Brontekst
Tweede Kamer, Implementatiewet Europese richtlijn milieucriminaliteit
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid en de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat hebben op 12 oktober 2026 overleg gevoerd met de heer Van Weel, minister van Justitie en Veiligheid, over:
het wetsvoorstel Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit) (36876).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,
Eerdmans
De voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat,
Huizenga
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,
Van Tilburg
Voorzitter: Van der Plas
Griffier: Van den Broek
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Bikkers, Faber, Van Oosterhout, Van der Plas, Sneller, Straatman en Teunissen,
en de heer Van Weel, minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 10.00 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen allemaal. Welkom terug in de Kamer, na hopelijk een goed weekend voor iedereen. Aan de orde is vandaag het wetgevingsoverleg Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit. We hebben vandaag tot 14.00 uur de tijd voor dit debat. Ik wil graag de minister van Justitie en Veiligheid, de heer Van Weel, welkom heten. Ik wil ook graag de Kamerleden welkom heten. Dat zijn mevrouw Faber namens de PVV, mevrouw Straatman namens het CDA, de heer Bikkers namens de VVD en de heer Sneller namens D66. Ik stel voor om het aantal interrupties niet te beperken. Wel vraag ik de Kamerleden om de klok een beetje in de gaten te houden zodat we ruim voldoende de tijd houden voor de beantwoording van de minister en de tweede termijn van de Kamer. Ik wil de mensen op de publieke tribune en de mensen thuis die dit debat online volgen van harte welkom heten. We komen dan nog bij een woord van welkom aan het Kamerlid mevrouw Van Oosterhuis van de fractie van PRO. Sorry, het is Van Oosterhout. We hebben meerdere mensen die beginnen met "Ooster" in deze Kamer.
Ik denk dat we maar gaan beginnen. Als eerste geef ik het woord aan mevrouw Faber. Zij spreekt namens de PVV. Voor degene die wat later is binnengekomen: ik leg geen beperkingen op wat betreft interrupties, maar de vraag aan de Kamerleden is wel om de klok in de gaten te houden zodat we voldoende tijd over hebben voor de beantwoording van de minister en de tweede termijn van de Kamer. Ik geef u het woord, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. De bemoeizucht van de Europese Commissie kent geen grenzen. Waar normaliter de strafrechtelijke regels worden overgelaten aan de lidstaten, komt men wederom met een richtlijn in het kader van milieucriminaliteit. Op basis van artikel 82 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie kan de Europese Commissie hier een uitzondering op maken, maar dat kan alleen bij ernstige vormen van criminaliteit, zoals terrorisme en mensenhandel. Je vraagt je af of milieucriminaliteit in dit rijtje past, maar volgens de korpsleiding van de politie in ieder geval wel. Zij schrijft in een consultatieadvies op 21 februari 2025 dat de drievoudige planetaire crisis door klimaatverandering, milieuvervuiling en het verlies van biodiversiteit een van de grootste maatschappelijke veiligheidsrisico's van nu en van de toekomst vormt. Ik denk dat het tijd wordt dat de politietop terugkeert naar de kerntaken, namelijk boeven vangen.
Nu ga ik terug naar de Europese Commissie. Zij wil de erfenis van oud-Eurocommissaris Timmermans, de Europese Green Deal, tot volle wasdom laten komen, maar als je er slechter van wordt, kun je een erfenis ook verwerpen. Dat gaan de plucheplakkers nooit doen. Die gaan gewoon het wetsvoorstel implementeren in het kader van milieucriminaliteit. Veel is al opgenomen in ons Nederlandse Wetboek van Strafrecht, maar een aantal regels worden aanzienlijk strakker gezet. Ook bevat het wetsvoorstel veel open normen, met als gevolg veel ruimte voor de rechter en daardoor rechtszonzekerheid voor het bedrijfsleven. Er worden twee definities toegevoegd: "ecosysteem" en "beschermde habitat". Dit lijkt onschuldig, maar het heeft verstrekkende gevolgen, in het bijzonder voor Nederland.
Het probleem ligt bij de "beschermde habitat". Daar vallen ook 162 aangewezen Natura 2000-gebieden onder, die versnipperd liggen over heel Nederland. Deze hebben zeer strenge beheersmaatregelen, zodat economische activiteiten rondom deze gebieden vrijwel onmogelijk zijn. Dit is het politieke stikstofslot. Een economische activiteit van bijvoorbeeld een agrarisch bedrijf kan door implementatie van dit wetsvoorstel gemakkelijk worden aangemerkt als strafrechtelijk delict. Niet alleen agrarische bedrijven stoten stikstof uit, maar ook de industrie, de bouw et cetera. Als vergunninghouder waant de ondernemer zich veilig, maar met de telkens veranderende spelregels kunnen het bedrijf en de ondernemer pardoes in een strafrechtelijke gevarenzone vallen. Door schuivende panelen kunnen vergunde handelingen leiden tot een strafrechtelijk delict. Natuurlijk moeten bedrijven zich aan de milieuwetgeving houden, maar het is niet de bedoeling dat strafrechtelijke aansprakelijkheid als een zwaard van Damocles boven goedwillende ondernemers hangt. Terwijl zij zich van geen kwaad bewust zijn, kunnen zij achteraf geconfronteerd worden met strafrechtelijke aansprakelijkheid. Je mag natuurlijk niet te veel giftige stoffen lozen, maar bepaalde groeperingen in het land bestempelen CO2 al als gif, terwijl dit gas essentieel is voor de zuurstofproductie van planten. En de Groene Khmer is niet vies van de gang naar de rechter. Grote bedrijven met een juridische afdeling hebben eventuele wetswijzigingen wel goed in het snotje, maar dat ligt anders voor het mkb, de motor van werkend Nederland. Vooral het kleinbedrijf wordt horendol van de telkens nieuwe regels, en deze milieuregels zijn ook nog heel ingewikkeld.
Voorzitter. Laten we eerlijk zijn: het is de taak van de overheid om te controleren of bestaande vergunningen nog voldoen aan wet- en regelgeving. Daar verandert dit wetsvoorstel niets aan. Hierop voortbordurend: moet de overheid dan geen duidelijk signaal geven aan de vergunninghouders bij gewijzigde wetgeving? Kan de minister aangeven welke sectoren in het bijzonder geraakt worden? Is dat bijvoorbeeld de chemie, de boeren of het transport? Heeft de minister inzichtelijk voor hoeveel bedrijven dit grote gevolgen heeft? Wat is de neerslag hiervan op de economie? Is er een effectenbeoordeling? Gezien het feit dat dit wetsvoorstel uit de hoge hoed is getoverd voor de realisatie van de Green Deal, is het oppassen geblazen. Het kan zich zomaar ontpoppen tot een instrument om bedrijven uit bepaalde sectoren te liquideren. Graag een reactie van de minister.
Voorzitter. Ik vraag dit omdat er veel open normen in het wetsvoorstel zijn opgenomen, waardoor er meerdere mogelijkheden zijn tot interpretatie. Dit leidt tot rechtsonzekerheid. Met open normen doel ik onder andere op "wijdverbreid", "anderszins" en "aanzienlijke omvang". Als we inzoomen op het begrip "grotere schaal", raak je helemaal de weg kwijt. Ik citeer: "Bij 'grotere schaal' moet gekeken worden naar het gecombineerde effect van het gebruik van een product door meerdere gebruikers, ongeacht het aantal, mits de gedraging schade aan het milieu of de menselijke gezondheid veroorzaakt of dreigt te veroorzaken." Volgt u het allemaal nog? Kortom, het maakt niet uit hoe groot het aantal gebruikers is, maar of er schade is aan het milieu of aan de menselijke gezondheid. Uit het wetsvoorstel kan onder "milieu" ook het ecosysteem of de habitat vallen. Dus als een stikstofgevoelig soort vaatplantje door te veel stikstof wordt geliquideerd in een Natura 2000-gebied, kan je zomaar voor het gerecht worden gesleept. Is dit niet buiten proporties? Graag een reactie.
Voorzitter. Dan het speeltje van links Nederland: windmolens op zee. Dolfijnen en bruinvissen raken gedesoriënteerd door trillingen. Aan artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht wordt "energie" toegevoegd. Hieronder worden onder andere onderwatergeluid en andere bronnen van akoestische energie en trillingen verstaan. Indien iets schade veroorzaakt aan dieren, is de veroorzaker strafbaar. Wie loopt kans om in dit geval voor de rechter gesleept te worden? Gaan de houders van deze windmolens vrijuit? Graag een reactie van de minister.
Voorzitter, ik rond af. Het wetsvoorstel is doordrenkt met vage termen gekoppeld aan ecosystemen en beschermde habitats. Niet langer is de mens het middelpunt, maar het ecosysteem als geheel. Dit heeft tot gevolg dat het welzijn van een vaatplantje in een Natura 2000-gebied gelijk wordt gesteld met dat van de mens. Dat is een cadeautje voor de Groene Khmer, maar een ramp voor veel bedrijven. Zij kunnen zomaar het slachtoffer worden van een linkse heksenjacht. Laten wij niet vergeten: van een florerende economie heeft heel Nederland profijt.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie geen interrupties, dus ik ga direct verder met mevrouw Straatman namens het CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank, voorzitter. Stelt u zich eens voor: u loopt met uw hond door het bos of u rijdt als boer met uw trekker over uw land, en u vindt ineens vaten met chemisch afval of u ruikt een vreemde, zoete geur en ontdekt dat er een onbekende vloeistof in uw weiland is gedumpt. Dit is helaas al lang niet meer een ver-van-mijn-bedshow, en zeker niet in mijn eigen provincie, Brabant. Soms is de schade met een opruimactie te herstellen, maar soms dringt het gif tot diep in de bodem door. Het kan soms wel tientallen jaren duren voordat de natuur dan weer tot leven komt. Dat is de wrange werkelijkheid van milieucriminaliteit. Criminelen verdienen geld, terwijl de samenleving, onze boeren en onze natuur met de rotzooi achterblijven. Voor het CDA is dat onacceptabel. Wie bewust onze leefomgeving beschadigt om er zelf beter van te worden, moet worden aangepakt. De schade moet zo veel mogelijk op de daders worden verhaald. Met de implementatiewet die we vandaag bespreken, zetten we daarin een stap, maar ik heb nog wel enkele vragen over de strafbaarstellingen zelf en de handhaving.
Voorzitter. Allereerst over de strafbaarstellingen. Het is goed om te lezen dat de Nederlandse strafwetgeving grotendeels al in overeenstemming is met de nieuwe richtlijn en dat slechts een beperkt aantal strafbaarstellingen aangevuld moet worden in het Wetboek van Strafrecht of in de Wet op de economische delicten. De belangrijkste nieuwe bepaling is de strafbaarstelling van kortweg het met opzet in de handel brengen van producten die op grote schaal leiden tot normoverschrijdende emissies van schadelijke stoffen waardoor aanzienlijke schade voor de mens of het milieu wordt veroorzaakt of dreigt te worden veroorzaakt. Denk aan het in de handel brengen van een verbrandingsmotor in strijd met milieuvoorschriften of het op de markt brengen van spuitbussen met verboden drijfgassen. De minister geeft aan dat de nieuwe strafbaarstelling veel gelijkenissen vertoont met de huidige artikelen 174 en 175 Wetboek van Strafrecht, waarbij het gaat over het illegaal verkopen van waren die schadelijk zijn voor het leven of de gezondheid. Mijn vraag aan de minister: hebben deze afzonderlijke strafbepalingen nog wel toegevoegde waarde met de nieuwe, uitgebreide variant van artikelen 173c en 173d bij de implementatie van dit wetsvoorstel?
Voor alle strafbare feiten, ook voor de strafbare milieudelicten, geldt dat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid bewezen moet worden dat sprake is van wederrechtelijkheid, oftewel dat het handelen in strijd moet zijn met de wet. Wij lazen dat de minister schrijft dat bij het bezit van een vergunning en het handelen in lijn met de daaraan verbonden voorschriften strafrechtelijke aansprakelijkheid in de regel niet aan de orde is. Dat lijkt ons logisch. In het kader van rechtszekerheid baart het ons zorgen dat de deur naar strafrechtelijke aansprakelijkheid in die situatie niet helemaal dicht is. Als sprake is van duidelijke en aanzienlijke strijdigheid van de oude vergunning met de onderliggende materiële milieuregelgeving, zou strafrechtelijke aansprakelijkheid toch mogelijk moeten blijven, lezen wij in dit wetsvoorstel. Kan de minister voorbeelden geven wanneer deze situatie zich voordoet? In hoeverre is hier sprake van een nationale invulling van de richtlijn of verplicht de richtlijn dat Nederland precies op deze manier die strafrechtelijke achterdeur openzet? Wat het CDA betreft ligt de primaire verantwoordelijkheid van handhaving bij het verantwoordelijke bestuursorgaan. Dat moet toezien op actualisering van vergunningen en, als dat niet mogelijk is, vergunningen intrekken. Kan de minister toezeggen dat met het criterium van "duidelijke en aanzienlijke strijdigheid" bedoeld wordt dat evident en zonder enige twijfel sprake is van een wederrechtelijke situatie, en dat we het hier dus over een absolute uitzonderingssituatie hebben, voor zover de richtlijn al verplicht om dit te implementeren?
Dan de strafverzwaringsgronden. Met dit wetsvoorstel wordt in generieke zin dood door schuld in de zin van roekeloosheid opgehoogd. Eerder stelden wij vragen over de gevolgen hiervan voor de logische wetssystematiek en de onderlinge strafmaatverhoudingen. Het antwoord van de minister dat de richtlijn alleen over roekeloosheid gaat en dat hij daarom de verhogingen daartoe beperkt heeft, overtuigen ons tot nu toe nog niet. Heeft de minister ook overwogen om de onderliggende strafmaatverhoudingen gelijk te houden en met dit wetsvoorstel dus de maximale straf van dood door schuld, dus artikel 307, lid 1, ook met één jaar te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Dan kom ik bij de handhaving en de pakkans. Enkele weken geleden waren de Meld Milieu Weken in Rotterdam, waar politiemedewerkers van team milieu samen met milieuagenten de straat op zijn gegaan om met burgers en ondernemers in gesprek te gaan over milieucriminaliteit. Een van de doelen van deze weken was de kennis rond milieucriminaliteit vergroten. Kennis over milieudelicten en de bereidheid om meldingen van verdachte situaties te doen zijn cruciaal voor een effectieve aanpak. Dit soort initiatieven, zoals in Rotterdam, zijn wat het CDA betreft erg waardevol. Is de minister dit met het CDA eens, en welke maatregelen neemt hij om te stimuleren dat burgers en bedrijven sneller meldingen durven te doen bij de politie? Is hij bereid om in gesprek te gaan met de politie om vaker acties uit te voeren om bekendheid te creëren over milieucriminaliteit? Kan de minister tot slot ingaan op de hoeveelheid milieurechercheurs en agenten die de politie nu heeft, en verder ingaan op de resultaten die het high impact environmental crimeteam heeft geboekt sinds de oprichting?
Voorzitter. Effectieve handhaving is nodig om te zorgen dat criminelen niet vrijuit gaan. Begin dit jaar concludeerden onderzoekers van het WODC dat de pakkans voor milieucriminaliteit echter nog erg laag is. Hoe draagt deze implementatiewet in generieke zin bij aan het vergroten van de pakkans van daders? We weten dat de beleidsreactie op het WODC-onderzoek nog volgt, maar vooruitlopend daarop zijn wij benieuwd wat dit wetsvoorstel in positieve zin gaat veranderen aan de constatering dat er nog winst te behalen valt in het beter benutten van het bestaand sanctiearsenaal. Graag een reactie van de minister. Ziet de minister mogelijkheden om het afpakken van wederrechtelijk verkregen vermogen te verstevigen voor milieucriminaliteit? Hoe zit het met de mogelijkheden om civielrechtelijke afhandeling van schade breder in te zetten? Want wat het CDA betreft moeten daders elke cent terugbetalen van de schade die zij aanrichten, zowel criminelen uit de georganiseerde criminaliteit als daders van milieucriminaliteit.
Voorzitter. Uit mijn inleiding werd al duidelijk dat deze wet ook belangrijk is in de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit. Nog te vaak komen drugscriminelen ermee weg. Niet zelden zadelen zij boswachters, agrariërs of natuurliefhebbers op met de schade van hun verwerpelijke handelen. Mijn voorganger Anne Kuik heeft daarom in 2023 een voorstel gedaan om een vliegende brigade op te richten die drugsafval kan verwijderen. Dit motiveert boeren en tuinders om meldingen te doen van drugsafval omdat zij dan niet zelf opdraaien voor de kosten, en het geeft de politie een beter beeld van de omvang. Onschuldige mensen mogen wat het CDA betreft nooit opdraaien voor de zooi die criminelen op hun erf achterlaten. De voorganger van deze minister was positief over dit idee. Kan de minister aangeven hoe dit plan is uitgewerkt, of de vliegende brigade inderdaad een succes is, en of het aantal meldingen van het dumpen van drugsafval de afgelopen jaren is toegenomen? Kan de minister gemeenten meer ondersteunen in de preventieve aanpak van ondermijning in het buitengebied en van drugsdumpingen? Ook zijn we benieuwd of de groene boa's voldoende middelen en mogelijkheden hebben om milieucriminaliteit in het buitengebied te kunnen aanpakken.
Voorzitter. Tot slot de grensoverschrijdende aanpak. We zeggen het al vaak: criminelen houden zich niet aan de gemeente-, provincie- of landsgrenzen, dus samenwerking tussen verschillende sectorale handhavingsinstanties in binnen- en buitenland is essentieel. Informatie- en gegevensdeling is hier een enorm belangrijk onderdeel van. Dan is mijn slotvraag aan de minister: hoe gaat de minister de bekende knelpunten als het gaat om gegevensdeling aanpakken?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Straatman. Ik zie ook hier geen interrupties. Ik wil ook mevrouw Teunissen welkom heten, die namens de Partij voor de Dieren is aangeschoven. Ik heb de commissie net gezegd dat er geen beperking is aan het aantal interrupties, maar houd zelf wel een beetje de tijd in de gaten, zodat we uitkomen. Dan geef ik het woord aan de heer Bikkers, namens de VVD.
De heer Bikkers (VVD):
Dank u wel, voorzitter. De Europese richtlijn die we vandaag bespreken, geeft de aanpak van milieucriminaliteit een belangrijke impuls. We moeten zorgvuldig omgaan met onze natuur, onze bodem, onze lucht en ons water. De VVD wil daarom dat milieucriminelen hard worden aangepakt. We zien dat het kabinet voor het grootste deel voldoet aan deze richtlijn, dus daarmee vormt deze implementatie een goede aanvulling.
Voorzitter. Ik wil hierover vandaag drie punten maken. Bij het aanpakken van criminelen hoort wat de VVD betreft dat de politie en het OM, maar ook burgers en ondernemers die zich aan de regels houden, zeker weten waar ze aan toe zijn. Op basis van het wetsvoorstel en de uitgebrachte adviezen van de politie en het OM is dat nog niet duidelijk genoeg.
Eerst de vergunning. In de toelichting staat dat een bedrijf dat zich aan zijn vergunning houdt toch strafbaar kan zijn als het een zorgplicht schendt. Dat vindt mijn fractie echt te vaag. Kan de minister hier helder bevestigen dat wie zich aan een geldige vergunning houdt in principe niet strafbaar is en dat het aan de overheid is om de oude vergunning aan te passen en niet aan de ondernemer?
Dan het begrip "aanzienlijke schade". Daarop staat straks negen tot tien jaar cel, maar de wet zegt niet wat dat betekent. Het OM heeft zelf om voorbeelden gevraagd. Kan de minister die geven? Is bijvoorbeeld het uitrijden van veel te veel mest op een akker, het vernielen van een dassenburcht, het dumpen van autobanden in een natuurgebied of een lozing waardoor vissen in een meer doodgaan aanzienlijke schade? Valt het binnen de vergunning heien voor een windpark op zee hierbuiten? Graag een helder antwoord per voorbeeld. Dan weet iedereen straks waar hij aan toe is.
Voorzitter. Dan de opruimkosten van drugsafval. Criminelen dumpen hun chemisch afval in bossen en op het land van boeren. De VVD vindt dat de daders de schade die dit met zich meebrengt, moeten betalen. Lukt dat niet, dan mag de boer of grondeigenaar niet met de kosten blijven zitten. Daarom heeft de VVD in 2022 gevraagd om een betere vergoeding. Die is er sinds enige tijd. Gemeentes en provincies kunnen de kosten melden en die krijgen ze dan terug uit een pot van 3 miljoen. Daar zijn we blij mee, maar we hebben hierover nog drie vragen aan de minister. Zijn deze middelen ook de komende jaren beschikbaar? Is 3 miljoen genoeg? Eén dumping kan namelijk al best wel in de kosten lopen. Krijgt iedereen dan maar een deel van de kosten terug? Kan de minister ervoor zorgen dat een burger snel wordt geholpen en niet maanden moet wachten op een vergoeding?
Voorzitter. We hebben gezien dat dit wetsvoorstel volgens de Europese richtlijn eigenlijk in mei van dit jaar geïmplementeerd had moeten worden. Ik zou de minister daarom willen meegeven dat we deze wet zo snel mogelijk implementeren. Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een interruptie van mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
De VVD-woordvoerder pleit dus voor een betere vergoeding voor de boeren als er drugsdumpingen zijn. Daar ben ik het ook mee eens, want iedereen is natuurlijk tegen die drugsdumpingen. Maar hebben we straks nog wel een boer? Ik bedoel daarmee het volgende. In dit wetsvoorstel worden "ecosystemen", "habitats" en "Natura 2000-gebieden" bijgevoegd, waar enorm strakke beheersmaatregelen op zitten. Dit zet toch gewoon de deur open voor een jacht op onder anderen agrariërs, en niet alleen op de agrariërs maar ook op andere bedrijven? Je kan straks namelijk gewoon helemaal niks meer, want op het moment dat ergens, zal ik maar zeggen, een vaatplantje niet meer kan overleven in een Natura 2000-gebied, ben je gewoon strafbaar. Een mens wordt daaraan gelijkgesteld. Dat kan toch niet?
De heer Bikkers (VVD):
Die zorg is, denk ik, niet geheel terecht. Ik denk dat we daar op een goeie manier mee om kunnen gaan. Mevrouw Faber heeft daarover ook een aantal vragen aan de minister gesteld en daar wacht ik graag even de beantwoording van af, maar ik haal niet uit deze stukken dat hiermee elke boer volledig dwarsgezeten wordt.
Mevrouw Faber (PVV):
Maar als ik zie dat er "ecosystemen" en "habitats" wordt toegevoegd, dan moeten toch alle bellen gaan rinkelen? Ik bedoel, we zitten nu al op slot en dat gaat hiermee nog veel erger worden, want er wordt nu voor degenen die alles maar strakker willen zetten gewoon een instrument gegeven voor een gang naar de rechter.
De heer Bikkers (VVD):
Ik hoorde daar geen vraag in, maar ik deel niet de analyse van mevrouw Faber dat hiermee alles op slot gezet wordt. Volgens mij gaan we hiermee een stap in de goede richting zetten bij de aanpak van milieucriminaliteit. Dat is volgens mij heel goed. Daarbij heb ik een aantal vragen gesteld. Ik ben ook benieuwd naar de beantwoording door de minister van de vragen van mevrouw Faber. Maar dat hiermee alles op slot gezet wordt, is niet de analyse van de VVD.
Mevrouw Faber (PVV):
Vanmorgen stond er een bericht in de krant: Shell aangeklaagd voor overstromingen in Brazilië. Daar krijgt Shell de schuld van overstromingen omdat zij broeikasgassen zouden uitstoten. Dat soort situaties zijn dan toch ook in Nederland mogelijk met dit wetsvoorstel? Of zie ik dat verkeerd? Dat is toch, nogmaals, een vraag aan u, via de voorzitter.
De heer Bikkers (VVD):
Ik ken dit artikel niet. Ja, ik zie het nu, dus daarmee ken ik het dan. Maar ik heb me er niet in verdiept. Iedereen kan iedereen aanklagen in dit land, en dat is maar goed ook. We leven in een rechtsstaat; dan is het uiteindelijk wel aan de rechter om te beoordelen of die aanklacht ook hout snijdt. Ik heb nou niet het gevoel dat deze wetswijziging leidt tot extreme aanklachten richting boeren en dergelijke om ervoor te zorgen dat hun het leven onmogelijk wordt gemaakt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik naar de heer Sneller. Hij spreekt namens D66.
De heer Sneller (D66):
Dank u wel, voorzitter. De schade door milieucriminaliteit in Nederland wordt geschat op ongeveer 5 miljard euro per jaar. Vaak wordt milieucriminaliteit nog gezien als een slachtofferloos delict, en ik denk dat dat onterecht is. Zowel vanwege de intrinsieke waarde van de natuur als de intrinsieke ellende die door milieucriminaliteit wordt veroorzaakt, maar ook in andere zin, zijn er wel degelijk slachtoffers; dat kunnen bedrijven zijn die het wél netjes doen en dus te maken krijgen met een ongelijk speelveld of het kan gaan om de verbondenheid met de georganiseerde criminaliteit, zoals we ook in de Dreigingsbeeld Milieucriminaliteit van het Openbaar Ministerie steeds weer kunnen lezen. Het is dan ook niet voor niets dat het Openbaar Ministerie schrijft dat dit wetsvoorstel een fundamentele koerswijziging is. Voor het eerst, zo schrijven zij, "wordt het strafrecht gebruikt om het milieu als zelfstandig rechtsgoed te beschermen". Ik denk dat dat goed is, want het is belangrijk om steviger op te treden tegen milieucriminaliteit. Dit wetsvoorstel is wat mij betreft dan ook een stap in de goede richting, zowel vanwege de effectievere en afschrikwekkendere aanpak van milieucriminaliteit als vanwege de strafmaten en strafbepalingen, maar ook met het oog op wat daarvoor wordt georganiseerd en waar de richtlijn toe verplicht. Ik kom daar zo meteen verder op.
Voorzitter. Tegen de achtergrond dat ik positief ben over dit wetsvoorstel, zal ik mijn twee amendementen goed toelichten.
Het eerste is het amendement op stuk nr. 9. Het ging al kort over de zogenaamde licence to pollute, oftewel een vergunning om te lozen of op een andere manier te vervuilen. Die mag natuurlijk niet verworden tot een vrijbrief voor vervuiling. Soms is dat wel het geval, bijvoorbeeld als er nieuwe wetenschappelijke inzichten aan het licht komen over de schadelijkheid van bepaalde stoffen of als later blijkt dat de stoffen toch schadelijker zijn. Dat levert namelijk uiteindelijk nog steeds een prijskaartje op voor milieu en economie; ik heb alle schade zojuist genoemd. Tegelijkertijd is er de administratieve afhankelijkheid. Daar werd terecht de vinger al bij gelegd. Je wil ook een bepaalde mate van rechtszekerheid kunnen ontlenen aan het hebben van een vergunning van de overheid. Ik ben het er helemaal mee eens dat het in eerste instantie natuurlijk aan de overheid is om eventueel te herbeoordelen. Ik dank de minister ook voor zijn beantwoording van de schriftelijke vragen op dat punt. Ik ben ook blij dat er in het kader van die Actieagenda Industrie en Omwonenden ook wordt gekeken of er een vast herbeoordelingsmoment nodig is, maar ik denk dat het, juist ook vanwege die rechtszekerheid, belangrijk is om daar ook in de wet meer details over te geven en niet te volstaan met open termen. Dat is overigens iets wat de omgevingsdienst bij monde van Milieudienst Rijnmond ook voor de uitvoeringskant op prijs zou stellen. Ik hoop dus met dit amendement verduidelijking en explicitering aan te brengen in het wetsvoorstel.
Hetzelfde geldt voor het andere amendement, op stuk nr. 8. Dat gaat over de termen "wijdverbreid" en "langdurig", die al even werden gekwalificeerd als open termen. In de nota naar aanleiding van het verslag en in de memorie van toelichting wordt er wel nader op ingegaan, maar ik denk dat het nuttig is om dat in de wet zelf op te nemen. Ik heb daar een voorstel voor gedaan, ook leunend op wat er internationaal voor gebruikt wordt.
Voorzitter. Ik zei het al: we moeten niet alleen de strafmaten en de strafbepalingen bij de tijd brengen. Zoals de Rekenkamer onder andere in 2021 terecht zei, is het nu ook vaak handhaven in het duister. In dat onderzoek van destijds ging het soms over bedrijven die onder zes verschillende aliassen geregistreerd zijn bij verschillende instanties die belast zijn met de opsporing en de handhaving, waardoor bedrijven vrijuit gaan omdat bepaalde inspecties niet bij elkaar opgeteld worden. Ik denk dus dat het belangrijk is dat er ook randvoorwaarden in dit wetsvoorstel beschreven worden — het zijn natuurlijk geen wetsartikelen — die gecreëerd kunnen worden om de pakkans te verhogen. Mevrouw Straatman zei dat ook al. Ik denk dat dat hard nodig is, want de commissie-Van Aartsen zei dit al in maart 2021, en ook de moties die ik daarover in juni 2022 met collega Hagen heb ingediend moeten worden uitgevoerd. Die gaan onder andere over het op orde brengen van de informatievoorziening aan de kant van de overheid, maar ook over het zorgen dat het milieustrafrecht daadwerkelijk afschrikwekkend is. Ik ben blij met de stappen die daarin nu worden gezet.
Wat betreft onder andere de inspectieview, het dashboard dat wordt gecreëerd en de query's die moeten worden ingeregeld, vraag ik de minister op welke wijze wij daar als Kamer over zullen worden geïnformeerd en hoe hij de werkverdeling tussen de staatssecretaris van IenW en het ministerie van Justitie daarin ziet, zodat wij aan de kant van de Kamer kunnen kijken waar wij het voortouw kunnen leggen. In de afgelopen jaren is die versnippering namelijk niet bevorderlijk geweest voor de dialoog.
Dan de verplichte nationale strategie, die in mei 2027 klaar moet zijn. Ik denk dat dat een mooi instrument is om al die dingen ook bij elkaar te brengen. Mijn vraag is op welke manier wij als Kamer daarover worden geïnformeerd voordat die strategie wordt afgerond. Of is dat iets waarvan wij op afstand komen te staan? Dan moeten wij namelijk een ander moment zoeken om onze input daarvoor nog af te leveren.
Voorzitter. Als laatste ga ik in op de dynamische wetgevingstechniek, waarbij wijzigingen in het Europese milieurecht automatisch doorwerken zonder dat de richtlijn zelf hoeft te worden aangepast. Ik vraag dit indachtig wat er werd gezegd over de mkb'er, maar ook indachtig het Kamerlid dat wil weten wat er nou eigenlijk strafbaar is op dit vlak. Op welke manier wordt de Kamer geïnformeerd als dat in Europees verband wordt aangepast? Gebeurt dat via de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad, of is daar een andere manier voor? Het gaat hier namelijk wel om een rechtsgebied dat nog in ontwikkeling is.
Voorzitter. Tegen deze achtergrond denk ik dat dit een goede stap vooruit is. Ik moest bij de voorbereiding op dit overleg wel een aantal keren denken aan de cynische doch treffende tekst van De Speld, namelijk "als je denkt dat Nederland verdeeld is, onthoud dan: diep vanbinnen zijn we allemaal pfas". Ik hoop dat dit wetsvoorstel eraan kan bijdragen dat we de verbondenheid vasthouden, maar niet via die weg.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie verder geen interrupties. Dan geef ik het woord aan mevrouw Van Oosterhout, die zal spreken namens de fractie van PRO.
Mevrouw Van Oosterhout (PRO):
Dank u wel, voorzitter. Ik vervang vandaag mijn collega Mutluer. Ik zeg het nog even officieel. Ik ben geen lid van deze commissie, dus ik vraag toestemming voor mijn inbreng.
De voorzitter:
Bij wetgeving hoef je geen toestemming te vragen. Het is goed dat u het toch even doet, maar het was niet nodig. Gaat uw gang.
Mevrouw Van Oosterhout (PRO):
Voorzitter. Nederland behoort tot de meest vervuilde en meest vervuilende landen van Europa. We zijn ook het dichtstbevolkte land, met veel industrie en veel industriële landbouw. Dat is de bron van veel vervuiling. Omdat we zo dicht op elkaar wonen, ademen heel veel mensen die vervuiling in. Ook onze natuur heeft het zwaar. Maar er is ook goed nieuws. Elke kilo minder vervuiling in lucht, water en bodem helpt hier meteen heel veel mensen, maar ook de schaarse natuur. Dat is een belangrijk doel van PRO, maar ook van deze wet. Immers, de natuur kan prima zonder ons, maar wij kunnen niet zonder de natuur. De stap van antropocentrisme, waarbij alles alleen maar om de mens zou moeten draaien zonder oog voor het grotere geheel, naar ecocentrisme, dat juist het systeem als geheel tot uitgangspunt maakt, is de basis van de wetswijziging die we bespreken vandaag.
Voorzitter. Mijn fractie is voor, en enthousiast zelfs, over het filosofische concept erachter. Maar de administratieve omzetting van deze EU-regels in onze wet doet niets voor mens en natuur als we het niet laten opvolgen door effectief beleid, goede handhaving van de regels en een grotere inzet om de vervuilers daadwerkelijk aan te pakken.
Op 28 juli 2022 hebben de Verenigde Naties het recht op een schone, gezonde en duurzame leefomgeving erkend. Staten, internationale organisaties en bedrijven worden ertoe opgeroepen om alles te doen wat in hun vermogen ligt om een gezonde leefomgeving te helpen bereiken. Veel eerder al, in 1983, hebben we de bescherming en verbetering van ons leefmilieu opgenomen in de Grondwet.
Voorzitter. Die verbetering van ons milieu is een actieve opdracht. Het niet erger maken dan het is, is dus niet voldoende. Daar komt tot nu toe bitter weinig van terecht. Het lukt op te veel terreinen niet eens om tot een standstill te komen, laat staan tot een verbetering. Wereldwijd staan ecosystemen onder druk. Gletsjers smelten weg waar we bij staan. Oceanen verliezen hun vermogen om CO2 op te slaan. Ook nationaal gaat het niet goed. Grootvervuilers zoals Tata Steel, Schiphol en Chemours en ons agro-industrieel complex blijven ongestoord hun fijnstof, stikstof en andere troep uitstoten: zware metalen, PAK's, pfas en een alsmaar langere lijst met veelal nieuwe zeer zorgwekkende stoffen. We noemen ze ook gewoon "ZZS", omdat het er inmiddels veel te veel zijn om op te noemen in de duur van een debat als dit. Het zijn stoffen die ons ziek maken, soms pas na decennia of pas in volgende generaties. Mijn fractie heeft hier Kamervragen over gesteld. Wat gaat het waterleidingbedrijven kosten om overal ons drinkwater zo te filteren dat we onder de advieswaarde van de WHO blijven? Het antwoord van de staatssecretaris: "Onbetaalbaar. Daar gaan we niet aan beginnen."
Dus we accepteren dat we jaar na jaar meer pfas opslaan in ons lichaam. Chemours mag nog maar 5 kilo pfas per jaar in de Merwede lozen. Dat is vooruitgang, maar er gaan wel tonnen pfas de fabriek uit als product, geheel legaal. In de aardappelteelt wordt jaarlijks zo'n 21.000 kilo pfas gespoten, ook legaal. Schiphol stoot jaarlijks zo'n 240.000 kilo zwaveldioxide uit, dat als zwavelzuur in de Amsterdamse lucht terechtkomt. Kerosine ontzwavelen kost 0,05 cent per liter, maar we verplichten het niet. De gezondheidszorgen van omwonenden van Tata Steel kennen we allemaal. Ook dat is grotendeels vergund. Te veel van wat vervuilers doen, heeft een vergunning. Ze doen dat dus met de zegen van een regering die grondwettelijk is verplicht ons en onze ecosystemen te beschermen.
Voorzitter. Precies daar zegt deze richtlijn iets belangrijks. Een vergunning die kennelijk in strijd is met de milieuregels, is geen vrijbrief. Wie zich aan een verouderde vergunning houdt, maar evident zijn zorgplicht schendt, kan strafbaar handelen. De richtlijn zegt erbij: het actueel houden van vergunningen blijft de plicht van de overheid. Daarom vraag ik de minister: hoeveel vergunningen van grote industriële bedrijven zijn verouderd en voldoen niet meer aan de huidige normen? Wanneer zijn die geactualiseerd? Kan de minister bevestigen dat het OM straks kan optreden als een bedrijf zich formeel aan een verouderde vergunning houdt maar evident zijn zorgplicht schendt?
Voor de rest gaat dit debat over illegale vervuiling. Hoeveel van welke stof illegaal geloosd wordt, weten we meestal niet. Waarschijnlijk zijn de legale lozingen hoger dan de illegale. Heeft de strijd tegen illegale milieuvervuiling dan wel nut? Zeker wel. Voor de gezondheid van onze baby's maakt het namelijk weinig uit of pfas in de moedermelk legaal of illegaal in het milieu terechtkwam. Juist in de opsporing en vervolging van de criminele vervuilers valt nog heel veel te winnen.
Dit wetsvoorstel implementeert de herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit. Net als met alle milieuregels lopen wij weer hopeloos achter op wat er moet gebeuren. De implementatietermijn verliep op 21 mei. De Europese Commissie heeft Nederland op 15 juli 2026 in gebreke gesteld, dus haast is geboden.
Voorzitter. Mijn fractie is blij met deze nieuwe regels. We zijn zelfs blij met de ingebrekestelling. Zonder deze tik op de vingers en zonder het voortschrijdend inzicht in Europa zou er hier nooit iets verbeteren. Kijk maar naar de mestderogatie of de nieuwe luchtkwaliteitsnormen, de Kaderrichtlijn Water of het EU ETS. Europa legt de lat zeker niet erg hoog, integendeel. Ik verbaas me dan ook over partijen die enerzijds klagen over de Europese regels en anderzijds klagen over de vervuiling die via de Rijn en de Maas ons land binnenstroomt. Hoe anders dan via Europese regels gaan we dit aanpakken? Steun daarom voor de aangescherpte definitiebepalingen. Steun voor de strafverzwaringen. Van harte steun voor de introductie van gekwalificeerde misdrijven als er sprake is van opzettelijk handelen dat leidt tot ernstige, langdurige of onomkeerbare schade aan ecosystemen.
Voorzitter. Dan mijn eigen terrein: klimaat. De Algemene Rekenkamer schreef al dat de aanpak van milieucriminaliteit een belangrijke rol kan spelen in het halen van onze klimaatdoelen. Daar zijn een betere uitvoering van toezicht en handhaving voor nodig en beter toezicht op de uitvoering, met oog voor effectiviteit. Daarom vraag ik de minister: hoe gaat het kabinet het toezicht op klimaatregels versterken? Wil de minister klimaatcriminaliteit een expliciete prioriteit maken in de nationale strategie, met doelen waarop de effectiviteit van toezicht en handhaving te toetsen is? En op welke manier wil hij dat dan doen? Kan de minister schetsen op welke wijze offshore olie- en gasactiviteiten zullen worden gecontroleerd? Op welke wijze gaat deze minister bijdragen aan het voorjaarspakket om het gat in de klimaatdoelen te dichten?
Voorzitter. Voorkomen is beter dan straffen. Afschrikking zit vooral in de pakkans en daar maken wij ons grote zorgen over. De Raad van State vraagt zich terecht af of en in hoeverre bij een schaarse opsporings- en vervolgingscapaciteit prioriteit kan en zal worden gegeven aan de handhaving van de met deze wet doorgevoerde vernieuwing van het milieustrafrecht. Het antwoord van het kabinet is: structureel 3 miljoen euro. Zet dat eens naast de rekening. De ILT schat de waarde van milieuovertredingen op ruim 4 miljard euro per jaar. Die rekening betalen we allemaal, als belastingbetaler, als drinkwaterklant, als patiënt. Als we met betere handhaving maar 1% van die schade voorkomen, is dat al ruim 40 miljoen euro per jaar. Handhaving is geen kostenpost; het is de beste investering die dit kabinet kan doen. Toch weet IenW nog niet of de ILT meer nodig heeft. LVVN denkt van niet. De memorie van toelichting zegt letterlijk: er is niet in een grootschalige uitbreiding van de opsporingscapaciteit voorzien. Heeft het kabinet berekend wat het ons kost om niet te handhaven? Is de minister bereid om in kaart te brengen hoeveel schade we met extra handhavingscapaciteit kunnen voorkomen en dat mee te wegen bij de begroting?
Ik doe absoluut geen afbraak aan het belang van wat inspecties, groene boa's, politie en justitie nu al doen in de bestrijding van milieucriminaliteit. Sterker nog, we zien jullie inzet. De richtlijn eist voldoende personeel en middelen, maar hoe rijmt de minister dat met geen grootschalige uitbreiding van de opsporingscapaciteit? De ILT-IOD heeft een inschatting gemaakt van wat zij nodig heeft. Kan die voor de stemmingen naar de Kamer? Hoe gaan we de ILT, het RIVM, de NVWA, omgevingsdiensten en het justitieel apparaat zo versterken dat grote en kleine vervuilers echt worden aangepakt? De Algemene Rekenkamer constateerde eerder al dat 17% van de bedrijven goed is voor de helft van alle overtredingen. Juist die bedrijven worden minder scherp gecontroleerd. Of het de eerste of de tiende overtreding is, maakt niet uit. Komt er een aanpak voor deze notoire overtreders? Maakt de minister inspectieresultaten openbaar, zodat iedereen kan zien wie zich wel en niet aan de regels houdt?
Dan ook nog het volgende. Bezuinigen op de ILT, zoals dit minderheidskabinet doet, is heel contraproductief, want je beloont de vervuilers en drukt bedrijven die zich wel aan de regels houden uit de markt. Een eerlijk en gelijk speelveld vraagt om strenge handhaving. Vergunningen schorsen of een bedrijf stilleggen kan al. De Rekenkamer en het WODC zeggen dat het werkt, maar waarom gebeurt het dan zo zelden? Hoe kan vaker en indringender gevolg worden gegeven aan aangiftes? Hoe houden we vaart in de strafvervolging en veroordeling van milieudelicten? Deze wetten gelden namelijk niet alleen voor de garagehouder om de hoek of de tuinderij die verboden middelen gebruikt. Ik kijk ook uit naar de aanpak van de zware industrie. Hoe zorgt deze minister, verantwoordelijk voor het OM, voor de opsporing en veroordeling opdat er daadwerkelijk voldoende afschrikkende werking is op potentiële milieudelinquenten? Ik kan het antwoord al raden: er is geen geld en we geven prioriteit aan drugscriminelen. Dat eerste is een keuze; ik kom daar zo op terug. Dat tweede is vaak genoeg twee vliegen in één klap. Wie de Brabantse pillenboerderijen oprolt, pakt namelijk ook gelijk de dumping van drugsafval aan, of andersom. Het zou zomaar kunnen dat de weg naar de producent via drugsafval korter en efficiënter is dan via de straatdealer, maar je moet er natuurlijk wel genoeg specialisten op zetten.
Dan het geld. Ik ben benieuwd hoe we de kosten van handhaving, opsporing en strafvervolging, maar ook het herstel van de schade aan milieu, natuur en de gezondheid van mensen kunnen verhalen op de daders. Nu loont misdaad namelijk veel te vaak. Ontneming van crimineel verkregen winst en herstel van milieuschade kunnen wettelijk al. Het WODC noemt dit de meest effectieve sancties. Toch worden ze vrijwel nooit gebruikt. Waarom passen we pluk-ze wel toe op drugscriminelen en vrijwel nooit op milieucriminelen? Vraagt de minister het OM om bij ernstige milieudelicten standaard ontneming en herstel te vorderen? Dan betaalt de vervuiler en niet de belastingbetaler.
Afrondend. Uiterlijk 21 mei 2027 moet er een nationale strategie liggen, met concrete doelen voor pakkans, afdoening en sanctiehoogte. Wanneer komt die naar de Kamer? Krijgt de Kamer jaarlijks dezelfde cijfers als die naar Brussel gaan? Dit wetsvoorstel bevat geen evaluatiebepaling. Hoe weet deze Kamer over drie jaar of deze wet iets heeft opgeleverd?
De lucht-, water- en bodemkwaliteit van Nederland staan onder druk. Dat is een grote bedreiging voor de levenskwaliteit van mens en dier en voor de biodiversiteit. Milieuschade laat ook pas op de lange termijn concrete en negatieve gevolgen zien voor de gezondheid en leefomgeving, maar dan is het vaak te laat. Deze aanscherping van het milieustrafrecht is een noodzakelijke stap. We zijn blij dat Europa ons de goede kant opduwt. Het is vooral ook een eerste stap. Alleen met geïntensiveerde handhaving komen we tot verwezenlijking van waartoe het nationale en internationale recht ons aanzet: milieurisico's en milieuvervuiling op industriële schaal voorkomen. Van dit kabinet verwacht ik een intensieve, gecoördineerde en vasthoudende aanpak. Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Ik zie dat dit geen reacties oproept. Dan geef ik het woord aan mevrouw Teunissen, die zal spreken namens de Partij voor de Dieren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreken we over het strafbaar stellen van zeer ernstige milieucriminaliteit, oftewel ecocide: het op grote schaal beschadigen van ecosystemen. Ecocide betekent letterlijk "het doden van ons huis". Ecocide: de moedwillige verwoesting van ons leefmilieu. Het woord bestaat al sinds 1970, en 50 jaar later is er eindelijk een juridische definitie. Een panel van topjuristen legde in 2021 vast wat ecocide precies inhoudt: onwettige of moedwillige daden, gepleegd met de wetenschap dat ernstige en wijdverspreide of langdurige schade aan de natuur zeer waarschijnlijk is.
In 2024 dienden de eilandstaten Vanuatu, Fiji en Samoa een officieel voorstel in om ecocide toe te voegen aan het Statuut van Rome. Landen die het water letterlijk voelen stijgen, wachten niet langer af. Rusland, Oekraïne, Frankrijk en België hebben ecocide al eerder in hun eigen wetboeken opgenomen. De Europese Unie voerde in 2024 zwaardere straffen in voor ernstige milieumisdrijven, en de implementatie van die wet ligt vandaag voor. Eindelijk, zou ik willen zeggen, want na jarenlange strijd wordt grootschalige beschadiging van ecosystemen als eigenstandige strafverzwaringsgrond toegevoegd aan het Wetboek van Strafrecht. Het milieustrafrecht krijgt hiermee een meer ecocentrisch karakter, en dat is een overwinning voor al de mensen die ecocide jarenlang op de agenda hebben gezet.
Strafbaarstelling van ecocide is voor een betere bescherming van mens, dier en natuur hard nodig. Vervuiling door de industrie veroorzaakt bijvoorbeeld in Nederland alleen al jaarlijks zo'n 7 miljard euro aan maatschappelijke schade. De grote vervuilers houden ondanks deze wet nog een te sterke rechtspositie ten opzichte van de kwetsbare waarden. De herziene richtlijn biedt een kans om de bescherming van de leefomgeving centraler te stellen in het strafrecht. We zien dat er nog wel wat verbetering plaats kan vinden, en daarom willen we vandaag een aantal verbetervoorstellen doen. Niet voor niks kwam ons voormalig Partij voor de Dieren-Kamerlid Lammert van Raan in 2023 met een initiatiefwet om ecocide strafbaar te stellen. Daar zat wel wat meer in dan wat de minister nu in deze vertaling naar Nederland zet. Wij kiezen ervoor om nu een aantal verbeteringen voor te stellen op basis van de initiatiefwet van Van Raan.
Voorzitter. Bij de voorgestelde implementatie moet de aanzienlijke schade wijdverbreid en onomkeerbaar of langdurig zijn. Daarmee worden verschillende voorwaarden tegelijkertijd gesteld. Het internationale panel van juridische experts dat de definitie van ecocide heeft opgesteld, hanteert een andere benadering. Volgens hun definitie kan er sprake zijn van ecocide wanneer de schade aanzienlijk is en daarnaast wijdverbreid, onomkeerbaar of langdurig. Mijn vraag is: waarom heeft de minister er niet voor gekozen om de definitie van de experts te volgen, maar heeft hij voor een minimalistische benadering gekozen?
Voorzitter. Dan kom ik tot de toelichting van onze amendementen. We vinden dat de strafbaarstelling van milieucriminaliteit zoals die nu in de wet staat, niet herkenbaar maakt dat het ook om ecocide gaat. Daarom zouden wij willen voorstellen om in de citeertitel ook expliciet te verwijzen naar de strafbaarstelling van ecocide. Zo begrijpen mensen beter waar het over gaat, en wordt ook het historische moment gemarkeerd dat er een strafverzwaringsgrond komt voor ecocide.
Dan ons amendement. De voorgestelde wet voorziet in een strafverzwaring wanneer aanzienlijke schade wordt berokkend aan een Natura 2000-gebied, maar we hebben daarnaast ook andere gebieden die van groot belang zijn voor de bescherming van de natuur in onze omgeving. Denk bijvoorbeeld aan grondwaterbeschermingsgebieden. Deze gebieden dragen in belangrijke mate bij aan het natuurherstel van Nederland, maar staan ook onder druk door bijvoorbeeld de grootschalige verspreiding van pfas.
De voorzitter:
Mevrouw Teunissen, mag ik u heel even onderbreken? Zou u de nummers van de amendementen kunnen noemen als u ze toelicht?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ja, voorzitter. Dat kost wel een beetje extra tijd, want die heb ik niet bij de hand.
De voorzitter:
Die gun ik u.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Even kijken, hoor. Het opnemen van ecocide in de citeertitel gaat om het amendement op stuk nr. 11.
Dan hebben we nog het oppervlaktewater, waar ik nu over begonnen ben; dat gaat om het amendement op stuk nr. 10. Zoals ik zei: de grondwaterbeschermingsgebieden dragen ook in belangrijke mate bij aan het natuurherstel van Nederland. We zien dus dat ook die gebieden onder druk staan, onder andere door de verspreiding van pfas. Het kan niet zo zijn dat het niet strafbaar zou zijn om deze gebieden in ernstige mate te vervuilen. Hetzelfde geldt als we kijken naar het Natuurnetwerk Nederland. Dat is ook beschermde natuur, die we zouden moeten koesteren en beschermen tegen grootschalige milieuschade. Daarover gaat ons amendement: we willen dat de straf wordt uitgebreid richting deze gebieden.
Voorzitter. Ook vragen we aandacht voor de implementatie van de richtlijn in Caribisch Nederland. De EU-richtlijn is logischerwijs geïmplementeerd in de wetgeving van Europees Nederland, maar we hebben niet voor niets het "comply or explain"-principe voor het Caribisch gebied. Wetgeving moet zo veel mogelijk gelijkgetrokken worden. Een milieudelict is niet minder ernstig omdat het op Bonaire, Sint-Eustatius of Saba wordt gepleegd. Denkt de minister daar ook zo over? Op de BES-eilanden zijn geen Natura 2000-gebieden, maar er zijn wel andere beschermde natuurgebieden. Daarom is het van belang dat de definitie van beschermde habitat aansluit bij de natuur die daar daadwerkelijk bescherming nodig heeft. Dit gaat trouwens om een motie, niet om een amendement. Mijn vraag is wel of de minister bereid is om te kijken naar de implementatie van de wet op de BES-eilanden. Zoals ik zei, overweeg ik een motie op dit punt.
Voorzitter. Ik heb nog één amendement niet toegelicht, het amendement op stuk nr. 12. Dat heb ik aan het begin van mijn bijdrage genoemd. Het gaat over de definitie van ecocide. De experts op het gebied van ecocide hebben een bredere definitie van milieucriminaliteit. Mijn amendement voorziet erin om aan te sluiten bij die definitie.
Voorzitter. Dan heb ik nog een aantal opmerkingen over de handhaving. Betere wetgeving heeft alleen effect als er ook gehandhaafd kan worden. Zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid al concludeerde in het rapport Industrie en omwonenden, kampen overheden en omgevingsdiensten met een kwetsbare informatiepositie en een tekort aan onafhankelijke meet- en handhavingscapaciteit. Er zijn structurele middelen nodig voor het substantieel versterken van de capaciteit, expertise en onafhankelijke meet- en handhavingstaken binnen de gehele keten. Op welke manier heeft de minister hier aandacht voor? Op welke manier gaat hij de handhaving versterken?
Voorzitter. Georganiseerde criminaliteit stopt niet bij de grens. Dat geldt ook voor de handel en activiteiten die ernstige milieuschade veroorzaken. Van 19 tot en met 23 oktober vindt er een conferentie plaats van UNTOC, waar het ook weer over milieucriminaliteit gaat. Daar ligt een kans om de internationale samenwerking verder te versterken. De Partij voor de Dieren zou graag willen zien dat Nederland zich tijdens die conferentie uitspreekt voor een vierde aanvullend protocol over milieucriminaliteit en dat Nederland zich actief inzet voor een besluit om onderhandelingen daarover te starten. Wil de minister dit overwegen? Zolang landen afzonderlijk proberen om grensoverschrijdende milieucriminaliteit aan te pakken, blijven er mogelijkheden om onder die verantwoordelijkheid uit te komen. Internationale samenwerking is noodzakelijk om te voorkomen dat ernstige milieuschade steeds opnieuw kan plaatsvinden en om de daders te kunnen opsporen.
Tot slot, voorzitter. Deze herziene Europese richtlijn is echt een enorme stap vooruit en biedt daarnaast een uitgelezen kans om nog een stap te zetten richting een systeem waarin mens, dier en milieu echt beter beschermd worden. We roepen het kabinet daarom op om deze kans ook ten volle te benutten.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie verder geen interrupties. Ik ben de voorzitter van dit wetgevingsoverleg en als voorzitter ben ik neutraal. Ik wil wel graag een inbreng doen in dit debat, dus ik wil mijn voorzitterspet even afzetten en het voorzitterschap tijdelijk overdragen aan mevrouw Faber, zodat ik namens BBB mijn bijdrage kan doen.
Voorzitter: Faber
De voorzitter:
Dan geef ik u gelijk het woord, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Als PRO enthousiast is over deze wet, dan moet iedereen in Nederland zich behoorlijk zorgen gaan maken. Ik hoorde mevrouw Van Oosterhout zeggen dat het goed is dat er geen derogatie, versoepeling van de mestregels, meer is, maar we weten natuurlijk dat dat betekent dat wij veel minder dierlijke mest en veel meer kunstmest moeten gebruiken. Veel meer kunstmest betekent veel meer gas. Veel meer gas betekent veel meer CO2. Het is ook bewezen dat kunstmest een grotere nitraatuitspoeling in het water heeft dan dierlijke mest. Ik hoorde mevrouw Van Oosterhout ook zeggen dat de landbouw maar allerlei troep blijft uitstoten. Zij heeft het dan over stikstof en fijnstof. In de coronatijd hebben we gezien dat de veehouderij gewoon doordraaide en dat de aantallen fijnstof en stikstof daalden op het gebied van NOx, de uitstoot van auto's en vliegtuigen. We zagen helemaal geen toename. Bovendien is de stikstofuitstoot — bij de veehouderij hebben we het dan over ammoniak — sinds 1990 al met 70% gedaald. Sinds 2019 zijn de stalemissies met 18% gedaald. Ik maak me dan wel zorgen als ik mevrouw Van Oosterhout hoor zeggen dat haar partij enthousiast is over dit voorstel.
Ik wil ook kort iets zeggen in de richting van de heer Bikkers. Daar wil ik ook maar even mee beginnen. De heer Bikkers zei dat dit het land helemaal niet op slot gaat zetten. Nou, mensen, dit gaat het land echt helemaal verder op slot zetten. Daar ga ik in mijn bijdrage ook op in. Ik zal dat toelichten. Ik hoop dat iedereen goed luistert en dat de minister mijn vragen daarover kan beantwoorden.
Voorzitter. Wie bewust ernstige milieuschade veroorzaakt, moet natuurlijk worden aangepakt. Voor BBB bestaat daar geen twijfel over. Illegale afvaldumpingen, het bewust lozen van gevaarlijke stoffen en andere ernstige milieudelicten mogen niet lonen, maar dit wetsvoorstel gaat verder dan dat. Bestaande strafbepalingen worden uitgebreid naar aanzienlijke schade aan ecosystemen, dieren en planten, ook wanneer er geen direct gevaar voor de mens is. Bij sommige bepalingen hoeft die schade nog niet te zijn ontstaan. Ook het gevaar dat er aanzienlijke schade zal ontstaan, kan al voldoende zijn. Dat maakt de vraag waar de strafbaarstelling begint bijzonder belangrijk, zeker in een land waarin duizenden boeren al jarenlang vastlopen in onzekerheid over stikstof en vergunningen. Een boer moet vooraf kunnen weten wat hij mag doen. Als de overheid hem daar toestemming voor geeft, moet die toestemming betekenis hebben.
Voorzitter. Daarmee kom ik op de PAS-melders. Deze ondernemers hebben hun bedrijfsactiviteiten gemeld binnen een systeem dat door de overheid zelf was ingericht. Volgens dat systeem hadden zij geen natuurvergunning nodig. Vervolgens hield het PAS juridisch geen stand en kwamen zij buiten hun schuld terecht in grote onzekerheid. Ze kwamen terecht in grote ellende, wil ik zelfs zeggen. De overheid heeft hun legalisatie beloofd, maar zolang die uitblijft, ontbreekt bij deze ondernemers de benodigde natuurvergunning. Daarom vragen wij wat dit wetsvoorstel voor hen betekent. Het voorstel breidt immers de strafrechtelijke bescherming van ecosystemen uit, terwijl stikstofdepositie juist de reden is waarom deze ondernemers nog op legalisatie wachten. Kan de minister vandaag klip-en-klaar uitsluiten dat deze uitbreiding hun een nieuw probleem bezorgt, namelijk strafrechtelijke vervolging vanwege hun stikstofuitstoot? Graag een uitgebreide reactie van de minister hierop.
Voorzitter. Dan de ondernemers die wel een geldige vergunning hebben en aan alle voorwaarden voldoen. Uit de toelichting blijkt dat ook handelen binnen een vergunning onder omstandigheden wederrechtelijk kan zijn, bijvoorbeeld wanneer die vergunning kennelijk in strijd is met de onderliggende milieuregels. Ook zorgplichten kunnen volgens de toelichting een rol spelen. Dat roept bij BBB een wezenlijke vraag op: wat mag een ondernemer nog vertrouwen wanneer het bevoegd gezag hem toestemming heeft gegeven? Wij begrijpen dat een door fraude verkregen vergunning geen bescherming moet bieden, maar een ondernemer die eerlijk alle informatie heeft verstrekt en precies doet wat zijn vergunning toestaat, verkeert in een heel andere positie.
De Europese richtlijn zegt uitdrukkelijk dat de verantwoordelijkheid om vergunningen rechtmatig te houden, niet verschuift van de overheid naar de ondernemer. Daarom vraag ik de minister het volgende. Hoe waarborgt de minister dat een boer die alle benodigde informatie eerlijk heeft verstrekt en zijn vergunning naleeft, niet strafrechtelijk de rekening krijgt voor fouten of nalatigheid van het bevoegd gezag? Mag die boer erop vertrouwen dat het bevoegd gezag de rechtmatigheid van zijn vergunning bewaakt, zonder dat hij zelf de juridische beoordeling van de overheid moet overdoen? Als de overheid meent dat een vergunning niet langer voldoet, is de overheid dan op basis van dit voorstel of andere geldende rechtsnormen, verplicht om de ondernemer hierover tijdig en concreet te informeren en de vergunning zo nodig aan te passen? Wij zouden het onaanvaardbaar vinden als door dit wetsvoorstel een boer die zijn vergunning naleeft, strafrechtelijk de rekening zou kunnen krijgen voor een overheid die haar eigen vergunningverlening niet op orde heeft.
Voorzitter. Dat zal ik concreet maken. Stel, een veehouder werkt binnen zijn vergunning. Een natuurorganisatie doet aangifte en stelt dat zijn stikstofuitstoot bijdraagt aan de aantasting van een Natura 2000-gebied. Wat moet er dan liggen voordat die ondernemer als verdachte wordt aangemerkt? Wat moet het Openbaar Ministerie bewijzen voordat een veroordeling mogelijk is? Bij stikstof gaat het vaak over de gezamenlijke belasting van een gebied door allerlei bronnen, maar in een strafzaak moet worden beoordeeld wat deze individuele ondernemer heeft gedaan en wat hem kan worden verweten. Kan de minister daarom bevestigen dat een berekende stikstofbijdrage of een overschrijding van de kritische depositiewaarde op zichzelf onvoldoende is om vast te stellen dat door het handelen van die boer aanzienlijke schade te duchten is? Hoe worden wederrechtelijkheid en opzet of schuld afzonderlijk vastgesteld? En kan de minister vandaag nogmaals klip-en-klaar uitsluiten dat dit in de toekomst zou kunnen voorkomen?
Voorzitter. Tegen die achtergrond maakt het amendement-Sneller op stuk nr. 9 onze zorgen groter. Want dit amendement schrijft expliciet in de wet dat een ondernemer die zich aan zijn vergunning houdt toch wederrechtelijk kan handelen. De overheid geeft dus toestemming, de boer houdt zich aan de voorwaarden en vervolgens kan diezelfde overheid zeggen dat het handelen van die boer toch in strijd is met de wet. Hoe moet een boer, of welke ondernemer dan ook, dan nog weten wat die moet doen en waar die zich aan moet houden? Hoe veilig is een ondernemer nog in Nederland? Wij begrijpen dat de Europese richtlijn een uitzondering voorschrijft …
De voorzitter:
Meneer Sneller heeft een interruptie. Ik zag het niet, want ik zat zo gefascineerd te luisteren dat ik helemaal vergat naar links te kijken. Excuus daarvoor.
De heer Sneller (D66):
Geen probleem. Het is u allemaal vergeven. Mevrouw Van der Plas zegt dat het het erger maakt. Heeft mevrouw Van der Plas de illusie dat als dit amendement wordt verworpen, het niet wederrechtelijk zal zijn, ook al wordt overal in de stukken betoogd dat dit ook zonder dit amendement het geval zal zijn?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik maak me gewoon heel grote zorgen over de implementatie van deze wet in zijn geheel, en ook over alle amendementen die het allemaal nog aanscherpen en explicieter gaan maken. Kijk, de ervaring heeft ons in de afgelopen jaren het volgende geleerd. De heer Bikkers zei al dat in Nederland gelukkig iedereen iedereen mag aanklagen omdat iedereen dat recht nou eenmaal heeft. Wij maken echter wel de kaders van de wet. Wij maken hier wetten, wij passen wetten aan of wij schaffen hier wetten af. Mijn zorgen zijn de volgende. Ik zie een aantal amendementen dat het allemaal nog strikter maakt en het allemaal nog verder in de trechter duwt. Die maken het alleen maar slechter. Ik zal de heer Sneller dus ook eerlijk zeggen: wij zijn helemaal niet blij met deze wet, echt niet. Wij zien zo meteen echt een stikstofzaak 6.0 voor ons. Dus dat is mijn antwoord.
De voorzitter:
Dat nodigt uit tot nog een vraag, zie ik.
De heer Sneller (D66):
Mevrouw Van der Plas is het niet eens met de richtlijn zoals die luidt, en weigert hem eigenlijk überhaupt in Nederland te implementeren. Ik bedoel dat ik denk dat dat een problematische koers is. Ik wou alleen illustreren dat de poging die beide amendementen doen juist is om de onzekerheid die mevrouw Van der Plas ook in haar inbreng heeft benoemd, weg te nemen door concreter en specifieker te zijn over wanneer het dan het geval zal zijn. Ik denk dat ondernemers er baat bij hebben als dat het geval is. Dus voor alle doeleinden die mevrouw Van der Plas ziet, namelijk zorgen dat er minder onzekerheid is, denk ik dat het belangrijk is om het juist in de wet op te nemen. Daar is dit een poging toe. Het is problematisch als mevrouw Van der Plas zegt dat die hele implementatiewetgeving weg moet, dat er ook niks voor in de plaats moet komen en dat we Brussel en de verplichtingen die we hebben om richtlijnen te implementeren gewoon moeten negeren. Als zij echter het pad wil bewandelen om te kijken hoe we het zo goed mogelijk kunnen doen voor de mensen in Nederland, dan is volgens mij dit amendement daar een mooi middel toe.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik hoorde verder geen vraag. Ik kan daar het volgende over zeggen. Kijk, we zien nu al dat MOB van de heer Vollenbroek gewoon echt op letterlijk alles rechtszaken aanspant en handhavingsverzoeken doet. Elke letter die je toevoegt en die het nog explicieter maakt, en die het in mijn ogen nog strikter maakt, geeft MOB en ook andere organisaties — denk aan Greenpeace en Milieudefensie — straks een gelegenheid. Die denken met die wetten en die amendementen in de hand: voor ons is dat lekker, want we kunnen hiermee nog meer handhavingsverzoeken en nog meer aangiftes gaan doen. Ik voorzie gewoon dat dat gaat gebeuren. Ik zie dat dus anders dan de heer Sneller.
De voorzitter:
Gaat u verder. O, mevrouw Straatman heeft nog een vraag aan u.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank aan mevrouw Van der Plas. Ik deel haar zorgen wat betreft de bestaande vergunningen. Dat bleek ook wel uit mijn eigen inbreng. Ik denk dat mevrouw Van der Plas het ook met mij eens is over het volgende. Als er enige ruimte is binnen deze richtlijn om heel expliciet te maken dat je met een bestaande vergunning nooit strafrechtelijk aansprakelijk gesteld kunt worden, dan zullen we daar heel positief tegenover staan. Mijn vraag ging over de opmerking van mevrouw Van der Plas dat deze wet in generieke zin nog veel verder gaat. Ik had daar ook twijfels en zorgen over. Vervolgens las ik in de nota naar aanleiding van het verslag dat in de huidige Omgevingswet al staat dat bepaalde activiteiten, als die verslechterend zijn of een Natura 2000-gebied significant verstoren, al overtredingen zijn die via een schakelbepaling strafbaar zijn. Kan mevrouw Van der Plas uitleggen hoe die twee zaken, de huidige regelingen in de Omgevingswet en deze nieuwe wet, zich tot elkaar verhouden? Waarin vindt zij dat dit nog veel verder gaat?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
We weten dat het Europees recht boven het Nederlands recht gaat. Met bepaalde bepalingen in de Omgevingswet zijn wij het ook helemaal niet mee eens, om het maar zacht uit te drukken. Europese wetgeving gaat daar wel boven. Nogmaals, al die stapelingen van al die regels, al die wetten, in de Omgevingswet, in een stikstofwet, in de Europese wetten, geven boeren helemaal geen rechtszekerheid — en ondernemers überhaupt geen — maar alleen maar nog grotere onzekerheid.
Ik wil, als dat mag, voorzitter, ook nog even het volgende aanstippen. Vorige week was er in de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven een openbare zitting die ging over burgersignalen en over hoe wij hier als medewetgever opereren in de Tweede Kamer. Daarin gaf de Nationale ombudsman heel duidelijk aan dat hier wel allerlei wetgeving wordt gemaakt — hij heeft dan specifiek over Nederland — maar dat wij vaak helemaal niet van tevoren de grote gevolgen daarvan zien. Het is allemaal met goede bedoelingen en allemaal heel sympathiek, maar hier wordt niet goed uitgedacht welke gevolgen dit nou precies heeft voor burgers en in dit geval ondernemers; ondernemers zijn ook burgers. Ik wil daar gewoon heel erg waakzaam voor zijn. We moeten af van al die stapelingen van al dat soort wetten. Ik denk dat we het er hier met z'n allen over eens zijn dat niemand hier zit om de aarde te vervuilen. Niemand staat hier 's ochtends op met het idee: ik ga eens even lekker uitstoten of de boel vergiftigen. Iedereen wil dat er goed beleid gevoerd wordt voor een goed milieu, maar het moet er niet toe leiden dat ondernemers straks continu voor de rechter gedaagd worden omdat wij hier allemaal dingen implementeren die gewoon een averechts effect hebben.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik ben het daarover helemaal eens met mevrouw Van der Plas, dus vandaar mijn oprechte vraag. Als daar nog enige onduidelijkheid over is, dus als mevrouw Van der Plas signalen heeft dat de huidige wet verder gaat dan de doorschakeling die we nu al hebben in de Omgevingswet, in de Wet op de economische delicten, zou ik graag aan de minister willen vragen om daarop in te gaan. Is de toevoeging van de beschermde habitat in Natura 2000-gebied eigenlijk al regelgeving in het juridische kader is of zetten we hierop nog extra stappen waardoor we dit soort signalen heel serieus moeten nemen? Dat was de insteek van mijn vraag.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Ik ga daar in mijn tekst ook nog wat op door. De heer Sneller noemt dit amendement "rechtszekerheid", maar als een boer zijn vergunning leest en daarna nog steeds niet weet of zijn bedrijfsvoering strafbaar kan zijn, welke zekerheid heeft hij dan gekregen?
Daar komt nog iets bij. De richtlijn spreekt over een vergunning die kennelijk in strijd is met de wettelijke eis. Het amendement kijkt dan naar het handelen van de ondernemers ondanks die vergunning. Dat is een verschil dat de minister in zijn appreciatie moet uitleggen. Daarom vraag ik hem dat bij dezen. Wordt hiermee de verantwoordelijkheid voor een ondeugdelijke vergunning alsnog bij de boer gelegd? Gaat dit amendement verder dan wat Europa voorschrijft?
Voorzitter. Voor BBB is het onaanvaardbaar dat boeren strafrechtelijk de rekening kunnen krijgen voor fouten van de overheid. Dat geldt ook voor de uitbreiding van de zorgplicht en zorgvuldigheidsnormen. Wie eerlijk een vergunning aanvraagt en zich aan de voorwaarden houdt, moet daar gewoon op kunnen vertrouwen. In onze ogen kan de minister daarom niet anders dan het amendement op stuk nr. 9 onaanvaardbaar verklaren. Wij willen van de minister horen hoe hij, los van dit amendement, waarborgt dat boeren kunnen vertrouwen op de toestemming die de overheid hun zelf heeft gegeven.
Voorzitter. Ook het amendement op stuk nr. 8 verdient aandacht. Dat geeft definities voor "wijdverbreide schade" en "langdurige schade", begrippen die bepalend zijn voor de toepassing van het zwaardere strafregime. Maar termen als "een belangrijk deel van een ecosysteem" en "herstel binnen een redelijke termijn" laten nog steeds veel ruimte voor uitleg. Welke duidelijkheid voegt dit voor ondernemers toe, vraag ik de minister. Kan de minister bevestigen dat daarnaast aanzienlijke schade en het verband tussen het strafbare feit en die schade steeds afzonderlijk moeten worden bewezen?
Voorzitter. Onze zorgen gaan niet alleen over een eventuele veroordeling. Een strafrechtelijk onderzoek betekent kosten, onzekerheid en grote persoonlijke druk. Uiteindelijke vrijspraak maakt dat niet ongedaan. Kan de minister uitsluiten dat agrariërs straks op grote schaal aangiften aan hun broek krijgen vanwege hun stikstofuitstoot? Ik begrijp dat hij niemand kan verbieden om aangifte te doen, maar welke waarborgen voorkomen dat ondernemers zonder voldoende concrete verdenking in langdurige strafrechtelijke procedures belanden?
BBB vraagt vandaag om duidelijke grenzen, voor de boer met de vergunning, maar ook voor de PAS-melder die nog steeds op een oplossing wacht. De overheid moet ernstige milieucriminaliteit bestrijden, maar dezelfde overheid moet ook verantwoordelijkheid nemen voor de toestemming die zij zelf heeft gegeven en de verwachtingen die zij zelf heeft gewekt. Die duidelijkheid willen wij voordat wij over deze wet stemmen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Ik zie dat er verder geen interrupties zijn, dus u krijgt het voorzitterschap weer terug.
Voorzitter: Van der Plas
De voorzitter:
Dank u wel voor het tijdelijk overnemen van het voorzitterschap, mevrouw Faber. We zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer. Dat gaat in een heel goed tempo. Ik kijk even naar de minister en hoor dat hij een halfuur nodig heeft om de antwoorden voor te bereiden. Dan zien we elkaar hier om 11.40 uur terug. Dank u wel.
De vergadering wordt van 11.09 uur tot 11.41 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedemiddag. Welkom terug bij dit wetgevingsoverleg Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit. We hebben zojuist de eerste termijn van de Kamer gehad, waarin de Kamerleden van diverse partijen hun inbreng hebben gedeeld met elkaar en met de minister. We gaan nu beginnen aan de eerste termijn van de minister, waarin hij antwoord zal geven op de gestelde vragen. Ik geef het woord aan de minister.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Allereerst mijn excuses, want ik ben een klein beetje verkouden. Als ik wat nasaal overkom, ligt dat dus daaraan. Ik vrees dat ik er niets aan kan doen.
Ik begin met een korte inleiding, daarna zal ik ingaan op het onderwerp vergunningen, dan de schade en de strafbaarheid, dan het kopje handhaving en gevolgen, dan het kopje drugsdumpingen, dan de overige vragen en ik eindig uiteraard met het appreciëren van de amendementen.
De voorzitter:
Eén dingetje nog. Als de leden ermee akkoord zijn dat de minister een blokje afmaakt en we dan de vragen stellen, geeft dat wat meer rust in het debat en ook wat meer rust in de beantwoording van de minister, denk ik. Spaar de vragen dus even op tot het eind van elk blokje, zou ik zeggen.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Vandaag behandelen we het wetsvoorstel tot implementatie van de herziene EU-richtlijn milieucriminaliteit uit 2024, een actualisering van de al bestaande EU-richtlijn over dit onderwerp uit 2008. De inhoud van de nieuwe richtlijn komt in belangrijke mate overeen met de richtlijn uit 2008, met een paar aanvullingen. Zo bevat de nieuwe richtlijn ten opzichte van de eerdere richtlijn een extra aantal strafbaar te stellen gedragingen, zoals verboden handelingen ten aanzien van chemicaliën. Daarbij is het goed om voor ogen te houden dat het steeds gaat om de strafrechtelijke handhaving van al bestaande EU-milieuvoorschriften. Die milieuvoorschriften zijn er dus al op grond van andere EU-regelgeving. Deze richtlijn voegt daar kort gezegd alleen maar aan toe dat het overtreden van die normen ook in alle lidstaten strafbaar moet worden gesteld, iets wat overigens voor veel van die feiten in Nederland al geldt, maar dan nu ook EU-breed. Nieuw in de richtlijn ten opzichte van 2008 zijn daarnaast bepalingen over de strafmaxima, de rechtsmacht, de verjaringstermijnen, preventie en een nationale strategie voor de bestrijding van milieudelicten.
Zoals gezegd voldoen het bestaande Nederlands recht en beleid grotendeels al aan de verplichtingen uit de herziene milieurichtlijn. Dit wetsvoorstel bevat daarom maar een paar wettelijke aanpassingen. De belangrijkste zijn een nieuwe strafbaarstelling voor het in de handel brengen van, kort gezegd, producten waarvan het gebruik op grotere schaal leidt tot aanzienlijke schade voor mens en milieu, en een uitbreiding van de reikwijdte van een aantal wetsartikelen. Daardoor zijn daarin opgenomen gedragingen, zoals stoffen in de bodem brengen, niet alleen strafbaar als die gevaarlijk zijn voor mensen, maar ook als die tot aanzienlijke schade aan het milieu kunnen leiden. Het wetsvoorstel regelt ook een strafmaatverhoging, zowel in het Wetboek van Strafrecht als in de Wet op de economische delicten, voor een aantal delicten als sprake is van vernietigende milieuschade, zoals ik het maar even noem. Het gaat dus om hele grote milieuschade; denk daarbij aan ecocide. In de Wet op de economische delicten komt ook een strafverzwaring als milieuovertredingen de dood tot gevolg hebben. Dat was al geregeld in het Wetboek van Strafrecht. Ten slotte verhogen we de strafmaat bij roekeloos gedrag dat de dood veroorzaakt.
Voorzitter. Dat was de inleiding, en dan wilde ik graag beginnen met het kopje vergunningen. Een hoop vragen van een hoop leden gingen in verschillende mate over of je strafbaar bent als je een geldige vergunning hebt. Laat ik klip-en-klaar zijn. Er is in beginsel natuurlijk geen sprake van wederrechtelijkheid als iemand een geldige vergunning heeft en de voorschriften naleeft. Dan ben je niet strafbaar. Maar, en daar komt de kleine opening van de deur, zoals mevrouw Straatman die noemde, die op basis van deze richtlijnen hier moet worden gelaten, maar die in de Nederlandse wet ook al op verschillende manieren verankerd zat: een vergunning is geen volledige vrijbrief om gedragingen uit te voeren die evident en aanzienlijk in strijd zijn met milieuwetgeving. Het moet dan wel voor de vergunninghouder zonder meer kenbaar zijn geweest dat de kern van de vergunning of ontheffing, zoals een emissie- of een invoermaximum, niet meer aansluit bij de inmiddels aangescherpte situaties. Denk daarbij aan situaties waarin gehandeld wordt op basis van een sterk verouderde vergunning, waarvan evident is dat die inmiddels in grote mate strijdig is met aangescherpte geldende milieuwetgeving. En ja, zeg ik daarbij, het actualiseren van vergunningen is en blijft primair een overheidstaak. Daar ligt de plicht, en die verschuift als gevolg van deze richtlijn niet naar de vergunninghouder of de marktdeelnemer. Dat staat ook heel duidelijk in overweging 10 van de richtlijn. Maar nogmaals, er kan sprake zijn — dan hebben we het echt niet over de PAS-melders, zeg ik alvast tegen mevrouw van der Plas — van sterk verouderde vergunningen, waarbij ook voor de vergunninghouder heel duidelijk is dat die in strijd is met de huidige wetgeving.
Dus een boer die alle benodigde informatie eerlijk heeft verstrekt en zijn vergunning naleeft, kan niet strafrechtelijk de rekening krijgen voor fouten of nalatigheid van bevoegd gezag? Zoals ik net al zei, is iemand met een geldige vergunning in beginsel niet wederrechtelijk bezig. Wanneer dat wel zo is: dat kunnen wij terugtraceren tot de uitspraak van de Hoge Raad in 1984. Vandaar dat ik zeg dat dit beginsel van wederrechtelijkheid niet nieuw geïntroduceerd wordt, maar al langer bestaat. Dat heeft een andere context — het gaat over een vergunning voor kamperen — maar het is denk ik wel bruikbaar. Ik lees even een stukje uit dat arrest voor. "De houder van een vergunning mag in het algemeen erop vertrouwen dat deze vergunning overeenkomstig de wettelijke voorschriften is verstrekt en dat hij gerechtigd is van deze vergunning gebruik te maken, ook wanneer later zou blijken dat zij in strijd is met een wettelijk voorschrift en derhalve ten onrechte is uitgegeven. Zulks leidt echter uitzondering in een geval als het onderhavige, waarin uit hetgeen door het hof is overwogen is af te leiden dat de verlening van de vergunning een ook voor de verdachte een zo onmiskenbare wetschendig opleverde dat hij had moeten begrijpen dat het college van B en W hem deze niet had mogen verlenen." Dat is waar het hier in de kern ook om gaat; in principe moet je gewoon op een vergunning kunnen vertrouwen, zelfs als later blijkt dat de vergunning in strijd zou zijn met de wet. Maar de kern zit 'm hier in het woordje "onmiskenbaar", en dat moet ook nog eens in ernstige mate het geval zijn. Je mag dus op een vergunning vertrouwen, tenzij het héél evident is dat die in ernstige mate in strijd is met de wet. Nogmaals, iemand die gewoon alle informatie aanlevert en gewoon een vergunning verleend krijgt, heeft dus niks te vrezen, ook niet van deze richtlijn. Ik benadruk ook dat dit dus geen nieuwe praktijk is en dat er altijd al een achterdeurtje verscholen lag, ook in ons huidige Wetboek van Strafrecht, daar waar het om een situatie gaat zoals ik die net schetste.
Een variant op dit thema. Mag de boer erop vertrouwen dat het bevoegd gezag de rechtmatigheid van zijn vergunning bewaakt zonder dat hij zelf de juridische beoordeling van de overheid moet overdoen? Als de overheid meent dat een vergunning niet langer voldoet, is de overheid dan op basis van dit voorstel verplicht de ondernemer tijdig en concreet daarover te informeren en de vergunning zo nodig aan te pakken? Zolang een ondernemer voor de betrokken activiteiten de vereiste vergunningen heeft, handelt hij rechtmatig en zal er op grond van de voorgestelde strafbepalingen geen strafrechtelijke vervolging aan de orde kunnen zijn. Het is aan het bevoegd gezag voor de Natura 2000-vergunningen om actie te ondernemen als een eenmaal verleende vergunning voor een bepaalde activiteit niet langer passend is, actualisatie behoeft of eventueel beperkingen behoeft, als dat nodig is op grond van artikel 8.103 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Tegelijkertijd is het wel aan de ondernemer — maar ik heb u niet het tegendeel horen beweren — om het bij de overheid te melden als er een significante wijziging in de bedrijfsvoering plaatsvindt. Die plicht ligt dan daar.
Mevrouw Van der Plas vroeg naar aanleiding van het amendement-Sneller of hiermee de verantwoordelijkheid verschuift naar de boer. Ik zei het eerder al: nee. Het actualiseren van vergunningen is en blijft een overheidstaak. Die plicht verschuift als gevolg van deze richtlijn niet naar de vergunninghouder of de marktdeelnemer. Dit amendement is op zichzelf in lijn met de richtlijn, want die schrijft in een artikel voor dat ook sprake is van wederrechtelijkheid als gedragingen vallen binnen een vergunning die door de overheid is afgegeven maar die inmiddels kennelijk in strijd is met materiële wettelijke vereisten. Dat staat dus ook in overweging 10 bij de richtlijn, namelijk dat er sprake moet zijn van een duidelijke en aanzienlijke schending van relevante materiële wettelijke vereisten. Dat is in dit amendement dus vertaald als "duidelijk en aanzienlijk". Ik snap uw aarzeling bij het amendement wel. Ik kom daar straks in de appreciatie van de amendementen wat breder op terug.
Mevrouw Straatman, in een variant op hetzelfde onderwerp, vroeg: kan de minister voorbeelden geven van wanneer er dan toch sprake is van strafbaarheid als er binnen een vergunning wordt gehandeld? Verplicht de richtlijn tot het openhouden van de achterdeur? Op dat laatste, zoals ik u net verteld heb, kan ik zeggen dat de richtlijn daar inderdaad toe verplicht, maar dat het ook niet nieuw is ten opzichte van wat nu al in ons strafrecht geldt, namelijk dat strafrechtelijke aansprakelijkheid wederrechtelijkheid vergt. Daarvan is in beginsel geen sprake als iemand een geldige vergunning heeft en de voorschriften daarvan naleeft. Maar het gedrag kan strafbaar zijn als iemand op grond van bijvoorbeeld een verouderde vergunning gedragingen verricht die naar de huidige maatstaven evident in strijd zijn met de geldende milieuregelgeving. In die situaties moet voor de vergunninghouder zonder meer kenbaar zijn geweest dat de kern van de vergunning of ontheffing, zoals een emissie- of invoermaximum, niet meer aansluit bij de inmiddels aangescherpte regels.
Mevrouw Van Oosterhout vroeg of het klopt dat het OM kan optreden als een bedrijf zich aan een oude vergunning houdt maar de normen evident schendt. Ja, dat sluit dus aan bij exact mijn bewoording van zonet. In die specifieke gevallen kan dat aan de orde zijn. Uiteindelijk is het wel aan het OM om in een concreet geval te bepalen of dat aan de orde is of niet.
Dan vroeg mevrouw Van der Plas nog heel nadrukkelijk naar de PAS-melders en om een geruststelling op dat vlak. Bij de PAS-melders is in beginsel noch sprake van opzettelijk handelen, noch van verwijtbaar handelen. Het is de overheid zelf die hier tekort is geschoten. De door de overheid vastgestelde vrijstelling van de vergunningplicht voor geringe deposities heeft geen stand kunnen houden bij de rechter en is daarmee onverbindend verklaard. Daardoor hebben de PAS-melders buiten hun schuld geen omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteit. Dat heeft de overheid ook erkend. In het verlengde daarvan is in artikel 22.21 van de Omgevingswet de opdracht aan de minister van LVVN opgenomen om een programma op te stellen met maatregelen die erop zijn gericht om de PAS-melders in een legale situatie te brengen. Tevens is meermaals door achtereenvolgende kabinetten uitgesproken dat in de periode tot legalisatie een feit is, niet actief zal worden gehandhaafd. De PAS-melder hoeft dus van dit wetsvoorstel niets te vrezen.
Mevrouw Van der Plas vroeg wat er in het geval van stikstofuitstoot moet liggen om als verdachte te worden aangemerkt en hoe wederrechtelijkheid en opzet door schuld worden vastgesteld bij die beoordeling. In beginsel is er geen sprake van wederrechtelijkheid als iemand met een geldige vergunning en bij naleving van de voorschriften binnen die vergunning gedragingen pleegt. De enige uitzondering daarop is de wederrechtelijkheid die ik net noemde, met die hele zware kwalificaties. Ik kan me dus oprecht niet voorstellen hoe zich dat in deze gevallen van agrariërs en stikstof zou kunnen voordoen, met alle aandacht die daar nu voor is.
Hoeveel vergunningen van grote industriële bedrijven zijn verouderd en voldoen niet meer aan de regels? Die actualisatie is een verplichting onder de Omgevingswet. Dat is iets van de staatssecretaris van IenW, zeg ik daarbij; dat valt niet binnen mijn bevoegdheden. Dat is wel een dynamisch proces, want er worden continu vergunningen vernieuwd, geactualiseerd dan wel ingetrokken, dus ik kan nu niet aangeven hoeveel vergunningen er op enig moment moeten worden geactualiseerd.
Voorzitter. Dat was het kopje vergunningen.
De voorzitter:
Dan kijk ik even rond. Ik zie een interruptie van mevrouw Straatman en vervolgens mevrouw Faber.
Mevrouw Straatman (CDA):
Het gaat me nog steeds over dat wederrechtelijkheidsbegrip. De minister zegt nu eigenlijk: er is niets veranderd, dit is ook uitwerking van jurisprudentie uit 1984. Maar als ik naar de memorie van toelichting kijk, dan wordt er op pagina 11 heel expliciet gezegd dat we nu te maken hebben met een uitbreiding van het wederrechtelijkheidsbegrip. Hoe verhouden die twee dingen zich tot elkaar?
Minister Van Weel:
Ik zou het eigenlijk meer een uitwerking willen noemen van deze specifieke casus. De casus van de Hoge Raad die ik net noemde, zag natuurlijk niet op milieucriminaliteit. Met deze richtlijn is expliciet aangegeven dat je die achterdeur, zoals u dat noemt, die opening, daadwerkelijk moet laten. Die hebben we hier dus in willen specificeren. Het is in die zin een uitbreiding dat die komt boven op het algemene beginsel, zoals dat ook door de Hoge Raad in die uitspraak van 1984 is neergelegd.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dus kan ik het dan zo begrijpen dat de definitie die de Hoge Raad in 1984 heeft neergelegd, nog steeds precies dezelfde definitie is en dat wat nu wordt omschreven als "duidelijk en aanzienlijk" niet de lat verlaagt voor deze categorie?
Minister Van Weel:
Nee, met steun van mijn juridisch geweten aan mijn rechterzijde zeg ik daarop: ja.
Mevrouw Straatman (CDA):
Nog een aanvullende vraag. Dat is goed om te horen, maar tegelijkertijd voel ik nog steeds datzelfde ongemak. Als dat jurisprudentie is uit 1984, dan begrijp ik dat we op deze manier het wederrechtelijkheidsbegrip kunnen uitleggen, maar tegelijkertijd zeggen we ook: die plicht ligt bij het bestuursorgaan. Is het dan mogelijk — wij kunnen bepaalde zaken immers ook aanpassen — om binnen de huidige richtlijn het volgende te zeggen? Als zich een situatie voordoet — dat is superuitzonderlijk, zoals ik de minister begrijp — dat het Openbaar Ministerie oordeelt "in deze situatie is voldaan aan het wederrechtelijkheidsbegrip, dus ik zou een strafrechtelijke route kunnen bewandelen", dan nemen we via een motie of wat dan ook op dat het Openbaar Ministerie dan eerst in de lucht komt bij dat betreffende bestuursorgaan, zodat altijd eerst wordt gekeken of we nog de bestuursrechtelijke route kunnen doorlopen, en we dan pas strafrechtelijk handelen. Dan houden we de route open, maar spreken we hier met elkaar af: laten we eerst dat bestuursorgaan aan zet laten.
Minister Van Weel:
Dan zou ik wel even willen kijken naar de tekst van de motie, want ik heb nog niks gezien. Ik weet niet of het helemaal dichtzetten van de strafrechtelijke deur nodig is. We hebben het nu veel over agrariërs en het is begrijpelijk dat het daaromheen hangt, maar er zijn natuurlijk ook hele grote vervuilers in Nederland die daarvoor hele gecompliceerde vergunningen hebben. Zij kunnen er baat bij hebben om, terwijl ze weten dat ze door aangescherpte richtlijnen of regelgeving in strijd handelen met hun geldende vergunning, daar toch mee door te gaan en te proberen om dat onder de pet te houden. Dan is de vraag of je in een zo evidente casus van eigenlijk bijna opzet bij het schenden van de geldende regelgeving de strafrechtelijke route automatisch wilt uitsluiten. Wil je dan die bestuursrechtelijke route volgen of moet het strafrecht dan ook openstaan?
Mevrouw Straatman (CDA):
Eén toelichting daarop. Ik wil niet de strafrechtelijke route dichtzetten als dat volgens de richtlijn niet kan, maar mijn gezonde verstand zegt het volgende. Als er zo evident sprake is van een schending, is dat niet alleen evident voor de overtreder maar ook voor het bestuursorgaan dat de vergunning heeft verstrekt. Dan is er blijkbaar allerlei nieuwe regelgeving gekomen en dan zou er toch een belletje moeten gaan rinkelen, van: we hebben bedrijf X of boer Y onder hele andere voorwaarden een vergunning verleend. Ik zou die strafrechtelijke route dus niet willen dichtzetten, maar als het Openbaar Ministerie daarop stuit, wil ik dat het eerst in de lucht komt bij het bestuursorgaan en zegt "jullie moeten je huiswerk beter doen", in plaats van de overtreder een aangifte te sturen. Is het mogelijk om het op die manier in te regelen?
Minister Van Weel:
Ik ga daar even goed naar kijken als ik uw motie heb gezien. Ik vind dat die plicht van de overheid zwaar geldt. Ik kan me ook voorstellen dat elke rechter die een zaak krijgt waarin dit heeft gespeeld, die verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om te zorgen voor de actualisatie van de vergunning meeweegt in de bepaling van de mate van schuld van een bedrijf in zo'n casus. Ik denk dus dat die weging wel degelijk zal plaatsvinden en dat de verantwoordelijkheid van de overheid ook wordt gewogen, maar ik zal even naar uw motie kijken.
De voorzitter:
Ja. Dan ga ik nu eerst naar mevrouw Faber en vervolgens naar mevrouw Van Oosterhout.
Mevrouw Faber (PVV):
Mijn vraag is enigszins aanvullend op de vorige vragen. Voor kleine bedrijven is het veel moeilijker om alle nieuwe wetgeving te volgen. Zou het niet zo moeten zijn dat de overheid hun een seintje geeft als de wetgeving betreffende hun vergunning is veranderd? De grote bedrijven hebben het namelijk vaak allemaal wel inzichtelijk, maar voor de kleintjes is dat veel moeilijker.
Minister Van Weel:
Ja, zeker. Ik vind ook dat de overheid een plicht heeft om te zorgen dat nieuwe wet- en regelgeving kenbaar is voor diegenen die eronder vallen. Nogmaals, ik vind ook dat de overheid de verantwoordelijkheid heeft om zelf de actualisatie van de vergunningen op te pakken. Daarom denk ik ook dat het echt gaat om uitzonderlijke gevallen, zoals ik zonet in een voorbeeld schetste, waarbij sprake is van strafrechtelijke vervolging binnen een geldende vergunning. Dat is juist vanwege het feit dat die plicht van de overheid zo zwaar weegt, ook voor mij.
De voorzitter:
Dan ga ik naar mevrouw Van Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (PRO):
Ik zou nog even door willen gaan op de actualisatie van de vergunningen. Ik ben wel benieuwd hoe de minister omgaat met het feit dat de informatiepositie van een bedrijf vaak veel beter is dan die van de vergunnende overheid.
Minister Van Weel:
Nogmaals, we hebben het hier niet over de mkb'ers of de agrariërs. We hebben het hier over hele grote vervuilers; dat klopt. Ik denk dat het daarom ook goed is om die opening, die achterdeur, te houden. Ik denk dat die daar ook voor bedoeld is, namelijk voor deze hele grote bedrijven die tot op de komma weten wat er aan regelgeving verandert en er, sterker nog, zelfs op mee proberen te sturen aan de voorkant. Dan kun je ook van die bedrijven verwachten dat ze kunnen bedenken dat hun vergunning geen hout meer snijdt bij de geldende regelgeving.
Mevrouw Van Oosterhout (PRO):
Dat ben ik helemaal eens met de minister, want in dit geval geldt dat zwijgen loont en de pakkans laag is. Mijn vraag is dus eigenlijk wat de minister van plan is om te gaan doen, wetende dat dit de situatie is zowel bij de actualisatie van de vergunningen als bij het verlenen van nieuwe vergunningen.
Minister Van Weel:
Ik denk dat deze richtlijn ons helpt om die deur weer dicht te doen. Er gaat ook een afschrikwekkende werking van uit, denk ik. Om nou te zeggen dat de pakkans per se laag is … Dat weet ik niet. Natuurlijk moeten er altijd keuzes worden gemaakt in de opsporing, maar er lopen nu wel degelijk een aantal grote zaken op dit vlak, ook tegen grote vervuilers.
Mevrouw Van Oosterhout (PRO):
Ik vind het toch wel wat teleurstellend dat de minister aan de ene kant erkent dat de informatiepositie van de bedrijven is zoals die is, maar ik aan de andere kant eigenlijk weinig oplossingsrichtingen hoor, afgezien van de implementatie van deze regelgeving. Wat mijn fractie betreft zou er nog veel meer moeten gebeuren om die pakkans daadwerkelijk te verhogen. Dus is de minister niks anders van plan dan het sec implementeren van deze wetgeving?
Minister Van Weel:
Nee, er zit ook een hele handhavingskant aan de implementatie van deze richtlijn, maar daar kom ik bij dat kopje nog op terug.
De voorzitter:
Dan zou ik aan mevrouw Faber willen vragen of zij het voorzitterschap even wil overnemen, omdat er ook een aantal vragen van mijzelf in de inbreng zijn beantwoord. Daar heb ik nog aanvullende vragen over.
Voorzitter: Faber
De voorzitter:
Gaat uw gang, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De minister zegt de hele tijd "in beginsel". Dat maakt mij toch wel een beetje nerveus. "In beginsel" betekent niet dat het wel of niet zo is. Ik gaf ook in mijn inbreng aan dat Europese wetgeving boven nationale wetgeving gaat. De nationale bescherming die ondernemers en boeren hier hebben, bijvoorbeeld in het kader van proportionaliteit, geldt niet meer bij Europese wetgeving; die gaat daarover heen. Daar ben ik toch nog wel een beetje bezorgd over, omdat we in nationale wetgeving bijvoorbeeld die proportionaliteit wel noemen. Maar de Europese wet zegt gewoon: sorry, maar hij moet zich gewoon hieraan houden en het kan me niks schelen wat jullie in Nederland doen. Ik zeg het even kort door de bocht. Kan de minister misschien nog iets explicieter zijn over hoe die bescherming er dan uit ziet voor boeren?
Minister Van Weel:
Ik ga uw beide vragen met één woordje beantwoorden: opportuniteit. Uiteindelijk gaat ons eigen OM over de vraag of je al dan niet overgaat tot een onderzoek dan wel vervolging. Daar zit de ruimte van de woorden "in beginsel", want ik ben niet het OM. Het is aan het OM om dat elke keer te zeggen, dus daar moet ik die deur altijd heel licht openhouden. De minister kan niet zeggen "ik zal niet vervolgen", want ik vervolg niet en maak die keuze niet. Tegelijkertijd zit daar ook juist de bescherming in, omdat dat betekent dat het OM al die zaken die nationaal spelen en gespeeld hebben, wél meeweegt voordat het besluit al dan niet over te gaan tot vervolging. Daarom heb ik die laatste zin uitgesproken in het antwoord op uw vraag: de PAS-melder hoeft van dit wetsvoorstel niets te vrezen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou, dat waag ik te betwijfelen, want bij een artikel 12-procedure kan het alsnog worden afgedwongen bij het Europese Hof. Dus ik ben helemaal niet zo zeker dat de boeren hiermee veilig zijn. Bij het Europese Hof kan dat via die artikel 12-procedure toch naar voren worden gebracht. Dus milieuorganisaties, van MOB tot en met Greenpeace, kunnen gewoon die procedure starten.
Minister Van Weel:
Zelfs in dat geval zal MOB weliswaar een eis tot vervolging kunnen indienen, maar stel dat dat dan uiteindelijk ook wordt gehonoreerd. Dan kan het OM ook gewoon niks eisen en komt er ook niks van terecht. Dus ik denk echt dat er wel rekening zal worden gehouden, door het OM maar ook door een rechter, als het zo ver zou komen, met de hele rechtsgeschiedenis die we hieromheen hebben gehad.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik had het net over de artikel 12-procedure bij het Europese Hof, maar dat moet natuurlijk het Gerechtshof zijn. De minister zegt dat het OM ook gewoon niks kan eisen, maar dat is toch echt wel te vaag. Dat kan. Het OM kan ook wel wat eisen. Iedereen kan wat eisen. Voor ons blijft er wel een grote onzekerheid bestaan. Ik waag zelfs de voorspelling te doen dat boeren hierdoor wel in grote problemen komen. Ik zou toch echt wel explicieter willen horen wat voor gevolgen dit gaat hebben. Dat mag ook in de tweede termijn. We weten ook dat organisaties zoals Greenpeace, Milieudefensie of MOB … Ik torn niet aan het recht om naar een rechter te stappen. Dat recht hebben mensen nou eenmaal. Nogmaals, zoals ik in mijn inbreng al zei tegen mevrouw Straatman, maken wij hier de wetten en de kaders van de wetten. Wij kunnen dus dingen wettelijk uitsluiten, maar dat wordt moeilijker als het om Europese wetgeving gaat, omdat die gewoon over de nationale wetgeving heen gaat.
Minister Van Weel:
In afronding hier. Ik zal in tweede termijn ook goed naar u luisteren. In de kern verandert deze richtlijn niks aan dat gegeven. Feit is dat mensen aangifte zouden kunnen doen, omdat ze vinden dat iemand wederrechtelijk handelt, en dat zal zo blijven. Ik heb alleen gesteld dat op het moment dat iemand gewoon binnen de kaders van zijn vergunning te goeder trouw opereert, er geen enkele aanleiding is om die wederrechtelijkheid aan te nemen. Daarom denk ik dat die hele kleine uitzondering, in de gevallen die u noemt, geen opgeld zal doen. Daar is die uitzondering niet voor bedoeld. Die is bedoeld voor de casus die ik net noemde: grote vervuilers die willens en wetens door blijven gaan met gedragingen op basis van een vergunning, waarvan zij apert weten dat die niet meer in lijn is met de geldende wet- en regelgeving.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan even een laatste vraag, omdat de minister aangeeft hier in de tweede termijn op terug te komen. Als het Openbaar Ministerie daadwerkelijk niks gaat eisen, dan komt er een ingebrekestellingsprocedure. Dan gaat de Europese Commissie Nederland uiteindelijk alsnog verplichten om te vervolgen. Misschien wil de minister dit ook meenemen in het antwoord dat hij in tweede termijn gaat geven.
Minister Van Weel:
Ik dicht Europa een hoop macht toe, maar deze niet. Ik zal u dat in tweede termijn wat uitgebreider toelichten.
De voorzitter:
Dan neemt mevrouw Van der Plas het voorzitterschap nu weer over.
Voorzitter: Van der Plas
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Faber, voor het overnemen van het voorzitterschap. Dan gaat de minister nu verder met het volgende blokje: schade en strafbaarheid.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. De heer Bikkers vroeg of ik voorbeelden kan geven van aanzienlijke schade. Hij noemde zelf ook een paar voorbeelden, die ik langs zal lopen. Ik moet al de disclaimer geven dat dat in de kern echt per geval zal moeten worden beoordeeld. Daar zijn wel relevante factoren voor, namelijk: de referentietoestand van het aangetaste milieu, de vraag of de schade van lange, middellange of korte duur is, de ernst van de schade en ook de omkeerbaarheid van de schade. Beperkte gevolgen vallen hier in ieder geval niet onder. Een voorbeeld van aanzienlijke schade is de aantasting van een natuurgebied als gevolg van het inbrengen van schadelijke vloeistoffen in water en bodem in de nabijheid van dat natuurgebied, waardoor veel dieren en planten sterven en het water en de bodem voor langere tijd worden aangetast. Dat is een voorbeeld waarvan ik wel veilig durf te stellen dat aan al die criteria is voldaan. Voordat ik uw voorbeelden langsloop, wil ik wel benadrukken dat de verschillende gedragingen die u noemt hoe dan ook milieuovertredingen zijn. Dat staat nog los van het feit of onder de implementatie van deze richtlijn kan worden vervolgd. Ik richt me nu echter even op waar de afbakening met aanzienlijke schade ligt, waardoor de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht op het veroorzaken van gevaar voor aanzienlijke milieuschade in beeld komen. Nogmaals, dat doet er niet aan af dat als er geen sprake is van aanzienlijke schade, desalniettemin handhavend kan worden opgetreden op basis van overtreding van de milieuwetgeving.
Valt het uitrijden van te veel mest op een akker onder aanzienlijke schade? Ook hier weer de disclaimer. Dat zal in elk geval moeten worden beschouwd, maar voor de vaststelling of er sprake is van aanzienlijke schade wordt naar een aantal criteria gekeken, waaronder de ernst van de schade en de duur daarvan. Het hangt dus af van de schade die als gevolg van het uitrijden van die hoeveelheid mest kan ontstaan. Dat is onder meer afhankelijk van om hoeveel mest het gaat, om hoeveel grond en of het uitrijden langdurig gebeurt. Naarmate het om meer mest gaat en de periode waarover dit gebeurt langer is, is het risico dat daardoor de kwaliteit van bijvoorbeeld de bodem, grondwater of aangrenzend oppervlaktewater aanzienlijk in het geding komt immers groter. Nogmaals, zolang mensen zich aan de milieuwetgeving houden, is een gedraging nooit wederrechtelijk en zal die dus ook nooit strafbaar worden. Ik begrijp dat het in uw voorbeeld gaat om iemand die dat niet deed en die dat dus wederrechtelijk deed.
Valt het vernietigingen van een dassenburcht onder aanzienlijke schade? Nee, het vernielen van een dassenburcht zal niet tot strafbaarheid leiden op grond van deze bepalingen. Het is allereerst goed om voor ogen te houden dat de strafbaarstellingen die betrekking hebben op aanzienlijke milieuschade zich, heel kort gezegd, richten op opzettelijke radioactieve besmetting, verontreiniging van bodem, lucht of water, of het in de handel brengen van voor het milieu schadelijke producten. Als we het dan hebben over het vernielen van een dassenburcht, kan het ook om andere gedragingen gaan, die niet onder die artikelen vallen. Denk aan het blokkeren van de ingang van de burcht of het afgraven daarvan. Dan is om die reden al geen sprake van strafbaarheid op grond van die artikelen in het Wetboek van Strafrecht. Verder geldt dat het bij aanzienlijke milieuschade moet gaan om aanzienlijke schade aan de kwaliteit van de bodem, de lucht of het oppervlaktewater of aan een ecosysteem van dieren of planten. Zou de gedraging wel binnen het bereik van bijvoorbeeld artikel 173a vallen, dan is overweging 13 bij de richtlijn van belang. Die overweging maakt duidelijk dat kleinere eenheden voor de toepassing van deze richtlijn niet als ecosysteem op zich mogen worden beschouwd. Daar worden als voorbeelden een bijenkorf of een mierenhoop genoemd. Voor een dassenburcht zou je hetzelfde kunnen betogen. Het is een te kleine eenheid om onder het bereik van de strafbaarstelling te kunnen vallen. Een dassenburcht kan wel onderdeel uitmaken van een breder ecosysteem, maar kan op zichzelf niet worden beschouwd als een ecosysteem. Het antwoord op de vraag over de dassenburcht is dus nee.
Dan het dumpen van autobanden in een natuurgebied. Valt dat onder aanzienlijke schade? Ook hier geef ik weer de disclaimer dat dat per geval zal moeten worden bekeken, maar het is relevant om te weten wat de gevolgen van het dumpen van autobanden zouden kunnen zijn voor de kwaliteit van de bodem of het oppervlaktewater of voor een ecosysteem van dieren of planten. Ik kan dat moeilijk duiden op basis van het voorbeeld zoals dat nu is gegeven.
Valt lozen in een meer waardoor vissen doodgaan, onder aanzienlijke schade? Ook hier is dat weer afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit geval is het wel denkbaar. Als het zou gaan om een groot meer waarbij het gaat om de sterfte van een aanzienlijk aantal vissen als gevolg van het lozen van een giftige stof, denk ik dat je zou kunnen spreken van aanzienlijke schade.
Valt het heien van een windpark op zee binnen een vergunning onder aanzienlijke schade? Nee. Als je binnen een vergunning opereert die is afgegeven, wat nodig is voor heien, is er geen sprake van wederrechtelijkheid. Heien kan op zichzelf wel zorgen voor een verstoring van de bodem, het kan dieren verjagen en het kan zorgen voor geluidsoverlast, maar dat is precies waarom je er een vergunning voor nodig hebt. Als je geen vergunning hebt en je gaat heien, ben je uiteraard wel strafbaar.
Dat is ook een beetje een antwoord op de vraag van mevrouw Straatman, die het ook had over onderwatergeluid en schade veroorzaakt aan dieren. Nogmaals, als iemand binnen de vergunning opereert, is er geen sprake van strafbaar gedrag. Dat was een vraag van mevrouw Faber, ja. Excuus.
Mevrouw Faber (PVV):
Geeft niet, hoor, als hij maar beantwoord wordt.
Minister Van Weel:
Ik zou niet willen zeggen dat ik u vaak door elkaar haal, maar dat is nu dan toch een keer gebeurd. Als de gedragingen binnen de vergunning vallen, en dan wordt er natuurlijk rekening gehouden met de overlast die dit soort activiteiten veroorzaken, zijn ze niet strafbaar. Als de gedragingen opzettelijk en wederrechtelijk plaatsvinden, is wel sprake van strafbaarheid en kan de veroorzaker daar ook op worden aangesproken. In de regel is dat de exploitant van de windmolen, als er zonder de vergunning of met schending van vergunningen iets zou gebeuren of zijn gebeurd.
Mevrouw Van der Plas vroeg: kan de minister bevestigen dat een overschrijding van de kritische depositiewaarde op zichzelf onvoldoende is om vast te stellen dat door het handelen van die ene boer aanzienlijke schade te duchten is? Ja, om vast te stellen of er sprake is van aanzienlijke schade, moet worden gekeken naar de uitstoot die díé boer heeft veroorzaakt. Die specifieke boer moet een zodanige concentratie aan een stof in het milieu hebben gebracht dat kan worden geconcludeerd dat daarvan gevaar voor aanzienlijke schade te duchten is. Bij die vaststelling kunnen berekeningen en metingen, die zijn opgenomen in het deskundigenrapport, een rol spelen. Maar ik benadruk: het gaat niet alleen om aanzienlijke schade; er moet ook worden bewezen dat er daadwerkelijk wederrechtelijk wordt gehandeld. Daar is in de regel geen sprake van als een boer op grond van zijn vergunning handelt.
Mevrouw Van der Plas vraagt nog welke duidelijkheid de definities uit het amendement op stuk nr. 8 geven als er open begrippen worden toegevoegd. Meerderen van u hebben het gehad over de open normen, zoals "een belangrijk deel" en "een redelijke termijn". Ik snap de behoefte aan meer duiding en zekerheid bij deze begrippen wel. Aan de andere kant is het niet ongebruikelijk, en deels ook onvermijdelijk, dat in het strafrecht gebruik wordt gemaakt van meer open begrippen. Wel moet het voor burgers voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar zijn onder welke omstandigheden welke handelingen strafbaar zijn, zodat iedereen zich daarnaar kan gedragen en de rechtszekerheid wordt geborgd. In de toelichting op het wetsvoorstel en het nader rapport hebben we een wat meer uitvoerige toelichting willen geven bij die begrippen, om aan de ene kant zo veel mogelijk duidelijkheid te geven — ik proef die behoefte hier vandaag ook — maar aan de andere kant natuurlijk ook ruimte te geven aan de rechtspraktijk. Het amendement geeft daar nog iets meer richting aan. Ook die begrippen zijn wat open, maar dat is onvermijdelijk; ook daar moet ruimte zijn voor de beoordeling van het individuele geval.
Mevrouw Teunissen vroeg naar de definitie van aanzienlijke schade. Waarom is dat of-of en waarom niet de definitie van de experts? Het klopt dat aan al deze voorwaarden moet zijn voldaan. De richtlijn stelt de eis dat sprake is van aanzienlijke schade, als deze wijdverbreid, onomkeerbaar en langdurig is. Ik vind het ook belangrijk dat we de lat hierbij niet te laag leggen. Dit bepaalt of sprake is van vernietigende schade.
Dat was het blokje schade en strafbaarheid, voorzitter.
De voorzitter:
Dat roept vragen op bij mevrouw Faber en bij mevrouw Teunissen.
Mevrouw Faber (PVV):
Even over de windmolens op zee. De minister had het alleen over het heien, maar wanneer windmolens draaien, trillen ze ook. De minister geeft aan dat het, zolang alles gebeurt op basis van de vergunning, allemaal legaal is, maar we hebben het er nu juist over dat er wijzigingen komen en dat "energie" is toegevoegd middels dit wetsvoorstel. Windmolens dienen ter opwekking van energie, dus de vergunningen die er nu zijn voor draaiende windmolens zouden in de toekomst niet meer voldoen als dit allemaal wordt aangenomen. Hoe zit dat dan met die vergunningen, ook voor draaiende windmolens? Bruinvissen, walvissen en dolfijnen krijgen hier namelijk wel schade van.
Minister Van Weel:
Deze richtlijn sluit aan bij alle EU-milieuregels die al van kracht zijn. Hij introduceert geen nieuwe regels. De vergunningen die onder de huidige regels zijn afgegeven aan windmolenexploitanten blijven, ook met deze richtlijn, van kracht. Dat neemt niet weg dat je in de toekomst best nieuwe onderzoeken kunt krijgen die leiden tot nieuwe eisen, waardoor vergunningen moeten worden aangepast of waardoor daar anders tegen aan wordt gekeken, maar de vergunningen die deze exploitanten hebben voor het opereren van windmolens veranderen niet door de implementatie van deze richtlijn.
Mevrouw Faber (PVV):
Dan begrijp ik het niet helemaal.
Minister Van Weel:
Daar zegt deze richtlijn niks over. Maar daarmee veranderen de eisen die worden gesteld aan de exploitatie van windmolens niet. Die veranderen met dit wetsvoorstel niet. Die vergunningen blijven dus gewoon geldig.
Mevrouw Faber (PVV):
Het klopt dat die vergunningen geldig blijven, maar daarmee komen we weer terug op het punt dat je geen strafrechtelijke handelingen mag verrichten, terwijl die voort kunnen komen uit dit wetsvoorstel omdat het punt over energie erbij is gekomen. Je kunt hier linksom of rechtsom dus een strafbaar feit mee plegen, of het nou wel of niet in die vergunning is opgenomen. Klopt dat? Als dat klopt, heb ik nog een vraag. De windmolens die we nu op zee hebben, veroorzaken trillingen. Daar zijn we het over eens. Tenminste, dat neem ik aan. Ik mag niet voor u spreken, sorry. Dat neem ik even terug. Het lijkt erop dat die trillingen schadelijk zijn voor deze vissoorten, dus dan zou dat toch strafbaar moeten zijn? Dan zou dat toch niet mogen?
Minister Van Weel:
Maar dat is het niet en dat wordt het met de implementatie van deze richtlijn ook niet. Die gaat namelijk niet over welke eisen we aan windmolens en windmolenexploitatie stellen. Dat doet deze richtlijn niet.
De voorzitter:
Mevrouw Faber, tot slot.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik ga nog een poging wagen. Het punt over energie is wel extra toegevoegd aan artikel 173a en 173b. Waarom wordt dat toegevoegd als het geen uitwerking heeft? Dan doen we dat voor niks, zal ik maar zeggen.
Minister Van Weel:
Ik probeer nog een andere invalshoek. Ook mensen in de energiesector die milieudelicten plegen die binnen de reikwijdtes van de EU-milieuregelgeving vallen, zijn strafbaar en kunnen daarvoor worden vervolgd, ook op basis van dit artikel.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb nog een andere vraag.
De voorzitter:
U heeft nu vier interrupties gehad.
Mevrouw Faber (PVV):
Maar ik moest wachten tot het einde van het blokje.
De voorzitter:
Het is ook totaal geen verwijt; het is een constatering. Ik geef andere leden ook even de gelegenheid om vragen te stellen en dan kom ik weer bij u terug. Mevrouw Teunissen is de volgende in de rij.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Mijn vraag gaat over de aanzienlijke schade. Die wordt natuurlijk ook toegebracht aan grondwaterbeschermingsgebieden en aan Natuurnetwerk Nederland. Zoals het nu in de implementatiewet staat, vallen alleen Natura 2000-gebieden onder dit punt. Hoe ziet de minister dat? Waarom wordt dat niet uitgebreid?
Minister Van Weel:
Mag ik daarop terugkomen bij de appreciatie van uw amendement over dit punt?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dat is helemaal goed. Dan heb ik nog wel een andere vraag. Die gaat over de definitie. De minister zegt dat we de lat ook weer niet te laag moeten leggen. Dat is eigenlijk zijn argumentatie om te zeggen dat het én onomkeerbaar én langdurig én nog een criterium moet zijn. Even kijken, hoor. Wat was het derde criterium ook alweer? Wijdverbreid, dat was het. Wijdverbreid betekent op zichzelf toch al aanzienlijke schade? Dat is op zichzelf toch al een reden? Wat is nou precies de onderbouwing waarom hij afwijkt van de experts die zeggen dat je het of-of moet maken?
Minister Van Weel:
Er staan best forse straffen op dit delict, en terecht. Kort gezegd sluiten we op dit punt aan bij de definitie van de richtlijn. Die gaat uit van en-en. Wij vinden dat passend, gelet op de hoge sancties.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb nog één vraag. Dat is een argument om aan te sluiten bij de richtlijn, maar Nederland kan natuurlijk ook zelf het initiatief nemen als iets wijdverbreid is. Denk aan de pfas-schade; die is wijdverbreid. Zou Nederland zich er niet beter voor kunnen inzetten om daadwerkelijk de experts te volgen en daadwerkelijk daarbij aan te sluiten? Heeft Nederland daar extra inzet op gepleegd?
Minister Van Weel:
Ik denk dat je in het geval van pfas eigenlijk ook wel zou kunnen zeggen dat dat langdurig van aard is en tot op zekere hoogte ook onomkeerbaar lijkt te zijn. Ik denk dat je bij dit soort grote zaken die lat echt wel haalt, maar ik denk ook dat dat de omvang van zaken is die je wil hebben. Als je alleen maar onomkeerbare schade hebt maar dat echt in een heel klein stukje land is, dan is dat wat mij betreft niet voldoende om hiervoor de lat te halen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Tot slot: volgens mij is vooral het criterium of er aanzienlijke schade aan een ecosysteem wordt toegebracht. Misschien is pfas dan niet het goede voorbeeld, want aan die drie criteria voldoet pfas wel. Maar bijvoorbeeld schade aan het drinkwater of uitstoot van CO2 hoeven niet per se onomkeerbaar te zijn, maar kunnen wel wijdverbreid zijn. Het hoeft ook niet langdurig te zijn. Dus op welke manier weegt de minister nou dat het gaat om aanzienlijke schade aan een ecosysteem? Hoe zwaar weegt dan het ecosysteem in dezen?
Minister Van Weel:
Ik snap dat wij hier anders tegen aankijken. Ik heb ook respect voor de inzet van mevrouw Teunissen om te gaan voor zo streng mogelijke criteria voor de vaststelling van aanzienlijke schade. Wij sluiten hier echt aan bij de richtlijn. Ik denk dat het vanuit dit oogpunt gerechtvaardigd is om daar geen nationale kop bovenop te zetten.
De voorzitter:
Oké. Dan kijk ik nog even of mevrouw Faber een aanvullende vraag heeft.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, ik had aan de minister gevraagd welke sectoren het meest getroffen zouden kunnen worden door dit wetsvoorstel en of er een effectbeoordeling is.
Minister Van Weel:
Ik kan me niet herinneren dat ik een antwoord daarop langs heb zien komen in de schorsing. Zo niet, dan kijken we of we daar in tweede termijn wat over kunnen zeggen.
De voorzitter:
Oké. Verder zijn er geen vragen. Dan gaat de minister nu over naar het blokje handhaving en gevolgen.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Ah! Welke gevolgen heeft de implementatie van deze richtlijn voor bedrijven, om welke sectoren gaat het en welke economische gevolgen heeft het? U heeft zomaar het bruggetje gevonden tussen de twee kopjes, mevrouw Faber. Het gaat hierbij om bestaande EU-milieuvoorschriften. Die zijn er dus al op grond van andere wetgeving. Deze richtlijn voegt daar alleen maar aan toe dat het overtreden van die normen in alle lidstaten strafbaar moet worden gesteld. Dat is voor Nederland bij het overgrote deel van die feiten eigenlijk al het geval, maar dat gaat nu dus EU-breed gelden. Er worden dus geen nieuwe normen geïntroduceerd; er worden enkel al bestaande regels strafbaar gesteld. Voor bonafide ondernemingen is er dus geen enkel effect en worden er ook geen economische gevolgen verwacht op basis van deze richtlijn.
U vroeg ook nog naar het mkb. Kunnen de nieuwe milieuregels daar heel ingewikkeld voor zijn? Moeten we niet een duidelijk signaal afgeven van gewijzigde informatie? In lijn met wat ik daarnet zei, is de verwachting dat deze richtlijn geen gevolgen heeft voor bonafide mkb-ondernemers, aangezien de normen waar ze zich aan moeten houden, niet veranderen met deze richtlijn. In algemene zin heeft de overheid wel een actieve informatieplicht en moeten wij een duidelijk signaal geven als vergunningsregels ingrijpend veranderen. Dat vloeit voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat kan op een paar manieren. Wanneer wet- en regelgeving worden gewijzigd, kunnen we dat op een aantal manieren kenbaar maken. Dat kan door actieve informatievoorziening en communicatie en door de wijziging van bestaande vergunningen. Dat is dus het proactief aanpassen, waar we het in het eerste blokje ook over hadden. Er kan ook sprake zijn van overgangstermijnen en er is het evenredigheidsbeginsel, zodat ondernemers de tijd krijgen om zich aan te passen. Nieuwe regels voor bestaande situaties gelden daarom zelden van de ene op de andere dag en er worden vrijwel altijd overgangstermijnen ingesteld zodat bedrijven de ruimte krijgen om investeringen te doen, bijvoorbeeld in schonere machines of filters om aan nieuwe vergunningseisen te voldoen. Maar nogmaals, met deze richtlijn worden er dus geen nieuwe normen geïntroduceerd.
Mevrouw Straatman vroeg hoeveel milieurechercheurs de politie nu heeft. De formatie van tactische opsporing, intel en expertise voor de bestrijding van milieucriminaliteit is ongeveer 400 fte. Daarnaast is het streven om per eenheid gemiddeld twee agenten per basisteam met het taakaccent milieu inzetbaar te hebben. Dan kom je in totaal uit op ongeveer 700 fte voor deze taak. De bezetting is op dit moment wel lager. Er wordt dus op ingezet om die op niveau te krijgen.
Draagt deze implementatiewet ook bij aan de daderpakkans? De EU-richtlijn verplicht de lidstaten om te komen tot een nationale strategie en tot coördinatie en samenwerking op strategisch en operationeel niveau. De operationalisering hiervan is belegd bij de al langer bestaande Strategische Milieukamer, die in april 2025 is geformaliseerd door mij en de collega's van IenW en LVVN. In de Milieukamer zit het OM, de politie, de NVWA, de Inspectie Leefomgeving en Transport en de omgevingsdiensten. Die kiezen op basis van een dreigingsbeeldanalyse de prioritaire thema's waarop de opsporing gericht wordt en een informatiepositie opgebouwd wordt om daarmee de zwaardere milieucriminaliteit op te sporen. Daarmee wordt de pakkans vergroot en wordt de opsporing en vervolging zo effectief mogelijk ingezet. Daarnaast heb ik 3 miljoen structureel geïnvesteerd in meer opsporing ten behoeve van de richtlijn, om de opsporing en de vervolging te versterken. Ik kom er zo op terug hoe de verdeling is tussen de politie en de andere diensten.
Dan het afpakken van door milieucriminaliteit wederrechtelijk verkregen vermogen. Uiteraard ben ik daar een groot voorstander van. De vraag was ook of ik mogelijkheden zag voor civielrechtelijke afhandeling van schade, om die breder in te zetten. Zoals gezegd ben ik zeer voor het afpakken van crimineel vermogen, ook als dat gaat om milieucriminaliteit. Ik denk dat de Europese Confiscatierichtlijn, waar wij hopelijk in de nabije toekomst over komen te spreken, en de nieuwe procedure voor non conviction based confiscation alsook de spoedbevriezing, het vermogensdossier en de silver notices pilot van Interpol, allemaal methoden zijn om in het geval van milieucriminaliteit meer in te kunnen grijpen op het verdienmodel. Met die nieuwe wetgeving wordt voorkomen dat crimineel vermogen in de maatschappij blijft circuleren of wordt gebruikt voor het plegen van nieuwe strafbare feiten. Civielrechtelijk zijn er al mogelijkheden om schade te verhalen op de veroorzaker. Die worden ook nu al benut. Iemand die milieuschade heeft geleden kan via de rechter zijn schade op de veroorzaker verhalen op basis van de "onrechtmatige daad" uit het Burgerlijk Wetboek. Maar er zijn verder ook nog bijzondere bepalingen opgenomen in het Burgerlijk Wetboek die van toepassing kunnen zijn, bijvoorbeeld die voor gevaarlijke stoffen of die van de stortplaatsexploitant voor schade als gevolg van verontreiniging van lucht, water of bodem.
Mevrouw Straatman vroeg naar de resultaten van het High Impact Environmental Crime-team sinds de oprichting daarvan. Het is nog in ontwikkeling, zeg ik u daarbij. De politie krijgt van de 3 miljoen die ik eerder noemde, 1,72 miljoen. Die middelen worden juist ingezet om dat High Impact Environmental Crime-team te versterken. Een voorbeeld van een succesvolle actie van het High Impact Environmental Crime-team is een actie in samenwerking met de Voedsel- en Warenautoriteit tegen illegale visserij. Daar zijn uiteindelijk ruim twintig veroordelingen uit voortgekomen.
Mevrouw Straatman vroeg: wat verandert dit wetsvoorstel in positieve zin aan de constatering dat er nog winst te behalen valt in het beter benutten van het bestaande sanctiearsenaal? Dat sanctiearsenaal wordt met de implementatie van deze richtlijn niet uitgebreid. Het WODC-onderzoek naar de bestraffing van ernstige milieudelicten heeft wel handvatten gegeven voor het beter benutten van het huidige sanctiearsenaal. In de beleidsreactie, die u nog dit jaar krijgt, kom ik daar verder op terug.
Welke maatregelen nemen we om te stimuleren dat burgers en bedrijven sneller meldingen doen bij de politie? Kunnen we vaker acties doen zoals die genoemd werden door mevrouw Straatman? De Meld Milieu Week is overigens georganiseerd in drie verschillende eenheden. We zullen evalueren of die ook daadwerkelijk heeft geleid tot positieve aandacht en tot een stijging in het aantal meldingen door burgers en bedrijven. Daar moeten we het namelijk heel vaak wel van hebben. De eerste lead komt vaak uit die hoek. Die drempel moet dus omlaag.
Mevrouw Van Oosterhout vroeg op welke manier olie- en gasactiviteiten worden gecontroleerd. In beginsel zijn dat natuurlijk gewoon legale activiteiten, waarop toezicht wordt gevoerd door de Nederlandse Emissieautoriteit en het Staatstoezicht op de Mijnen. Ik zou willen zeggen dat er niet direct een link ligt met de implementatie van deze richtlijn met betrekking tot milieucriminaliteit. Zoals ik eerder tegen mevrouw Faber heb gezegd: het strafbare feit wat betreft de energiesector is nu wel opgenomen in de handhavingsartikelen. Strafbare feiten op dat gebied kunnen dus worden vervolgd.
Mevrouw Van Oosterhout vroeg ook of we hebben berekend wat het kost om niet te handhaven. Dat hebben wij niet berekend, maar er is wel het rapport Handhaven in het duister. Schattingen van de ILT bedragen tussen de 4,5 miljard en de 5,5 miljard aan schade per jaar. Dat is enorm. Dat benadrukt ook het belang van dit wetsvoorstel en de handhaving hierin. Of handhaving leidt tot een winst van 5,5 miljard — het gaat hier natuurlijk ook over schade die uiteindelijk wordt toegedaan — kun je niet zo zeggen, maar het belang van handhaving om dit soort schade te voorkomen is wel evident.
Wat is de bijdrage van JenV aan het voorjaarspakket wat betreft klimaatdoelen? Op de capaciteits-, vergunnings- en toezichtsketen zal de staatssecretaris van IenW terugkomen in de volgende VTH-brief, die uw Kamer nog dit jaar zal ontvangen. Ten aanzien van de handhavingsketen heb ik niet het idee dat de capaciteit daar onvoldoende is. Van die 3 miljoen die ik noemde, gaat dus 1,72 miljoen naar de politie. De rest gaat naar het Openbaar Ministerie, de rechtspraak en de Strategische Milieukamer. Ik denk dat wij binnen de EU wel een van de voorlopers zijn in de manier waarop we die aanpak doen en ook wat betreft wat er al strafbaar was in Nederland. Ik denk dat voor een hoop EU-landen de implementatie van deze richtlijn veel meer vereiste dan er uiteindelijk in het Nederlandse wetboek moest worden aangepast.
De voorzitter:
Oké.
De heer Sneller (D66):
Wellicht zit het in een ander blokje, maar de nationale strategie die we in mei 2027 … Oké, die komt dus nog.
De voorzitter:
Zijn er verder nog vragen?
Mevrouw Van Oosterhout (PRO):
Ik ben eigenlijk toch wel erg verbaasd dat de minister zo blij is met die 3 miljoen aan investeringen. We weten dat het misschien niet 5 miljard oplevert, maar dat er in ieder geval toch wel, met nu miljarden aan schade aan de gezondheid en de waterkwaliteit en luchtvervuiling, ontzettend veel winst te behalen is. Er ligt toch een heel scala aan rapporten dat stelt dat de pakkans ontzettend laag is en dat er nog ontzettend veel moet gebeuren op dit vlak. Is de minister echt tevreden met de inzet van dit kabinet wat betreft milieucriminaliteit?
Minister Van Weel:
Ja. Ik denk dat je met onze Strategische Milieukamer, met juist al die diensten in een kamer, samen met het vergroten van de capaciteit — dat moet ook gebeuren — best een strategie hebt die haar vruchten kan gaan afwerpen. Ik zeg niet dat ik per se tevreden ben met de pakkans zoals die op dit moment is. Ik denk ook dat er meer moet gebeuren, maar daar is die 3 miljoen nu juist voor bedoeld.
Mevrouw Van Oosterhout (PRO):
Dan ben ik benieuwd waar de prioriteit van deze minister zit. We weten nu dat 17% van de bedrijven verantwoordelijk is voor de helft van de gevallen. Hoe ziet de minister dat en hoe gaat hij ervoor zorgen dat notoire overtreders steviger worden aangepakt?
Minister Van Weel:
Die prioriteiten stel ik niet zelf. Dat doet de Strategische Milieukamer, waar ik het over had. Ik kom daar in het kader van de strategie zo op terug. Zoals ik net zei: zij stellen de prioriteiten vast op basis van het dreigingsbeeld dat zij periodiek maken. Daarin wordt natuurlijk ook gekeken naar welke capaciteit we in algemene zin hebben, waar de grootste problemen liggen en of er trends zijn die we nu moeten afwentelen. De grootste vervuilers worden daar natuurlijk in meegenomen.
Mevrouw Van Oosterhout (PRO):
Misschien tot slot nog even hierover. We gaan deze wet nu omzetten. Er wordt een klein beetje extra structureel geld voor vrijgemaakt. Er zit een filosofisch concept in waar mijn fractie zich wel in kan vinden, maar de grote vraag is natuurlijk hoe toekomstige generaties dat straks in de gezondheid merken. Vindt de minister ook dat justitie hier een eigen verantwoordelijkheid in heeft?
Minister Van Weel:
Ja, die hebben we. Naar mijn mening pakken we die ook.
Mevrouw Van Oosterhout (PRO):
De vraag was ook hoe toekomstige generaties dat merken in hun gezondheid, in luchtvervuiling en in schoon water.
Minister Van Weel:
Wij zijn een onderdeel, een rader, in het hele complex van het vaststellen van wat wel en niet mag, in technologie die gaat zorgen voor duurzamere en schonere technologieën en in het bewaken van normen door inspecties. Daarnaast houd je ook altijd een deel over van mensen die willens en wetens de wet overtreden, via drugsdumpings of op andere wijze. Daarvoor hebben we justitie, die niet alleen op het vlak van milieu maar op elk ander vlak in de maatschappij als sluitstuk zorgt voor de handhaving. Dat zie ik dus als onze rol hierin, namelijk dat je niet ongestraft kunt wegkomen met het verpesten van het milieu voor de volgende generaties.
De voorzitter:
Oké. Dan zijn we bij het volgende blokje aangekomen. Dat gaat over drugsdumpingen.
Minister Van Weel:
Ja. De vliegende brigades, niet van mevrouw Straatman, maar van het lid Kuik. Daar is destijds welwillend naar gekeken door de minister van IenW en mij. Uiteindelijk zijn we tot de conclusie gekomen dat we dat niet het beste konden doen met een vliegende brigade, maar wel met financiële middelen via een decentralisatie-uitkering en met kennis en informatie via het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Dat komt doordat de taken voor het opruimen voornamelijk bij de gemeenten zijn belegd. Die willen we daar ook laten. Vandaar dat het budget — daar kom ik zo nog op terug — ook bij de VNG is belegd. Dat is zo'n 3 miljoen, en dat is structureel, zeg ik daarbij. Dat is over het afgelopen jaar ook voldoende gebleken om aan de vraag te kunnen voldoen. Ik denk dat we daarmee in ieder geval zorgen dat we slachtoffers op een adequate manier helpen.
Verder kunnen gemeenten voor de preventieve aanpak van ondermijning gebruikmaken van de RIEC's en het LIEC. Zoals ik ook zei: het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid geeft gemeenten kennis en praktische handvatten. Natuurlijk moeten gemeenten, de politie, het OM en ook private partijen, zoals de agrarische sector, goed samenwerken op lokaal niveau. Dan gaat het om het herkennen van verdachte verhuur van schuren en loodsen, het voorkomen van misbruik van agrarische bedrijven, bijvoorbeeld door intimidatie, en het vergroten van de meldingsbereidheid. De kracht van die lokale samenwerking vind ik wel heel groot. Die kent de gemeenschappen en moet zorgen voor een lage drempel voor het melden van intimidatie of van verdachte praktijken die worden waargenomen. Ik wil daar vooral ook ondersteunend in zijn.
Specifiek voor drugsdumpingen is het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid een kennishub geworden waar men terechtkan met vragen over drugsdumpingen. Er worden ook kennis- en expertsessies georganiseerd om organisaties daarbij te helpen.
Er is 3 miljoen beschikbaar, structureel, en dat is op dit moment ook voldoende. Dat heb ik al gezegd.
Dan kom ik bij de vraag van de heer Bikkers: hoe kan de minister ervoor zorgen dat de burger snel wordt geholpen en niet maanden moet wachten? Hij kan hiervoor terecht bij de gemeente. Zoals ik zei, hebben we dat systeem zo ingericht. Drugsafval is zwaar chemisch afval en moet snel worden opgeruimd door een gespecialiseerd bedrijf. De kosten die daarbij worden gemaakt, kan de desbetreffende gemeente melden bij het loket dat daarvoor bij de VNG is ingericht. Als er vragen zijn, kunnen ze, zoals gezegd, naar het CCV voor kennis daarover.
Dat was het blokje drugsdumpingen.
De voorzitter:
Dat was het blokje drugsdumpingen. Ik kijk even rond of hier vragen over zijn.
Mevrouw Straatman (CDA):
Mijn vraag ging over die vliegende brigades. Ik begrijp van de minister dat het nu een alternatieve vorm heeft gekregen via de decentrale uitkeringen via de gemeenten. Maar de reden voor het CDA om de motie rond de vliegende brigades in te dienen, was met name dat de subsidieaanvraag op het moment dat er schade of een dumping op een boerenerf was, ongelofelijk complex was en dat dat ook de drempel om die te melden hoger maakte. In hoeverre helpen de decentrale uitkeringen op die punten? Ziet de minister ook dat er om die redenen verlegenheid zit bij boeren of anderen om drugsdumpingen te melden?
Minister Van Weel:
Ik heb dat niet vernomen. Ik ken dat wel uit de beginperiode, een aantal jaar geleden. Men dacht: ik meld het maar niet, want het kost me alleen maar schade en ik probeer daar zelf wel een oplossing voor te verzinnen. Ik denk dat een deel van die drempel echt wel is weggenomen door de grote bekendheid nu met de decentrale middelen en de expertise die nu bij het VNG-loket zit, maar ik ben gaarne bereid om dat na te vragen en mee te nemen in een volgende voortgangsbrief.
De voorzitter:
Verder zijn er geen vragen over dit kopje. Dan we gaan over naar het kopje overig, dat ook wel "andere belangrijke zaken" wordt genoemd.
Minister Van Weel:
Dat zijn het ook! Ze zijn alleen wat diverser dan het vorige pakketje. Mevrouw Straatman vroeg: gaat het wetsvoorstel met het noemen van de beschermde habitat verder dan de bestaande regelgeving en zetten we nu extra stappen? U heeft gelijk. Via de Wet op de economische delicten en de Omgevingswet is het beschadigen van een beschermde habitat al strafbaar. Het gaat bij deze richtlijn ook om de strafrechtelijke handhaving van al bestaande milieuvoorschriften. Die zijn er dus al op grond van andere EU-regelgeving. Daarom zijn er maar een aantal wettelijke aanpassingen aanwezig in dit wetsvoorstel. De beschermde habitat wordt toegevoegd als definitie en als verduidelijking, en niet als uitbreiding, want in het Wetboek van Strafrecht en onder de Omgevingswet bestaat die definitie al. Daar veranderen we verder niks aan.
Hebben de artikelen 174 en 175 van het Wetboek van Strafrecht nog wel toegevoegde waarde, gelet op deze nieuwe strafbaarstelling? Ja. Artikel 174, de opzetvariant, en artikel 175, de schuldvariant, zien op de verkoop van schadelijke waren. De nieuwe strafbaarstelling ziet voor het eerst op het op de Europese markt brengen van het product waarvan het gebruik op grotere schaal leidt tot emissies waardoor aanzienlijke schade voor de mens of voor het milieu wordt veroorzaakt of dreigt te worden veroorzaakt. Het gaat dan dus toch om andere gedragingen, en is daarom wel van toegevoegde waarde.
De BES. Ik begrijp uw vraag. EU-regelgeving geldt in de basis niet voor de BES. Daarom hebben we die nu ook niet opgenomen. Maar ik begrijp uw vraag wel, en ik wil graag met de BES onderzoeken of de aanpassingen ook kunnen worden doorgevoerd in het Wetboek van Strafrecht BES.
Willen wij de Kamer informeren over elke wijziging van de Europese milieuwetgeving? Ja, dat wordt u al, namelijk via de BNC-fiches. Dat is het moment waarop wij het kabinetsstandpunt delen, waardoor de Kamer op de hoogte is van wijzigingen en nieuwe instrumenten. Uiteraard ontvangt uw Kamer ook de uitvoerings- of implementatiewetgeving die daaruit voortvloeit.
Mevrouw Straatman vroeg of we hebben overwogen om de maximumstraf voor dood door schuld ook met een jaar te verhogen. De richtlijn schrijft voor dat wordt voorzien in een maximale gevangenisstraf van vijf jaar voor de gevallen waarin bepaalde delicten uit grove nalatigheid zijn begaan en de dood van een persoon veroorzaken. Dat implementeren wij door het strafmaximum voor dood door schuld in de vorm van roekeloosheid te verhogen van vier naar vijf jaar. De richtlijn verplicht niet tot het herzien van de strafmaat voor dood door schuld zonder roekeloosheid. Daarom hebben we alleen de in het wetsvoorstel opgenomen strafverhoging doorgevoerd. De beperkte strafmaatverhoging voor dood door schuld in de vorm van roekeloosheid leidt wat ons betreft niet tot onoverkomelijke onevenwichtigheden.
Sluit die roekeloosheid dan goed aan bij de grove nalatigheid? Naar EU-recht moet "grove nalatigheid" worden opgevat als een onopzettelijk handelen of nalaten waardoor de aansprakelijke persoon een gekwalificeerde schending begaat van zijn zorgvuldigheidsplicht die hij in acht had moeten en kunnen nemen, rekening gehouden met zijn hoedanigheid, kennis, vaardigheden en individuele situatie. Wat ons betreft sluit dat in Nederland het beste aan bij roekeloosheid, wat de zwaarste aan opzet grenzende schuldvariant is. Met roekeloosheid is immers beoogd adequate bestraffing mogelijk te maken in die gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen. De term "grove nalatigheid" is in het commune strafrecht geen gebruikelijk wettelijk bestanddeel. Vandaar dat we hebben gekozen voor "roekeloosheid", wat daar wat ons betreft het dichtst in de buurt zit.
Mevrouw Van Oosterhout vroeg hoe we het toezicht op klimaatregels gaan versterken. Wil de minister klimaatcriminaliteit een prioriteit maken in de nationale strategie? De richtlijn ziet op milieucriminaliteit, niet op klimaatcriminaliteit, maar uiteraard kan het tegengaan van milieucriminaliteit ook een positieve invloed hebben op het tegengaan van klimaatverandering. Dat toezicht ligt bij diverse toezichthouders en het beleid ligt bij de departementen van Economische Zaken en van Klimaat en Groene Groei. De opdracht om tot zo'n nationale strategie te komen ligt bij de Strategische Milieukamer, zoals gedefinieerd onder de richtlijn. In sommige gevallen kan een overtreding van klimaatregels ook vallen onder milieucriminaliteit, en dan kunnen we het dus meenemen in die nationale strategie.
Hoe dragen we bij aan het voorjaarspakket van de klimaatdoelen? Dat valt primair onder de verantwoordelijkheid van de collega van KGG, maar JenV zelf draagt primair bij door middel van duurzaam maatschappelijk verantwoord inkopen en door verduurzaming van de eigen bedrijfsvoering en vastgoedportefeuille. Denk bijvoorbeeld aan scherpere duurzaamheidsnormen bij inkoop, verduurzaming van ons eigen vastgoed en vergroening van het wagenpark. Daarnaast dragen we natuurlijk bij vanuit onze kerntaak, namelijk de handhaving en de opsporing van milieucriminaliteit.
Mevrouw Teunissen had een vraag over de UNTOC COP en het vierde aanvullende protocol. We hebben recent kennisgenomen van de resolutie van Brazilië. Ik zal daar samen met de collega's van LVVN en IenW over in gesprek gaan, omdat het beleidsmatig aan hun departementen raakt. Mijn eerste reactie is dat ook de internationale aanpak van milieucriminaliteit uiteraard belangrijk is, omdat die ook de leefomgeving en het milieu van Nederland kan beïnvloeden en een level playing field voor Nederlandse bedrijven die internationaal samenwerken ook van belang is. Maar, zoals gezegd, we komen nog terug op de standpuntbepaling.
De heer Sneller en mevrouw Van Oosterhout vroegen naar een update van de werking van de dashboards: hoe worden we geïnformeerd over de verplichte nationale strategie en komen er concrete doelen naar de Kamer daarvoor? De dashboards zien op de geanonimiseerde statistische gegevens over de meldings- en onderzoeksfasen en gerechtelijke fasen van de in de richtlijn bedoelde strafrechtelijke delicten. Die moeten ook worden aangeboden aan de Commissie. Eind 2028 zijn daarvoor de formats gereed, waarmee de lidstaten die gegevens moeten aanleveren. Dat zullen wij dus ook doen vanaf eind 2028. Die rapportages zal ik dan ook jaarlijks aan uw Kamer sturen. Daarbij zal ik de Kamer ook informeren over de nationale strategie, die overigens op basis van de richtlijn om de vier jaar moet worden geactualiseerd. Dus ook die komt u toe.
Mevrouw Van Oosterhout vroeg waarom er is afgezien van de bepaling van de wettelijke evaluatieverplichting. Dat hoeft in dit geval niet, omdat de Europese Commissie dat zal gaan doen op basis van de informatie van de lidstaten, waar ook Nederland dus aan moet bijdragen. Uiterlijk in 2031 zullen de effecten van de richtlijn bekendgemaakt worden en zal daarover worden gerapporteerd.
Voorzitter. Dat waren de overige belangrijke zaken.
De voorzitter:
Mevrouw Faber en de heer Sneller hebben een vraag. Eerst ga ik naar mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb even een korte vraag. Ik had namelijk gevraagd naar de effectenbeoordeling. Volgens mij is de minister deze vraag per ongeluk vergeten te beantwoorden. De vraag is of die beoordeling er is en of we die kunnen krijgen als die er is.
Minister Van Weel:
Dit zat impliciet in mijn antwoord op uw vraag welke sectoren en bedrijven er worden geraakt. Het antwoord daarop was dat die door deze richtlijn niet worden geraakt. Dat is omdat hier geen nieuwe normen worden geïntroduceerd. Daardoor heeft het dus ook geen effect op bestaande normen, vergunningen of anderszins. Het gaat hier puur om hoe je de handhaving inricht.
Mevrouw Faber (PVV):
Dat begrijp ik toch nog niet helemaal, want dit antwoord is ook ergens op gebaseerd. Ik had het vermoeden dat er wel een effectenbeoordeling moest zijn, want volgens mij wordt die altijd gemaakt. Er zijn wel nieuwe termen geïntroduceerd in het Wetboek van Strafrecht, zoals "ecosysteem" en "habitat". Die kwamen eerder niet voor in het Wetboek van Strafrecht, dus dat heeft zeker wel gevolgen. Vandaar dat ik dit nogmaals aan de minister vraag.
Minister Van Weel:
Ik kom daar graag in de tweede termijn nog even op terug, maar, zoals gezegd, deze wet introduceert geen nieuwe normen, dus in die zin zijn er niet in één keer regels die strenger zijn geworden voor bepaalde bedrijfsgroepen. Dat is niet wat deze wet doet.
Mevrouw Faber (PVV):
Even kort. De minister geeft aan dat er geen nieuwe normen worden geïntroduceerd, maar de termen "ecosysteem" en "habitat" worden wel geïntroduceerd in het Wetboek van Strafrecht. Dat heeft natuurlijk wel gevolgen. Dat kan ook best vergaande gevolgen hebben. Er verandert in dat opzicht dus natuurlijk wel degelijk iets.
Minister Van Weel:
Ik kom daar in de tweede termijn op terug, mevrouw Faber.
De heer Sneller (D66):
Eerst nog even terug naar de dynamische wetgevingstechniek. De beoordelingen van nieuwe Commissievoorstellen gaan natuurlijk niet over de strafbaarstellingen die er uiteindelijk ook daadwerkelijk uit volgen, dus ik wil even de verzekering … Het andere antwoord van de minister was namelijk "implementatiewetgeving". Is het zo dat elke nieuwe milieuregel via implementatiewetgeving in Nederland moet worden omgezet voordat die onder de reikwijdte hiervan komt?
Minister Van Weel:
Ik snap uw vraag. Ik kom daar ook even op terug in tweede termijn.
De heer Sneller (D66):
Uitstekend, dank. De tweede vraag ging over een ander onderwerp, namelijk die nationale strategie. Ik las in de stukken — ik kon het zo snel niet terugvinden — dat die in mei 2027 gereed moet zijn. Krijgen wij die pas als die is vastgesteld of is daar een debat over met de Kamer voordat die wordt vastgesteld? Of is dat waar de Strategische Milieukamer zelf iets gaat vaststellen en niet het kabinet als zodanig?
Minister Van Weel:
Ja, de Milieukamer gaat dat vaststellen. En ik ga dat dan aan uw Kamer sturen.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het eind van het blokje overig gekomen. We gaan alleen nog de amendementen behandelen. Daarvoor geef ik het woord terug aan de minister.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Het zijn allemaal wat technische amendementen, omdat het een vrij technisch wetsvoorstel is. Dus ik lees de appreciaties op.
Ik begin met het amendement op stuk nr. 8 van de heer Sneller. Dat geef ik oordeel Kamer. Dit amendement strekt ertoe om de definities van de begrippen "wijdverbreide schade" en "langdurige schade" op te nemen in het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de economische delicten. De richtlijn definieert deze begrippen niet nader. Daarom heeft het mijn voorkeur om deze begrippen ook niet in het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de economische delicten te definiëren en handvatten te geven via de memorie van toelichting. Tegelijkertijd heb ik in het debat ook gehoord dat een hoop Kamerleden behoefte hebben aan meer duiding en zekerheid bij deze begrippen. Doordat in dit amendement de woorden "in ieder geval" zijn opgenomen bij de definitie wordt er ook wel ruimte gelaten voor de rechtsontwikkeling. Daarom laat ik het aan uw Kamer of u deze verduidelijking in de wet wilt opnemen.
Het amendement op stuk nr. 9 van de heer Sneller, ontraad ik. Dit amendement strekt ertoe om in wetgeving vast te leggen dat gedragingen die in overeenstemming zijn met een vergunning, vrijstelling of ontheffing desalniettemin wederrechtelijk zijn als de gedraging, kort gezegd, in strijd met de wet is, of als de vergunning is verleend of voortduurt als gevolg van fraude. Ik vind dat een lastig amendement, want zoals blijkt uit de memorie van toelichting onderkennen we ook dat vergunningen geen vrijbrief zijn om activiteiten uit te voeren die evident in strijd met de milieuwetgeving zijn. In het eerste blok hebben we daar uitgebreid bij stilgestaan. Alleen om dat wettelijk zo vast te leggen vind ik ingewikkeld, omdat de rechtsontwikkeling daaromtrent nog gaande is. Gelet op deze richtlijn zal die rechtsontwikkeling mogelijk ook weer verder doorgaan. Daar wil ik ruimte aan geven, juist op dit terrein, waar het allemaal zo genuanceerd is, want, zoals we ook al zeiden in het debat: iemand moet ook op een door de overheid afgegeven vergunning kunnen vertrouwen. Ik denk dat we daar een groot deel van dit debat ook aan hebben besteed. Ik begrijp dat de indiener daaraan ruimte heeft willen geven via het gebruik van "in ieder geval", maar juist vanwege die nuances zou ik hier liever via de toelichting handen en voeten aan willen geven.
Voor het tweede subonderdeel van het amendement heb ik sympathie, alleen wijkt het wel af van de richtlijn. Dit subonderdeel richt zich nu namelijk alleen op fraude, terwijl de richtlijn ook nog een paar andere strafbare feiten noemt. Met andere woorden, het minimumniveau lijkt hier onder het minimumniveau van de richtlijn te liggen. Wat mij betreft kan het achterwege gelaten worden, maar ik zou het in ieder geval aanvullen met de andere gedragingen zoals die in artikel 3 van de richtlijn worden genoemd. Zoals gezegd ontraad ik het in deze vorm.
Dan het amendement op stuk nr. 10, over de grondwaterbeschermingsgebieden. In het wetsvoorstel hebben we voor de definitie van een beschermde habitat aangesloten bij de definitie uit de richtlijn. Dit amendement breidt die definitie uit van Natura 2000-gebieden naar andere gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland. Ik ben daar geen voorstander van. Niet alleen wijken we dan af van de richtlijn, maar het is ook niet voor niks dat juist Natura 2000-gebieden bijzondere bescherming genieten. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat vervuiling van andere natuurgebieden niet strafbaar is, maar dat zou ook onder de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht kunnen vallen, bijvoorbeeld omdat de kwaliteit van de bodem daar wordt aangetast of er schade wordt toegebracht aan planten en dieren die daar leven. Maar Natura 2000-gebieden verdienen extra aandacht, en dat komt nu ook tot uitdrukking in de bepaling in het Wetboek van Strafrecht.
Dan het amendement op stuk nr. 11.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 10 is ontraden, denk ik, hè, gezien de toelichting van de minister?
Minister Van Weel:
Ja. Het amendement op stuk nr. 11 geef ik oordeel Kamer. Een aanvulling van de citeertitel door een verwijzing naar ecocide op te nemen is wat mij betreft niet nodig, maar als u als Kamer graag tot uitdrukking wil brengen dat dit wetsvoorstel bijdraagt aan de strafrechtelijke aanpak van ecocide heb ik daar geen grote bezwaren tegen.
Over het amendement op stuk nr. 12 hebben we het eigenlijk in het debat al gehad. Dat gaat over de of-ofbepaling en de en-enbepaling. Dit amendement ontraad ik dus.
Het amendement op stuk nr. 13 gaat over de toepasbaarheid voor Nederlanders die zich hieraan buiten Nederland schuldig maken. Dit amendement ontraad ik omdat het overbodig is. Het is namelijk niet nodig om deze delicten aan artikel 7 toe te voegen. In de memorie van toelichting is aangegeven dat we dat gaan doen door het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht aan te vullen, om deze rechtsmacht via die weg te regelen. Dat moet namelijk ook op grond van artikel 12 van de richtlijn. Ik heb een voorkeur voor die route, omdat we dat zo doen voor alle implementatiewetgeving.
Dat waren, naar mijn weten, alle amendementen.
De voorzitter:
Oké. Dan ga ik naar mevrouw Teunissen. Zij had nog een vraag over de appreciatie van het amendement op stuk nr. 10. Klopt dat?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ja, voorzitter, dat klopt. Het gaat over de bescherming. Het kabinet zegt eigenlijk: we sluiten aan bij de richtlijn als het gaat om de definitie van een beschermde habitat. Nou is het wel zo dat Nederland zelf Natura 2000 tussen haakjes eraan heeft toegevoegd terwijl dat niet in de Europese richtlijn staat. Dat is wat mijn fractie betreft best onduidelijk. Bij de grondwaterbeschermingsgebieden en de Natuurnetwerken Nederland is namelijk ook sprake van schade aan ecosystemen. De minister zegt "het kan zijn dat het eronder valt", maar is het dan niet juist fijn om meer duidelijkheid te geven, van: deze gebieden vallen er ook onder? Ik heb dus twee punten. Nederland wijkt volgens mij sowieso af van de richtlijn. Zou je dan ook niet meer duidelijkheid moeten bieden door uitbreiding naar andere gebieden?
Minister Van Weel:
Ik zal in de tweede termijn nog een keer goed kijken naar hetgeen u nu inbrengt. Ik denk niet dat dat leidt tot een andere appreciatie, maar dat wil ik voor de volledigheid wel even doen.
De voorzitter:
Er is nog een vraag van mevrouw Teunissen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ja, ik had nog één ander punt. Dat gaat over de strafbaarstelling van praktijken van Nederlandse bedrijven in het buitenland die aanzienlijke schade veroorzaken. De minister zegt: dit amendement is overbodig. Ik snap dat het gebruik is om dit per besluit te regelen, maar mijn amendement stelt echt voor om dit bij wet te regelen, zodat wij als Kamer meer sturingsmogelijkheden hebben. Als de minister het zo beziet, oordeelt hij dan nog steeds "overbodig", of is het dan daadwerkelijk een extra sturingsinstrument van de Kamer om grootschalige milieuverontreiniging in het buitenland aan te pakken?
Minister Van Weel:
Ik wil echt vasthouden aan de gebruikelijke route. Dat is voor de duidelijkheid. Daarmee bevuilen we, zeg ik oneerbiedig, het Wetboek van Strafrecht ook niet met allerlei bepalingen. Dit regelt echt precies hetzelfde, wat ook moet op basis van de richtlijn, alleen dan wel via de route die wij normaal nemen. Mijn oordeel verandert daarmee dus niet.
De voorzitter:
Oké. We zijn aangekomen bij het einde van de eerste termijn van de minister, waarin hij de vragen heeft beantwoord en de amendementen heeft geapprecieerd.
Dan gaan we nu over naar de tweede termijn van de Kamer. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Faber namens de PVV.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u, voorzitter. Even heel kort. Ten eerste wil ik natuurlijk de minister bedanken voor de beantwoording. Het baart mij wel zorgen dat het ecosysteem en die habitat nieuw worden opgenomen in het Wetboek van Strafrecht. Er zijn ook partijen die CO2 al een giftig gas vinden. Ik kan u, denk ik, wel voorspellen dat dat in de toekomst zal leiden tot rechtszaken en andere ongein naar bedrijven toe, dus daar ben ik niet zo gelukkig mee. Maar ik wil u in ieder geval wel bedanken voor de beantwoording.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik ga naar mevrouw Straatman namens het CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank, voorzitter. Ook dank aan de minister voor de beantwoording. Er is in het debat veel aandacht gevraagd voor de bestaande vergunningen en hoe daarmee om te gaan. Het is goed dat de minister zei dat het ging om uitzonderlijke gevallen, maar als je de wettekst leest, blijkt er een soort vaagheid te ontstaan. Ik wil dat graag met één motie onderstrepen, ook om te zeggen dat het gaat om bedrijven die precies doen wat in de voorschriften staat. Als er naderhand wetswijzigingen optreden, dan is het natuurlijk primair aan het bestuursorgaan om te checken of de vergunningen die eerder zijn uitgegeven nog voldoen aan die voorwaarden. Dat zou helemaal niet moeilijk zijn, zeg ik ook tegen bijvoorbeeld mevrouw Van Oosterhout, als het gaat om de informatievoorziening van zo'n bestuursorgaan. Dat weet precies welke voorschriften het heeft geaccordeerd en kan die ook gewoon actualiseren. Daarom deze motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voor strafbare feiten, waaronder milieudelicten, bewezen moet worden dat er sprake is van wederrechtelijkheid;
constaterende dat de Europese richtlijn milieucriminaliteit ertoe verplicht dat bij handelen in lijn met een bestaande vergunning sprake kan zijn van strafrechtelijke aansprakelijkheid;
overwegende dat dit alleen in absolute uitzonderingssituaties van toepassing mag zijn, omdat de primaire handhavingstaak bij het bestuursorgaan ligt;
verzoekt de regering om met het Openbaar Ministerie in gesprek te gaan om onder de aandacht te brengen dat op grond van de richtlijn alleen in uitzonderlijke gevallen strafrechtelijk kan worden gehandhaafd als iemand een vergunning heeft;
verzoekt de regering met het Openbaar Ministerie te bespreken dat in dergelijke situaties bestuursrechtelijke handhaving het uitgangspunt moet zijn alvorens de strafrechtelijke weg wordt bewandeld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman en Bikkers.
Zij krijgt nr. 14 (36876).
Dank u wel. Dan ga ik over naar de heer Bikkers namens de VVD.
De heer Bikkers (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Collega Straatman heeft al iets gezegd over de vergunningen. Daar sluit ik me volledig bij aan. Ik kom nog even op de 3 miljoen die beschikbaar is voor de sanering, om het maar zo te zeggen. Ik zou graag de minister willen vragen om wanneer er blijk is dat dat onvoldoende zou zijn, de Kamer daarover te informeren, zodat we mogelijkerwijs maatregelen kunnen treffen. Ik denk namelijk dat het belangrijk is dat de slachtoffers, niet alleen in het kader van milieu maar ook slachtoffers in de zin van grondeigenaren en dergelijke, op een goede manier geholpen worden.
Tot zover. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik naar de heer Sneller namens D66.
De heer Sneller (D66):
Dank, voorzitter. Ook dank aan de minister voor zijn beantwoording. Zoals ik in eerste termijn al zei: het voor het eerst gebruiken van het strafrecht om het milieu als zelfstandig rechtsgoed te beschermen, is in ieder geval een fundamentele koerswijziging. Tegelijkertijd valt al veel van de huidige richtlijn onder Nederlandse wetgeving. Ik denk dat het belangrijk is om naast alle intensiveringen ook te weten dat het College van procureurs-generaal zelf zegt de komende jaren meer prioriteit te willen geven aan de opsporing en vervolging van milieucriminaliteit, zoals ook uit de consultatie blijkt. Dus volgens mij gaat het niet alleen om wat er extra bij komt, maar ook om wat het Openbaar Ministerie hier überhaupt aan gaat doen. Tegen die achtergrond denk ik dat dit wetsvoorstel een belangrijke impuls biedt voor zowel de strafmaat als de pakkans. Daar kunnen we alleen maar blij mee zijn.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik ga naar mevrouw Van Oosterhout namens PRO.
Mevrouw Van Oosterhout (PRO):
Dank u wel, voorzitter. Nogmaals, mijn fractie steunt deze wet, maar Europese regels omzetten is niet genoeg. Een wet zonder handhaving is papier. We moeten verder, met effectief beleid, met goede handhaving en met een échte gecoördineerde aanpak van vervuilers. Daarom heb ik twee moties, samen met collega Mutluer. De eerste gaat over milieucriminaliteit die wordt gepleegd vanwege economische motieven. Zorg er dan ook voor dat dat geld wordt afgepakt. We vragen de regering om met het OM te zorgen dat vervuilers vaker strafrechtelijk worden aangepakt en dat hun winst consequent wordt afgepakt. De tweede motie gaat over 3 miljoen tegenover structureel 4 miljard schade. Dat klopt niet. We vragen de regering te rapporteren hoe maatschappelijke schade meeweegt bij het stellen van prioriteiten, want handhaving is geen kostenpost; het is een investering.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat milieuvervuiling grote maatschappelijke schade veroorzaakt door aantasting van de volksgezondheid, schade aan de natuur en het klimaat;
overwegende dat de zeer beperkte middelen voor handhaving en opsporing leiden tot een lage pakkans en een lage afschrikwekkende werking;
overwegende dat een hogere opsporingsprioriteit en meer middelen voor handhaving en opsporing kunnen leiden tot fors minder schade aan milieu, natuur, volksgezondheid en klimaat en daarmee tot veel vermeden maatschappelijke kosten;
verzoekt de regering om aan de Kamer te rapporteren hoe maatschappelijke schade, pakkans en afschrikwekkende werking worden gewogen in de handhavings- en opsporingsprioriteit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Oosterhout en Mutluer.
Zij krijgt nr. 15 (36876).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat opzettelijke milieuvervuiling vrijwel altijd is ingegeven door economische motieven;
overwegende dat de meeste milieuvervuilers niet of hooguit bestuursrechtelijk worden vervolgd en zelden strafrechtelijk;
overwegende dat de Wet ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel zelden wordt toegepast op veroordeelde milieucriminelen, ondanks dat dit door juristen als zeer effectief wordt gezien;
verzoekt de regering om met het OM in overleg te treden om, waar enigszins kansrijk, vervuilers ook strafrechtelijk te vervolgen en hierbij consequent de wederrechtelijk verkregen voordelen te ontnemen om zo het overtreden van milieuregels voor financieel gewin extra onaantrekkelijk te maken, en de Kamer hierover voor de zomer van 2027 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Oosterhout en Mutluer.
Zij krijgt nr. 16 (36876).
Mevrouw Van Oosterhout (PRO):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik naar mevrouw Teunissen namens de Partij voor de Dieren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Laat ik even vooropstellen dat de Partij voor de Dieren het goed vindt dat er in het milieurecht nu een verschuiving plaatsvindt van antropocentrisme naar ecocentrisme; zo zeggen we dat. Die stap moedigen wij aan. Daarom ook steun voor deze implementatiewet. Ik vind het wel jammer dat de regering echt alleen maar het minimale doet om die richtlijn ook daadwerkelijk te vertalen. Ik hoop dus wel dat de Kamer een aantal van onze voorstellen om dat te verbeteren gaat steunen.
Ik heb nog een motie over het Caribisch gebied. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we de koraalriffen en andere kwetsbare ecosystemen in het Caribisch gebied de volwaardige bescherming geven en minimaal de bescherming die we hier ook hebben. Ik juich toe dat de minister heeft gezegd dat het kabinet dat gaat onderzoeken. Ik heb daarop de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Richtlijn (EU) 2024/1203 omtrent milieucriminaliteit alleen is geïmplementeerd in de wetgeving van Europees Nederland;
constaterende dat een milieudelict net zo erg is in Caribisch Nederland als in Europees Nederland, maar dat de wetgeving hieromtrent in Europees Nederland verstrekkender is;
constaterende dat er op de BES-eilanden geen Natura 2000-gebieden zijn, maar wel andere beschermde natuurgebieden;
verzoekt de regering, gelet op het beginsel van comply or explain, te onderzoeken op welke wijze de relevante bepalingen uit de EU-richtlijn zo veel mogelijk op dezelfde wijze als in het Wetboek van Strafrecht kunnen worden geïmplementeerd in het Wetboek van Strafrecht BES en daarbij ook aandacht te besteden aan de definitie van beschermde habitat,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.
Zij krijgt nr. 17 (36876).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Ik zou de minister toch willen aanmoedigen om flink stelling te nemen tijdens die conferentie van partijen bij het VN-verdrag UNTOC. Het is heel goed dat hij in gesprek gaat met zijn collega's. Ik zou dit graag met een motie toch nog ietsje verder willen brengen, zodat we ook echt aan de slag gaan voor die conferentie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat van 19 tot en met 23 oktober 2026 de dertiende conferentie van partijen bij het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (UNTOC) plaatsvindt;
overwegende dat er al een tijd door landen over een vierde aanvullend protocol aangaande milieucriminaliteit wordt gesproken en dit de internationale samenwerking bij bestrijding van grensoverschrijdende milieucriminaliteit kan versterken;
verzoekt de regering zich tijdens deze conferentie uit te spreken voor een vierde aanvullend protocol over milieucriminaliteit en zich actief in te zetten voor een besluit om onderhandelingen hierover te starten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.
Zij krijgt nr. 18 (36876).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter, tot slot. Zoals ik al memoreerde in mijn bijdrage in eerste termijn, heeft de Partij voor de Dieren in 2023 een initiatiefwet ingediend over ecocide. Dat heeft ermee te maken dat wij zien dat het slecht gesteld is met het milieustrafrecht en dat er echt meer nodig is. Daarom sturen wij aan op een herziening van het milieustrafrecht, om niet alleen de ecosystemen, maar ook de rechtspositie van slachtoffers van milieucriminaliteit centraal te stellen. Daarom heb ik de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat juridische experts aangeven dat het huidige Nederlandse milieustrafrecht slagkracht mist en mens, dier en milieu die slachtoffer worden hierdoor ondergesneeuwd raken;
overwegende dat het onwenselijk is dat de positie en de stem van slachtoffers van milieucriminaliteit in de huidige Wet op de economische delicten ondergesneeuwd raken;
verzoekt de regering om binnen één jaar een blauwdruk aan de Kamer te sturen voor een integrale herziening van het milieustrafrecht, waarbij de menselijke gezondheid, de bescherming van de leefomgeving én de rechtspositie van slachtoffers van milieucriminaliteit centraal worden gesteld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.
Zij krijgt nr. 19 (36876).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Tot slot dank ik de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Teunissen. Dan wil ik mevrouw Faber weer vragen om het voorzitterschap even over te nemen, zodat ik mijn eigen bijdrage in tweede termijn kan doen.
Voorzitter: Faber
De voorzitter:
Gaat uw gang, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u, voorzitter. Allereerst dank aan de minister voor de beantwoording. In die beantwoording heeft hij gezegd dat boeren en PAS-melders strafrechtelijk niets te vrezen hebben. Maar dat hebben boeren eerder gehoord, bijvoorbeeld bij de PAS. De overheid zei: dit mag, een melding is voldoende en u hoeft zich geen zorgen te maken. En kijk waar ze nu staan: PAS-melders worden bestuurlijk tot aan de grond kapotgemaakt, bedrijven worden gesloopt en gezinnen leven al jaren in onzekerheid. Dat gaat om mensen die precies hebben gedaan wat de overheid van hen vroeg.
Voorzitter. Als dit hele PAS-debacle puur een nationale kwestie was geweest, hadden we veel meer ruimte gehad om deze mensen te beschermen; dan hadden ze zich kunnen beroepen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, op gerechtvaardigd vertrouwen, op rechtszekerheid en op een overheid die haar eigen fouten herstelt. Maar in dit hele verhaal lopen we telkens tegen het Europees recht aan. Wij willen legaliseren, wij willen deze mensen beschermen, wij willen niet handhaven tegen boeren die de overheid hebben vertrouwd, en telkens krijgen we te horen: het Europees recht staat in de weg en er moet toch worden gehandhaafd. Hoe kan de minister vandaag zo stellig zeggen dat deze boeren strafrechtelijk niks te vrezen hebben?
De minister verwijst naar een arrest van de Hoge Raad uit 1984, maar beschermt die Nederlandse uitspraak die boeren, de PAS-melders, ook tegen de verplichtingen uit deze Europese richtlijn? Blijft die bescherming overeind als daarover straks Europees anders wordt geoordeeld? Dat blijft mijn zorg en dat is precies onze vraag. Wij hebben namelijk gezien wat een geruststelling van de overheid waard kan zijn. Eerst "u heeft niks te vrezen", daarna "wij kunnen u niet beschermen". Dat mogen we deze mensen niet nog een keer aandoen. Daarom vraag ik de minister of hij kan toezeggen om vóór de stemming schriftelijk uiteen te zetten hoe het arrest uit 1984 aan de ene kant en de richtlijn en dit wetsvoorstel aan de andere kant, dezelfde bescherming bieden, ook wanneer het amendement van Sneller wordt aangenomen. Die duidelijkheid hebben wij nodig om dit wetsvoorstel te kunnen beoordelen, want deze boeren hebben geen behoefte aan nog een geruststelling die later niks waard blijkt. Zij hebben zekerheid nodig.
Dan heb ik nog een paar moties. Die luiden als volgt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat PAS-melders de regels van de overheid hebben gevolgd en nog steeds wachten op de beloofde legalisatie;
overwegende dat zij niet strafrechtelijk de rekening moeten krijgen voor het uitblijven van die legalisatie;
verzoekt de regering met het Openbaar Ministerie af te spreken dat PAS-melders die binnen hun oorspronkelijke melding blijven, niet worden vervolgd alleen omdat de beloofde natuurvergunning nog ontbreekt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 20 (36876).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat een strafrechtelijk onderzoek voor ondernemers hoge kosten voor rechtsbijstand kan veroorzaken;
overwegende dat ondernemers deze kosten niet zelf behoren te dragen als zij hun vergunning hebben nageleefd en de overheid een fout heeft gemaakt;
verzoekt de regering een regeling voor te bereiden om redelijke kosten van rechtsbijstand te vergoeden als strafrechtelijk onderzoek voortkomt uit een vergunningsfout van de overheid, de ondernemer eerlijk alle benodigde informatie heeft verstrekt en hem geen ander verwijt treft, voor zover die kosten niet al worden vergoed,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 21 (36876).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat ondernemers moeten kunnen vertrouwen op een vergunning van de overheid;
overwegende dat de overheid verantwoordelijk is voor het herstellen van fouten in haar vergunningverlening;
verzoekt de regering met vergunningverlenende overheden af te spreken dat zij fouten in vergunningen altijd voortvarend en met prioriteit herstellen wanneer de ondernemer eerlijk alle benodigde informatie heeft verstrekt en hem geen ander verwijt treft, waarmee dus de volledige verantwoordelijkheid van het herstellen van fouten in de vergunning volledig bij de overheid blijft liggen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 22 (36876).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
En dan de laatste.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat volgens de minister sterk verouderde vergunningen kunnen bestaan waarvan het gebruik strafrechtelijke risico's oplevert;
overwegende dat het actualiseren van vergunningen primair een overheidstaak is;
verzoekt de regering samen met de vergunningverlenende overheden in kaart te brengen of en waar dergelijke vergunningen bestaan, en de Kamer binnen drie maanden te informeren over de omvang en de aanpak daarvan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 23 (36876).
Ik zie verder geen interrupties, dus ik draag het voorzitterschap weer over.
Voorzitter: Van der Plas
De voorzitter:
Dank u wel. Dank voor de inbreng in tweede termijn. Hoelang heeft de minister nodig voor de beoordeling?
Minister Van Weel:
Dit waren toch wel vrij fundamentele moties, dus ik wil daar wel een kwartier voor nemen.
De voorzitter:
Een kwartier. Dan zien we elkaar hier om 13.35 uur terug. Ik schors de vergadering kort.
De vergadering wordt van 13.20 uur tot 13.35 uur geschorst.
De voorzitter:
Welkom terug bij dit wetgevingsoverleg. We gaan luisteren naar de antwoorden van de minister op de nog gestelde vragen en naar zijn appreciatie van de ingediende moties. Het woord is aan de minister.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Dank aan de leden voor hun inbreng, ook in tweede termijn. Ik zal proberen de vragen die nog resteerden dan wel opnieuw zijn gesteld, zo goed mogelijk te beantwoorden. Ik begin met de vraag van mevrouw Faber over de effecten van de richtlijn. Ik denk dat u doelt op de handhavings- en uitvoeringstoets die gedaan wordt tijdens het opstellen van de implementatiewet. De effecten van de richtlijn daarop zijn wel onderzocht. Die informatie kunt u vinden op de site van de Eerste Kamer, bij de wetgevingskalender. We zullen u daar graag naartoe doorverwijzen.
Dan was er nogmaals de vraag over energie: waarom wordt dat punt toegevoegd aan de wet? Ik benadruk dat hiermee geen nieuwe normen op het gebied van energie worden opgelegd. Het is puur dat energie nu is opgenomen in de lijst van sectoren, stoffen, die kunnen leiden tot schade, maar als je binnen de vergunning opereert, blijft dat ook zo op basis van deze wet.
De heer Sneller had een vraag over de dynamische wetgevingstechniek: ontvangt de Kamer dan alles automatisch? Ja, met één korte "tenzij", namelijk: tenzij er helemaal niets hoeft te worden aangepast in onze wetgeving omdat het al gedekt is. In dat geval wordt het met een melding in de Staatscourant gedaan, maar ik hoop dat u ons dat zult vergeven.
Dan een vraag van mevrouw Teunissen. Wij hebben het idee dat we aangaande de Natura 2000-gebieden dan wel de habitat hebben gezorgd voor een een-op-eenvertaling; u heeft dat idee niet. Ik denk dat we daar nu niet uitkomen. Het leidt in ieder geval voor mij nu niet tot aanpassing van het oordeel over het amendement.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb er ook nog even goed naar gekeken. Het is inderdaad onduidelijk of dit nou alleen maar reikt tot Natura 2000-gebieden of dat het verder gaat. Het heeft een voordeel om de grondwaterbeschermingsgebieden en het Natuurnetwerk Nederland expliciet te benoemen. In de omgeving van de 200 drinkwatergebieden die we hebben, vindt op dit moment heel veel verontreiniging plaats, ook van ecosystemen. Het punt is: als je het niet expliciteert, is er de kans dat de grondwaterbeschermingsgebieden, die juist zo belangrijk zijn, buiten de reikwijdte van deze wet vallen. Dat wil je volgens mij voorkomen.
Minister Van Weel:
Tegelijkertijd wil ik niet via een oordeel over een amendement de reikwijdte van deze richtlijn vergroten naar iets waar die niet voor bedoeld was. Vandaar dat ik toch vasthoud aan de Natura 2000-gebieden als vertaling van het begrip "beschermde habitat" uit de Habitatrichtlijn.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Het punt is dat grondwaterbeschermingsgebieden en Natuurnetwerk Nederland ook beschermde gebieden zijn, alleen via de provincie en niet via het Rijk. In die zin biedt de richtlijn natuurlijk wel degelijk ruimte om ook deze gebieden aan te merken. Kan de minister in ieder geval beamen dat dat zo is, maar dat hij daar niet voor kiest en dat hij dus eigenlijk voor een nauwe definitie van "beschermde habitat" kiest als hij zich alleen maar beperkt tot Natura 2000-gebieden?
Minister Van Weel:
Nogmaals, wij zijn van mening dat dit de vertaling is zoals die is bedoeld in de richtlijn. Ik sluit niet uit dat je wel zou kunnen kiezen voor een bredere vertaling, maar dat doen we inderdaad niet.
Tegen mevrouw Van der Plas zeg ik, via u, voorzitter, dat er een brief komt over de vergelijking van de rechtsbescherming op basis van de uitspraak van de Hoge Raad en de situatie na deze richtlijn.
De voorzitter:
Sorry dat ik u heel even onderbreek; ik doe dat als voorzitter. Als u een toezegging doet, dan hangt daar ook een termijn aan. Ik zou dus nog graag een termijn horen. Voor de stemming, hoor ik. Wanneer voor de stemming? We hebben namelijk ook nog herfstreces, dus de Kamer moet wel even de tijd hebben om die brief goed te beoordelen.
Minister Van Weel:
Ja, wij hebben ook herfstreces. U krijgt deze brief spoedig na het herfstreces.
Dan kom ik bij de moties, voorzitter. De motie op stuk nr. 14 is van mevrouw Staatman. Ik zeg toe in gesprek te gaan met het OM. Ik kan geen garanties geven over de uitkomsten daarvan, maar dat weet u. Met die kanttekening kan ik de motie oordeel Kamer geven.
De motie op stuk nr. 15 geef ik oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 16 geef ik oordeel Kamer, met dezelfde kanttekening als die bij de motie op stuk nr. 14. Op basis van het opportuniteitsbeginsel bepaalt het OM uiteindelijk wanneer er tot vervolging wordt overgegaan, maar het gesprek ga ik met ze aan.
De motie op stuk nr. 17 van mevrouw Teunissen: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 18 ontraad ik, omdat ik eerst nog het gesprek met de collega's aan wil gaan. Voor die tijd wil ik nog geen uitspraken doen.
De motie op stuk nr. 19 ontraad ik. Een volledige herziening is wat ons betreft nu niet opportuun.
De motie op stuk nr. 20 ontraad ik zoals die nu is geformuleerd, omdat die te stellig is als het gaat over wat ik zou kunnen toezeggen. Ik kan daar geen afspraken over maken met het Openbaar Ministerie. Ik wil wel graag het gesprek aangaan met het Openbaar Ministerie om te wijzen op deze groep. Ik zal daarna rapporteren over de uitkomsten van dat gesprek. Dan zou ik 'm oordeel Kamer kunnen geven, maar zoals die nu geformuleerd is, moet ik 'm ontraden.
De motie op stuk nr. 21 van mevrouw Van der Plas moet ik ontraden. Die loopt echt wat te ver op de zaken vooruit. Bovendien heb ik in mijn beantwoording aangegeven dat ik niet verwacht dat bonafide ondernemers vervolgd gaan worden. Voor niet-bonafide ondernemers willen we natuurlijk niet opdraaien voor de rechtsbijstand.
De motie op stuk nr. 22 geef ik oordeel Kamer, met de kanttekening dat ik u niet kan toezeggen dat ik namens alle gezagen ga rapporteren over alle vergunningen. Ik ga wel dit gesprek aan, omdat dit al het uitgangspunt zou moeten zijn. Dat heb ik ook al aangegeven in het debat. Dit is hoe de overheid daarmee om zou moeten gaan. Vergunningverlenende overheden moeten die fouten rechtzetten. Met die duiding geef ik de motie oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 23, ten slotte, moet ik ontraden. Deze vergunningen worden door oneindig veel gezagen afgegeven, op allerlei niveaus. Ik wil het niet een centrale verantwoordelijkheid maken om dat bij te houden. Ik ben het wel met u eens dat vergunningen altijd actueel zouden moeten zijn, ook na het implementeren van deze richtlijn. Dat gezegd hebbende: deze richtlijn introduceert, zoals ik u verteld heb, geen nieuwe normen die zouden moeten nopen tot actualisatie. In die zin speelt het nu dus niet acuut.
Dat waren de moties, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik even rond om te zien of dit nog vragen oproept. Dat is niet het geval. O, mevrouw Teunissen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb een korte vraag over die conferentie. Ik ben blij dat de minister in ieder geval met zijn collega's in gesprek wil gaan. Die conferentie is natuurlijk wel al bijna aan de orde. Ik vroeg me dus af of hij kan toezeggen dat hij de Kamer over de inzet informeert voordat de conferentie plaatsvindt. Dan overweeg ik namelijk om de motie aan te houden.
Minister Van Weel:
Ik weet niet of ik überhaupt primair aan zet ben bij dit onderwerp, maar ik ga dat met de collega's bespreken en ik zorg dat u in ieder geval bericht krijgt. Als dat niet over de inzet is, dan in ieder geval over het proces.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Oké.
De voorzitter:
Op welke termijn mogen wij dat verwachten?
Minister Van Weel:
Wanneer is de conferentie, vraag ik dan even.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Die begint op de 19de.
Minister Van Weel:
Dan hoort u spoedig van ons.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dat is heel fijn. Dan houd ik de motie voor nu even aan. Ik hoop eigenlijk dat er voor de stemmingen nog wel iets van een bericht komt, zodat we dan opnieuw een afweging kunnen maken. Dank u wel.
De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Teunissen stel ik voor haar motie (36876, nr. 18) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Zou ik mevrouw Faber nog heel even mogen vragen om het voorzitterschap over te nemen? Ik heb zelf namelijk nog een aantal vragen.
Voorzitter: Faber
De voorzitter:
Uiteraard, gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Het gaat over mijn moties. Bij de motie op stuk nr. 20 geeft de minister aan dat hij wel het gesprek wil aangaan. Ik ga die motie voorlopig nog niet aanhouden. Ik ga hier even over nadenken. Daar zal ik nog op een latere termijn naar kijken, dus dan blijft deze motie voorlopig in ieder geval ontraden.
Dan had ik nog een vraag over de motie op stuk nr. 21. Daarbij geeft de minister aan: we willen niet-bonafide bedrijven niet de mogelijkheid geven om rechtsbijstandskosten vergoed te krijgen. Maar in de motie expliciteer ik duidelijk over welke bedrijven dit gaat. Er staat "rechtsbijstand te vergoeden als een strafrechtelijk onderzoek voortkomt uit een vergunningfout van de overheid, de ondernemer eerlijk alle benodigde informatie heeft verstrekt en hem geen ander verwijt treft". Daar heb ik het dus juist over de bonafide bedrijven. Daarom begrijp ik dus niet waarom de motie met die overweging ontraden is.
Minister Van Weel:
Omdat deze bedrijven dus niet strafrechtelijk vervolgd zullen worden. Dat is nu juist het punt. Hier is niks fout gedaan. Hier hebben we het over bonafide ondernemers. Die zullen dus niet in deze situatie komen. Ik wil voorkomen dat we een soort halve rechtsbijstandsregeling afspreken waardoor bedrijven die mogelijk op het oog bonafide zijn maar dat eigenlijk niet zijn, denken aanspraak te kunnen maken op overheidsbijstand. Ik denk dus dat de categorie zoals u die inkadert, buiten de reikwijdte valt van de vervolging zoals die hiermee beoogd is.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Oké. Nou, ik breng de motie gewoon in stemming.
Bij de appreciatie oordeel Kamer van de motie op stuk nr. 22 was er een interpretatie, met de toevoeging over het gesprek aangaan. Daar kan ik mee akkoord gaan. Dan houdt die dus de appreciatie oordeel Kamer.
De voorzitter:
Goed, mevrouw Van der Plas. Dan bent u nu weer de voorzitter.
Voorzitter: Van der Plas
De voorzitter:
Dank u wel. Voordat ik afhamer, ga ik nog even een aantal zaken met u doornemen. Dat zijn de toezeggingen.
De minister neemt de vraag van het lid Straatman over decentrale uitkeringen mee in de volgende voortgangsbrief na navraag bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
Daarbij zouden we nog een termijn willen horen. Wanneer ongeveer?
Minister Van Weel:
Voor het einde van het jaar, voorzitter.
De voorzitter:
Voor het einde van het jaar.
De minister gaat in gesprek met de ministers van Infrastructuur en Waterstaat en LVVN, Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, over het standpunt over een vierde aanvullend protocol wat betreft milieucriminaliteit naar aanleiding van de vraag van het lid Teunissen. De minister heeft toegezegd om daar voor de conferentie, die 19 oktober als startpunt heeft, duidelijkheid over te geven.
De minister heeft toegezegd de Kamer een brief te sturen met de vergelijking naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad uit 1984 en de situatie met dit wetsvoorstel. De brief komt voor de stemmingen. Dat is kort na het herfstreces. Dat is toegezegd.
Daar voeg ik nog aan toe dat wij gaan stemmen over de moties, de amendementen en het wetsvoorstel op dinsdag 27 oktober.
Ik wil de minister en zijn staf, die zowel hier in de zaal als in andere kamers van dit gebouw hard hebben gewerkt om de Kamer van antwoorden te voorzien en de appreciaties te doen, hartelijk danken. Ik wil ook de aanwezige Kamerleden bedanken voor hun inbreng. Ik wil de griffier en de ondersteuning natuurlijk ook danken voor al het voorbereidende en ondersteunende werk. Ik heb altijd een lijstje met bedankjes, dus u moet nog even blijven zitten. Ik vind dat belangrijk. Ik wil ook de bodes bedanken voor de logistiek en het mogelijk maken dat wij hier kunnen vergaderen. Ook dank aan de mensen op de publieke tribune die dit debat hebben gevolgd en de mensen thuis.
Ik wil nog één ding toevoegen. Het is voor dit parlement vandaag een hele bijzondere en historische dag. Het is vandaag 70 jaar geleden dat in 1956 Marga Klompé, namens de Katholieke Volkspartij, de voorloper van het huidige CDA, de eerste vrouwelijke minister van Nederland werd. Ik denk dat dat een moment is dat we hier wel in herinnering mogen roepen. Dit jaar is het ook 55 jaar geleden dat Marga Klompé als eerste vrouw werd benoemd tot minister van staat. Dat heeft het pad geëffend voor heel veel vrouwelijke politici en voor vrouwen in de samenleving om een goede bijdrage aan de maatschappij te leveren. Vandaar dat ik dat even wilde memoreren.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Ik wens iedereen een veilige thuisreis. Ik wens de minister beterschap met zijn verkoudheid. Ik sluit hierbij deze vergadering. Dank u wel voor uw aanwezigheid.
Sluiting 13.50 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM
Verslag OSV 11 2026-2027 van 12 oktober 2026
Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: [email protected]
Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: [email protected]
ONGECORRIGEERD STENOGRAM
Verslag OSV 11 2026-2027 van 12 oktober 2026 1
Versie 42381f48dd6f0671b5dba280cc6af80a6738d63708da4f7e6841ded7e83ced37 · Officiële bron.