Wet startprocedure b3-scholen en hardvochtigheden vso en pro (36745)
Wet startprocedure b3-scholen en hardvochtigheden vso en pro (36745)
statement · 13 mei 2026 · Tweede Kamer
De heer Ceder (ChristenUnie): Een interessante vraag. Ik weet niet welke belemmeringen dat opwerpt, omdat je dan bij een werkgever dingen opvraagt, waarvan ik me afvraag of wij dat wel mogen. Maar daar wil ik best wel naar kijken. Als u daar misschien een gedachte over heeft, dan wil ik daar best naar kijken. Ik ben nu even aan het kijken naar de praktische implicaties daarvan, maar goed om dat te weten, zou ik zeggen. Voorzitter. Dan ga ik door naar de hardvochtigheden die aangepakt gaan worden met het wetsvoorstel. Daar kan ik veel korter over zijn: logisch en terecht. Ik heb wel één vraag daarover, die eigenlijk slechts zijdelings raakt aan het voorstel. In de memorie lees ik dat DUO in de uitvoeringstoets opmerkt dat artikel 2.30, derde lid, van de WVO 2020 zou moeten worden aangepast in lijn met de AMvB die inmiddels in werking is getreden. Daar is niet voor gekozen. De memorie stelt dat "op termijn wordt gekeken of het opportuun is deze wijziging door te voeren en op welke manier". Kan de staatssecretaris daarom ook aangeven wanneer ze daarop terugkomt? En is het mogelijk dat bijvoorbeeld vóór de begrotingsbehandeling de Kamer hier een brief over krijgt? Ik zou daar graag een concrete toezegging op willen krijgen. Tot slot ga ik toch een constitutionele noot kraken, namelijk over de twee zeer afzonderlijke wetsvoorstellen die in dit wetsvoorstel hier zijn verpakt. Ik heb daar best moeite mee, juist omdat het eerste onderdeel — zoals we merken — wat meer vragen oplevert dan het tweede deel. Dit raakt dan ook aan de kwaliteit van de wetsvoorstellen die het kabinet oplevert. De tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing stelt terecht dat het wetsvoorstel door het opnemen van die twee afzonderlijke onderdelen raakt aan de kwaliteit van het wetgevingsproces en aan de constitutionele positie van de Eerste Kamer daarin. Een voorbeeld: de Eerste Kamer kan een wet immers slechts aannemen in de vorm zoals die er ligt, dus voor of tegen, terwijl het best zo kan zijn dat ook in deze Kamer niemand moeite heeft met die hardvochtigheden, maar misschien wel moeite heeft met het eerste gedeelte, maar je dan toch over één wet moet stemmen. En stel je voor dat dit wetsvoorstel het niet zou halen, dan vervalt ook het repareren van die hardvochtigheden, waarvan ik denk wel te kunnen proeven dat daarvoor hier wel een meerderheid is. Ook sturen we dit dan vervolgens naar de Eerste Kamer, die eigenlijk ook alleen maar kan voor- of tegenstemmen, terwijl daar misschien ook wel gedachten zijn over het eerste die haaks staan op de gedachten ten aanzien van de hardvochtigheden. De vraag is daarom waarom de regering zulke belangrijke en niet-controversiële wijzigingen verknoopt met de wetswijziging die — zoals we merken — niet alleen fundamentele vragen oproept, maar ook een bepaalde inbreuk maakt, of niet, op een grondwettelijke vrijheid. Kan de staatssecretaris daarop reflecteren? Ik lees dat de regering met de wijsheid achteraf mogelijk een andere afweging zou hebben gemaakt. Welke les trekt de staatssecretaris, en daarmee ook het kabinet, hier dan uit voor het vervolg? Kan de staatssecretaris toezeggen om voorstellen die niets met elkaar te maken hebben in de toekomst niet meer in een wetsvoorstel te verknopen, zeker niet als een voorstel raakt aan de vrijheid van onderwijs? Ook daar graag een toezegging over. Dank u wel, voorzitter.
Versie 3699a4fc0ea076d4d76283e1cb5abcbb97c6c4bacbc4547ce6a9ff0ba736a542 · Officiële bron.
Wet startprocedure b3-scholen en hardvochtigheden vso en pro (36745)
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.