen in deinkomsten en uitgaven van instellingen.Samen met de inspectie houden wij de ontwikkeling van de financiëlegezondheid van de onderwijsinstellingen in de gaten. Ook hebben wij metregelmaat overleggen met VH, UNL en onderwijsinstellingen over debezuinigingen.156Kunt u aangeven welk verlies aan kwaliteit in onderwijs en onderzoek hetkabinet acceptabel acht, meewegend de effecten die de bezuinigingenzullen hebben?Om de overheidsfinanciën gezond te houden zijn scherpe keuzes nodig.Daarom wordt bezuinigd, ook op het onderwijs en onderzoek en dat vergtscherpe keuzes. Deze besluiten worden niet lichtzinnig genomen enworden zorgvuldig vormgegeven, waarbij nadrukkelijk aandacht is voorhet op orde brengen van de basiskwaliteit van onderwijs zoals hetverbeteren van basisvaardigheden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1850 Ook kiest het kabinet bijvoorbeeld voor het afschaffen van de starters- enstimuleringsbeurzen die bedoeld waren voor meer rust en ruimte vooronderzoekers, zodat de sectorplannen met structurele financiering vooronderzoekers op belangrijke sectorale thema’s voor Nederland wel instand kunnen blijven.Bij de invulling van het OCW aandeel in de Rijksbrede subsidietaakstellingzijn als uitgangspunten gehanteerd dat we ons als ministerie focussen opmaatschappelijke opgaven en financiering van structurele aard en dat wegerichte keuzes toepassen om de taakstelling in te vullen waarmee wezover mogelijk administratieve lasten van instellingen verminderen, zietevens de Kamerbrief van 24 oktober 2024 over de invulling van hetOCW-aandeel in de Rijksbrede subsidietaakstelling.De bezuinigingen zullen mogelijk effect hebben op de mate waarinbepaalde doelen voor onderwijs en onderzoek van het ministerie behaaldworden. Het is echter niet zo dat minder geld altijd tot minder kwaliteitleidt, net zoals meer geld niet altijd tot meer kwaliteit leidt. Er isbovendien bewust gekozen voor een focus op de basiskwaliteit vanonderwijs en onderzoek, op deze doelen verwacht het kabinet dus geenkwaliteitsverlies maar streeft het juist een verbetering na.157Heeft u zicht op de benodigde duurzaamheidsinvesteringen die universi-teiten de komende jaren zullen moeten plegen en hun financiële mogelijk-heden daartoe? Hoe hoog loopt het tekort op in de huidige begrotings-plannen gezien de conclusie van PwC dat universiteiten een tekort hebbenin hun vastgoedbudget van ca. € 200 miljoen (peildatum 2018)?De benodigde of gewenste verduurzamingsinvesteringen verschillen perinstelling. Dit is mede afhankelijk van de toestand van de gebouwen envoorzieningen die de universiteit in stand houdt. In het antwoord op vraag113 is nader toelichting gegeven op de verduurzamingsactiviteiten van deinstellingen. Er is op dit moment geen inschatting te maken van een tekortof overschot voor deze investeringsplannen. Universiteiten ontvangenonder andere bekostiging van de rijksoverheid. In de bekostiging wordtgeen onderscheid gemaakt tussen bestedingsdoelen, deze heeft immershet karakter van lumpsum. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid vanhet instellingsbestuur om, in afstemming met de medezeggenschap enmet goedkeuring van de raad van toezicht verantwoorde financiële keuzeste maken. In de sectorale routekaart 2019 is voorts in kaart gebracht hoede gebouwen van universiteiten er voor staan en wat er nodig is voorverduurzaming. In 2025 wordt de sectorale routekaart herijkt.158Kunt u aangeven hoeveel % van het bbp de komende jaren aan R&Dwordt uitgegeven en wat bent u van plan te doen om de 3%-doelstellingvoor R&D uitgaven te halen, nu er de komende jaren wordt bezuinigd ophoger onderwijs, onderzoek en innovatie?Zie het antwoord op vraag 41. Het kabinet houdt vast aan het streven om3% (publiek en privaat gezamenlijk) van het bbp te besteden aan R&D. Hetkabinet zet een deel van de maatregelen van het vorige kabinet inonderzoek en wetenschap door, zoals de sectorplannen. Daarnaast zet hetkabinet in op de verbetering van het ondernemingsklimaat en hetaanjagen van technologie-intensieve bedrijvigheid via de NationaleTechnologie Strategie. Ook zet het kabinet in op het versterken van deEuropese kapitaalmarktunie. Daarnaast kiest het kabinet ervoor omgericht in innovatie te investeren via InvestNL en de regionale ontwikke-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1851 lingsmaatschappijen (ROM’s) en zijn er verschillende innovatieregelingenzoals de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelwerk (WBSO).159Welke gevolgen van de voorgenomen btw-verhoging vallen te verwachtenvoor de betaalbaarheid van kranten en tijdschriften voor lagereinkomensgroepen?Kranten en tijdschriften zijn van groot belang voor een goed geïnfor-meerde samenleving. In hoeverre een btw-verhoging tot hogere prijzenleidt, is in grote mate afhankelijk van het antwoord op de vraag ofondernemers deze stijging doorberekenen aan hun klanten. Het is echterwel aannemelijk dat door de btw-verhoging de prijzen van kranten entijdschriften zullen stijgen. Welke invloed dit heeft op de betaalbaarheid islastiger te zeggen. Als het gaat om de betaalbaarheid vindt het kabinet hetbelangrijk integraal te kijken naar de koopkracht van huishoudens. Hetkabinet neemt immers ook maatregelen ten behoeve van de koopkrachtvan huishoudens en bestaanszekerheid.160Kunt u een opsomming geven van bekende maatregelen om meesters tewerven en te behouden alsmede het verwachte effect van dezemaatregelen?Onderzoek van ResearchNed wijst uit dat er verschillende factoren eenbijdrage kunnen leveren aan het aantrekkelijker maken van de pabo voormannen. Zo wordt er binnen pabo’s gewerkt om het curriculum af testemmen op de doelgroep, waarbij bijvoorbeeld specialisaties en meermogelijkheden voor differentiatie worden aangeboden. Het kan hierbijhelpen als de vorm en inhoud van de pabo meer gericht is op vakinhouden minder op communicatie en reflectie. We werken naar aanleiding vande motie De Kort c.s. (27 923-473) en het hoofdlijnenakkoord ook aan hetmogelijk maken van nieuwe opleidingen voor het jonge en oudere kind.Hierover ontvangt Uw Kamer in het najaar een hoofdlijnenbrief. Hiernaastis het van belang om aandacht te hebben voor zichtbaarheid van mannenin het wervingsmateriaal, een inclusieve cultuur op de opleidingen en(stage)scholen. De Alliantie Divers voor de Klas werkt samen metverschillende pabo’s aan het realiseren van concrete interventies – opbasis van het onderzoek van ResaerchNed – die kunnen helpen op hetterrein van diversiteit binnen scholen én pabo’s. Hierbij is het goed tenoemen dat mannen helpen bij het aantrekken van mannen. Denkbijvoorbeeld aan voorlichtingsactiviteiten waar specifiek mannen wordeningezet of de inzet van communicatie tussen gelijken en rolmodellen zodatervaringen kunnen worden gedeeld. Naast deze maatregelen bij de pabowordt er in brede zin geïnvesteerd in de status van het beroep. Denkhierbij aan het salaris, imago en loopbaanmogelijkheden.161Kunt u een overzicht delen van alle acties op de OCW-begroting die(mede) gefinancierd zijn vanuit het Actieplan Groene en Digitale Banen ofdie bijdragen aan de doelstelling om één miljoen ICT’ers op te leiden in2030?Er ligt een belangrijke taak voor onderwijsinstellingen en werkgevers omvoldoende ICT’ers op te leiden. Met het «Actieplan Groene en DigitaleBanen (AGDB)» worden verschillende maatregelen genomen doorwerkgevers en de rijksoverheid, die bijdragen aan meer personeels-krachten in de IT- en technische sector. Het AGDB kent geen eigenfinanciering: de partijen die de acties uitvoeren, dragen zelf zorg voor definanciering daarvan. Ook OCW faciliteert en subsidieert direct en indirectTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1852 via het AGDB dit doel. In de eerste plaats investeert OCW in programma’som kinderen en jongeren al op vroege leeftijd te interesseren voor detechniek en ICT. Onderzoek van Dialogic, Oberon en SEO heeft aange-toond dat beroepsbeelden en interesses voor beroepen al op jongeleeftijd worden gevormd. Voorbeelden hiervan zijn Sterk TechniekOnderwijs (€ 100 miljoen per jaar) en Techkwadraat (€ 145,8 miljoen voorde eerste fase van 2025–2027). Tot aan 2025 heeft OCW jaarlijks hetprogramma «Jet-Net» met € 1 miljoen ondersteund. Het aanbod van ditprogramma is per 2025 opgegaan in het ondersteuningsaanbod vanPlatform Talent voor Technologie (PTvT) voor Techkwadraat. PTvTontvangt hier een driejarige subsidie van in totaal € 9,1 miljoen.In de tweede plaats wordt in het vervolgonderwijs ingezet en geïnvesteerdop een goede aansluiting op de arbeidsmarkt van de toekomst. In hetkader van de Werkagenda mbo is jaarlijks € 32 miljoen extra uitgetrokkenvoor de versteviging van loopbaanoriëntatie. Deze middelen worden doorscholen ingezet om studenten te begeleiden in hun zoektocht naar eenpassende en kansrijke opleiding of beroep. Zoals toegelicht in deBeleidsbrief hoger onderwijs en wetenschap, investeren we in het hbostructureel € 30 miljoen om de krapte in onder meer bètatechniek in teperken. In het wo dragen de sectorplannen bij aan hogere kwaliteit vanonderwijs en onderzoek. Aanvullend draagt ook het groeifondspro-gramma LLO-katalysator (in totaal € 392 miljoen) bij aan het versterkenvan bij-, op-, en omscholingstrajecten. Ook dit draagt bij aan het inperkenvan de krapte in de IT-sector.162Welke middelen staan gereserveerd voor de uitvoering van de motie vande leden Paternotte-Tielen over de mogelijkheid om een startkwalificatiebij Codam te behalen en zijn er middelen beschikbaar vanuit het ActieplanGroene en Digitale Banen of soortgelijke initiatieven om een pilot teorganiseren voor de studiefinanciering en OV-mogelijkheden van destudenten van Codam, die hier nu geen recht op hebben?9Codam is een private opleiding met een eigen concept. Ze stellen geeneisen aan de vooropleiding en het onderwijsconcept zet in op peer-to-peerlearning. Studenten leren van elkaar, hebben een hoge mate vanzelfstandigheid, bepalen hun eigen tempo en richten hun programmadeels zelf in. In 2020 heeft OCW op verzoek van de Tweede Kamer samenmet Codam, de Inspectie van het Onderwijs en Samenwerkingsorgani-satie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) verkend of Codam binnen hetstelsel van het mbo of het hoger onderwijs zou passen en Codam-studenten in aanmerking zouden kunnen komen voor studiefinanciering.Hierover is de Kamer op 3 juli 2020 per brief geïnformeerd. Uitkomst wasdat het onderwijsconcept niet past binnen wet- en regelgeving van OCW.De wet voor het mbo vereist namelijk dat het onderwijs wordt gegevenonder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van onderwijs-personeel (bekwame docenten en instructeurs). Om erkende hbo- ofwo-opleidingen aan te bieden, moet een instelling worden toegelaten alsrechtspersoon hoger onderwijs. Om die toelating aan te vragen moet eeninstelling voldoen aan de volkomen cycluseis. Deze «volkomen cycluseis»houdt in dat de opleiding voorafgaand aan de aanvraag feitelijk zonderformele erkenning al een keer volledig moet zijn verzorgd. De NVAO moetop basis van een volledig uitgevoerde opleiding kunnen beoordelen ofvoldaan wordt aan alle kwaliteitseisen. Dat betekent onder meer dat moetworden aangetoond dat:–de kwaliteit van het onderwijsprogramma en de interne kwaliteitsbor-ging voldoet;9Kamerstuk 32 637, nr. 398Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1853 –het gerealiseerde eindniveau van studenten in de opleiding (afgestu-deerden) aan de eisen voldoet;–de kwaliteit van docenten voldoet;–de kwaliteit van de toetsing en beoordeling in de opleiding voldoet.Omdat Codam niet aan deze wettelijke vereisten voldoet en dus niet in hetstelsel van mbo of hoger onderwijs past, kunnen studenten ook geenstudiefinanciering en OV-mogelijkheden ontvangen.Het Actieplan Groene en Digitale Banen heeft hier geen middelen voorbeschikbaar.163Welke middelen staan gereserveerd voor de uitvoering van de motie vande leden Van den Brink-Amhaouch over een gezamenlijke inspanning vanEZK en OCW om het model van de Franse Grande École du Numérique inNederland te implementeren en wat is naar uw schatting de benodigdeinvestering om Codam te helpen opschalen?10 Is dit mede te financierenvanuit het Actieplan Groene en Digitale Banen of soortgelijke initiatievendie zien op het opleiden van ICT’ers?Het is niet aan de Minister van OCW om een dergelijk privaat, niet erkendopleidingsinstituut te financieren. De Minister van EZK heeft de motie vande leden Van den Brink-Amhaouch destijds zo geïnterpreteerd (zie verslagTweeminutendebat Actieplan Groene en Digitale Banen 25 mei 2023) datdeze steun uitspreekt voor de ontwikkeling van een voorstel voor devierde ronde van het Nationaal Groeifonds (NGF). Zoals bericht aan uwKamer is de vierde ronde NGF vorig jaar stopgezet. Met het wegvallen vanhet NGF zijn er op dit moment geen middelen beschikbaar om het GrandeÉcole du Numérique in Nederland te ontwikkelen.164Welke middelen heeft u gereserveerd voor de uitvoering van het lidmotie-Kathmann over of en hoe betaalbare op publieke waardengedreven alternatieve applicaties voor het onderwijs gerealiseerd kunnenworden en op welke wijze is uw ministerie betrokken (geweest) bij deuitvoering van deze motie?11Producten als Word en PowerPoint worden wereldwijd gebruikt, kenneneen groot gebruiksgemak ook voor scholen, en worden geproduceerddoor internationale bedrijven die veel geld aan onderzoek en ontwikkelingkunnen besteden. Deze software is niet eenvoudig een-op-een tevervangen door (publieke) alternatieven. Daarom doet het Ministerie vanOCW nu onderzoek naar voorbeelden van publieke digitale onderwijstoe-passingen in omringende landen. Uw Kamer zal hierover voor hetkerstreces nader worden geïnformeerd.165Kunt u uitleggen hoe u samenwerkt met andere ministeries om onwense-lijke strategische afhankelijkheden van buitenlandse techbedrijven in hetonderwijs tegen te gaan en welke middelen op uw begroting dragen daaraan bij?Het Ministerie van OCW voert interdepartementaal overleg over digitalise-ringsvraagstukken, zowel over de kansen van digitalisering als over deborging van risico’s. Zo participeert het departement onder meer in hetoverleg over de Nederlandse Digitalisering Strategie, over de AgendaDigitale Open Strategische Autonomie en over de implementatie van10Kamerstuk 29 544, nr. 120311Kamerstuk 32 761, nr. 277Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1854 recente EU-wetgeving op het terrein van digitalisering. Daarnaast heefthet Ministerie van OCW de afgelopen jaren met de ict-coöperaties van hetonderwijs SURF, SIVON en het Ministerie van J&V privacyonderzoeken(DPIA’s) uitgevoerd op de producten van buitenlandse techbedrijven. Dekosten die met deze activiteiten zijn gemoeid, zijn niet terug te voeren opeen specifieke post op de begroting.166Bent u in contact geweest met Codam in het kader van de motie van deleden Paternotte-Tielen en de motie van de leden Van den Brink-Amhaouch en op welke wijze werkt u samen met de Minister van EZ bij deuitvoering van deze moties?12Vanuit OCW is er in 2020 in het kader van de motie Paternotte-Tielenuitvoerig gesproken met Codam. Zie antwoord op vraag 162.Wat betreft de uitvoering van de motie van de leden Van den Brink-Amhaouch heeft EZ in het kader van de voorgenomen NGF-aanvraagcontact met OCW gehad en op verschillende momenten contact gehadmet Codam zelf.167Is de EU-Toegankelijkheidsakte van toepassing op het Nederlandseonderwijs en welke middelen zijn gereserveerd om de toegankelijkheidvan digitale leermiddelen te vergroten?Nee, de EU-toegankelijkheidsakte is niet van toepassing op digitaleleermiddelen.OCW verstrekt een instellingssubsidie van € 4,7 miljoen per jaar aanDedicon voor het aanpassen van leermiddelen voor blinde en slechtziendeleerlingen, waaronder digitale leermiddelen.168Hoeveel budget krijgen scholen gemiddeld per leerling per jaar, uitge-splitst naar po en vo?Het gemiddelde bedrag aan bekostiging per leerling dat de scholen perjaar ontvangen is in het primair onderwijs € 9.700 en in het voortgezetonderwijs € 11.700. Daarnaast kunnen scholen aanvragen doen voorverschillende subsidieregelingen (zoals Basisvaardigheden en School &Omgeving).De uitgaven per leerling zijn op opgenomen in de OCW-begroting bij deartikelen voor primair onderwijs in tabel 14 en voortgezet onderwijs intabel 19.169Hoeveel budget krijgen po- en vo-scholen gemiddeld per leerling in totaalover hun gemiddelde schoolloopbaan?Uitgaande van een schoolloopbaan van acht jaar op de basisschool, krijgteen school gemiddeld genomen acht maal het bedrag genoemd ondervraag 168, dit komt neer op in totaal circa € 78.000 per leerling. Voor hetvoortgezet onderwijs is de duur van de schoolloopbaan mede afhankelijkvan de onderwijssoort. Bij een schoolloopbaan van vier jaar gaat het bijeen gemiddeld bedrag per leerling zoals genoemd in vraag 168 om eengemiddeld totaalbedrag van circa € 47.000. Bij een schoolloopbaan vanzes jaar gaat het bij een gemiddeld bedrag per leerling zoals genoemd invraag 168 om een gemiddeld totaalbedrag van circa € 70.000. Degemiddelde bedragen per leerling zijn een gemiddelde van alle bekosti-12Kamerstuk 32 637, nr. 398 en Kamerstuk 29 544, nr. 1203Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1855 gingsuitgaven voor alle schoolsoorten binnen het primair- en voortgezetonderwijs. In de praktijk ontvangt bijvoorbeeld een school voor eenvmbo-leerling meer bekostiging per jaar dan voor een leerling op de havoof het vwo vanwege de kostbaardere praktijkgerichte elementen en krijgteen school voor een so-leerling meer bekostiging dan voor eenbo-leerling vanwege de extra ondersteuningsbehoefte.170Hoeveel bedrijven zijn er in Nederland vrijgesteld van btw, omdat zij zichrichten op bijlessen, tentamen- of examentraining en/of examenafname?Het is niet mogelijk om een inschatting te geven van het aantal bedrijvendie aanvullend onderwijs aanbieden en onder de btw-vrijstelling vooronderwijs vallen, doordat de aangiftegegevens niet gedetailleerd genoegzijn. Dit betekent dat er op dit moment geen raming gemaakt kan wordenvan de budgettaire opbrengst van een aanpassing van de btw-vrijstellingvoor onderwijs.171Hoeveel zou het opleveren als de bedrijven die zich richten op bijles,tentamen- of examentraining en/of examenafname niet zouden zijnvrijgesteld van btw? Hoeveel omzet maken deze bedrijven tezamenjaarlijks?Zie antwoord op vraag 170.172Hoeveel publiek gefinancierde scholen werken samen met commerciëlebijlesbureaus?Met de periodieke monitor aanvullend onderwijs houden we zicht op debranche van aanvullend onderwijs aanbieders. Uit de laatste editie van demonitor, uit 2023, blijkt niet hoe vaak of hoeveel scholen samenwerkenmet commerciële aanbieders van aanvullend onderwijs. Wel laat het ziendat in het primair onderwijs 70–90% van het aanvullend onderwijs opschool in samenwerking met externe partijen wordt georganiseerd. In hetvoortgezet onderwijs is dit minder, daar wordt tussen de 45–80% van hetaanvullend onderwijs op school in samenwerking met externe partijengeorganiseerd. Samenwerking met externe partijen is soms noodzakelijk.Er komt immers veel op scholen af. Toch moeten leerlingen en ouderskunnen vertrouwen op goed en toegankelijk onderwijs óp school,waarvoor zij niet hoeven te betalen, ook als het gaat om aanvullendonderwijs.173Hoeveel studenten, die stage lopen in het onderwijs, ontvangen eenstagevergoeding en kunt u dit uitsplitsen naar mbo-, hbo- enwo-studenten?Het onderzoek van ResearchNed van februari 2024 toont aan dat 26% vande hbo-studenten die een onderwijsopleiding volgen een stagevergoedingontvangt. Er zijn geen cijfers bekend voor de mbo- en wo-studenten in hetonderwijs.Momenteel worden verschillende onderzoeken uitgevoerd over stages enstagevergoedingen. In het voorjaar van 2025 ontvangt de Kamer debeleidsreactie op deze onderzoeken.174Hoeveel budget krijgen scholen in het po en vo voor de aanschaf vanschoolboeken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1856 Er is geen los budget voor schoolboeken. In de reguliere bekostigingontvangen schoolbesturen jaarlijks één bedrag voor personeel enmaterieel. Binnen het kader van de sectorwetten heeft het schoolbestuurvrijheid om de middelen in te zetten op een manier die past bij de lokalecontext van de school. Scholen bepalen dus zelf welk bedrag ze perleerling aan leermiddelen besteden.Scholen in het primair onderwijs besteden samen circa € 150 miljoen aanleermiddelen. Dit is gebaseerd op het prijspeil 2015. Dit komt neer op eengemiddeld bedrag van ruim € 100 per leerling per jaar [1]. Het grootstedeel van de scholen in het voortgezet onderwijs besteedt tussen € 275 en€ 400 per leerling aan de leermiddelen. Een groot gedeelte van dat bedraggaat naar licenties voor digitaal lesmateriaal. Scholen besteden samenzo’n € 300 miljoen per jaar aan leermiddelen [2]. Daarnaast wordenscholen in het primair- en voortgezet onderwijs gecompenseerd voor debtw-verhoging op leermiddelen. Zij ontvangen vanaf 2026 structureel€ 58,5 miljoen (€ 22,2 miljoen voor primair onderwijs en € 36,3 miljoenvoor voortgezet onderwijs) via de bekostiging.175Hoeveel betalen scholen méér dan het budget dat OCW beschikbaar steltvoor schoolboeken?Scholen krijgen geen specifiek budget voor de aanschaf van school-boeken. Wel worden scholen in het primair- en voorgezet onderwijs inhun bekostiging gecompenseerd voor de voorgenomen btw-verhoging(zie ook het antwoord op vraag 233 en 238). De ontwikkeling in prijzen,kosten en het gebruik van leermiddelen in het voortgezet onderwijs wordtonderzocht door KPMG in opdracht van OCW. Dit onderzoek richt zich opde periode 2017–2023. De eerste resultaten van het onderzoek wordennaar verwachting voor de begrotingsbehandeling met de Tweede Kamergedeeld.176Kunt u de gemiddelde uitgaven van scholen aan schoolboeken van deafgelopen twintig jaar delen?Zie de antwoorden op vragen 174 en 175.177Hoeveel van de middelen voor scholen gaat naar overhead?Met de huidige beschikbare gegevens is deze vraag niet te beantwoorden.Om vast te stellen hoeveel middelen schoolbesturen gebruiken vooroverhead is het allereerst nodig om te komen tot een eenduidige definitievan overhead en wat hier precies onder valt en vervolgens zullen scholenzich hier over moeten verantwoorden, bijvoorbeeld via het jaarverslag. Inhet regeerprogramma is het voornemen opgenomen om een norm testellen voor overhead (en onderwijspersoneel). In dat kader werken weook aan een definitie voor het begrip overhead en zo nodig eenaanpassing van de verantwoordingsvereisten. Daarmee kan bepaaldworden hoeveel middelen schoolbesturen hieraan besteden. In hetvoorjaar van 2025 wordt u nader geïnformeerd over de maatregel uit hetregeerprogramma om tot normen te komen.178Heeft de ABU-gedragscode deze instemming van sociale partners?De ABU-Gedragscode Onderwijs is ontwikkeld door de Algemene BondUitzendondernemingen in samenwerking met uitzendbureaus die actiefzijn in het onderwijs. Voor het ontwikkelen van deze gedragscode zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1857 adviezen meegenomen van onderwijsorganisaties zoals de PO-Raad enVO-raad.179Hoe wordt de pilot flexibele onderwijstijden geëvalueerd en welk tijdspadhoudt u hierbij aan?Het experiment «ruimte in onderwijstijd» (het vervolg op het experiment«flexibilisering onderwijstijd») wordt uitgevoerd en geëvalueerd doorSEO. Zij houden hiervoor jaarlijks een enquête onder de deelnemendescholen en voeren voortgangsgesprekken met schoolleiders. Hetexperiment loopt tot en met augustus 2025 en uw Kamer wordt hieroverin het eerste kwartaal van 2026 nader geïnformeerd.180Kunt u bevestigen dat de Kamer de evaluatie van de pilot flexibeleonderwijstijden ontvangt voordat er een besluit wordt genomen over hetvervolg van de pilot?Ja, uw Kamer ontvangt de evaluatie voordat er een besluit wordtgenomen over het vervolg van de pilot.181Werken alle scholen met uitzendbureaus met de ABU-gedragscode?Scholen kiezen zelf of en met welke uitzendbureaus ze in zee gaan.Scholen zijn ook zelf verantwoordelijk om te controleren of een uitzend-bureau de ABU-gedragscode hanteert.182Wat zijn de sancties bij het niet voldoen aan de ABU-gedragscode?Dit is een aangelegenheid tussen de ABU en haar leden. DeABU-gedragscode bepaalt hoe te handelen bij geschillen over degedragscode. Niet voldoen aan de eisen van de gedragscode kan leidentot verlies van het lidmaatschap van de ABU.183Bij hoeveel uitzendbureaus is het lidmaatschap van de ABU opgezegddoor het niet voldoen aan de ABU-gedragscode?Het opzeggen van het lidmaatschap van de ABU is een aangelegenheidtussen de ABU en de aangesloten uitzendbureaus. Wij hebben daar geengegevens over.185Is het juridisch toegestaan om een bezuiniging in te boeken van € 293miljoen op het weren van internationale studenten en heeft u dit gechecktbij het College voor de Rechten van de Mens?Het kabinet acht het rechtmatig om een bezuiniging in te boeken. Bij deuitwerking van die bezuiniging in concrete maatregelen worden degeldende juridische kaders in acht genomen. Dit is daarom op dit momentniet gecheckt bij het College voor de Rechten van de Mens. Het EU-rechtkent geen verplichting voor lidstaten om onderwijs in een andere taal aante bieden dan de officiële taal van de lidstaat. Een neveneffect van hetuitgangspunt dat het onderwijs in de eigen landstaal moet wordenverzorgd kan zijn dat de instroom van het aantal internationale studententerugloopt. Hiermee gaan kostenbesparingen gepaard die kunnenbijdragen aan de voorgenomen bezuiniging. Echter is het wetsvoorstelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1858 Wet internationalisering in balans niet primair ontworpen om financiëlebesparingen te realiseren. Zoals ook in het regeerprogramma isopgenomen, worden daarom ook andere maatregelen genomen om deambitie te realiseren, waaronder, ter voorbereiding op de begroting van2026, bestuurlijke afspraken die leiden tot een lagere internationaleinstroom.186Wanneer is er voor het laatst een begroting weggestemd door hetparlement?In 1919 is voor het laatste een begroting weggestemd door het parlement.Het betrof de begroting van de Marine die in de Tweede Kamer isverworpen. De laatste keer dat een begroting is weggestemd door deEerste Kamer was in 1907 en betrof de begroting van Oorlog.187Kunt u het aandeel inflatiecorrectie ten opzichte van het totaalbedrag vande OCW-begroting per jaar sinds 2014 delen?Hieronder treft u een tabel waarin jaarlijks de loon- en prijsbijstelling isberekend ten opzichte van de totale OCW-begroting.Loon- en prijsbijstelling per jaar t.o.v totale begroting20140,3%20150,4%20161,6%20171,6%20182,2%20192,5%20202,7%20212,0%20222,8%20235,2%20244,8% 188Wordt de volledige loonruimte beschikbaar gesteld voor het onderwijs?De jaarlijkse kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling wordt doorOCW onverkort beschikbaar gesteld aan schoolbesturen (werkgevers).Werkgevers moeten er onder andere ook hun sociale werkgeverslastenmee dekken. Werkgevers kunnen mede op basis van de kabinetsbijdrageen informatie over premiewijzigingen hun inhoudelijke en financiële inzetvoor cao-onderhandelingen bepalen. De werkgevers bepalen dus zelf welkdeel van de kabinetsbijdrage beschikbaar is voor de loonruimte.189Kunt u het aandeel leerling- en studentenaantallen ten opzichte van hettotaalbedrag van de OCW-begroting per jaar sinds 2014 delen?In de onderstaande tabel is de ontwikkeling van het totaal aantalleerlingen en studenten in het Nederlandse onderwijs weergegeven en deontwikkeling van de totale OCW-begroting (stand ontwerpbegroting vanhet betreffende begrotingsjaar).Vanwege de jaarlijkse indexatie van de begroting voor loon- en prijsont-wikkelingen en andere wijzigingen op de OCW-begroting is er geen directverband tussen de ontwikkeling van het totaal aantal leerlingen enstudenten enerzijds en de totale OCW-begroting anderzijds. Zie verder deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1859 antwoorden op vraag 191 en 193 voor een toelichting op de ontwikke-lingen van deze cijfers.JaarAantal leerlingen en studentenOCW-begroting in mld €20143746,134,820153733,136,020163734,136,920173733,637,220183737,138,920193737,442,020203760,442,720213752,743,720223724,648,220233694,253,220243663,455,5 190Verwacht u dat studenten door de langstudeerboete sneller gaanafstuderen en zo ja, waarom zijn er geen gedragseffecten meegenomen inde budgettaire raming?Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de vormgeving van demaatregel. Daar is het kabinet nog mee bezig. Het kabinet werkt op ditmoment de langstudeermaatregel uit. Conform toezegging uit hetCommissiedebat DUO en hoger onderwijs stuurt het kabinet uw Kamervoor de plenaire behandeling van de begroting van OCW voor het jaar2025 een brief over de dilemma’s en uitwerking van deze maatregel.De financiële bijlage van het hoofdlijnenakkoord is voor ons eenuitgangspunt en het is ons niet bekend waarom er geen gedragseffectenmeegenomen. Deze gedragseffecten zijn inherent onzeker.191Voor hoeveel procent is stijgende leerling- en studentenaantallenverantwoordelijk voor de groei in het totaalbudget van de OCW-begrotingsinds 2014?Tussen 2014 en 2024 is het aantal leerlingen en studenten op totaal niveauniet gestegen, maar gedaald met 2% (zie tevens onderstaande tabel). DeOCW-begroting is op totaalniveau gestegen van bijna € 34,8 miljard in2014 naar€ 55,5 miljard in 2024. Deze stijging wordt dus niet veroorzaakt door eenper saldo ontwikkeling in de leerlingen- en studentenaantallen, maar doorandere ontwikkelingen. De belangrijkste verklarende factor is de jaarlijkseloon- en prijsbijstelling. Daar naast is per saldo geïntensiveerd op deOCW-begroting en tot slot zijn andere ontwikkelingen zoals mee- entegenvallers, overboekingen van- en naar andere departementen enandere technische aanpassingen van invloed op de hoogte van deOCW-begroting, zie tevens antwoorden op vragen 193 en 194.192Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1860 Is het werkgeversdeel pensioenpremie percentueel hetzelfde voor eendocent in loondienst als voor een uitzendkracht?Dit verschilt per sector en per pensioenregeling. In de pensioenregelingvan het ABP voor onderwijspersoneel in loondienst, is het werkgeversdeel70%, waarbij de werkgever 18,9% betaalt en de werknemer 8,10%. Eenander voorbeeld is de pensioenregeling van StiPP voor uitzendkrachten.Hier is het werkgeverdeel 100% voor de Basisregeling (zie antwoord 133)en 67% voor de Plusregeling waarbij de werkgever 8% betaalt en dewerknemer 4%.193Voor hoeveel procent is inflatiecorrectie verantwoordelijk voor de groei inhet totaalbudget van de OCW-begroting sinds 2014?Het budget op de OCW-begroting bedroeg in 2014 bijna € 35 miljard. Ditbudget is gestegen naar € 55,5 miljard in 2024. Dit betekent dat deOCW-begroting de afgelopen 10 jaar is gestegen met € 20 miljard.Hiervan is 58,4% loon- en prijsbijstelling.194Hoeveel is er sinds 2014 extra geïnvesteerd op de OCW-begroting?Sinds 2014 is er totaal ongeveer € 10,5 miljard structureel geïnvesteerd opde OCW-begroting. In diezelfde periode is er voor ongeveer € 5,5 miljardstructureel geëxtensiveerd op de OCW-begroting. Per saldo is er dusongeveer € 5 miljard structureel geïnvesteerd op de OCW-begroting sinds2014 (Rutte I).195Bent u over de voorgenomen bezuiniging op de instroom vanEER-studenten in contact met de Europese Commissie, met het oog ophet belang van het voorkomen van Europese sancties? Zo niet, bent uvoornemens contact op te nemen?Er is regelmatig contact met de Commissie, bijvoorbeeld over deNederlandse wens om de studentmobiliteit over Europa evenrediger teverdelen en de maatregelen in de Wet internationalisering in balans.Aangezien de bezuinigingen naar het oordeel van het kabinet niet in strijdzijn met het EU-verdrag, is er ook geen aanleiding om dit nader met deCommissie te bespreken.196Klopt het dat u structureel € 272 miljoen wil ophalen met de langstudeer-boete en wat is hierbij de p*q-onderbouwing?In het hoofdlijnenakkoord is een bezuiniging van structureel € 282 miljoengekoppeld aan de langstudeermaatregel. Deze is gebaseerd op deaanname dat alle geschatte langstudeerders, in totaal 94.000, € 3.000extra collegegeld betalen. Instellingen krijgen dit bedrag per langstu-deerder vervolgens minder aan Rijksbekostiging, wat tot een bezuinigingleidt. Er is geen gedragseffect meegenomen.197Op basis waarvan verwacht u dat er structureel meer dan 90 duizendstudenten elk jaar een langstudeerboete van € 3.000,– gaan betalen?Bij deze maatregel uit het hoofdlijnenakkoord is geen gedragseffectingeschat. Zie verder het antwoord op vraag 208 en 196.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1861 198Welke rol heeft uw ministerie precies in de uitvoering van de moties dietoezien op ICT-opleiders als Codam?13Zie ook het antwoord op vraag 162. Omdat Codam een private opleider isdie niet erkend onderwijs aanbiedt, heeft het Ministerie van OCW hieringeen rol.199Hoeveel studenten (in %) halen op het hbo en wo uiteindelijk hun diploma(inclusief studievertraging)?Om te beschrijven hoeveel studenten (in %) in het hbo en wo uiteindelijkhun diploma halen, is het van belang om een zo laat mogelijk peilmomentte hanteren, zodat alle gevallen waarin studenten hun diploma halen(ongeacht de duur van de studie), meetellen in de berekening van hetpercentage. Daarom treft u hierbij cijfers aan van het aandeel studentenuit instroomjaar 2012–2013 dat 9 jaar later de beschikking had over eenhbo- of wo-diploma. Het peilmoment van 9 jaar na het instroomjaar isnamelijk het laatst mogelijke beschikbare peilmoment in de desbetref-fende CBS-gegevens en het instroomjaar 2012–2013 is het meest recenteinstroomjaar waarvoor cijfers met het peilmoment van 9 jaar na startstudie beschikbaar zijn.Uit data van het CBS blijkt dat van alle studenten die in studiejaar2012–2013 het hbo of wo instroomden, 75% 9 jaar later de beschikkinghad over een hbo- of wo-diploma. Dit betreft respectievelijk 68% en 89%van de instromers die in studiejaar 2012–2013 begonnen zijn aanrespectievelijk een hbo-opleiding en een wo-opleiding.200Kunt u een tijdlijn schetsen van wanneer u de motie van de ledenPaternotte-Tielen en de motie van de leden Van den Brink-Amhaouchvolledig verwacht te hebben uitgevoerd?Zie het antwoord op vraag 163. De motie van de leden Van den Brink-Amhaouch is door de Minister van EZK destijds zo geïnterpreteerd dat ditonderdeel zou uitmaken van een voorstel binnen de vierde ronde van hetNGF. Met het wegvallen van het NGF zijn er in de huidige begroting geenmiddelen beschikbaar om het model van het Franse Grande École duNumérique in Nederland te ontwikkelen. Wel is in het regeerprogrammaaangegeven dat het kabinet de best practices verkent uit om- en bijscho-lingsprogramma’s geïnitieerd vanuit het Ministerie van EconomischeZaken, zoals publiek-private samenwerkingen op de ICT-arbeidsmarkt, endat initiatieven die aantoonbaar goed werken worden opgeschaald.201Vallen medewerkers van uitvoeringsorganisaties, zorg, onderwijs engemeenteambtenaren ook onder de in het hoofdlijnenakkoordafgesproken nullijn?Zoals aangegeven bij de Algemene Financiële Beschouwingen, ondervraag nr. 96, raakt de nullijn in 2026 de ambtenaren die vallen onder decao Rijk. De meeste uitvoeringsorganisaties vallen onder de cao Rijk en denullijn geldt daarmee ook voor medewerkers van bijvoorbeeld DienstJustitiële Inrichtingen (DJI), Rijkswaterstaat, DUO en de Belastingdienst.Gemeenten en de zorg- en onderwijssectoren hebben een eigen cao. Ditgeldt ook voorenkele zelfstandige bestuursorganen binnen de rijks-13Kamerstuk 32 637, nr. 398 en Kamerstuk 29 544, nr. 1203Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1862 overheid (UWV, SVB). Medewerkers van deze organisaties vallen dus nietonder de afgesproken nullijn.202Zijn er kostenvoordelen voor een werkgever bij het in dienst nemen vaneen uitzendkracht en een leraar in loondienst?Het uurtarief van een ingehuurde docent is hoger dan de kosten per uurvan een docent in loondienst. Een kostenvoordeel van inhuur ten opzichtevan in vaste dienst nemen zou kunnen zijn dat schoolbesturen bij inhuurvan docenten alleen voor de gewenste periode hoeven in te huren, enbijvoorbeeld tijdens vakanties niet, terwijl de kosten voor docenten invaste dienst het gehele jaar doorlopen.203Hoe en wanneer gaat u de Kamer informeren over de concrete doelstel-lingen, (eventueel gekoppeld aan) maatregelen en middelen en welkeindicatoren hanteert u om de voortgang op de doelstellingen te kunnenvolgen?De Tweede Kamer wordt jaarlijks over de voortgang geïnformeerd in hetjaarverslag. Op www.ocwincijfers.nl is de voortgang doorlopend het jaarte volgen. De verantwoording met indicatoren is gerangschikt naarindeling van de thema’s van de Strategische Evaluatie Agenda en desectoren van het Ministerie van OCW. Daarnaast ontvangt u beleids-brieven en voortgangsrapportages over het beleid in verschillendesectoren.204Kunt u de Kamer voorafgaande aan de plenaire behandeling van uwbegroting voor 2025 zo specifiek mogelijk informeren over de doelstel-lingen, middelen en maatregelen per onderwerp in de beleidsagenda?Informatie over doelstellingen, maatregelen en middelen is opgenomen inde begroting voor 2025. De plannen van het kabinet uit het hoofdlijnenak-koord worden de komende periode verder uitgewerkt, aanvullendeinformatie over doelstellingen, middelen en maatregelen die hieruitvoortkomt ontvangt de Tweede Kamer zodra dit beschikbaar is.205Waar en wanneer geeft u een toelichting op de uitvoering van de voorOCW relevante Sustainable Development Goals en de voortgang van deuitvoering?Over de voortgang op de Sustainable Development Goals (SDG’s) wordtin verschillende vormen en op verschillende momenten aan uw Kamergerapporteerd:1.Jaarlijks verschijnt op Verantwoordingsdag de CBS Monitor BredeWelvaart & SDG’s. Deze monitor bevat per SDG indicatoren over hoeNederland er op dit moment voor staat, zo ook voor OCW relevanteSustainable Development Goals, zoals SDG 4 «kwaliteit van hetonderwijs» en SDG 5 «gendergelijkheid».2.Ook verschijnt jaarlijks de Nationale SDG-rapportage (zie ook SDGrapportage 2023). Deze rapportage wordt samen met sectoren uit demaatschappij geschreven en is ook ingedeeld aan de hand van dezesectoren. Een van de hoofdstukken (onderdeel F) gaat specifiek overde SDG-voortgang in relatie tot kennisinstellingen.3.Op Prinsjesdag wordt door het CBS per begroting een factsheetgepubliceerd waarin relevante brede welvaart indicatoren wordengetoond inclusief de koppeling aan de betreffende SDG’s.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1863 4.Ook wordt in specifieke beleidsstukken aangegeven hoe beleidsvoor-nemens bijdragen aan het realiseren van de SDG’s. Zo is bij deEmancipatienota 2022-2025 per beleidsvoornemen aangegeven aanwelke SDG het bijdraagt.206Hoe wordt de koppeling gerealiseerd tussen de voor uw departementrelevante Sustainable Development Goals en uw beleidsagenda enbeleidsartikelen en kan de Kamer inzicht krijgen in de uitvoering van devoor OCW relevante Sustainable Development Goals en de voortgang vande uitvoering?De rijksoverheid past een brede toetsing toe om de gevolgen vanbeleidsvoorstellen goed in kaart te brengen. De SDG’s en brede welvaartmaken onderdeel uit van het Beleidskompas, de centrale werkwijze voorhet maken van beleid bij de rijksoverheid. Hiermee is voorzien dat eenkoppeling kan worden gerealiseerd tussen de relevante SDG’s en nieuwbeleid vanuit OCW.In de beleidsagenda 2025 van het Ministerie van OCW staan bij allebeleidsprioriteiten beleidsindicatoren beschreven. Deze indicatoren zijnindirect ook te herleiden naar de brede welvaart en SDG’s.Voor de uitvoering van de voor OCW relevante SDG’s wordt nauwsamengewerkt met partijen in het veld, zoals bijvoorbeeld Wo=men DutchGender Platform voor de implementatie van SDG 5.De voortgang van de uitvoering is opgenomen in de samenvatting van deCBS-factsheet brede welvaart van het Ministerie van OCW die met debegrotingsstukken is aangeboden aan de Kamer.207Hoe en op welke momenten gaat u de Tweede Kamer informeren over dedoelstellingen, middelen en maatregelen per onderwerp in debeleidsagenda?Zie antwoord op vraag 204.208Hoe komt u tot indicatoren om de voortgang op de doelstellingen tekunnen volgen?Zie antwoord op vraag 99.209Wanneer verwacht u het Herstelplan Kwaliteit Onderwijs te presenterenen welk specifiek budget is hiervoor gereserveerd?Zoals in het regeerprogramma aangekondigd ontvangt de Tweede Kamervoor de begrotingsbehandeling van OCW van 2025 een brief met daarinde hoofdlijnen voor het Herstelplan kwaliteit onderwijs. In het voorjaarvan 2025 is de verwachting dat het volledige Herstelplan kwaliteitonderwijs kan worden aangeboden. Het kabinet werkt het Herstelplankwaliteit funderend onderwijs uit binnen de beschikbare middelen op deOCW-begroting. In het hoofdlijnenakkoord zijn geen extra middelenhiervoor beschikbaar gesteld.210Op grond van welke overwegingen is het Herstelplan Kwaliteit Onderwijsniet gekoppeld aan het Masterplan Basisvaardigheden, terwijl beideplannen dezelfde doelen nastreven?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1864 Het Herstelplan is een plan waarin de belangrijkste onderwerpen enproblemen van dit moment integraal en in samenhang worden aangepakt.Het Herstelplan richt zich op de hoofdthema’s: 1) lezen, schrijven, rekenenen 2) onderwijspersoneel. Daarnaast moet een aantal randvoorwaarden,zoals de bekostiging en sturing, op orde zijn. Ook deze komen aan bod inhet Herstelplan. Met het Masterplan basisvaardigheden is de afgelopenjaren hiervoor al een stevige basis gelegd met de focus op taal enrekenen. Bij de uitwerking van het Herstelplan wordt voortgebouwd oponder andere de goede basis die al is gelegd met het Masterplan. Voor hetopstellen van het Herstelplan wordt gesproken met degene die weten water nodig is, zoals leraren, schoolleiders en bestuurders. Ook worden deinzichten van wetenschappers en de inspectie betrokken.211Welke ontwikkelingen rechtvaardigen het uitstellen van de structurelebekostiging van basisvaardigheden tot 2027?Voor het mogelijk maken van gerichte bekostiging is een wetswijzigingnodig. Het is belangrijk dat dit instrument zorgvuldig wordt uitgewerkt enuitgevoerd. Dit kost tijd, de verwachting is dat dit kan per 1 januari 2027.212Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag dat er is gekozen vooreen nieuwe subsidieronde in plaats van directe structurele financiering?Er is niet gekozen voor directe structurele financiering, omdat er eenwetswijzing nodig is om aan deze financiering voorwaarden te verbinden.Dat kan bij reguliere (aanvullende) bekostiging niet. Gezien de urgentievan het verbeteren van de basisvaardigheden en de specifiek voor dit doelvrijgemaakte middelen, is het passend om deze middelen gericht voor ditdoel ter beschikking te stellen. Dit kan op dit moment wel middels hetsubsidie-instrument. Op deze manier kan worden geborgd dat demiddelen die zijn bedoeld voor het verbeteren van basisvaardigheden ookdaadwerkelijk aan dit doel worden besteed.213Hoeveel scholen zullen door het uitstellen van de structurele bekostiginghun projecten moeten stopzetten of uitstellen?Of scholen, waarbij de subsidie afloopt, hun activiteiten tijdelijk moetenstopzetten of uitstellen is niet precies te zeggen. Met het implementatieon-derzoek gaan we na hoe scholen na de activiteitenperiode verder werkenaan het verbeteren van de basisvaardigheden. Over de resultaten van ditonderzoek zullen we uw Kamer uiterlijk in december rapporteren in devoortgangsrapportage basisvaardigheden. Scholen worden gestimuleerdom de subsidiegelden zo duurzaam mogelijk in te zetten. We vragendaarom aandacht voor de borging van kwaliteitsverbeteringen. In devierde voortgangsbrief over het Masterplan basisvaardigheden hebbenwij, mede op verzoek van scholen, duidelijkheid gegeven over de vastebedragen die scholen kunnen verwachten uit de gerichte bekostiging diestart per 1 januari 2027. Met deze middelen kunnen scholen ook na afloopvan de subsidieregelingen activiteiten blijven uitvoeren om de basisvaar-digheden van leerlingen te verbeteren. Duidelijkheid over de bedragen diescholen kunnen verwachten helpt scholen in het maken van plannen voorhet verbeteren van basisvaardigheden. Daarnaast kunnen scholen demiddelen uit het Nationaal Programma Onderwijs nog tot het einde vanschooljaar 2024/2025 inzetten. In het voorjaar van 2025 komt een laatstetranche van de subsidieregeling basisvaardigheden, deze tranche wordtmomenteel uitgewerkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1865 214Hoeveel onderwijscoördinatoren heeft het ministerie in dienst en watkosten zij gemiddeld per coördinator en in totaal?Er zijn momenteel 13,8 fte onderwijscoördinatoren in dienst. Hetministerie besteedt op jaarbasis (2023) € 107.000 aan loonkosten peronderwijscoördinator, uitgaande van kosten bij schaal 12, trede 8. Zieantwoord op vraag 116 voor de totale kosten.215Hoeveel geld, inclusief personeelskosten, is er sinds de start van hetvisietraject Onderwijs2032 tot en met 2024 besteed aan het herzien vanhet curriculum?De uitgaven aan het herzien van het curriculum sinds de start van hetvisietraject Onderwijs2032 tot en met 2024 zijn divers. Er is tussen2015–2019 in totaal ongeveer € 8 miljoen uitgegeven aan het bureau2032/curriculum.nu. Veel van dit geld ging naar leraren en schoolleidersvoor het maken van bouwstenen voor het curriculum, en naar onder-steuning van ontwikkelscholen. Tevens is er in deze periode ongeveer€ 7,7 miljoen uitgegeven aan ontwikkelteams- en scholen. Daarnaast is ervanaf 2020 tot op heden voor ongeveer € 31 miljoen aan projectsubsidiesmet betrekking tot de curriculumherziening naar SLO gegaan en voorongeveer € 2 miljoen aan projectsubsidies naar Stichting Cito. Ookworden er werkzaamheden gedaan door SLO die worden bekostigd uit deinstellingssubsidie en werkzaamheden door CvTE binnen het eigenwerkprogramma. Dit bedrag is niet te concretiseren, omdat in deverantwoording geen exact onderscheid wordt gemaakt in bepaaldecurriculumwerkzaamheden. Ten slotte is er naar schatting ongeveer € 2,5miljoen aan overige uitgaven geweest. Op dit dossier werkt 6 fte, de totalepersoneelskosten bedragen ongeveer € 750.000 per jaar.216Hoeveel kost het uitstel van de curriculumherziening?Het doel van de extra stap in de curriculumherziening die nu wordt gezetis dat SLO met behulp van leraren en vakexperts binnen enkele maandeneen scherpe selectie zal maken van de conceptkerndoelen die nodig isvoor scherpe focus op lezen, schrijven en rekenen. Zie verder antwoordop vraag 217.217Welke verschuivingen gaan plaatsvinden wegens het uitstel van decurriculumherziening?Dit is momenteel nog onduidelijk. De verwachting is niet dat er grotefinanciële verschuivingen hierdoor gaan plaatsvinden en is medeafhankelijk van de behandeling van het wetsvoorstel door het parlement.218Hoeveel budget krijgt SLO14 per jaar voor de curriculumherziening?Het budget per jaar is variabel en hangt af van de activiteiten in dat jaar.SLO ontvangt een instellingssubsidie, die in 2024 € 10,9 miljoen bedraagt.Een deel hiervan wordt besteed aan de curriculumherziening. Daarnaastontvangt SLO projectsubsidies. In 2024 gaat dit om ongeveer € 11miljoen. Voor 2025 is € 16,3 miljoen aan projectsubsidies aan SLObegroot.14SLO: landelijk expertisecentrum voor het curriculumTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1866 219Hoeveel geld is vrijgemaakt voor de uiteindelijke implementatie van decurriculumherziening?Voor de implementatie van de curriculumherziening is de aankomendevier jaar (2025–2028) cumulatief € 105 miljoen beschikbaar. Dit budget isongelijk verdeeld over de jaren, afhankelijk van de intensiteit van deactiviteiten. Daarnaast is er een structureel budget van € 21,3 miljoenbeschikbaar voor het op peil houden van het curriculum.220Hoeveel gaat de communicatiecampagne wegens de abstracterekerndoelen kosten?15Het is momenteel nog onduidelijk hoe de scherpe selectie van kerndoelenprecies zal plaatsvinden. Er zal vooralsnog geen aparte communicatie-campagne voor de scherpe selectie plaatsvinden, maar dit zal wordenmeegenomen in de communicatie en implementatie van alle definitievekerndoelen. Zie voor het budget ook het antwoord op vraag 219.221Gaat u de compensatie voor de btw-verhoging op schoolboekenvormgeven als een toevoeging aan de lumpsum en hoe gaat u daarinleerlingaantallen en verschillen tussen scholen wegen?De compensatie voor de btw-verhoging op schoolboeken wordt toege-voegd aan de basisbekostiging. De basisbekostiging is voor het grootsedeel leerlingafhankelijk; grote scholen met meer leerlingen ontvangen inprincipe meer bekostiging dan kleine scholen met minder leerlingen. Deextra kosten door de btw-verhoging op schoolboeken per school zullenook leerlingafhankelijk zijn. Door de compensatie toe te voegen aan hetleerlingafhankelijke deel van de basisbekostiging, wordt de compensatieverdeeld op basis van het aantal leerlingen.222Van welk geld wordt het uitstel van de curriculumherziening bekostigd enwat gaat hierdoor niet door?Zie het antwoord op vraag 217.223Welke financiële middelen zijn beschikbaar voor de nieuwe tranche van desubsidie basisvaardigheden?Voor de nieuwe tranche van de subsidieregeling basisvaardigheden is intotaal € 522 miljoen beschikbaar. De subsidieregeling wordt momenteeluitgewerkt en in het voorjaar van 2025 gepubliceerd.224Is het mogelijk om scholen meer dan twee jaar de tijd te geven om desubsidie basisvaardigheden te besteden en zo nee, welke overwegingenliggen daaraan dan ten grondslag?Er is gekozen voor een looptijd van twee jaar, omdat we scholenambitieuze doelen willen laten stellen om de basisvaardigheden teverbeteren. Met een looptijd van twee jaar hebben scholen de tijd om eenactiviteitenplan goed uit te kunnen voeren. Voor de komende subsidiere-geling zou een langere looptijd dan twee jaar betekenen dat er meer15Zie nota #47939437, p. 4Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1867 overlap is voor deze scholen met de gerichte bekostiging die start per1 januari 2027.225Hoe wordt er in het onderwijs aandacht besteed aan digitale geletterdheiden burgerschap, nu het Herstelplan zich vooral richt op lezen, schrijven enrekenen?In het kader van het Herstelplan ligt de focus op lezen, schrijven enrekenen. Dit is de absolute basis die nodig is om te leren en om je tekunnen redden in de samenleving, maar het onderwijs is breder en rijker.Niet voor niets worden er kerndoelen gemaakt voor negen leergebiedendie een samenhangend geheel vormen. Digitale geletterdheid enburgerschap zijn twee van die leergebieden, daaraan verandert niets.Naast taal en rekenen-wiskunde – die prioriteit hebben – beschouw ikdigitale geletterdheid en burgerschap als basisvaardigheden die noodza-kelijk zijn voor iedere leerling om deel te nemen aan een pluriformesamenleving.226Hoe wilt u waarborgen dat het Herstelplan Kwaliteit Onderwijs eenduurzaam plan voor de lange termijn blijft en voorkomen dat bij eennieuwe kabinetsperiode opnieuw een ander plan geïntroduceerd wordt,zoals eerder gebeurde met het masterplan basisvaardigheden?Zoals eerder benoemd, wordt met het Herstelplan focus aangebracht inhet aanpakken van de belangrijkste problemen op dit moment in hetonderwijs, waarbij wordt voortgebouwd op de goede basis vanuit o.a. hetMasterplan basisvaardigheden die er al ligt. Uw Kamer wordt verder overhet Herstelplan geïnformeerd in het voorjaar van 2025.227Hoe adresseert het wetsvoorstel doelmatige aanpak onderwijshuisvestingde upgrading van huidige voorzieningen, zoals sanitaire faciliteiten?Het wetsvoorstel stelt onder andere het meerjarenonderhoudsplan(MJOP) voor schoolbesturen verplicht. Deze verplichting is erop gerichtdat een schoolbestuur komt tot een meerjarenplan voor het onderhoud,op basis van een bouwkundige opname.Dit MJOP beschrijft het onderhoud per jaar, wat beter inzicht geeft in dekosten daarvan en daartoe benodigde middelen per jaar. Dit leidt tot eenmeer doelmatige aanpak van onderwijshuisvesting en komt de kwaliteitvan de voorzieningen, waar sanitaire faciliteiten onderdeel van zijn, tengoede.228In welke mate biedt het wetsvoorstel doelmatige aanpak onderwijshuis-vesting helderheid over wie verantwoordelijk is voor het onderhoud vanspecifieke schoolfaciliteiten, zoals sanitair?Schoolbesturen zijn op dit moment al verantwoordelijk voor al het binnen-en buitenonderhoud van hun schoolgebouwen. Daaronder vallen ook desanitaire voorzieningen.De kosten voor onderhoud en schoonmaak vallen onder de exploitatie-kosten van het schoolgebouw, waarvoor schoolbesturen reeds middelenvan het Rijk ontvangen via bekostiging. Het wetsvoorstel beoogt daaringeen wijziging te brengen.229Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1868 Welk negatief economisch effect kan verwacht worden naar aanleidingvan de invoering van de Wet internationalisering in balans?Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 115 laten de economischeeffecten van het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans zichmoeilijk voorspellen. We weten nog niet in welke mate instellingengebruik zullen maken van de fixusinstrumenten om op aantallen te sturen,of hoeveel bacheloropleidingen na de toets anderstalig onderwijs geentoestemming meer krijgen voor het aanbieden van anderstalig onderwijs.Het is niet met zekerheid te zeggen dat de invoering van de Wet internatio-nalisering in balans een negatief economisch effect zal hebben.Bovendien is het wetsvoorstel niet alleen gericht op economisch gewin ofverlies, maar houdt het ook rekening met maatschappelijke factoren, zoalsde druk op onderwijsfaciliteiten en de toegankelijkheid van publiekevoorzieningen.Internationale studenten uit de EER die direct na hun studie uit Nederlandvertrekken, brengen kosten met zich mee voor de Nederlandse staat. Eenafname van deze groep studenten zal leiden tot een besparing voor destaatskas. Tegelijkertijd dragen internationale studenten die in Nederlandblijven bij aan de Nederlandse economie. Een afname van internationalestudenten kan leiden tot minder economische ondersteuning van de(regionale) economie, bijvoorbeeld door hun consumptie en het invullenvan bijbaantjes. Daarnaast kan een daling in het aantal internationalestudenten dat na hun studie in Nederland blijft wonen en werken, leidentot economisch verlies, vooral in sectoren met grote tekorten aanarbeidskrachten. Een kleiner aantal internationale studenten hoeft echterniet direct schade aan de Nederlandse economie toe te brengen, zolanghet percentage van deze studenten dat na de studie in Nederland blijftwerken groter wordt. Het zijn immers de studenten die blijven diebijdragen aan de Nederlandse economie.Daarom is het wetsvoorstel gericht op een selectieve instroom vaninternationale studenten, juist in de vakgebieden en regio’s waar zij hetmeeste bijdragen aan de Nederlandse economie en maatschappij.Daarnaast verbreedt de wet de zorgplicht, zodat ook internationalestudenten in staat gesteld worden om Nederlands te leren, zodat de kansgroeit dat zij na hun studie in Nederland blijven. Zo wordt getracht eenevenwicht te vinden tussen economische en maatschappelijke belangen.230Hoeveel onderzoekers zullen naar verwachting hun talenten eldersinzetten na invoering van de Wet internationalisering in balans?De invoering van de Wet internationalisering in balans zal niet direct totgevolg hebben dat onderzoekers hun talenten elders moeten inzetten.Anderstalig personeel kan Nederlands leren of ergens anders in hetonderwijs en onderzoek, bijvoorbeeld in de masterfase, worden ingezet.Bovendien blijft binnen Nederlandstalige opleidingen ruimte om tot eenderde van het curriculum anderstalig aan te bieden. Ook is het mogelijkdat internationale onderzoekers langer in Nederland blijven als zij deNederlandse taal leren. Tegelijkertijd spelen er ook andere factoren mee inde keuze van een onderzoeker voor een werkplek. De keuzes die instel-lingen de komende jaren maken, gezamenlijk als onderdeel van dezelfregieplannen of als individuele instelling, kunnen hier een grootverschil in maken. De regering kan hierdoor niet voorzien in eeninschatting van het aantal onderzoekers dat in de nabije toekomst huntalenten elders zal inzetten.231Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1869 Welke beleidsontwikkelingen vinden op dit moment in landen om onsheen plaats op het gebied van anderstalig wetenschappelijk onderwijs(specifiek Frankrijk en Duitsland?Het aanbod van Engelstalige opleidingen in Nederland is in relatieve zinveel groter. Dat betreft ongeveer een factor vijf voor Frankrijk en eenfactor vier voor Duitsland. Data van het OECD laat zien dat het aandeelinternationale studenten in Nederland significant hoger is dan in dezelanden.Duitsland en Frankrijk zetten in op het aantrekken van fors meer interna-tionale studenten, met name op het gebied van tekortsectoren (daarbij inhet bijzonder de bèta en techniek). Onderdeel daarvan is het vergrotenvan het aanbod Engelstalig onderwijs met name gericht op deze tekort-sectoren. Hierdoor is het aanbod van Engelstalige opleidingen deafgelopen jaren in beide landen gestegen. In Frankrijk gaat het daarbij inhet bijzonder om opleidingen in de masterfase.232Hoe gaat u uitvoering geven aan de btw-compensatie aan mbo-studenten,gegeven het gehanteerde leeftijdscriterium en de beperking totbasisvaardigheden?Mbo-instellingen geven een tegemoetkoming aan minderjarigembo-studenten voor de aanschaf van leermiddelen voor basisvaardig-heden. Instellingen kunnen de leermiddelen zelf kosteloos ter beschikkingstellen of een voucher aanbieden aan studenten waarmee zij zelfleermiddelen kunnen aanschaffen. Vanwege de btw-verhoging ontvangeninstellingen via de bekostiging op de OCW-begroting gezamenlijkstructureel € 1,5 miljoen extra vanaf 2026 ten behoeve van de uitvoeringvan deze tegemoetkoming.233Gaat u de compensatie voor de btw-verhoging op schoolboekenvormgeven als subsidie aan scholen?Nee, scholen in het primair en voortgezet onderw(s worden gecompen-seerd voor de btw-verhoging op leermiddelen en ontvangen vanaf 2026structureel € 58,5 miljoen. Deze middelen zullen door middel vanbekostiging, en dus niet via subsidie, aan schoolbesturen wordenverstrekt.234Hoe werkt de vergoeding voor de schoolmaaltijden?Scholen waarvan 30% of meer van de leerlingen uit een gezin komt meteen laag inkomen kunnen zich aanmelden voor één van de twee routesbinnen het programma Schoolmaaltijden. Deze routes zijn momenteel alsvolgt georganiseerd. Bij de eerste route, via het Rode Kruis, ontvangenouders van leerlingen boodschappenkaarten, ter waarde van € 11,50 perleerling per week, die zij zelf kunnen uitgeven bij supermarkten. Bij deandere route, via het Jeugdeducatiefonds, organiseren scholen demaaltijden op school zelf en declareren zij de kosten hiervoor bij hetJeugdeducatiefonds, tot een maximum van € 9 per leerling per week. Zieook de Kamerbrief die op 28 maart 2023 naar uw Kamer is verzonden.235Hoe declareren scholen de subsidie voor schoolmaaltijden?Zie het antwoord op vraag 234.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1870 236Waar wordt de subsidie voor de schoolmaaltijden op gebaseerd?Het subsidiebedrag voor het programma Schoolmaaltijden is bepaald opbasis van een aantal factoren. Er is ruimte voor ongeveer 350.000 tot390.000 leerlingen, afhankelijk van de route die scholen kiezen voor devergoeding. Daarbij wordt rekening gehouden met een maximum bedragper leerling. Zie ook het antwoord op vraag 234 over de routes binnen hetprogramma. Daarnaast zijn er uitvoeringskosten en is er budget gereser-veerd voor Caribisch Nederland.237Hebben scholen, die zelf hun eigen schoolmaaltijden inkopen en bereidenen die door het personeel van de school worden klaargemaakt, recht opsubsidie?Scholen waarvan 30% of meer van de leerlingen uit een gezin komt meteen laag inkomen hebben recht op subsidie. Scholen kunnen er zelf voorkiezen hoe zij de maaltijden verzorgen. Het inkopen van producten en zelfbereiden valt onder de mogelijkheden van de subsidie.238Kom er voor de btw-verhoging een compensatie op de schoolboeken engeldt deze compensatie ook voor digitale kopieën van een boek?Ja. Scholen in het primair- en voortgezet onderwijs schaffen leermiddelenaan en betalen btw die zij niet kunnen aftrekken. Zij ontvangen vanaf 2026structureel € 58,5 miljoen (€ 22,2 miljoen voor primair onderwijs en€ 36,3 miljoen voor voortgezet onderwijs) via de bekostiging. Decompensatie ziet op zowel de papieren als digitale verschijningsvorm vanleermiddelen.239Komt er door de btw-verhoging een compensatie voor licenties vanandere leersoftwares dan schoolboeken?De compensatie van leermiddelen ziet zowel op de papieren als dedigitale verschijningsvorm. In 2022 is het btw-tarief gelijkgesteld voorpapieren en digitale leermiddelen. Daarbij zijn digitale leermiddelengedefinieerd als: «langs elektronische weg geleverde digitale educatieveinformatie onder de voorwaarde dat deze informatie kennelijk uitsluitendof nagenoeg uitsluitend is bestemd voor informatieoverdracht in hetonderwijs». In de totstandkoming van de compensatie is uitgegaan vandeze definitie.240Valt het voorzien in faciliteiten voor studenten die te maken hebben metstagediscriminatie onder de wettelijke zorgplicht van onderwijs-instellingen en zo ja, hoe wordt deze zorgplicht inzake het voorkomen enaanpakken van stagediscriminatie ingevuld?Ervan uitgaande dat met deze vraag wordt gedoeld op de zorgplicht vooreen praktijkplaats, is het antwoord dat het afhankelijk is van de situatie.Instellingen zijn op grond van artikel 7.2.9 WEB verplicht om zorg tedragen voor de beschikbaarheid van een praktijkplaats en naar eennieuwe praktijkplaats te zoeken indien de beroepspraktijkvorming dooromstandigheden niet naar behoren kan plaatsvinden. Deze zorgplicht isdus ook van toepassing indien een student door discriminatie geenstageplaats kan vinden of weliswaar een stage heeft gevonden, maar inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1871 zijn leren wordt belemmerd door discriminatie op de werkvloer. Eenzorgplicht reikt tot in het redelijke, wat verschilt per situatie.In de praktijk handelen scholen als volgt. Wanneer een student stagedis-criminatie ervaart, meldt hij of zij dit bij het meldpunt op school, waarnaeen gesprek volgt tussen de student, het leerbedrijf en de school. Als desituatie dit vraagt, escaleert de school de melding naar SBB, dat eenonderzoek kan starten en zo nodig de erkenning van het leerbedrijf intrekt.De school biedt altijd een alternatieve stageplek aan om studievertragingte voorkomen. Daarnaast krijgt de student ondersteuning en nazorg, enkan bij onveiligheid ook een externe melding worden gedaan, bijvoor-beeld bij een antidiscriminatievoorziening. Alle meldingen wordengeregistreerd en anoniem gedeeld met SBB om de kwaliteit van leerbe-drijven te waarborgen.241Hoe zijn faciliteiten voor de aanpak van stagediscriminatie ophogescholen en universiteiten precies georganiseerd en zijn er verschillente ontwaren in de wijze waarop hogescholen enerzijds en universiteitenanderzijds hun faciliteiten hebben georganiseerd? Hoe worden gesigna-leerde verschillen in deze faciliteiten weggenomen?Er worden trainingen en inspiratiebijeenkomsten georganiseerd voorstudenten, docenten en het werkveld om via co-creatie in te gaan opstagediscriminatie, effectieve interventies en concrete handvatten voor depraktijk (door onderzoekers van De Haagse Aanpak en Echo) zodat eengezamenlijk gedragen en ontworpen aanpak ontstaat. Docenten krijgenvia het Werkprogramma van Echo trainingen aangeboden, evenals eenLeerlijn Stagediscriminatie. Op deze wijze krijgen docenten concretehandvatten voor de praktijk om met stagediscriminatie om te gaan.Voorafgaand aan de stage wordt bij de voorlichting door de stagecoördi-nator /stagedocenten aangegeven dat er een risico kan zijn op stagediscri-minatie. Uit onderzoek weten we dat studenten het erkennen van ditfenomeen door docenten heel belangrijk vinden, om te voorkomen dat zehet idee hebben dat het aan henzelf ligt. Bij een aantal hogescholen is ereen meldpunt buiten de opleiding ingericht. Bij andere onderwijs-instellingen worden ervaringen van stagediscriminatie binnen deopleidingen zelf besproken. Door studenten en de begeleidend docent bijvoortgangsgesprekken of tijdens de periodieke terugkomdagen. Uit debijeenkomst van de Landelijke Werkgroep tegen Stagediscriminatie komtnaar voren dat de aanpak van stagediscriminatie binnen het hbo en wokan verschillen. Dit heeft voor een belangrijk deel te maken met de rol diestages hebben in het hbo (verplicht onderdeel van de studie) en het wo(vaker facultatief). Via het werkprogramma dat door Echo wordt uitge-voerd en gemonitord door OCW/SZW en alle ondertekenaars van hetManifest tegen stagediscriminatie in het hoger onderwijs wordeninterventies ontwikkeld om de aanpak van hbo en wo tegen stagediscrimi-natie te versterken. In de overleggen van de Landelijke Werkgroep tegenStagediscriminatie in het hoger onderwijs wordt hiervan de voortgang ende ervaringen besproken. Die overleggen vinden vier keer per jaar plaats.De uitkomsten hiervan worden teruggekoppeld naar de hogescholen enuniversiteiten.242Welke afspraken zijn er gemaakt met mbo-instellingen om stagediscrimi-natie tegen te gaan en kunt u inzicht verschaffen in de voortgang van diegemaakte afspraken?In het Stagepact zijn duidelijke afspraken gemaakt om stagediscriminatietegen te gaan. Zo is onder meer objectieve stagematching geïntrodu-ceerd, waarbij stages worden toegewezen zonder persoonlijke kenmerkenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1872 mee te wegen. In het Stagepact is afgesproken dat iedere school start meteen kopgroep van bedrijven en onderwijsteams die dit mogelijk maakt. Deambitie is om dit uit te breiden. Momenteel loopt er een onderzoek naarde effectiviteit en ervaringen van stagematching. De resultaten van hetonderzoek worden medio 2025 verwacht. Daarnaast is in het Stagepactafgesproken dat iedere mbo-instelling een meldpunt inricht, zodatmeldingen van discriminatie krachtig worden opgevolgd en studenten debenodigde ondersteuning ontvangen. In het regeerprogramma is tevensvastgelegd dat het Stagepact met onverminderde inzet wordt voortgezet.De meeste scholen hebben inmiddels een meldpunt ingericht, en deverwachting is dat dit aan het eind van het schooljaar overal het geval zalzijn. Veel scholen zijn ook gestart met de pilot objectieve stagematching,maar de voortgang op dit punt verschilt. De voortgang wordt jaarlijksgevolgd met een rapportage, waarbij in 2025 een mid-term evaluatieplaatsvindt en de eindmeting in 2027 volgt.243In welke mate wordt straks bij de herziening van het curriculum voor hetfunderend onderwijs erin voorzien dat voor de nieuwe leerstof ookgenoeg tijd wordt vrijgemaakt voor bijscholing van het onderwijzendpersoneel, zodat ook docenten daarvoor tijdelijk moeten wordenvrijgesteld van een deel van hun lestaken en in hoeverre vinden er op ditpunt ook nu al afwegingen plaats met het oog op de toekomstigebeschikbaarheid van leraren? Welke besluiten zijn er al gevallen inverband hiermee?In het Onderwijsakkoord van 2022 is gerealiseerd dat leraren extra tijd enmeer ruimte krijgen. Daarin zijn met de sociale partners in het primair- envoortgezet onderwijs afspraken gemaakt over meer ruimte voor professio-nalisering op het punt van basisvaardigheden en de curriculumherziening.In het primair onderwijs maakt het team op de school, als onderdeel vanhet werkverdelingsplan, afspraken over het gebruik van deze middelen. Inhet voortgezet onderwijs krijgen leraren jaarlijks 16 extra uur voorprofessionalisering op basisvaardigheden en curriculumherziening,bovenop de 83 uur die zij al hadden voor professionalisering.Bij de implementatie van het curriculum vervullen scholen een belangrijkerol, om de nieuwe kerndoelen te vertalen naar goed onderwijs. Dat vraagttijd en inzet van alle betrokkenen binnen een school, van schoolbestuur,schoolleider en leraren(teams). Anderzijds biedt het nieuwe curriculumscholen ook de kans om binnen de eigen context scherpe keuzes temaken. In het kader van de implementatie wordt gewerkt aan eenimplementatieplan.Voor de jaren 2025 tot en met 2027 is er in totaal circa € 50,9 miljoengereserveerd om professionalisering binnen het funderend onderwijsvorm te geven, in het licht van de curriculumherziening. Het beschikbarebudget zal op verschillende manieren worden ingezet. Daarbij gaat hetonder andere om de bevordering van het curriculumbewust handelenbinnen scholen en bij- en nascholing op vakinhoud en -didactiek. Maarook om het bieden en ontsluiten van teamgidsen, leerlijnen en voorbeel-dlesmateriaal aan scholen. Tevens zullen goede voorbeelden uit depraktijk rondom de implementatie worden belicht.Leraren en teams krijgen zo de tijd om het curriculum zo meteensuccesvol te implementeren.244Waarop baseert u zich bij het aantrekkelijker maken van de pabo voormannen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1873 Onderzoek van ResearchNed wijst uit dat er verschillende factoren eenbijdrage kunnen leveren aan het aantrekkelijker maken van de pabo voormannen. Zo wordt er binnen pabo’s gewerkt om het curriculum af testemmen op de doelgroep, waarbij bijvoorbeeld specialisaties en meermogelijkheden voor differentiatie worden aangeboden. Het kan hierbijhelpen als de vorm en inhoud van de pabo meer gericht is op vakinhouden minder op communicatie en reflectie. Hiernaast is het van belang omaandacht te hebben voor zichtbaarheid van mannen in het wervingsmate-riaal, een inclusieve cultuur op de opleidingen en (stage)scholen. DeAlliantie Divers voor de Klas werkt samen met verschillende pabo’s aanhet realiseren van concrete interventies – op basis van het onderzoek vanResearchNed – die kunnen helpen op het terrein van diversiteit binnenscholen én pabo’s. Hierbij is het goed te noemen dat mannen helpen bijhet aantrekken van mannen. Denk bijvoorbeeld aan voorlichtingsactivi-teiten waar specifiek mannen worden ingezet of de inzet van communi-catie tussen gelijken en rolmodellen zodat ervaringen kunnen wordengedeeld. Daarnaast werken we aan het mogelijk maken van opleidingentot leraar voor het jonge en oudere kind, naast de brede pabo. Weverwachten daarmee een bredere en meer diverse doelgroep aan tespreken, waaronder meer mannen. Tot slot werken we met hetwetsvoorstel strategisch personeelsbeleid aan het vergroten vancontracten in het primair onderwijs om zo voor onder andere mannen deaantrekkelijkheid te vergroten.245Waaruit blijkt dat de geplande interventie tot meer mannen in hetonderwijs zal leiden?Zie antwoord bij vraag 246.246Kunt u verwijzingen naar onderzoek en daarnaast ambtelijke analysesproduceren waaruit blijkt dat het splitsen van de pabo leidt tot meermannen voor de klas?Qompas heeft in 2018 in een vignettenonderzoek genaamd Optimaleinrichting van lerarenopleidingen aan respondenten gevraagd of zij eerderzouden kiezen voor een pabo waarbinnen je je specialiseert in hetlesgeven aan het jonge of oudere kind ten opzichte van een pabo zonderspecialisatiemogelijkheid. De enquête uit dit onderzoek is door 1106havisten, 1425 vwo’ers en 16199 mbo-studenten volledig ingevuld. Hierbijis het belangrijk om te vermelden dat in beide onderzoeken niet isaangegeven of deze gespecialiseerde opleidingen ook tot een gesplitstebevoegdheid leiden. Hieruit blijkt dat de oudere kind-route iets aantrekke-lijker is voor mannelijke havo/vwo-studenten (+1,3 procentpunt) en ookiets aantrekkelijker voor mannelijke mbo-studenten (+1 procentpunt) tenopzichte van de pabo zonder specialisatiemogelijkheid. Daarnaast zou eenjonge kind-route mogelijk aantrekkelijk zijn voor met name de doorstroomvan vrouwelijke mbo-4-studenten (+0,7 procentpunt). Ook uit hetonderzoek Specialisatiemogelijkheden in lerarenopleidingen vanResearchNed (2018) is interesse voor meer differentiatie gebleken:potentiële studenten gaven in dit onderzoek eveneens aan interesse tehebben in opleidingen met inhoudelijke accenten en thematischeverdieping op het jonge of het oudere kind. We willen beter zicht krijgenop het mogelijke aantal extra studenten door de introductie van oplei-dingen die leiden tot smalle bevoegdheden. Daarom zetten we, parallelaan het opstellen van de hoofdlijnennotitie over ditzelfde onderwerp, hierzo snel mogelijk extra onderzoek naar uit. De verwachting is dat ditonderzoek in het voorjaar van 2025 is afgerond.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1874 In tijden van tekorten zullen we moeten blijven inzetten om zo veelmogelijk potentiële leraren te verleiden om de opleiding te gaan doen. Hetvoorstel om opleidingen mogelijk te maken voor het jonge en het ouderekind naast de bestaande brede opleidingen, is één van de maatregelen omde pabo aantrekkelijker te maken en zo de instroom mogelijk te verhogenvan een meer diverse doelgroep.247Wat zet u in gang om de kwaliteit van het zij-instroomtraject te verhogen?Het is belangrijk om opleidingen voor zij-instromers te verbeteren enflexibeler te maken, zodat het voor zij-instromers aantrekkelijk blijft om deoverstap naar het onderwijs te maken en daar ook te blijven werken. Voorhet verhogen van de kwaliteit van zij-instroom is een aantal maatregelenin gang gezet. De lerarenopleidingen zetten in op het erkennen van EerderVerworven Competenties (EVC’s) en landelijke afspraken over het verlenenvan vrijstellingen. In studiejaar 2025–2026 gaan deze afspraken bij allelerarenopleidingen in en is het bij alle lerarenopleidingen mogelijk omdeel te nemen aan de brede intake. Met de NVAO en de lerarenoplei-dingen worden afspraken gemaakt op welke wijze de trajectenzij-instroom mee worden genomen in de visitaties van lerarenopleidingen.Hierdoor wordt het externe toezicht op de kwaliteitsborging van dezij-instroomtrajecten geborgd.248Wat is op dit moment het aandeel vaste contracten in het po en vo?In het jaar 2022 had 89% van de leraren in het primair onderwijs een vastcontract. Van de primair onderwijs-leraren die langer dan een jaar indienst waren, had 96% een vast contract. In het voortgezet onderwijs hadin 2022 78% van de leraren een vast contract. Van de vo-leraren die langerdan een jaar in dienst waren, had 91% een vast contract. De cijfers over2023 komen naar verwachting in december 2024 met de lerarenbrief naaruw Kamer.249Wat is de invloed van de tijdelijke middelen die richting de sector primaironderwijs zijn gegaan op het aandeel vaste contracten?Tijdelijke middelen kan één van de redenen zijn voor werkgevers om eentijdelijk contract aan te bieden in plaats van een vast contract. Momenteeldoen wij onderzoek naar de achtergronden en verklaringen voor flexibelecontracten van leraren in het primair- en voortgezet onderwijs. Naarverwachting wordt dit onderzoek in december 2024 afgerond en daarnamet uw Kamer gedeeld.250Kunt u een overzicht geven van het aantal onderwijsregio’s?In 2024 zijn er 29 onderwijsregio’s. Voor 2025 hadden onderwijsregio’s totmedio oktober 2024 de tijd om een aanvraag in te dienen. Op dit momentworden de aanvragen getoetst door DUS-I. In de Kamerbrief Lerarenstra-tegie van december 2024 zal een update over het aantal onderwijsregio’sin 2025 worden gegeven.251Kunt u het totaal aan kosten voor onderwijsregio’s onder elkaar zetten enuitsplitsen per onderwijsregio?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1875 Het overgrote deel van de kosten voor de onderwijsregio’s en alleactiviteiten die zij ontplooien in de bestrijding van het lerarentekort envoor het opleiden en begeleiden van personeel zijn de middelen voor deregeling Landelijk Dekkend Netwerk Onderwijsregio’s en de aanvullenderegelingen. Dit betreft € 231,6 miljoen in 2025 (het hoofdbudget tekortenregio’s op artikel 9 van de OCW begroting). Voor de Realisatie Eenheid, diede onderwijsregio’s ondersteunt, is € 5,7 miljoen beschikbaar voorsubsidies, onderzoek en andere aanvullende uitgaven. Het is nog nietmogelijk om een uitsplitsing naar onderwijsregio te maken omdat deaanvragen pas net zijn ingediend en nog moeten worden gecontroleerd.De hoogte van het aan te vragen bedrag hangt samen met het aantalleerlingen in primair- en voortgezet onderwijs, studenten mbo én hetaantal studenten dat wordt opgeleid volgens het kwaliteitskader SamenOpleiden.252Wat is nu de precieze verhouding tussen de nieuwe onderwijsregio’s ende regio’s voor Samen Opleiden & Professionaliseren?Via de subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’skunnen schoolbesturen, lerarenopleidingen en de beroepsgroep sameneen aanvraag doen voor hun regionale aanpak van de tekorten. Onder-wijsregio’s zetten zich in om 100% van de studenten en zij-instromers opte leiden volgens de systematiek en het kwaliteitskader van SamenOpleiden. De financiering van Samen Opleiden is voortgezet via deonderwijsregio’s. De partnerschappen Samen Opleiden zijn ontstaanvanuit een inhoudelijke samenwerking tussen een opleiding en één ofmeer besturen, dit is lang niet altijd een geografisch aaneengeslotengebied en stimuleert ook de samenwerking tussen opleidingen nog niet.Ook zit er de nodige overlap tussen de partnerschappen in regio’s waar zeactief zijn. Per 2025 is de financiële verantwoordelijkheid verschoven vande partnerschappen naar de onderwijsregio’s en maken de onderwijsre-gio’s afspraken over de doorontwikkeling van Samen Opleiden binnen deonderwijsregio’s met behoud van kwaliteit.253Wat gaat u wat doen met het kritische rapport dat verschenen is van deVerenigde Naties over de manier waarop Nederland het VN-verdragHandicap uitvoert, specifiek op het punt van toegankelijkheid van hetonderwijs voor kinderen met een beperking en wat gaat u extra doen nadit kritische rapport?Op 23 oktober is een eerste beleidsreactie vanuit het Ministerie vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport gestuurd aan uw Kamer, waarin ookwordt aangegeven hoe we verder werken aan het toegankelijk en inclusiefmaken van het onderwijs. De aanbevelingen van het Comité wordenmeegenomen bij het ontwikkelen van huidig en nieuw beleid.254Op welke manier zijn de conclusies en aanbevelingen van het rapport«Druk op de keten» over de druk op de keten in kinderopvang, onderwijsen zorg voor kinderen in de leeftijd 0–13 jaar meegenomen in het beleid?Nog voor het eind van het jaar wordt uw Kamer via een gezamenlijkebeleidsreactie van OCW, SZW en VWS geïnformeerd over acties volgendop dit onderzoek Druk op de Keten.255Wanneer zal de landelijke norm basisondersteuning er zijn en wat is deplanning hiervoor?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1876 De Algemene Onderwijsbond en Ouders & Onderwijs zijn op ons verzoekbezig met het afronden van het advies voor de eerste drie ondersteu-ningsgebieden van de landelijke norm basisondersteuning (lees-/spellingsproblemen en dyslexie, (hoog)begaafdheid en taak-/werkgedrag).Dit najaar verwachten wij het eindadvies, dat wij daarna aan uw Kamerzullen aanbieden. Wij zullen daarna de voorbereidingen verder oppakkenvoor het wettelijk vastleggen hiervan.256Hoeveel Samen naar School-klassen zijn er in het po en in het vo en kunteen overzicht geven van de hoeveelheid Samen naar School-klassen inhet po en vo de afgelopen vijf jaar?Het aantal Samen naar Schoolklassen wordt niet centraal door hetMinisterie van OCW geregistreerd, dus deze zijn niet bekend. Wel wetenwe uit gesprekken met de NSGK (Nederlandse Stichting voor hetGehandicapte Kind) dat het aantal initiatieven inmiddels de 50 heeftgepasseerd.257Hoeveel leerlingen zijn vrijgesteld van de leerplicht, uitgesplitst naar hetpo, vo en mbo?De meest actuele cijfers over het aantal kinderen en jongeren met eenvrijstelling van de leerplicht zijn van de «Leerplichttelling» over hetschooljaar 2022–2023. Deze cijfers zijn begin mei met de Kamer gedeeldbij de Kamerbrief passend onderwijs. Hieronder staat het aantal leer- enkwalificatieplichtige kinderen dat vrijgesteld is van leerplicht, uitgesplitstper schoolsoort. Hierbij wordt gekeken naar de sector waarin de jongereingeschreven stond toen de vrijstelling werd afgegeven. De groep «geenonderwijs» stond nooit eerder ingeschreven stonden op een Nederlandseschool.Vrijstelling 5 onderdeel a (jongeren die door een lichamelijke ofpsychische beperking geen onderwijs kunnen volgen)–po: 433 kinderen–vso: 1738 kinderen–vo: 628 kinderen–mbo (inclusief volwasseneneducatie): 307 kinderen–onbekend: 413 kinderen–geen onderwijs: 4.903 kinderenVrijstelling 5 onderdeel b (jongeren waarvoor geen school van de geloofs-of levensovertuiging bereikbaar is)–po: 286 kinderen–vso: 8 kinderen–vo: 34 kinderen–mbo: 0 kinderen–onbekend: 39 kinderen–geen onderwijs: 1.757 kinderenVrijstelling 5 onderdeel c (leerlingen die onderwijs volgen in hetbuitenland)–po: 3.287 kinderen–vso: 154 kinderen–vo: 1.398 kinderen–mbo: 58 kinderenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1877 –onbekend: 570 kinderen–geen onderwijs: 3.424 kinderen258Hoeveel leerlingen zitten er in totaal langer dan een maand thuis,uitgesplitst naar po, vo en mbo?De meest actuele cijfers over het aantal kinderen en jongeren dat thuiszitzijn van de «Leerplichttelling» over het schooljaar 2022–2023. Deze cijferszijn begin mei met de Kamer gedeeld bij de Kamerbrief passendonderwijs. Het aantal kinderen dat gedurende het schooljaar 2022–2023wel ingeschreven was op school maar tenminste langer dan een maandongeoorloofd niet naar school ging (langdurig relatief verzuim totaal),uitgesplitst per schoolsoort, is:–po: 763 kinderen–(v)so: 629 kinderen–vo: 1.992 kinderen–mbo: 497 kinderenHet is hierbij van belang te benoemen dat gedurende het schooljaar eengrote groep (1.881 van de 3.881) kinderen en jongeren (van dezeaantallen) weer teruggeleid werd naar school.259Hoeveel budget krijgen scholen gemiddeld per leerling met eenondersteuningsbehoefte?Scholen ontvangen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte altijdde reguliere bekostiging per leerling. Daarnaast ontvangen scholen vaakextra middelen voor deze leerlingen voor de ondersteuning:–voor het speciaal basisonderwijs ontvangen scholen € 6.992,09 perleerling per jaar als ondersteuningsbekostiging (prijspeil 2024);–voor het leerwegondersteunend onderwijs in het vmbo en in hetpraktijkonderwijs is dit € 5.756,09 per jaar;–voor cluster 3&4-scholen in het (voortgezet) speciaal onderwijs is hetbedrag per leerling afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaringopgenomen ondersteuningsbehoeftecategorie (laag, midden of hoog).Dit varieert van € 13.635,66 tot € 33.112,90 per leerling;–instellingen voor cluster 1&2 ontvangen een vast ondersteuningsbe-drag per instelling.Daarnaast kunnen scholen nog vanuit het samenwerkingsverband extramiddelen krijgen voor het bieden van ondersteuning. Omdat de bedragendie scholen krijgen per leerling variëren, een leerling niet altijd zijnvolledige schoolloopbaan (dezelfde) extra ondersteuning behoeft en hetbeleid van samenwerkingsverbanden rond extra ondersteuning onderlingkan verschillenis het niet goed mogelijk een gemiddelde per school tenoemen. Via de website van DUO is te zien welke ondersteuningsbud-getten er per school, per jaar worden verstrekt.260Hoeveel budget krijgen scholen gemiddeld voor leerlingen met eenondersteuningsbehoefte in totaal over hun gemiddelde schoolloopbaan?Zie antwoord bij vraag 259.261Hoe veel financiële middelen lopen scholen mis door vrijstellingen van deleerplicht?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1878 Er is geen sprake van mislopen van bekostiging. De bekostiging voorscholen wordt berekend en uitgekeerd per ingeschreven leerling. Wanneerer sprake is van een vrijstelling is er echter geen schoolinschrijving en dusook geen bekostiging. De bedragen die een school gemiddeld perbekostigde leerling krijgt zijn in de antwoorden op vragen 168 en 259genoemd.262Hoeveel leerlingen zitten er in totaal langer dan drie maanden thuis,uitgesplitst naar het po, vo en mbo?De meest actuele cijfers over het aantal kinderen en jongeren dat thuiszitzijn van de «Leerplichttelling» over het schooljaar 2022–2023. Deze cijferszijn begin mei met de Kamer gedeeld bij de Kamerbrief passendonderwijs. Het aantal leer- en kwalificatieplichtige kinderen dat gedurendehet schooljaar 2022–2023 wel ingeschreven was op school maartenminste langer dan drie maanden ongeoorloofd niet naar school ging(langdurig relatief verzuim langer dan 3 maanden), uitgesplitst perschoolsoort, is:–po: 527 kinderen–(v)so: 490 kinderen–vo: 1.502 kinderen–mbo: 278 kinderenHet is ook hierbij van belang te benoemen dat gedurende het schooljaareen grote groep kinderen en jongeren (van deze aantallen) weer terug-geleid wordt naar school. Zie ook de aantallen bij vraag 258.263Wat wordt bedoeld met het «versterken van de interne organisatie» bijscholen met grote tekorten aan leraren?Op de manier zoals het onderwijs nu is georganiseerd, vormt hetlerarentekort een risico voor de kwaliteit van onderwijs – zeker op descholen met hoge tekorten. Daarom verkennen we hoe de inrichting ensamenwerking rond de scholen versterkt kan worden. Dit kan zowel inpreventieve zin door als school en regio voorbereidende maatregelen tenemen om tekorten op te vangen, als door tekorten aan te pakken opscholen waar deze het grootst zijn. Dit kan bijvoorbeeld door mogelijk-heden te delen die de schoolorganisatie weerbaarder maken zoals eenmodel waarbij er 1,5 fte op een klas staan, meer ondersteunend personeelin de school, het delen van leraren, de samenwerking en inzet met welzijnen jeugdhulp en kijken naar het scholenbestand in de regio/wijk.264Welke initiatieven, naast de vorming van onderwijsregio’s, lopen er ofworden gestart om concurrentie tussen scholen tegen te gaan?Zoals aangegeven in de Kamerbrief op 5 april 2024 over de herijking vande sturing in het funderend onderwijs is het belangrijk dat samenwerkingde norm wordt. In het regeerprogramma is mede daarom opgenomen datwij eerder en steviger in zullen gaan grijpen als besturen hun maatschap-pelijke opdracht niet naleven. Hiermee wordt men gestimuleerd om nietalleen op het belang van de eigen instelling te letten, maar ook hetoverkoepelend maatschappelijk belang na te streven en daarvoor indiennodig samen te werken. Hierbij past ook het stimuleren van samen-werking in krimpgebieden. Het kan in uiterste gevallen nodig zijn om in tegrijpen wanneer besturen niet tot samengaan komen, terwijl dat wel inhet belang van de leerling is. Daarnaast hervormen we de kleinescholen-toeslag in het primair onderwijs naar een dunbevolktheidstoeslag,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1879 waardoor de middelen terecht komen bij kleine scholen in dunbevolktegebieden en regio’s waar de laatste school dreigt te verdwijnen. In ditkader wordt ook gekeken naar het stelsel van normen en uitzonderingendaarop. Met aanpassingen op de kleinescholentoeslag en op de uitzonde-ringen wordt de concurrentie in drukbevolkte gebieden verminderd.265Kunt u een lijst, inclusief bijbehorende aangevraagde budgetten,produceren van culturele instellingen en gezelschappen die geenfinanciering krijgen ondanks een positief advies van de Raad voor Cultuuren aangeven waarom zij geen financiering krijgen?Een aantal aanvragers heeft voor de culturele basisinfrastructuur2025–2028 een negatief subsidieadvies gekregen van de Raad voorCultuur (hierna: de raad), ondanks een positieve beoordeling op despecifieke en algemene beoordelingscriteria. Als binnen een bepaaldefunctie meer aanvragers dan beschikbare plekken waren heeft de raad eennadere afweging gemaakt tussen meerdere positief beoordeeldeaanvragers. Dit is inherent aan de bis-systematiek en het beoordelings-proces van de aanvragen en wordt hieronder toegelicht.In de Regeling op het Specifiek cultuurbeleid (hierna: de regeling) zijn perfunctie een subsidieplafond en een maximum aantal te subsidiërenplekken opgenomen. Ook bevat de regeling de algemene en specifiekecriteria per functie en de algemene criteria waarop de aanvragen zijnbeoordeeld. Deze specifieke en algemene criteria zijn door de raad naderuitgewerkt in zijn beoordelingskader.Wanneer er meer aanvragen waren dan het aantal beschikbare plekkenbinnen die functie, heeft de raad de aanvragen die positief warenbeoordeeld op de specifieke en algemene criteria met elkaar vergeleken.Hierbij zijn naast de criteria ook twee aanvullende afwegingsaspectenbetrokken: de pluriformiteit van genres en kunstvormen en de bijdrageaan nieuwe disciplines en genres. Op basis van deze afweging besliste deraad vervolgens welke aanvragen in aanmerking moesten komen voorsubsidieverlening en welke aanvragen geen subsidie krijgen. Dezeafwegingen zijn in het advies van de raad nader gemotiveerd. In onder-staande tabel vindt u de aanvragers die het betreft, voor welk artikel in deregeling zij hebben aangevraagd en het aangevraagde bedrag.Naast de subsidies in de basisinfrastructuur worden er ook rijksmiddelenverstrekt door de rijkscultuurfondsen. De helft van de onderstaandeaanvragers wordt in de periode 2025–2028 meerjarig ondersteund dooreen van de rijkscultuurfondsen. Een kleiner aantal heeft bij een fondsaangevraagd, maar is daar niet gehonoreerd vanwege onvoldoendemiddelen of omdat de aanvraag negatief is beoordeeld. Tot slot is er eenaantal aanvragers die om verschillende redenen niet bij een van defondsen heeft aangevraagd. Voor veel aanvragers op onderstaande lijstgeldt daarnaast dat zij op gemeentelijk of provinciaal niveau meerjarigondersteund worden voor hun activiteiten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1880 Daarnaast was er een forse overvraging was van de meerjarenregelingtalentontwikkeling, waardoor vrijwel alle instellingen die zich met ditonderdeel bezighouden bij het Fonds voor Cultuurparticipatie eenafwijzing hebben ontvangen. Vanuit mijn bestelverantwoordelijkheid zie ikdit als een onwenselijke uitkomst, omdat het belangrijk is dat de groeimo-gelijkheden naar en binnen de professionele klassieke muzieksectorstandhouden. Zoals vermeld in de Kamerbrief van 17 september 2024,wordt in de periode 2025–2028 jaarlijks een bedrag van € 1,9 miljoenvrijgemaakt voor het Fonds voor Podiumkunsten om een specifiekeregeling te ontwikkelen, met als doelgroep instellingen die zich richten optalentontwikkeling in de klassieke muziek. Het Fonds voor Cultuurpartici-patie en Fonds Podiumkunsten dragen hiervan het grootste deel bij (€ 1,2miljoen per jaar).266Hoeveel is de culturele sector gemiddeld kwijt aan het constante procesvan subsidies aanvragen?In de culturele sector worden eens in de vier jaar op verschillendeplaatsen meerjarige subsidies verdeeld. Het gaat daarbij om de subsidiesin de basisinfrastructuur bij het Rijk, maar ook om de meerjarige subsidiesvan de rijkscultuurfondsen en de diverse subsidies van provincies engemeenten. Het is niet mogelijk om te berekenen hoeveel het constanteproces van subsidies aanvragen de culturele sector daadwerkelijk kost.Voor de komende bis-periode 2029–2032 wordt gekeken naar de verbe-tering en versimpeling van het stelsel. Ook zal de komende jaren verderworden ingezet op afstemming met andere overheden.267Zijn er voor de maatschappelijke diensttijd ook scenario’s met eenbenodigd budget van minder dan € 200 miljoen per jaar?Ja, elk ander bedrag is mogelijk. Hoeveel trajecten voor een lager bedragvoltooid kunnen worden hangt onder andere af van keuzes op het gebiedvan cofinanciering of de vergoeding per traject. Met een subsidiebudgetvan bijvoorbeeld € 100 miljoen en een cofinanciering van 25% kunnenruim 70.000 jongeren worden bereikt. Bij een cofinanciering van 50% stijgtdit aantal naar circa 110.000 jongeren. Als het subsidiebudget € 50miljoen bedraagt, kunnen er bij een cofinanciering van 25% ruim 35.000jongeren deelnemen. Met een cofinanciering van 50% kan dit aantaloplopen tot circa 55.000 jongeren.Let op: de scenario’s gaan uit van de huidige vergoeding per traject(bijvoorbeeld op basis van de lengte of intensiteit). Er kan ook gekozenworden voor een verlaging van de trajectprijs. In theorie kunnen dan meerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1881 jongeren worden bereikt, maar dit heeft wel invloed op de intensiteit (o.a.begeleiding en training).268Kunt u aangeven wat mogelijke scenario’s zijn voor de financiering van demaatschappelijke diensttijd met bijdragen vanuit de meest betrokkenministeries (onder meer Defensie, VWS, SZW en J&V)?Hoewel MDT een interdepartementaal programma is, dat op een positievemanier bijdraagt aan beleidsterreinen van verschillende departementen, isde financiering van het programma niet voorzien vanuit verschillendedepartementale begrotingen. De volledige kosten voor het programmaMDT lagen in de afgelopen jaren bij de OCW begroting en daarvoor bij debegroting van VWS.Bij het borgen van de geleerde lessen van MDT worden de desbetreffendedepartementen betrokken, zodat zij die lessen op hun beleidsterreinenmee kunnen nemen of door kunnen gaan met (elementen van) MDT. In ditborgingstraject nemen we ook een verkenning van mogelijke (interdepar-tementale) financieringsscenario’s mee.269Wat is het effect voor huidige onderzoekers die nu al met een starters-beurs aan de slag zijn?De universiteiten hebben het geld voor de starters- en stimulerings-beurzen die al verstrekt zijn reeds ontvangen van het Ministerie van OCW.Er wordt dus niet door OCW bezuinigd op bijdragen voor reeds toege-kende beurzen. Gezien de afspraken die met de universiteiten zijngemaakt over deze middelen, verwachten wij van de universiteiten dat zijtoegekende starters- en stimuleringsbeurzen in stand houden.Bij de invulling van de budgettaire opgave van het Fonds voor Onderzoeken Wetenschap is onder andere omgebogen op de stimuleringsbeurzen.Een deel van deze middelen blijft bestaan. Het gaat hierbij om een bedragvan gemiddeld € 78 miljoen tot en met 2031. Met deze middelen kunnenuniversiteiten de werkdruk te verlagen. Hierover zijn op 22 oktober deuniversiteiten geïnformeerd.270Klopt het dat het budget voor onderzoekers die nu al een startersbeurshebben behouden blijft?Zie antwoord bij vraag 269.271Wat is het effect voor huidige onderzoekers die nu al met een stimule-ringsbeurs aan de slag zijn?Zie antwoord bij vraag 269.272Klopt het dat het budget voor onderzoekers die nu al een stimulerings-beurs hebben behouden blijft?Zie antwoord bij vraag 269.273Voor hoeveel scholen in het po stopt de subsidie onder het programmaSchool en Omgeving door het beperken van de subsidie?Zie antwoord bij vraag 61.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1882 274Voor hoeveel scholen in het vo stopt de subsidie onder het programmaSchool en Omgeving door het beperken van de subsidie?Zie antwoord bij vraag 61.275Kunt u in een overzicht weergeven hoe de 22% taakstelling op hetambtelijk apparaat per onderdeel van het departement en voor deuitvoeringsorganisaties neerslaat?Dit is op dit moment nog niet bekend. In de ontwerpbegroting 2025hebben alle onderdelen van OCW (kerndepartement, agentschappen enzbo’s) een eerste efficiencytaakstelling opgelegd gekregen van 0,5%structureel over hun apparaatskosten. Deze taakstelling gaat in vanaf2025. Het voornemen is deze efficiencytaakstelling met 0,5% per jaar telaten oplopen tot 2,5% structureel vanaf 2029; dit zal bij Voorjaarsnota inde begroting worden verwerkt. Over de verdere verdeling moet nogbesluitvorming plaatsvinden.276Kunt u aangeven op basis van welke criteria bepaald wordt hoe de 22%taakstelling op het ambtelijk apparaat wordt ingevuld?Dit is op dit moment nog niet bekend. In de ontwerpbegroting 2025hebben alle onderdelen van OCW (kerndepartement, agentschappen enzbo’s) een eerste efficiencytaakstelling opgelegd gekregen van 0,5%structureel over hun apparaatskosten. Deze taakstelling gaat in vanaf2025. Over de verdeling van de 22% vanaf 2026 en de hierbij gehanteerdecriteria moet nog besluitvorming plaatsvinden.277Kunt u concreet aangeven welke taken/werkzaamheden niet meeruitgevoerd gaan worden vanwege de taakstelling van 22% op hetambtelijk apparaat?Dit is op dit moment nog niet bekend. In de ontwerpbegroting 2025hebben alle onderdelen van OCW (kerndepartement, agentschappen enzbo’s) een eerste efficiencytaakstelling opgelegd gekregen van 0,5%structureel over hun apparaatskosten. Deze taakstelling gaat in vanaf2025. Over de verdeling van de 22% vanaf 2026 moet nog besluitvormingplaatsvinden. Dan zal ook meer duidelijk zijn over welke taken enwerkzaamheden er niet meer kunnen worden uitgevoerd.278Betekent de beëindiging functiemix Randstad dat een school minderinkomsten ontvangt terwijl de kosten gelijk blijven?Ja, op de korte termijn is dit mogelijk. De uitgaven die tegenover dedaling in bekostiging staan verdwijnen niet meteen, aangezien lerarenhun rechten op grond van hun arbeidsovereenkomst behouden als zij ineen hogere salarisschaal zijn geplaatst. Dit betekent dat schoolbesturendeze daling in hun bekostiging op de korte termijn moeten opvangenbinnen hun begroting. Vanwege natuurlijk verloop stromen leraren in dehogere salarisschalen op langere termijn echter uit, bijvoorbeeld omdat zijmet pensioen gaan. Aangezien nieuwe leraren door het afschaffen van defunctiemix Randstad mogelijk minder hoog worden ingeschaald, kunnende kosten voor het schoolbestuur op de lange termijn dalen.279Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1883 Wat is het budgettaire effect van de bezuiniging op de ODA-middelen ophogescholen en universiteiten?De ODA-bezuinigingen hebben vooral budgettaire effecten op deinstellingen met een internationaal onderwijs- en onderzoeksinstituut datmet ODA-middelen wordt bekostigd, namelijk de Universiteit Twente,Erasmus Universiteit, TU Delft, Universiteit Leiden, Universiteit Maastrichten Wageningen Universiteit. Met de instituten zijn wij in gesprek over deinvulling van deze bezuiniging. Daarnaast vullen wij een deel van debezuiniging in op de NL Scholarship beurzen met een budgettaire effectop alle universiteiten en hogescholen. In totaal gaat het om een bezui-niging van € 8,5 miljoen vanaf 2026 tot en met 2029. Vanaf 2030 geldt eenstructurele bezuiniging van € 7,2 miljoen per jaar.280Hoeveel docenten zijn er vorig jaar door de gelden uit de functiemixdoorgegroeid naar een hogere schaal?Het is niet bekend hoeveel leraren in 2023 doorgegroeid zijn naar deLC-schaal binnen de Randstadregio. Het is wel bekend dat in 2023 binnende Randstadregio’s circa 15 procentpunt meer leraren ingeschaald warenin een LC-schaal dan buiten de Randstadregio’s (op basis van fte’s).Omgerekend is dat circa 2.000 fte. Uitgedrukt in personen is dit aantalhoger, omdat veel leraren parttime werken.281Hoeveel scholen hebben in totaal nu in schaal doorgegroeide docentenwaarvan ze zelf na het stoppen van de subsidie de kosten moeten dragen?In 2024 zijn er 291 scholen die aanvullende bekostiging verstrekt kregenop basis van de Regeling Versterking Functiemix vo-leraren in deRandstadregio’s.282Kunt u uitsplitsen wat de effecten zijn van de btw-verhoging à € 22miljoen voor school- en studiemiddelen voor een mbo-, hbo- en eenuniversitaire student?De btw-verhoging zorgt voor extra kosten voor de studenten die zelfboeken moeten aanschaffen. Afschaffing van het verlaagd btw-tarief op(zowel fysieke als digitale) boeken/educatieve leermiddelen zal leiden toteen kostenstijging voor studenten in het vervolgonderwijs. Er is nietbekend wat de exacte extra kosten zijn voor studenten, deze zijn ook nietper sector uit te splitsen.283Hoeveel studenten zijn er in het mbo, hbo en wo die niet in aanmerkingkomen voor de compensatie van de btw-verhoging voor school- enstudieboeken?De compensatie van de btw-verhoging voor leermiddelen is beschikbaarvoor scholen in het primair en het voortgezet onderwijs en in het mbovoor studenten onder de 18 jaar voor wat betreft de basisvaardigheden.Dit komt omdat de leermiddelen in het funderend onderwijs voor dezegroepen betaald worden door de scholen zelf vanuit de Rijksbekostiging.Instellingen in het mbo geven een tegemoetkoming in de kosten vanleermiddelen basisvaardigheden aan studenten onder de 18 jaar. Het hboen het wo maken geen kosten voor de leermiddelen van hun studenten enkomen daarom niet in aanmerking voor de compensatie. De betrokkengroep bedraagt in 2025 circa 1,1 miljoen mbo-, hbo- en wo-studenten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1884 284Hoe wordt het gedragseffect van de langstudeerboete meegenomen in debezuiniging?In het hoofdlijnenakkoord is geen gedragseffect meegenomen voor delangstudeermaatregel.285Wat is het effect van de langstudeerboete op studentenaantallen vanstudies voor tekortsectoren?Het kabinet werkt op dit moment de langstudeermaatregel uit. Conformtoezegging uit het Commissiedebat DUO en hoger onderwijs stuurt hetkabinet uw Kamer voor de plenaire behandeling van de begroting vanOCW voor het jaar 2025 een brief over de dilemma’s en uitwerking vandeze maatregel.286Welke invloed zal de langstudeerboete hebben op het aantal studentendat kiest voor een schakeltrajecten?Het kabinet werkt op dit moment de langstudeermaatregel uit. Conformtoezegging uit het Commissiedebat DUO en hoger onderwijs stuurt hetkabinet uw Kamer voor de plenaire behandeling van de begroting vanOCW voor het jaar 2025 een brief over de dilemma’s en uitwerking vandeze maatregel.287Hoe verhoudt de regeling «tegemoetkomingen en subsidies leraar»,waarbij studenten die een lerarenopleiding volgen een jaar extrastudiefinanciering krijgen, zich tot de extra kosten voor studenten van delangstudeerboete?Het kabinet werkt op dit moment de langstudeermaatregel uit. Conformtoezegging uit het Commissiedebat DUO en hoger onderwijs stuurt hetkabinet uw Kamer voor de plenaire behandeling van de begroting vanOCW voor het jaar 2025 een brief over de dilemma’s en uitwerking vandeze maatregel.288Zou de langstudeerboete ervoor kunnen zorgen dat hogescholen ofuniversiteiten met meer langstudeerders meer middelen ontvangen?Nee, hogescholen of universiteiten met meer langstudeerders ontvangenniet meer middelen door de langstudeermaatregel zoals in het hoofdlij-nenakkoord opgenomen. De gedachte is dat studenten die één jaar ofmeer uitlopen in de bachelor- of masterfase € 3.000 extra collegegeldbetalen, wat ten goede komt aan de instelling waar de student isingeschreven. Instellingen ontvangen echter per langstudeerder € 3.000minder Rijksbekostiging. Per saldo levert het de instelling dus geen extramiddelen op. Bovendien werkt het verdeelmodel van de Rijksbijdrage zo,dat instellingen voor studenten die langer dan nominaal studeren, geenRijksbijdrage ontvangen.289Wat is het budgettaire effect van de verminderde inkomsten uit colle-gegeld door het dalende aantal niet-EEG studenten?Uit de Referentieraming 2024 volgt een stijging van het aantal niet-EERstudenten in het wo van 27.000 in 2024 naar 33.500 in 2030 en een stijgingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1885 van het aantal niet-EER studenten in het hbo van 11.500 in 2024 naar13.300 in 2030. De Referentieraming is een beleidsarme raming, waarineventuele effecten van (toekomstig) beleid niet zijn meegenomen. Hetbeleid van dit kabinet is erop gericht om het aantal internationalestudenten te beheersen, vanwege de druk op de onderwijscapaciteit, demaatschappelijke voorzieningen en op het Nederlands als onderwijstaal.Een vermindering van het aantal niet-EER studenten kan verminderdeinkomsten uit collegegeld voor instellingen tot gevolg hebben. Maaromdat deze studenten niet door het Rijk worden bekostigd, heeft dit geenbudgettaire gevolgen voor het Rijk.290Hoe wordt de bezuiniging op internationale studenten ingevuld?De reeks in het hoofdlijnenakkoord weerspiegelt de ambitie van deregering om de uitgaven aan internationale studenten te verminderen. InReferentieraming 2024 is al een afvlakking van internationale studenten-aantallen te zien, mede door de maatschappelijke discussie en deterughoudendheid in de werving door hogescholen en universiteiten.Deze afvlakking draagt bij om de besparing. De verwachting is dat demaatregelen uit de Wet internationalisering in balans op termijn eenverdere bijdrage leveren aan de besparing. Het wetsvoorstel WIB is nietprimair ontworpen om financiële besparingen te realiseren. Zoals ook inhet regeerprogramma is opgenomen, worden daarom ook anderemaatregelen genomen om de ambitie te realiseren, waaronder, tervoorbereiding op de begroting van 2026, bestuurlijke afspraken die leidentot een lagere internationale instroom.Vooruitlopend op het wetsvoorstel, is er ruimte voor onderwijsinstellingenom zelf te sturen op studentenstromen, bijvoorbeeld door het toepassenvan een fixus op een traject, andere vormen van zelfregie, het omzettenvan opleidingen naar het Nederlands en het blijvend herzien van hetwervings- en selectiebeleid.291Hoeveel van de bezuiniging op internationale studenten komt bij het hboterecht en hoe is deze verdeling tussen hbo en wo gemaakt?De taakstelling wordt in mindering gebracht op het bekostigingsbudgetvan het hbo en wo. In de ontwerpbegroting voor 2025 is een pro formaverdeling opgenomen, gebaseerd op het totaal aantal internationaleEER-studenten dat in de beide sectoren studeert: 30% in het hbo en 70%in het wo. De definitieve verdeling zal in de begroting 2026 verwerktworden. Er worden ook bestuurlijke afspraken gemaakt met instellingen.292Hoeveel kan worden bespaard door te kiezen voor een aanbesteding ensamenwerking met reeds bestaande (private) partijen in plaats van zelfonderwijscoördinatoren in dienst te nemen?Sinds 2022 zijn er bij OCW onderwijscoördinatoren in dienst. Zij onder-steunen nu zo’n 2.150 scholen. Of een aanbesteding goedkoper wasgeweest is niet te zeggen. De onderwijscoördinatoren helpen scholen metvraagarticulatie en evidence-informed te werken.293Welke andere vormen van publieke ondersteuning zijn voortgekomen uithet masterplan basisvaardigheden en welk budget is daaraan gekoppeld?Vanuit het Masterplan basisvaardigheden is een aantal initiatieven gestartof verder ondersteund. Eind 2023 is € 74 miljoen geïnvesteerd inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1886 BoekStart in de kinderopvang en in «De Bibliotheek op school». Ook zijner expertisepunten opgericht. In 2024 ging het om een bedrag van€ 598.000 voor het Expertisepunt Rekenen-Wiskunde, een bedrag van€ 1,1 miljoen voor het Expertisepunt Digitale geletterdheid en eenbijdrage van € 790.000 voor het Expertisepunt Burgerschap. Aankomendejaren wordt uitgegaan van vergelijkbare kosten. In deze gevallen heeft hetministerie geoordeeld dat het gezien de urgentie om de prestaties vanleerlingen te verbeteren nodig is om ervoor te zorgen dat scholen bij eencentraal punt terecht kunnen voor (evidence informed) expertise over eenbepaald onderwerp die belangeloos wordt verstrekt.294Zou het kostenbesparend zijn om deze ondersteuning niet langer publiekaan te bieden, maar samen te werken met bestaande private partijen?Welke bezwaren ziet u daartegen?Het is onzeker of ondersteuning met bestaande private partijen kostenbe-sparend zou zijn. De ondersteuning door onderwijscoördinatoren wordtdoor scholen enorm gewaardeerd. Die ondersteuning ziet vooral op devraagarticulatie en hulp bij evidence-informed werken. Hulp bij vraagarti-culatie, oftewel scherp krijgen wat de school écht nodig heeft om eenverbeterslag te maken, en verwijzen naar passende evidence informedepartijen of kennis die hierbij kunnen helpen kan voor marktpartijen somsintrinsiek lastig zijn. Daarom hebben we de ondersteuning hierop publiekingericht.295Wat is de stand van zaken met betrekking tot de evaluatie naar decurriculumbijstelling, zoals in de begroting van 2024 nog vermeld, maar in2025 niet is opgenomen in de Strategische Educatieve Agenda?Eén van de pijlers van het Masterplan Basisvaardigheden is de curricu-lumbijstelling. De curriculumbijstelling wordt daarom niet apart genoemdin de SEA, maar is er dus wel onderdeel van. De stand van zaken is dat demonitoring en evaluatie worden opgezet. Aangezien de nieuwekerndoelen nog niet zijn geïmplementeerd, kunnen deze nog niet wordengeëvalueerd.296Heeft u onderzoek gedaan of private partijen dezelfde diensten kunnenverlenen als de onderwijscoördinatoren?Voor het einde van dit kalenderjaar wordt de Kamer geïnformeerd over demogelijkheden voor de inrichting van een duurzame ondersteunings-structuur en de rol van markt van onderwijsadviesdiensten daarin.297Op welke inhoudelijke punten verschilt het werk van de onderwijscoördi-natoren met dat van private onderwijsadviseurs en op welke inhoudelijkepunten komt het overeen?De ondersteuning ziet vooral op de vraagarticulatie en hulp bij evidence-informed werken.In het geval van de onderwijscoördinatoren is er overigens geen sprakevan economische activiteiten, omdat het gaat om gerichte ondersteuningvan een beperkte groep subsidiescholen ter uitvoering van een subsidie-regeling, wat ook duurzaam bijdraagt aan de kwaliteit van onderwijs.298Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1887 Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de keuze voor een publiekeondersteuningsstructuur met de onderwijscoördinatoren, naast een albestaande private ondersteuningsstructuur?Sinds 2022 is er voor scholen die subsidie verbetering basisvaardighedenkrijgen de mogelijkheid ondersteuning van OCW te krijgen bij hetbesteden van de gelden. De wens was toen en is nu nog steeds, dat hetonderwijsveld hands-on geholpen moet worden met het verbeteren vande onderwijskwaliteit. Het stelsel van commerciële onderwijsadvies-diensten heeft de neergang van de basisvaardigheden niet kunnenstoppen, daarom is destijds gekozen voor directere ondersteuning. Endeze ondersteuning begint vruchten af te werpen. In het najaar ontvangt ude uitkomsten van de verkenning naar de toekomst van een bredereondersteuningsstructuur.299Is de in 2023 aangekondigde periodieke rapportage over de Evaluatie vanhet kansengelijkheidsbeleid 2017–2023 al gereed en wanneer wordt dezemet de Tweede Kamer gedeeld?De Strategische Evaluatieagenda Kansengelijkheid is gereed en inmiddelsook met uw Kamer gedeeld in de Kamerbrief van 25 oktober 2024.300Wanneer wordt de opzet van de periodieke rapportage onderzoeks- enwetenschapsbeleid naar de Tweede Kamer gestuurd?Zie antwoord op vraag 104.301Hoe valt met elkaar te rijmen dat het budget voor vroeg- en voorschoolseeducatie met 10% wordt gekort, terwijl het kabinet zegt de kansenge-lijkheid te willen bevorderen?In het hoofdlijnenakkoord is onder andere besloten om generiek 10% tekorten op alle specifieke uitkeringen en deze over te hevelen naar hetGemeentefonds, wat vrij besteedbaar is. Gemeenten ontvangen budgetvoor voorschoolse educatie via een specifieke uitkering (gemeentelijkonderwijsachterstandenbeleid, GOAB). Het GOAB-budget is naastvoorschoolse educatie ook bedoeld voor activiteiten om onderwijskansenvan kinderen in de basisschoolleeftijd te verbeteren. Voor een overzichtvan de inzet op kansengelijkheid wordt verwezen naar het antwoord opvraag 96.302Klopt het dat bezuiniging van 10% op de middelen voor onderwijsachter-standen op de basisscholen een verschrijving is?Ja, het klopt dat dit een verschrijving is. In het hoofdlijnenakkoord is eenkorting van 10% op specifieke uitkeringen doorgevoerd. Dit heeft alleeneffect op de GOAB-middelen en niet op de OAB-middelen. DeOAB-middelen worden middels bekostiging verstrekt, waarop geenkorting van toepassing is. De opgenomen teksten onder beleidsartikel 1 inde Ontwerpbegroting 2025 zijn leidend conform dit onderwerp.303Wordt binnen het evaluatieprogramma Ontwikkeling van het Jonge Kindnog een effectevaluatie naar de pilots uitgevoerd, zoals in de begrotingvan 2024 nog is vermeld?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1888 In plaats van de effect-evaluatie zal een monitoring- en evaluatieon-derzoek plaatsvinden naar de interventies die de gemeenten uitvoeren inhet kader van het programma Ontwikkeling Jonge Kind. Het gaat hierbijom de 19 gemeenten die deelnemen aan het Nationaal ProgrammaLeefbaarheid en Veiligheid. Deze gemeenten ontvangen voor ditprogramma via een specifieke uitkering (Kansrijke Wijk) extra middelen.Dit monitoringsonderzoek vervangt de in de begroting van 2024 aange-kondigde effect-evaluatie, omdat deze laatste niet uitvoerbaar bleek te zijnaangezien het niet mogelijk was om nieuwe pilots te organiseren.304Welke budgetten zijn er tot en met 2029 per jaar beschikbaar omlaaggeletterdheid tegen te gaan? Kunt u hiervan een overzichtproduceren?€ x mln202420252026202720282029OCW-middelenMiddelen voor kerntaak gemeenten(bijdrage medeoverheden«educatie»)92.0100.581.881.581.581.5Programma-middelen OCW (Tel meemet Taal)24.912.913.213.213.213.2Totaal116.9113.495.094.794.794.7 De programma-middelen OCW (Tel mee met Taal) uit 2024 staan opdiverse Rijksbegrotingen, waaronder OCW artikel 4.305Is de evaluatie naar mainstream en emancipatiebeleid, zoals vermeld inde begroting van 2024, al gereed en wanneer wordt deze met de TweedeKamer gedeeld?Movisie heeft in opdracht van OCW onderzoek gedaan naar gendermain-streaming. Het onderzoek is in september afgerond en de rapportageGendermainstreaming bij de rijksoverheid: Een gedragswetenschappelijkonderzoek is in te zien via rijksoverheid.nl.306Wat zijn de concrete doelen van de (vorming van) onderwijsregio’s,behalve dat er een landelijk dekkend netwerk van onderwijsregio’s moetzijn?Het doel van de onderwijsregio’s is het zorgen voor voldoende en(blijvend) goed opgeleid onderwijspersoneel binnen onderwijsregio’s.Onderwijsregio’s voeren activiteiten uit gericht op het bereiken van doelenmet betrekking tot het werven, matchen, opleiden, begeleiden enprofessionaliseren van onderwijspersoneel.307Wat is het budgettaire effect van dalend aantal leerlingen in het primaironderwijs?Het dalend aantal leerlingen in het primair onderwijs leidt ertoe dat hetleerlingafhankelijke deel van het bekostigingsbudget op de begroting vanartikel 1 evenredig afneemt. Zie ook antwoord op vraag 168 en 328.308Wat betekent het dalend aantal leerlingen voor het budget voor scholen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1889 Indien op een school het aantal leerlingen afneemt, neemt het leerlingaf-hankelijke deel van hun budget evenredig af. Zie ook antwoord op vraag328.309Wat is de reden dat er in 2025 minder budget beschikbaar is voor deAanpak lerarentekort G5?Dit is het gevolg van een technische aanpassing omdat de middelenovergaan van een systematiek per schooljaar, waarbij er in het najaarvooruit wordt betaald, naar een systematiek per kalenderjaar, waarbij inhet voorjaar voor het hele jaar vooruit wordt betaald. Door deze overgangworden er in 2025 alleen de middelen voor het resterende deel van hetkalenderjaar beschikt en betaald en niet voor 12 maanden. In 2026 wordtdan weer voor 12 maanden beschikt en betaald voor een gelijk bedrag permaand. Daarnaast is het voornemen om deze middelen vanaf 2026 teverstrekken via de onderwijsregio’s.310Welke zaken worden bekostigd vanuit de post NGF Digitaal Onderwijs?Hiermee wordt het Nationale Groeifondsvoorstel Digitaal Onderwijs GoedGeregeld - programma Edu-V bekostigd zoals ook nader staat toegelichtop pagina 321 van de memorie van toelichting bij de Ontwerpbegrotingen in de oorspronkelijke aanvraag. Momenteel betreft dit subsidies aanhet programmabureau Edu-V voor de uitvoering van het voorstel.311Wat is de exacte definitie van «de laatste school van een richting» in hetkader van de dunbevolktheidstoeslag en hoe zorgt u ervoor dat dit in lijnblijft met artikel 23 van de Grondwet (gelijke bekostiging voor openbaaren bijzonder onderwijs)?Dat zijn twee aparte instrumenten. De huidige kleinescholentoeslag wordtuitgekeerd aan iedere school met een leerlingaantal lager dan 150,onafhankelijk van de richting. Er wordt gewerkt aan de uitwerking van deambitie in het hoofdlijnenakkoord om de kleinescholentoeslag om tevormen naar een dunbevolktheidstoeslag. De definities van de laatsteschool in de richting, alsook de laatste openbare school, zijn onderdeelvan een uitzonderingsgrond waardoor scholen in stand kunnen blijvenook als ze onder de opheffingsnorm zitten. Dit gaat over erkenderichtingen zoals Protestant-Christelijk, Antroposofisch, AlgemeenBijzonder. Eind dit jaar wordt uw Kamer geïnformeerd over de beleids-voornemens op dit gebied.312Is de huidige lumpsumfinanciering voor primair en voortgezet onderwijsvoldoende om adequate schoonmaak en onderhoud van sanitairevoorzieningen te garanderen?De lumpsumfinanciering is één bedrag waarmee schoolbesturen dekosten voor personeel en exploitatie van de school moeten betalen. Demiddelen zijn niet geoormerkt en sinds 2023 wordt er geen schot meergeplaatst tussen personele en materiële bekostiging. Schoolbesturen zijndus vrij om het geld naar eigen inzicht uit te geven aan de kostenwaarvoor zij volgens de wet verantwoordelijk zijn. Het is daarmee aan hetschoolbestuur om daarbinnen voldoende middelen in te zetten vooronderhoud en schoonmaak van sanitaire voorzieningen.313Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1890 Wanneer komt er een school in aanmerking voor de subsidie voor kleinescholen toeslag?Alle basisscholen die minder dan 150 leerlingen hebben, ontvangen dekleinescholentoeslag. De toeslag loopt op naarmate het aantal leerlingenafneemt.314Hoeveel scholen maken gebruik van de kleine scholen toeslag?Circa 1.850 basisscholen, van de in totaal circa 6.000 basisscholen.315Hoeveel van deze kleine scholen zouden demografisch gezien niet inaanmerking moeten komen voor de kleine scholen toeslag?Met de omvorming naar een dunbevolktheidstoeslag worden debeschikbare middelen efficiënter ingezet en worden scholen die het nodighebben beter ondersteund. Dit betekent dat een deel van de middelenvanuit grote steden ingezet worden naar kleinere dorpen. Eind van hetjaar wordt uw Kamer nader geïnformeerd over dit beleidsvoornemen ende effecten hiervan.316In hoeverre worden ook de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, SintEustatius en Saba geconfronteerd met dezelfde problematiek als die hetCBS heeft gesignaleerd op Curaçao in de studie «The Boy Problem»: datjongens minder succesvol zijn in het onderwijs dan meisjes en zijoververtegenwoordigd zijn binnen het speciaal onderwijs en praktischberoepsonderwijs?Er zijn momenteel geen gegevens beschikbaar waarop een mogelijkverschil in het onderwijssucces van jongens en meisjes op CaribischNederland kan worden vastgesteld.317Kunt u bevestigen of de loon- en prijsbijstelling vanaf 2026 niet volledigzal worden uitgekeerd, en wat zijn de gevolgen hiervan voor deonderwijssector?De reguliere systematiek van indexatie van de begroting met loon- enprijsontwikkeling is onveranderd. Wel zijn er in het hoofdlijnenakkoord entijdens de augustusbesluitvorming twee uitzonderingen aangekondigd diehieronder worden toegelicht.In de budgettaire bijlage van het hoofdlijnenakkoord is aangekondigd dater in 2026 eenmalig een nullijn wordt toegepast voor rijksambtenareninclusief ambtsdragers. Deze maatregel heeft geen gevolgen voor deonderwijssector. Zie ook het antwoord op vraag 145.In de Miljoenennota 2025 is aangekondigd dat ter dekking van aanvul-lende schaderoutes van toeslagenouders incidenteel € 1,4 miljard wordtgedekt door een deel van de eindejaarsmarge van 2024 volgend voorjaarin te houden en dat een verwacht resterend deel van incidenteel € 0,9miljard wordt gedekt met een reservering uit de Rijksbrede prijsbijstellingtranche 2025. Bij Voorjaarsnota 2025 wordt bezien hoe de uitvoering vande aanvullende schaderoutes verloopt en daarmee ook hoeveel van deprijsbijstelling daadwerkelijk nodig is. In de 1e suppletoire begroting 2025van OCW wordt u geïnformeerd over de gevolgen voor deOCW-begroting.318Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1891 Hoe geeft u in het beleid gestalte aan de aanbeveling van het rapport vande VN over de uitvoering van het VN-verdrag Handicap in Nederland:«Strengthen and expand comprehensive support programmes forchildren with disabilities, focusing on education, healthcare and inclusion,and ensure that these programmes are adequately funded, widelyaccessible and effectively monitored»Zie antwoord op vraag 253.319Wordt er gekort op de Gelijke Kansen Alliantie en zo ja hoeveel?Er wordt niet bezuinigd op het budget van de Gelijke Kansen Alliantie.320Hoeveel scholen die niet binnen de vijf procent scholen met de hoogsterelatieve achterstandsscore vallen, doen er op dit moment mee aan hetprogramma School en Omgeving?Momenteel nemen er circa 530 schoolvestigingen deel aan hetprogramma School en Omgeving die niet tot de scholen met vijf procentvan de leerlingen met de hoogste relatieve onderwijsachterstandsscorebehoren.321Kunnen scholen, die nu meedoen aan het programma School enOmgeving maar niet binnen de 5% scholen met de hoogste relatieveachterstandsscore vallen, blijven meedoen aan het programma School enOmgeving?Zie antwoord op vraag 61.322Hoeveel kinderen verliezen hun Rijke Schooldag door de bezuinigingen opde Rijke Schooldag?Zie antwoord op vraag 61.323Welk bedrag moet DUO bezuinigen door de rijksbrede ambtenarentaak-stelling en wat gaan zij niet meer doen hierdoor?In de ontwerpbegroting 2025 heeft DUO een eerste efficiencytaakstellingopgelegd gekregen van 0,5% structureel over hun apparaatskosten, netals de andere onderdelen van OCW. Deze taakstelling gaat in vanaf 2025.Het voornemen is deze efficiencytaakstelling met 0,5% per jaar te latenoplopen tot 2,5% structureel vanaf 2029; dit zal bij Voorjaarsnota in debegroting worden verwerkt. Uitgangspunt is dat deze korting wordtingevuld door efficiënter te gaan werken en dat de korting niet ten kostemag gaan van de kwaliteit van de dienstverlening. Over de verdeling vande OCW-brede taakstelling vanaf 2026 (die oploopt tot 22% in 2029) moetnog besluitvorming plaatsvinden.324Wat is het budgettaire effect van dalend aantal leerlingen in voortgezetonderwijs?Het dalend aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs leidt ertoe dat hetleerlingafhankelijke deel van het bekostigingsbudget op de begroting vanartikel 3 (vo) evenredig afneemt. Zie ook het antwoord op vraag 328.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1892 325Wat betekent het dalend aantal leerlingen voor het budget voor scholen?Zie het antwoord op vraag 308.326Wat is de rationale achter het halveren van het budget voor de professio-nalisering van starters en schoolleiders en het strategisch personeels-beleid vanaf 2025?We zien meerwaarde dat scholen, naast op bestuursniveau, bepaaldevraagstukken rondom personeelsbeleid samen oppakken in de regio.Vanaf 2025 worden middelen uit de regeling «Bijzondere bekostigingprofessionalisering en begeleiding starters en schoolleiders» (voor hetprimair onderwijs) en het strategisch personeelsbeleid gedeelte van deregeling «Aanvullende bekostiging strategisch personeelsbeleid,begeleiding en verzuim vo» (voor het voortgezet onderwijs) deelstoegevoegd aan het budget voor de Onderwijsregio’s. Het restant van demiddelen blijft beschikbaar voor de genoemde regelingen. Met deOnderwijsregio’s zorgen schoolbesturen, lerarenopleidingen en deberoepsgroep samen voor voldoende en goed opgeleid onderwijsper-soneel. Onder deze regionale aanpak valt ook het begeleiden en professio-naliseren van onderwijspersoneel. Door de inzet van financiële middelenvoor de onderwijsregio’s creëren we ruimte voor samenwerking tussenschoolbesturen om zo ook op regionaal niveau op dit onderwerp winst tebehalen. Om deze reden is, in navolging van bestuurlijke afspraken,besloten een deel van de financiële middelen over te zetten naar deOnderwijsregio’s.327Welke projecten krijgen vanaf 2027 geen gelden meer met de afbouw vande NGF-ontwikkelkrachtsubsidie?Het kabinet bouwt het Nationaal Groeifonds voor nieuwe projecten af,maar de bestaande projecten zoals Ontwikkelkracht vinden doorgang,waarmee is ingestemd door de Tweede Kamer. De financiering van hetNGF programma Ontwikkelkracht wordt niet afgebouwd per 2027, maarde middelen voor 2027–2032 staan nog niet op de OCW-begroting. Demiddelen voor Ontwikkelkracht zijn voor de jaren 2022–2026 onvoorwaar-delijk toegekend en voor de jaren 2027–2032 voorwaardelijk. Wanneer aande voorwaarden van de Adviescommissie Nationaal Groeifonds wordtvoldaan, volgt een besluit over de toekenning van de voorwaardelijkemiddelen en dan komen de middelen op de OCW begroting.328Klopt het beeld dat de schoolbesturen in het funderend onderwijs elk jaarminder bekostiging ontvangen vanaf 2025?Het bedrag dat schoolbesturen in het funderend onderwijs ontvangenfluctueert de komende jaren licht. In het primair onderwijs daalt debekostiging licht van€ 14,698 miljard in 2025 naar € 14,694 miljard in 2026 (-0,03%). In de jarenerna stijgt het budget weer licht naar circa € 15,0 miljard. Deze fluctuatiesin het budget zijn met name ontstaan als gevolg van de fluctuaties in deverwachte leerlingaantallen in het primair onderwijs en de bekostiging diedaarop volgt.Voor het voortgezet onderwijs geldt dat de bekostiging voor 2026 eenlichte daling kent naar een bedrag van € 10,7 miljard, in 2027 stijgt hetbudget naar € 10,9 miljard, waarna het budget licht afneemt tot eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1893 bedrag van € 10,8 miljoen structureel. Deze fluctuaties in het budget zijnmet name ontstaan als gevolg van de fluctuaties in de verwachteleerlingaantallen in het voortgezet onderwijs en de bekostiging die daaropvolgt.329Wat klopt er van het beeld dat de aanpak van het lerarentekort door deonderwijsbesturen wordt bemoeilijkt door een daling van de rijksbekos-tiging?Er is geen daling in het bedrag per leerling dat schoolbesturen ontvangen.In tabel 14 van de begroting is te zien dat het bedrag per leerling in debekostiging (basis en aanvullend) gelijk blijft tussen 2024 en 2025 in hetprimair onderwijs. In het voortgezet onderwijs is een zeer lichte daling inde totale bekostiging per leerling. Dit komt met name door eenverschuiving van de middelen voor strategisch personeelsbeleid van deaanvullende bekostiging naar de aanpak van het lerarentekort in deonderwijsregio’s. Hiermee worden middelen specifieker gericht op het ingezamenlijkheid aanpakken van het lerarentekort. Dit betreft 50% van demiddelen voor de regeling strategisch personeelsbeleid in het voortgezetonderwijs en ook 50% van de middelen voor professionalisering enbegeleiding van startende leraren en schoolleiders in het po. Deverwachting is dat door de gezamenlijke inzet meer resultaat bereikt kanworden met dezelfde middelen. Daarnaast wordt er niet bezuinigd op demiddelen voor de aanpak van het lerarentekort, zoals opgenomen opartikel 9 van de OCW begroting.330Hoe schat u in dat de afschaffing van de functiemix-regeling voorvo-leraren in de Randstad het lerarentekort zal beïnvloeden?Op grond van de bekende informatie over de effectiviteit van de middelenis het niet mogelijk om een schatting te doen over het effect van hetafschaffen van de functiemix-regeling op het lerarentekort in de Randstad.Wel blijkt er uit onderzoek van het CPB uit 2015 dat er destijds geeneffecten waren van de hogere beloning op de kans om leraar te blijven. Dehogere beloning heeft er wel voor gezorgd dat een iets groter deel van deleraren in de Randstad bleef werken en er niet voor koos om elders eenbaan als leraar te aanvaarden. Uit onderzoek van ROA en het CAOP uit2016 blijkt dat schoolleiders in het voortgezet onderwijs benadrukken dathun leraren er door de functiemix in salaris op vooruit zijn gegaan,hetgeen bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep.331Hoeveel thuiszitters zijn er op dit moment? Kunt u een overzicht gevenvan het aantal thuiszitters de afgelopen tien jaar?De meest actuele cijfers over het aantal kinderen en jongeren dat thuiszitzijn van de «Leerplichttelling» over het schooljaar 2022–2023. Deze cijferszijn begin mei met de Kamer gedeeld samen met de Kamerbrief passendonderwijs. Het aantal leer- en kwalificatieplichtige kinderen dat tijdens heteinde van schooljaar 2022–2023 niet stond ingeschreven op een school enook geen vrijstelling had (absoluut verzuim) was 13.707. Van deze groepvolgden 4.440 kinderen aan het einde van het schooljaar weer onderwijs.Daarnaast waren er 3.881 kinderen die 4 weken of langer ongeoorloofdniet naar school gingen. Aan het einde van het schooljaar 2022–2023waren dit nog 1682 kinderen.In de Leerplichttelling vindt u de verzuimcijfers van de afgelopen 10 jaaren de ontwikkeling hiervan. Voor een volledig beeld van de verzuimcijfersTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1894 heeft Ingrado (branchevereniging van leerplichtambtenaren) een duidinggemaakt en het Ministerie van OCW een verzuimanalyse.332Welk aandeel van de subsidies voor het doel «verbetering van basisvaar-digheden» is bedoeld voor het ontwikkelen digitale geletterdheid? Kunt uschetsen wanneer een leerling voldoende digitaal geletterd is?De subsidie dient te worden besteed aan taal dan wel rekenen-wiskunde.Aanvullend kunnen scholen ervoor kiezen om vaardigheden op het gebiedvan burgerschapsvorming en digitale geletterdheid te versterken. Er zijnnog geen wettelijke kerndoelen voor digitale geletterdheid, daarom is nunog niet aan te geven wanneer een leerling voldoende digitaal geletterdis. Een kerndoelenteam heeft in opdracht van OCW actuele conceptkern-doelen voor digitale geletterdheid ontwikkeld.333Klopt het beeld dat de bezuiniging op het programma School enOmgeving de aanpak van kansengelijkheid, door onder meer de RijkeSchooldag, ondergraaft?Dit kabinet blijft investeren in de kansen en brede talentontwikkeling vankinderen, onder andere door middel van het programma School enOmgeving, maar maakt hier schepere keuzes in. Door de bezuiniging opdit programma zullen er uiteindelijk minder leerlingen extra leer- enontwikkeltijd aangeboden krijgen dan met het oorspronkelijke budgetmogelijk was. Maar er is nog steeds circa € 300 miljoen per jaarbeschikbaar ten behoeve van de kinderen die dit extra aanbod het hardstnodig hebben. Met de ervaringen uit de deze subsidieregeling wordt denieuwe subsidieregeling op dit moment vormgegeven. Het is daarom nuniet in te schatten, of en zo ja, hoeveel en welke scholen, er in de nieuwesubsidieregeling precies buiten de boot zullen vallen. Dit hangt ook af vanhet aantal nieuwe aanvragen. Voor een overzicht van de inzet opkansengelijkheid wordt verwezen naar het antwoord op vraag 96.334Wat kunt u op grond van onderzoek zeggen over de gevolgen van debezuiniging op het programma School en Omgeving voor de aanpak vankansenongelijkheid?Door de bezuiniging kunnen uiteindelijk minder leerlingen extra leer- enontwikkeltijd ontvangen. Het aanbod voor de 5% leerlingen die hetprogramma het hardste nodig hebben blijft bestaan. Met de ervaringen uitde deze subsidieregeling wordt de nieuwe subsidieregeling op ditmoment vormgegeven. Het is daarom nu niet in te schatten, of en zo ja,hoeveel en welke scholen, er in de nieuwe subsidieregeling precies buitende boot zullen vallen. Eerste lokale onderzoeken laten zien dat het extraaanbod van School en Omgeving leidt tot meer binding met de school,waardoor leerlingen een hoger welbevinden hebben en gemotiveerderzijn. Hiermee zorgt de extra ontwikkeltijd ervoor dat de reguliere lessenmeer effect hebben, en de extra inzet op basisvaardigheden effectieverwordt. Uit onderzoek blijkt namelijk dat hoe hoger het welbevinden en debetrokkenheid van kinderen is, hoe effectiever het onderwijs.335Hoeveel kinderen profiteren op dit moment van het programma School enOmgeving en hoeveel zullen dit er worden na de bezuiniging?Zie het antwoord op vraag 61.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1895 336Wat is uw onderbouwing om het programma voor brede brugklassen niette hervatten?Het kabinet moet scherpe en moeilijke keuzes maken om de overheidsfi-nanciën gezond te houden. Hoewel er geen budget meer is om bredebrugklassen financieel te stimuleren, is het wel goed om te benadrukkendat hiermee het concept brede brugklassen niet verdwijnt. Scholenkunnen hier zelf voor (blijven) kiezen, en vanuit OCW zal kennisdeling opdit thema worden gefaciliteerd.337Wat is het budgettaire effect van het dalend aantal studenten in het mbo?Het aantal leerlingen- en studenten wordt jaarlijks geraamd in dereferentieraming. Wanneer blijkt dat er in een nieuwe raming meer ofminder studenten worden verwacht dan eerder geraamd dan wordt hetbudget voor bekostiging bijgesteld. Jaarlijks worden in de eerstesuppletoire begroting de budgettaire effecten van de referentieramingstructureel verwerkt. Het budgettaire effect is afhankelijk van de bijstellingvan het aantal studenten, maar ook van historische intensiveringen,bezuinigingen en de uitgekeerde loon- en prijsbijstelling.De begrotingssystematiek kent een horizon van vijf jaar. Tot en met 2029blijven de bedragen ongeveer gelijk.€ x mln20252026202720282029bekostiging mbo-instellingen(lumpsum)4.4794.4824.4954.4934.453 x 100020252026202720282029Aantal mbo-studenten (exclusief vavo)469469469465460 338Hoeveel financiële middelen worden er op dit moment uitgetrokken voorhet op peil krijgen van de basisvaardigheden op het mbo?Het op peil krijgen van de basisvaardigheden is een van de doelstellingenuit de werkagenda mbo.De mbo-instellingen zetten in op het realiseren hiervan via de regelingkwaliteitsafspraken.Daarnaast zijn de volgende financiële middelen beschikbaar, bovenop dereguliere bekostiging van mbo-instellingen–€ 30 miljoen per jaar voor professionalisering docenten (onderdeelvan de lumpsum in het mbo).–€ 2 miljoen per jaar voor kwaliteit onderwijs, ontwikkeling vanopleidingstrajecten voor docenten en monitoring taal en rekenen.–€ 1,2 miljoen voor monitoring burgerschap in primair- en voortgezetonderwijs en mbo.–Incidenteel € 7 miljoen voor het uitvoeren en onderzoeken vanevidence-informed taal- en rekeninterventies om mbo-studenten bij tespijkeren.339Hoeveel financiële middelen gaan er naar de MBO Raad?De MBO Raad is een vereniging waarin de leden contributie betalen. Daarbovenop wordt voor specifieke doelen gewerkt met subsidies. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1896 verantwoording van de door OCW gesubsidieerde projecten wordtopgenomen in de jaarrekeningen van de MBO Raad. In 2023 was dit € 8.2miljoen. De jaarrekeningen worden gepubliceerd via de website van deMBO Raad.340Hoe worden de financiële middelen binnen de MBO Raad besteed?De MBO Raad vrij is om te doen wat ze wil met het lidmaatschapsgeld datzij van haar leden ontvangt. De middelen die zij ontvangt van OCWworden volgens de door OCW goedgekeurde projectbegrotingen besteed.Per project is de besteding verschillend, over het algemeen wordt 80%van de subsidiegelden besteed aan inhoudelijke personele inzet en 20%aan materiele kosten. De middelen worden besteed aan kennisontwik-keling en kennisoverdracht voor het mbo.341Hoeveel fte is er op dit moment werkzaam bij de MBO Raad?In 2023 had de MBO Raad 122,2 fte in dienst, waarvan 18,8 fte ten dienstevan de door OCW gefinancierde projecten.342Hoeveel studenten van 27 jaar of ouder, die al een startkwalificatie opniveau 3 of 4 binnen het Middelbaar Beroepsonderwijs hebben behaald,ontvangen jaarlijks bekostiging vanuit de overheid voor studie?Op 1 oktober 2023 volgden er in totaal 459.000 studenten een bekostigdeopleiding. Daarvan zijn ongeveer 51.000 studenten van 27 jaar en ouder(11%). Van deze groep studenten hebben er in totaal ongeveer 16.000 aleerder een mbo 3 of 4 diploma gehaald (3%). Het merendeel van destudenten die al een niveau 3 of 4 diploma hebben gehaald volgen eenbbl-opleiding (15.000 studenten), slechts een klein deel volgt eenbol-opleiding (700 studenten). Dit zijn zowel studenten die binnen het mbodoorstromen als studenten die van buiten het onderwijs weer eenopleiding gaan volgen. In totaal volgt 86% van deze groep studenten eenopleiding in de richting van zorg, techniek of ICT.343Hoe is de procentuele verdeling van de financiering voor nieuwembo-studenten en voor studenten die een diploma behalen en hoeveelontvangt een mbo-instelling wanneer een student een diploma behaalt?De rijksbijdrage wordt verdeeld over de instellingen op basis van hetaantal studenten, de behaalde diploma’s, de leerweg en de prijsfactor vaneen opleiding. In totaal wordt 20% van de totale rijksbijdrage aanmbo-instellingen verdeeld op basis van behaalde diploma’s. Daarbij krijgteen diploma een bepaald gewicht afhankelijk van het niveau. De waardevan een eerder behaald diploma wordt in mindering gebracht, tenzij destudenten in drie aaneengesloten voorgaande jaren niet wasingeschreven in het mbo. Er worden geen vaste prijzen gehanteerd in hetverdeelmodel, ook niet voor behaalde diploma’s.344Zijn er al effecten zichtbaar van het BBL-offensief en zo niet, wanneerworden hier eerste resultaten van verwacht?Zoals in de Kamerbrief van 17 juli 2024 is geschreven over de voortgangvan de Werkagenda MBO, is het aantal en het aandeel bbl-studenten in2023 gestegen ten aanzien van de drie jaren daarvoor. Hierbij moetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1897 worden opgemerkt dat economische omstandigheden doorgaans eenbelangrijke invloed op de hoeveelheid bbl-studenten hebben. In econo-misch goede tijden waarin er een grotere vraag is naar arbeidskrachtenzijn werkgevers eerder bereid om te investeren in het opleiden van nieuwpersoneel via de bbl.In het offensief werkt OCW samen met partners uit het onderwijs enbedrijfsleven aan maatregelen om de bbl bekender te maken bij allerelevante doelgroepen in en om het onderwijs heen. Ook zetten we in ophet wegnemen van knelpunten voor initiële studenten en zij-instromersdie baat hebben bij een bbl-opleiding. De bbl moet aantrekkelijk zijn voor(potentiële) studenten, want we hebben vakmensen nodig. Dat vereistinspanningen van diverse partijen. In het pact voor de arbeidsmarkt vande toekomst, dat u voor de zomer van 2025 ontvangt, nemen wij deafspraken op die wij met de partners van het bbl-offensief maken. Actiesdie al eerder door een of meerdere partners uitgevoerd kunnen wordenom de bbl te promoten en te versterken, worden alvast uitgevoerd.Middels Kamerbrieven houden wij u daarover op de hoogte.345Hoeveel procent van de mbo-studenten zal van 2022 tot 2028 naarverwachting het BBL-traject volgen?Jaarlijks wordt het aantal studenten en leerlingen voor alle onderwijssec-toren geprognotiseerd in de referentieraming. Onderstaande gegevenskomen uit de referentieraming 2024. In tabellen 1 en 2 uit deze ramingwordt zichtbaar dat het mbo – en de bbl specifiek – te maken heeft metdalende studentenaantallen. Dit komt door de veranderende demogra-fische samenstelling van de bevolking en de verwachte economischeontwikkelingen.Vakmensen zijn echter hard nodig. Nederland staat voor grote opgaven ende bbl is bij uitstek geschikt om de vakmensen voor deze opgaven op teleiden. In het bbl-offensief wordt samen met het onderwijs, werkgevers enwerknemers gewerkt aan het gericht versterken van de bbl. De partnersvan het offensief zetten in op het bekender en aantrekkelijker maken vande bbl, zodat het een aantrekkelijke optie blijft en wordt voor studentenvoor wie dit passend is. Vooralsnog zijn de effecten van de maatregelenuit het bbl-offensief niet meegenomen in de ramingen. Een update overdit offensief ontvangt uw Kamer dit najaar in de brief over de WerkagendaMBO.Tabel 1. Prognose aantal mbo-studenten, referentieraming 2024 (x 1000 studenten)2022202320242025202620272028BOL347330340350356362365BBL136140128119113107100Subtotaal483470468469469469465 Tabel 2. Prognose verhoudingen bol- en bbl-studenten, referentieraming 20242022202320242025202620272028BOL72%70%73%75%76%77%78%BBL28%30%28%26%24%23%22%Subtotaal100%100%100%100%100%100%100% 346Kunt u per prioriteit uit het Stagepact mbo aangeven hoe de prioritering isterug te zien in middelen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1898 Er valt geen uitsplitsing te maken per prioriteit van het Stagepact en hoedit terug te zien is in de middelen. Het Stagepact kent meerdere priori-teiten, maar deze hangen nauw met elkaar samen. Om die reden is ervoor gekozen om niet per prioriteit te financieren. SBB, de MBO Raad enVNO NCW / MKB Nederland hebben aanvullende middelen ontvangen terondersteuning bij de uitvoering van meerdere prioriteiten. Dembo-instellingen kunnen hun kwaliteitsmiddelen inzetten ten behoeve vande uitvoering van het Stagepact.347Kunt u per prioriteit van de Werkagenda mbo aangeven hoe dezeprioritering zich uit in financiële middelen?In onderstaande tabel treft u de investeringen van mbo-instellingen op deprioriteiten van de Werkagenda op basis van de beschikbare begrotingenvan mbo-instellingen.€ x 1 miljoen2024202520262027TotaalPrioriteit 1: kansengelijkheid3222912902881.191Prioriteit 2: aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt165164162159650Prioriteit 3: kwaliteit, onderzoek eninnovatie2932932942941.175Totaal investeringen vanuit kwaliteitsa-genda’s mbo-instellingen7957657627573.081 De investeringen uit de kwaliteitsagenda’s bevatten de middelen diebeschikbaar zijn gesteld via de Regeling kwaliteitsafspraken mbo2024–2027. Daarnaast gebruiken instellingen ook andere middelen om inte zetten voor de prioriteiten van de Werkagenda. Het betreft bijvoorbeeldmiddelen uit de lumpsum en andere regelingen in het mbo.In een separate brief wordt uw Kamer voor de begrotingsbehandelingnader geïnformeerd over de inzet van de mbo-instellingen in termen vandoelstellingen en maatregelen die aan deze middelen zijn gekoppeld.348Heeft u inzicht in hoeveel procent van de mbo-studenten een stagever-goeding ontvangt, uitgesplitst naar sector?41% van mbo-studenten van de beroepsopleidende leerweg (bol)ontvangt een stagevergoeding. Studenten uit de sector Voedsel, groen engastvrijheid ontvangen het minst vaak een stagevergoeding, studenten uitde sector techniek en gebouwde omgeving het vaakst. Alle cijfers zijn tevinden bij het CBS.349Klopt het dat de eerste prioriteit van de Werkagenda mbo is dat allestudenten gelijke kansen krijgen, maar dat de middelen Gelijke kansenstoppen?De middelen voor gelijke kansen in het mbo worden niet gestopt.Instellingen kunnen middelen uit de kwaliteitsagenda inzetten opkansengelijkheid. In het begrotingsartikel 4 voor mbo is te zien dat demiddelen voor de Gelijke Kansen Alliantie vanaf 2024 op 0 staan. Ditbetreft echter een technische wijziging. De middelen lopen door, enhebben een plek gekregen op artikel 1 (primair onderwijs) Dit heeft temaken met organisatorische wijzigingen in de ambtelijke organisatie enheeft geen financiële consequenties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1899 350Klopt het dat er helemaal geen middelen meer gaan naar Leven LangOntwikkelen? Zo nee, kunt u inzichtelijk maken hoeveel middelen er gaannaar Leven Lang Ontwikkelen de komende vijf jaar?Het kabinet investeert met verschillende lopende NGF-programma’s circa€ 700 miljoen in Leven Lang Ontwikkelingen (LLO). Deze programma’slopen in de komende vijf jaar af. Buiten deze programma’s investeertOCW geen extra middelen in LLO. De activiteiten uit de OnderwijsagendaLLO (november 2023) worden onverminderd uitgevoerd.351Klopt het dat er na 2026 geen middelen meer zijn voor de aanpak vanlaaggeletterdheid?Nee, er blijven middelen beschikbaar voor de aanpak van laaggelet-terdheid na 2026. In de begroting kunt u die middelen terugvinden onderde subsidiereeks voor «Actieplan laaggeletterdheid/Tel mee met Taal» ende bijdrage aan medeoverheden «educatie». Gemeenten ontvangen dezemiddelen. De bedragen vindt u onder het antwoord op vraag 304.352Hoeveel docenten in het mbo vielen onder de salarismix Randstadregio’s?Uit de gegevens van DUO blijkt dat van 2019 tot en met 2023 gemiddeld10.895 fte per jaar aan docenten in het mbo onder de regeling salarismixRandstadregio’s vielen. De regeling is stopgezet per 1 januari 2024.353Wat voor zaken werden bekostigd met de middelen Gelijke kansen?Dit zijn de middelen voor de Gelijke Kansen Alliantie, waarvoor het budgetvanaf 2024 op artikel 1 (primair onderwijs) van de begroting staat. In deGel(ke Kansen Alliantie werkt OCW samen met scholen (in primair envoortgezet onderwijs) en gemeenten aan effectieve interventies diepassen b( de lokale context, zodat ook kinderen die opgroeien insociaaleconomisch ongunstige omstandigheden een goede start kunnenmaken in het onderwijs. Daarbij is er aandacht voor de omgeving vanschool, thuis en de wijk, omdat de omstandigheden om te kunnen lerenvoor kinderen voor een belangrijk deel ook buiten de school liggen. DeGKA investeert daarnaast ook in kennisopbouw en – deling binnen hetlandelijke netwerk, bijvoorbeeld voor het programma School enOmgeving. Als uit monitoring en onderzoek interventies effectief blijken,kunnen die worden opgeschaald naar een bredere groep scholen. Eenvoorbeeld hiervan is de landelijke subsidieregeling brugfunctionaris.354Klopt het dat de SBB16 wordt gekort op middelen? Welke taken moetenhoeven zij niet meer uit te voeren als gevolg van deze bezuiniging?Het CPB hanteert bij Keuzes in Kaart het uitgangspunt dat de maximalegenerieke korting op het overheidsapparaat is bepaald op 0,5%. Vandaardat OCW deze generieke efficiencytaakstelling toepast voor het geheleOCW-concern en haar zbo’s. Deze efficiencytaakstelling gaat, conform hetCPB-rapport Keuzes in Kaart, specifiek over apparaatskosten. OCW blijfthet gesprek voeren met SBB over de doorontwikkeling van hun taakuitoe-fening en het behoud van kwalitatief goede dienstverlening.16SBB: Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs BedrijfslevenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18100 355Hoeveel «begeleidingsgesprekken jeugdwerkloosheid» zijn er gevoerd?Klopt het dat de middelen hiervoor worden gekort?Op basis van de eerste regeling nazorg zijn ruim 19.000 jongerenondersteund. Dit gaat om het aantal unieke jongeren dat ondersteuningheeft gekregen in 2022 en 2023. Mbo-instellingen hoeven niet alleindividuele gesprekken bij te houden, waardoor het aantal gevoerdegesprekken niet bekend is. Het klopt niet dat de middelen voor de AanpakJeugdwerkloosheid worden gekort. Het bieden van deze begeleidingsge-sprekken is onderdeel van het wetsvoorstel Van school naar duurzaamwerk en wordt daarmee een structurele taak voor mbo-instellingen. Hetbeschikbare budget voor scholen voor het bieden van deze ondersteuningblijft ook na inwerkingtreding gelijk. Dit wetsvoorstel wordt nog dit jaaraan uw Kamer gestuurd.356Welke stappen onderneemt u om regionale publiek-private samenwer-kingen in technische sectoren verder op te schalen?Het opschalen van regionale publiek-private samenwerkingen intechnische sectoren gebeurt door middel van verschillende programma’s«LLO Katalysator» en «Opschalen PPS». De focus ligt daarbij op deklimaat- energie- en digitale transitie. Ook is er «Techkwadraat», waarinwordt gewerkt aan toegankelijk technologieonderwijs voor álle kinderenin het funderend onderwijs. Binnen Techkwadraat is op landelijk,provinciaal, regionaal en lokaal niveau sprake van publiek-privatesamenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en (maatschappelijke)organisaties in de buitenschoolse leeromgeving. Om te komen totduurzaam, dekkend en kwalitatief sterk technisch onderwijs in hetberoepsgerichte vmbo is er daarnaast nog «Sterk Techniek Onderwijs»voor samenwerkingen tussen onderwijs, bedrijfsleven en overheid in deregio.357Hoe wordt de aansluiting tussen regionale vakscholen/opleidingsbedrijven enonderwijsinstellingen verder verbeterd?Via verschillende programma’s is geïnvesteerd in de totstandkoming vanpubliek-private samenwerking op het snijvlak van onderwijs en arbeids-markt. Zie voor voorbeelden het antwoord op vraag 356. Hier zijn onderandere werkgevers, hun opleidingsbedrijven en door OCW-bekostigdeonderwijsinstellingen een actor in. Het bedrijfsleven creëert daarnaast zelfwaardevolle leeromgevingen in samenwerking met opleiders. Inbedrijfsscholen en opleidingsbedrijven leren vakmensen de vaardighedendie zij nodig hebben voor het uitoefenen van hun beroep.Zoals aangekondigd in het regeerprogramma werkt dit kabinet daarnaastaan de totstandkoming van een pact Opleiden voor de Arbeidsmarkt vande Toekomst. Daarin willen we met betrokken partijen afspraken makenover het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt,met specifieke aandacht voor publiek-private samenwerking. In het pactbesteden we tevens expliciet aandacht aan wat er regionaal en watlandelijk nodig is, zodat dit elkaar versterkt.358Hoeveel denkt u dat het deels uitkleden van de subsidie praktijklerenbijdraagt aan het behalen van de doelstelling uit het stagepact «eenpassend vergoeding voor iedere student»?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18101 Zoals in vraag 6 is beantwoord, is er sprake van een beperkte bezuinigingop de subsidieregeling praktijkleren die naar verwachting geen of beperkteffect zal hebben op werkgevers die een praktijkleerplaats aanbieden. Ditstaat los van de doelstelling uit het Stagepact dat iedere student rechtheeft op een passende vergoeding voor de stage of leerbaan. Of eenbedrijf wel of geen subsidie praktijkleren krijgt, is niet van belang voor devergoeding die studenten ontvangen. In het Stagepact is afgesproken datalle bbl-studenten een arbeidscontract en loon ontvangen. Voor hetovergrote deel van de bbl-studenten is dit ook al zo. Tegelijkertijd zietOCW een verbeterpunt, omdat uit onderzoek van SZW naar cao-afsprakenblijkt dat specifieke loonafspraken voor bbl-studenten in tweederde van decao’s uitblijft.359Welke overwegingen liggen er, naast de subsidietaakstelling, tengrondslag aan de bezuinigingen op de subsidie praktijkleren?Zoals de Minister van OCW in de Kamerbrief van 24 oktober 2024 met deinvulling van de subsidietaakstelling voor OCW heeft laten weten, blijft deMinister inzetten op de subsidieregeling praktijkleren. Dit betekent dat ervanaf 2030 slechts 5% structureel bezuinigd wordt op de regeling,waardoor € 220 miljoen voor praktijkleren overblijft. Gezien de verwachtedaling van het aantal mbo-studenten, heeft de korting op deze regelingnaar verwachting geen significante impact op het aantal en op het bedragper praktijk- en werkleerplaats na 2030.De bezuiniging voor deze regeling van circa € 150 miljoen was eenvoorlopige technische verwerking van de subsidietaakstelling. Ditreflecteert echter niet onze inhoudelijke keuze, die gemaakt is in deKamerbrief van 24 oktober 2024 over de invulling van de subsidietaak-stelling voor OCW.360Klopt de redenatie dat het deels uitkleden van de subsidie praktijklerengaat leiden tot minder praktijk- en werkleerplaatsen?Zoals in vraag 6 en vraag 359 is beantwoord wordt er slechts beperktbezuinigd op de subsidieregeling praktijkleren. Gezien de verwachtedaling van het aantal mbo-studenten, heeft de korting op deze regelingnaar verwachting geen significante impact op het aantal en op het bedragper praktijk- en werkleerplaats na 2030.361Op grond van welke overwegingen wordt de komende jaren € 58,3miljoen, in 2026 oplopend naar € 152,5 miljoen, bezuinigd op desubsidieregeling praktijkleren?Zoals in de antwoorden op de vragen 6 en 359 is aangegeven, is er geensprake van een bezuiniging van meer dan € 150 miljoen op de subsidiere-geling praktijkleren. Dit was slechts een voorlopige technische verwerkingvan de subsidietaakstelling die vooruitliep op de toen aangekondigde notavan wijziging die is ingediend, en staat los van de inhoudelijke keuzes diemet de indiening van de nota van wijziging gemaakt zijn. Zie hiervoor ookde Kamerbrief van 24 oktober 2024.362Kunt u een overzicht geven van de afgelopen tien jaar van het aantalmensen dat er in Nederland laaggeletterd zijn?Een inschatting van het aantal laaggeletterden in Nederland wordt gedaanop basis van OESO-data uit het Programme for the InternationalTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18102 Assessment of Adult Competencies dat eens in de tien jaar plaatsvindt. Dehuidige schatting van 2,5 miljoen mensen wordt gebaseerd op gegevensuit het PIAAC-onderzoek van 2013. De ontwikkeling van jaar op jaar wordtdaarin niet bijgehouden. In december 2024 presenteert de OESO nieuwecijfers.363Welke impact zal een verdere daling van dit subsidiebudget hebben op deopleiding van (aankomend) zorgprofessionals en het aantal studenten meteen beperking dat een praktijkleerplaats kan vinden?Zoals in het antwoord op vraag 6 staat aangegeven, heeft de structurelebezuiniging van 5% vanaf 2030 naar verwachting geen significante impactop het aantal en op het bedrag per praktijk- en werkleerplaatsen. Dit geldtook voor het aantal leerplaatsen voor zorgprofessionals en voor studentenmet een beperking.364Hoeveel mensen hebben tot nu toe door het project LLO CollectiefLaagopgeleiden en Laaggeletterden een opleiding kunnen volgen? Klopthet dat dit project stopt na 2027?Het LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden is een project inhet kader van het Nationaal Groeifonds. In eerste instantie zijn tweepilotregio’s – Zuidoost-Brabant en Twente – geselecteerd om eenmaatwerk opleidingsaanbod aan te bieden aan deze doelgroep. Dezeregio’s zitten nog volop in de uitvoeringsfase. Een eerste tussenmetinglaat zien dat er tot nu toe 244 mensen in deze regio’s een traject zijngestart.Naar verwachting zal het Nationaal Groeifonds in het eerste kwartaal van2025 besluiten of de voorwaardelijk toegekende middelen wordenvrijgegeven voor het LLO Collectief. Indien dit gebeurt, dan zullen nogeens achttien regio’s van start kunnen. Die nieuwe projecten hebbenwaarschijnlijk een looptijd tot en met 2027. Doel is om de innovaties,nieuwe samenwerkingen en geleerde lessen uit de regio’s te borgen in dereguliere structuren voor de aanpak van basisvaardigheden bij volwas-senen, zodat deze ook na de looptijd van de projecten gebruikt kunnenworden.365Hoe gaat de verlaging van € 0,3 miljoen van overige subsidies neerslaanbij de betreffende subsidies?Deze middelen op het instrument overige subsidies waren bestemd voorbeleidsontwikkeling in het mbo. Nu worden deze middelen gedeeltelijkingezet voor € 0,3 miljoen ter dekking van de subsidietaakstelling in 2025.366Klopt het dat in het Hoofdlijnenakkoord staat dat niet zou wordenbezuinigd op uitvoeringsorganisaties, maar dat DUO toch wordt gekort?Welke overweging ligt hier aan ten grondslag?In het hoofdlijnenakkoord is opgenomen dat de uitvoering bij de invullingvan de taakstelling op de apparaatskosten wordt ontzien. Het CPBhanteert bij Keuzes in Kaart het uitgangspunt van een maximale generiekeefficiencykorting van 0,5% per jaar op het overheidsapparaat. Vanuit dezeoptiek is er voor gekozen deze korting toe te passen op het kerndepar-tement, de dienstonderdelen en de zelfstandige bestuursorganen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18103 367Klopt het dat de SBB na 2025 geen aanvullende middelen ten behoevevan de uitvoering van het Stagepact mbo ontvangt, terwijl het Stagepactdoorloopt tot 2027? Hoe verwacht u dat de SBB enerzijds bezuinigt enanderzijds haar wettelijke taken blijft uitvoeren?SBB krijgt in de jaren 2023–2025 aanvullende financiering ten behoevevan het Stagepact. Een deel van deze middelen is structureel. Dezemiddelen zijn o.a. ingezet om extra producten te ontwikkelen ter onder-steuning van praktijkbegeleiders in leerbedrijven om de kwaliteit van destagebegeleiding te verbeteren en stagediscriminatie tegen te gaan. Ookzijn de middelen ingezet voor adviseurs praktijkleren zodat zij meer enbetere begeleiding kunnen bieden aan leerbedrijven. Van de ontwikkeldeproducten en de extra kennis bij adviseurs praktijkleren kan de sector ookde komende jaren nog profiteren. Het gaat dan bijvoorbeeld om ontwik-kelde workshops en tipkaarten over begeleiding van studenten met eenextra ondersteuningsbehoefte en leaflets waar extra informatie overstagediscriminatie in is opgenomen. In overleg met SBB wordt gekekenhoe de tijdelijke impuls na 2025 een plek kan krijgen in de structurelewettelijke taken, en hoe de aanvullende structurele middelen zo goedmogelijk ingezet kunnen worden, bijvoorbeeld voor onderhoud van deontwikkelde producten. Het wegvallen van de aanvullende middelen isgeen bezuiniging, vanaf de start was reeds duidelijk dat deze extra impulsvoor de periode 2023–2025 zou zijn.368Hoe rijmt u de efficiëntietaakstelling voor SBB en de mogelijke taakstellingvoor de Subsidieregeling praktijkleren met het tekort aan vakmensen?Zowel de efficiencytaakstelling voor SBB als de beperkte bezuiniging voorde subsidieregeling praktijkleren, zou niet moeten leiden tot inperking vanbelangrijke activiteiten voor de aansluiting tussen onderwijs en dearbeidsmarkt.Zoals ook beschreven in het antwoord op vraag 354, hanteert het CPB bijKeuzes in Kaart het uitgangspunt dat de maximale generieke korting ophet overheidsapparaat is bepaald op 0,5%. Dit zou niet moeten leiden opde kwaliteitsverlies of inlevering op belangrijke taken van SBB voor hetversterken van de aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt. OCW blijft hetgesprek hierover voeren met SBB.Zoals ook beschreven in het antwoord op vraag 6, heeft de beperktebezuiniging op de subsidieregeling praktijkleren van 5% vanaf 2030 naarverwachting geen of een beperkt negatief effect op het aantal praktijk- enwerkleerplaatsen en dus ook niet voor het opleiden van vakmensen in debbl.369Deelt u de mening dat gezien het tekort aan vakmensen er geïnvesteerdzou moeten worden in het praktijkleren in het mbo?Wij delen uw mening dat het opleiden van goede vakmensen belangrijk is.Daarom blijven we structureel jaarlijks € 220 miljoen investeren in deregeling praktijkleren.Zoals in het antwoord op vraag 6 en 359 staat aangegeven heeft debeperkte korting op de subsidieregeling praktijkleren, zeker gezien deverwachte daling van het aantal mbo-studenten, naar verwachting geensignificante impact op het opleiden van vakmensen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18104 370Wat is het budgettaire effect van het dalend aantal studenten in het hbo?In de Referentieraming 2024 zien we een daling van 444.200 studenten instudiejaar 2024/25 naar 409.500 studenten in studiejaar 2030/31. Dit betreftzowel voltijd- als deeltijdstudenten. Het is niet mogelijk om nu hetbudgettaire effect per jaar door dalende studentenaantallen precies vast testellen, omdat dit effect afhankelijk is van de toekomstige ontwikkelingvan de Referentieraming en de prijs per student in de komende jaren. Deonderwijsuitgaven per student in het hbo, zoals opgenomen in deontwerpbegroting, bedraagt € 10.500 in 2025.371Wat betekent het dalend aantal leerlingen voor het budget voorhogescholen?Zie het antwoord op vraag 370.372Wat is het budgettaire effect van het dalend aantal studenten in het wo?In de Referentieraming 2024 zien we een stijging van 342.400 studenten instudiejaar 2024/25 naar 347.300 studenten in studiejaar 2030/31. Het aantalNL/EER studenten neemt in deze periode af van 315.400 naar 312.400studenten. Dit betreft zowel voltijd- als deeltijdstudenten. Het is nietmogelijk om het budgettaire effect per jaar door dalende studentenaan-tallen precies vast te stellen, omdat dit effect afhankelijk is van deontwikkeling van de Referentieraming en de prijs per student door dejaren heen. De onderwijsuitgaven per student in het wo, zoals opgenomenin de ontwerpbegroting, bedraagt € 9.000 in 2025.373Wat betekent het dalend aantal leerlingen voor het budget vooruniversiteiten?Zie het antwoord op vraag 372.374Hoeveel van de financiële middelen van de rijksbijdrage aan onderwijs-instellingen landt bij onderzoek, wetenschap en onderwijs?Door het lumpsumkarakter van de rijksbijdrage aan de instellingen en debestedingsvrijheid, is het niet mogelijk dit inzichtelijk te maken. Deinstellingen bepalen zelf hoe zij dit geld besteden. In de tabel bij vraag 35is de ontwikkeling van het lumpsumgedeelte voor de verschillendeonderdelen van de Rijksbijdrage weergegeven. Deze onderverdeling hoeftvanwege de bestedingsvrijheid niet overeen te komen met de uiteindelijkebestedingen van de instelling.375Hoeveel van de financiële middelen van de rijksbijdrage aan onderwijs-instellingen landt bij overhead en communicatie?Door het lumpsumkarakter van de rijksbijdrage aan de instellingen en debestedingsvrijheid, is het niet mogelijk dit inzichtelijk te maken. Deinstellingen bepalen zelf hoe zij dit geld besteden. Als benadering vooroverhead kan bijvoorbeeld wel het percentage ondersteunend en beheerpersoneel (OBP) bij universiteiten in relatie tot het totaal personeelworden gebruikt. Volgens opgave van de UNL is dit in 2023 circa 41%. DeUNL heeft een uitsplitsing hiervan in verschillende onderdelen zoalsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18105 onderwijs en onderzoekondersteuning, facilitaire zaken, management enbestuursondersteuning et cetera. Het aantal communicatiemedewerkerswordt door de UNL niet apart zichtbaar gemaakt. Exclusief onderwijs enonderzoekondersteuning is het OBP circa 32% van het totale personeelvan de universiteiten. Het percentage van 32% is relatief stabiel sinds2010.376Welke onderwijsinstellingen maken op dit moment gebruik van eencapaciteitsfixus?In studiejaar 2024–2025 zijn er in het hbo en wo 88 voltijd-bacheloropleidingen met een capaciteitsfixus. Deze opleidingen zijnverspreid over 13 hbo-instellingen en 12 universiteiten. Een actueeloverzicht van opleidingen met een numerus fixus is te raadplegen viastudiekeuze123.nl.377Wat zijn de meest recente cijfers op het gebied van onveiligheid vanJoodse studenten op onze onderwijsinstellingen?Op hogescholen en universiteiten is geen registratieplicht voor antisemi-tische incidenten. Er zijn daarom geen cijfers beschikbaar op het gebiedvan onveiligheid voor Joodse studenten. Via het CIDI komen wel meermeldingen van antisemitische incidenten binnen het onderwijs binnen,maar hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen sectoren. Wel laathet kabinet zich door de Nationaal coördinator antisemitismebestrijdinginformeren over signalen van onveiligheid van Joodse studenten.378Wat doet u op dit moment om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingenvoor alle studenten vrij en veilig toegankelijk zijn?De verantwoordelijkheid voor vrij, en veilig toegankelijk onderwijs ligtprimair bij de instellingen zelf. In het kader van de protesten rond desituatie in Gaza voeren wij het gesprek met de instellingen over hoe zijomgaan met de protesten en de impact daarvan op de (ervaren) veiligheidvan alle studenten en medewerkers. Wij zien het als onze verantwoorde-lijkheid om beleid te voeren dat normen stelt en om instellingen testimuleren, faciliteren en ondersteunen bij de transitie naar meer socialeveiligheid voor studenten, docenten en onderzoekers. Dit doen wij met deintegrale aanpak sociale veiligheid. Daarnaast werken wij op dit momentaan de concrete uitvoering van de motie Martens America (Kamerstuk36 560 VIII, nr. 13), die ziet op het rapporteren van de Kamer over situatieswaarin onderwijsinstellingen niet vrij, veilig of toegankelijk zijn. Wij zullenuw Kamer voor het kerstreces hierover nader informeren.379Welke onderwijsinstellingen en/of opleidingen zijn voornemens demogelijkheid af te schaffen om cum laude af te studeren?Er is geen overzicht van onderwijsinstellingen of opleidingen dievoornemens zijn de mogelijkheid af te schaffen om cum laude af testuderen. Ook zijn ons geen signalen bekend. Instellingen nemen de eisenom de aantekening cum laude te ontvangen op in de onderwijs- enexamenregeling (OER) of de Regels en Richtlijnen van de examen-commissie.380Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18106 Hoeveel financiële middelen gaan naar de Nederlands-VlaamseAccreditatieorganisatie?In 2025 gaat er vanuit het Ministerie van OCW, voor hoger onderwijs, € 7miljoen naar de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) ende Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CHDO). Daarnaastontvangt de NVAO ook middelen vanuit het Ministerie van OCW, voormiddelbaar beroepsonderwijs, in 2025 ter hoogte van € 590.000 voor deinstellingssubsidie van de Commissie Macrodoelmatigheid mbo(CMMBO).381Hoe worden de financiële middelen binnen de Nederlands-VlaamseAccreditatieorganisatie besteed?De NVAO is een zelfstandig bestuursorgaan en is daardoor zelf verant-woordelijk voor haar bedrijfsvoering en financiële huishouding. Dealgemene bijdrage van het ministerie is daarom niet verder uitgesplitst.Over de besteding van middelen legt de NVAO verantwoording af aanOCW middels de jaarverslagen.382Hoeveel fte is er op dit moment werkzaam bij de Nederlands-VlaamseAccreditatieorganisatie?De NVAO is een zelfstandig bestuursorgaan en is daardoor zelf verant-woordelijk voor haar bedrijfsvoering en financiële huishouding. Uit hetjaarverslag van 2023 blijkt dat er in dat jaar 37 FTE werkzaam was voor hetNederlandse deel van de NVAO.383Hoe vaak raadpleegt u de Universiteiten voor Nederland (UNL) vooradvies en wat voor advies betreft dit?Wij spreken zowel de Universiteiten van Nederland als de VerenigingHogescholen én de studentenorganisaties individueel op regelmatigebasis, in elk geval drie maal per jaar. Daarnaast spreken ambtenarenbinnen OCW structureel elke vier tot zes weken individueel met deVereniging Hogescholen, de Universiteiten van Nederland en de studen-tenorganisaties. Het gaat om brede overleggen waarbij we samen deagenda bepalen. We spreken over een veelheid van beleidsmatige enfinanciële zaken die aandacht behoeven omdat ze actueel zijn of omdatextra inzet van zowel het Rijk als de instellingen nodig is. Voor onzebeleidsvorming is het van groot belang om regelmatig te overleggen metde vertegenwoordiging van onze sectoren.Daarnaast spreken wij geregeld met andere geledingen zoals toezicht-houders, bestuurders en met individuele wetenschappers, docenten enstudenten.384Wat zijn de financiële gevolgen voor onderwijsinstellingen vanwege derecente rellen?Er is vanuit de stelselverantwoordelijkheid geen centraal overzicht vanspecifieke financiële gevolgen van de recente rellen. Alle bekostigdeuniversiteiten en hogescholen ontvangen lumpsum-bekostiging van hetRijk. Zij beslissen zelf hoe zij het geld uitgeven en verantwoorden zichhierover conform de voorschriften in de Regeling jaarverslaggevingonderwijs (RJO) en aan de raden van toezicht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18107 385Wie heeft er op dit moment de leiding wanneer er nieuwe rellen ontstaanop onderwijsinstellingen; is dit de Raad van Bestuur of de burgemeestervan de desbetreffende stad?Het college van bestuur van onderwijsinstellingen is de eerstverantwoor-delijke partij om de veiligheid van studenten en medewerkers in deinstelling en op het privéterrein van de instelling te garanderen. Hiervoorhebben zij onder meer huisregels en veiligheidsbeleid opgesteld. Indiende instelling, bijvoorbeeld tijdens een protestactie, actievoerders verzoektom het pand of terrein te verlaten en hier wordt geen gehoor aangegeven, kan het college van bestuur overwegen om aangifte te doen vanhuisvredebreuk of lokaalvredebreuk. Vanaf dat moment gaat de lokaledriehoek onder leiding van de burgemeester over de inzet van de politie.In het geval er een (al dan niet aangekondigde) protestactie plaatsvindt inde openbare ruimte is het de verantwoordelijkheid van de lokale driehoekonder leiding van de burgemeester om de openbare orde en veiligheid tehandhaven.Overigens is er niet overal een duidelijk zichtbare overgang van openbareruimte naar het privéterrein van de onderwijsinstelling, mede vanwegehet open karakter van onderwijsinstellingen en de bijbehorendecampussen. In algemene zin is het daarom zo dat er bij protestacties nauwcontact is tussen de onderwijsinstelling en de verschillende partijen vande lokale driehoek.386Wat doet u op dit moment om onderwijsinstellingen te helpen voorkomendat er opnieuw rellen uitbreken?Onderwijsinstellingen in Nederland kennen een lange rijke geschiedenisvan vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid en zijn juistdaarom de plekken van open dialoog. Studenten en medewerkers krijgende ruimte om zich te uiten en door middel van feiten en onderbouwingmet elkaar in discussie te gaan. Het zijn plekken waar je het met elkaaroneens mag zijn op basis van woorden en argumenten, maar altijd oprespectvolle wijze. Discriminatie, racisme, bedreiging, intimidatie ofgeweld past hier op geen enkele manier bij.Het college van bestuur van onderwijsinstellingen is de eerstverantwoor-delijke partij om de veiligheid van zijn studenten en medewerkers in deinstelling en op het privéterrein van de instelling te garanderen. Omvreedzame demonstraties beter te faciliteren is door de onderwijs-instellingen de gezamenlijke Richtlijn protesten universiteiten enhogescholen opgesteld. Aanvullend vervult het ministerie een ondersteu-nende rol in het verbeteren van contacten tussen de instellingen enrelevante partners uit de lokale veiligheidsketen en met het beschikbaarstellen van openbare informatie over de toepassing van het demonstratie-recht. Tot slot benadrukt het Ministerie van OCW het belang van hetuitwisselen van goede voorbeelden tussen de instellingen, bijvoorbeeldop het gebied van de-escalatie. Ook voert zij hierover regelmatig overlegmet de koepels UNL en VH. Zie verder het antwoord op vraag 387.387Hoe vaak onderhoudt u contact met de verschillende Raad van Besturenvan onderwijsinstellingen om nieuwe rellen te voorkomen?Wij voeren bestuurlijk overleg met instellingen en de diensten wanneer deactuele situatie hiertoe aanleiding geeft. In de periode na de uit de handgelopen demonstratie bij de UvA begin mei dit jaar heeft onze ambtsvoor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18108 ganger intensief overleg gevoerd. De agenda’s van deze overleggen zijnopenbaar gemaakt in verband met een WOO-verzoek. Ook na de zomerhebben wij overleg gevoerd met de instellingsbesturen en is er regelmatigcontact geweest met individuele instellingen. Daarnaast overlegt hetMinisterie van OCW geregeld met de koepels UNL en VH over de standvan zaken als het gaat om inspanningen ten behoeve van de-escalatie, enlaat zij zich informeren over de uitkomsten van beoordelingen vaninternationale samenwerkingen, en over de toepassing van dedemonstratierichtlijn.388Wat is op dit moment de stand van zaken wat betreft academischesamenwerkingen met Israëlische universiteiten?De stand van de informatie zoals ik die van UNL heb ontvangen op22 september jongstleden is als volgt. De meeste universiteiten hebbencommissies op centraal niveau die het College van Bestuur en decanenadviseren over richtlijnen omtrent samenwerkingen met externe partijenwaarbij sprake kan zijn van een conflict met eigen maatschappelijkewaarden, bijvoorbeeld in geval van samenwerking met landen inconflictgebieden. De scope, werkwijze en toepassing van deze commissiesverschilt per universiteit. De meeste universiteiten hebben op dit momentgeen beperkingen gesteld aan samenwerking met Israëlische universi-teiten. Bij het merendeel van de universiteiten zijn op dit moment dekaders voor beoordeling nog in ontwikkeling of is casuïstiek in behan-deling. Enkele universiteiten gaan, lopende deze processen, voorlopiggeen nieuwe samenwerkingen aan.389Welke aandachtspunten neemt u mee uit het IBO-rapport in de discussierondom capaciteitsbekostiging?De problematiek rondom spanning op de arbeidsmarkt en effecten van dedemografische krimp zijn herkenbaar. In het regeerprogramma staat datwe ten behoeve van onderwijs in de regio en met betrekking tot tekortsec-toren toewerken naar vormen van capaciteitsbekostiging. Wij zullendaarom de bekostiging bezien in het kader van stabiele langetermijnfinan-ciering. Het IBO stelt dat invoer van capaciteitsbekostiging ten koste gaatvan studiekeuzevrijheid. Dat is niet bij alle vormen van capaciteitsbekos-tiging het geval. Wij zullen in ons beleid ook kijken naar de effecten vancapaciteitsbekostiging op studiekeuzevrijheid. Tot slot ziet het IBO geenaanleiding voor een nieuw bekostigingsmodel en beschrijft het IBO dat elkmodel voor- en nadelen heeft, gerelateerd aan prikkels in het stelsel. Wezullen bij de uitwerking van capaciteitsbekostiging en eventueelaanvullend beleid rekening houden met voor-en nadelen van verbete-ringen in de bekostigingssystematiek.390Hoe ontwikkelt het in 2021 door PwC geconstateerde structurele tekortvan € 1,1 miljard zich in de bekostiging van het wo in de periode2025–2028? En mocht u daar geen zicht op hebben, wilt u dit dan alsnogin kaart laten brengen?Het onderzoek van PWC concludeerde dat de financiering van het wo optotaalniveau niet toereikend was en dat structureel € 800 miljoen nodigwas om achtergebleven investeringen vlot te trekken, een inhaalslag temaken op onderzoeksbudgetten en om de ambities op kleinschaligonderwijs te realiseren. Naast de structurele investering geeft hetonderzoek aan dat € 300 miljoen aan incidentele middelen nodig warenvoor in verband met achtergebleven investeringen. Het onderzoek baseertTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18109 zich op de gegevens tot en met 2018 en bevat geen doorkijk naar deperiode tussen 2025–2028. Dit tekort is dus niet één op één door te trekkennaar de toekomst.391Onderschrijft u de onderzoeksuitkomsten van de Arbeidsinspectie datregeldruk, verantwoordingsdruk en administratieve lasten een belangrijkeoorzaak van werkdruk zijn? Heeft u zicht op de omvang van de regel- enverantwoordingsdruk in het wo die wordt veroorzaakt door nationale wet-en regelgeving? Zo niet, bent u voornemens dit in kaart te brengen, geletop het belang dat u ook hecht aan vermindering van de werkdruk?Ja, wij onderschrijven de onderzoeksuitkomsten van de Arbeidsinspectie.Werknemers geven aan dat zij structureel belast zijn met meer taken enverantwoordelijkheden dan waarvoor zij zijn aangesteld. De Minister vanOCW heeft er daarom voor gekozen om het restant van de stimulerings-beurzen in te zetten om werkdruk te verlagen. De belangrijkste oorzakenvan werkdruk zijn volgens werknemers regel- en verantwoordingsdruk,prestatiedruk, ambities van zowel individuen, als faculteiten en universi-teiten, en de wijze waarop het onderzoek en onderwijs wordt gefinancierd.Wij zijn alert op het probleem van regel- en verantwoordingsdruk. Daaromheeft de Minister van OCW er bijvoorbeeld voor gekozen om voor debesteding van de middelen voor werkdruk geen extra verantwoordings-regime, noch een extra nieuw instrument in te richten. Verder wordt bij elkwetsvoorstel gekeken naar welke gevolgen het toevoegen of schrappenvan een regel heeft voor de administratieve lastendruk van instellingendie te maken krijgen met het betreffende wetsvoorstel. Dit wordttoegelicht in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Overigensdient opgemerkt te worden dat het bij regeldruk niet alleen gaat om deimpact van nationale wet- en regelgeving, maar ook om de regels dieuniversiteiten zelf hanteren. Wij ontvangen hier ook signalen over uit hetveld. Wij zijn van mening dat universiteiten daar ook kritisch naar moetenkijken en dat het behulpzaam is wanneer zij hierover in gesprek gaan methun medewerkers.392Heeft u zicht op de kosten die universiteiten moeten maken om aannationale wet- en regelgeving te voldoen?Er bestaat geen (uitputtend) overzicht van de nalevingskosten dieuniversiteiten of hogescholen moeten maken. Bij elk wetsvoorstel wordter steeds gekeken naar welke gevolgen het toevoegen of schrappen vaneen regel heeft voor de nalevingskosten. Dit wordt zoals gebruikelijktoegelicht in de memorie van toelichting bij een wetsvoorstel.393Wanneer vindt besluitvorming plaats over de onvoorwaardelijke middelenvoor de NGF-projecten: «(LLO)-katalysator», «Digitaliseringsimpulsonderw(s NL» en «Nationale aanpak professionalisering leraren»? Klopthet dat deze onvoorwaardelijke middelen niet op de begroting OCWstaan?Npuls (voorheen: digitaliseringsimpuls onderwijs NL)De onvoorwaardelijke middelen zijn in 2022 bij het honoreren van hetprogramma toegekend en overgeboekt naar de OCW begroting.De besluitvorming voor de voorwaardelijke middelen ligt in de eerste helftvan 2025. Deze middelen staan nu nog niet op de begroting van OCW. Bijeen positief advies van de adviescommissie over de voorwaardelijkeperiode en besluitvorming in de ministerraad worden de middelen bij hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18110 eerstvolgende reguliere begrotingsmoment naar de begroting van OCWovergeboekt.LLO-katalysatorDe onvoorwaardelijke middelen zijn in 2022 bij het honoreren van hetprogramma toegekend en overgeboekt naar de OCW begroting.De start voor de evaluatie voor de voorwaardelijke middelen ligt eind2025. De middelen van de voorwaardelijke fase zijn nu nog nietopgenomen op de begroting van OCW.Bij een positief advies van de adviescommissie over de voorwaardelijkeperiode en besluitvorming in de ministerraad worden de middelen bij heteerstvolgende reguliere begrotingsmoment naar de begroting van OCWovergeboekt.Nationale aanpak professionalisering leraren (NAPL)Besluitvorming over de voorwaardelijke middelen wordt verwacht in deeerste helft van 2027, het evaluatieproces ten behoeve daarvan start naarverwachting eind 2026.De middelen van de voorwaardelijke fase zijn nu nog niet opgenomen opde begroting van OCW. Bij een positief advies van de adviescommissieover de voorwaardelijke periode en besluitvorming in de ministerraadworden de middelen bij het eerstvolgende reguliere begrotingsmomentnaar de begroting van OCW overgeboekt.394Wat zijn de gevolgen voor hbo-instellingen als deze onvoorwaardelijkemiddelen worden geschrapt?De onvoorwaardelijke middelen kunnen niet meer worden geschrapt,omdat deze al toegekend zijn.Voor het voorwaardelijke gedeelte van de NGF-programma’s geldt dat demiddelen worden ingezet voor de betrokken sectoren waar het hboonderdeel van is. Als de voorwaardelijke middelen geschrapt worden danzijn de gevolgen voor het hbo net zo ingrijpend als voor het primaironderwijs, voortgezet onderwijs, mbo en het wo, alsmede de betrokkenbedrijven.395Valt het onvoorwaardelijke deel van deze NGF-projecten onder ronde 1t/m 3 of onder 4 of 5 van het Nationaal Groeifonds?De LLO-Katalysator en Npuls zijn voorstellen uit de tweede ronde van hetNGF. De Nationale aanpak professionalisering leraren (NAPL) is eenprogramma uit de derde ronde.Zowel de onvoorwaardelijke als de voorwaardelijke middelen behoren bijdezelfde ronde.396Op welke manier bent u betrokken bij het ontwikkelen van een digitale«gezamenlijke sectorarchitectuur» in het onderwijs? Op welke termijn isdeze volledig gerealiseerd? Kunt u schetsen welke voordelen scholen optermijn zullen hebben van een dergelijke architectuur?Het hbo en wo kent reeds een sectorarchitectuur (genaamd HOSA). HOSAdraagt bij aan goede onderlinge informatiehuishouding en -uitwisselingen vormt een ict basis. Vanuit groeifondsprogramma NPuls wordt verdergewerkt aan digitale sectorvoorzieningen, bijvoorbeeld op het gebied vaneen betere uitwisseling van studiegegevens. Het ict landschap van mbo,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18111 hbo en wo-instellingen wordt via Npuls verder uitgebreid volgens deuitgangspunten van de HOSA.397Wat is het gemiddelde startsalaris van een zij-instromer?Er zijn geen gegevens beschikbaar over het gemiddelde (start)salaris vaneen zij-instromer. Afhankelijk van de functie kan een zij-instromer door dewerkgever in een hogere trede of schaal beginnen. In algemene zinverdient een leraar in het primair- en voortgezet onderwijs in 2024 tussende € 3.800 en € 7.900 per maand. Gemiddeld in het primair- en voortgezetonderwijs is dat respectievelijk € 5.800 en € 6.200 per maand.398Vanuit welke sectoren komen zij-instromers veelal?Er is een grote spreiding in de herkomst van de zij-instromers. Op basisvan DUO-gegevens over subsidieaanvragen voor zij-instromers in beroep(primair- en voortgezet onderwijs en mbo) voor 2024 blijkt datzij-instromers veelal uit de sectoren onderwijs (22%), gezondheidszorg enwelzijn (8%), bouw en techniek (5%) en zakelijke dienstverlening (4%)komen.399Hoeveel gaan zij-instromers er gemiddeld op voor- of achteruit in salarisbij aanvang van de zij-instroomopleiding?Er zijn geen gegevens beschikbaar over wat een zij-instromer verdiendeen gaat verdienen. Gemiddeld verdient een leraar in het primair- envoortgezet onderwijs in 2025 € 6.100 respectievelijk € 6.500 bruto permaand (hierbij is de aanname gedaan dat de loonsverhoging van 4,9% inhet primair onderwijs per oktober 2024, in lijn met het onderwijsakkoord2022 ook in het voortgezet onderwijs zal worden toegepast). Dat is ruimmeer dan het modale inkomen van Nederland (€ 3.700 per maand in2024) en ca. 6% en 4% meer dan op hen lijkende hbo- en wo-opgeleiden inandere sectoren (in 2022, zie Arbeidsvoorwaarden publieke sector). Dat isrelevante informatie, want salaris kan als een drempel worden ervarendoor de deelnemers van een zij-instroom traject. Zie hiervoor ook dekosten zij-instroomtrajecten.400Hoe is de begeleiding van de regeling zij-instroom vormgegeven? Gaatdeze aangevraagde begeleiding via de werkgever of de zij-instromer?Hoe de begeleiding wordt ingevuld is niet voorgeschreven en kan perzij-instromer verschillen. Voorbeelden zijn begeleiding door een buddy,mentor, coach, docent en/ of schoolleiding, een begeleidingsprogrammavoor beginnende leraren, een introductiebijeenkomst voor beginnendeleraren en een intervisiegroep. De afspraken over de begeleiding wordenopgenomen in de tripartiete overeenkomst tussen werkgever,zij-instromer en lerarenopleiding. De begeleiding wordt door het bevoegdgezag in overleg met de zij-instromer bepaald.401Kunt u aangeven of de afschaffing van de OV-vergoeding voor Neder-landse studenten in het buitenland ook geldt voor Nederlandse studentendie op een Nederlandse instelling studeren, maar in het buitenland wonenen deze vergoeding gebruiken om van en naar de instelling te kunnenreizen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18112 Het uitgangspunt van deze maatregel uit het hoofdlijnenakkoord is hetvolledig afschaffen van de RBS-vergoeding. Dit betekent dat ook de in devraag genoemde groep studenten, de Nederlandse studenten die inNederland studeren maar in het buitenland wonen, na wetswijziging geenaanspraak meer zullen kunnen maken op deze RBS-vergoeding. Degewone ov-studentenkaart blijft ongewijzigd beschikbaar.402Kunt u toelichten waarop de verwachte bezuinigde bedragen zijngebaseerd en waarom dit bedrag per jaar verschilt?De raming voor de afschaffing van de OV-vergoeding is gebaseerd op deverwachte uitgaven aan deze vergoeding (prijspeil 2023). De besparing inhet hoofdlijnenakkoord loopt op van € 4 miljoen in 2026 naar € 30 miljoenin 2036. Dit komt enerzijds omdat er naar alle waarschijnlijkheid sprakedient te zijn van cohortgarantie bij afschaffing. De cohortgarantie houdt indat studenten die hun opleiding zijn gestart voor het afschaffen van deOV-vergoeding in het buitenland, recht blijven houden op deOV-vergoeding. Hierdoor is er in het begin sprake van een ingroeipad enwordt de totale besparing pas later bereikt. Ten tweede is deOV-vergoeding voor mbo niveau 3–4, hbo en wo onderdeel van deprestatiebeurs. Bedragen die als prestatiebeurs worden verstrekt, tellenpas voor de begroting op het moment dat deze worden omgezet in eengift.403Kunt u de post «Programma leesbevordering» uitsplitsen tot en met 2029?In onderstaande tabel zijn de geraamde bedragen van de post«programma leesbevordering» uitgesplitst. De uitsplitsing is gemaakt isop basis van de stand ontwerpbegroting 2025.omschrijving geplande uitgaven(bedragen X € 1.000)20252026202720282029Stichting Lezen – Infrastructuur deBibliotheek op School tot met schooljaar«25-«2624.19513.939Stichting Lezen Kunst van lezen i.h.k.v.Actieprogramma «Tel mee met Taal»3.3503.3503.3503.3503.350Stichting Leenrecht – Leenrechtvergoe-ding auteurs Bibliotheek op School3.5003.5003.5003.5003.500Stichting Literatuurmuseum (verhuizing)3.0003.000Certificering Taalhuizen366366366Stichting Lezen – GemeentelijkeGezinsaanpak Geletterdheid239Toegankelijk publiceren aan de bron – 27070707070Stichting De Schrijverscentrale «De krachtvan Creativiteit»59Stichting De VoorleesEpresss-Leesbevordering 2023–2024123Stichting NVJ – Meldpunt Schrijversveilig(Pilotjaar)23Overige projecten1803723726922.688Totaal budget32.10424.59710.6587.6129.608 404Kunt u het totaal aan financieringsbronnen (inclusief bekostiging vanuithet masterplan basisvaardigheden) voor de bibliotheek op school onderelkaar zetten?De bibliotheek op school wordt tot en met schooljaar 2025–2026 gefinan-cierd via de post «Programma leesbevordering» op artikel 14 (cultuur). DeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18113 middelen zijn afkomstig uit het «Masterplan basisvaardigheden» Dit istevens de enige financieringsbron voor de bibliotheek op school.405Tot welk jaar wordt de bibliotheek op school gefinancierd en voor welkbudget?De «Bibliotheek op school» wordt gefinancierd tot en met het schooljaar2025–2026. Het totale budget voor de schooljaren 2023–2024, 2024–2025en 2025–2026 bedraagt € 73,9 miljoen.406Hoe veel po- en vo-scholen hebben momenteel een bibliotheek opschool?In schooljaar 2022–2023 hebben 3.334 po-scholen en 292 vo-scholen eensamenwerking volgens de «Bibliotheek op school» of een vergelijkbareaanpak.407Wat bedoelt u met de zin «dit geld komt uit de onderw(sbegroting»? Welkgeld wordt hier bedoeld?De middelen zijn binnen de OCW-begroting vanuit het beleidsartikel vanhet primair onderwijs (artikel 1) overgeheveld naar het beleidsartikel voorcultuur (artikel 14). Deze middelen zijn afkomstig uit het «Masterplanbasisvaardigheden» en waren ook op het onderwijsartikel reeds bestemdvoor het doel leesbevordering. Cultuur heeft de uitvoering voor deversterking van de samenwerking tussen de bibliotheken en scholen, viade «Bibliotheek op school», en «BoekStart» in de kinderopvang ter handgenomen.408Hoeveel dragen lokale overheden gemiddeld bij aan de bibliotheek opschool?De bijdrage van lokale overheden aan de «Bibliotheek op school» isvariabel. In de praktijk loopt het uiteen van helemaal geen gemeentelijkefinanciering tot 100% financiering door de gemeente.409Hoeveel kost het om de bibliotheek op school uit te breiden naar iedereschool?De totale kosten van een volledige voorziening van de «Bibliotheek opschool» op iedere school zijn volgens de berekening van de Kwink-groep(2023) in totaal € 142 miljoen per jaar: € 99,7 miljoen voor het primaironderwijs en € 42,3 miljoen voor het voortgezet onderwijs. Dit betreft detotale gezamenlijke investering voor de bibliotheekgerelateerde kostenvanuit het Rijk en gemeenten. In de berekening van de kosten zijn deeigen investering door de school voor de noodzakelijk inzet van formatieen scholing niet meegenomen.In het huidige programma, dat voor een deel van de scholen geldt,worden de totale kosten gedeeld door het Rijk, de gemeenten en descholen zelf. Momenteel stelt het Rijk tot en met 2025 (schooljaar2025–2026) tijdelijk circa € 25 miljoen per jaar beschikbaar voor deuitvoering van «Bibliotheek op school».410Hoeveel financiële middelen ontvangt het Commissariaat voor de Media?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18114 Vanuit het Ministerie van OCW ontvangt het Commissariaat voor deMedia in 2025 € 10 miljoen voor het uitvoeren van de wettelijke toezicht-staken die voorvloeien uit de Mediawet 2008 en de wet op de vasteboekenprijs. Het betreft toezicht op radio, televisie, «videodiensten opaanvraag» en Nederlandse boekuitgaven.411Hoe worden de financiële middelen binnen het Commissariaat voor deMedia besteed?Vanuit het Ministerie van OCW ontvangt het Commissariaat voor deMedia een bijdrage voor het uitvoeren van de wettelijke taken dievoorvloeien uit de Mediawet 2008. Naast de bijdrage van het Ministerievan OCW ontvangt het Commissariaat jaarlijks van commerciëlemedia-instellingen een bijdrage in de toezichtskosten, zie bijvoorbeeld hetjaarverslag 2023 Commissariaat voor de Media.De financiële middelen van het Commissariaat worden gericht ingezet omde taken als toezichthouder uit te voeren. Zoals beschreven in hetjaarverslag 2023 worden de taken uitgevoerd door de afdelingenmarkttoegang, toezicht, onderzoek en beleidsadvies en handhaving enbezwaar. Daarnaast ondersteunt de afdeling bestuurs- en organisatiezakende uitvoerende afdelingen om haar werk zo effectief en efficiënt mogelijkte doen.412Hoeveel fte is er op dit moment werkzaam bij het Commissariaat voor deMedia?Op dit moment is er 73 fte werkzaam bij het Commissariaat voor deMedia.413Hoeveel financiële middelen gaan er vanuit OCW naar NPO Start?Het is aan de NPO om te besluiten hoeveel OCW-middelen zij willenalloceren aan NPO start. Van de totale bekostiging vanuit het Ministerievan OCW wordt € 71,4 miljoen door de NPO in 2025 gealloceerd aan NPOStart, zowel voor techniek (€ 12,5 miljoen) als content (€ 58,9 miljoen).414Wat is op dit moment de stand van zaken rondom de fondsen voor deveiligheid van journalisten?«PersVeilig» is in 2019 als project begonnen. Recent is «PersVeilig»geëvalueerd. In november, tijdig voor het wetgevingsoverleg Media, zalde Kamer nader worden geïnformeerd over de evaluatie en de recenteontwikkelingen rond «PersVeilig». Op het project «Persveilig» wordt nietbezuinigd, omdat persvrijheid en -veiligheid cruciaal zijn voor dedemocratie.415Welke manier van steekproef gebruikt DUO op dit moment wat betreft designalering van fraude?DUO gebruikt voor de controle uitwonendenbeurs sinds juni 2023 eenaselecte steekproef. Hier is door mijn ambtsvoorganger voor gekozennadat bekend werd dat er mogelijk sprake was van indirecte discriminatiebij het risicogericht toezicht.Op dit moment worden studenten aselect gecontroleerd voor de controlenaar hun woonsituatie. Een uitzondering hierop is dat studenten in eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18115 kwetsbare positie niet gecontroleerd worden. Dat zijn de volgendegroepen:–studenten die verblijven in zorginstellingen;–studenten die beschermd wonen (bijvoorbeeld het Leger des Heils) ofbegeleid wonen;–studenten die ingeschreven staan op een gemeentelijke briefadres(bijv. dak- en thuislozen);–studenten die onder curatele gesteld zijn;–studenten die verblijven in een crisisopvang (Blijf-van-mijn-Lijf-huizen);–studenten die vallen onder de hersteloperatie Kinderopvang Toesla-genaffaire (KOT);–studenten die vermist worden of waarbij sprake is van een vermoedenvan overlijden.416Welke manieren van steekproeven gebruikte DUO in het verleden omfraude te signaleren?In de periode tot aan begin 2012 vonden er administratieve controlesplaats door middel van bestandsvergelijkingen tussen het studiefinancie-ringssysteem en de huidige Basisregistratie Personen (BRP). Vanaf begin2012 tot zomer 2023 werd aan de hand van criteria een selecte steekproefgehanteerd. Sinds juni 2023 tot heden gebeurt dit via een aselectesteekproef.417Welke manieren van steekproeven kan DUO gebruiken om fraude tesignaleren?Er wordt momenteel gewerkt aan het ontwikkelen van nieuwe, beterecontroles bij de uitwonendenbeurs. Het kabinet acht het noodzakelijk omop zoek te gaan naar een nieuwe, effectieve vorm van risicogerichttoezicht, waarbij alleen verantwoord onderscheid wordt gemaakt. Hiertoeworden verschillende scenario’s in kaart gebracht.418Hoe komen de urgentie van de knelpunten die het rapport «Druk op deketen» van eind 2023 benoemt over de druk op de keten in kinderopvang,onderwijs en zorg voor kinderen in de leeftijd van 0–13 jaar, en deaanbevelingen van dat rapport, terug in het beleid?Nog voor het eind van het jaar wordt uw Kamer via een gezamenlijkebeleidsreactie van OCW, SZW en VWS geïnformeerd over acties volgendop dit onderzoek Druk op de Keten.419Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat de btw-verhoging opcultuur de toegankelijkheid van excursies en culturele uitstapjes voorleerlingen negatief beïnvloedt?Of de btw-verhoging op cultuur de toegankelijkheid van excursies enculturele uitstapjes voor leerlingen negatief beïnvloedt, is op dit momentnog niet in te schatten. Dat heeft er mede mee te maken dat dit soortinschattingen vooraf met veel onzekerheden zijn omgeven. Deverwachting is wel dat er voldoende mogelijkheden beschikbaar blijvenvoor leerlingen om op excursies en culturele uitstapjes te gaan.De btw-maatregelen worden in 2028 geëvalueerd. Hierin zal gekekenworden naar de mate waarin de verhoging wordt doorberekend aanconsumenten en daarmee welk effect het heeft op de vraag. Pas dan kanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18116 worden vastgesteld of de btw-verhoging effect heeft op de toeganke-lijkheid van excursies en culturele uitstapjes voor leerlingen.420Kunt u een indicatie geven van de hoeveelheid studenten die jaarlijks eenverhoogd collegegeldtarief zullen moeten betalen vanwege langstuderen,ervan uitgaande dat de langstudeermaatregel structureel € 282 miljoenoplevert?In het hoofdlijnenakkoord is een besparing van structureel € 282 miljoengekoppeld aan de langstudeermaatregel. Deze is gebaseerd op deaanname dat alle geschatte langstudeerders, in totaal 94.000, € 3.000extra collegegeld betalen. Instellingen krijgen dit bedrag per langstu-deerder vervolgens minder aan Rijksbekostiging, wat tot een besparingleidt.421Heeft u bij deze aanname ook rekening gehouden met een krimp instudentenaantallen als gevolg van de langstudeermaatregel? Zo ja, hoe?Zo nee, waarom niet?In de bezuiniging die in het hoofdlijnenakkoord is gekoppeld aan delangstudeermaatregel is geen rekening gehouden met een krimp instudentenaantallen als gevolg van de langstudeermaatregel. Het kabinetwerkt op dit moment de langstudeermaatregel uit. Conform toezegginguit het Commissiedebat DUO en hoger onderwijs stuurt het kabinet uwKamer voor de plenaire behandeling van de begroting van OCW voor hetjaar 2025 een brief over de dilemma’s en uitwerking van deze maatregel.Daarin gaat het kabinet ook in op de mogelijke gedragseffecten van dezemaatregel.422Hoe verwacht u dat de langstudeermaatregel de studentenaantallen enhet aantal gediplomeerden gaat beïnvloeden?Het kabinet werkt op dit moment de langstudeermaatregel uit. Conformtoezegging uit het Commissiedebat DUO en hoger onderwijs stuurt hetkabinet uw Kamer voor de plenaire behandeling van de begroting vanOCW voor het jaar 2025 een brief over de dilemma’s en uitwerking vandeze maatregel.423Kunt een indicatie geven van de financiële consequenties als er specifiekegroepen studenten mogelijk worden uitgezonderd van deze maatregel?Het kabinet werkt op dit moment de langstudeermaatregel uit. Conformtoezegging uit het Commissiedebat DUO en hoger onderwijs stuurt hetkabinet uw Kamer voor de plenaire behandeling van de begroting vanOCW voor het jaar 2025 een brief over de dilemma’s en uitwerking vandeze maatregel.424Kunt u aangeven of de langstudeermaatregel ook gaat gelden voorinternationale niet-EER studenten die al instellingstarief betalen?Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de vormgeving van demaatregel. Daar is het kabinet nog mee bezig. In het hoofdlijnenakkoord isopgenomen dat de langstudeermaatregel geldt voor voltijds bachelor- enmasterstudenten. Conform toezegging stuurt het kabinet uw Kamer voorde plenaire behandeling van de begroting van OCW voor het jaar 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18117 een hoofdlijnenbrief over de dilemma’s en mogelijke invulling van dezemaatregel.425Kunt u toelichten hoe studenten betrokken gaan worden bij het onderzoekom langstuderen tegen te gaan?Het kabinet werkt op dit moment de langstudeermaatregel uit. Conformtoezegging uit het Commissiedebat DUO en hoger onderwijs stuurt hetkabinet uw Kamer voor de plenaire behandeling van de begroting vanOCW voor het jaar 2025 een brief over de dilemma’s en uitwerking vandeze maatregel.Op basis van deze brief vervolgt het kabinet de gesprekken met instel-lingen en studenten.In de beleidsbrief vervolgonderwijs en wetenschap, die het kabinet in heteerste kwartaal van 2025 aan uw Kamer beoogt te sturen, zal het kabinetop basis hiervan de definitieve invulling van deze maatregel uiteen zetten.426Kunt u aangeven of een student die de langstudeermaatregel opgelegdkrijgt de mogelijkheid zal hebben om extra geld te lenen via het college-geldkrediet om dit te kunnen bekostigen?Het kabinet werkt op dit moment de langstudeermaatregel uit. Conformtoezegging uit het Commissiedebat DUO en hoger onderwijs stuurt hetkabinet uw Kamer voor de plenaire behandeling van de begroting vanOCW voor het jaar 2025 een brief over de dilemma’s en uitwerking vandeze maatregel.427Hoe wordt de € 400.000 generieke taakstelling subsidies rijksbreed in hethoger beroepsonderwijs ingevuld?De taakstelling wordt in 2025 in het hoger beroepsonderwijs ingevulddoor te korten op de bekostiging. Het betreft de middelen die beschikbaarwaren gesteld voor de start en ontwikkeling van een bekostigde engeaccrediteerde hbo-bacheloropleiding tot imam. Zoals bericht aan uwKamer middels een brief op 29 april 2024, bleek dat het de partijen niet isgelukt in samenwerking de desbetreffende opleiding te ontwikkelen,waardoor de middelen niet worden uitgegeven.428Verwacht u een effect van de langstudeerboete op het aantal studentendat kiest voor een tweejarige bèta/technische master of een masterlerarenopleiding? Zo ja, wat zal dat effect zijn?Het kabinet werkt op dit moment de langstudeermaatregel uit. Conformtoezegging uit het Commissiedebat DUO en hoger onderwijs stuurt hetkabinet uw Kamer voor de plenaire behandeling van de begroting vanOCW voor het jaar 2025 een brief over de dilemma’s en uitwerking vandeze maatregel.429Hoeveel langstudeerders zijn er in het hbo en in het wo? Hoe wordt dezeberekening gemaakt?Op 1 oktober 2023 waren er in het hbo circa 50.000 langstudeerders en inhet wo circa 43.000. Dit zijn studenten die langer dan de nominalestudieduur plus één jaar staan ingeschreven aan een voltijdopleiding enhet wettelijk collegegeld betalen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18118 430Hoe wordt de € 4 miljoen generieke taakstelling subsidies rijksbreed inhet onderzoek- en wetenschapsbeleid ingevuld?De generieke subsidietaakstelling ter hoogte van € 4 miljoen uit hethoofdlijnenakkoord is voor 2025 ingevuld met de verlaging van debekostiging van NWO. NWO geeft invulling aan deze bezuiniging in deNWO-begroting voor 2025. OCW is hierover met NWO in overleg.431Klopt het beeld dat artikel 23 van de Grondwet uitgaat van de alomtegen-woordigheid van het openbaar onderwijs?Ja. Dit is bepaald in artikel 23, vierde lid, van de Grondwet. In beginseldient in iedere gemeente een school voor openbaar onderwijs aanwezigte zijn. Genoemd vierde lid bepaalt ook dat de wet afwijking van de regeldat iedere gemeente een openbare school moet hebben, kan toestaan,mits voor iedereen die dat wil het openbaar onderwijs bereikbaar blijft.Om deze alomtegenwoordigheid te garanderen, bepaalt artikel 77 van deWet op het primair onderwijs dat, kort gezegd, een openbare school moetworden gesticht «indien binnen 10 kilometer van de plaats in degemeente waar het onderwijs moet worden gegeven over de weggemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs wordtgegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat.» Indezelfde wettelijke bepaling is opgenomen dat gemeentes bij 50 verkla-ringen van ouders met kinderen jonger dan 12 onderzoek moet doen naarde behoefte aan een openbare school. Tevens is vastgelegd dat de laatsteopenbare school in een straal van 5 km met meer dan 50 leerlingenbekostigd blijft, ook als het aantal leerlingen onder de opheffingsnorm zit.432Bent u van plan de alomtegenwoordigheid van het openbaar onderwijs intoekomstig beleid over instandhouding van scholen een plek te geven?Ook bij toekomstig beleid blijven wij uitgaan van deze principes.433Kunt u aangeven wat er sinds het aannemen in 2022 van de motie van hetlid Westerveld over scholen bij nieuw- en verbouw altijd laten voldoenaan de Europese normen voor toegankelijkheid, is gedaan ter uitvoeringvan deze motie?17 Welke stappen zijn gezet? Hoeveel scholen inNederland voldoen aan de Europese normen voor toegankelijkheid enhoeveel niet?De toegankelijkheidseisen waar schoolgebouwen bij nieuw- en verbouwaan moeten voldoen is vastgelegd in bouwregelgeving, die valt onder hetMinisterie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO).In opdracht van het Ministerie van VRO werkt het Nederlandsenormalisatie-instituut NEN aan een nieuwe NEN-norm voor toeganke-lijkheid, de NEN 9120. Dit wordt de Nederlandse invulling van deEuropese norm voor toegankelijkheid, de EN 17210.De NEN 9120-norm bevindt zich nu in de conceptfase. Begin 2025 is dedefinitieve norm gereed en gaat een proeftijd van twee jaar in.Na de proeftijd van twee jaar wordt gekeken of er eventueel nieuwetoegankelijkheidseisen worden toegevoegd aan het Besluit bouwwerkenleefomgeving (Bbl).17Kamerstuk 31 497, nr. 429Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18119 Gemeenten hebben de zorgplicht voor de onderwijshuisvesting. HetMinisterie van OCW heeft niet in beeld hoeveel scholen in Nederlandvoldoen aan de Europese norm voor toegankelijkheid.434Is het nog steeds een doelstelling om tegen 2035 inclusief onderwijs tebereiken, en zo ja, wat zijn de concrete plannen om dit te realiseren?De doelstelling van inclusief onderwijs is dat zoveel mogelijk kinderendichtbij huis onderwijs krijgen, ook als het kind daarbij wat extraondersteuning nodig heeft. Steeds meer scholen in het primair envoortgezet onderwijs bieden al inclusief onderwijs. Zoals aangegeven inde Kamerbrief van 10 mei 2024 over de verbeteraanpak passendonderwijs van 10 mei 2024is de ambitie dat in 2035 een belangrijk deelvan de scholen inclusief onderwijs biedt. Het gespecialiseerd onderwijsblijft daarbij bestaan voor de kinderen waarvoor dat nodig is, zoals dooruw Kamer ook verzocht met de motie Soepboer (Kamerstuk 31 497, nr.482) en de motie Van Zanten (Kamerstuk 31 497, nr. 479) en zoalsbevestigd per Kamerbrief van 27 juni 2024.We geven de beweging naar inclusief onderwijs op dit moment verdervorm. Dit doen we onder andere door voorlopers te stimuleren en ruimtete bieden om met inclusief onderwijs aan de slag te gaan, bijvoorbeeld viade Beleidsregel inclusieve leeromgeving.Zoals gevraagd door uw Kamer wordt er ook gewerkt aan het in kaartbrengen van de financiering die nodig is voor bereiken van inclusiefonderwijs (motie Westerveld en de Hoop) (Kamerstuk 31 497, nr. 462) enhet opstellen van de contouren van de wet voor inclusief onderwijs (motieVan Meenen) (Kamerstuk 31 497, nr. 460). Op basis daarvan kan verderworden bepaald welke vervolgstappen nodig zijn, waarbij eventuelekosten moeten worden ingepast binnen de OCW-begroting.435Hoe staat het met de uitvoering van de motie van het lid Pijpelink c.s. overtoezien op passend onderwijs voor leerlingen van het Auris College Goesna sluiting?18 Hoeveel leerlingen volgen inmiddels passend onderwijselders? Voor hoeveel leerlingen is er geen plek gevonden?Auris is samen met de betrokkenen in de regio aan het kijken wat voordeze kinderen de beste plek is en wat voor ondersteuning daarbij nodig is,zodat zij een plek hebben wanneer de school sluit per 1 augustus 2025.Voor steeds meer kinderen lijkt er inmiddels een passende plek gevondente zijn die past bij wat zij nodig hebben voor volgend jaar. Over de situatieis regelmatig contact met ambtenaren van OCW. Wij volgen de ontwikke-lingen nauwgezet en bieden ondersteuning waar nodig. We hebben ervertrouwen in dat ook voor de andere kinderen de komende periode eenpassende plek wordt gevonden. Uw Kamer wordt begin volgend jaarnader geïnformeerd.436Hoe staat het met de uitvoering van de motie Westerveld c.s. over deSamen naar School-klassen in het vo verder stimuleren door knelpuntenweg te nemen?19 Welke stappen zijn sinds het aannemen van de motiegemaakt?Zoals gevraagd in de motie wordt op dit moment gewerkt aan een analysevan de knelpunten rondom het starten van Samen naar Schooklassen inhet voortgezet onderwijs, waarbij ook wordt ingegaan op de wet- en18Kamerstuk 31 289, nr. 57719Kamerstuk 31 497, nr. 487Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18120 regelgeving. Onderdeel hiervan is een bijeenkomst met vertegenwoor-digers van verschillende Samen naar School-initiatieven in het land. UwKamer wordt voor het einde van het jaar nader geïnformeerd.437Kunt u aangeven wat er sinds het aannemen van de motie van het lidWesterveld over het verkennen hoe opleidingen op maat kunnen wordengefinancierd, zodat mensen die het speciaal voortgezet onderwijsafronden zich kunnen doorontwikkelen is gedaan om de motie uit tevoeren?20 Zijn er bijvoorbeeld gesprekken gevoerd met het veld?Deze motie bevindt zich op het snijvlak van drie ministeries omdat hetover ontwikkeling gaat voor een specifieke doelgroep die zich veelal indagbesteding bevindt. De afgelopen periode zijn er meerdere gesprekkengeweest tussen de Ministeries OCW, VWS en SZW om mogelijkheden tebespreken over hoe opleidingen op maat gefinancierd kunnen worden enhoe bestaand aanbod beschikbaar gemaakt kan worden voor dezedoelgroep. Ook zijn er gesprekken geweest met de Vereniging Gehan-dicapt Nederland en Handicap Nederland als vertegenwoordigers van hetveld. Uw Kamer wordt binnenkort nader geïnformeerd over de uitkomstenvan de gesprekken.438Hoe omvattend is de Gezonde School-methode in het bevorderen van eengezonde leeromgeving en in hoeverre worden sanitaire faciliteiten hierinmeegenomen als essentieel onderdeel?De aanpak van Gezonde School is gebaseerd op vier pijlers: educatie,schoolomgeving, signaleren en beleid. Scholen (primair- en voortgezetonderwijs en mbo) kunnen kiezen om met één of meerdere thema’s aande slag te gaan; hygiëne is één van de beschikbare thema’s. Voor elkthema werkt een school aan meer educatie, een gezonde schoolom-geving, betere signalering en opstellen van beleid. Scholen geven dit zelfvorm. Het inrichten van schone toiletten is één van de voorbeeldmaatre-gelen.439Hoeveel leerlingen hebben een vrijstelling van de leerplicht? Kunt u eenoverzicht geven van hoeveel leerlingen de afgelopen tien jaar eenvrijstelling van de leerplicht hebben gekregen? Kunt hierbij ook uitsplitsenop welke gronden dit is afgegeven?De meest actuele cijfers over het aantal kinderen en jongeren met eenvrijstelling gaan over het schooljaar 2022–2023. Een vrijstelling van deleerplicht kan ontstaan op basis van drie gronden: Een kind is wegenslichamelijke of psychische redenen niet in staat onderwijs te volgen(vrijstelling 5 onderdeel a), Er is geen school in de redelijke omgeving vanouder(s) van een kind die past bij hun levensbeschouwing of geloofsover-tuiging (vrijstelling 5 onderdeel b) of een leerling staat in Nederlandingeschreven, maar volgt onderwijs in het buitenland (vrijstelling 5onderdeel c). Het aantal kinderen dat vrijgesteld is van leerplicht,uitgesplitst per vrijstellingsgrond, is:–Vrijstelling 5 onderdeel a: 8.422 kinderen–Vrijstelling 5 onderdeel b: 2.124 kinderen–Vrijstelling 5 onderdeel c: 8.891 kinderenEen volledig beeld van het aantal kinderen met een vrijstelling van deafgelopen 10 jaar vindt u in de «Leerplichttelling».20Kamerstuk 36 443, nr. 10Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18121 440Hoeveel extra bekostiging komt er voor schoolbesturen om debtw-verhoging op leermiddelen te compenseren?Zie antwoord op vraag 233.441Waarom staat er bij de subsidieregeling Residentieel Onderwijs bij dejaren 2026, 2027, 2028 en 2029 PM? Betekent dit dat er voor die jaren geengeld gereserveerd is voor Residentieel Onderwijs? Hoe kan dit, want erzullen toch nog steeds leerlingen blijven die residentieel onderwijs nodighebben? Hoe zal het onderwijs aan deze leerlingen in de toekomstbekostigd worden?De subsidietaakstelling uit het hoofdlijnenakkoord wordt deels ingevulddoor besparingen op de begroting van OCW. De invulling hiervan is in2025 al ingevuld in de ontwerpbegroting 2025. Voor 2026 en verder is desubsidietaakstelling voorlopig verwerkt onder overige subsidies art. 1 enart. 3. Op donderdag 24 oktober is uw Kamer geïnformeerd over deconcrete invulling van de subsidietaakstelling. Middels een Nota vanWijziging is ook de ontwerpbegroting 2025 hierop aangepast. In de notavan wijziging is tevens het subsidieoverzicht aangepast. Hieruit blijkt dater niet wordt bezuinigd op de subsidie voor het residentieel onderwijs.442Kunt u uitleggen waarom het bedrag van de subsidieregeling ResidentieelOnderwijs vermindert van 2024 naar 2025? Welke argumentatie zit erachter het verminderen van het bedrag? Zijn er bijvoorbeeld minderleerlingen die residentieel onderwijs nodig hebben? Kunt u ook uitleggenwaarom het bedrag in 2023 zoveel meer was dan in de jaren 2024 en2025?Aan de subsidieregeling die onder residentieel onderwijs valt, Onderwijs-coalities af- en ombouw gesloten jeugdhulp, zijn in 2023 eenmalig extramiddelen toegevoegd, die zijn voortgekomen uit de generieke korting vande bekostiging voor samenwerkingsverbanden, waarover uw Kamer op 19september 2023 middels een brief is geïnformeerd. De middelen hiervanzijn behouden voor het passend onderwijs conform motie Westerveld c.s..(Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 103)In 2025 wordt een deel van het budget (€ 5 miljoen) dat eerst beschikbaarwas voor het vervolg op de subsidieregeling uitgegeven via het verhogenvan de capaciteitsbekostiging voor scholen bij Gesloten Jeugdhulpinstel-lingen (GJI’s). Op die manier zijn de scholen bij de GJI’s minder afhan-kelijk van de middelen die via subsidie worden uitgekeerd voor hetverzorgen van goed onderwijs. In totaal is er voor het onderwijs bij GJI’sin 2025 € 11 miljoen beschikbaar bovenop de reguliere basis- encapaciteitsbekostiging. Dat bedrag is in totaal vergelijkbaar met 2024,maar wordt dus op een andere manier verdeeld tussen samenwerkings-verbanden en scholen.443Hoeveel leerlingen volgen op dit moment residentieel onderwijs? Hoeveelleerlingen volgen dit bij de jeugdzorginstelling waar zij wonen? Hoeveelleerlingen die in een jeugdzorginstelling wonen volgen onderwijs op eenreguliere onderwijsinstelling in de buurt? Hoeveel leerlingen in eenjeugdzorginstelling volgen helemaal geen onderwijs?Deze gegevens worden niet centraal geregistreerd door het Ministerie vanOCW. De instellingen voor residentieel onderwijs worden bekostigd opbasis van het aantal capaciteitsplekken. Op de laatste teldatum (oktoberTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18122 2023) volgden 840 leerlingen residentieel onderwijs, waarvan 408leerlingen in de gesloten jeugdhulp onderwijs kregen en 432 in eenjustitiële jeugdinrichting. Het is niet bekend hoeveel leerlingen in de(open) jeugdhulp naar een (v)so school gaan die niet verbonden is aaneen gesloten jeugdhulplocatie, omdat dit ook niet centraal geregistreerdwordt.444Wat is het gebruikte criterium voor de categorie «overige subsidies» in hetsubsidieoverzicht op artikel 1?De begroting van OCW bevat ieder jaar een subsidieoverzicht perbegrotingsartikel in bijlage 4 van de begroting. Dit jaar staan in desubsidieoverzichten van artikel 1 en 3 de reeksen voor overige subsidies.Dit zijn dezelfde reeksen als in de tabel «Budgettaire gevolgen vanbeleid». De reeks is dus niet nieuw maar wordt voor het eerst opgenomenin de subsidiebijlage.De reden daarvoor is dat op dit budget de subsidietaakstelling voor dejaren 2026 en verder voor primair- en voortgezet onderwijs voorlopig isverwerkt. Voor de subsidies die onder de reeks in het overzicht wordengenoemd werd «PM» ingevuld, om duidelijk te maken welke budgettenonder deze post vallen. Met het toezenden van de nota van wijziging is desubsidietaakstelling ingevuld. In de nieuwe subsidiebijlage is daarom ookde reeks «overige subsidies» weer verwijderd.Omdat de reeks overige subsidies in de subsidiebijlage hetzelfde is als diein de tabel budgettaire gevolgen van beleid, gelden hiervoor dezelfdecriteria. De prioriteiten van dit kabinet en de grote budgetten worden opeen aparte regel genoemd. De overige, kleinere instellingssubsidies,projectsubsidies en kleinere subsidieregelingen worden niet apartgenoemd, maar zijn onderdeel van de regel «Overige subsidies».445Waarom is er gekozen een categorie «overige subsidies» op artikel 1 en 3te creëren terwijl de begroting van vorig jaar geen categorie «overigesubsidies» had op artikel 1 en 3?Zie het antwoord op vraag 444.446Wat is het gebruikte criterium voor de categorie «overige subsidies» in hetsubsidieoverzicht op artikel 3?Zie het antwoord op vraag 444.447Welke financiële middelen zijn vanaf 2026 beschikbaar voor de regelingOnderwijsondersteuning voor Zieke Leerlingen (OZL)?Voor de regeling ondersteuning van Zieke Leerlingen blijft vanaf 2026hetzelfde bedrag beschikbaar als in 2025, namelijk € 9,1 miljoen. Zoalsblijkt uit de nota van wijziging op de OCW-begroting, maakt deze reeksgeen deel uit van de invulling van de subsidietaakstelling. Daarnaast is erook € 160.000 beschikbaar voor landelijk expertise netwerk Ziezon, watook betrekking heeft op onderwijs aan zieke leerlingen. Ook hier wordtniet op bespaard.448Welke extra middelen heeft u gereserveerd voor de transitiefase van deeventueel op te richten landelijke stichting die, na goedkeuring van hetwetsvoorstel, de uitvoering van de OZL op zich zal nemen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18123 Voor de uitvoering van het wetsvoorstel Wet onderwijsondersteuningzieke leerlingen is structureel € 1,3 miljoen toegevoegd aan het budgetvoor OZL bij de eerste suppletoire begroting van 2024. Uit deze extramiddelen kunnen ook de verwachte transactiekosten van € 0,3 miljoenworden betaald, zoals vermeld staat in de memorie van toelichting vanhet wetsvoorstel.449Welke extra middelen heeft u vanaf 2026 gereserveerd voor de stijgendeloonkosten van de OZL-consulenten in verband met het volgen van deCAO po?Het budget voor Onderwijs aan Zieke Leerlingen (OZL) is gebaseerd opeen raming voor de nieuwe stichting voor OZL zoals beschreven in hetwetsvoorstel Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen. In deze ramingis uitgegaan van loonkosten op basis van de CAO PO. Hiervoor zijn dusvoldoende middelen voor beschikbaar in de begroting.450Kunt u op toegankelijke wijze uitleggen wat het programma OpenLeermateriaal inhoudt?«Impuls Open Leermateriaal» (IOL) is een Nationaal Groeifondspro-gramma dat zich inzet in het funderend onderwijs, met als doel deonderwijskwaliteit te versterken en het vak van leraar aantrekkelijker temaken. Binnen het project bundelen scholen, onderwijs- en expertiseorga-nisaties hun krachten om een impuls te geven aan de ontwikkeling en heteffectief benutten van open leermateriaal. In 57 pilots, op meer dan 500scholen, doen leraren ervaring op met het toepassen van open leermate-riaal. Ook ontdekken de leraren en IOL samen wat er nog meer nodig isom kwalitatief goed leermateriaal laagdrempelig in te kunnen zetten.Leermateriaal dat past bij doelgroepen, actualiteit, niveau of onderwijs-concept. Afgelopen september 2024 is de nieuwe aanvraagrondegeopend, de verwachting is dat er in deze ronde zo’n 18 pilots zullenstarten. Aanvullende toegankelijke informatie over het programma is opde website van impuls open leermateriaal te vinden.451Kunt u nader toelichten hoe uw ministerie betrokken is bij het programmaEdu-V?De oorspronkelijke aanvraag is door het Ministerie van OCW voor eenconsortium van partijen uit het gehele onderwijsveld gedaan. HetMinisterie van OCW is verder betrokken als subsidieverstrekker voor demiddelen uit het Nationale Groeifonds bestemd voor het programmaEdu-V. Daarnaast is het Ministerie van OCW als deelnemer betrokken bijde (bestuurlijke) overleggen en werkgroepen binnen het programmaEdu-V. In de beoogde nieuwe governance van de stichting Edu-V die in2025 vermoedelijk in werking zal treden, heeft de verantwoordelijkebewindspersoon (momenteel zowel de Minister als de Staatssecretarisvan OCW) een rol bij het benoemen van de voorzitter van de Raad vanToezicht en bij wijzigingen van statuten.452Wat zijn de einddoelen van het programma Edu-V? Heeft dit ook als doelom de afhankelijkheid van een selecte groep techleveranciers teverkleinen? Welke partners zijn betrokken bij deze publiek-privatesamenwerking?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18124 De doelstellingen van het programma zijn opgenomen in het oorspronke-lijke NGF-voorstel dat door het Ministerie van OCW is ingediend voor eenconsortium van partijen bestaande uit de sectororganisaties PO-, VO- enMBO-raad, het Ministerie van OCW en de brancheorganisaties vanuitgeverijen (MEVW), van distributeurs (VEDN) en van educatievesoftwareleveranciers (VDOD). Samengevat wordt met dit programmabijgedragen aan de kwaliteit van het onderwijs door een infrastructuur terealiseren dat efficiënter, veiliger en betrouwbaarder is. Daarin kunnennieuwe vraagstukken snel worden opgelost en kan de infrastructuurworden toegerust voor het onderwijs van morgen. Het streven is naar een«weerbaar» (betrouwbaar, efficiënt) en «wendbaar» (open en innovatief)digitaal leermiddelen-infrastructuur. Dit is een belangrijke randvoor-waarde om de toegevoegde waarde die digitale leermiddelen kunnenleveren optimaal te benutten. Daarbij is het doel op termijn ook omminder afhankelijk te zijn van individuele organisaties waaronderzogenoemde techleveranciers, onder meer door systeembrede afspraken.Als partijen voldoen aan de afspraken kunnen zij samenwerken met alleandere partijen.453Kunt u het totaal van de ondersteuningsstructuur aan scholen uiteen-zetten, inclusief initiatieven vanuit het ministerie (onderwijscoördinatorenen ontwikkelkracht), de sector (Goed Worden, Goed Blijven) en de markt?Er kan nog geen volledig beeld geven worden van de ondersteunings-structuur. Dit wordt momenteel geïnventariseerd, ook in het kader van de– via een motie (Kamerstuk 27 923, nr. 485) door de Kamer verzochte –gesprekken die worden gevoerd met de onderwijsadviesbranche overmogelijkheden tot regulatie van de markt. Daarnaast is er een aankon-diging gedaan in een voortgangsrapportage van het masterplan basis-vaardigheden om bij u terug te komen op mogelijkheden voor deinrichting van een duurzame ondersteuningsstructuur. Hierover wordt deKamer dit najaar geïnformeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 18125
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.