Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2018–2019 24 515Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting Nr. 469 MOTIE VAN DE LEDEN RAEMAKERS EN PETERS Voorgesteld 6 maart 2019 De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat de overheid als schuldeiser een bijzondere verantwoor-delijkheid heeft om onnodige vergroting van schulden tegen te gaan; constaterende dat in het regeerakkoord afgesproken is dat de stapeling van boetes wegens te laat betalen gemaximeerd wordt; overwegende dat de Nationale ombudsman vaststelt dat aanmanings-kosten nergens zo hoog zijn als bij Wahv-boetes en deze kunnen oplopen tot 300% van het oorspronkelijke boetebedrag; overwegende dat uit onderzoek blijkt dat in ruim acht op de tien gevallen een tweede verhoging van Wahv-boetes niet alsnog tot betaling heeft geleid; verzoekt de regering, in samenwerking met gemeenten en het CJIB een «noodstopprocedure» in te voeren die de verhoging van Wahv-boetes voor mensen die deze door schulden niet kunnen betalen, tijdelijk stopzet, en waarbij gelijktijdig de schuldhulpverlening wordt opgestart; verzoekt de regering tevens om, de Kamer hierover voor het zomerreces te informeren, en gaat over tot de orde van de dag. Raemakers Peters kst-24515-469ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2019Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 24 515, nr. 469