Uitspraak · 23 apr 2025 · Tweede Kamer
Wijziging van de Pensioenwet in verband met de verlenging van de transitieperiode naar het nieuwe pensioenstelsel (36578)
Brontekst
Minister Van Hijum: Duidelijkheid niet. Het zijn verwachtingen, prognose, scenario's, dat klopt. Maar je probeert die wel zo concreet mogelijk te maken en op die manier mensen mee te nemen in de afwegingen. Dat is nu ook de verplichting van de fondsen. Mevrouw Joseph vroeg ook hoe het kan dat DNB en de Pensioenfederatie ervan uitgaan dat mensen er bij invaren op vooruitgaan, terwijl 23% van de fondsen niet invaart, waarbij zij zeggen dat hun deelnemers erop vooruitgaan. Eerst even een paar observaties. Bij de fondsen waar de sociale partners ervoor hebben gekozen om geen verzoek tot invaren te doen, gaat het meestal om vrij specifieke situaties. Grotendeels gaat het om gesloten fondsen, deels met een bijstortverplichting door de werkgever. Een aantal heeft ook aangegeven binnen vijf jaar te gaan liquideren. Dat zijn bijna alleen kleine pensioenfondskringen, kleine ondernemingspensioenfondsen met tussen 200 en 17.000 deelnemers, met een hoge dekkingsgraad. Bij die 23% gaat het ongeveer om 1% van het totaal aantal deelnemers. Juist ook omdat dit soort specifieke situaties bestaat, geeft de Wet toekomst pensioenen de mogelijkheid om niet in te varen wanneer dat leidt tot onevenredig nadeel. Dat moet dan goed worden onderbouwd. Het nieuwe stelsel geeft voor de meeste fondsen eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen. Daar sta ik wel voor, want dat blijkt ook uit de doorrekeningen van DNB. Maar ook in die gevallen zal altijd per fonds eerst moeten worden aangegeven dat het evenwichtig is. Ik zou ook graag zien dat de fondsen daarbij nader onderbouwen, in ieder geval kwalitatief, voor de verschillende leeftijdscohorten, waarom zij vinden dat niet-invaren niet evenwichtig is. Mevrouw Joseph vroeg ook waarom het tot chaos zou leiden als pensioenfondsen beslissen tot invaren, maar deelnemers niet. Dat heeft ermee te maken dat het invaren gebaseerd is op collectieve verantwoordelijkheden en afspraken. Sociale partners doen een verzoek tot invaren, of juist niet. Fondsen maken een eigenstandige evenwichtige belangenafweging en besluiten dan vervolgens tot invaren. Het systeem van collectieve vertegenwoordiging door sociale partners in samenspraak met een pensioenfonds biedt naar mijn mening goede waarborgen. Die waarborgen heb ik eigenlijk net allemaal genoemd, dus die ga ik allemaal niet herhalen. Maar een individuele deelnemer laten kiezen, maakt die keuze individueel, terwijl het niet enkel individueel is. Er zijn collectieve gevolgen en daarom is het ook logisch dat er collectieve keuzes worden gemaakt. Op het hoorrecht ben ik eigenlijk al wat ingegaan. Mevrouw Joseph vroeg ook nog of ik bekend ben met het Nibud-onderzoek en andere peilingen die laten zien dat mensen willen instemmen. Dat onderzoek heb ik natuurlijk gezien, net als een aantal andere aanvullende onderzoeken. Eigenlijk kun je in dat soort onderzoeken zien dat over het hele politieke spectrum, van links tot rechts, mensen vinden dat het pensioenstelsel wel erg complex is om er een mening over te vormen. De helft van de deelnemers is er voorstander van dat beslissingen door deskundigen worden genomen. Slechts 17% van hen is het niet eens met de stelling dat dergelijke beslissingen aan pensioendeskundigen kunnen worden overgelaten. Ik zie dus dat de behoefte aan invloed en begrip voor die afweging er is. Maar tegelijkertijd is de vraag: moet dat tot zeggenschap leiden? Daar verschillen de meningen over. Mevrouw Joseph vroeg voorts waarom het vrijwel onmogelijk en kostbaar is om bestaande en nieuwe pensioenrechten tijdelijk naast elkaar in de lucht te houden. Dit is nu toch ook al mogelijk? Wat nu al mogelijk is, is echter anders dan de situatie waarin niet wordt ingevaren en de oude regeling wordt gesloten. Dat benoemt de Raad van State ook in het advies. Het verschil zit erin dat bestaande aanspraken en rechten een financieel onderscheiden geheel moeten vormen. Het is uiteindelijk mogelijk, maar heeft wel hogere kosten. Het gaat dan om de kosten voor het in stand houden en het onderhoud van oude IT-platforms, het verwerken van life events of andere dingen in de persoonlijke omstandigheden, en het verzorgen van de reguliere pensioencommunicatie en keuzebegeleiding. De kosten hiervoor betalen de deelnemers vanuit de premie. De situatie van twee verschillende uitvoeringssystemen, de defined benefit naast de defined contribution, duurt enkele decennia, doordat het oude systeem erg langzaam uitfaseert — de heer Ergin, die er nu niet is, vroeg daar ook naar — en is becijferd op een bedrag van 18 miljard. Maar ik zeg erbij dat dit het bedrag is waarbij ervan wordt uitgegaan dat geen enkel fonds zou invaren. Het is ook gebaseerd op de fondsen die naast het in stand houden van het administratiesysteem ook vaste kosten hebben.
Versie 9d3877f13b4cfd4d1dac76dcb709f52627bf93213d0fd469a02e76c957e0f49b · Officiële bron.
Gegevens
- Officiële bron
- Tweede Kamer ↗
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.