Uitspraak · 10 dec 2025 · Tweede Kamer
het eindverslag van de informateur
Brontekst
De heer Buma (informateur): Dank u wel, voorzitter. Heel veel dank voor de gelegenheid die u mij biedt om mijn eindverslag toe te lichten. Het is een kleine maand geleden dat ik de deur van het Leeuwarder stadhuis achter mij dichttrok. Nu sta ik vandaag, voor het eerst sinds zes jaar, weer in de plenaire vergaderzaal, in een ander gebouw, maar vooral in een ander tijdsgewricht. De internationale dreiging is acuut, de woningnood is groot, bedrijfsinvesteringen staan onder druk, er is een onopgelost energie- en klimaatvraagstuk, de stikstofcrisis heeft onze economie op slot gezet en migratie is niet onder controle. Ik noem deze thema's, omdat dit de vijf prioriteiten zijn die u als Kamer, ongetwijfeld ook via de voorzitter, aan het begin van deze formatiefase heeft geïdentificeerd als prioriteiten die snel aangepakt moeten worden. Aan het eind van het eerste deel van mijn opdracht, als bijlage bij het tussenverslag, hebben D66 en CDA een agenda gepresenteerd met voorstellen om ons een weg te banen uit deze crises. Die agenda werd, binnen én buiten dit huis, over het algemeen welwillend ontvangen. In ieder geval proefde ik een grote bereidheid tot samenwerking. Dat is van oudsher een wezenskenmerk van Nederland. Na het verschijnen van het tussenverslag zijn we toe aan het eindverslag, dat ik eergisteren aan uw voorzitter aanbood. Ik licht nog even de hoofdlijnen daarvan toe. Zoals u weet, heb ik vorige week met alle fractievoorzitters gesproken over de vraag of zij aanknopingspunten zouden zien in de agenda of in delen daarvan. Ik wilde ten tweede van hen weten hoe zij tegen coalitievorming aankijken en of zij bereid zijn tot constructieve steun. Alle fracties op één na, zagen inhoudelijke aanknopingspunten in de agenda, zoals die gepresenteerd is. Dat is een belangrijke constatering, want nadat alle verschillen, zeker in het licht van de verkiezingen, zo sterk zijn benadrukt, blijkt dat er op inhoud best veel aanknopingspunten zijn voor overeenstemming. Maar ik moet eerlijk zijn: het probleem begint pas daarna. Met name over de manier waarop die samenwerking moet worden vormgegeven, verschillen de meningen. En die verschillen tot op de dag van vandaag. Afgelopen vrijdag sprak ik met de fractievoorzitters van D66, VVD, GroenLinks-PvdA, CDA en JA21. Ook daar bleek: op inhoud is er best wel iets om over verder te praten; overbrugbaar. Maar op bereidheid tot samenwerking is dat er niet. Afgelopen weekend is er vervolgens heel veel contact geweest. De eerder ingenomen standpunten over mogelijkheden en onmogelijkheden van coalities zijn daar op zich niet wezenlijk door veranderd. Maar de stap die maakt dat we hier vandaag kunnen staan met een voorstel voor een vervolg, is dat er voldoende steun is voor een vervolgstap, waarbij D66, VVD en CDA verder aan de slag gaan. Ik merk dat er nog verschillende beelden zijn over de volgende fase. Daarover was ook een vraag van de heer Dassen. De woorden "regeerbasisakkoord", dat voortkwam uit een vraag tijdens de persconferentie, "tussenfase" en "eindfase" zijn genoemd. Hoe moet de komende fase worden betiteld? Daarvoor wil ik even teruggaan naar het eindverslag. Mijn advies is om dit wel dé informatieronde te laten zijn. Het is dus de laatste informatieronde. Mijn advies is om deze fase te eindigen met een regeerakkoord. De enige reden dat ik er voorzichtig mee was om het een akkoord te noemen, was dat ik dacht dat het langzamerhand een beladen woord was. Bij regeerakkoord denkt u namelijk aan iets wat heel gedetailleerd is. Dat hoeft niet. Voor zover het een tussenadvies is, is dat omdat er daarna nog een formatiefase komt. Er is dus altijd een tussenfase. Het zou wat mij betreft wel belangrijk zijn dat u deze fase ingaat als de fase waarin alle stappen genomen worden, zowel het praten met verschillende fracties, als het bouwen van de inhoud, om terug te komen naar de Kamer met een akkoord dat groot genoeg is en precies genoeg om er een kabinet op te bouwen. Ik zou graag hebben geadviseerd om aan de slag te gaan met een kabinet dat kan beschikken over een meerderheid in de Tweede en in de Eerste Kamer, of daar in ieder geval zo dichtbij mogelijk kan zijn. Ik heb echter dezelfde constatering moeten doen als mijn voorganger, namelijk dat een onderzoek naar een dergelijk kabinet onmogelijk is. Het is geblokkeerd en blijft dat voorlopig ook. Als die meerderheidsvariant niet lukt, zijn er vervolgens varianten die bijna een meerderheid halen. Die zijn ook onderzocht, maar daar leven op dit moment ook nog te grote bezwaren om ze al verder te helpen. Zo blijft een minderheidsvariant over. Daar zijn vragen over gesteld. Er is geconstateerd dat sommigen er blij mee zijn en anderen niet. Ik heb daar al eerder van gezegd: het is op dit moment niet anders. Ik heb ook niet kunnen constateren dat er andere voorstellen zijn, buiten de voorstellen die ik kreeg, waarin concreet werd gezegd: bouw aan een andere constructie. Deze drie partijen hebben met z'n drieën gezegd verder te willen bouwen aan een akkoord. Toen zij mij maandag ook konden zeggen dat zij zicht hadden op steun van een meerderheid in de Kamer voor dit voorstel, was dat het voorstel dat ik ook in het eindverslag heb opgenomen. Om die reden ben ik tot het advies gekomen om die drie partijen, mede op basis van de eerder gepresenteerde agenda, een akkoord te laten voorbereiden waarop een stabiel kabinet kan worden geformeerd. Dan kom ik op een vraag die volgens mij van mevrouw Van der Plas was. Zij vroeg naar deze agenda en hoe het verdergaat. Ik wil even benadrukken dat de vijf thema's in de agenda niet door de onderhandelende partijen zijn gekozen, maar voortkomen uit het verslag van mijn voorganger en de motie die daarop kwam. Ik heb als informateur de onderhandelaars erop gewezen dat het niet zo kan zijn dat zij aan die vijf thema's beginnen met hun eigen politieke wensen en daar ook mee eindigen. Nee, zij moesten die prioriteiten goed lezen, want daar stonden al richtingen in. Ik noemde die even. Het zijn uiteindelijk politieke wegingen, maar een Kamermeerderheid heeft ons de zaken meegegeven waarvan ik gezegd heb "daar moet je mee verder". Bijvoorbeeld bij de defensieparagraaf staat niet: "schrijf iets op over defensie", maar "keuzes in overeenstemming met de in NAVO-verband gemaakte afspraken". Men moest dus 3,5% en 1,5% erin fietsen. Dat geldt ook voor andere thema's. Zo wordt er bijvoorbeeld gepraat over bedrijven, maar er stond "het creëren van ruimte voor economische groei en de verbetering van het investerings- en vestigingsklimaat". Ook daarin zitten al, zo heb ik gezegd en dat heeft men ook wel begrepen, elementen die terug moeten komen in het verslag. Tot slot het punt waar mevrouw Van der Plas het begrijpelijkerwijs over had: stikstof. Er staat in de opdracht "Nederland van het stikstofslot halen". Dus zijn er ook daar, evenals op andere terreinen, externen gekomen, omdat de grote vraag over stikstof is: wat heb je nodig om straks langs de rechter te komen en van het stikstofslot te komen? Dat betekent niet dat men geen andere keuzes kan maken. Het stuk is geen verplichting. Het is een basis om verder mee te gaan. Maar het toont aan waarom ik als informateur kon leven met de wijze waarop aan het eerdere verslag van mijn voorganger en aan de motie invulling werd gegeven. Ik ga verder. De bedoeling van nu is dus verder praten op inhoud, maar ik zeg er wel bij: en meteen ook praten met andere fracties. We moeten namelijk niet hebben dat er nu met drie fracties een stuk wordt gemaakt, waarna de anderen erop reageren, want dat kan heel goed verkeerd vallen. Mijn advies is dus — daar zit geen dwang in — om in een vroeg stadium weer met de andere fracties te spreken. Ik kan alleen maar zeggen dat ik het zelf als informateur heel waardevol vond om van begin af aan ook alle fracties te horen. Veel van wat zij tegen mij zeiden, zie ik hierin ook terug. Het betekent wel wat, met iedereen praten in een vroeg stadium, want dat betekent voor deze drie partijen dat ze dus inderdaad bereid zijn om het gesprek aan te gaan en te luisteren. Voor de andere fracties betekent het dat zij beseffen dat het proces van formeren gaat over geven en nemen, en dat het altijd gaat over een ander iets gunnen. Het debat van vandaag is waardevol, omdat u aangeeft wat uw uitgangsposities zijn, maar wij zitten in een fase — ik wil dat toch nog benadrukken — waar er geen kabinet is en er een kabinet zit dat echt op een gegeven moment vervangen moet worden. Ik denk dat de mensen die ik straks in Leeuwarden weer onder ogen kom, mij niet zullen vragen wat alle partijen in het debat zeiden, maar wanneer er een kabinet komt. Dat is namelijk de kern van een formatiefase. U vraagt, dat erken ik zonder meer, stappen die lang niet altijd makkelijk zijn kort na verkiezingen. Tot slot wil ik nog iets zeggen, en dan heb ik mijn inbreng gedaan en ga ik nog even wat vragen beantwoorden die zijn gesteld. Ik wil het nog hebben over een onderwerp waar wij veel over gesproken hebben, namelijk de mogelijkheid om het in de praktijk ook daadwerkelijk uit te voeren. Voor het opstellen van de agenda hebben diverse deskundigen en mensen uit de samenleving de onderhandelaars bijgelicht. Vaak kwam dat verhaal terug op twee woorden: overal zat het woord "urgent" in, maar ook het woord "uitvoering" kwam heel vaak voorbij. Bedrijven en overheden — het is in de Kamer vaak besproken, en ik moet eerlijk zeggen: na zes jaar in de Leeuwardense praktijk kan ik het alleen maar onderschrijven — zijn vast komen te zitten in wat ik een ondoordringbaar woud van regelgeving noem. En het mooiste is: ik sta hier voor u, maar ik moet mijzelf aanspreken, want ik ben als burgemeester vaak over wetten gestruikeld waarvoor ik zelf mijn hand bleek te hebben opgestoken op zo'n dinsdag waarop weer heel veel langskwam. Ik zou bijna willen zeggen dat het voor heel veel mensen in Nederland eigenlijk niet zo veel uitmaakt of de wet nou links of rechts, progressief of conservatief is; de wet moet werken en mensen moeten ermee aan de slag kunnen. De afgelopen weken hebben wij een aantal vragen uitgezet bij departementen. Ik zou u willen oproepen om een aantal ook even goed te bekijken, want de antwoorden zijn heel interessant. We hebben meer waardevolle informatie gekregen. Die is allemaal bij het eindverslag gevoegd. Wat betreft wetgeving hebben we gevraagd — de antwoorden hebben we gekregen — welke wetgeving onevenredig veel capaciteit legt op de uitvoering bij overheidsinstellingen en uitvoeringsinstanties. Mevrouw Van der Plas had het ook over de bijna onmogelijkheid voor mensen om die nog uit te voeren. Ik hoorde de heer Bontenbal net ook het voorbeeld van de Wet open overheid noemen. Die wet had echt de bedoeling om burgers ter wille te zijn in de richting van de overheid, maar ik heb de uitvraag gedaan en teruggekregen dat er in het land op dit moment alleen al bij gemeenten, provincies en het Rijk — dan heb ik het nog niet over de politie, het OM en de universiteiten — 1.500 tot 2.000 mensen werken die niets anders doen dan deze ene wet uitvoeren. Een aantal daarvan werkt op het stadhuis in Sneek. O, ik bedoel Leeuwarden. In Sneek gebeurt dat ook; daar kom ik vandaan, vandaar. Dat aantal is even groot als een gemiddeld beleidsdepartement dat alles doet in Den Haag. Ik noem dit voorbeeld, omdat ik echt denk dat er voor de Kamer heel veel te winnen is met een overheid die de burger en de bedrijven weer gaat helpen door gewoon de primaire taak uit te voeren. Ik kan u vertellen: achter deze Wet open overheid komt de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, want heel veel redden we niet op tijd, en daar komt alweer de volgende aan. Ga er dus mee aan de slag. Tot slot. Alle stukken zijn nu openbaar. Ik hoop dat u in het proces dat hierop volgt samen verder kunt bouwen aan een kabinet. Ik durf dan ook wel het vertrouwen uit te spreken dat D66, VVD en CDA de komende weken met de Kamer de weg voorwaarts vinden naar de bouw van een kabinet. Ik wens ook mijn opvolgster, mevrouw Rianne Letschert, daar heel veel succes bij. Natuurlijk wil ik ook alle Kamermedewerkers bedanken, de medewerkers van het ministerie van Algemene Zaken, zonder wie er, zeg ik er even bij, überhaupt nooit een kabinet in Nederland tot stand zou kunnen komen en natuurlijk de vele verslaggevers die mij iedere ochtend welkom heetten en 's avonds weer uitzwaaiden. Ik ga nog een paar vragen langslopen. De meeste heb ik al wel gehad, denk ik, maar u heeft recht op de antwoorden. De heer Eerdmans vroeg hoe ik het verslag zie in het licht van de verkiezingsuitslag wat betreft centrumrechts of anderen. Ik wil daar wel iets over zeggen. Kijk, ik hoor die woorden vaak, maar het is vaak wel zo dat degene die dat zegt, de uitslag zo vertaalt dat die voor de eigen partij goed werkt. Het midden zegt dus voortdurend: wij hebben 30 of weet ik veel zetels gewonnen, dus de kiezer heeft het midden gewild. Centrumrechts, JA21 en anderen, zegt: nee, er is voor centrumrechts gekozen. Ik heb de heer Klaver horen zeggen: er is voor verandering gekozen. Uiteindelijk kiest in het Nederlandse stelsel een kiezer een partij. Die wil dat die partij iets doet. Daar is de kiezer stellig in en de partij gaat ermee aan de slag. Dan komt er dus een hele moeilijke fase, want men moet samenwerken. Allen die daaraan meedoen zullen dan moeten uitleggen dat we in Nederland wonen, dat Nederland een land is van samenwerking en dat delen van de eigen positie weggaan. Maar uiteindelijk is het niet de kiezer die een vinkje zet op "ik wil rechts", "ik wil links" of iets anders. Ik hoor hier ook verschillende standpunten van partijen waar links en rechts het zeer over eens zijn. Mijn hoop is dus dat u voor het vervolg van de formatie vooral denkt: wat zou het goede kabinet kunnen zijn dat we op inhoud aan Nederland kunnen aanbieden? Dat is het antwoord op die vraag. De vraag van mevrouw Van der Plas heb ik beantwoord, maar ik heb haar nog niet gezegd wat ik nou gedaan heb om het snel te laten verlopen. "Is het een stap naar voren?" Ik heb bij de presentatie gezegd: dit is een stap, maar geen doorbraak. Een doorbraak zou zijn geweest: een meerderheidskabinet, aan het werk, klaar. De stap is dat er een meerderheid is voor deze drie om verder te gaan. Op alle vragen over hoe dat verder moet, kan ik alleen maar zeggen: die zijn terecht en zullen in de volgende fase beantwoord moeten worden. Een kabinet voor kerst? Ik zeg weleens: ik kan de dieren naar de waterbak brengen, maar ik kan ze niet dwingen te drinken. Dus ik heb geprobeerd om iedereen bij elkaar te brengen, maar vervolgens moet men dat wel doen. En dat is waar we nu nog voor staan. Dus ik hoop heel erg dat die fase er nog komt. De vraag van de heer Van Dijk van de SGP heb ik in het verslag eigenlijk al beantwoord. Die vraag luidde: waarom niet D66, VVD, CDA, JA21 en misschien nog een partij? De werkelijkheid is dat daar op dit moment onvoldoende steun voor is. Dat staat ook in mijn verslag. Aan de andere kant is er echter ook onvoldoende steun en daardoor zijn deze drie partijen de enige mogelijkheid om verder te gaan. Die hebben verder ook samen gezegd: wij willen het met z'n drieën doen. Dat is eigenlijk ook al het antwoord op zijn vraag over de verhouding tussen kabinet en andere partijen. Als het een minderheidskabinet is, dan … Ik heb al gezegd: hoe meer steun aan het begin, hoe beter. En daar zitten wederzijdse kansen in. De kansen zijn dat een kabinet echt moet luisteren naar wat de Kamer wil. De Kamer kan er namelijk haar eigen wensen in krijgen. Ik hoop dat u uiteindelijk samen allemaal blijft denken: we moeten voor Nederland nu wel een aantal serieuze beslissingen nemen. Hij vroeg nog of ik ernaar uitzie om terug naar Leeuwarden te gaan en hij noemde daarbij De Speld. De bekende rubriek De Speld heeft aangegeven dat ik wellicht bepaalde woorden zou willen gebruiken die het mogelijk maken om vervroegd terug naar Leeuwarden te gaan. Dat heb ik niet gedaan, maar er is sindsdien nog een Speld verschenen en die heeft laten zien hoe groot de chaos is tijdens mijn afwezigheid. En dát is wel een reden voor mij om na vandaag te zeggen: toch maar weer terug. De heer Dassen had de vraag hoe ik het akkoord zou willen noemen. Daar heb ik het over gehad. "Een regeerakkoord" of hoe je het verder maar noemen wil, maar het is wel hét akkoord dat een formatie oplevert. Hij heeft ook nog heel terecht benoemd dat je mensen, ook jongeren, moet uitnodigen. Wij hebben bij het praten over stikstof de Jonge Boeren erbij gehad en bij het praten over het klimaat hebben we de Klimaatjongeren erbij gehad. Maar dat is natuurlijk maar een heel klein deel. We hadden dan ook maar weinig tijd, maar u allen, en ook de onderhandelaars, adviseer ik: blijf mensen van buiten erbij halen. In mijn allerlaatste afsluitende woorden kom ik nog even terug op het gedicht van … Het gedicht? Nee, op de Friese tekst van de heer Eerdmans: doch dyn plicht en lit de lju rabje. Doe je plicht en laat de mensen maar wat praten: zo werd dat bij mij thuis altijd gezegd. Ik moet zeggen dat dat mij weer deed denken aan afgelopen zondag. Ik wandelde toen zo ver mogelijk van Den Haag en de stad die het verst van Den Haag ligt, is Dokkum. En daar las ik de zin: allinnich giest flugger, tegearre komst fierder. Alleen gaat het wellicht sneller, maar ik zeg u: samen gaat het uiteindelijk wel, samen kom je verder. Dat dus. Ik ben nu aan het eind van mijn inbreng en ik ga nog één ding tegen u zeggen, want in zo'n formatietijd is het soms best wel heftig en serieus. Ik heb in mijn leven één ding geleerd: een mens moet ook kunnen relativeren. Ik zei al dat ik iedere dag bij mijn eigen formatiegedeelte kwam. "De bunker" noemde ik dat wel, maar goed: zo heette dat. En dan liep ik langs al die journalisten, journalisten die allemaal veel vragen voor mij hadden. Ik had dan weleens medelijden als ik nog een uurtje langer doorwerkte, want dan bleef men daar maar staan. Dat deed mij denken aan een straat in Leeuwarden, de Grote Kerkstraat. Dat is een straat waar ik vaak doorheen loop en waar gedichten op de ramen en de muren zijn geschreven voor het jaar van de culturele hoofdstad. Er is één gedicht waar ik altijd bij stil blijf staan, omdat het mij even weer alle ellende in de wereld laat relativeren. Ik zeg tegelijkertijd: ik hoop dat de journalisten daar even van denken "ja, zo is het eigenlijk." Dat gedicht luidt als volgt: Natuurlijk kun je stilstaan bij wat was en bij wat moet bij weer en wind, bij alles wat er wereldwijd toe doet maar stilstaan bij een deur kan net zo goed. Dat gedicht wil ik graag aanbieden om op te hangen, als dat mag, voorzitter, bij de deur aan het begin van het formatiekwartier.
Versie 61e60a6df40b07ba6111999e8cee22ee79d3dacf1f7d7712d61b87f30a380d45 · Officiële bron.
Gegevens
- Officiële bron
- Tweede Kamer ↗
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.