het wetsvoorstel Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering), Boeken 3 en 4
Brontekst
Versie c4721d695e63787e · voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigenDe heer Koops (NSC): Dank u, meneer de voorzitter. Ook ik heb niet zo veel over Boek 3 en 4. Ook voor mij ligt het accent op de middag en met name op Boek 5. Ik beperk mij dus tot een aantal opmerkingen over Boek 3 en 4, maar veel is het niet. Inmiddels zult u van mij ook wel verwachten dat ik enigszins spreek vanuit ervaringen uit de praktijk, want dat is nou eenmaal het perspectief van waaruit ik kom. Het gaat mij in de allereerste plaats om wat nu voorlopig heet de voorlopige strafbeschikking. Strafbeschikkingen zijn een soort van omstreden maar onmisbaar onderwerp in de strafrechtspleging vanaf het begin, vanaf het eerste voorstel ooit waarmee de strafbeschikking werd ingevoerd. Dat is omdat het ergens halverwege een soort van rechterlijk oordeel ligt en juist niet een rechterlijk oordeel is, maar wel justitiële en strafvorderlijke gegevens oplevert. Een van de dingen waar in de praktijk vaak tegenaan wordt gelopen, is de onmogelijkheid om een gedeelte van een straf, een sanctie die bij strafbeschikking wordt opgelegd voorwaardelijk op te leggen. Dat probleem is al eerder aan de orde geweest in het wetgevingstraject hier, maar ik hecht eraan om het te benoemen. Het is heel simpel. Neem een bagateldelict: twee buurmannen krijgen ruzie op straat en de ene slaat de andere een blauw oog. Mediation mislukt vervolgens, maar ze zijn wel buren en ze moeten gewoon door. Dat is een situatie waarin een strafbeschikking wordt opgelegd. De essentie is natuurlijk dat je in zo'n geval niet zozeer de man die een blauw oog sloeg heel zwaar wil straffen; je wil zorgen dat hij het nooit weer doet, want ze wonen naast elkaar. Dat is bij uitstek een geval waarin je kan zeggen: ik wil graag dat een werkstraf wordt opgelegd van 30 uur, maar voorwaardelijk. Dat is op dit moment niet mogelijk. Ik beschouw dat als een leemte in de huidige regeling. De vraag dringt zich op of wij met z'n allen moeten wachten tot 2029 voordat daar verandering in komt. Volgens mij is het zo klaar als een klontje dat een voorwaardelijke straf bij strafbeschikking hartstikke nuttig is, nu meteen in de praktijk. De vraag is dus of het invoeren van een voorwaardelijke strafbeschikking naar voren kan worden geschoven in de tijd, zodat we niet vijf jaar hoeven te wachten. Want ik denk dat er onmiddellijk een heilzaam effect uitgaat van een voorwaardelijke strafbeschikking. Een tweede onderwerpje over Boek 3 betreft iets wat ook door collega Mutluer en collega Sneller zojuist al aan de orde is gesteld. Het betreft een vorm van rechtsbescherming bij het seponeren van een zaak. Het is nu eenmaal zo dat als iemand eerst ergens van wordt beschuldigd of verdacht en daarna die verdenking, dat verwijt rimpelloos onder de oppervlakte verdwijnt, dat gevoelens van frustratie achterlaat, heel sterk ook. Het is ons bekend dat er op dit moment onderzoek wordt gedaan naar de naleving van de regels voor het seponeren van een zaak door het Openbaar Ministerie. Maar de essentie is ... Ik kan niet de vinger leggen op hoe nu op dit moment in dit wetsvoorstel omgegaan wordt met een voorwaardelijk sepot of met een sepot nadat een verdenking is geformuleerd. Is het mogelijk om daar uiteindelijk tegen op te komen buiten het kader van een klacht tegen het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld? Het is vervelend als het meteen de vorm krijgt van een klacht dat een officier van justitie iets niet goed gedaan heeft, omdat hij overging tot sepot. De vraag is: hoe krijgt dat nu concreet vorm? Hoe krijgt het opkomen tegen een sepot concreet vorm? We hebben afgelopen jaar ook weer een geval gezien waarin men vrij publiekelijk ontevreden was over een geval waarin men overgegaan was tot een sepot en toch vastgesteld wilde zien dat iemand daadwerkelijk onschuldig is. Dat is een situatie waar we mee leven. Het levert frustratie op als je niet weet waarom er is overgegaan tot een sepot. De vraag is of daarop wordt ingegaan. En als blijkt dat in het voortraject, waar ik geen onderdeel van heb uitgemaakt, die vraag al is beantwoord, dan verontschuldig ik mij. Maar ik kon het niet terugvinden in de eerdere nota's naar aanleiding van het verslag en dergelijke. Vandaar dat de vraag nog steeds op tafel ligt hoe om te gaan met rechtsbescherming op het moment dat een zaak voorwaardelijk of onvoorwaardelijk wordt geseponeerd. Daarmee kom ik toe aan Boek 4, over de berechting. We hebben het op de eerste dag van dit wetgevingsoverleg al gehad over de termijn waarbinnen onderzoekswensen moeten worden opgegeven nadat de procesinleiding tot stand is gekomen. Daar is een amendement over ingediend. Ik wil herhalen dat ik dat van ganser harte ondersteun; dat is gewoon zo. Daarmee kom ik bij iets waarbij ik niet anders kan dan daar — hoe moet ik het zeggen — iets bij voelen. Ik wijs u op artikel 4.3.22 en 4.3.23. Dat gaat over de inhoud van het eindvonnis. Dat gaat over de inhoud van de uitspraak door de rechter. Elke keer opnieuw is het voor de verdachte en de raadsman een gevoel van: vol verwachting klopt mijn hart; wat staat erin? En met name: hoe gaan ze om met de naar voren gebrachte verweren? Daar kan iedereen zich van alles bij voorstellen. Dan valt mijn oog nadrukkelijk op — dit moet ik even goed zeggen — de omgang met uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Het is mij bekend dat de regeringscommissaris bijna hoogstpersoonlijk de richtlijn heeft ingevoerd over hoe om te gaan met uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging en welke eisen je daaraan kan stellen. Trouwhartig heb ik sinds 2006 geprobeerd me daaraan te houden bij het formuleren van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. En niets is zo frustrerend als het innemen van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, dus een gemotiveerd verweer, dat niet besproken wordt door de rechter. En ik zie dat hier in artikel 4.3.22 en 4.3.23 de mogelijkheid nadrukkelijk open wordt gehouden dat pas bij de aanvulling op een vonnis alsnog ingegaan wordt op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Ik zeg het maar gewoon: dat stuit mij vooralsnog enigszins tegen de borst. Mijn vraag is dan ook of het kabinet kan toelichten waarom dat nou absoluut noodzakelijk is. Als een advocaat namens zijn cliënt op de zitting aankomt met een serieus verweer, waarom zouden we dan een achterdeurtje openhouden voor de rechter, zodat hij er niet onmiddellijk op hoeft te reageren, maar alleen maar onder bepaalde omstandigheden, later, bij de aanvulling van een vonnis, op het moment dat de partijen besluiten in hoger beroep te gaan? Waarom bestaat niet gewoon de algemene verplichting in te gaan op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten? Het is al moeilijk om zo'n standpunt in te nemen. Ik zou zeggen: het minste dat de rechter kan doen, is daar dan vervolgens ook expliciet en meteen bij eindvonnis op reageren. Dus dat is mijn vraag over dat onderwerpje. Dan kijk ik of ik hierbij nog iets anders over het hoofd heb gezien.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.