Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2019–2020 31 409Zee- en binnenvaart Nr. 261 MOTIE VAN HET LID VAN ESCH Voorgesteld 11 december 2019 De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat de Minister gebieden heeft aangewezen die geschikt zouden zijn om varend te ontgassen; constaterende dat gebieden, zoals grote delen van Zeeland, daarmee effectief een vrijplaats worden om te ontgassen; constaterende dat de provincie Zeeland zich middels een provinciaal verbod al heeft uitgesproken tegen het varend ontgassen; van mening dat het onwenselijk is om een activiteit als varend ontgassen, die schade oplevert aan de gezondheid en het milieu, te concentreren omdat daarmee een situatie ontstaat met relatief hoge blootstelling; verzoekt de regering, te monitoren of er een toename is van varend ontgassen in de aangewezen gebieden en indien dat het geval is de invoering van een vervroegd nationaal verbod te heroverwegen, en gaat over tot de orde van de dag. Van Esch kst-31409-261ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2019Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 31 409, nr. 261