KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over Uitvoering van de motie van het lid De Kort c.s. over vaart maken met het wetsvoorstel en twee nieuwe pabo-opleidingen inrichten die opleiden tot gespecialiseerde lesbevoegdheden (Kamerstuk 27923-473) en van de gewijzigde motie van het lid Soepboer over naast de gehanteerde klokurennorm ook een maximumlesurennorm van 24 lesuren per week opnemen in de cao van het voortgezet onderwijs (Kamerstuk 27923-489)

19 nov 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie ca363c2a51f41c48 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202527 923Werken in het onderwijsNr. 496 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 19 november 2024 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister en deStaatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van25 april 2024 over Uitvoering van de motie van het lid De Kort øc.s. overvaart maken met het wetsvoorstel en twee nieuwe pabo-opleidingeninrichten die opleiden tot gespecialiseerde lesbevoegdheden (Kamerstuk27 923, nr. 473) en van de gewijzigde motie van het lid Soepboer overnaast de gehanteerde klokurennorm ook een maximumlesurennorm van24 lesuren per week opnemen in de cao van het voortgezet onderwijs(Kamerstuk 27 923, nr. 489).De vragen en opmerkingen zijn op 13 juni 2024 aan de Minister en deStaatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bijbrief van 19 november 2024 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,BrometAdjunct-griffier van de commissie,Bosnjakovic kst-27923-496ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 4961 InhoudIVragen en opmerkingen vanuit de fracties2• Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie2• Inbreng van de leden van de VVD-fractie3• Inbreng van de leden van de NSC-fractie4• Inbreng van de leden van de D66-fractie4• Inbreng van de leden van de BBB-fractie7• Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie7IIAntwoord/reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap en de Staatssecretaris van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap8 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van deonderhavige brief. Zij hebben grote twijfels of het splitsen van de pabovoor het jongere en het oudere kind wel zo goed is. Zij zijn van meningdat het voor leerkrachten erg goed is om de ontwikkeling van kinderen(ook als ze hun loopbaan concentreren op de bovenbouw van het primaironderwijs) te kennen. De leerkrachten bouwen dan immers voort opdatgene wat in de onderbouw gebeurt en wat kan gezien de ontwikkelingvan kinderen. Wel zouden deze leden aan de pabo’s durven vragen of eenstudent nadat er een algemene introductie en kennismaking met zowelhet jongere als het oudere kind heeft plaatsgevonden, eerder een keuzevoor één van de beide kanten gemaakt kan worden. Deze leden maken erdaarnaast bezwaar tegen dat deze maatregel wordt gepresenteerd als eenwondermiddel waarmee veel meer mannelijke schoolverlaters gaankiezen voor de pabo en waarmee het lerarentekort substantieel gaatverminderen. Ook de Ministers noemden het bij de beantwoording vaneen feitelijke vraag over de Slotwet 2023 «nog onzeker of een splitsingvan de pabo-opleidingen in opleidingen voor jonge en oudere kinderentot meer leraren leidt»1. Wat dat betreft, verwachten deze leden aanmer-kelijk meer van het Deltaplan tegen het lerarentekort, waar de Kamer omheeft gevraagd door in januari 2024 de motie van het lid Pijpelink2 aan tenemen. Delen de Ministers deze mening?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderkennen dat toekomstigeleraren, die enkel zijn opgeleid voor de onderbouw of voor debovenbouw, het voor de scholen nog moeilijker kunnen maken om voorelke groep een goed toegeruste leraar te vinden. Gaat de gedifferenti-eerde pabo straks ook opleiden voor verschillende onderwijsbevoegd-heden? Zo nee, hoe gaan de Ministers dan waarborgen dat een docent diede pabo voor het oudere kind heeft gevolgd, maar die de school noodge-dwongen toch inzet voor onderwijs aan een groep jonge kinderen, metzijn of haar handelingsverlegenheid wordt geconfronteerd?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen vooral dat lerarenoplei-dingen beter worden toegerust om leraren te scholen voor een latereselectie van hun leerlingen en hen goed voor te bereiden op de omgangmet zorgleerlingen en leerlingen die specifieke ondersteuning nodighebben. Delen de Ministers deze wensen? Welke stappen kunnen deMinisters hiervoor nog zetten?1Kamerstuk 36 560 VIII, nr. 23, antwoord op vraag 15, blz. 6.2Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 60.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 4962 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat met hetaannemen van de motie van het lid Soepboer3, de Kamer de regering ookheeft verzocht om voortaan in de cao van het voortgezet onderwijs nietalleen klokurennorm te hanteren maar ook een maximumlesurennormvan 24 lesuren per week. Een overweging bij dit verzoek is dat korterelesuren binnen dezelfde klokurennorm onherroepelijk leiden tot meercontactmomenten en daarmee tot meer voorbereiding, nawerk enadministratie. De Ministers reageren dat de sociale partners gaan over deafspraken in de cao, ook over de afspraken over het aantal lesuren perweek voor docenten. Deze leden constateren echter dat het kabinet dejaarlijkse ruimtebrief over de kabinetsbijdrage voor de arbeidskostenont-wikkeling, vertrouwelijk naar onderwijswerkgevers stuurt, maar deze nogaltijd niet inzichtelijk wordt gemaakt voor alle sociale partners, ondanks demotie van het lid Van den Hul c.s. inzake het inzichtelijk maken van deruimtebrief4, die de Kamer reeds in maart 2019 heeft aangenomen. Welkeoverwegingen liggen ten grondslag aan deze nog altijd volgehoudeneenzijdige informatie van de onderwijswerkgevers? Maakt een maximum-lesurennorm wel een serieuze kans bij de cao-onderhandelingen als dewerknemersorganisaties die vooral belang hebben bij zo’n norm,tegelijkertijd door het kabinet welbewust op een kennisachterstandworden gehouden over de loonruimte?Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en deMinister voor Primair en Voortgezet Onderwijs. Zij willen de ministersbedanken voor het snel doen toekomen van de brief over de uitvoeringvan de motie van het lid De Kort c.s. inzake het wetsvoorstel differentiatiepabo5. Zij zijn tevens verheugd dat splitsing van de pabo eveneensonderdeel is van het gesloten hoofdlijnenakkoord. Zij willen opmerken dathet doel van splitsing van de pabo tweeledig is. Allereerst zorgt eengesplitste pabo voor een bredere aantrekkingskracht van de opleiding,zowel voor mannen als vrouwen. Daarnaast zorgt splitsing ook voor meerfocus in het curriculum, wanneer de opleiding niet meer tot een lesbe-voegdheid voor de gehele breedte van het primair onderwijs hoeft op teleiden. Deze leden zijn van mening dat hiermee ook meer ruimte komtvoor onderwijs in basisvaardigheden. Kunnen de Ministers op boven-staande reflecteren?De leden van de VVD-fractie vragen of de Ministers de mening delen datsnelle uitvoering van deze motie van belang is voor het verdiepen van hetpabo-curriculum en een bijdrage kan leveren aan het oplossen van hetlerarentekort. Kunnen de Ministers toezeggen dat de eerste benodigdestappen voor differentiatie van de pabo-opleiding onverwijld wordengezet?Graag zouden de leden van de VVD-fractie van de Ministers horen of zijbereid zijn de hoofdlijnennotitie met daarin de schets met fundamentelekeuzes zo snel mogelijk, bijvoorbeeld nog voor de zomer van 2024 aan deKamer te doen toekomen. Tevens zouden zij graag van de Ministers horenof zij bereid zijn in de tussentijd gesprekken met het veld te starten om toteen bredere consensus te komen over een uniforme leeftijdsgrens envooropleidingseisen.3Kamerstuk 27 923, nr. 483.4Kamerstuk 35 000 VIII, nr. 173.5Kamerstuk 27 923, nr. 473.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 4963 Inbreng van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de voorgesteldeuitvoering van de motie van het lid De Kort c.s. en van de motie van hetlid Soepboer.Motie van het lid De Kort c.s.De leden van de NSC-fractie lezen dat de internetconsultatie in 2020overwegend negatieve reacties opleverde, terwijl de pilots in 2021 enoktober 2022 juist positief werden geëvalueerd. Daarom vragen dezeleden wat de inhoudelijke verschillen waren tussen het wetsvoorstel uit2020 en de pilots.De leden van de NSC-fractie lezen dat er voor de pabo een landelijkekennisbasis is vastgesteld. Daarbij wordt voorgesteld om deze kennisbasisop te splitsen voor de opleiding voor jonge kinderen en voor de opleidingvoor oude kinderen. Daarbij vragen deze leden of een achterliggendereden achter deze voorgestelde splitsing is dat het kennisniveau van delesstof voor jonge kinderen logischerwijs lager is dan voor oude kinderenen dat de lesvaardigheden bij oudere kinderen om andere pedagogischevaardigheden vragen.De leden van de NSC-fractie vragen aan de Ministers of er ook wordtgekeken naar mogelijke overstaptrajecten na afronding van de gespeciali-seerde pabo en hoe deze eventueel vorm zouden kunnen krijgen,bijvoorbeeld dat ze gemeenschappelijk worden aangeboden.Motie van het lid SoepboerDe leden van de NSC-fractie lezen dat de Ministers met de socialepartners gaan kijken naar de mogelijkheden voor de maximumlesurennorm. Daarbij vragen deze leden of de Ministers dan van plan zijnom deze norm onder andere te agenderen bij de in juni 2024 gestartecao-onderhandelingen voor het voortgezet onderwijs. Daarnaast vragendeze leden ook of de Ministers van plan zijn om, in lijn met deze aange-nomen motie, te blijven pleiten voor de maximum lesurennorm, ook alseen aantal sociale partners hier anders tegen aankijkt. Dit is tenslotte eenwens van de meerderheid van de Kamer.De leden van de NSC-fractie lezen dat de Ministers aangeven dat denaleving van de cao-afspraken over de lesurennorm niet aan de onder-wijsinspectie is. Echter, de onderwijsinspectie controleert wel al op deklokurennorm. Gecombineerd met kennis van de duur van een lesuur zouhier eenvoudig toezicht op kunnen worden gehouden. Daarom vragendeze leden waarom de Ministers dit niet zouden willen beleggen bij deonderwijsinspectie.Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met enige zorg kennisgenomen vande brief over de uitvoering van de motie van het lid De Kort c.s. over hetrealiseren van smalle bevoegdheden voor leraren. Deze leden zijnvoorstander van mogelijkheden tot specialisatie op zowel de initiëleopleiding als daarna via bijscholing, maar denken dat smalle bevoegd-heden hiertoe niet de oplossing zijn. Zij hebben daarom vragen, alvorensaan dit lange en intensieve traject begonnen wordt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 4964 Betrokkenheid beroepsgroepDe leden van de D66-fractie vinden in de eerste plaats dat besluiten overde bevoegdhedenstructuur genomen moeten worden door de beroeps-groep zelf. In hoeverre is de beroepsgroep betrokken geweest bij detotstandkoming van het oorspronkelijke wetsvoorstel en bij de gestuurdebrief over de uitvoering van de motie, zo vragen zij. En op welke wijze zijnde Ministers van plan de beroepsgroep te betrekken bij de uitvoering vande motie en het opstellen van de hoofdlijnennotitie? Daarbij vragen dezeleden hoe de Ministers reflecteren op het gebrek aan steun bij vakbondenen beroepsverenigingen zoals de AOb6, die een enquête heeft uitgevoerdwaaruit blijkt dat de beroepsgroep verschillend denkt over het splitsenvan de pabo en dat de beroepsgroep zich in het bijzonder keert tegensmalle bevoegdheden.De leden van de D66-fractie vinden het zeer onwenselijk als dit voorstel erkomt zonder steun van de beroepsgroep. De invulling van het leraarschap,wanneer en voor wat je bevoegd bent, is aan leraren zelf, zo stellen dezeleden. Delen de Ministers dat dit voorstel er niet mag komen zonder desteun van leerkrachten, zo vragen zij.De leden van de D66-fractie hebben daarnaast vragen over dedoorkruising van dit voorstel met lopende trajecten. In het bijzondervragen zij hoe de uitvoering van de motie zich verhoudt tot de herijkingvan bekwaamheidseisen en -gebieden die op dit moment wordt uitge-voerd door de beroepsgroep. Daarnaast vragen zij hoe dit voorstel zichverhoudt tot de stappen die worden gezet in het opleidingsberaad en rondde herijking van de kennisbasis van opleidingen.De leden van de D66-fractie vragen daarnaast of de Ministers een risicozien in een afname van de aantrekkelijkheid van het beroep aangezienleraren zelf aangeven grote waarde te hechten aan een brede inzet-baarheid na afronding van de opleiding.Bovendien maken de leden van de D66-fractie zich zorgen om eenmogelijke daling in kwaliteit, door lagere toelatingseisen bij de opleidings-route tot bevoegdheid voor het jonge kind. Kunnen de Ministers beves-tigen dat het wetsvoorstel, ook op lange termijn, niet zal leiden tot lageretoelatingseisen, zo vragen zij.Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie hoe dit zich verhoudt tot deCommissie Zevenbergen. Deze leden betreuren dat de commissievoortijdig gestopt is, maar wijzen erop dat er wel consensus is bereiktover het feit dat smalle bevoegdheden voor het jonge en oudere kindonwenselijk is. De commissie was van mening dat het goed mogelijk isom te specialiseren met behoud van de huidige brede bevoegdheid. Hoereflecteren de Ministers hierop en hoe reageren zij op deze kritiek, zovragen deze leden.NoodzakelijkheidDe leden van de D66-fractie hebben zeer grote vragen bij de noodzake-lijkheid van het wetsvoorstel, net als in het verleden de CommissieZevenbergen, de AOb, de PO-Raad, Vereniging Hogescholen en dedeelnemende pabo’s aan de pilot. Zij vragen daarbij aan de Ministersexpliciet te reageren op de bezwaren vanuit de internetconsultatie. Zijvragen de Ministers dan ook zeer uitvoerig de noodzakelijkheid van ditvoorstel te motiveren, alvorens een hoofdlijnennotitie naar de Kamer te6AOb: Algemene OnderwijsbondTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 4965 sturen. Deze leden vinden het belangrijk hier het onderscheid te makentussen het voorgenomen specialisatiemodel en het model waarbij depabo en bevoegdheden worden gesplitst. Welk bewijs hebben deMinisters dat specifiek een splitsing van de pabo en smalle bevoegdhedendaadwerkelijk leidt tot een grotere instroom van leraren, en in hetbijzonder de instroom van mannen, zo vragen zij. Kunnen de Ministersdaarbij alle onderzoeken en onderliggende ambtelijke analyses met deKamer delen, zo vragen zij. Mocht er geen onderzoek ten grondslag liggenaan dit wetsvoorstel, zijn de Ministers dan bereid onderzoek te doen naarde noodzakelijkheid en effectiviteit van het voorstel, zo vragen deze leden.Mocht die bereidheid er niet zijn, delen de Ministers de mening dat hetzeer onwenselijk is een wetsvoorstel voort te zetten zonder onderzocht tehebben of dit specifieke voorstel daadwerkelijk effect sorteert, zo vragendeze leden.De leden van de D66-fractie vragen daarnaast of de Ministers inzichtelijkkunnen maken welke opleidingen op dit moment wel of geen verplichtekleuterstage kennen. Denken de Ministers niet dat, indien blijkt dat ermeer mannelijke studenten instromen bij de afwezigheid van eendergelijke stage, het veel effectiever en doelmatiger is om op korte termijnbij zoveel mogelijk opleidingen te stoppen met een verplichte kleuter-stage, zo vragen deze leden.Daarbij vragen de leden van de D66-fractie hoe dit wetsvoorstel zichverhoudt tot het advies «Ruim baan voor leraren» van de Onderwijsraad,waarin juist gepleit wordt voor bredere bevoegdheden. Zijn de Ministersdaarbij bereid om de Onderwijsraad te raadplegen voor advies, zo vragenzij.EffectenDe leden van de D66-fractie maken zich grote zorgen om het lerarentekort.Dit tekort wordt de komende jaren groter, ondanks de forse inzet vanvorige kabinetten om de instroom te verhogen. Deze leden vragen of deMinisters kunnen delen wat de impact van de smalle bevoegdheden is ophet lerarentekort. Mocht dit niet bekend zijn, zijn de Ministers bereid omonderzoek te doen naar de precieze impact van het voorstel op hetlerarentekort en de inzetbaarheid van leraren, zo vragen zij. Bovendienmaken deze leden zich zorgen over een toename in onbevoegd gegevenlessen, door het lerarentekort en de smalle bevoegdheden. Deze ledenzien het risico dat leraren, bevoegd voor het jonge kind, wegens hetlerarentekort toch les moeten geven aan oudere kinderen (of vice versa),met kwaliteitsdaling tot gevolg. Hoe zien de Ministers dat, zo vragen zij.Ook vragen deze leden of de Ministers het wenselijk vinden dat smalle enbrede bevoegdheden naast elkaar bestaan.Daarnaast willen de leden van de D66-fractie benadrukken dat het vanbelang is om zicht te houden op de gehele leerlijn, van groep 1 tot en met8. Door smalle bevoegdheden kan er verkokering optreden tussen dedoorlopende leerlijn van het jonge kind en het oudere kind en wordt hetzicht op deze leerlijn slechter. Hoe zien de Ministers dat, zo vragen dezeleden.Tot slot vragen de leden van de D66-fractie in hoeverre er overleg plaatsheeft gevonden met werkgevers in het onderwijs. Met een splitsing in depabo en de daarmee samenhangende splitsing in bevoegdheden dreigteen nieuw wendbaarheids- en bevoegdheidsprobleem te ontstaan, zovrezen deze leden. Door bevoegdheden te splitsen neemt de schoolin-terne en regionale flexibele inzetbaarheid af en zijn scholen minder inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 4966 staat mensen gericht in te zetten daar waar (tijdelijke) tekorten lokaal ofregionaal het meest urgent zijn. Zien de Ministers dit ook, zo vragen dezeleden.Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief over deuitvoering van de motie van het lid De Kort c.s. over vaart maken met hetwetsvoorstel en twee nieuwe pabo-opleidingen inrichten die opleiden totgespecialiseerde lesbevoegdheden en van de gewijzigde motie van het lidSoepboer over naast de gehanteerde klokurennorm ook een maximumles-urennorm van 24 lesuren per week opnemen in de cao van het voortgezetonderwijs.De leden van de BBB-fractie constateren een afname van het aantalmannen in het onderwijs nadat de Kweekschool en de KLOS7 opgingen inde pabo in de jaren ’80. Mannen lijken minder op te hebben met hetkleuteronderwijs, wat het vak voor hen minder interessant zou hebbengemaakt. Deze leden juichen dan ook de ontwikkeling toe waarinkleuterdidactiek weer gescheiden gaat worden aangeboden en hebbenenkele vragen en opmerkingen bij de brief over de uitvoering.De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat een toestroom vanmannelijke leerkrachten een belangrijke deel van de oplossing van hetnijpende lerarentekort kan zijn. Graag vernemen zij van de Ministers of zijdeze mening delen. Tevens zijn deze leden van mening dat bij hetoplossen van het lerarentekort dan ook veel haast geboden is. Dit maaktdan ook dat deze leden graag zien dat de hoofdlijnennotitie met funda-mentele keuzes aan de Kamer wordt gestuurd. Kunnen de Ministerstoezeggen dat dit voor het zomerreces gebeurt?Daarnaast vragen de leden van de BBB-fractie of de Ministers bereid zijnmet het onderwijsveld in gesprek te gaan om tot een brede overeen-stemming te komen over de vooropleidingseisen en een uniformeleeftijdsgrens. Deze leden benadrukken dat het hun nadrukkelijke wens isdat deze maatregel ervoor zorgt dat het huidige percentage van afgestu-deerde pabo-studenten van 18 procent zal stijgen.De leden van de BBB-fractie merken met betrekking tot de motie van hetlid Soepboer over de maximumlesurennorm op dat zij verheugd zijn dathet onderwerp bij de sociale partners onder de aandacht zal wordengebracht. Deze leden delen het standpunt dat het, gezien het doel van demotie om de werkdruk te verlichten, een goede zaak is als cao-partijendeze motie ter harte nemen.Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de motie van het lidDe Kort c.s. aandacht voor het feit dat onvoldoende mannen kiezen vooreen carrière in het (basis)onderwijs. Deze leden zien dit gegeven ook alsproblematisch, maar betwijfelen of het splitsen van de pabo-opleiding hetgewenste effect gaat hebben. Hebben de Ministers aanwijzingen dat hetsplitsen van de pabo-opleiding daadwerkelijk gaat leiden tot meerpabo-studenten, in het bijzonder mannelijke studenten? Is het beeld datmannelijke studenten veelal afhaken na een verplichte kleuterstage in heteerste jaar terecht?7KLOS: Kleuter Leidster Opleiding SchoolTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 4967 In dit kader vragen de leden van de ChristenUnie-fractie ook naar deuitvoering van motie van het lid Ceder8. Hoe verlopen de gesprekken metde onderwijsorganisaties? Welke organisaties doen mee? Wanneerverwachten zij afspraken over het streefcijfer en hoe daar te komen metde Kamer te kunnen delen? Van welke maatregelen verwachten deMinisters dat zij het meest kansrijk om meesters te werven en tebehouden?II Antwoord/reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur enWetenschap en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap Inbreng van de leden van de Groenlinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken er bezwaar tegen datdeze maatregel wordt gepresenteerd als een wondermiddel waarmee veelmeer mannelijke schoolverlaters gaan kiezen voor de pabo en waarmeehet lerarentekort substantieel gaat verminderen. Ook de Ministersnoemden het bij de beantwoording van een feitelijke vraag over deSlotwet 2023 «nog onzeker of een splitsing van de pabo-opleidingen inopleidingen voor jonge en oudere kinderen tot meer leraren leidt». Watdat betreft verwachten deze leden aanmerkelijk meer van het Deltaplantegen het lerarentekort, waar de Kamer om heeft gevraagd door injanuari 2024 de motie van het lid Pijpelink aan te nemen. Delen deMinisters deze mening?Het kabinet ziet dat er een belangrijke kwaliteitsslag nodig is in hetonderwijs. Daarom werken we aan een herstelplan dat zich richt op hetverbeteren van het onderwijs. Het aanpakken van het lerarentekort is hieronderdeel van. De urgente problematiek waarmee het onderwijs kampt,vraagt om oplossingen waarbij we buiten de gebaande paden treden. Hetvoorstel om opleidingen mogelijk te maken voor het jonge en het ouderekind naast de bestaande brede opleidingen, is één van de maatregelen omde pabo aantrekkelijker te maken en zo de instroom mogelijk te verhogenvan een meer diverse doelgroep.Gaat de gedifferentieerde pabo straks ook opleiden voor verschillendeonderwijsbevoegdheden? Zo nee, hoe gaan de Ministers dan waarborgendat een docent die de pabo voor het oudere kind heeft gevolgd, maar diede school noodgedwongen toch inzet voor onderwijs aan een groep jongekinderen, met zijn of haar handelingsverlegenheid wordt geconfronteerd?Ja, studenten die de lerarenopleiding voor het jonge of oudere kindafronden behalen een bevoegdheid voor het lesgeven aan het jonge ofhet oudere kind. Dit heeft dus impact op de inzetbaarheid op de school.Gelet op het lerarentekort kan het voorkomen, zoals nu ook in het vo hetgeval is, dat leraren tijdelijk worden ingezet om onderwijs te geven aan degroep waarvoor geen bevoegdheid is gehaald. De tekorten in hetonderwijs zijn op sommige scholen zo urgent, dat soms noodoplossingennodig zijn. Bij de afweging van welke oplossing gekozen wordt, is hetbelangrijk dat de kwaliteit van het onderwijs voorop staat en dat de leraarvoldoende ondersteuning krijgt vanuit de school.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen vooral dat lerarenoplei-dingen beter worden toegerust om leraren te scholen voor een latereselectie van hun leerlingen en hen goed voor te bereiden op de omgangmet zorgleerlingen en leerlingen die specifieke ondersteuning nodig8Kamerstuk 27 923, nr. 467Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 4968 hebben. Delen de Ministers deze wensen? Welke stappen kunnen deMinisters hiervoor nog zetten?Het belang van kennis bij leraren over de overgang van het primaironderwijs (hierna: po) naar het voortgezet onderwijs (hierna: vo) is groot.Daarom is in 2023 het Landelijk expertisecentrum PO-VO met middelenvanuit OCW gestart. Dit expertisecentrum helpt zowel lerarenopleidingenals scholen bij evidence informed handelen om een ononderbrokenontwikkeling en gelijke kansen bij de overgang van het po naar vo tebevorderen. Ook bij de herijking van de kennisbasis pabo krijgen dezethema’s een belangrijke plek.Kort geleden is een onderzoek van ResearchNed afgerond over deondersteuning en professionalisering van leraren bij passend eninclusiever onderwijs. In de beleidsreactie op dit onderzoek, die wij uwKamer in het najaar doen toekomen, gaan we in op de gewensteverandering in lerarenopleidingen op dit thema.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat met hetaannemen van de motie van het lid Soepboer, de Kamer de regering ookheeft verzocht om voortaan in de cao van het voortgezet onderwijs nietalleen klokurennorm te hanteren maar ook een maximumlesurennormvan 24 lesuren per week. Een overweging bij dit verzoek is dat korterelesuren binnen dezelfde klokurennorm onherroepelijk leiden tot meercontactmomenten en daarmee tot meer voorbereiding, nawerk enadministratie. De Ministers reageren dat de sociale partners gaan over deafspraken in de cao, ook over de afspraken over het aantal lesuren perweek voor docenten. Deze leden constateren echter dat het kabinet dejaarlijkse ruimtebrief over de kabinetsbijdrage voor de arbeidskostenont-wikkeling, vertrouwelijk naar onderwijswerkgevers stuurt, maar deze nogaltijd niet inzichtelijk wordt gemaakt voor alle sociale partners, ondanks demotie van het lid Van den Hul c.s. inzake het inzichtelijk maken van deruimtebrief9, die de Kamer reeds in maart 2019 heeft aangenomen. Welkeoverwegingen liggen ten grondslag aan deze nog altijd volgehoudeneenzijdige informatie van de onderwijswerkgevers? Maakt een maximum-lesurennorm wel een serieuze kans bij de cao-onderhandelingen als dewerknemersorganisaties die vooral belang hebben bij zo’n norm,tegelijkertijd door het kabinet welbewust op een kennisachterstandworden gehouden over de loonruimte?In het proces van cao-onderhandelingen wordt vanuit beide zijdeninformatie gedeeld om de inzetbrieven nader toe te lichten en te onder-bouwen. Dit kenmerkt open en reëel cao-overleg in het onderwijs en wijktdaarmee niet af van het cao-overleg in de marktsector en in de kabinets-sectoren.10 Over de wijze van uitvoering van de genoemde motie Van denHul is uw Kamer destijds geïnformeerd.11 Zoals beschreven in de «VSOnadere informatie ruimtebrief» van 13 februari 201912, kan de werkgevers-zijde aan de cao-tafel per sector vertrouwelijk informatie delen met devakbonden over de sectorale arbeidsvoorwaardenruimte voor nieuwecao-afspraken.Sociale partners hebben, ieder vanuit hun eigen rol, de vrijheid omdiverse onderwerpen te agenderen op de cao-tafel. Zij bepalen hierovervooraf ieder hun eigen inzet. De motie is onder de aandacht gebracht bij9Kamerstuk 35 000 VIII, nr. 173.10Sectoren waarin de Minister de werkgeversrol vervult en de cao afsluit: Rijk, Politie, Defensie,Rechterlijke Macht.11Kamerstuk 35 000 VIII, nr. 183 en Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 3060.12VSO nadere informatie ruimtebrief. Kamerstuk 35 000 VIII, nr. 159.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 4969 de sociale partners. Of een lesurennorm uiteindelijk in de cao zal landen isafhankelijk van de belangenafweging die sociale partners gedurende deonderhandelingen gezamenlijk maken. Conform de motie moedigen wehen aan op dit punt tot afspraken te komen.Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie willen opmerken dat het doel van splitsingvan de pabo tweeledig is. Allereerst zorgt een gesplitste pabo voor eenbredere aantrekkingskracht van de opleiding, zowel voor mannen alsvrouwen. Daarnaast zorgt splitsing ook voor meer focus in het curriculum,wanneer de opleiding niet meer tot een lesbevoegdheid voor de gehelebreedte van het primair onderwijs hoeft op te leiden. Deze leden zijn vanmening dat hiermee ook meer ruimte komt voor onderwijs in basisvaar-digheden. Kunnen de Ministers op bovenstaande reflecteren?De leden van de VVD-fractie benadrukken de mogelijke positieve effectenvan het voornemen om losse opleidingen voor het jonge en oudere kindmogelijk te maken. In het vignetonderzoek van Qompas (2018)13 is aanrespondenten gevraagd of zij eerder zouden kiezen voor een pabowaarbinnen je je specialiseert in het lesgeven aan het jonge of ouderekind ten opzichte van een pabo zonder specialisatiemogelijkheid.Belangrijk aandachtspunt is dat in dit onderzoek niet is aangegeven totwelke bevoegdheid de gespecialiseerde opleiding leidt (smal of breed).Uit dit onderzoek weten we dat er groepen zijn die aangeven dat dezeopleidingen met een specialisatiemogelijkheid aantrekkelijker zijn dan debredere opleiding. Dat neemt niet weg dat er ook groepen zullen zijn diede brede opleiding de aantrekkelijkste optie blijven vinden. We vinden hetvan belang om naast het mogelijk maken van de nieuw te vormenopleidingen ook de brede route te behouden. Ook omdat de leraren meteen brede opleiding breder inzetbaar zijn, hetgeen zeker in tijden vantekorten een pré is. Met het mogelijk maken van deze combinatie vanopleidingen willen we beter aansluiten bij de verschillende wensen vanaankomend studenten en op die manier een zo groot en divers mogelijkedoelgroep aanspreken. We willen beter zicht krijgen op het mogelijkeaantal extra studenten door de introductie van opleidingen die leiden totsmalle bevoegdheden. Daarom zetten we, parallel aan het opstellen vande hoofdlijnennotitie, hier zo snel mogelijk extra onderzoek naar uit. Deverwachting is dat dit onderzoek in het voorjaar is afgerond.De leden van de VVD-fractie stellen terecht dat smallere opleidingenruimte kunnen bieden voor meer focus op basisvaardigheden, metvakinhoud, -didactiek en pedagogiek gericht op de specifieke leeftijds-groep. Daarbij is het van belang om ook bij smallere bevoegdheden enspecialisatie binnen de brede bevoegdheid voldoende zicht op dedoorlopende leerlijn te houden. Bij de vormgeving van opleidingenverdient dit aandacht van hogeronderwijsinstellingen.De leden van de VVD-fractie vragen of de Ministers de mening delen datsnelle uitvoering van deze motie van belang is voor het verdiepen van hetpabo-curriculum en een bijdrage kan leveren aan het oplossen van hetlerarentekort. Kunnen de Ministers toezeggen dat de eerste benodigdestappen voor differentiatie van de pabo-opleiding onverwijld wordengezet?13«Optimale inrichting van lerarenopleidingen», Qompas, Leiden, oktober 2018. In dit onderzoekis niet aangegeven tot welke bevoegdheid de gespecialiseerde opleiding leidt (smal of breed).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 49610 In de brief over de uitvoering van motie De Kort c.s. is het te doorlopenproces uiteengezet. Daarin is aangegeven dat als eerste stap eenhoofdlijnennotitie aan de Kamer wordt toegezonden, waarin funda-mentele keuzes worden geschetst en bij uw Kamer in gesprek wordengebracht. De verwachting is dat het vroegtijdig maken van deze keuzestijdwinst oplevert in de loop van het proces en essentieel is voor devormgeving van wet- en regelgeving. Na verzending van eerdergenoemdebrief is gelijk gestart met de voorbereiding van deze hoofdlijnennotitie ingesprekken met beroepsgroep, opleidingen en werkgevers.Graag zouden de leden van de VVD-fractie van de Ministers horen of zijbereid zijn de hoofdlijnennotitie met daarin de schets met fundamentelekeuzes zo snel mogelijk, bijvoorbeeld nog voor de zomer van 2024 aan deKamer te doen toekomen. Tevens zouden zij graag van de Ministers horenof zij bereid zijn in de tussentijd gesprekken met het veld te starten om toteen bredere consensus te komen over een uniforme leeftijdsgrens envooropleidingseisen.De leden van de VVD-fractie vragen om snelle toezending van dehoofdlijnennotitie en tegelijkertijd om tot brede consensus te komen inhet veld over de te maken fundamentele keuzes. Dit proces kost tijd. In heteerder ter internetconsultatie voorgelegde wetsvoorstel waren dezekeuzes nog niet gemaakt en was voorzien om dit te doen tijdens hetwetgevingsproces. Door deze volgorde nu om te draaien duurt hetweliswaar langer voordat het vervolg van het proces kan worden hervat,maar is de inzet dat de behandeling van het wetsvoorstel door scherpekeuzes daarna sneller kan. De gesprekken met het veld zijn inmiddelsgestart.Inbreng van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie lezen dat de internetconsultatie in 2020overwegend negatieve reacties opleverde, terwijl de pilots in 2021 enoktober 2022 juist positief werden geëvalueerd. Daarom vragen dezeleden wat de inhoudelijke verschillen waren tussen het wetsvoorstel uit2020 en de pilots.De leden van de NSC-fractie merken terecht op dat er verschil bestaattussen de reacties op de internetconsultatie en de resultaten van de indezelfde periode uitgevoerde pilots. De negatieve reacties zien voor hetovergrote deel op de smalle bevoegdheid die door het wetsvoorstel wordtgeregeld. In de reacties worden zorgen geuit over de beperkte inzet-baarheid in tijden van tekorten, beperkt ontwikkelperspectief van lerarenen beperkter zicht op de doorlopende leerlijn door de smalle bevoegd-heid. Het eerder genoemde onderzoek naar de interesse van aspirant-studenten in opleidingen die leiden tot een smalle bevoegdheid kan eenbeeld geven of het extra aantal studenten dat deze nieuwe opleidingentrekt de verminderde flexibele inzet compenseert.In de pilots is ingezet op specialisatie (vanaf jaar 3), maar wel binnen debrede bevoegdheid en vanuit een brede kennisbasis. Hiermee blijvenaankomende leraren breed inzetbaar en blijft een brede kennisbasisaangereikt. De specialisaties uit de pilots zijn inmiddels staande praktijkgeworden en worden verder doorontwikkeld naar een landelijk specialisa-tiemodel.De leden van de NSC-fractie lezen dat er voor de pabo een landelijkekennisbasis is vastgesteld. Daarbij wordt voorgesteld om deze kennisbasisop te splitsen voor de opleiding voor jonge kinderen en voor de opleidingvoor oude kinderen. Daarbij vragen deze leden of een achterliggendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 49611 reden achter deze voorgestelde splitsing is dat het kennisniveau van delesstof voor jonge kinderen logischerwijs lager is dan voor oude kinderenen dat de lesvaardigheden bij oudere kinderen om andere pedagogischevaardigheden vragen.De bekwaamheidseisen onderwijspersoneel vormen voor elke leraar debasis van wat zij vakinhoudelijk, vakdidactisch en pedagogisch moetenkennen en kunnen. Op deze bekwaamheidseisen wordt door de oplei-dingen voortgeborduurd in de kennisbases, die voor opleidingen de basisvormen in de ontwikkeling van het curriculum. Op dit moment worden dekennisbases al herijkt en wordt in zowel het algemene deel als hetvakspecifieke deel onderscheid gemaakt in specifieke onderdelen voor hetjonge en het oudere kind. Daarin is het mogelijk dat er een andereverhouding bestaat tussen vakinhoud, vakdidactiek en pedagogiek. Dezeandere verhouding zou echter nooit moeten leiden tot niveauverschiltussen de opleidingen. Het belang van leerkrachten op minimaalhbo-niveau is voor zowel het jonge als het oudere kind groot. Juist in hetbelang van onderwijskwaliteit is dit voor ons een belangrijk uitgangspunt.De leden van de NSC-fractie vragen aan de Ministers of er ook wordtgekeken naar mogelijke overstaptrajecten na afronding van de gespeciali-seerde pabo en hoe deze eventueel vorm zouden kunnen krijgen,bijvoorbeeld dat ze gemeenschappelijk worden aangeboden.We delen met de leden van de NSC-fractie dat het van belang is om eentoegankelijk traject om de bevoegdheid te verbreden in te richten. Ditzorgt ook voor extra ontwikkelperspectief en mobiliteit voor leraren. Deduur van dit verbredingstraject wordt bepaald door de mate waarin degespecialiseerde opleidingen afwijken van de brede pabo. Uiteindelijk ishet aan de instellingen om in te schatten hoeveel tijd nodig is om debenodigde extra kennis en (stage)ervaring op te doen om tot de extrabevoegdheid te komen. In de hoofdlijnennotitie zullen we verder op ditthema ingaan.De leden van de NSC-fractie lezen dat de Ministers met de socialepartners gaan kijken naar de mogelijkheden voor de maximumlesurennorm. Daarbij vragen deze leden of de Ministers dan van plan zijnom deze norm onder andere te agenderen bij de in juni 2024 gestartecao-onderhandelingen voor het voortgezet onderwijs. Daarnaast vragendeze leden ook of de Ministers van plan zijn om, in lijn met deze aange-nomen motie, te blijven pleiten voor de maximum lesurennorm, ook alseen aantal sociale partners hier anders tegen aankijkt. Dit is tenslotte eenwens van de meerderheid van de Kamer.Zoals aangegeven in de brief «Voortgang lerarenstrategie juni 2024»14 ishet verzoek uit de motie van het lid Soepboer (NSC) over een maximumlesurennorm in de CAO VO15 onder de aandacht gebracht vancao-partijen. Het is nu aan de cao-partijen om de oproep uit de motie bijhet cao-overleg te betrekken. Het zoeken naar effectieve maatregelen voorhet verlagen van de werkdruk, maakt volgens de inzetbrieven onderdeeluit van de cao-onderhandelingen. Het is aan sociale partners om tebepalen of een maximum lesurennorm in de rede ligt. Mogelijk komen zijtot alternatieve afspraken om de werkdruk te verlichten. Ondertussengaan wij door met de bredere aanpak voor het verlagen van de werkdruk,onder meer via de structurele middelen die hiervoor sinds het schooljaar14Kamerstuk 27 923, nr. 492, bijlage 2 Stand van zaken moties, toezeggingen en onderzoeken.15Kamerstuk 27 923, nr. 483.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 49612 2022–’23 jaarlijks beschikbaar worden gesteld (€ 300 miljoen voor hetvo16) en de pilot onderwijstijd voortgezet onderwijs.De leden van de NSC-fractie lezen dat de Ministers aangeven dat denaleving van de cao-afspraken over de lesurennorm niet aan de onder-wijsinspectie is. Echter, de onderwijsinspectie controleert wel al op deklokurennorm. Gecombineerd met kennis van de duur van een lesuur zouhier eenvoudig toezicht op kunnen worden gehouden. Daarom vragendeze leden waarom de Ministers dit niet zouden willen beleggen bij deonderwijsinspectie.De onderwijsinspectie houdt toezicht op de naleving van publiekrechte-lijke wet- en regelgeving, in of krachtens de onderwijswetten. Het toezichtop de lestijd van leerlingen valt daar bijvoorbeeld onder. Het toezicht opde naleving van cao-afspraken (zoals een klok- of lesurennorm voordocenten) behoort daarentegen niet tot de taken van de Onderwijsin-spectie. De verantwoordelijkheid voor de inhoud en toepassing van decao ligt bij sociale partners. Dat betekent dat ook de naleving vancao-afspraken, het toezicht daarop en de handhaving een privaatrechte-lijke zaak is tussen cao-partijen en tussen werkgevers en werknemersonderling. Werknemers hebben middelen om de naleving af te dwingenbij de werkgever. Dat kan bijvoorbeeld met behulp van de medezeggen-schap, de vakbond, of in het uiterste geval de rechter.Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de DD6-fractie vragen in hoeverre de beroepsgroepbetrokken is geweest bij de totstandkoming van het oorspronkelijkewetsvoorstel en bij de gestuurde brief over de uitvoering van de motie.We vinden het van groot belang om de beroepsgroep actief te betrekkenin dit traject. De gesprekken met de beroepsgroep en sociale partners zijninmiddels gestart en we kijken hoe we op een goede manier invullingkunnen geven aan het proces waarbij betrokkenheid van de beroepsgroepgeborgd is. In de internetconsultatie heeft daarnaast een brede vertegen-woordiging van de beroepsgroep inbreng geleverd op het oorspronkelijkewetsvoorstel. Die inbreng betrekken we ook bij het vervolgtraject. Deberoepsgroep zal betrokken worden bij de inhoudelijke uitwerking van hettraject. De beroepsgroep is niet actief betrokken geweest bij het opstellenvan de brief die wij in april naar uw Kamer hebben verzonden, omdat dezebrief een procesmatige insteek had en hierin nog geen inhoudelijkekeuzes gemaakt werden.Op welke wijze zijn de Ministers van plan de beroepsgroep te betrekkenbij de uitvoering van de motie en het opstellen van de hoofdlijnennotitie?Daarbij vragen de leden van de D66-fractie hoe de Ministers reflecteren ophet gebrek aan steun bij vakbonden en beroepsverenigingen zoals deAOb, die een enquête heeft uitgevoerd waaruit blijkt dat de beroepsgroepverschillend denkt over het splitsen van de pabo en dat de beroepsgroepzich in het bijzonder keert tegen smalle bevoegdheden.We hechten veel waarde aan de inbreng van de beroepsgroep en huninbreng nemen we mee in onze besluitvorming. Een deel van deberoepsgroep heeft het standpunt dat een brede bevoegdheid en smallebevoegdheden niet naast elkaar zouden moeten bestaan, een ander deelpleit juist voor het naast elkaar laten bestaan van smalle en bredebevoegdheden. Hierover zullen wij met hen het (verdiepend) gesprekvoeren. De resultaten van het eerdergenoemde onderzoek naar de16Onderwijsakkoord van 22 april 2022. Kamerstuk 31 289, nr. 615Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 49613 interesse van aspirant-studenten in opleidingen die leiden tot een smallebevoegdheid gebruiken we bij dit gesprek. Daarnaast is de beroepsgroepvolgens de wet aan zet om advies uit te brengen over hoe de bekwaam-heidseisen voor leraren eruit zouden moeten zien. Wij toetsen hun adviesvervolgens op draagvlak, proces en uitvoerbaarheid alvorens we ditkunnen overnemen in het besluit. Met deze wettelijke taak heeft deberoepsgroep een belangrijk aandeel in dit proces.De leden van de D66-fractie vinden het zeer onwenselijk als dit voorstel erkomt zonder steun van de beroepsgroep. De invulling van het leraarschap,wanneer en voor wat je bevoegd bent, is aan leraren zelf, zo stellen dezeleden. Delen de Ministers dat dit voorstel er niet mag komen zonder desteun van leerkrachten, zo vragen zij.Met de leden van de D66-fractie delen wij het belang van steun van deberoepsgroep. Zoals al eerder beschreven, zetten we er op in om hetproces en de uitwerking vorm te geven op een manier die zorgt voorbetrokkenheid en steun van leraren.De leden van de D66-fractie hebben daarnaast vragen over dedoorkruising van dit voorstel met lopende trajecten. In het bijzondervragen zij hoe de uitvoering van de motie zich verhoudt tot de herijkingvan bekwaamheidseisen en -gebieden die op dit moment wordt uitge-voerd door de beroepsgroep. Daarnaast vragen zij hoe dit voorstel zichverhoudt tot de stappen die worden gezet in het opleidingsberaad en rondde herijking van de kennisbasis van opleidingen.In de huidige herijking van de bekwaamheidseisen wordt door deberoepsgroep al toegewerkt naar bekwaamheidseisen die mindergeneriek zijn en meer zijn toegespitst op wat een leraar voor het jonge ofhet oudere kind zou moeten kennen en kunnen. Het is nog niet duidelijk inhoeverre deze bekwaamheidseisen gewijzigd moeten worden bij deinvoering van het wetsvoorstel. Volgens de huidige planning zou hetadvies van de lerarenorganisaties over de herijking van de bekwaam-heidseisen in het voorjaar van 2025 gereed moeten zijn, waarna wij hetvoorstel kunnen doen deze wettelijk te verankeren. Er kan dan gekekenworden of deze eisen meegenomen kunnen worden in het inrichten vanopleidingen voor leraren voor het jonge of oudere kind.Ook in het opleidingsberaad en de herijking van de kennisbases is alaandacht voor de uitsplitsing naar het jonge en oudere kind. Dit inverband met de ambities van pabo’s om tot een landelijk specialisatie-model te komen binnen de brede opleiding. In de komende periode tredenwe in overleg met betrokkenen over de vraag of deze herijking alvoldoende handvatten biedt voor de nieuw te vormen opleidingen, of dataanvullende aanpassingen nodig zijn.De leden van de D66-fractie vragen daarnaast of de Ministers een risicozien in een afname van de aantrekkelijkheid van het beroep aangezienleraren zelf aangeven grote waarde te hechten aan een brede inzet-baarheid na afronding van de opleiding.De brede opleiding blijft bestaan, naast het mogelijk maken van degespecialiseerde opleidingen die leiden tot een bevoegdheid voor hetjonge of het oudere kind. Dit kan bijdragen aan de aantrekkelijkheid vande pabo, waardoor er een meer diverse groep wordt aangesproken. Wewillen beter zicht krijgen op het mogelijke aantal extra studenten door deintroductie van opleidingen die leiden tot smalle bevoegdheden. Daaromzetten we, parallel aan het opstellen van de hoofdlijnennotitie, hier zo snelmogelijk extra onderzoek naar uit. De verwachting is dat dit onderzoek inhet voorjaar is afgerond.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 49614 Bovendien maken de leden van de D66-fractie zich zorgen om eenmogelijke daling in kwaliteit, door lagere toelatingseisen bij de opleidings-route tot bevoegdheid voor het jonge kind. Kunnen de Ministers beves-tigen dat het wetsvoorstel, ook op lange termijn, niet zal leiden tot lageretoelatingseisen, zo vragen zij.Met de leden van de D66-fractie delen we de mening dat mogelijkinhoudelijk gewijzigde toelatingseisen nooit mogen leiden tot een verschilin niveau van de verschillende routes. Dat was ook het uitgangspunt vanhet eerder ter internetconsultatie voorgelegde wetsvoorstel. In de reactiesop de internetconsultatie wordt dit uitgangspunt positief ontvangen. In dehoofdlijnennotitie gaan we verder in op de uitwerking van dit onderdeel.Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie hoe dit zich verhoudt tot deCommissie Zevenbergen. Deze leden betreuren dat de commissievoortijdig gestopt is, maar wijzen erop dat er wel consensus is bereiktover het feit dat smalle bevoegdheden voor het jonge en oudere kindonwenselijk is. De commissie was van mening dat het goed mogelijk isom te specialiseren met behoud van de huidige brede bevoegdheid. Hoereflecteren de Ministers hierop en hoe reageren zij op deze kritiek, zovragen deze leden.Het blijft mogelijk om de huidige brede opleiding te volgen. Het mogelijkmaken van twee gespecialiseerde opleidingen die leiden tot een smallebevoegdheid, naast de bestaande brede opleiding, zorgt ervoor dat erdaadwerkelijk meer focus en keuzemogelijkheden kunnen wordenaangebracht in de inhoud van de opleiding. In de huidige opleidinghebben studenten ook een specialisatiemogelijkheid, maar de ruimtehiertoe is beperkt, omdat studenten een bevoegdheid halen om les tegeven aan het jonge en het oudere kind, ongeacht de specialisatie die zijkiezen. Dit maakt het curriculum vol. De gespecialiseerde opleidingen, dieleiden tot een bevoegdheid voor het jonge of het oudere kind, kunnen inhun aanbod scherper focussen op het jonge of het oudere kind, en zokrijgen leraren meer bagage mee om les te geven aan de doelgroep vanhun keuze.NoodzakelijkheidDe leden van de D66-fractie hebben zeer grote vragen bij de noodzake-lijkheid van het wetsvoorstel, net als in het verleden de CommissieZevenbergen, de AOb, de PO-Raad, Vereniging Hogescholen en dedeelnemende pabo’s aan de pilot. Zij vragen daarbij aan de Ministersexpliciet te reageren op de bezwaren vanuit de internetconsultatie. Zijvragen de Ministers dan ook zeer uitvoerig de noodzakelijkheid van ditvoorstel te motiveren, alvorens een hoofdlijnennotitie naar de Kamer testuren. Deze leden vinden het belangrijk hier het onderscheid te makentussen het voorgenomen specialisatiemodel en het model waarbij depabo en bevoegdheden worden gesplitst. Welk bewijs hebben deMinisters dat specifiek een splitsing van de pabo en smalle bevoegdhedendaadwerkelijk leidt tot een grotere instroom van leraren, en in hetbijzonder de instroom van mannen, zo vragen zij. Kunnen de Ministersdaarbij alle onderzoeken en onderliggende ambtelijke analyses met deKamer delen, zo vragen zij. Mocht er geen onderzoek ten grondslag liggenaan dit wetsvoorstel, zijn de Ministers dan bereid onderzoek te doen naarde noodzakelijkheid en effectiviteit van het voorstel, zo vragen deze leden.Mocht die bereidheid er niet zijn, delen de Ministers de mening dat hetzeer onwenselijk is een wetsvoorstel voort te zetten zonder onderzocht tehebben of dit specifieke voorstel daadwerkelijk effect sorteert, zo vragendeze leden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 49615 Uit het eerder genoemde Qompas17-onderzoek (2018) blijkt dat de ouderekind-route iets aantrekkelijker is voor mannelijke havo/vwo-studenten(+1,3 procentpunt) en ook iets aantrekkelijker voor mannelijkembo-studenten (+1 procentpunt) ten opzichte van de pabo zonderspecialisatiemogelijkheid. Daarnaast zou een jonge kind-route mogelijkaantrekkelijk zijn voor met name de doorstroom van vrouwelijke mbo-4-studenten (+0,7 procentpunt). Ook uit onderzoek van Researchned(2018)18 is interesse voor meer differentiatie gebleken: potentiëlestudenten gaven in dit onderzoek eveneens aan interesse te hebben inopleidingen met inhoudelijke accenten en thematische verdieping op hetjonge of het oudere kind. We willen beter zicht krijgen op het mogelijkeaantal extra studenten door de introductie van opleidingen die leiden totsmalle bevoegdheden. Daarom zetten we, parallel aan het opstellen vande hoofdlijnennotitie, hier zo snel mogelijk extra onderzoek naar uit. Deverwachting is dat dit onderzoek in het voorjaar is afgerond.Uit onderzoek van Berenschot (2018)19 naar loopbaanperspectief in het poblijkt bovendien dat het voor het loopbaanpad van leraren met eengetuigschrift van de pabo kan helpen als zij zich tijdens de opleiding alverdergaand kunnen specialiseren. Zij kunnen met inbreng van meerspecifieke kennis ook een schoolteam verrijken tijdens hun carrière.In tijden van tekorten zullen we moeten blijven inzetten om zo veelmogelijk potentiële leraren te verleiden om de opleiding te gaan doen.Door de blijvende tekorten wordt het palet aan maatregelen ook breder.Door opleidingen leidend tot een gespecialiseerde bevoegdheid voor hetlesgeven aan het jonge of oudere kind naast de huidige bredebevoegdheid mogelijk te maken, kan de pabo aantrekkelijker worden enmogelijk een meer diverse doelgroep aanspreken. Daarmee wordt dezemaatregel onderdeel van de bredere aanpak in het kader van hetherstelplan kwaliteit onderwijs, zoals ook omschreven in het hoofdlijnen-akkoord en het regeerprogramma. Op zowel de positieve reacties als debezwaren van de internetconsultatie gaan we nader in bij de toegezegdehoofdlijnennotitie voor het najaar van 2024.De leden van de D66-fractie vragen daarnaast of de Ministers inzichtelijkkunnen maken welke opleidingen op dit moment wel of geen verplichtekleuterstage kennen. Denken de Ministers niet dat, indien blijkt dat ermeer mannelijke studenten instromen bij de afwezigheid van eendergelijke stage, het veel effectiever en doelmatiger is om op korte termijnbij zoveel mogelijk opleidingen te stoppen met een verplichte kleuter-stage, zo vragen deze leden.Ongeveer de helft van de pabo’s heeft geen verplichte kleuterstage. Wezien geen verschil in instroom van mannen tussen pabo’s met verplichtestage in de eerste twee groepen en pabo’s zonder. De kleuterstage blijktvolgens de pabo’s slechts zelden de aanleiding te zijn voor meesters-in-opleiding om vroegtijdig met hun studie te stoppen.Daarbij vragen de leden van de D66-fractie hoe dit wetsvoorstel zichverhoudt tot het advies «Ruim baan voor leraren» van de Onderwijsraad,waarin juist gepleit wordt voor bredere bevoegdheden. Zijn de Ministersdaarbij bereid om de Onderwijsraad te raadplegen voor advies, zo vragenzij.17«Optimale inrichting van lerarenopleidingen», Qompas, Leiden, oktober 2018. In dit onderzoekis niet aangegeven tot welke bevoegdheid de gespecialiseerde opleiding leidt (smal of breed).18«Specialisatiemogelijkheden in lerarenopleidingen», Researchned, 2018. Kamerstuk 27 923,nr. 345.19«Loopbaanpaden in het primair onderwijs», Berenschot, 2018.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 49616 In het advies «Ruim baan voor leraren» wordt gepleit voor bevoegdhedendie de huidige schotten in het onderwijs doorbreken. Zo geeft deOnderwijsraad een voorbeeld van een mogelijke bevoegdheid voor hetjonge kind waar voorschoolse educatie en groep 1 en 2 wordt gecombi-neerd en bijvoorbeeld een gamma-bevoegdheid voor 10 t/m 14 jaar. Ookwordt het belang benoemd van korte(re) trajecten die bevoegdhedenverbreden. De Onderwijsraad ziet hierin mogelijkheden om het vakaantrekkelijker te maken en de lerarentekorten beter aan te pakken. Methet mogelijk maken van opleidingen met een scherpere focus op hetjonge of het oudere kind willen we een meer diverse doelgroepaanspreken en we verwachten dat dit mogelijk ook kan bijdragen aan deaantrekkelijkheid van het vak en het aanpakken van het lerarentekort. Inhet verdere proces zal worden bezien welke elementen van het advies«Ruim baan voor leraren» verder kunnen worden meegenomen en wat demeerwaarde zou zijn van en een eventueel aanvullend Onderwijsraad-advies op dit specifieke thema.Deze leden vragen of de Ministers kunnen delen wat de impact van desmalle bevoegdheden is op het lerarentekort. Mocht dit niet bekend zijn,zijn de Ministers bereid om onderzoek te doen naar de precieze impactvan het voorstel op het lerarentekort en de inzetbaarheid van leraren, zovragen zij. Bovendien maken deze leden zich zorgen over een toename inonbevoegd gegeven lessen, door het lerarentekort en de smalle bevoegd-heden. Deze leden zien het risico dat leraren, bevoegd voor het jongekind, wegens het lerarentekort toch les moeten geven aan ouderekinderen (of vice versa), met kwaliteitsdaling tot gevolg. Hoe zien deMinisters dat, zo vragen zij. Ook vragen deze leden of de Ministers hetwenselijk vinden dat smalle en brede bevoegdheden naast elkaar bestaan.Onze verwachting is dat het naast elkaar laten bestaan van brede ensmalle bevoegdheden als voordeel heeft dat er in een schoolteam zowelleraren zijn die het overzicht hebben over de volledige leerlijn van groep 1tot en met 8 als leraren die over specialistische kennis en vaardighedenvoor het jonge of oudere kind beschikken. Deze leraren kunnen binnen hetschoolteam hun brede of specialistische kennis effectief benutten. Dit zouhet werkplezier van leraren positief kunnen beïnvloeden.Het is nu niet te voorspellen wat de impact van deze combinatie vanbevoegdheden op de omvang van de tekorten zal zijn. In een verkennendgesprek met onderzoekers hierover hebben zij aangegeven dat ditvanwege de vele variabelen en omgevingsfactoren ook ingewikkeld is omte onderzoeken. Wel zullen we zoals hierboven aangegeven onderzoekdoen naar het mogelijke aantal extra studenten door de introductie vanopleidingen die leiden tot smalle bevoegdhedenDaarnaast willen de leden van de D66-fractie benadrukken dat het vanbelang is om zicht te houden op de gehele leerlijn, van groep 1 tot en met8. Door smalle bevoegdheden kan er verkokering optreden tussen dedoorlopende leerlijn van het jonge kind en het oudere kind en wordt hetzicht op deze leerlijn slechter. Hoe zien de Ministers dat, zo vragen dezeleden.Doordat de mogelijkheid om een brede bevoegdheid te behalen blijftbestaan, zullen schoolteams divers zijn in samenstelling. Een deel van deleraren is breed opgeleid en heeft goed zicht op de doorlopende leerlijnvan groep 1 tot en met 8, een ander deel is gespecialiseerd opgeleid enkan deze specialistische kennis en vaardigheden inzetten ter verdieping.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 49617 Tot slot vragen de leden van de D66-fractie in hoeverre er overleg plaatsheeft gevonden met werkgevers in het onderwijs. Met een splitsing in depabo en de daarmee samenhangende splitsing in bevoegdheden dreigteen nieuw wendbaarheids- en bevoegdheidsprobleem te ontstaan, zovrezen deze leden. Door bevoegdheden te splitsen neemt de schoolin-terne en regionale flexibele inzetbaarheid af en zijn scholen minder instaat mensen gericht in te zetten daar waar (tijdelijke) tekorten lokaal ofregionaal het meest urgent zijn. Zien de Ministers dit ook, zo vragen dezeleden.Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel uit 2020 is met werkgeversgesproken en hebben vele werkgevers hun visie kenbaar gemaakt inreactie op de internetconsultatie. Deze inbreng wordt meegenomen in hethuidige proces. De gesprekken met de vertegenwoordigers vanwerkgevers zijn gestart en hierin wordt ook gesproken over inzetbaarheidvan leraren. Het is de vraag in hoeverre het mogelijk maken van degespecialiseerde pabo’s een impact zal hebben op de personele organi-satie op scholen, omdat de brede opleiding blijft bestaan én reeds veelleraren breed bevoegd zijn.Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie zijn van mening dat een toestroom vanmannelijke leerkrachten een belangrijke deel van de oplossing van hetnijpende lerarentekort kan zijn. Graag vernemen zij van de Ministers of zijdeze mening delen.Dit plan draagt volgens ons bij aan de aantrekkelijkheid van de pabo voordiverse doelgroepen, waaronder mannen. Dit is onderdeel van hetherstelplan kwaliteit onderwijs waarin onder andere maatregelen wordengenomen gericht op onderwijspersoneel.Tevens zijn deze leden van mening dat bij het oplossen van het leraren-tekort dan ook veel haast geboden is. Dit maakt dan ook dat deze ledengraag zien dat de hoofdlijnennotitie met fundamentele keuzes aan deKamer wordt gestuurd. Kunnen de Ministers toezeggen dat dit voor hetzomerreces gebeurt? Daarnaast vragen de leden van de BBB-fractie of deMinisters bereid zijn met het onderwijsveld in gesprek te gaan om tot eenbrede overeenstemming te komen over de vooropleidingseisen en eenuniforme leeftijdsgrens. Deze leden benadrukken dat het hun nadrukke-lijke wens is dat deze maatregel ervoor zorgt dat het huidige percentagevan afgestudeerde pabo-studenten van 18 procent zal stijgen.De leden van de BBB-fractie vragen om snelle toezending van dehoofdlijnennotitie en tegelijkertijd om tot brede consensus te komen inhet veld over de te maken fundamentele keuzes. Dit proces kost tijd. In heteerder ter internetconsultatie voorgelegde wetsvoorstel waren dezekeuzes nog niet gemaakt en was voorzien om dit te doen tijdens hetwetgevingsproces. Door deze volgorde nu om te draaien duurt hetweliswaar langer voordat het vervolg van het proces kan worden hervat,maar is de inzet dat de behandeling van het wetsvoorstel door scherpekeuzes daarna sneller kan.De afgelopen jaren is het zo dat slechts 18 procent van de totaal afgestu-deerde pabo-studenten man is. Ons doel is dat dit percentage omhooggaat, maar ook dat het totaal aantal afgestudeerde studenten wordtverhoogd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 49618 De leden van de BBB-fractie merken met betrekking tot de motie van hetlid Soepboer over de maximumlesurennorm op dat zij verheugd zijn dathet onderwerp bij de sociale partners onder de aandacht zal wordengebracht. Deze leden delen het standpunt dat het, gezien het doel van demotie om de werkdruk te verlichten, een goede zaak is als cao-partijendeze motie ter harte nemen.Werkdruk is een belangrijk onderwerp, dat al geruime tijd extra aandachtkrijgt. Zoals eerder genoemd, stelt het kabinet sinds het schooljaar2022–23 voor het vo structureel € 300 miljoen per jaar beschikbaar voorverlaging van de werkdruk. In de huidige CAO VO zijn, als uitwerking vandeze extra investeringen, concrete maatregelen afgesproken. Scholenhebben het afgelopen schooljaar plannen uitgewerkt om de extramiddelen op hun school adequaat in te zetten voor werkdrukverlichting.Daarnaast start in schooljaar 2024–25 de pilot Onderwijstijd vo, waarinonderzocht wordt wat het betekent om minder lesuren aan te bieden aanleerlingen, en in plaats daarvan meer uren te besteden aan lesvoorbe-reiding en/of ontwikkeltijd voor leraren. De pilot, een initiatief van hetMinisterie van OCW, de onderwijsbonden en de VO-raad, moet uitwijzenof een herziene balans scholen meer ruimte biedt om te werken aan dekwaliteit van lessen en de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep, zonderdat dit ten koste gaat van de kwaliteit van het onderwijs.Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de motie van het lid De Kortc.s. aandacht voor het feit dat onvoldoende mannen kiezen voor eencarrière in het (basis)onderwijs. Deze leden zien dit gegeven ook alsproblematisch, maar betwijfelen of het splitsen van de pabo-opleiding hetgewenste effect gaat hebben. Hebben de Ministers aanwijzingen dat hetsplitsen van de pabo-opleiding daadwerkelijk gaat leiden tot meerpabo-studenten, in het bijzonder mannelijke studenten? Is het beeld datmannelijke studenten veelal afhaken na een verplichte kleuterstage in heteerste jaar terecht?Uit het eerder aangehaalde Qompas-onderzoek (2018)20 weten we dat ergroepen zijn die aangeven dat opleidingen met een specialisatiemoge-lijkheid aantrekkelijker zijn dan de bredere opleiding. Daarmee kan dit planhelpen om bij te dragen aan de aantrekkelijkheid van de pabo en eenmogelijk meer diverse doelgroep aanspreken. De kleuterstage blijktvolgens de pabo’s slechts zelden de aanleiding te zijn voor meesters-in-opleiding om vroegtijdig met hun studie te stoppen. Deze stage is opongeveer de helft van de pabo’s verplicht, op een substantieel deel dusook niet. Op pabo’s waar de kleuterstage wel verplicht is, vindt bij tweederde daarvan deze stage na het eerste studiejaar plaats. We willen beterzicht krijgen op het mogelijke aantal extra studenten door de introductievan opleidingen die leiden tot smalle bevoegdheden. Daarom zetten we,parallel aan het opstellen van de hoofdlijnennotitie, hier zo snel mogelijkextra onderzoek naar uit. De verwachting is dat dit onderzoek in hetvoorjaar is afgerond.In dit kader vragen de leden van de ChristenUnie-fractie ook naar deuitvoering van motie van het lid Ceder21. Hoe verlopen de gesprekken metde onderwijsorganisaties? Welke organisaties doen mee? Wanneerverwachten zij afspraken over het streefcijfer en hoe daar te komen metde Kamer te kunnen delen? Van welke maatregelen verwachten de20«Optimale inrichting van lerarenopleidingen», Qompas, Leiden, oktober 2018. In dit onderzoekis niet aangegeven tot welke bevoegdheid de gespecialiseerde opleiding leidt (smal of breed).21Kamerstuk 27 923, nr. 467Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 49619 Ministers dat zij het meest kansrijk om meesters te werven en tebehouden?Er is in 2021 een onderzoek uitgevoerd naar diversiteit in het basison-derwijs. Gekeken is naar de instroom, doorstroom en uitstroom vanmannelijke leraren en naar bredere diversiteit zoals biculturaliteit. Hieruitis een aantal aanbevelingen voor de pabo’s gekomen. Mede naaraanleiding van de moties van het lid Ceder22 (CU) en het lid van Zanten23(BBB) heeft de Alliantie Divers een inventarisatie uitgevoerd waarbijuitvraag is gedaan bij de pabo’s24, in hoeverre zij de aanbevelingen uit hetResearchNed-onderzoek «Meer Meesters» hebben geïmplementeerd.25Ook hebben zij geïnventariseerd hoe de ambities op het gebied vanwerven en behouden van mannen op de pabo wordt gezien. Tot slot heeftAlliantie Divers ook gekeken naar de begeleiding van de startendemeester en de samenwerking hierbij met de scholen.Uit de inventarisatie van de Alliantie Divers blijkt dat de aanbevelingenzoals beschreven in de rapportage van ResearchNed op alle pabo’s diedeelnamen aan de inventarisatie worden opgevolgd. De pabo’s variërenwel in de mate waaraan ze invulling geven aan de uitvoering vanactiviteiten die vallen onder de verschillende aanbevelingen. Het is daarbijgoed om te erkennen dat er niet één maatregel is die een antwoord geeftop de lagere vertegenwoordiging van mannen in het onderwijs. Het gaatom een scala aan maatregelen, waaronder: het veranderen van debeeldvorming, peer learning, flexibele leer- en specialisatieroutes,aandacht voor uitval onder mannelijke studenten en samenwerking methet werkveld om bovenstaande uit te werken en te borgen. Dit moet breedgedragen worden (door de lerarenopleiding, de beroepsgroep zelf,scholen, de lokale en landelijke overheid en anderen), om successen terealiseren. Na de zomer worden gesprekken gevoerd met het LOBO,Alliantie Divers en experts verbonden aan het lectoraat Samen Divers. Ditnajaar bespreken we de uitkomsten van het onderzoek met alle betrokkenpartijen en bekijken we de ambitie met betrekking tot een streefcijfer ende gewenste vervolgstappen. Het is van belang dit gesprek breder tetrekken dan enkel de lerarenopleidingen. De Alliantie Divers blijft daarbijde verbinding zoeken bij de onderwijsregio’s en de landelijke campagnevoor een «aantrekkelijkere beroep» vanaf 2025. We verwachten u indecember 2024 verder te kunnen informeren over de voortgang.22Kamerstuk 27 923, nr. 46723Kamerstuk 27 923, nr. 46924Van de 25 pabo’s die via het LOBO zijn benaderd, hebben er 19 meegedaan aan het onderzoekvan de Alliantie Divers.25«Meer Meesters? Routes naar diversiteit voor de klas», Researchned 2021.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 923, nr. 49620

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · e9735e55ad7d234b

14 okt 2026 · ab7a122bf7c8c004

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.