KamerkringInloggen
Uitspraak

Belastingen (CD d.d. 30/06)

8 jul 2021 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie dadeffee9438d9b8 · officiële bron

Staatssecretaris Vijlbrief: Dank aan de Kamerleden voor de moties. De motie van de heer Mulder op stuk nr. 89 verzoekt om de accijnzen op de benzine te verlagen en dit te financieren door de bijdrage aan de EU te verlagen. Die motie moet ik ontraden. De accijnzen op de benzine zijn niet de oorzaak van de huidige hoge benzineprijzen. Dat is het gevolg van bewegingen op de oliemarkt. Accijnzen zijn bedoeld om de externe effecten van de uitstoot van verbrandingsmotoren te dekken. Deze motie moet ik dus ontraden. De motie-Stoffer op stuk nr. 90 verzoekt de kloof tussen een- en tweeverdieners niet te vergroten in het Belastingplan 2022. We hebben in dit land de prachtige traditie dat we in augustus kijken naar een evenwichtig koopkrachtbeeld voor álle groepen. Ik had twee dagen geleden in de Eerste Kamer een kort debat hierover met de heer Van Rooijen, die ook al het instrument verzonnen had om te bereiken wat de heer Stoffer wil bereiken. Ik moet deze motie ontraden, omdat die zich op een specifieke groep richt. Daarbij speelt een rol, zoals ik al in het debat heb gezegd tegen de heer Stoffer, dat het waar is dat de instrumenten die je hebt om de arbeidsparticipatie te vergroten, steeds minder effectief beginnen te worden. Dat heet "afnemend grensnut" in economietermen. Dus dat is waar. Het is ook waar dat er draagkrachtproblemen en overwegingen zijn tussen een- en tweeverdieners. Maar deze motie is te precies, in de zin dat die al een richting geeft aan wat we evenwichtig zouden moeten geven. Ik kan haar daarmee geen oordeel Kamer geven. Ik moet haar ontraden. Dat geldt niet voor de motie van de heer Stoffer op stuk nr. 91: uitvoerbaarheid box 3 naar werkelijk rendement. Een korte toelichting. Het onderzoek van PwC biedt goede aanknopingspunten voor een dergelijk stelsel voor bepaalde categorieën vermogen, maar niet, zoals de heer Stoffer ook weet, voor onroerende zaken en overige vermogensbestanddelen. Ik heb in mijn brief van vorige week, of de week daarvoor, gezegd dat je moet kijken hoe je dat voor de verschillende vermogenscategorieën gaat regelen. We hebben daar een debat over gehad. Daar wordt aan gewerkt. Er komen straks moties waar ik ook iets over zal zeggen, die dezelfde strekking hebben. Maar deze kan ik dus oordeel Kamer geven, want dit is precies wat ik van plan was te doen. Dat brengt me bij de motie op stuk nr. 92 van mevrouw Van Dijk van het CDA: contourennota box 3 naar werkelijk rendement. Die zou ik ook graag oordeel Kamer willen geven, want dit is inderdaad wel het goede idee, denk ik. Het komende kabinet of het nieuwe kabinet komt met een contourennota hoe nou precies de boel vorm te geven, zodat we kunnen overgaan naar werkelijk rendement, ook in de tijd. Dus die motie zou ik graag oordeel Kamer willen geven. Datzelfde geldt ook voor de motie op stuk nr. 93 van de heer Idsinga. Die heeft eigenlijk ook weer dezelfde strekking: werkt u door aan een stelsel naar werkelijk rendement. Die zou ik ook graag oordeel Kamer willen geven. Deze moties komen allemaal eigenlijk op hetzelfde neer. Daarmee kan ik dan ook de motie op stuk nr. 94 van de heer Idsinga, belastingen box 3 korte termijn, oordeel Kamer geven. Dat kan ik gewoon meenemen in de contourennota. Dat doe ik graag. Deze motie vroeg om de specifieke behandeling van spaargeld. De motie op stuk nr. 95 over de levensloopregeling moet ik ontraden. Er is een overgangsperiode van tien jaar geweest. Ik vind de kwalificatie "wiebelbeleid" of zoiets — ik weet niet welke kwalificatie de heer Idsinga precies gebruikte — hier niet helemaal van toepassing, als er een overgangsperiode is geweest van tien jaar. Ik zie wel dat er altijd problemen overblijven — dat heb ik ook in het debat gezegd — maar ik vrees dat ik deze motie moet ontraden, omdat ik niet goed zie hoe je dit in het vat zou moeten gieten, als je het al zou willen. Dat kun je eigenlijk niet goed meer doen na een overgangstermijn van tien jaar. Dat brengt mij bij de motie van de heer Grinwis op stuk nr. 96 over het handhavingsmoratorium van de Wet DBA. Daar wil ik even iets meer over zeggen. De heer Grinwis zei terecht dat het een smet is op het blazoen van het kabinet dat we dit niet hebben kunnen oplossen. Dat vind ik zelf ook. Maar het is ook waar dat het erg ingewikkeld is. Daarom is het ook niet makkelijk oplosbaar. Ik wil deze motie oordeel Kamer geven. Er is wat onduidelijkheid over, ook in de pers, dus dat kan ik op deze manier ook gelijk oplossen. Het handhavingsmoratorium loopt niet af in oktober. Het loopt minimaal tot oktober en dan zullen we kijken wat we gaan doen. Ik hoop op dat moment samen met collega Koolmees van Sociale Zaken te beschikken over de uitkomsten van de zogenaamde ... Hoe heet dat ding ook alweer? Ik begin echt moe te worden. De pilot met de webmodule. Die zou meer inzicht moeten geven in de soort arbeidsrelatie die je hebt. Ik geef dus oordeel Kamer. Ik ben het eens met wat de heer Grinwis probeerde te zeggen, namelijk: probeer een weg te vinden waarop je de wet toch kunt handhaven op een nette manier. Ik ben het daar eigenlijk gewoon mee eens. De heer Alkaya van de Socialistische Partij had het in zijn motie op stuk nr. 97 over de uitzonderingen in de ontwerpovereenkomst die dit weekend op de G20 in Venetië zal worden besproken, over een minimumwinstbelasting. Wat betreft de uitzonderingen in pijler 1: ik heb in het debat gezegd dat ik mijn best zal doen — ik neem aan dat dat ook voor de minister en het kabinet geldt — om te zorgen dat die uitzonderingen zo veel mogelijk beperkt worden. Ik heb in het debat gezegd — ik herhaal dat hier nog een keer — dat er 130 landen aan tafel zitten. Het belang van een overeenkomst hierover is altijd heel groot, maar tegelijkertijd kan het niet de bedoeling zijn dat er alleen maar een overeenkomst komt met heel veel verwatering. Dat zei ik ook al in het debat tegen de heer Alkaya. Inhoudelijk zijn we het eens, dus daarom geef ik oordeel Kamer. Het kabinet zal zich daarvoor inzetten. Oordeel Kamer. De motie-Eppink c.s. op stuk nr. 98 is een beetje ingewikkeld. Ik geloof dat de gist, de kern, van de motie is om te doen wat mevrouw Van Dijk, de heer Grinwis en de heer Idsinga vragen, namelijk: maak een contourennota en geef aan hoe je dit gaat doen. Er zit één ding in de motie die het mij onmogelijk maakt om haar oordeel Kamer te geven. U zegt namelijk: doe het per 1 januari 2022; doe dat nu in het Belastingplan. Dat gaat niet. Technisch kan dat niet. Het is onuitvoerbaar, dus ik moet de motie ontraden in deze vorm, zo zeg ik tegen de heer Eppink. Als hij het dictum aanpast en dat zou schrappen, kan ik de motie oordeel Kamer geven, maar dan begint de motie wel heel erg te lijken op de vele andere over box 3. Dat brengt mij bij de moties van de heer Ephraim. Dat zijn de drie laatste. Die krijg ik net aangeleverd, dus daar moet ik nog heel snel naar kijken. De eerste motie op stuk nr. 99 gaat wederom over box 3 en over het werkelijk behaalde rendement. Ik denk dat een "operationeel plan van aanpak" andere taal is voor een "contourennota". Dat laatste klinkt veel ambtelijker dan een "operationeel plan van aanpak", dus u heeft de prijs gewonnen voor de betere naam. Mevrouw Van Dijk vindt dat niet fijn. Ik geef oordeel Kamer, want volgens mij bedoelt u hetzelfde. Voorzitter. De motie-Ephraim/Eppink op stuk nr. 100 over de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap en het nu schrappen van de terugwerkende kracht moet ik ontraden. Daar is het kabinet geen voorstander van. Ik hoop dat ik nog eens de kans krijg om dit wetsvoorstel met de Kamer te behandelen. Ik hoop dat ik dat nog mag doen, want het is een heel interessant wetsvoorstel. Dan zullen we ongetwijfeld weer over de terugwerkende kracht praten, maar het kabinet vindt het niet verstandig om de terugwerkende kracht nu te schrappen. Dat geldt helaas ook voor de, op zichzelf sympathieke, motie-Ephraim/Eppink op stuk nr. 101 over het permanent op nul houden van de invorderingsrente op schulden aan de Belastingdienst. Dat willen we echt niet. De reden daarvoor is eigenlijk heel simpel. Je kunt praten over het niveau van de invorderingsrente, maar die is er natuurlijk om een prikkel in te bouwen zodat mensen ook gaan terugbetalen. Ik wil best tegen de heer Ephraim zeggen dat je een discussie kunt voeren over de vraag of die 4% moet zijn. Dus deze motie moet ik ontraden omdat die niet zal bijdragen aan de belastinginkomsten. Daar hoort de staatssecretaris van Financiën niet oordeel Kamer op te geven. Voorzitter. Daarmee ben ik klaar.

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.