de Nederlandse bijdrage aan EUFOR Althea (artikel 100-procedure)
Brontekst
Versie 3bc6350d163d8cb4 · officiële bronMinister Hoekstra: Voorzitter, dank. Mag ik ook nogmaals dankzeggen aan de leden van uw Kamer voor de gemaakte opmerkingen en gestelde vragen? Ik zou ook graag nogmaals hier tot uitdrukking willen brengen dat wij het beiden zeer, zeer gewaardeerd hebben hoe gedegen we het debat hebben kunnen voeren, maar ook hoe breed — dat bleek ook vandaag weer — er steun lijkt te zijn vanuit alle hoeken van de Kamer voor het hier onder heel moeilijke omstandigheden toch besluiten om wel wat te doen. Dat is precies vanuit de gedachte — sommigen, onder anderen Boswijk, haalden dat hier ook weer aan — dat niks doen een vacuüm creëert dat zonder meer zal worden opgevuld. Dat we op deze manier over zoiets wezenlijks als het uitzenden van troepen kunnen spreken en dat we daarbij ook zo veel fracties aan onze zijde weten, waarderen we zeer. Dat wilde ik toch nogmaals ook hier plenair tot uitdrukking gebracht hebben. Voorzitter. Er waren een aantal vragen aan de minister van Defensie en aan mijzelf. De vragen die op mijn terrein liggen, zal ik zo goed mogelijk proberen te beantwoorden. We kijken met elkaar terug op een zeer gedegen en zeer inhoudelijk commissiedebat. Ik heb gisteren nog een brief aan de Kamer doen toekomen naar aanleiding van de openstaande vraag van de heer Kuzu, die overigens vandaag in de gedaante van de heer Van Baarle bij ons is, zo is mij opgevallen. Er is ook nog uitgebreid contact geweest met de commandant en met de HV, juist in aanvulling op de vragen die gesteld zijn. Laat ik daar een aantal dingen over zeggen. Het is waar dat dit al heel lang duurt: 28 jaar. Daar werd terecht naar verwezen. Tegelijkertijd, met alle zorgen die er zijn, mag je ook constateren dat er sprake is van een geleidelijke stabilisatie sinds de tekening van Dayton. Je ziet dat in ieder geval ook terug in de afname van het aantal troepen: 63.000 in 1996 en circa 1.000 nu. Zonder naïef te willen zijn en zonder iets af te willen doen aan alle kanttekeningen die we zeer realistisch met elkaar geplaatst hebben in het commissiedebat, is dat natuurlijk wel een goede ontwikkeling. Maar daar hoort meteen een dosis realisme bij. Er is geen enkele illusie over hoe wij daar weleens even zelf met de Nederlandse bijdrage de situatie zouden kunnen oplossen. Dat bestaat gewoon niet. Volgens mij was dat realisme ook een van de winstpunten uit de dialoog die we gevoerd hebben. EUFOR is wat ons betreft wel degelijk van grote toegevoegde waarde. Die operatie draagt bij aan het creëren van een context waarin ten minste vooruitgang mogelijk zou moeten zijn. Dan een aantal dingen over de escalatie en handelingsopties. De heer Sjoerdsma vroeg daarnaar en mevrouw Piri vroeg daar opnieuw naar. Ook de heer Van Wijngaarden vroeg daarnaar, helemaal in de geest van wat de heer Brekelmans ook naar voren heeft gebracht. We hebben natuurlijk uitgebreid gesproken over de ontwikkelingen in de Republika Srpska. In dat kader wil ik graag het volgende opmerken. De heer Sjoerdsma en anderen verwezen daar ook naar, mevrouw Piri volgens mij ook. De beslissing van het parlement daar om uitspraken van het Bosnische constitutionele hof niet te erkennen, veroordelen wij ten sterkste, net zoals de HV, de EU en de VS dit inmiddels hebben gedaan. Dat gaat namelijk simpelweg in tegen de Bosnische grondwet en tegen Dayton. Dat is zeer, zeer onverstandig en daar nemen wij met klem afstand van. Dat is geen nieuw geluid. Dat zeg ik niet ter vergoelijking, maar wel om het in context te plaatsen. We moeten ook zien hoe die specifieke beslissing uitpakt. Maar het motiveert mij alleen maar meer om hier ook diplomatiek werk van te blijven maken. Dan ben ik meteen bij de tweede vraag van de heer Sjoerdsma. Hij vroeg, als echo van zijn vraag uit het commissiedebat: wil het kabinet zich blijven inspannen in de volle breedte en hier zorgen voor engagement? Daar ben ik het zeer mee eens en dat zeg ik hem graag toe. Dat moet ambtelijk, politiek, diplomatiek, bilateraal er overigens ook via de Europese Unie. Dat laatste is natuurlijk een route die we met name in dit verband heel veel bewandelen. Voorzitter. Dan is het goed om nog te benoemen dat we gisteren nog contact hebben gehad met de HV. Die volgt de situatie nauwgezet, ook naar aanleiding van de laatste uitspraken. Het is ook aan hem om eventuele stappen te zetten of nog maatregelen te nemen. Minister Ollongren en ik hebben gisteren al gezegd dat er vervolgens een aantal denkbare, maar overigens ook zeer onwaarschijnlijke scenario's zijn. Ik denk dat het onmogelijk is om hier in te gaan op elke mogelijke casuïstiek. Ik wil daar dus een beetje terughoudend in zijn, maar er zijn wel een paar dingen die ik zou kunnen noemen. Ik zal een voorbeeld noemen. Het is natuurlijk niet een scenario om aan te moedigen, maar vorige week ging het daar wel over: stel nou dat Dodik de onafhankelijke republiek uitroept. Naar onze waarneming zullen de HV en EUFOR Althea dan samen de balans moeten opmaken. Zij zullen dan ook kijken naar handelingsopties binnen het gegeven mandaat. Laat ik daar heel duidelijk over zijn: het gaat daarbij dan evident over een ongrondwettelijke daad, in strijd met Dayton. De HV beschikt over een vergaand instrumentarium: de zogenaamde Bonn Powers. Op basis daarvan kunnen wetten nietig worden verklaard en bestuurders uit hun ambt worden gezet. Een dergelijke situatie vereist naar onze stellige overtuiging dan ook primair een politieke respons. EUFOR zal op zo'n moment de militaire aspecten van Dayton handhaven, primair door tussenkomst van de Bosnische federale veiligheidstroepen, leger en politie. Zo nodig kan EUFOR dat ook zelfstandig doen. Maatregelen die gepaard zouden gaan met een eventuele afscheiding, zullen uiteraard worden voorzien van een gepast antwoord. En dan zal natuurlijk altijd gekeken worden naar de proportionaliteit. De commandant van EUFOR is daartoe ook bevoegd. Nou, we hebben het nu over een scenario dat vanzelfsprekend tot grote, grote internationale spanningen en veroordelingen zal leiden. Er zal een enorme druk komen om die maatregelen terug te draaien. Ik hoop dat ik daarmee in ieder geval in de geest van de what-ifs heb geantwoord. Voorzitter. Dan was er nog een vraag van de heer Van Baarle, eigenlijk ook een what-if: wat nou als je dat mandaat niet zou kunnen verlengen? Vanzelfsprekend vraagt de jaarlijkse verlenging in een heel moeilijke context altijd instemming van alle permanente VN-VR-leden. Dat is geen gegeven. Tegelijkertijd is onze inschatting dat de kans op een Russisch veto beperkt is, ook al omdat velen in de internationale gemeenschap dan tot een alternatief zullen overgaan. Dan zullen ze denken: nou, dan doen we het niet via de VN, maar op een andere manier. Ik ben daar dus niet onmiddellijk bezorgd over, maar het is ook niet uitgesloten. De heer Boswijk vroeg nog naar het toekomstperspectief: kunnen we dat ook nog meenemen in het verslag van de RAZ? Ja. Daarin ga ik daar heel graag kort aandacht aan besteden. Daarnaast zou ik eigenlijk met hem willen afspreken dat we nog met een uitgebreidere beschouwing komen in de kabinetsappreciatie van de voortgangsrapportage van de Commissie in het najaar. Volgens mij hebben we dan ook aan dat deel voldaan. Ik ben het zeer eens met veel van de kritische woorden van de heer Sjoerdsma, ook over het opereren van Dodik. Sancties? Ja, daar ben ik voorstander van. Ik ben graag bereid om die discussie nog een keer aan te kaarten, maar daaraan moet ik toevoegen dat dit binnen de Europese Unie tot nu toe niet op unanimiteit kon rekenen. Laat ik nou die inspanning wél betrachten. Ik zeg erbij dat het geen makkelijke opdracht is. Het zou goed kunnen dat we daarbij op dezelfde manier nul op het rekest krijgen als de vorige keer. Daarbij is het overigens belangrijk dat de acties die wij ondernemen, steeds de acties van de HV versterken. Voorzitter. Ten slotte ben ik het zeer eens met wat de heer Sjoerdsma zei: het is niet de achtertuin. Dit raakt onmiddellijk aan Europa, al zou je kunnen betogen dat het geografisch gezien misschien niet onmiddellijk in het hart van Europa ligt. Het doet mij zeer denken aan de gesprekken die honderden jaren geleden in deze stad gevoerd werden over de Hollandse tuin en de Hollandse afscheiding. Het is dus een vergelijking die een lange tijd teruggaat. Voorzitter, ik denk tot zover van mijn kant.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.