KamerkringInloggen
← Onderzoeken

statement · 3 feb 2025 · Tweede Kamer

Wetboek van Strafvordering (Boek 2) (36327)

Brontekst

De heer Sneller (D66): Wederzijds, collega Helder. Uw inbreng was in stijl: zeer doorwrocht, zeer inhoudelijk en met de klapper. We gaan het daar inderdaad een andere keer verder over hebben, voorzitter. Na het goede debat van vorige week behandelen we vandaag Boek 2. Toegespitst op dit Boek denk ik dat de verschillende belangen die met elkaar kunnen botsen — denk aan het verdedigingsbelang en het opsporingsbelang — hier ook goed met elkaar in evenwicht zijn gebracht en dat er over het algemeen een geslaagde regeling uit is gekomen. Ik denk ook dat de structuur en de overzichtelijkheid zijn teruggebracht in het wetboek. Ik heb één punt hierbij. Het verlagen van de administratieve lasten voor het Openbaar Ministerie en de politie is een doel dat een paar keer naar voren komt. Mijn vraag is: hoe is nou ook in dit Boek geborgd dat dat niet leidt tot meer werklast ergens anders in de keten? Komt het niet per ongeluk bijvoorbeeld bij de Raad voor de rechtspraak of bij de gerechten op het bordje? Voorzitter. Ik wilde mij vandaag inderdaad met name richten op het slimmer omgaan met detenties, specifiek de voorlopige hechtenis. We weten dat er veel kritiek is op de huidige voorlopigehechtenispraktijk. Ik ga proberen daar tien punten over te maken. Ten eerste. We weten uit al het onderzoek dat mensen die korte tijd gedetineerd zijn geweest een veel hogere kans hebben op het plegen van "herhaalcriminaliteit" dan mensen die gestraft zijn met bijvoorbeeld een enkelband of een taakstraf. Dat geldt ook voor mensen die helemaal geen straf hebben uitgezeten, maar in voorlopige hechtenis hebben gezeten. Dus volgens mij kan juist ook het opleggen van voorlopige hechtenis in die zin tot meer criminaliteit leiden vanwege de detentieschade die daardoor optreedt. Mijn tweede punt. Het gaat in Nederland helaas juridisch relatief vaak mis. Het EHRM heeft Nederland ook een aantal keer veroordeeld vanwege het handelen in strijd met het recht op vrijheid, zoals beschreven staat in artikel 5 EVRM. Dan kom ik bij punt drie. Voorlopige hechtenis wordt in de praktijk te vaak en te gemakkelijk toegepast. In 2013 schreven drie senior strafrechters uit Rotterdam al over "de efficiënte koekjesfabriek"; daarmee probeerden zij de voorlopigehechtenispraktijk te karakteriseren. Zij schreven daar specifiek over: "De huidige stand van zaken is dat wij rechters vooral de voorwaarden voor voorlopige hechtenis afvinken, maar genoemde afweging niet altijd meer in voldoende mate maken." Dat is de pennenstreek waar collega Ellian het over had. Voor wie denkt dat deze kritiek van alle tijden is: nou, inderdaad. Ik heb nog één citaat van oud-minister van Justitie Modderman uit 1871. Hij is ook onlangs in NJB geciteerd. Hij zei: "Zijn eerste misdrijf is nog niet bewezen, ook het tweede wordt nog slechts vermoed, en op grond van die twee vermoedens zal men hem kerkeren. Dat gaat te ver. Om consequent te zijn zou men dan alle gevaarlijke sujetten — wat zeg ik — alle vermoedelijk gevaarlijke sujetten in de gevangenis op moeten sluiten." Oftewel, how do you like that voor een onschuldpresumptie, artikel 1.1.3, waar we het vorige week ook over gehad hebben. Vaak zijn er ook minder verstrekkende alternatieven voorradig die hetzelfde doel bereiken. Maar tot nu toe blijven die vaak onbenut. Het gaat dan bijvoorbeeld over het contactverbod, de borgsom, elektronisch toezicht et cetera. Dan blijkt ook nog eens dat de gevangenispopulatie in Nederland voor een groot deel bestaat uit mensen die in voorarrest wachten op hun berechting. Het CBS kijkt daar twee keer per jaar naar. Het gaat om ongeveer 40% van de gedetineerden. Ik hoor graag ook of die doelgroep inderdaad zwaarder is; de heer Ellian had interessante observaties op dat punt. Maar het zijn er natuurlijk best wel veel. Vierde punt. Het is niet doorslaggevend, maar we weten dat het €438 per dag per gedetineerde kost. Dat is niet goedkoop, terwijl er goedkopere alternatieven beschikbaar zijn. Vijfde punt. Regelmatig blijkt achteraf dat de voorlopige hechtenis onterecht was. Dat is niet alleen tragisch voor de mensen die onterecht hebben vastgezeten, maar dat kost ook — dat is mijn zesde punt — een behoorlijk bedrag aan schadevergoeding die wordt uitgekeerd aan deze mensen. Dat is zo'n 7 miljoen per jaar. Er zijn pieken en dalen. Ik hoor graag of er meer recente cijfers zijn. In 2012 was het bijvoorbeeld 11,1 miljoen. Dat is nog exclusief de extra kosten voor sociale advocatuur, die direct samenhangen met opgelegde voorlopige hechtenis. Al met al is het een forse kostenpost. Ik ben ook realistisch: die post gaat natuurlijk nooit helemaal naar nul. Maar volgens mij zijn er wel mogelijkheden om die verder omlaag te brengen. Ik denk dat dit zeker nodig is — dat is mijn zevende punt — omdat we weten dat die plekken in detentie schaars en kostbaar zijn. Ze worden nu soms onnodig bezet gehouden. In 2012 zaten een kleine 5.000 mensen bijvoorbeeld onterecht vast, in voorlopige hechtenis. Wederom, voor de duidelijkheid: dat is in deze gevallen pas achteraf vast te stellen, omdat de rechter uiteindelijk heeft gezegd het wel op te leggen. Drie rechters uit Rotterdam — Janssen, De Lange en Westhof — schreven in oktober vorig jaar dat sinds het artikel uit 2013 alle inspanningen "niet hebben geleid tot een bestendige verandering van de voorlopigehechtenispraktijk. Van daadwerkelijke vermindering van toepassing van voorlopige hechtenis is naar ons inzicht géén sprake." Ook hierover de vraag aan de staatssecretaris of hij actuelere cijfers heeft die dit kunnen bevestigen of juist ontkrachten. Al met al denk ik dat het wel echt slimmer moet kunnen. Dat is ook zo omdat — dat is mijn achtste punt — het een fors beslag legt op de beschikbare zittingstijd. In het artikel van Janssen, De Lange en Westhof uit het NJB, dat ik bij het vorige punt ook noemde, is voor een jaar berekend dat van de beschikbare zittingstijd voor commune strafzaken in de meervoudige kamer maar liefst 26,3% besteed werd aan pro-formazittingen, dus niet aan de inhoudelijke behandeling van rechtszaken. Er wordt nu natuurlijk een nieuwe constructie voorgesteld met de openbare raadkamer. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: gaat het percentage van 26,3 nou significant worden teruggebracht door die openbareraadkamerconstructie? Het kan plaatsvinden in de raadkamer, maar zal toch ook vaak in de gewone zittingszaal moeten plaatsvinden. Ik hoor graag of ik dat goed of verkeerd begrepen heb. Voorzitter. Meer dan een kwart van de beschikbare tijd gaat niet naar de inhoudelijke behandeling van strafzaken. Sterker nog, de auteurs van het artikel schrijven: "Door de verloren zittingscapaciteit worden zaken van vrije voeters bijna niet gepland." Zonder voorlopige hechtenis, en dus zonder pro forma, zouden in Nederland duizenden extra strafzaken kunnen worden afgedaan door de rechter, extrapoleren zij. Ik realiseer me wederom dat dit natuurlijk onrealistisch is, maar ik vind het wel een heel interessante manier om te kijken naar de status quo en die ter discussie te stellen. Minder voorlopige hechtenis betekent dan ook: minder plankzaken. Zij zeggen eigenlijk dat er een systemische verklaring voor het gebruik van voorlopige hechtenis in de Nederlandse praktijk is, namelijk het prioriteren van die strafzaken, en dat rechters voorlopige hechtenis ook opleggen omdat ze weten dat deze daarmee niet uit het zicht verdwijnen, want ze moeten elke drie maanden terugkomen. Oftewel, er is een schaduwdoel bij het opleggen van voorlopige hechtenis. Dat gaat dus niet om de wettelijke doelen, maar om een schaduwdoel. Zo is het niet alleen een gevolg van het vastgelopen systeem, maar is het er ook een oorzaak van. Dat vraagt toch ook iets aan ons als wetgever, namelijk om daarbovenuit te stijgen en te bekijken of we er iets aan kunnen doen. Punt negen. Het doet natuurlijk ook iets, zeg ik richting de staatssecretaris, met het werkplezier van rechters. Hier iets aan doen is in het kader van cao-onderhandelingen en tekorten wellicht een bijkomend voordeel. Ten slotte nummer tien. Het is wel goed om ons te realiseren dat achteraf terecht opgelegde voorlopige hechtenis gewoon een-op-een af gaat van de duur van een op te leggen gevangenisstraf. Dat is op zich heel logisch, maar het is wel goed om dat te beseffen. Vaak worden de bescherming van de samenleving of het gevaar van recidive natuurlijk als argument gebruikt. Maar dan werpen deze auteurs de volgende interessante vraag op: is het risico op recidive nou het grootst vlak na de arrestatie, als ze zich bespied wanen door de politie et cetera, of aan het einde van de detentie, waar die straf dan vanaf gaat? Ik denk dat het risico op recidive erna op zich groter is. Omdat het voorarrest er ook van wordt afgetrokken, denk ik ook dat het minder ruimte geeft aan de rechter om met voorwaardelijke straf aan het eind nog iets te kunnen doen. Voorzitter. De regering heeft dus zelf ook het doel om voorlopige hechtenissen terug te dringen. Maar de Raad van State betwijfelt — en ik deel die scepsis — of het huidige voorstel wel voldoende is om die doelen te bereiken. De Raad van State betwijfelt ook — mijn collega Ellian vroeg er ook al naar — of flankerende maatregelen niet behulpzaam kunnen zijn. Ik hoor graag wat het antwoord van het kabinet daarop is. Ook hoor ik graag wat nou precies de reden was voor de ommezwaai ten opzichte van de versie van de consultatie. Daarbij werd er toch een behoorlijk significante wijziging voorgesteld, die we nu niet meer terugzien in het wetsvoorstel. Voor mijn gevoel hebben we daar ook niet een soort middenvorm voor teruggevonden en zijn we terug bij de status quo ex ante, terwijl er wel wijzigingen mogelijk zijn. Voorzitter. Dan de vier amendementen. Ik heb ze vorige week genoemd, dus ik zal er niet al te lang bij stilstaan. Wat mij betreft zijn ze complementair, maar ik snap ook heel goed wat de heer Ellian zegt. Ik sta er ook met een open houding in. Het eerste amendement op stuk nr. 12 gaat meer om het beter vastleggen van het ultimum-remediumkarakter, namelijk door te kijken naar minder ingrijpende alternatieven. Ik realiseer me dat ik in hoe het amendement nu luidt, wat modaliteiten heb genoemd die niet in de wet staan en dus niet direct kunnen worden opgelegd. De vormgeving in de wetstechniek zal dus wat anders moeten. In de appreciatie hoor ik dus graag zowel de principiële als de praktische kant terug. Het amendement op stuk nr. 13 gaat er meer over dat het ook duidelijk gemotiveerd moet zijn en toegespitst moet zijn op het individuele geval. Ik denk dat dat kan bijdragen aan een weloverwogen toepassing. Omdat het nieuwe wetboek al wel een opdracht bevat aan de rechter om steeds te bedenken of het kan worden geschorst, wil ik die opdracht met het amendement op stuk nr. 14 ook aan de OvJ, de officier van justitie, geven, omdat die er natuurlijk ook een rol in te spelen heeft om dat eventueel te eisen. Het laatste amendement gaat over de gronden waarop dat kan gebeuren. Daarbij baseer ik me met name ook weer op een artikel uit het NJB, van professor Uit Beijerse en strafrechtadvocaat Maan. Zij schrijven dat die gronden toch wat achterhaald zijn en onduidelijk geformuleerd zijn. Ik neem kortheidshalve hun suggesties grosso modo over om dat verder te verduidelijken en meer in lijn te brengen met de EHRM-jurisprudentie, als het bijvoorbeeld gaat om de recidivegrond.

Versie 2993003231abfaa96ff4940c8d64f6b7077aafabe5d02a9fa53d83f302bfbe59 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.