Goedkeuring van het op 2 december 2004 te New York tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (Trb. 2010, 272) (36 027-(R2160)) + Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES in verband met het op 2 december 2004 te New York tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (Uitvoeringswet VN-Verdrag staatsimmuniteit) (36 028)
Brontekst
Versie bc45d382b67940f5 · officiële bronMevrouw Kat (D66): Dank u wel, voorzitter. Ook van mij de felicitaties aan Almere City. Maar u weet ook dat er wat mij betreft maar één club is en dat is AZ. Voorzitter. Al in het najaar van 2021 publiceerde de NRC een artikel met de titel "Ambassades lappen Nederlandse ontslagregels aan hun laars, ingrijpen is vrijwel onmogelijk". Uit onderzoek was gebleken dat verschillende ambassades uitspraken van Nederlandse rechters negeerden en weigerden om onterecht ontslagen Nederlandse werknemers te betalen of terug in dienst te nemen. Het probleem was ook dat niks kon worden afgedwongen omdat geen beslag kon worden gelegd op de bezittingen van de betrokken staten. Een jaar later kwam de NRC met een nieuw onderzoek samen met het tv-programma BOOS, waarin weer bleek dat de rechtspositie van ontslagen oud-werknemers van ambassades zeer slecht is. De vraag is, net als in dat interview: hoever kan en wil de minister gaan om deze burgers te helpen? Vorige week kwam hier zelfs nog een derde artikel van de NRC bij, waarin de problemen rondom de immuniteit van staten en ambassades uitgebreid worden besproken. Ook al zijn strikt gezien niet alle voorbeelden uit deze onderzoeken van toepassing op het verdrag waar wij het vandaag over hebben, de artikelen laten wel duidelijk zien dat de rechtspositie van werknemers en oud-werknemers van, bijvoorbeeld, ambassades te wensen overlaat. Vandaag bespreken we het VN-verdrag over staatsimmuniteit en de nationale uitvoeringswet. Ik geef maar meteen aan dat mijn bijdrage alleen zal gaan over het verdrag. D66 is namelijk in principe voorstander van goedkeuring, maar wil wel twee belangrijke kanttekeningen plaatsen, aangezien we niet zomaar voorbij willen gaan aan de signalen die we hebben ontvangen. Allereerst gaan die over artikel 11. Dat betreft een voorbehoud bij het tweede lid, sub c en sub d. Deze bepaling uit het verdrag gaat over arbeidsovereenkomsten. Het artikel is zo ingestoken dat staten in principe geen immuniteit hebben als het gaat om gedingen over arbeidsovereenkomsten tussen een staat en een natuurlijke persoon. Zij hebben dat wel als het gaat om aanstellingen en verlengingen van arbeidsovereenkomsten, en onder bepaalde omstandigheden ook bij beëindigingen en ontslagen. Volgens D66 kan dit voor zeer onwenselijke situaties zorgen en geeft dit medewerkers van, bijvoorbeeld, ambassades een slechtere rechtspositie. Ondertussen is de rechtspositie van ambassadepersoneel ook om andere redenen al niet zoals genoemd in mijn inleiding. D66 wil daarom dat Nederland een voorbehoud maakt bij artikel 11, tweede lid, sub c en d, van het verdrag. Daarom heb ik hierover een amendement ingediend. De Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken heeft al eerder geadviseerd om dit voorbehoud te maken. Hoe kijkt de minister naar deze problematiek? Als de minister dit voorbehoud niet zou willen maken namens het kabinet, verwacht de minister dan geen onwenselijke situaties die niet voor de rechter kunnen worden gebracht, terwijl dat wel zou moeten? Voorzitter. Dan heb ik nog een ander punt. Dat gaat over de immuniteit van executie, waar mijn collega van de VVD het ook over had. Ik heb het dan over artikel 18 en artikel 19 van het verdrag, die bepalen dat in principe geen beslag mag worden gelegd op eigendommen van een andere staat. Er zijn een aantal uitzonderingen op. Kort samengevat, gaan die over de situatie dat een bepaald eigendom commercieel wordt gebruikt. Op zich is dat een heel goed uitgangspunt. Ik heb alleen uit de praktijk begrepen dat de formulering uit het verdrag te vaag en te open is, waardoor er veel ruimte is voor interpretatie door de rechter. De Hoge Raad in Nederland zou dit op zo'n manier uitleggen dat vrijwel nergens beslag op kan worden gelegd, terwijl het bijvoorbeeld in Zweden en in andere westerse landen veel genuanceerder wordt uitgelegd. Hoe ziet de minister dat? Vindt hij het wenselijk dat er bij dit onderwerp zulke grote verschillen zijn tussen Europese landen? Kan de minister zelf verduidelijken wanneer er volgens hem wel of niet sprake is van commercieel gebruik? Voorzitter, ik rond af.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.