kst-19637-1504ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2012Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2011–2012 19 637Vreemdelingenbeleid Nr. 1504 MOTIE VAN HET LID RECOURT C.S. Voorgesteld 15 maart 2012 De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende, dat erkende vluchtelingen voor het verkrijgen van het Nederlanderschap zijn vrijgesteld van het overleggen van een paspoort en een geboorteakte; overwegende, dat afgewezen asielzoekers die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning regulier, zoals de groep vreemdelingen die op basis van het generaal pardon een vergunning is verleend, daarvan niet zijn vrijgesteld; constaterende, dat deze asielzoekers meestal niet in het bezit zijn van een paspoort of geboorteakte; van mening, dat er geen goede grond bestaat om voor het verkrijgen van het Nederlanderschap erkende vluchtelingen anders te behandelen dan asielzoekers die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning regulier; verzoekt de regering om asielzoekers die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning regulier, bij een aanvraag tot naturalisatie vrij te stellen van het vereiste om een paspoort en een geboorteakte te overleggen indien tijdens de asielprocedure door de IND niet aan de identiteit en herkomst van de asielzoeker is getwijfeld; en gaat over tot de orde van de dag. Recourt Dibi Voordewind SchouwTweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 19 637, nr. 1504