Wetboek van Strafvordering (Boek 2) (36327)
Wetboek van Strafvordering (Boek 2) (36327)
statement · 3 feb 2025 · Tweede Kamer
Mevrouw Helder (BBB): Dan het tweede onderwerp waarover ik vragen heb, namelijk het recht van de verdachte om zelf aanwezig te zijn bij het verhoor van een getuige door de rechter-commissaris in het verkennend onderzoek, het nieuwe artikel 2.10.29. De hoofdregel is nu "nee, tenzij" en die gaat dus 180 graden draaien naar "ja, tenzij". Deze volgens de regering principiële keuze is volgens de onderbouwing op pagina 774 van de memorie van toelichting ingegeven door de wens om aan te sluiten bij de versterking van de regeling van het vooronderzoek in verband met de beweging naar voren. En dat terwijl deze omkering grote gevolgen kan hebben — althans, dat vind ik — voor de veiligheid van getuigen, maar ook voor die van anderen. De verdachte zal in de regel bij deze situaties in voorlopige hechtenis zitten. Vervoer naar de plaats van verhoor is dus noodzakelijk. Dat is ook weer een aanslag op de capaciteit van de dienst vervoer van het gevangeniswezen. Het belangrijkste is echter dat er getuigen zullen zijn die zich niet meer vrij voelen om een verklaring af te leggen. Gaan mensen nog wel in de politiefase als getuige verklaringen afleggen als zij weten dat zij daarmee het risico lopen dat ze later door de rechter-commissaris opgeroepen worden en dan geconfronteerd worden met een verdachte? Nu is het verhoor door de rechter-commissaris voor de getuige toch wel een veilige omgeving, maar straks is het dat niet meer. Dat heeft naar mijn mening een onacceptabele weerslag op de waarheidsvinding. Waarom is niet gekozen voor een tussenweg, voor een aantal gronden op basis waarvan een uitzondering wordt gemaakt op het "nee, tenzij", in plaats van het zo 180 graden om te draaien? Of waarom is er niet voor gekozen om alleen de raadsman van een verdachte aanwezig te laten zijn? Ik filosofeer maar even wat in het wilde weg. En voor de volledigheid: hoe gaat dit in zijn werk in een zaak met meer verdachten? Moeten die dan allemaal aanwezig zijn als ze hebben aangegeven dat te willen? Dat is geen ondenkbaar scenario in de huidige maatschappelijke situatie, waarin in één en dezelfde zaak tegen de georganiseerde drugscriminaliteit of de georganiseerde criminaliteit of over liquidaties vaak vele verdachten kent. Voorzitter, tot slot op dit punt. Hou verhoudt zich dit met de mogelijkheid van verklaring onder nummer, zoals vastgelegd in het nieuwe artikel 2.3.4? Is dit een van de "tenzij"-gronden op basis waarvan de verdachte het recht wordt ontzegd om het verhoor bij te wonen? Ik kan hierover niks terugvinden in de memorie van toelichting. Helemaal tot slot op dit punt. Hetzelfde geldt dan ook nog voor het nieuwe artikel 2.10.42, dat gaat over het verhoor van een bedreigde getuige. Of vallen deze situaties binnen het bereik van lid 2 van dat genoemde artikel, de gezondheid of het welzijn van de getuige? Graag een reactie op dit punt. Als derde had ik genoemd: infiltratie als opsporingsmiddel. De inzet hiervan is mogelijk bij een voorlopige-hechtenismisdrijf dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Infiltratie is ook bekend als "werken onder dekmantel". Daarom sla ik er ook op aan. Nog niet zo lang geleden was er een indrukwekkend rapport van de commissie-Sorgdrager naar aanleiding van de zelfmoord van een undercoveragent. Daar is een debat over geweest, waarin iedereen het met elkaar eens was: dit mocht echt nooit meer gebeuren. In dat kader heb ik dan ook een vraag. Op dit moment wordt de inzet van dit opsporingsmiddel getoetst door de Centrale Toetsingscommissie, het intern adviesorgaan van het Openbaar Ministerie, dat het College van procureurs-generaal adviseert. In de nieuwe situatie is ingevolge artikel 2.8.12 ook nog een machtiging van de rechter-commissaris nodig. Op pagina 696 van de memorie van toelichting staat dat infiltratie niet alleen ingrijpend is, maar ook "een gevaarlijke methode, waarop krachtig toezicht moet worden uitgeoefend". De gebeurtenis die ik aanhaalde, was ontstaan doordat de desbetreffende undercoveragent — tegen alle regels in — veel te lang als zodanig werkzaam was. Mijn vraag is dan: wordt dit voortaan voorkomen door deze aanvullende eis van machtiging door de rechter-commissaris? En zo nee, wat is dan de meerwaarde van deze nieuwe eis? O, ik dacht dat er een interruptie kwam, dus ik keek even. Afrondend, voorzitter, kom ik tot het laatste deel: de belofte die ik in het begin van mijn betoog heb gedaan. In juni 2010 — dat is alweer bijna vijftien jaar geleden — kwam ik in de Tweede Kamer. Vroeger was echt niet alles beter, maar er werd wel veel meer inhoudelijk gedebatteerd over wetsvoorstellen, net zoals vandaag. Dat vond ik wel mooi. Dat is eigenlijk wel een leuk bruggetje, want dat is wat het werk van volksvertegenwoordiger naar mijn mening zo mooi en bijzonder maakt: als medewetgever proberen een verandering teweeg te brengen die ertoe doet voor degenen die je via de verkiezingen in deze zetel hebben geplaatst. Voorzitter. Daar komt voor mij binnenkort een einde aan, want dit is vrijwel zeker mijn laatste debat. Ik ga namelijk afscheid nemen zodra duidelijk is wie de zetel inneemt. Ik hoor allerlei geluiden van verbazing. Dat vind ik dan ook wel weer lief. Ik ben dus blij dat dit een debat is geweest over wetgeving en met collega's waar ik al geruime tijd zeer prettig mee heb samengewerkt in de naar mijn mening mooiste commissie. Dank u wel.
Versie 2993003231abfaa96ff4940c8d64f6b7077aafabe5d02a9fa53d83f302bfbe59 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Wetboek van Strafvordering (Boek 2) (36327)
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.