KamerkringInloggen
← Onderzoeken

statement · 3 feb 2025 · Tweede Kamer

Wetboek van Strafvordering (Boek 2) (36327)

Brontekst

De heer Koops (NSC): Pardon. Een-na-laatste? Neem me niet kwalijk. Het heerlijke van bijna als laatste aan het woord zijn is dat je doorkrijgt welke thema's werkelijk Kamerbreed belangrijk worden geacht. Het bespaart mij ook het voorlezen van bepaalde volzinnen die ik had uitgeschreven voor het geval ze nog niet aan de orde zouden zijn gesteld. Dit eventjes als aftrap. Ik hou het zo concreet mogelijk en verwijs naar mijn complimenten van vorige week. Ik beschouw het als een eer om hier te mogen zitten, in dit gezelschap en vooral ook bij dit onderwerp; dat spreekt voor zich. Het is knap heerlijk om direct na de heer Aardema te komen, want in de jaren dat de heer Aardema bij de politie zat, was ik zo'n advocaat die met Salduz uiteindelijk toch moest worden toegelaten. Ik werd er niet langer aan mijn revers weer uitgehoepeld. We zijn het volkomen eens over het werken van die Salduz-regeling. Mijn eerste opmerking betreft het DNA-onderzoek dat in meer gevallen mogelijk wordt gemaakt bij een verdenking. Daarbij heb ik één heel simpele vraag aan de meest gerede minister dan wel staatssecretaris. Wat gebeurt er met dat DNA op het moment dat de oorspronkelijk geformuleerde verdenking niet eindigt in een veroordeling? Heel in het bijzonder: wordt er op dat moment van de gewezen verdachte een actie gevergd om dat DNA weer verwijderd te krijgen? Of wordt hem bericht dat zijn DNA vernietigd is en is weggehaald uit welke databank waarin het ook maar opgenomen was? Dat is mijn vraag ten aanzien van het DNA. Dan kom ik direct bij het punt over het onderzoek door de rechter-commissaris waar we het met z'n allen over hebben gehad, de restbepaling zoals voorgesteld bij amendement van het lid Ellian. Ik wilde bijna "Blanketwet" zeggen, maar dat doe ik dus nadrukkelijk niet. Ik ben benieuwd naar de Landeck-uitspraak. Die is al genoemd tijdens een eerder overleg hier, de technische briefing die plaatsgevonden heeft. Daarin werd nadrukkelijk opgemerkt dat de Landeck-uitspraak wordt meegenomen in de Innovatiewet die als het ware parallel aan het hele wetsvoorstel ook in ontwikkeling is. Die Innovatiewet is bedoeld om ook tijdens dit hele wetgevingstraject ontwikkelingen te kunnen adresseren. Mijn vraag is of een uitspraak zoals die Landeck-uitspraak in de visie van de regering geacht wordt te vallen onder de restbepaling zoals voorgesteld bij het amendement-Ellian. Of is het in alle gevallen nodig, dus ook als dit amendement onderdeel van de wet is, om zo'n Landeck-uitspraak, om bij het voorbeeld te blijven, apart te voorzien van een wetgevingstraject op het moment dat die eenmaal gewezen is? Kortom: blijft er een codificatieplicht, naast het bestaan van die rechtsbepaling zoals die is voorgesteld door het lid Ellian? Dan kom ik bij een onderwerp dat mij persoonlijk heel erg aan het hart gaat, door persoonlijke ervaringen gedreven, want zo loopt dat. Ik heb het over artikel 187a van het Wetboek van Strafvordering. Het lijkt me evident dat dit terecht hoort bij de staatssecretaris Rechtsbescherming. Daarin staat namelijk het volgende. Op het moment dat er getuigen worden gehoord bij de rechter-commissaris in de zaak tegen een verdachte, en die verdachte op dat moment geen raadsman heeft, dan wordt er een raadsman toegewezen door de rechter-commissaris. Daarmee kom ik, precies zoals mijn gewaardeerde buurman Aardema, bij een voorbeeld uit de praktijk. In het verleden heb ik de rechter-commissaris heel vaak gewezen op het bestaan van artikel 187a. Dan zei ik bijvoorbeeld: "Mijn cliënt is op de vlucht. Hij bevindt zich niet in Nederland. Hij kan geen toevoeging aanvragen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Het Openbaar Ministerie vermoedt dat hij heel bemiddeld is. Wilt u mij alstublieft toevoegen als raadsman, zodat ik de getuigenverhoren namens hem kan doen en hij dus wel een eerlijk proces krijgt?" Dat deed ik dan. De rechter-commissaris, bij wisselend beleid, gaf mij daar soms gelijk in en voegde mij dan toe, maar soms ook niet. Naar ik begrepen heb, zijn de kabinetten van Nederland op dit moment in het geheel niet genegen om op basis van het huidige artikel 187a een raadsman toe te wijzen. Dat stel ik gewoon vast in de praktijk. Dat was een lange inleiding om te komen bij artikel 2.10.12. Daarin wordt dit feitelijk ongewijzigd overgenomen. Dit hangt samen — daarom begin ik hierover — met de vraag waarom er een raadsman toegewezen moest worden. Dat was juist omdat de verdachte niet in het kabinet aanwezig zou zijn bij het verhoor van de getuigen. Bij dit wetsvoorstel wordt de aanwezigheid van de verdachte bij het verhoor als uitgaanspunt geïntroduceerd. Daar kunnen uitzonderingen op worden gemaakt, bijvoorbeeld als het gaat om het verhoor van een zedenslachtoffer of als het gaat om georganiseerde misdaad. U heeft ook wel door dat de Kamer op dit moment nogal op de wip zit. Moeten we nou wel overgaan op dit nieuwe systeem of niet? We weten nog niet wat eruit gaat komen. Heeft het recht van de verdachte om aanwezig te zijn in het kabinet, invloed op de toepassing van artikel 2.10.12 zoals dat nu is voorgesteld? Is de regering het met mij eens dat er door de rechters-commissaris ruimhartig invulling moet worden gegeven aan deze bevoegdheid? Immers, het hele proces wordt gediend bij het überhaupt aanwezig zijn van een raadsman. Als er geen raadsman is, omdat de verdachte op de vlucht is of om wat voor reden dan ook, dan lijkt het mij dat daarin onmiddellijk moet worden voorzien, zonder een toets van inkomen of wat dan ook. De raadsman moet daar gewoon zijn werk kunnen doen. De vraag is hoe de regering aankijkt tegen dit onderwerp. Daarmee kom ik op de voorlopige hechtenis. Daarover hebben wij allemaal — allemaal! — hetzelfde gezegd, hier in deze Kamer: dit wordt duidelijk te vaak toegepast naar huidig inzicht van de mensen aan deze kant van de tafel. Dat is een probleem dat enerzijds wettelijk kan worden geadresseerd en anderzijds puur in de praktijk. Ik hecht eraan op te merken hoe belangrijk het is dat die beslissingen over voorlopige hechtenis goed worden gemotiveerd. Ik raak totaal gefrustreerd als ik mijn best doe bij een raadkamer, of dat nou in eerste aanleg is of in hoger beroep, en ik dan een briefje terugkrijg, een soort afvinkformulier, waarin staat dat de rechtbank vindt dat er ernstige bezwaren aanwezig zijn en dat er ook sprake is van gronden, dus: ajuus, u krijgt 90 dagen. Dat kan ik gewoon niet uitleggen aan een cliënt. Die cliënt raakt even gefrustreerd als ik, en moet bovendien die 90 dagen zitten. Ik vind dat een onuitstaanbaar probleem. Dat alleen al is een reden om zeer volmondig toe te juichen dat de heer Sneller zijn amendementen heeft ingediend. Ik wil daar ook iets anders aan toevoegen. Kijk, de beslissing wordt genomen. De eerste vordering van 90 dagen is een behoorlijk voorlopige beslissing, de meest voorlopige van allemaal. Het onderzoek is nog in volle gang. De politie is zo terughoudend als ze mogen zijn bij het verstrekken van informatie aan de verdachte, want ze zijn nog opsporingsonderzoek aan het doen. Dan ga je natuurlijk niet vrijwillig zo veel mogelijk geven; dan geef je zo weinig mogelijk. Wat krijg je in het huidige systeem bij de pro forma? De formele plicht om alle stukken te geven die er zijn, rust op het Openbaar Ministerie. Hierop is het huidige wetsvoorstel ook ingegaan, bij het voorstellen van de afschaffing van de pro-formazitting en het vervangen daarvan door een raadkamer. In de memorie van toelichting staat dat alle stukken die beschikbaar zijn en verstrekt kunnen worden, alsnog moeten worden gegeven aan de eerste raadkamer, dus tijdens de eerste pro forma. Als er mensen naar huis gestuurd zullen worden tijdens hun voorlopige hechtenis, dan zal dat bij de meesten bij de pro forma zijn. Na die 90 dagen die zij hebben gezeten, na die drie maanden, raakt hun leven buiten de strafzaak om verwoest, bijvoorbeeld omdat ze hun hypotheek niet kunnen betalen, omdat hun echtgenoot wegloopt, omdat de omgang met de kinderen niet meer in orde is of omdat ze worden ontslagen. Dat gebeurt allemaal in die drie maanden. De raadsman heeft in diezelfde drie maanden de tijd om orde op zaken te stellen en om met een goed alternatief te komen voor de voorlopige hechtenis. Feit is dat de meesten na die drie maanden naar huis zullen gaan. Dat is wat mij betreft de belangrijkste oorzaak van het grote aantal voorlopige hechtenissen en het grote aantal kortlopende gevangenisstraffen dat wordt opgelegd door de later oordelende rechter. Die denkt: iemand heeft al drie maanden gezeten; laten we het daarbij of moet hij nog een keertje terug? Dat is de vraag. Ik beschouw die eerste pro forma dus als een cruciaal moment. Tegen die achtergrond vraag ik de regering: hoe ziet zij de verplichting om alle stukken die verstrekt kunnen worden bij wat de pro forma was en wat nu als raadkamer wordt geïntroduceerd, te verstrekken, in het licht van de mogelijkheid om stukken op datzelfde moment te onthouden? Over het onthouden van stukken zegt de wet op dit moment formeel: als een proces-verbaal, bijvoorbeeld een getuigenverhoor, echt niet in de handen van de verdachte mag komen, dan moet dat worden gerespecteerd. Dat begrijp ik, maar dan moet je wel verplicht mededelen dat er een stuk bestaat dat nog niet verstrekt wordt omdat dat nog niet kan. De verdachte moet er dus wel van op de hoogte worden gesteld dat hij niet het hele dossier heeft. Mijn vraag aan de regering is: hoe verhoudt de verplichting om mede te delen welke stukken nog niet verstrekt kunnen worden zich tot de verplichting om alle stukken die er zijn, te verstrekken tijdens wat de eerste pro forma was? Dit vraag ik in het licht van het enorme belang van de eerste pro forma voor de kortlopende gevangenisstraffen en de voorlopige hechtenis.

Versie 2993003231abfaa96ff4940c8d64f6b7077aafabe5d02a9fa53d83f302bfbe59 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.