KamerkringInloggen
Kamerbrief

Voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen - zomer 2026

2 jul 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 1d13055e3386efa3 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 043Toekomst pensioenstelselNr. 714 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 2 juli 2026De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel is in 2026 in volle gang. DeWet toekomst pensioenen (Wtp) is op 1 juli 2023 in werking getreden ensindsdien werken alle betrokkenen, vanuit de fase waarin zij zichbevinden, aan de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Een grootaantal pensioenuitvoerders doet inmiddels ook de eerste ervaringen op inhet nieuwe pensioenstelsel. In figuur 1 is weergegeven waar de transitiezich bevindt in de tijd.Voor u ligt de vijfde voortgangsrapportage monitoring Wet toekomstpensioenen (hierna: de voortgangsrapportage) met de actuele stand vanzaken over de voortgang van de transitie naar het nieuwe pensioen-stelsel.1 Daarbij wordt specifiek ingegaan op onderwerpen die deafgelopen tijd in de publieke en politieke belangstelling hebben gestaan.Zo wordt met deze brief invulling gegeven aan de motie van Van Ark(CDA) en Patijn (Pro) over het compensatievraagstuk, de toezegging omde voortgang bij werkgevers met een pensioenregeling uitgevoerd door1Deze voortgangsrapportage en de onderliggende stukken zijn een momentopname van destand van zaken, omdat de sector volop in beweging is. Daarnaast betreft het een algemeenbeeld van de transitie. Ik geef daarbij geen oordeel over de gemaakte keuzes, noch ga ik in opindividuele casussen.Figuur 1: Transitieperiode - mijlpalen kst-32043-714ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7141 een verzekeraar of premiepensioeninstelling (PPI) intensiever temonitoren gezien de gevolgen van het niet tijdig omzetten van dezeregelingen en de toezegging om uw Kamer te informeren over dedefinitieve pensioenstijgingen van de pensioenfondsen die per 1 januari2026 zijn ingevaren.2, 3, 4De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel bevindt zich in een beslis-sende fase en de komende maanden zijn cruciaal voor de pensioentran-sitie. Een groot deel van de pensioenfondsen is al overgestapt, of heeft debenodigde voorbereidingen getroffen om deze stap in de komende 1,5jaar te zetten. Voor pensioenfondsen die nog niet zo ver zijn, is het vanbelang dat zij op korte termijn oplossingen vinden voor de opgavewaarvoor zij zich gesteld zien en keuzes maken om de stap naar eennieuwe pensioenregeling daadwerkelijk te zetten. Dat geldt ook voorwerkgevers met regelingen bij verzekeraars en PPI’s. Ook zij zullen,gemotiveerd en geactiveerd door hun adviseur en pensioenuitvoerder,keuzes moeten maken om deze transitie tijdig te realiseren. Met namekleinere werkgevers hebben hier nog een taak liggen en moeten snel aande slag gaan en doorpakken.Gezien de stand van de transitie en de resterende tijd om de pensioen-transitie te realiseren, blijft de uiterste transitiedatum, in lijn met hetadvies van de regeringscommissaris transitie pensioenen (hierna:regeringscommissaris), staan op 1 januari 2028. Dat betekent dat op1 januari 2028 de transitieperiode eindigt en vanaf dat moment dienen allepensioenregelingen te passen binnen de kaders van de Wtp. Met deovergang naar het nieuwe pensioenstelsel is er sprake van een persoon-lijker en transparanter pensioen dat eerder perspectief biedt op eenkoopkrachtig pensioen en beter aansluit bij de samenleving en dearbeidsmarkt.Opzet monitorDe monitor is uitgevoerd conform het plan van aanpak monitoring zoalsdat aan uw Kamer is voorgelegd.5 Onderdeel hiervan zijn de meestactuele edities van de in opdracht van SZW door EY Adviseurs B.V.(hierna: EY) uitgevoerde transitiemonitor (bijlage 1), de deelnemersmo-nitor (bijlage 2 en bijlage 3), het advies van de regeringscommissaris(bijlage 4), de informatie van toezichthouders De Nederlandsche Bank(DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM), overige onderzoeken ende gesprekken die ik met de pensioensector voer, onder andere met desociale partners, de pensioenuitvoerders en de -koepels en de toezicht-houders. Deze voortgangsrapportage bevat geen doelstellingenmonitor.Deze monitor wordt namelijk één keer per jaar uitgevoerd, en loopt mee inde winterrapportages. Hierbij merk ik op dat de data afkomstig van DNBuit de «Gegevens Wtp-uitvraag pensioenfondsen Q2-2026» en «GegevensTransitierapportage verzekeraars & ppi’s Q1-2026», dateren van 8 mei2026.Contact en signalen uit de sectorOok afgelopen periode heeft mijn ministerie met veel bij de pensioentran-sitie betrokken partijen, zowel op bestuursniveau als op werkvloerniveau,gesproken over de pensioentransitie in het algemeen en de wijze waaropdeelnemers hierbij worden betrokken in het bijzonder. Mijn gespreks-2Kamerstukken II, 2025–2026, 36 915 XV nr. 14.3Kamerstukken II, 2025–2026, TZ202602-011.4Kamerstukken II, 2025–2026, TZ202602-012.5Kamerstukken II, 2022–2023, 36 067, nr. 191.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7142 partners hebben hun ervaringen, vragen en knelpunten gedeeld enhebben meegedacht over het zo goed mogelijk laten verlopen van detransitie. Ik wil ze opnieuw bedanken voor hun betrokkenheid enopenheid. En uiteraard blijf ik ook de komende tijd openstaan voorsignalen uit de uitvoeringspraktijk.De sector kan dergelijke signalen delen [email protected] of de ambtenaren van mijn ministerieaanspreken tijdens werkbezoeken, congressen en seminars in hetpensioendomein.LeeswijzerIn deze voortgangsrapportage vindt u allereerst de beleidsconclusies dieik trek op basis van de beschikbare (monitorings)informatie over de eerstehelft van 2026. Hoofdstuk 2 gaat in op de kleine werkgevers met eenverzekerde regeling. En in hoofdstuk 3 geef ik mijn reactie op het adviesvan de regeringscommissaris. De voortgang van de transitie wordtgeschetst in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op deervaringen van de deelnemer met de pensioentransitie. Hoofdstuk 6 biedtinzicht in de stand van zaken omtrent de (voorgenomen) wet- enregelgeving. In de bijlage 1 achteraan deze voortgangsrapportage vindt ude wijze waarop invulling is of wordt gegeven aan de moties en toezeg-gingen die betrekking hebben op het verloop en de monitoring van detransitie naar het nieuwe pensioenstelsel.Tot slot bevat deze brief een rectificatie van enkele tabellen uit de briefmet als onderwerp «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioen-fondsen».6 In het onderzoek naar de rendementen van Nederlandsepensioenfondsen van 8 juni jl. zijn bij de drie tabellen enkele getallenonjuist overgenomen vanuit de jaarverslagen. Het gemiddelde rendementstijgt daardoor licht na deze correctie. In bijlage 2 aan het einde van dezevoortgangsrapportage worden de aangepaste tabellen weergegeven.Daarnaast zijn in tabel 3 de indexaties die vanwege de versoepeldeindexatieregels rond half 2022 plaatsvonden, meegenomen in deindexatiecijfers voor 2022 in plaats van 2021, conform de dataset vanDNB.1. Beleidsconclusies Cruciale fase op weg naar einddatum transitie op 1 januari 2028De pensioentransitie is in volle gang, de pensioensector werkt hard aanhet tijdig omzetten van alle pensioenregelingen. Veel deelnemers bouweninmiddels pensioen op in een nieuwe regeling of gaan dat op kortetermijn doen. De betrokken partijen die nog geen nieuwe pensioenre-geling overeen zijn gekomen en/of nog geen transitiedatum met bijbe-horend tijdspad hebben vastgelegd, zullen het komende anderhalf jaarkeuzes moeten maken en de daaruit voortvloeiende stappen moetenzetten. Op die manier kunnen alle pensioenregelingen per 1 januari 2028omgezet zijn naar een (nieuwe) premieregeling.Er zijn partijen, zowel aan de kant van de pensioenfondsen als aan de kantvan de verzekeraars en PPI’s, die op het kritieke tijdspad lopen. Waar dezepartijen momenteel nog knelpunten ervaren, doen zij er alles aan om dezetijdig te adresseren. De monitoring van SZW richt zich de komendeperiode specifiek op deze knelpunten en partijen. Daarnaast wordt aan dekant van de pensioenfondsen onder andere bezien in hoeverre de in het6Kamerstukken II, 2026–2026, 32 043, nr. 712.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7143 komende half jaar geplande transities doorgang vinden, hoe het transitie-proces van de pensioenfondsen die voornemens zijn om in 2027 in tevaren verloopt en hoe de groep pensioenfondsen die per 1 januari 2028invaart naar het nieuwe pensioenstelsel is samengesteld. Aan de kant vande verzekeraars en PPI’s wordt aan de hand van kwartaalcijfers bezien inhoeverre werkgevers hun pensioenregeling hebben omgezet en hoe deplanning van de nog om te zetten regelingen zich ontwikkelt.Deze monitoringsinformatie alsmede de adviezen van de regeringscom-missaris vormen de basis waarmee op de geëigende weegmomenten, teweten de winter- en zomerrapportage 2027, door mij als Minister van SZWna consultatie van de toezichthouders wordt bezien hoe de transitieervoor staat en/of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de transitietijdig te realiseren. Uw Kamer wordt hier aan de hand van de voortgangs-rapportages over geïnformeerd.Pensioenfondsen bevinden zich in verschillende fases van detransitiePensioenregelingen moeten in de periode tussen de inwerkingtreding vande Wtp en de uiterste transitiedatum omgezet zijn naar het nieuwe stelsel.Dat leidt ertoe dat pensioenfondsen zich momenteel in verschillende fasesvan de transitie bevinden. De eerste vier pensioenfondsen/-kringen die inde eerste helft van 2025 zijn ingevaren, opereren inmiddels anderhalf jaarin het nieuwe stelsel. Zij doen nu ervaring op met de premieregeling,onder andere op het gebied van communiceren met de deelnemer in hetnieuwe stelsel. Daarnaast hebben 30 pensioenfondsen het afgelopen jaarde overstap gemaakt. De deelnemers van deze pensioenfondsen/-kringenhebben recent of ontvangen binnenkort de definitieve transitie-informatie.En deze pensioenfondsen/-kringen zijn bezig met het verzorgen van denazorg. Op 1 juli zijn er nog eens acht pensioenfondsen/ -kringenovergestapt. Daarmee hebben op 1 juli in totaal ruim 10 miljoen actievedeelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden (hierna:deelnemers) die de overstap gemaakt.7, 8 Dat is 55% van het totaal aantaldeelnemers van pensioenfondsen.De overige pensioenfondsen/-kringen (98) treffen momenteel voorberei-dingen voor een overgang in de komende anderhalf jaar. De meestepensioenfondsen/-kringen hebben de transitiedatum al vastgelegd encirca de helft heeft het implementatieplan reeds ingediend. Een ander deelmoet deze keuzes nog maken en zal de komende tijd dan ook knopenmoeten doorhakken, zodat zij tijdig (12 maanden voor invaren) eenmelding bij DNB kunnen doen en de transitie tijdig kan worden gereali-seerd. Met name voor pensioenfondsen die te maken hebben metbijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld met een pensioenuitvoeringsor-ganisatie (PUO) die heeft aangegeven de nieuwe regeling niet meer uit tevoeren, zullen rekening moeten houden met de resterende tijd tot deuiterste transitiedatum. Het betreft minder dan 10 pensioenfondsen.Hoewel in deelnemersaantal relatief beperkt, zien ook deze pensioen-fondsen zich gesteld voor de opgave om in de komende periode daar opgepaste wijze op in te spelen. Met betrokken instanties zal ik ditnauwlettend volgen en betrekken in de weging voor tijdige maatregelenzodat álle deelnemers op beheerste wijze de stap naar het nieuwe stelselkunnen zetten.7Het relatief hoge aantal deelnemers is toe te schrijven aan het feit dat personen gemiddeld bijongeveer twee pensioenfondsen deelnemer zijn.8Wtp-uitvraag van Q2-2026, De Nederlandsche Bank in combinatie met bericht: Invaarklas van 1juli 2026 heeft beschikking van DNB binnen | Pensioen ProTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7144 Werkgevers moeten samen met hun adviseur keuzes maken, PPI’sen verzekeraars kunnen hen daarbij ondersteunen, motiveren enactiverenBetrokken partijen zijn, mede als gevolg van eerdere oproepen, snel aande slag gegaan en boeken vooruitgang. Steeds meer werkgevers hebbeneen contract dat past binnen de kaders van de Wtp. Om daaraan tevoldoen hebben zij hun contract omgezet, dat kan zowel bij de huidige alsbij een nieuwe pensioenuitvoerder.9 Tegelijkertijd moet er ook nog veelgebeuren en is het belangrijk om alle zeilen bij te zetten om ervoor tezorgen dat alle regelingen op tijd, uiterlijk per 1 januari 2028, zijn omgezet.Het aantal regelingen uitgevoerd door verzekeraars en PPI’s dat isomgezet of waarvoor een nieuw contract is overeengekomen, neemt toeen kwam per 1 januari 2026 in totaal uit op 32%. Uitgesplitst naarverzekeraars en PPI’s komt dat neer op 26% respectievelijk 45%.10, 11 Datbetekent dat tot 1 januari 2028 nog zo’n 44.000 contracten omgezetmoeten worden om te voldoen aan de nieuwe pensioenregels. Daarnaastis te zien dat verzekeraars en PPI’s hun processen op orde hebben en zij instaat zijn de benodigde opschaling te realiseren om de grotere hoeveel-heden contracten te verwerken. Daarbij vervullen zij ook een belangrijkerol in het ondersteunen, motiveren en activeren van werkgevers en hunadviseurs bij het maken van keuzes. Werkgevers dienen nu door tepakken. Dit vraagt een gezamenlijke inzet van werkgeversorganisaties,adviseurs, verzekeraars en PPI’s.Sinds vorig jaar zomer wordt daarom door SZW samen met betrokkenpartijen ingezet op het activeren van werkgevers om zo snel mogelijk aande slag te gaan met het omzetten van hun pensioenregelingen. Inhoofdstuk 2 van deze voortgangsrapportage wordt uitgebreid ingegaanop de acties die daartoe worden ingezet. Het niet tijdig omzetten van depensioenregeling leidt tot grote financiële gevolgen voor de werkgever enwerknemer. Dit vraagt blijvende inzet van alle betrokken partijen. Omvinger aan de pols te houden en tijdig te kunnen bijsturen waar nodig isde monitoring van het aantal (nog) om te zetten contracten bij verzeke-raars en PPI’s geïntensiveerd, conform de toezegging gedaan aan uwKamer.Deelnemers tevreden over communicatie van hun pensioenuit-voerderHet vertrouwen van Nederlanders in het pensioenstelsel is stabiel enwordt als neutraal geclassificeerd. Met het vorderen van de transitiehebben steeds meer mensen gehoord van de pensioentransitie. Negen opde tien deelnemers zeggen gehoord te hebben van de nieuwe pensioen-regels, zo blijkt uit de deelnemersmonitor, en noemen daarbij vooral(televisie)nieuws en hun pensioenfonds of -verzekeraar als bron. Zij zijndaarbij tevreden over hun eigen pensioenuitvoerder. De nieuwe pensioen-regeling biedt deelnemers een persoonlijker en transparanter pensioendat eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen en beter9In de uitvraag van DNB is geen nader onderscheid gemaakt van de nieuwe contracten. Nieuwecontracten kunnen onder andere ontstaan als een werkgever met een bestaande regeling kiestvoor een andere pensioenuitvoerder of als een werkgever die niet eerder een pensioenregelinghad een contract afspreekt (naar verwachting een klein aandeel).10In deze cijfers zit ook de omzetting van contracten bij verzekeraars naar contracten bij PPI’s envice versa. Aangezien PPI’s initieel een kleinere portefeuille hadden dan verzekeraars, is er bijverzekeraars mogelijk sprake van een onderschatting en bij PPI’s van een overschatting vanhet percentage omzettingen.11Aangezien per abuis de data van één PPI (deels) zijn opgenomen bij verzekeraars ontstaat ereenmalig een lichte verschuiving. Bij de volgende rapportage wordt dit gecorrigeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7145 aansluit bij de samenleving en de arbeidsmarkt. Dit blijkt ook uit dedeelnemersmonitor (paragraaf 5.3). In de deze monitor geven deelnemersdie zijn aangesloten bij pensioenfondsen en zijn overgestapt, vaker aan deinformatievoorziening als transparant en persoonlijk te ervaren.Tot op heden heeft de transitie bij de ingevaren pensioenfondsen inalgemene zin geleid tot een behapbare toename in het aantal contactenvan deelnemers met hun pensioenfonds. Ook het aantal klachten engeschillen bij de GIP en het Kifid, en het aantal zaken bij de Raad voor deRechtspraak (RvdR) is stabiel. Dit betekent niet dat deelnemers geenvragen of zorgen hebben. Zo is het aantal vragen van deelnemers aan depensioenuitvoerder, bijvoorbeeld over het onderwerp compensatie,toegenomen. Daar speelt de sector op in, zoals bijvoorbeeld blijkt uit derapportage «Dialoog en communicatie over de overstap» van dePensioenfederatie (bijlage 6). Ook mijn ministerie heeft de afgelopenperiode aandacht besteed aan het compensatievraagstuk via pensioendui-delijkheid.nl en zal dit blijven doen.Met de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel wordt de bestaandebuffer van het pensioenfonds verdeeld. Per 1 januari 2026 is meer dan dehelft van de werkenden en gepensioneerden overgegaan naar hetvernieuwde pensioenstelsel. In de voortgangsrapportage monitoring Wtpwinter 2026 is de geschatte pensioenverhoging van de per 1 januari 2026invarende pensioenfondsen/-kringen gedeeld.12 Inmiddels zijn dedefinitieve cijfers bekend en zoals toegezegd wordt u daar hierbij overgeïnformeerd. De verhoging varieert per pensioenfonds en in sommigegevallen per leeftijdscategorie. Uit cijfers van de Pensioenfederatie opbasis van acht pensioenfondsen die op 1 januari 20226 zijn ingevaren,blijkt dat de pensioenen van ruim 1 miljoen gepensioneerden per 1 januari2026 met gemiddeld 13,5% zijn verhoogd.13, 14 Dit is in lijn met de eerdergeschatte verhoging. Ook de pensioenvermogens van actieve en gewezendeelnemers zijn in dezelfde orde van grootte verhoogd.2. (Kleine) werkgevers met een verzekerde regeling De transitie voor verzekerde regelingen uitgevoerd door verzekeraars enPPI’s bleef, zoals in de vorige voortgangsrapportage geconcludeerd,achter.15 Werkgevers met een verzekerde regeling werden opgeroepen omspoedig in actie te komen om deze regelingen tijdig (uiterlijk per 1 januari2028) om te zetten zodat deze voldoen aan de nieuwe regels.Per 1 januari 2026 moeten nog circa 33.000 pensioenregelingen bijverzekeraars en ruim 11.000 regelingen bij PPI’s worden omgezet naar hetnieuwe pensioenstelsel. Dit betekent dat nog een aanzienlijk deel van deportefeuille in een relatief korte tijd moet worden omgezet. Hoewelvoortgang wordt geboekt, ligt het tempo van de omzetting nog onder hetniveau dat nodig is. Uit de meest recente uitvraag onder verzekeraars enPPI’s blijkt bovendien dat de omzettingen sterk geconcentreerd zijn in delaatste kwartalen van de transitieperiode (zie paragraaf 4.2 voor eennadere toelichting bij deze cijfers). Dit vergroot de druk op de uitvoerings-praktijk en verhoogt het risico op capaciteitsknelpunten bij adviseurs enuitvoerders.12Kamerstukken II, 2025–2026, 32 043, nr. 69413Persbericht Pensioenfederatie (26/2/26): Ruim 1 miljoen pensioenuitkeringen omhoog14Bij pensioenfondsen waar de wijziging van de pensioenuitkering varieert, is de wijziging voor67-jarigen vermeld.15Kamerstukken II, 2025–2026, 32 043, nr. 694.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7146 Om deze situatie te verbeteren, werkt mijn ministerie sinds de zomer van2025 samen met VNO-NCW en MKB-Nederland, FNV, Verbond vanVerzekeraars en Adfiz onder de titel: «Actie Pensioenen Kleinbedrijf(APK)». Het doel is om (gezamenlijke) acties op te zetten om samen metadviseurs en verzekeraars, werkgevers te activeren om zo snel mogelijkaan der slag te gaan met het omzetten van hun pensioenregelingen.Interventies onder de APK-aanpakDe betrokken partijen hebben zich gecommitteerd aan deze gezamenlijkeaanpak. Deze aanpak komt aanvullend op de inzet die individuele partijenafzonderlijk plegen. De gezamenlijk aanpak bestaat uit de volgendeonderdelen:Gerichte communicatie richting werkgeversEr is een communicatieaanpak gericht op kleine werkgevers in sectorenmet relatief veel verzekerde pensioenregelingen. Waar in eerdere fases denadruk vooral lag op het activeren van werkgevers om tijdig in actie tekomen, is de communicatie in de huidige fase geïntensiveerd. Zo is in juniopnieuw een activeringsaanpak ingezet richting werkgevers. De ingezettecommunicatie had een potentieel maandbereik van circa 1,6 miljoen.16 Indeze communicatie werden werkgevers expliciet gewezen op de financiëleen fiscale gevolgen van niet-tijdige omzetting.Activering via intermediairsWerkgevers worden actief bereikt via intermediairs die in direct contactstaan met kleine werkgevers, zoals (register)accountants, belastingadvi-seurs en boekhouders. De brancheverenigingen/beroepsorganisatiesinformeren hun leden gericht, zodat zij werkgevers in reguliere contact-momenten (zoals jaarrekeningcontrole en belastingaangifte) explicietkunnen wijzen op de noodzaak van tijdige omzetting. Er worden informa-tiedocumenten verstrekt, met concrete handvatten voor kleine werkgeverswaarin de acties en een bijbehorend stappenplan staan dat zij kunnenhanteren om hun regelingen tijdig om te zetten. Zo heeft de NederlandseBeroepsorganisatie van Accountants samen met mijn ministerie eenone-pager gemaakt die bondig weergeeft wat de rol van demkb-accountant hierin kan zijn.17Directe benadering naar werkgevers en werknemersEr zijn gezamenlijke sectorafspraken gemaakt met verzekeraars en PPI’sover de aanpak in de resterende transitieperiode. Deze afspraken voorzienin een stapsgewijze intensivering van de benadering van werkgevers dienog onvoldoende voortgang boeken, met als doel een tijdige afrondingvan de transitie te bevorderen.Concreet hebben verzekeraars en PPI’s zich gecommitteerd om uiterlijk inhet voorjaar van 2027, aanvullend op het reguliere traject via pensioenad-viseurs, rechtstreeks contact op te nemen met werkgevers die nogonvoldoende stappen hebben gezet richting omzetting van de pensioenre-geling. Dit betreffen vooral werkgevers waarvan het huidige contract ookna 1 januari 2028 zou doorlopen en werkgevers die beschikken overpensioencontracten van onbepaalde tijd. Deze werkgevers krijgen een16https://news.pressmailings.com/hvdm/persbericht-start-voor-1-juli-met-omzetting-van-de-pensioenregeling-voor-uw-bedrijf17https://www.nba.nl/tools-en-ondersteuning/publicaties/2026/pensioentransitie-mkb-accountant/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7147 laatste expliciete aansporing om hun pensioenregeling nu aan te passen.Daarbij wordt ook gewezen op de gevolgen van het uitblijven van tijdigeomzetting, waaronder dat de uitvoering van de pensioenregeling niet kanworden voortgezet en dat daardoor het nabestaanden- en het arbeidson-geschiktheidspensioen voor de werknemers niet langer verzekerd is.Indien daarna nog steeds onvoldoende voortgang wordt geboekt, wordtkort daaropvolgend ook directe communicatie door de uitvoerdersrichting werknemers ingezet. Zij worden daarbij geïnformeerd over degevolgen voor hun pensioenregeling en kunnen hierover het gesprek methun werkgever aangaan.Aanvullende inzet van partijenAlle betrokken partijen nemen verantwoordelijkheid om de pensioentran-sitie tijdig te realiseren en zetten zich op verschillende wijzen in omwerkgevers te activeren. Dit leidt, bovenop de hierboven beschreveninterventies uit de gezamenlijke aanpak, tot een breed palet aan aanvul-lende initiatieven gericht op het informeren, ondersteunen en activerenvan werkgevers. Hieronder worden enkele daarvan toegelicht.Om werkgevers zich bewuster te laten worden van de urgentie om tijdigin actie te komen en zij de noodzaak voelen om het proces om de regelingtijdig om te kunnen zetten nu in gang zetten, is hier onder meer viapublicaties in landelijke media en aandacht in branche- en vakmediaaandacht voor gevraagd. Zo hebben bijvoorbeeld de regeringscommis-saris en de (voormalig) voorzitter van MKB-Nederland een gezamenlijkopiniestuk gepubliceerd waarin de noodzaak van tijdige omzettingpubliekelijk is benadrukt.18VNO-NCW, MKB-Nederland en Adfiz hebben een urgentiebrief verspreidonder hun leden. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft allepensioenadviseurs een brief gestuurd om de urgentie van de transitie ende verantwoordelijkheid die zij daarin dragen onder de aandacht tebrengen. Verzekeraars en PPI’s intensiveren hun inzet om werkgevers enadviseurs gericht te informeren en te ondersteunen bij de tijdigeomzetting van pensioenregelingen. Daarnaast worden vanuit verschil-lende organisaties online en fysieke bijeenkomsten georganiseerd omwerkgevers en adviseurs te informeren en handelingsperspectief tebieden. Ook zijn VNO-NCW en MKB-Nederland opnieuw gestart met eenvoucherregeling waarmee werkgevers tot € 555 aan advieskosten kunnenterugvragen voor het Wtp-proof maken van hun pensioenregeling.19Monitoring en vervolgDe voortgang van de transitie van regelingen uitgevoerd door verzeke-raars en PPI’s wordt inmiddels vier keer per jaar gemonitord. Hierdoorontstaat een actueel beeld van de ontwikkeling van de omzettingen. Ditmaakt het mogelijk zo nodig aanvullende maatregelen te treffen of deaanpak bij te sturen als dat nodig blijkt.Ik blijf de voortgang en de arbeidsvoorwaardelijke keuzes die wordengemaakt nauwgezet volgen. Daarbij blijft het tempo van de omzettingennadrukkelijk een aandachtspunt.18https://www.telegraaf.nl/opinie/regeringscommissaris-en-mkb-voorman-slaan-alarm-oude-dag-kan-rampzalig-uitpakken-als-de-baas-pensioendeadline-mist/125032324.html19https://www.ondernemen.nl/hetnieuwepensioen/tegemoetkoming-verzekerde-regelingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7148 3. Advies van de regeringscommissaris Gedurende de pensioentransitie brengt de regeringscommissaristenminste tweemaal per jaar onafhankelijk advies uit over de voortgangvan de transitie. Op 18 juni 2026 heeft zij haar vijfde reguliere adviesuitgebracht. Het advies is gebaseerd op een combinatie van monitorings-informatie en een reeks van gesprekken die zij in de pensioensector heeftgevoerd. In deze voortgangsrapportage maak ik dankbaar gebruik vanhaar advies.In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op een aantalspecifieke observaties en thema’s die de aandacht vragen. Ook wordtstilgestaan bij het advies over de uiterste transitiedatum, 1 januari 2028.Specifieke observaties en thema’sPensioenregelingen uitgevoerd door verzekeraars en PPI’sVan de contracten die omgezet moeten worden bij verzekeraars en PPI’s isop de peildatum van 1 januari 2026 respectievelijk 26% en 45% omgezet.Daarnaast is te zien dat er qua aantal omzettingen zowel een piek op1 januari 2027 als op 1 januari 2028 wordt verwacht. Gezien het feit datcontracten veelal op 1 januari van een jaar aflopen, is dat ook een logischbeeld. In paragraaf 4.2 van deze voortgangsrapportage wordt naderingegaan op de onderliggende cijfers. De grootste zorg van de regerings-commissaris richt zich op de groep werkgevers die nog niet in actie zijngekomen. En ook de groep werkgevers die inmiddels geen adviseur meerhebben, vraagt om aandacht. Het risico dat de (nieuwe) adviseurs hen nietmeer tijdig kunnen bedienen, neemt toe.De regeringscommissaris geeft aan dat het aantal adviseurs beperkt is enmaatwerk in advisering kan helpen de werklast voor adviseurs teverminderen. Een adviestraject op maat kan immers het aantal adviesurenverminderen en daardoor mogelijk ook de kosten laag houden. Dit kandrempelverlagend werken, met name voor kleine werkgevers. Ik roep desector dan ook op om hier waar mogelijk gebruik van te maken. Daarnaastondersteunt de regeringscommissaris de gecoördineerde aanpak van debetrokken partijen, zoals in hoofdstuk 2 van deze voortgangsrapportagebeschreven. Deze aanpak kan bijdragen aan het realiseren van hetomzetten van contracten. In lijn met het advies van de regeringscommis-saris zal ik samen met de betrokken partijen de gecoördineerde actievoortzetten en blijven zoeken naar manieren om werkgevers te onder-steunen en te activeren. Dit om te voorkomen dat werkgevers niet tijdig inactie komen, waardoor de werknemers en de werkgevers, zoals toegelichtin haar advies, te maken krijgen met grote (fiscale) consequenties.Pensioenregelingen uitgevoerd door pensioenfondsenWanneer de transitie volgens planning blijft verlopen zal medio 2027 96%van de deelnemers met een regeling uitgevoerd door een pensioenfondsover zijn naar het nieuwe pensioenstelsel. Dat is een enorme prestatie vande bij de transitie betrokken partijen. In paragraaf 4.1 wordt hier nader opin gegaan. De pensioenfondsen die de transitie nog moeten maken,kunnen hun voordeel doen met de ervaringen van eerder ingevarenpensioenfondsen, de ervaring van hun adviseur of van hun PUO indiendeze de transitie al eens heeft doormaakt. Dit kan leiden tot eenversnelling die nodig is om de transitie als geheel tijdig af te ronden.Daarbij verwacht de regeringscommissaris dat naarmate een transitiegeautomatiseerd en zonder «work-arounds» plaatsvindt, de hoeveelheidnawerk afneemt. Een aantal pensioenfondsen is geconfronteerd met hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7149 feit dat hun PUO gaat stoppen. Om de transitie tijdig af te kunnen ronden,moeten zij rond de zomer van 2026 een keuze maken voor een andereuitvoeringsmodaliteit. De regeringscommissaris heeft goede hoop dat ditop tijd gaat lukken. Ik onderschrijf het belang hiervan en roep partijen op,voor zover zij dat nog niet doen, om keuzes te maken zodat zij tijdig overkunnen naar het nieuwe pensioenstelsel.ToezichthoudersDNB en AFM beschikken over voldoende capaciteit om de implementatie-respectievelijk communicatieplannen te beoordelen. DNB gaat, met hetoog op de resterende transitieperiode, strenger toezien op het tijdigaanleveren van implementatieplannen in het laatste jaar. Dat betekent datDNB verwacht dat de plannen uiterlijk 12 maanden voor de beoogdetransitiedatum ter toetsing aan DNB zijn ingediend. Om de beoordelingensoepeler te laten verlopen, investeert DNB in het verspreiden van kennisover wat wordt verwacht in het kader van de beoordeling en organiseerthiervoor onder andere samen met de Pensioenfederatie zogeheten «rondetafels».Ook de AFM is toegerust om de komende tijd de beoordelingen uit tevoeren. De kwaliteit van de communicatieplannen is voldoende, maar eris nog ruimte voor verbetering. Ook ziet de AFM nog een wisselendekwaliteit van de (prognose) transitieoverzichten. In hoofdstuk 5 van dezevoortgangsrapportage ga ik uitgebreid in op de ervaringen vandeelnemers met de transitie. Ik roep pensioenfondsen, verzekeraars enPPI’s op hun transitieoverzichten te verbeteren door gebruik te maken vande informatie die ter beschikking wordt gesteld door de Pensioenfederatieen de AFM.20 Op die manier verbetert de deelnemersinformatie.Uiterste transitiedatumDe regeringscommissaris constateert dat er met volle kracht wordtdoorgewerkt om de uiterste transitiedatum te halen. Zij geeft aan dat dehierbij betrokken partijen voldoende tijd hebben, maar dat sommigepartijen wel op het kritieke pad zitten. Alles afwegend ziet de regerings-commissaris geen aanleiding te adviseren de uiterste transitiedatum teverschuiven. In het voorjaar van 2027 zal duidelijk worden in hoeverre deop 1 januari 2027 geplande transities gerealiseerd zijn. Dat is dan ook deperiode waarin bezien wordt in hoeverre de transitie op 1 januari 2028volledig gerealiseerd kan worden. In navolging van het advies van deregeringscommissaris zal ik dan ook op de aankomende weegmomenten,begin en medio 2027, na overleg met de toezichthouders bezien hoe detransitie ervoor staat en/of er aanvullende maatregelen nodig zijn om detransitie tijdig te realiseren. Het advies van de regeringscommissaris isdaarbij van groot belang.Ook zal ik in lijn met het advies van de regeringscommissaris samen metde betrokken partijen de komende tijd gebruiken om oplossingsrichtingente verkennen zodat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deelnemers temaken krijgen met verregaande fiscale consequenties.20AFM - TransitieoverzichtenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71410 4. Voortgang transitie De pensioentransitie is op stoom. De sector bevindt zich in verschillendefases van de transitie:–De eerste groep pensioenuitvoerders heeft in de afgelopen drie jaar detransitie gerealiseerd en doet nu ervaring op in het nieuwe pensioen-stelsel.–De tweede groep is momenteel de voorbereidingen aan het treffen omde transitie op de voorgenomen transitiedatum te realiseren.–De derde groep, met name bestaande uit verzekeraars en PPI’s, heeft aleen deel van de transitie gerealiseerd, maar wacht voor het overigedeel nog op besluiten van de werkgevers. Zoals in hoofdstuk 2 isbeschreven zetten adviseurs, verzekeraars en PPI’s in op het onder-steunen, motiveren en activeren van werkgevers.–De vierde groep, bestaande uit zowel pensioenfondsen als verzeke-raars en PPI’s, moet in de resterende tijd tot 1 januari 2028 hard aan deslag om tijdig over te stappen naar het nieuwe pensioenstelsel. Zijmoeten de komende tijd keuzes maken en in de resterende anderhalfjaar de benodigde stappen zetten.Dit hoofdstuk gaat achtereenvolgens in op de stand van de transitie bijpensioenfondsen en verzekeraars en PPI’s (paragraaf 4.1 en 4.2), de kostendie met de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel gepaard gaan(paragraaf 4.3), het compensatievraagstuk (paragraaf 4.4) en de transitie-commissie (paragraaf 4.5).4.1 Pensioenfondsen Pensioenfondsen bevinden zich momenteel in verschillende fases van detransitie. De eerste vier pensioenfondsen/-kringen zijn in de eerste helftvan 2025 ingevaren en zij opereren inmiddels in het nieuwe stelsel.Daarnaast hebben 38 pensioenfondsen/-kringen het afgelopen jaar deoverstap gemaakt. De deelnemers van deze pensioenfondsen hebbenrecent of ontvangen binnenkort de definitieve transitie-informatie. En eenaantal pensioenfondsen is bezig met het verzorgen van de nazorg. Uit detransitiemonitor blijkt dat partijen aangeven dat het nazorgtrajectwerkbaar en beheerst verloopt. Een belangrijke succesfactor die daarbijwordt genoemd, is een goede en tijdige voorbereiding. Op 1 juli zijn ernog eens acht pensioenfondsen/-kringen overgestapt.Per 1 juli 2026 heeft DNB in totaal 43 invaarbesluiten goedgekeurd. Intotaal zijn inmiddels 42 pensioenfondsen ingevaren, goed voor ruim 10miljoen deelnemers. Dit komt neer op 55% van het totaal aantaldeelnemers dat overgaat naar het nieuwe pensioenstelsel.Van de fondsen die uiterlijk 30 juni 2027 willen invaren, hebben 41 van de42 pensioenfondsen/-kringen een invaarmelding ingediend bij DNB. Eénvan deze fondsen heeft inmiddels ook de beschikking van DNBontvangen.InvaardataEr zijn, zoals te zien in figuur 2, pensioenfondsen/-kringen die sinds devorige rapportage hun voorgenomen invaardatum (verder) hebbenverschoven en/of in deze periode hebben vastgesteld. Daarmee neemt hetaantal pensioenfondsen/-kringen dat op de uiterste transitiedatum vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71411 1 januari 2028 invaart toe tot 33 pensioenfondsen/-kringen.21 Dat komtongeveer neer op 570.000 deelnemers. 1 januari 2027 is op dit momentqua aantal pensioenfondsen/-kringen het meest voorkomende transitie-moment. Tot slot vaart een beperkt aantal pensioenfondsen niet in. Daarzijn zoals in een vorige voortgangsrapportage toegelicht verschillenderedenen voor.22Partiële beoordelingenZodra DNB een invaarmelding ontvangt, start het beoordelingsproces.Voorafgaand aan de invaarmelding kunnen pensioenfondsen om hetinvaarproces soepeler te laten verlopen een partiële beoordelingaanvragen. Dit geeft een pensioenfonds helderheid van DNB overdeelonderwerpen waarover de besluitvorming door de betrokken partijenal is afgerond. Een partiële beoordeling kan gericht zijn op datakwaliteit,het contract en de risicohouding. Dit leidt tot spreiding van transitiewerk-zaamheden in de tijd. Op het moment van de DNB-uitvraag hebben 68unieke pensioenfondsen/-kringen gezamenlijk 113 partiële beoordelingenaangevraagd. Hiervan zijn er inmiddels 90 afgerond.23OverbruggingsplanTevens dient opgemerkt te worden dat vanaf de inwerkingtreding van deWtp tot aan het moment van invaren een overgangsfase geldt. Hetfinancieel toetsingskader pensioenfondsen (FTK) is hiervoor, alsonderdeel van het Wtp-wetstraject, gedurende de overgangsfase tijdelijkaangepast. Om van het gewijzigde FTK gebruik te kunnen maken, dienteen pensioenfonds een concreet en haalbaar overbruggingsplan terinstemming in bij DNB. Op die manier kan het pensioenfonds/-kring, voorzover relevant, afzien van het jaarlijks indienen van een herstelplan en zijnde bestaande wettelijke voorwaarden voor toeslagverlening deels niet vantoepassing. Pensioenfondsen/-kringen die hun invaarmelding nog niethadden ingediend, hadden tot 1 april 2026 de tijd om een overbrug-gingsplan in te dienen. In totaal hebben 7 pensioenfondsen/-kringen eenoverbruggingsplan ingediend voor 2026.21Een pensioenfonds/kring heeft nog geen datum om in te varen vastgesteld.22Kamerstukken II, 2024–2025, 32 043, nr. 687.23DNB, Wtp-uitvraag voor pensioenfondsen Q2-2026Figuur 2: Invaardata Pensioenfondsen11 Datum 8 mei 2026. De 28 fondsen die in H1 2026 zijn overgegaan, zijn niet allemaal ingevarenop 1 januari. Dit wordt gespreid in een periode tussen 1 januari 2026–30 juni 2026. Hetzelfdegeldt voor de fondsen die in H2 van een jaar invaren, dit is de periode tussen 1 juli–31 december.Bron: Wtp-uitvraag van Q2-2026, De Nederlandsche BankTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71412 Arbeidsvoorwaardelijke afsprakenAangezien de arbeidsvoorwaardelijke fase voor pensioenregelingenuitgevoerd door pensioenfondsen per 1 januari 2025 afgerond diende tezijn, wordt in deze voortgangsrapportage niet nader ingegaan op de doorhen gemaakte arbeidsvoorwaardelijke afspraken. Hiervoor wordtverwezen naar de voorgaande voortgangsrapportages.Aan de Eerste Kamer is toegezegd jaarlijks informatie te verstrekken overde ontwikkeling van de pensioenpremies op basis van een jaarlijksepremierapportage van DNB.24 Omdat veel pensioenfondsen in 2026 zijnovergestapt naar de gewijzigde pensioenregeling, zijn er geen representa-tieve premiecijfers voor 2026 beschikbaar. In Box 1 wordt dit nadertoegelicht.Box 1: Premieontwikkeling PensioenfondsenIn 2026 zijn veel pensioenfondsen overgestapt naar de gewijzigdepensioenregeling. Dat leidt er toe dat er geen representatievepremiecijfers voor 2026 beschikbaar zijn. De premierapportagesworden ex-ante gerapporteerd. Voor 2026 is er alleen een premierap-portage bij de (nog) niet ingevaren fondsen uitgevraagd. Datbetekent dat er voor de ingevaren fondsen geen ex-ante premiege-gevens beschikbaar zijn voor 2026. Dit is onvoldoende representatiefom de ontwikkeling van de pensioenpremies voor de gehele sectorin kaart te brengen en te vergelijken met voorgaande jaren. Enbetekent dat voor het jaar 2026 de premieontwikkeling voor degehele sector alleen ex-post kan worden vastgesteld en pas, naindiening van de jaarstaten over 2026, vanaf 2027 beschikbaar is.DNB zal vanaf 2027 starten met een nieuwe premierapportage voorpensioenfondsen die zijn overgestapt op de gewijzigde pensioenre-geling, waardoor de premies ten behoeve van de premieontwik-keling weer ex-ante kunnen worden verstrekt. Conform detoezegging aan de Eerste Kamer wordt in 2027 weer informatieverstrekt over de ontwikkeling van de pensioenpremies, op basis vanonder andere deze nieuwe rapportage.4.2 Verzekeraars en PPI’s Uit de transitierapportage van DNB over verzekeraars en PPI’s over heteerste kwartaal van 2026 blijkt dat per 1 januari 2026 32% van het totaal bijverzekeraars en PPI’s om te zetten regelingen is omgezet. Uitgesplitst naarverzekeraars en PPI’s komt dat neer op 26% respectievelijk 45%.25, 26 Omhet contract aan te passen kan de werkgever het contract omzetten bijdezelfde pensioenuitvoerder of een nieuw contract afspreken bij dezelfdeof bij een andere pensioenuitvoerder.24Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet verlagingmaximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomenen het Belastingplan 2014 (novelle Witteveen, 33 847) is toegezegd de Eerste Kamer jaarlijks teinformeren over de ontwikkeling van de pensioenpremies op basis van de jaarlijkserapportage van De Nederlandsche Bank.25In deze cijfers zit ook de omzetting van contracten bij verzekeraars naar contracten bij PPI’s envice versa. Aangezien PPI’s initieel een kleinere portefeuille hadden dan verzekeraars, is er bijverzekeraars mogelijk sprake van een onderschatting en bij PPI’s van een overschatting vanhet percentage omzettingen.26Aangezien per abuis de data van één PPI (deels) zijn opgenomen bij verzekeraars ontstaat ereenmalig een lichte verschuiving. Bij de volgende rapportage wordt dit gecorrigeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71413 Figuur 3 geeft het aantal nieuwe contracten, het aantal reeds omgezettecontracten en het naar verwachting nog om te zetten contracten weer.27Hieruit blijkt dat tot 1 januari 2028 nog zo’n 44.000 contracten omgezetmoeten worden om te voldoen aan de nieuwe pensioenregels. Figuur 4laat zien hoe deze omzettingen naar verwachting over de resterendetransitieperiode per kwartaal zijn verdeeld. Van deze contracten zal circa63% naar verwachting gebruikmaken eerbiedigende werking.Verzekeraars en PPI’s geven aan dat de transitie van de verzekerderegelingen in hun ogen als geheel traag verloopt, met diverse gevolgenvoor planning en capaciteit.28 Ook geven zij aan dat de strakke tijdlijnenvan de transitie door de markt nog niet altijd voldoende worden gevoeld.Om werkgevers te activeren om deze omzetting ook daadwerkelijk tebewerkstelligen wordt sinds vorig jaar zomer ingezet op het activeren vanwerkgevers om zo snel mogelijk aan de slag te gaan met het omzetten vanhun pensioenregelingen. In hoofdstuk 2 van deze voortgangsrapportage ishier uitgebreid op ingegaan.27In de uitvraag van DNB is geen nader onderscheid gemaakt van de nieuwe contracten. Nieuwecontracten kunnen onder andere ontstaan als een werkgever met een bestaande regeling kiestvoor een andere pensioenuitvoerder of als een werkgever die niet eerder een pensioenre-geling had een contract afspreekt.28EY, Wtp Transitiemonitor zomerrapportage 2026.Figuur 3: Stand van zaken omzetting aantal contracten(In de uitvraag van DNB is geen nader onderscheid gemaakt van de nieuwe contracten. Nieuwecontracten kunnen onder andere ontstaan als een werkgever met een bestaande regeling kiestvoor een andere pensioenuitvoerder of als een werkgever die niet eerder een pensioenregelinghad een contract afspreekt.)Bron: Transitierapportage voor verzekeraars en PPI’s 2026Q1, De Nederlandsche BankTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71414 Arbeidsvoorwaardelijke afsprakenDe werkgever en de betrokken adviseur nemen in de arbeidsvoorwaarde-lijke fase het initiatief tot het maken van nieuwe pensioenafspraken.Vervolgens vragen zij daartoe één of meerdere offertes op bij hun huidigeen/of bij andere pensioenuitvoerders. Op 1 januari 2026 hadden ruim12.000 werkgevers met een pensioenregeling bij een verzekeraar één ofmeer offertes bij hun huidige pensioenuitvoerder uitstaan. Bij PPI’s gaathet om ruim 4.000 werkgevers. Meerdere verzekeraars, PPI’s en adviseursgeven aan dat de onderlinge afhankelijkheid in de keten een belangrijkrisico vormt bij de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Mededaarom wordt, zoals in hoofdstuk 2 beschreven, ingezet op het aansporenvan werkgevers om, samen met hun adviseur, tijdig te starten met detransitie. Het merendeel van de verzekeraars en PPI’s geeft daarbij aan dathet contact met de werkgever goed verloopt.Van de werkgevers met een pensioenregeling bij een verzekeraar of PPIkiest 37% voor een flexibele premieregeling en 63% voor een premie-uitkeringsovereenkomst. Zowel verzekeraars als PPI’s geven aan dat detotale premie voor het ouderdomspensioen in de meeste gevallen gelijkblijft. Bij verzekeraars is in 11% van de gevallen sprake van een verhogingen in 3% van een verlaging. Bij PPI’s liggen deze percentages op 22% en5%.Wat betreft het nabestaandenpensioen geven verzekeraars aan dat dit inalle gevallen zowel vóór als na de pensioendatum onderdeel uitmaakt vande nieuwe pensioenregeling. Bij PPI’s geldt dit voor 80% van de gevallen.In de overige 20% van de gevallen is uitsluitend een nabestaandenpen-sioen voor de pensioendatum opgenomen. De mediaan van hetnabestaandenpensioen ligt op 30% van het laatstverdiende salaris.Aangezien de komende tijd nog veel contracten moeten worden omgezet,wordt bovenstaande informatie over de gemaakte arbeidsvoorwaardelijkeafspraken in de komende periode verder aangevuld.Figuur 4: Verwachte omzettingen per kwartaal (aantal werkgevers)Bron: Transitierapportage voor verzekeraars en PPI’s 2026Q1, De Nederlandsche BankTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71415 4.3 Kosten In de eerdere voortgangsrapportages is uitgebreid in gegaan op decontext waarbinnen kosten worden gemaakt. Daarbij dient opgemerkt teworden dat kosten (vaak) samenhangen met opbrengsten en risicobloot-stelling. Tevens is ingegaan op de wijze waarop pensioenuitvoerdersverantwoording afleggen over de gemaakte kosten.Uit de meest recente transitiemonitor blijkt dat pensioenuitvoerders zeerverschillend reageren op de vraag naar de totale kosten die zij specifiek inhet kader van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel maken. Zo zijner pensioenuitvoerders die aangeven dat de kosten nog niet te bepalenzijn, beperkt zijn of dat zij daar geen uitspraken over doen. Ten behoevevan de komende voortgangsrapportage zal worden bezien of de vraag-stelling kan worden aangepast zodat een specifieker beeld van de met detransitie gepaard gaande kosten kan worden gegeven.De komende tijd worden de jaarverslagen van 2025, met daarin de kosten,opgesteld. Onder andere op basis van deze jaarverslagen publiceertactuarieel adviesbureau Bell, naar verwachting in het najaar van 2026, eenrapport over de uitvoeringskosten van alle pensioenfondsen. Hieroverwordt u in de volgende voortgangsrapportage monitoring Wtp (winter2027) geïnformeerd.4.4 Compensatie Een onderwerp waar de afgelopen periode veel aandacht voor is geweest,is de compensatie voor de afschaffing van de doorsneesystematiek.Hieronder ga ik eerst in op de afspraken die hierover zijn gemaakt, daarnaga ik in op de gesprekken die ik met sociale partners heb gevoerd naaraanleiding van diverse oproepen uit de Kamer.Van de werkgevers met een regeling uitgevoerde door een verzekeraar ofPPI kiest respectievelijk 64% en 60% voor eerbiedigende werking. Ditbetekent dat dat voor de werknemers die in dienst zijn op het moment vanoverstap naar het nieuwe pensioenstelsel, de stijgende premie blijftgelden. Er is bij eerbiedigende werking dus geen sprake van compensatie,omdat de regeling (zoals die was) geëerbiedigd wordt. Als er wel isgekozen om over te gaan van een progressieve premie naar een vlakkepremie dan is in 75% van de contracten uitgevoerd door verzekeraars enin 80% van de contracten uitgevoerd door PPI’s niet gekozen voorcompensatie binnen de pensioenregeling. In de overige gevallen is nogniet duidelijk of een compensatieregeling zal worden getroffen. Wanneerwel voor compensatie wordt gekozen, gebeurt dit meestal buiten depensioenregeling om, bijvoorbeeld in de vorm van extra brutoloon.Voor pensioenregelingen bij pensioenfondsen/-kringen die invaren naarde nieuwe pensioenregeling is in alle gevallen -al dan niet voorwaardelijk-sprake van een compensatieregeling voor het afschaffen van dedoorsneesystematiek.29 Niet alle deelnemers komen daarvoor inaanmerking, want de afschaffing van de doorsneesystematiek heeftimpact op specifieke leeftijdscohorten. In algemene zin kan gesteldworden dat naarmate de betreffende leeftijdscohorten meer «nadeelondervinden» van het afschaffen van de doorsneesystematiek, zij vakervoor compensatie in aanmerking komen. Compensatie vindt in 92% vande gevallen binnen de pensioenregeling plaats.3029Kamerstukken II, 2024–2025, 32 043, nr. 681.30Kamerstukken II, 2024–2025, 32 043, nr. 681.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71416 De leden Van Ark (CDA) en Patijn (Pro) hebben aandacht gevraagd voor degroep werknemers die het afgelopen jaar van baan zijn gewisseld ofbijvoorbeeld door het opnemen van mantelzorg geen of minder compen-satie ontvangen terwijl zij daar bij voortzetting van hun dienstverband welvoor in aanmerking zouden zijn gekomen. Zij hebben daarover een motieingediend.In navolging op de motie van de leden Van Ark (CDA) en Patijn (Pro) van18 mei 2026 heb ik overleg gevoerd met sociale partners over compensa-tieregelingen.31 Hieronder is een weerslag van dit overleg weergegeven.Tot slot heeft uw Kamer verzocht om te reageren op een burgerbrief overcompensatie. Mijn reactie staat in box 2.Weerslag gesprek met sociale partnersIn het Pensioenakkoord hebben kabinet en sociale partners afgesprokendat de zogenaamde doorsneesystematiek verdwijnt. Kort gezegd ontvingin het oude pensioenstelsel een jonge deelnemer «te weinig» opbouwvoor de ingelegde premie en een oudere deelnemer te veel. Het «nadeel»aan het begin van de carrière werd bij blijvende deelname aan debetreffende pensioenregeling goedgemaakt door een later, toekomstig«voordeel». Met de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel komt voordeelnemers in bepaalde leeftijdsgroepen dit toekomstige voordeel tevervallen. De omvang hiervan en daarmee de noodzaak voor compen-satie, is afhankelijk van de toekomstige pensioenopbouw van eendeelnemer in een specifieke pensioenregeling.32 Dit dient te wordenbezien in samenhang met het voordeel dat een deelnemer ondervindtdoor de overstap naar het nieuwe stelsel.33, 34 Dit wordt ook wel de«dubbele transitie» genoemd. Vanwege het regelingspecifieke karakter ende vereiste evenwichtigheid van de transitie als geheel, hebben kabinet ensociale partners in het Pensioenakkoord afgesproken dat decentralesociale partners bij de overgang naar het nieuwe stelsel oog moetenhebben voor eventuele compensatievraagstukken en daar zo nodigafspraken over moeten maken. En daarvoor was ruimte nodig; eenuniforme en wettelijk voorgeschreven compensatieregeling zou de ruimtebeperken om voor decentrale partijen tot uitvoerbare, regeling- ofsectorspecifieke afspraken te komen.Bij de totstandkoming van het Pensioenakkoord hebben kabinet en socialepartners gesproken over de mogelijkheid van één vaste transitiedatumwaarop alle pensioenregelingen tegelijkertijd naar het nieuwe stelselzouden worden overgezet. Een vaste transitiedatum bleek echter nietuitvoerbaar vanwege de piekbelasting in administratieve, IT- en financieelactuariële uitvoeringscapaciteit bij pensioenfondsen, PPI’s en verzeke-raars, maar ook bij grote PUO’s, de toezichthouders en adviseurs. Kabineten sociale partners hebben toen weloverwogen gekozen voor eenmeerjarige overgangstermijn om de kwaliteit van de transitie te kunnenwaarborgen.35 Hierdoor kan zich een dilemma voordoen. Namelijk dat hetkan voorkomen dat mensen die van baan wisselen deze compensatie niet31Kamerstukken II, 2025–2026, 36 915 XV, nr. 1432Kamerstukken II, 2025–2026, 32 043, nr. 70933Als er hoge buffers opgebouwd zijn dan worden die op transitiedatum verdeeld omdat er voorWtp-regelingen andere buffervereisten gelden. Dit wordt ook wel de «invaarbonus» genoemddie, anders dan voor toekomstig opbouwnadeel bedoelde compensatie, betrekking heeft op dein het verleden opgebouwde buffer. Naast actieve deelnemers komen ook gewezendeelnemers en gepensioneerden hiervoor in aanmerking.34De nieuwe pensioencontracten zorgen voor een evenwichtige verdeling van rendementen enrisico’s tussen deelnemers. Ook is transparanter wat wordt ingelegd en hoe dit vermogen zichontwikkelt35In de Kamerbehandeling van de Wtp is die termijn verlengd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71417 ontvangen omdat pensioenfondsen op verschillende momenten kunneninvaren in de nieuwe pensioenregeling. Dit speelt als mensen uit diensttreden, of ontslagen worden, voordat het oude pensioenfonds compen-satie heeft toegekend en bij de nieuwe baan in dienst gaan nadat hetnieuwe pensioenfonds de compensatie heeft toegekend. Het gaat hierbijom gevallen waarbij mensen overgaan naar een werkgever die isaangesloten bij een ander pensioenfonds met een andere transitiedatumen waarbij de compensatie niet gespreid, maar ineens toegekend wordt.36Compensatie ineens toekennen of spreidenSpreiden over een aantal jaar kan doelmatig zijn bijvoorbeeld bij een hogein- en uitstroom van deelnemers en als de compensatie met premie wordtgefinancierd. Anderzijds kan het juist voor de uitvoering beterbeheersbaar zijn om de compensatie ineens toe te kennen en ookwanneer er op transitiedatum een voldoende dekkingsgraad beschikbaaris. Bovendien kan een gespreide compensatieperiode voor bepaaldedeelnemers ook voor een langere periode de arbeidsmobiliteit beperkenof tot onduidelijkheid leiden. Daarom is besloten om geen vaste,meerjarige compensatieperiode verplichtend in de wetgeving vast teleggen en moeten werknemers tijdig in kennis worden gesteld overcompensatieregelingen en beoordelen of dit voor hun pensioenopbouwvan belang is wanneer zij beslissingen nemen over een nieuwe baan ofbijvoorbeeld minder uren werken. Uw Kamer vraagt terecht aandachtvoor dit dilemma. Hierover ben ik dan ook in gesprek gegaan met socialepartners, vanuit de gedeelde verantwoordelijkheid die kabinet en socialepartners hebben voor het Pensioenakkoord.De afspraken die decentrale sociale partners maken met elkaar over denieuwe pensioenregeling en de overstap, worden vastgelegd in eentransitieplan. Daarin worden de keuzes vastgelegd die ten grondslagliggen aan de wijziging van de pensioenovereenkomst en de wijze waaropwordt omgegaan met opgebouwde pensioenaanspraken en pensioen-rechten, alsmede de verantwoording waarom sprake is van eenevenwichtige transitie. Het transitieplan bevat in ieder geval de gemaakteafspraken over compensatie.37 De pensioenuitvoerder moet het transi-tieplan op zijn website beschikbaar stellen voor de deelnemer, gewezendeelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde.Informatie voor deelnemersAansluitend verstrekken pensioenfondsen, decentrale sociale partners enwerkgevers tijdig aan deelnemers informatie over de aankomendetransitie en ook over compensatie en de daaraan gestelde voorwaarden.De pensioenuitvoerder zorgt ervoor dat deze informatie deelnemersinzicht geeft in de gevolgen van belangrijke gebeurtenissen voor hetpensioen; mensen moeten goed geïnformeerd worden, zodat ze begrijpenwat compensatie betekent.38 De informatie moet deelnemers aanzetten totrelevante actie; in dit geval beslissen over een baanwissel, op basis vande pensioengevolgen en alle andere overwegingen die bij de nieuwe baaneen rol spelen, of als mensen voor de transitie overwegen tijdelijk mindergaan werken. Informatieverstrekking is daarmee een van de belangrijksteoplossingen voor het genoemde dilemma. Het ministerie zal in de36Het is wettelijk mogelijk om het toekennen van de compensatie aan het pensioenvermogenvan deelnemers te verdelen over een langere periode. In dat geval wordt compensatietoegekend in de maanden of jaren dat de compensatieregeling is afgesproken. Het gaat hierbijom een periode van maximaal tien jaar.37Pensioenwet artikel 150b.38Pensioenwet artikel 48.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71418 komende periode aanvullende communicatie intensiveren om mensennaar www.pensioenduidelijkheid.nl te leiden en te wijzen op eventuelegevolgen voor compensatie van arbeidsmarktgedrag. Maar ook zonder detransitie naar de Wtp heeft vrijwel elke baanwissel gevolgen voor depensioenen van mensen en moeten ze dit meenemen in de afweging.Fondsspecifieke aanpakOm met de compensatieregeling mensen te bereiken die door de transitietoekomstig opbouwnadeel ondervinden, zijn specifieke oplossingennodig. Zo worden er afspraken gemaakt over dispensatie van de nieuweregeling voor werkgevers die wisselen tussen fondsen. In de metaalsectorhebben de van nature al onderling verbonden fondsen PMT en PMEafspraken gemaakt om werkgevers dispensatie te kunnen geven. Zokunnen werknemers toegang behouden tot de compensatieregeling, ookals de werkgever vanwege werkingssfeer naar PMT zou moetenoverstappen. Deze aanpak is ook ter sprake gekomen in de recreatiesector.Specifiek BpfBOUW heeft afgesproken dat ook compensatie beschikbaaris voor mensen met flexibele contracten die voor en na de transitiedatumwel, maar op transitiedatum tijdelijk (en binnen een bepaalde termijn)geen pensioenopbouw hebben in de bouwsector. Voorbeelden vanmaatwerk zijn te zien in sociale plannen bij ontslag. In bepaalde gevallenwordt de mogelijkheid voor vrijwillige voortzetting van de pensioenre-geling alsnog geregeld als die er niet was, of er worden middelengevonden waarmee vrijwillige voortzetting betaald kan worden. Er zijnook sociale plannen waarin met het oog op compensatie, afgesproken isde ontslagdatum na de transitiedatum te laten vallen.39 Rond arbeidson-geschiktheid is te zien dat sociale partners in veel gevallen afsprakengemaakt hebben over (gedeeltelijke) premievrije voortzetting van depensioenopbouw, zodat arbeidsongeschikten actieve deelnemers zijn entoegang hebben tot de compensatieregeling.Overwegingen bij alternatievenBij de totstandkoming van het Pensioenakkoord en de behandeling vanhet Wetsvoorstel in de Eerste en Tweede Kamer zijn rond het afschaffenvan de zogenaamde doorsneesystematiek, en compensatie daarvoor,verschillende alternatieven bezien en gewogen. Steeds was de vraag hoede groepen die het nodig zouden hebben, bereikt konden worden. Deuitkomst is breed gedragen wetgeving waarin er bewust voor is gekozenom ruimte te laten aan de uitvoeringspraktijk. In het recente overleghebben sociale partners en ik gesproken over mogelijke alternatieven. Metsociale partners ben ik tot onderstaande overwegingen gekomen:–Het introduceren van nieuwe eisen aan compensatie-afspraken, al danniet bovenaf wettelijk opgelegd aan sociale partners en pensioenuit-voerders, zou leiden tot weer nieuwe, complexe uitvoeringsvraagstuk-ken om mensen met een baanwissel achteraf toegang te geven totcompensatieregelingen. In dat geval zouden, bijvoorbeeld, mensen diein 2025 zijn vertrokken bij een fonds dat per 1/1/2026 naar een nieuwepensioenregeling is overgegaan, alsnog compensatie (kunnen) vragen.Het is uitvoeringstechnisch niet mogelijk en juridisch zeer complexonderscheid te maken tussen groepen die bewust (bijvoorbeeld omdatde nieuwe betere arbeidsvoorwaarden heeft) en groepen die onbewusthebben afgezien van compensatie. Omdat een dergelijk onderscheid inde praktijk niet te maken is, zou het alternatief een compensatierege-ling zijn die achteraf voor elke baanwisselaar openstaat. Dit leidt echter39Dit speelt bij Unilever en AKZO Nobel, naast de bedrijven genoemd in brief met Kamerstuk32 043, nr. 709 (voetnoot 8).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71419 tot enorme kosten die ten laste komen van het betreffende deelne-merscollectief.–Omgekeerd geredeneerd, is het niet de bedoeling dat mensen twee ofmisschien drie keer deelnemen aan een compensatieregeling diecompensatie ineens toekent op de transitiedatum. Dat is immersvanwege (opeenvolgende) baanwisselingen niet uit te sluiten. Het zouuitvoeringstechnisch ondoenlijk zijn en juridisch waarschijnlijkonhaalbaar om dubbele en verdere compensatie terug te vorderen bijdeze mensen.–Op dit moment is het in de praktijk beperkt mogelijk om na eenbaanwissel aan de nieuwe pensioenregeling deel te nemen entegelijkertijd de oude regeling vrijwillig voort te zetten, wanneer beidedienstverbanden een grote deeltijdfactor hebben. Dit heeft met defiscale begrenzing te maken. Een eventuele tijdelijke verruiming vanhet fiscale kader, zodat mensen bij elke deeltijdfactor tegelijk bij tweepensioenfondsen, dus fiscaal gefaciliteerd «dubbel» pensioen kunnenopbouwen, creëert budgettaire vraagstukken en leidt weer tot nieuwejuridische en uitvoeringstechnische afbakeningsvraagstukken. Te meerwanneer deze fiscale verruiming ook met terugwerkende kracht zougelden.–Door de Kamer is gevraagd naar de mogelijkheid om individuelewerknemers dispensatie te geven bij hun nieuwe pensioenfonds zodatze kunnen kiezen voor vrijwillige voortzetting bij hun oude fonds. Opdie manier zouden ze bij het oude fonds gebruik kunnen maken van decompensatieregeling. Dispensatie kan een fonds echter alleen inbepaalde gevallen verlenen op werkgeversniveau uit die betreffendesector die een minstens gelijkwaardige regeling aanbieden. Het iswettelijk niet mogelijk dat een fonds dispensatie zou verlenen aanindividuele werknemers. Bovendien zou een dergelijke mogelijkheidleiden tot nieuwe, complexe juridische afbakeningsvraagstukken eneen zware belasting voor de uitvoering.–Verder vind ik het niet wenselijk om aan decentrale sociale partnersvoor te schrijven om in elke pensioenregeling vrijwillige voortzettingaan te bieden. Dit zou immers ingrijpen op de vrijheid en de autono-mie die sociale partners hebben om afspraken te maken over dearbeidsvoorwaarde pensioen.Uit het overleg met de sociale partners blijkt dat de als oplossingbedoelde nieuwe of aanvullende voorschriften voor compensatie duidelijkjuridische, afbakenings- en uitvoeringscomplexiteit toevoegt. Allesoverwegend zie ik daarmee op dit moment geen ruimte voor nieuwe ofaanvullende voorschriften of wetgeving rond compensatie. Dat benadrukthet belang dat mensen goed geïnformeerd zijn omdat de werking vancompensatieregelingen er anders toe zou kunnen leiden dat mensenarbeidsmarktbeslissingen nemen onbewust van de pensioengevolgen, endie kunnen ervaren als een tegenvaller.Tot slot, wil ik niet onbenoemd laten dat het in de praktijk bij hettoekennen van compensatie aan een individu altijd gaat om middelen uithet collectieve fondsvermogen. Sociale partners hebben uitgebreidebesprekingen gevoerd en afspraken gemaakt over een evenwichtigeverdeling van het collectieve fondsvermogen en dat proces is grondigdoorlopen.Box 2: Reactie burgerbrief van S. B. over compensatie d.d. 8 juni 2026Hierbij reageer ik zoals gevraagd door de vaste commissie SocialeZaken en Werkgelegenheid op een burgervraag over compensatie.Uit de brief blijkt dat de vragensteller 47 jaar oud is en boventalligverklaard bij de (ondertussen) oude werkgever, die is aangesloten bijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71420 Pensioenfonds SNS Reaal. Na de reorganisatie heeft vragenstellereen nieuwe baan gevonden bij een werkgever aangesloten bijPensioenfonds Zorg en Welzijn (Pfzw). De transitiedatum vanPensioenfonds SNS Reaal is 1/1/2028. De transitiedatum van Pfzwwas 1/1/2026. Vragensteller schrijft dat hij/zij geen compensatieontvangen heeft door de onvrijwillige baanwissel in combinatie metde verschillende transitiedata.In reactie op deze kwestie kan ik aangeven dat in het transitieplanvan Pensioenfonds SNS Reaal de compensatieregeling beschrevenis. De gezamenlijke sociale partners schrijven in het transitieplan:«Werknemers jonger dan 51 jaar hebben geen compensatienodig».40 Hierbij is gekeken naar het compensatievraagstuk datontstaat specifiek door de afschaffing van de zogenaamde doorsnee-systematiek, die tot de transitiedatum 1/1/2028 gehanteerd wordt. Deafspraken die gemaakt zijn gegeven dit vraagstuk betekenen datvragensteller gezien de leeftijd, dus ook in de situatie zonder ontslag,niet aanmerking zou zijn gekomen voor compensatie.In reactie op de vervolgvraag of ik een de mogelijkheden van eenvangnetregeling wil onderzoeken voor gevallen zoals die van devragensteller, verwijs ik naar eerdere passages in deze brief waarwordt ingegaan op compensatie in geval van ontslag. Het is aan debetrokken sociale partners om hierbij het pensioenbelang af tewegen tegen andere onderdelen van het sociaal plan. Het is niet aande Minister om te treden in deze arbeidsvoorwaardelijke afspraken.4.5 Transitiecommissie Sociale partners, dan wel werkgever en werknemers vertegenwoordigddoor bijvoorbeeld vakbonden of de OR, kunnen zich gezamenlijk tot detransitiecommissie wenden indien het hen niet lukt om tot arbeidsvoor-waardelijke afspraken te komen om de pensioentransitie te realiseren. Detransitiecommissie zal dan ondersteuning bieden. Sociale partners, danwel werkgever en werknemers(vertegenwoordiging), die hun regelinglaten uitvoeren door een pensioenfonds, konden tot 1 april 2026 voorbindend advies over (een deel van) deze afspraken in het transitieplanterecht bij de transitiecommissie. Indien de regeling wordt uitgevoerddoor een verzekeraar/PPI kunnen deze partijen daar tot 1 januari 2027terecht voor bindend advies. In de periode 1 januari tot 1 juni 2026 zijn ergeen zaken voorgelegd aan de transitiecommissie.5. Ervaringen van de deelnemer Het is belangrijk dat de deelnemer goed wordt betrokken bij en geïnfor-meerd wordt over de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Van allebij de transitie betrokken partijen wordt dan ook verwacht dat zij dedeelnemers op een goede manier meenemen. Naast het delen van dewettelijke verplichte informatie ondernemen pensioenuitvoerders enbetrokken partijen verschillende initiatieven. Met de rapportage «Dialoogen communicatie over de overstap» van de Pensioenfederatie (bijlage 6)worden «good practices» in beeld gebracht en gedeeld. Deze rapportagebiedt een uitgebreide set aan voorbeelden uit de praktijk van diversepensioenfondsen. Het laat daarmee zien hoe pensioenfondsen communi-ceren met hun achterban op basis van verschillende communicatiestrate-gieën en geeft een analyse van de transitiecommunicatie vóór en na deoverstap naar de Wtp. Mede gezien naar aanleiding van de publieke enpolitieke belangstelling wordt specifiek aandacht besteed aan de40Transitieplan de Volksbank.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71421 communicatie rondom compensatie voor het afschaffen van de doorsnee-systematiek.Dit hoofdstuk start in paragraaf 5.1 met een overzicht van decommunicatie-activiteiten die SZW de komende tijd zal oppakken.Vervolgens wordt ingegaan op de ervaringen van de deelnemer tijdens detransitie. Dit gebeurt aan de hand van de volgende vier onderdelen: Depublieksmonitor pensioenen (paragraaf 5.2), de deelnemersmonitor(paragraaf 5.3), het aantal zaken voorgelegd aan de Geschilleninstantiesen het aantal pensioenzaken in het kader van de Wtp bij de Raad voor deRechtspraak (paragraaf 5.4) en de Nationale enquête arbeidsomstandig-heden, NEA (paragraaf 5.5).5.1 Publiekscommunicatie Het doel van publiekscommunicatie in het kader van de implementatievan de Wtp is het bijdragen aan vertrouwen in het pensioenstelsel en detransitie naar de nieuwe regels voor pensioen van Nederlanders boven de18 jaar. Dit wordt in samenwerking met vakbonden, werkgevers enpensioenuitvoerders gedaan. De centrale vraag in 2026 is opnieuw hoe de(nieuwe) regels voor pensioen werken. Het primaire doel is kwalitatievewebsitebezoeken genereren naar pensioenduidelijkheid.nl, onder desegmenten jong werkenden (18–35 jaar), werkenden (36–55 jaar),pensioengeoriënteerden (56+ jaar) en gepensioneerden. Vanaf eindaugustus t/m begin oktober is de communicatie hierop gericht.Daarnaast wordt vanaf half juni 2026, zoals in paragraaf 4.4 verwoord,specifieke aandacht besteed aan compensatie. Keuzes die werkendenmaken in hun loopbaan kunnen gevolgen hebben voor hun pensioen-opbouw en voor de eventuele compensatie bij de overgang naar denieuwe pensioenregels. Wanneer iemand bijvoorbeeld van baanverandert of minder gaat werken vóórdat het pensioenfonds is overge-stapt, kan dit gevolgen hebben voor de compensatie. In de communicatievanuit SZW, onder meer via sociale media, wordt gewezen op dezesituaties, zodat werkenden zich tijdig bewust kunnen zijn van de mogelijkegevolgen van keuzes in deze fase.5.2 Publieksmonitor pensioenen Sinds februari 2022 wordt ieder kwartaal een meting uitgevoerd van depublieksmonitor pensioenen. Deze monitor heeft als doel om doorlopendhet vertrouwen van de Nederlandse bevolking in het pensioenstelselinzichtelijk te maken. Primair ligt hierbij de nadruk op het meten vanvertrouwen in het stelsel en de partijen daarachter. Secundair ligt denadruk op het meten van basiskennis over en het gedrag ten aanzien vanpensioenen.Het vertrouwen van Nederlanders in het pensioenstelsel is in het tweedekwartaal van 2026 (zie bijlage 5) neutraal te noemen. De score bedraagt,net als in het eerste kwartaal, opnieuw een 5,7 (op een schaal 1–10,daarbij is: <4 = weinig vertrouwen; 4–7 = neutraal; >7 = veel vertrouwen).Het pensioenvertrouwen ligt hoger onder gepensioneerden en financieelhooggeletterden. Net als in Q1 2026 zijn Nederlanders op verschillendemanieren bezig met hun pensioen. Eén derde van Nederlanders geeft aanaltijd alle brieven en e-mails te openen en te lezen die ze ontvangen vanhun pensioenfonds(en) en elk jaar te bekijken hoe hun pensioen ervoorstaat. Twee derde van de Nederlanders zegt bekend te zijn met depensioenstelselwijziging. Nederlanders die hiermee bekend zijn, hebbenhier vooral over gehoord via hun pensioenuitvoerder of via het nieuws.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71422 5.3 Deelnemersmonitor Om inzicht te krijgen in hoe deelnemers de overgang naar het nieuwepensioenstelsel ervaren en in welke mate zij bekend zijn met de nieuwepensioenregels, zijn er twee deelnemersmonitoren uitgevoerd. Dezevinden plaats in aanvulling op de publieksmonitor, waarbij het vertrouwenin het pensioenstelsel in het algemeen wordt uitgevraagd. Om tebeginnen voert Netspar sinds 2025 een deelnemersmonitor uit insamenwerking met een tiental pensioenfondsen. Aanvullend legt IpsosI&O een panel een zoveel mogelijk identieke vragenlijst voor, onderandere om de deelnemerservaringen bij verzekeraars en PPI’s goed meete kunnen nemen in deze rapportage. Door de (zeer) grote steekproef bijde Netspar-deelnemersmonitor, en de aanvullende weging voor eenrepresentatief beeld onder groepen deelnemers bij Ipsos I&O, ligt er eensolide basis om de ervaring van deelnemers goed in kaart te brengen.Hierbij is belangrijk om op te merken dat in deze Netspar-rapportage noggeen fondsen zitten die al zijn ingevaren, waar rekening mee moetworden gehouden bij de interpretatie van de resultaten. Ook bij Ipsos I&Ois het aandeel van deelnemers dat al is ingevaren minder dan je op basisvan een representatief beeld zou verwachten. Desondanks maakt het feitdat deze deelnemersmonitoren periodiek worden uitgevoerd, het mogelijkom aanvullend inzicht te gegeven in de ontwikkeling van de deelnemers-ervaringen door de tijd.De bekendheid over de komst van het nieuwe pensioenstelsel is blijvenden stijgend hoog. Uit de Netspar-monitor blijkt dat met name de groep diegoed weet wat de nieuwe regels voor pensioen inhouden is gegroeid naar35,2%, en slechts 1,8% geheel niet op de hoogte was. De rapportage vanIpsos I&O geeft een vergelijkbaar beeld, daarin geeft 92% van deNederlanders aan over de nieuwe pensioenregels gehoord te hebben. Ookhier stijgt de groep die goed weet wat de nieuwe regels inhouden.Tegelijkertijd is er ook nog een vijfde (Ipsos I&O) tot een tiende (Netspar)deel van de deelnemers aan de onderzoeken die wel van de wijzigingenhebben gehoord, maar nog niet inhoudelijk goed op de hoogte zijn. Daarzit dus nog een communicatieve uitdaging. Daarentegen geven negen opde tien mensen in het onderzoek van Netspar aan dat zij informatie overhun nieuwe pensioenregeling hebben gezien, en zegt men vaker dan in devorige rapportage goed te begrijpen waarom de regels moeten veran-deren.Deelnemers laten de mate waarin de pensioenuitvoerder hen op dehoogte houdt sterk meewegen in hun beoordeling van hun pensioenuit-voerder, volgens Ipsos I&O. Vooral onder gepensioneerden is dit eenbelangrijke factor. Pensioenuitvoerders maken van deze inzichten gebruiken passen hun communicatiestrategie hier op aan. Gemiddeld gevendeelnemers aan hun pensioenuitvoerder bij Ipsos I&O een 7,4, bij Netsparstijgt dit cijfer zelfs naar een 7,9. Naast pensioenuitvoerders wordennieuws(websites), tv en kranten gezien als informatiebron. Gepensio-neerden voelen zich over het algemeen beter geïnformeerd dan actievedeelnemers en gewezen deelnemers en zijn ook positiever over hunpensioenuitvoerder. Een kwart van de actieve deelnemers geeft daarnaastaan dat zij via hun werkgever aan informatie komen. Hier zit dus ook eenkans en uitdaging voor met name werkgevers die hun werknemers hiernog niet over informeren. In de praktijk is te zien dat veel pensioenuit-voerders informatiemomenten voor werkgevers opzetten, zoals webinarsof scholingen, om de deelnemers goed te informeren. De rapportage vande Pensioenfederatie geeft hiervan ook goede en inspirerendevoorbeelden, zoals de voorlichtingsbus van pensioenfonds Rail & OV,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71423 maar ook webinars en aanvullende communicatiemiddelen diewerkgevers in kunnen zetten (met een voorbeeld van PME).41In lijn met de verwachting vinden deelnemers die aangesloten zijn bijpensioenfondsen die zijn overgestapt op het nieuwe pensioenstelsel, deinformatievoorziening vaker transparant en persoonlijk dan wanneer deoverstap nog moet plaatsvinden. Dat sluit aan bij de communicatiemo-menten van pensioenfondsen, waar een paar maanden voor transitie-datum de eerste persoonlijke informatie wordt verstrekt. Mensen vindenhet wel vaak lastig om te beoordelen of de informatie volledig entransparant was.Blijvend en stijgend is het vertrouwen dat mensen hebben in dat hunpensioenuitvoerder zorgt voor een goede overgang naar het nieuwestelsel volgens Netspar. Daarnaast worden er daar ook minder negatieveen significant meer positieve emoties gemeten. Een stijgend aandeel vande deelnemers verwacht volgens beide rapportages erop vooruit te gaan.Daarnaast verwacht een dalend deel weinig verandering, vooral ondergepensioneerden is dat waarneembaar. Deze cijfers sluiten aan bij derelatief hoge pensioenverhogingen die rondom invaren zijn toegekend,met anderzijds de boodschap dat in (langdurig) economisch slechter weerde pensioenen ook meer kunnen dalen.5.4 Klachten- en geschillencommissies en Raad voor de Rechtspraak Het aantal klachten en geschillen over de pensioentransitie is in deze fasevan de transitie nog steeds beperkt. Het grootste deel van het aantalgeschillen is niet gerelateerd aan de Wtp. Wel komen er meer vragenbinnen bij de geschilleninstanties (Geschilleninstantie Pensioenfondsen(GIP) voor pensioenfondsen en Kifid voor verzekeraars en PPI’s) naarmatede transitie -en daarmee dus ook het aantal overstappende deelnemers-vordert. De ontwikkeling van het aantal klachten en geschillen blijftdaarom een belangrijk aandachtspunt in deze monitoring.GIPUit de cijfers van GIP blijkt dat in de verslagperiode (1 januari tot 30 april2026) in totaal 203 geschillen zijn geregistreerd, hierbij is geen onder-scheid gemaakt tussen wel of niet Wtp gerelateerde geschillen. Degeschillen hebben voornamelijk betrekking op pensioenberekening en-betaling, de toepassing van wet- en regelgeving (algemeen) en informa-tieverstrekking. Daarmee is de aard van de geschillen ongewijzigdgebleven ten opzichte van de vorige verslagperiode. Een aanzienlijk deelvan de zaken wordt afgehandeld via bemiddeling (70%). In 30% van degevallen is sprake van directe beslechting. Van de afgeronde zaken leidde70% tot een bindende uitspraak. De gemiddelde doorlooptijd van deafgeronde zaken bedroeg 164 werkdagen.KifidBij het Kifid zijn in de verslagperiode (1 december 2025 tot 1 juni 2026) 40geschillen geregistreerd die betrekking hebben op de Wtp en pensioen inbrede zin. Het Kifid geeft aan dat de aard van de klachten divers is en datde inhoudelijke complexiteit per zaak kan verschillen. Deze zaken zien metname op onderwerpen als uitblijven van indexatie op de pré-Wtpregelingen, lifecycle-klachten, discussies/vragen over het (bijzonder)nabestaandenpensioen. De aard van de klachten is daarmee grotendeelsgelijk gebleven. Een deel van de klachten wordt opgelost via bemiddeling41Pensioenfederatie (2026) «Dialoog en communicatie over de overstap.»Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71424 of zijn ingetrokken voordat het tot een uitspraak komt. Van de zaken dietot een uitspraak leiden, is circa de helft bindend. De gemiddeldedoorlooptijd bij het Kifid bedroeg 241 werkdagen.Raad voor de RechtspraakDe Raad voor de Rechtspraak heeft aangegeven dat het aantal bij deciviele rechter aanhangig gemaakte zaken met betrekking tot de Wtp in deverslagperiode (t/m Q1 2026) beperkt is gebleven en nog steeds minderdan tien bedraagt. Daarmee ligt het aantal zaken tot op heden lager danten tijde van de behandeling van de Wtp de verwachting was. Dit duidterop dat geschillen over de Wtp vooralsnog in overwegende mate wordenafgewikkeld via buitengerechtelijke geschilbeslechting.Tabel 1: Overzicht zaken bij geschilleninstantiesGeschilleninstantieGIP1Kifid2Aantal geschillen20340Aard van de geschillenm.n. pensioenberekening en-betaling, toepassing wet-en regelgeving (algemeen)en informatieverstrekkingm.n. uitblijven van indexatie(meest voorkomend), lifecycle-klachten, discussies/vragen overhet (bijzonder) nabestaandenpen-sioenPercentage bemiddeling70%Percentage beslechting(direct)30%Percentage binden/niet-bindend70% bindend30% niet-bindend47,5% bindend45,0% niet-bindend7,5% geen keuzeDoorlooptijden (inwerkdagen)1642411 De meting liep van 1 januari 2026 tot 30 april 2026.2 De meting liep van 1 december 2025 tot 1 juni 2026. 5.5 De Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) In samenwerking met het CBS heeft TNO de NEA over 2025 uitgevoerd.42Uit deze enquête blijkt dat 97% van de werknemers het (heel) belangrijkvindt dat er een pensioenregeling bestaat. Daarnaast is 86% van dewerknemers (heel) tevreden over de pensioenregeling. Een pensioenre-geling in de tweede pijler wordt veelal overeengekomen door de socialepartners of in overleg tussen de werkgever en de OR of personeels-vertegenwoordiging. Uit de NEA blijkt dat 83% van de werknemers (heel)tevreden is over de vertegenwoordiging door de vakbonden en 82% vande werknemers (heel) tevreden is over personeelsvertegenwoordigingenzoals de ondernemingsraad of de medezeggenschapsraad. Hierbij gaathet dus zowel om werknemers die zelf lid zijn van een vakbond alsniet-leden.6. Stand van zaken (voorgenomen) wet- en regelgeving Dit hoofdstuk biedt een overzicht van de stand van zaken van de lopendeen de sinds de vorige voortgangsrapportage afgeronde wet- en regelge-vingstrajecten. De stand van zaken voor wat betreft de aan de Wtpgerelateerde moties en toezeggingen is in de aansluitende bijlage bij dezerapportage te vinden.42Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2025 - Resultaten in vogelvluchtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71425 PerformancetoetsIndien er sprake is van onvoldoende beleggingsrendement kan eenbedrijfstakpensioenfonds op grond van het Vrijstellings- en boetebesluitWet Bpf 2000 een werkgever, als deze daarom verzoekt, vrijstellingverlenen van de verplichtstelling aan dat bedrijfstakpensioenfonds. Of hiersprake van is, wordt bepaald aan de hand van de performancetoets. Op9 april 2026 is een wijziging van de bij het Vrijstellings- en boetebesluitWet Bpf 2000 behorende Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000 in verbandmet actualisatie van de performancetoets gepubliceerd in deStaatscourant.43 Met deze wijzigingsregeling wordt een herziening van deperformancetoets ingevoerd. Deze ziet op het actualiseren van deberekeningen van de beleggingsperformance van bedrijfstakpensioen-fondsen, zodat deze beter aansluiten bij de praktijk van beleggingen metde Wet toekomst pensioenen. De wijzigingsregeling zal op 1 januari 2028in werking treden. Tot die tijd blijft de huidige performancetoets gelden.ToezeggingenwetHet wetsvoorstel toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen(hierna: de toezeggingenwet) is op 1 juni 2026 aan de Tweede Kameraangeboden ter behandeling. Het onderliggende toezeggingenbesluit isvoor internetconsultatie gepubliceerd.44 In het onderliggende besluitwordt invulling gegeven aan hoe er gecommuniceerd moet worden overvrijwillige voortzetting van het wezenpensioen, de gelijke aanpassingen inde flexibele premieregeling en gelijke aanpassingen voor het nabestaan-denpensioen in de solidaire- of flexibele premieregeling. De internetcon-sultatie loopt van 8 juni tot 19 juli 2026. De beoogde inwerkingtreding vanzowel de toezeggingenwet als het onderliggende besluit is 1 januari 2027.Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheidingMet het Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding (WPS) wordt deopzet van de wettelijke regels voor pensioenverdeling bij scheidingverbeterd. Bovendien wordt de wet vernieuwd om te kunnen voldoen aande eisen van de huidige tijd. In de verzamelbrief pensioenonderwerpen isuw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken ten aanzien van ditwetsvoorstel.45 Zoals in de hiervoor genoemde brief aangegeven, zal dederde nota van wijziging naar verwachting begin 2027 ter internetconsul-tatie worden aangeboden. Na afronding van de internetconsultatie en detoezichttoetsen zal de derde nota van wijziging worden voorgelegd teradvisering aan de Raad van State en vervolgens bij uw Kamer wordeningediend.Wet herziening bedrag ineensDe wet herziening bedrag ineens heeft als doel mensen meer keuze-vrijheid te geven bij het benutten van hun pensioen, door het mogelijk temaken dat mensen bij pensionering maximaal 10% van hun pensioen inéén keer kunnen opnemen als bedrag ineens. Op 16 juni heeft de EersteKamer ingestemd met het wetsvoorstel Wet herziening bedrag ineens. Dewet treedt per 1 januari 2029 in werking.43https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-13480.html44https://internetconsultatie.nl/besluittoezeggingenwtp/b145Kamerstukken II, 2025–2026, 32 043, nr. 711.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71426 7. Afsluitend De transitie is een van de grootste stelselherzieningen van de afgelopenjaren en dient dan ook zorgvuldig te gebeuren. Het gaat immers om depensioenen van miljoenen Nederlanders. Bij de transitie blijven pensioen-deelnemers van alle generaties samen deelnemen aan een pensioenre-geling, waarbinnen mee- en tegenvallers onderling worden gedeeld. Zobehalen zij gezamenlijk voordeel uit het pensioencollectief.De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel gaat over naar de laatstefase. Inmiddels bouwt meer dan de helft van de Nederlanders pensioenop of krijgt pensioen volgens de nieuwe regels. En naar verwachting zaldat percentage binnen een halfjaar toenemen tot circa 96%.46 Dat betekentniet dat er achterover geleund kan worden. Er moet immers nog een grootaantal pensioenregelingen uitgevoerd door pensioenfondsen encontracten uitgevoerd door verzekeraars en PPI’s in de komende anderhalfjaar worden ingevaren c.q. omgezet. Zorgvuldigheid en heldere communi-catie richting deelnemers blijven daarbij van groot belang.De uiterste transitiedatum blijft, in lijn met het advies van de regerings-commissaris, staan op 1 januari 2028. Conform het plan van aanpakmonitoring dat met uw Kamer is gedeeld, wordt de transitie ook dekomende jaren gemonitord.47 Aan de hand van deze monitoringsinfor-matie alsmede het advies van de regeringscommissaris bezie ik halfjaar-lijks, nadat de toezichthouders om advies zijn gevraagd, hoe de transitieervoor staat en/of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de transitietijdig te realiseren. Uw Kamer wordt hier aan de hand van de voortgangs-rapportages over geïnformeerd.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.A. Vijlbrief46Wtp-uitvraag van Q2-2026, De Nederlandsche Bank in combinatie met bericht: Invaarklas van 1juli 2026 heeft beschikking van DNB binnen | Pensioen Pro47Kamerstukken II, 2022–2023, 36 067, nr. 191.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71427 MOTIE- EN TOEZEGGINGENOVERZICHT – VOORTGANGSRAP-PORTAGE MONITORING WTP – ZOMER 2026MotieNaamStand vanzaken36 067-118Motie van het lid Smals over gedurende de transitie-periode monitoren of pensioenfondsen een carve-outnodig hebben in verband met een evenwichtigebelangenafweging.In uitvoering36 067-148Motie van de leden Palland en Ceder over bij demonitoring de randvoorwaarden meenemen die zijnopgenomen in het Pensioenakkoord.In uitvoering36 067-158Motie van de leden Ceder en Stoffer over de nieuwevormgeving van het nabestaandenpensioen zo snelmogelijk evalueren en monitoren.In uitvoering36 067-163Motie van het lid Stoffer c.s. over het regelmatiguitvoeren van invoeringstoetsen na inwerkingtredingvan de Wtp.In uitvoering36 067-166Motie Maatoug c.s. over een uitvoeringsmonitor overde arbeidsvoorwaardelijke afspraken en in 2026 bezienof het invaren op tijd en verantwoord kan wordeningevoerd.In uitvoering36 067-177Motie van de leden Smals en Stoffer over hetmonitoren van afspraken over compensatie en deobstakels die sociale partners ondervinden om deze terealiseren.In uitvoeringTZ202411-092In de monitoring van de transitie ook de compensatiebij pensioenregelingen bij verzekeraars monitoren.In uitvoeringTZ202411-093Via de Voortgangsrapportage monitoring Wtpterugkoppelen voor hoeveel personen met eenpremieregeling met een stijgende premie er isgekozen voor de eerbiedigende werking.In uitvoeringEK T03630Kamer periodiek informeren over voortgang transitie.In uitvoeringEK T01964Jaarlijkse rapportage aan het parlement over depremieontwikkeling bij de pensioenfondsen.In uitvoering36 915 XV-14Motie van de leden Van Ark en Patijn over het opnieuwin overleg te treden met sociale partners en pensioen-fondsen over het compensatievraagstuk.UitgevoerdTK TZ202602-011Aangaande de gevolgen van niet-tijdig omzetten zegtde Minister toe vaker cijfers van verzekeraars en PPI’ste delen met de Kamer en deze op te nemen in devolgende voortgangsrapportage.In uitvoeringTK TZ202602-012De definitieve cijfers over pensioen-stijgingen mee inde voortgangs-rapportage van aankomende zomer.Uitgevoerd BIJLAGE 1:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71428 VERNIEUWDE TABELLENTabel 1: Groei rendement (in percentages) en cumulatief rendement van de vijf grootste pensioenfondsenABPBouwPMEPMTPFZWJaarGroeiCum.GroeiCum.GroeiCum.GroeiCum.GroeiCum.2013100,0100,0100,0100,0100,0201414,5114,524,5124,517,8117,820,6120,615,5115,520152,7117,61,2126,01,0119,02,3123,4– 0,1115,420169,5128,812,2141,410,3131,211,0136,912,0129,220177,6138,56,6150,74,7137,44,1142,65,1135,82018– 2,3135,40,3151,1– 0,9136,20,2142,8– 0,4135,3201916,8158,117,9178,218,3161,118,4169,118,8160,720206,6168,58,9194,110,9178,710,6187,15,6169,7202111,4187,86,9207,53,9185,63,6193,88,2183,62022– 17,6154,7– 21,4163,1– 23,3142,4– 27,5140,5– 22,6142,120239,3169,17,7175,68,7154,88,4152,38,7154,520248,4183,37,6189,08,7168,28,2164,88,0166,92025– 1,6180,4– 3,9181,6– 3,0163,2– 5,9155,1– 3,8160,5CAGR15,05,14,23,74,01 Compound Annual Growth Rate in percentages: ((Eindwaarde / Beginwaarde) ^ (1 / Jaren) – 1) * 100Bron: Jaarverslagen pensioenfondsen Tabel 2: Dekkings- en beleidsdekkingsgraad per fonds (in percentages)ABPBouwPMEPMTPFZWUltimoDekkingsgr.Beleidsd.Dekkingsgr.Beleidsd.Dekkingsgr.Beleidsd.Dekkingsgr.Beleidsd.Dekkingsgr.Beleidsd.2014101,1104,7115,1115,0101,7104,1102,2107,6201597,298,7108,7110,996,197,697,598,595,197,1201696,791,7110,5105,596,291,897,292,895,390,12017104,4101,5118,1115,1101,6100,1102,2100,6101,198,6201897,1103,8113,9118,397,7101,399,4102,397,5101,3201997,895,8114,4112,498,996,999,197,699,296,5202093,587,6111,6105,797,692,396,391,392,688,32021110,6102,8125,3119,3108,3103,2106,7100,9106,699,72022110,9118,6122,1131,5110,4111,7106,7108,1108,7111,52023110,5113,9123,9124,7109,4113,3105,8109,9106,11122024111,7113,1125,6126,3113112,7108,4108,4109,8108,92025123,5118,3141,1133,1125,3120,1122,3115,3126117,7Bron: Jaarverslagen pensioenfondsen, website pensioenfondsen Tabel 3: Verleende indexatie per fonds (in percentages) en cumulatieve indexatieABPBouwPMEPMTPFZWJaarGroeiCum.GroeiCum.GroeiCum.GroeiCum.GroeiCum.2013100100,00100100,00100201401000,2100,200100– 0,499,600100,00201501000100,200100099,600100,00201601000100,200100099,600100,00201701000,59100,790100099,600100,00201801001,07101,870100099,600100,00201901000,26102,130100099,600100,00202001000102,130100099,600100,00202101001,76103,930100099,600100,00202214,35114,3515,31119,847,49107,495,49105,078,7108,7020233,03117,810119,843,26110,993,2108,434,8113,9220241,84119,980,75120,740,3111,330108,430113,9220252,84123,3920,8145,862,82114,478,3117,43121127,591 PFZW spreekt van «ongeveer 12 procent» op haar website.https://www.pfzw.nl/over-pfzw/nieuws/hoger-pensioeninkomen-vanaf-maart-2026.htmlBron: DNB, Jaarverslagen en website pensioenfondsenBIJLAGE 2:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71429 Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71430

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 3960e52a1706d6e4

14 okt 2026 · 22f3478eabb473cf

12 okt 2026 · 13be77ab70c1d0fa

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.