Pakket Belastingplan 2027
Pakket Belastingplan 2027
statement · 12 okt 2026 · Tweede Kamer
De heer Grinwis (ChristenUnie): Voorzitter, dank u wel. We staan aan het begin van de meest ongewisse belastingplanmarathon die ik ooit heb meegemaakt. Politiek, want het is vandaag, tijdens het eerste debat over het Belastingplan 2027, volstrekt onduidelijk of er een meerderheid voor dit pakket komt in deze Kamer, laat staan in de Eerste Kamer. Maar ook procedureel, want wij beginnen met de behandeling, terwijl een belangrijk deel van het Belastingplan nog niet af is, doordat de novelle op de Wet werkelijk rendement en de financiële dekking daarvan nog niet rond is. En inhoudelijk, omdat de kloof tussen wat veel partijen zeggen te willen en wat vandaag voorligt, groot is, heel groot. Voorzitter. Aan de ChristenUniefractie zal het niet liggen om over een maand te komen tot een Belastingplan met een meerderheid. Daarvoor moeten dingen anders en beter, zeker als het gaat om de vormgeving van het koopkrachtpakket van het kabinet, maar ook breder. Daartoe zal mijn fractie, zoals u ons kent, met behulp van amendementen wijzigingsvoorstellen indienen, waarvan een enkele randvoorwaardelijk zal zijn om het Belastingplan te kunnen steunen. De ChristenUniefractie zal daarbij de besluitvorming niet nodeloos ingewikkeld maken door ook nog allerlei zaken buiten het Belastingplan als randvoorwaardelijk toe te voegen. Dat zou namelijk het werken voor een minderheidskabinet onmogelijk maken, terwijl ik als parlementair democraat juist gecharmeerd ben van het fenomeen minderheidskabinet. Al moet wel gezegd dat dit minderheidskabinet met twee in plaats van drie partijen waarschijnlijk daadkrachtiger en stabieler was geweest dan het vandaag is. Maar ja, we zullen het ermee moeten doen. Voorzitter. Het kabinet mag in ieder geval rekenen op een kritisch-constructieve benadering van de ChristenUnie. Dan steek ik nu inhoudelijk van wal, met voor mijn fractie bijna gelijk het meest aangelegen punt: een eenvoudige inkomstenbelasting met brede grondslagen, lage heffingskortingen, lage tarieven en zo min mogelijk toeslagen. Daar komt het namelijk maar niet van; integendeel. De augustusmaand bleek weer een ramp voor een belastingstelsel met brede grondslagen, lage heffingskortingen en lage tarieven, hoewel ik deze augustusmaand onder anderen de minister van Financiën op het hart heb gedrukt: draai niet omwille van modelmatige koopkrachtcijfers en het uitdiepen van de kloof tussen uitkering en werk aan de arbeidskorting; doe het niet! Of ik nu een averechtse uitwerking heb op de minister en het kabinet: je zou het bijna gaan denken, want in plaats van deze knop te mijden, werd deze met €173 extra opgepompt. En nu moet ik zeker blij zijn dat deze verhoging is getemperd naar €133. Op zich waardering voor het feit dat de verhoging is getemperd en dat het aangrijpingspunt waar het toptarief begint, alsnog is geïndexeerd, van ruim €78.000 naar ruim €80.000 of €80.500, zoals het hoort. Maar wat is een technische invulling waard, terwijl er aan allerlei knoppen wordt gedraaid die het belastingleven minder overzichtelijk maken en die bovendien zo in het verkeerde keelgat schieten bij fracties waarvan het kabinet hoopt dat deze voor het Belastingplan zullen stemmen? Bij een technische invulling had ik verwacht dat het kabinet eenvoudig zo beleidsarm mogelijk had geopereerd, dus gewoon de inflatiecorrectie toepassen, de tabelcorrectiefactor volledig toepassen en de tariefschijven indexeren conform het basispad. Dat zou toch een technische invulling zijn geweest, en niet deze modelmatig gedreven, maar fiscaal onverantwoorde draai aan de knoppen? Enfin, het inlegvelletje bij de Miljoenennota van enkele weken terug heeft het in ieder geval minder erg gemaakt, of positiever gezegd: een beetje beter. Voorzitter. Misschien vraagt u zich af waarom die Grinwis nu alweer over de arbeidskorting begint. Het is niet alleen een enorme deeltijdbonus dan wel voltijdsboete door de inkomensafhankelijke afbouw vanaf bijna modaal. Het is met bijna €6.000 per jaar ook een gigadiscriminerende ongelijkheidsvergroter tussen arbeidsgeschikt en arbeidsongeschikt. Als je namelijk arbeidsongeschikt raakt en modaal verdient, ben je van het ene op het andere jaar deze bijna €6.000 kwijt. Het is ook een discriminerende ongelijkheidsvergroter tussen eenverdieners en tweeverdieners. De traditionele tabellen van de marginale druk maken opnieuw pijnlijk duidelijk hoe groot de verschillen in belastingdruk zijn tussen verschillende individuen en huishoudens met hetzelfde bruto inkomen. Een eenverdiener moet in zijn voltijdswerkweek €111.000 zien te verdienen om evenveel over te houden als tweeverdieners die samen in twee keer drie dagen €80.000 verdienen. Dat valt toch niet uit te leggen? Sommige eenverdieners zien van hun extra verdiende euro maar 5 cent op de rekening. 5 cent! Ten slotte is het ook nog eens een ongelijkheidsvergroter tussen jong en oud, want ouderen krijgen als ze werken een veel lagere arbeidskorting. Oké, die stijgt, maar ze krijgen tegelijk — en dat is erger — te maken met een ouderenkorting die daalt. Dat is geen natuurverschijnsel, ook al wordt deze ideologische verhoging nu gepresenteerd als een technische invulling. Bij de introductie in 2001 was de arbeidskorting namelijk slechts €920, en nu €5.685. Dat is een stijging van 518%! De inflatie was in die tijd opgeteld 80%, dus 518% versus 80%. Volgend jaar gaat daar bijna 39 miljard euro in om. Zet dat eens af tegen het totaal aan opbrengsten van de loon- en inkomstenbelasting van 116 miljard. Met die 39 miljard alleen al kunnen de belastingtarieven in schijf 1 en 2 van de inkomstenbelasting omlaag met acht procentpunt. Al zou je dat maar voor de helft doorvoeren, in combinatie met niet meer inkomensafhankelijk afbouwen, dan kan de algemene heffingskorting — inmiddels ook 27 miljard — tegelijkertijd ook omlaag en weer inkomensonafhankelijk worden. Dan zou het debacle van na de afspraken over een inkomensafhankelijke zorgpremie uit 2012 ook weer worden gerepareerd. Alleen al deze twee ingrepen zouden zonder drastische systeemwijziging de inkomstenbelasting een stuk overzichtelijker maken. Is het niet, staatssecretaris? Enfin, zo'n drastisch amendement zal ik niet indienen. Initieel diende ik samen met collega's Struijs en Stoffer een amendement in om de verhoging van de arbeidskorting terug te draaien, om daarmee de tabelcorrectiefactor volledig toe te passen, in plaats van een nog niet eens halve toepassing ervan door het kabinet in het kader van de zogenaamde vrijheidsbijdrage. Maar na de feitelijke antwoorden op de vragen bij de Miljoenennota en de aanpassingen aan het koopkrachtpakket in het reeds genoemde inlegvelletje, en in lijn met mijn betoog van zojuist over brede grondslagen en lagere tarieven, leek het mij gepast om het amendement aan te passen en dus de verhoging van de arbeidskorting voor een groot deel terug te draaien, en daarmee de tarieven in schijf 1 en 2 van de inkomstenbelasting omlaag te schroeven. De mate van de verlaging zuig ik niet uit mijn duim, maar die hangt weer samen met een verlaging die het kabinet verzuimd heeft door te voeren. Dat zit zo. Het kabinet heeft onder andere onder druk van de ChristenUnie afgezien van de verhoging van het eigen risico met €60. Normaal gesproken had het kabinet dit in het inkomstenkader moeten compenseren met de verlaging van de belastingtarieven in de eerste en tweede schijf met 0,14 procentpunt, ofwel 716 miljoen euro. Dat heeft het kabinet, misschien wel voor het eerst in de geschiedenis sinds de introductie van het huidige zorgstelsel, verzuimd om te doen. Dat is bizar en slordig, om niet te zeggen fout. Daarom kies ik voor deze uitruil tussen arbeidskorting en lagere belastingtarieven en houden we ons als Kamer wél aan de spelregels. Waarom heeft het kabinet eigenlijk verzuimd zich aan deze spelregels te houden, zo is mijn vraag. En ja, ik weet dat structureel nog niet duidelijk is of de verhoging van het eigen risico niet doorgaat, maar dat had toch niet moeten uitmaken voor 2027? Waarom is de zogenaamde technische invulling zodanig geweest dat enerzijds de arbeidskorting enorm werd opgepompt en anderzijds gezondigd werd tegen een aloude spelregel in het inkomstenkader? Om nog een reden is deze overtreding van de spelregels niet goed te verdedigen. Immers het kabinet is er als de kippen bij om te zeggen: nee, nee, wij verhogen de belasting op arbeid niet met bijna 8 miljard; 5 miljard daarvan komt doordat het vorige kabinet het eigen risico zou halveren, wat niet is gebeurd, maar de daling van de belastingtarieven was al wel ingeboekt. Tja, als je dat als verdediging gebruikt, dan moet je je bij het afzien van de verhoging van het eigen risico ook aan de spelregels houden. Is de staatssecretaris dat eigenlijk niet gewoon met mij eens? Voorzitter. In het amendement op stuk nr. 7 hoop ik dus een en ander te wijzigen en zal ik ook de verlaging van de ouderenkorting terugdraaien. Dit amendement zal belangrijk worden in het kunnen steunen van het Belastingplan. Dank bovendien aan de amendementenservice, die heel hard aan alle amendementen werkt. Afhankelijk van hoe snel we amendementen terug krijgen, zullen we ze ook indienen, maar het lukte niet allemaal voor vandaag. Dat zal dus ook de komende weken gebeuren. Voorzitter. Het niet-doorgaan van de verhoging van het eigen risico met €60 had ook moeten leiden tot compensatie via een verlaging van de arbeidsongeschiktheidspremie voor werkgevers, de zogenaamde Aof-premie, en wel met 196,3 miljoen euro, of wel 0,05 procentpunt. Maar ook deze is niet toegepast. Is de staatssecretaris bereid deze verlaging alsnog door te voeren? Of gelden hier ineens weer andere regels dan bij de capriolen in box 2? Er moet weer allemaal dekking komen, wat ik natuurlijk begrijp, maar toch, dit zou eigenlijk logischerwijs ook moeten gebeuren. In plaats van dat de Aof-premie daalt, stijgt deze in 2027 met 0,4 procentpunt tot wel 7,76% in 2027. Dit heeft weer alles te maken met de invulling van de vrijheidsbijdrage door het kabinet: 1,5 miljard Aof-premie erbij in 2027 en structureel 1,7 miljard. Voorzitter. Een aantal opmerkingen. Hoewel deze vrijheidslasten misschien in relatieve zin volgens het kabinet gelijk zijn aan die voor burgers, deelt het kabinet ook de constatering van het CPB en de Raad van State dat op termijn de Aof-premie uiteindelijk voor driekwart bij werknemers terechtkomt. Uiteindelijk wordt de vrijheidsbijdrage dus voor meer dan 80% door vooral werkenden gedragen en voor nog geen 20% door bedrijven. Vindt het kabinet dit echt een redelijke verhouding? Het gebruik van de Aof-premie is, zoals de Algemene Rekenkamer aankaart, bovendien een middel dat het budgetrecht van het parlement omzeilt. Daarnaast is mijn fractie ontevreden over het misbruik dat hier plaatsvindt van een premie voor een werknemersverzekering, want misbruik is het. Premies voor een werknemersverzekering haal je niet op voor Defensie-uitgaven. Dat is tegen de wet. Enfin, op verzoek van collega Patijn en mij wordt nu een onafhankelijke analyse uitgevoerd en deze komt binnenkort naar de Kamer. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt er wat mij betreft door het kabinet opnieuw te gemakkelijk overheen gestapt. Waarom is er niet gekozen om bedrijven via andere posten, zoals de vpb of een andere belasting, een bijdrage te laten leveren? Of komt er een nieuwe werkgeversbelasting? Aan welke modaliteit denkt het kabinet eigenlijk? Is zoiets op korte termijn door de Belastingdienst te implementeren of is die te druk met box 3? Dat is gelijk een bruggetje naar box 3: het pièce de résistance van de Belastingplanbehandeling dit jaar. Dit is volkomen onnodig. We hebben het hier over nog geen 2% van de inkomsten van het Rijk en dit zet al een heel jaar het politieke debat, en zo meteen ook de Belastingdienst, op zijn kop, en dat alleen vanwege een obsessie van de minister van Financiën met vermogenswinstbelasting. Die kreeg hij overigens te laat kreeg om die netjes te verwerken in de Wet werkelijk rendement, die we uitgebreid in dit huis hebben behandeld. Zoals vaker gezegd vind ik een systeem van werkelijk rendement te bewerkelijk voor de Belastingdienst en de belastingbetaler voor slechts 9 miljard euro per jaar. Dat is nog geen 2% van de overheidsinkomsten. Ik had liever een eenvoudige vermogensbelasting gehad van 1% à 1,5% met een samenloopbepaling, desnoods met een progressie naar tarieven van, zeg, 1% en 2%. De nota naar aanleiding van het verslag suggereert dat bij een dergelijke vermogensbelasting het beroep op de samenloopbepaling zodanig zal zijn dat het in the end net zo bewerkelijk zal zijn als de Wet werkelijk rendement. Dat vind ik echt een totaal ongeloofwaardige stelling die ook niet wordt onderbouwd. Ik daag de staatssecretaris uit dat alsnog te doen. Bij een al dan niet progressief percentage, dat niet te hoog is, is het echt niet geloofwaardig dat belastingplichtigen zich massaal bij de Belastingdienst zullen melden omdat ze in totaal te veel belasting zouden betalen, zeker bij een samenloopbepaling van 68%, zoals we die vroeger hebben gehad. Als je dit soort niet-onderbouwde onzin opschrijft — het spijt me, voorzitter — wil je dan wel echt vereenvoudigen? Onderbouw op z'n minst kwantitatief hoe groot het risico op een beroep op de samenloopbepaling is. Dan pas kunnen we echt een eerlijke beoordeling maken of de vermogensbelasting een fata morgana is of het overwegen waard voor de toekomst. Maar goed, meneer Heinen wil het feestje van de vermogenswinst vieren. Dat ben ik onder voorwaarden bereid met hem mee te vieren. Dat heb ik eerder gezegd, maar dan gaan we niet van de werkenden, noch van de kleinere spaarder en belegger, vragen om met stoelen te sjouwen, taarten te bakken en slingers op te hangen, waarna minister Heinen na afloop ook nog een Tikkie stuurt. De minister is in zijn hyperfocus aan hele grote groepen Nederlanders voorbijgegaan, tot ontevredenheid van de hele Kamer. In die zin verdient dat een compliment, want hij wist als een van de weinigen links en rechts te verenigen en dat is tegenwoordig niet voor velen weggelegd. Voorzitter. We gaan er 9 november over doorspreken. Het zal wat mij betreft dan ook uitgebreid over de uitvoerbaarheid gaan. Ik ga ervan uit dat de moties van de Kamer worden gerespecteerd en collega Van Eijk noemde ze al alle vier bij naam en toenaam. Ik ga er ook van uit dat er een netdekking in het vermogensdomein wordt gevonden. Als je dan de rekenrente op de papieren schenkingen en sowieso de forfaits actualiseert, ben je al halverwege het dekkingsprobleem. Grijp die aangenomen motie nou gewoon met beide handen aan in plaats van moeilijk te gaan zitten doen. Ook mensen die gebruikmaken van dit instrument, keken vreemd op bij de notaris dat een rente van 6% verplicht is, terwijl ze met 3% ook genoegen hadden genomen. Dit als een aanval op de erf- en schenkbelasting zien is echt vet overdreven en ook riskant in deze politieke tijden met een minderheidskabinet. Overigens, ik vind het wel een prima idee om het tarief in de eerste schijf van de erf- en schenkbelasting wat te verhogen — dat geef ik eerlijk toe — en daarmee het belastingtarief in box 3 wat te verlagen, want daar zit een groter probleem dan vermogensaanwas versus vermogenswinst. Een tarief van 36% is gewoon te hoog, zeker in internationaal perspectief. Kortom, ik zal een amendement indienen om dat tarief een paar procent te verlagen. Ook daar wordt aan gewerkt. Voorzitter. Daarnaast vind ik het belangrijk om nog een keer te benoemen dat ik hoop dat gelden die overblijven bij de hersteloperatie van box 3 wel ten goede komen aan de niet-bezwaarmakers uit de periode 2017-2020, nu de hersteloperatie qua financiële omvang zo meevalt. Kan de staatssecretaris dit alstublieft nog eenmaal overwegen, zonder gelijk in het welbekende schuttersputje te gaan zitten en zich te verschuilen achter de uitspraken van de Hoge Raad dat het niet hoeft en zal? Ik wijs ook op de woorden die collega Vermeer hierover heeft gesproken. Voorzitter. Over box 2 heb ik nog een vraag. Dank voor de duidelijke antwoorden in de nota naar aanleiding van het verslag. Daaruit rees wel de vraag op waarom het kabinet überhaupt heeft gekozen voor een tariefverlaging en niet voor een verlenging van de eerste schijf die congruent zou zijn met het inperken van het excessief lenen. Excessief lenen wordt met vier ton ingeperkt. Waarom nou niet in een of een paar jaar in totaal incidenteel met vier ton de eerste schijf verlengen? Daarmee leg je meer relatie met die beperkende maatregel. Dan heb je nog steeds derving, maar het is wel een slimmere maatvoering. Ik ben benieuwd waarom het kabinet daar niet voor gekozen heeft. Voorzitter. Ik kom bij de aftrek van specifieke zorgkosten. Deze aftrek ...
Versie 23eecc80aaf2f91059d10d5e61a46267c0b3083fef411c9292c1d6257e96c85c · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Pakket Belastingplan 2027
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.