Financiën decentrale overheden
Financiën decentrale overheden
statement · 10 jun 2026 · Tweede Kamer
De heer Clemminck (JA21): Dank u wel, voorzitter. Als je de voorgaande commissiedebatten over de financiën van decentrale overheden terugkijkt, valt er iets op. De kern is eigenlijk telkens hetzelfde. Er is bij iedereen eigenlijk zo'n beetje te weinig inzicht in de relatie tussen de ambities, taken en knaken bij de gemeenten. Er is discussie over hoe de begroting te maken en hoe je de koek dan weer moet verdelen. Ik ben bang dat het debat van vandaag niet zo veel anders is dan de voorgaande debatten. Met andere woorden, we komen niet echt een stapje verder. Voorzitter. Er is onderzoek gedaan naar grootstedelijke kosten, las ik, de kosten van gemeenten met meer dan 100.000 inwoners. Grootstedelijke problematiek is te objectiveren. Er is een concentratie en cumulatie van problemen, en dus zijn er extra kosten. Daarnaast zouden deze gemeenten extra, vaak regionale, taken hebben. Het onderzoeksbureau concludeert dat er inderdaad sprake is van grootstedelijke kosten bij die 100.000+-gemeenten, vooral op het gebied van infra, gebiedsontwikkeling, onderwijs en het sociaal domein. Er is dus een objectieve grond. De logica van de kostenoriëntatie betekent dat er reden is om een maatstaf op te nemen in het gemeentefonds. Die bestaat al: de bebouwingsdichtheid. Een alternatief is niet gevonden. Er is een nieuwe onderzoeksagenda opgesteld voor het najaar van 2026, om te bekijken of we tot een andere maatstaf kunnen komen. Voorzitter. Ook middelgrote gemeenten hebben stedelijke kenmerken, dynamiek en problematiek. De schaal en bebouwingsdichtheid zijn anders — zeer zeker — maar ze zijn wel vergelijkbaar. Vaak hebben deze gemeenten niet hetzelfde oplossingsvermogen als de 100.000+-gemeenten. Ze hebben bijna allemaal een beroerder ov, amper vervolgonderwijs binnen de gemeentegrens en geen toegang tot allerlei mooie rijksprogramma's, zoals het NPLV. Ze hebben vaak ook veel meer moeite met het werven van voldoende capaciteit en expertise in de ambtelijke organisatie. Daarom onderkent de minister dat de middelgrote gemeenten stedelijke kenmerken hebben, en dus ook de problematiek. Een andere schaal, dezelfde dynamiek. Erkent de minister dat het oplossend vermogen van deze middelgrote gemeenten juist minder groot is dan dat van de grote gemeenten? Is de minister bereid om ook de middelgrote gemeenten mee te nemen in dat onderzoek, en dus eventueel ook in zo'n maatstaf? Voorzitter. De minister kiest ervoor om de huidige bedragen van het ingroeipad voor de gemeenten die niet volledig ingroeien voorlopig te bevriezen op het niveau van 2026. De volgende stap zet de minister pas in 2029. Dat betekent dat gemeenten waarvan eerder objectief is vastgesteld dat zij te weinig kregen, nog veel langer te weinig gaan krijgen. Ik geef een voorbeeld, van de gemeente Eindhoven, die uiteindelijk een voordeelgemeente is van €200 per inwoner. Het ingroeipad van de herverdelingseffecten was voor de eerste drie jaar afgesproken op €7,50 per inwoner in de eerste jaarschijf, €15 in de tweede jaarschijf en nog een keer €15 in de derde jaarschijf, oftewel voor de eerste drie jaar in totaal €37,50, op het totaal van €200 waar ze naartoe zouden moeten groeien. Vorig jaar heeft het toenmalige kabinet besloten in 2026 geen vervolgstap te nemen met het geleidelijk invoeren van het nieuwe voordeelmodel. Dat betekent dus stilstand voor de gemeente Eindhoven. Jaarlijks mist de gemeente Eindhoven daardoor zo'n 3,5 miljoen euro. Door de voorgenomen bevriezingen van dit kabinet in 2027 en 2028 mist de gemeente Eindhoven cumulatief zo'n 17,5 miljoen euro. Erkent de minister dat het opnieuw bevriezen van dit ingroeipad grote gevolgen heeft voor deze gemeente? Zo zijn er overigens nog tal van andere gemeenten. Ziet de minister nog mogelijkheden om het ingroeipad zo snel mogelijk te hervatten, maar in ieder geval per 2028? Voorzitter. Ten slotte heb ik het weer even over de koek en hoe die groter te maken. Uiteindelijk is het natuurlijk een kwestie van politieke keuzes, ook hier in Den Haag. Simpel gezegd is de vraag: gaan er minder miljarden naar massamigratie, minder miljarden naar milieu- en duurzaamheidsdoelen, minder miljarden naar ontwikkelingssamenwerking in Brussel? De minister weet, denk ik, heel goed wat voor mijn partij het juiste antwoord is op deze vraag, maar ik ben benieuwd wat het antwoord van de minister is. Voorzitter. Ik doe ook een oproep aan al die wethouders die hier vandaag aanwezig zijn. Vaak zijn het wethouders van partijen die juist meer massamigratie willen, juist meer klimaat en juist meer ontwikkelingshulp. Mijn oproep aan die wethouders zou zijn: spreek uw eigen partij aan en verwacht niet altijd alles vanuit Den Haag. Voorzitter, tot zover.
Versie 1759ca756e28e84d19a0c13e30083312ae1b7f0c794e4815d7bb54c8db2edba7 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Financiën decentrale overheden
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.