Onlinefraude
Brontekst
Versie 74e84e2628488b4b · voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigenMevrouw Van ’t Hoff: Geachte voorzitter, geachte leden van de commissie, hartelijk dank voor de uitnodiging om hier aanwezig te zijn. Mij is gevraagd niet een factsheet maar een gespreksnotitie op te stellen, waarin ik ervaringen en vooral aanbevelingen die ik zou willen doen, uiteenzet, gebaseerd op zeven jaar onderzoek naar slachtofferschap van onlinecriminaliteit. Ik start met de kleine uiteenzetting dat in 2024 1,4 miljoen Nederlanders online werden opgelicht. Wij zien in wetenschappelijk onderzoek dat de impact daarvan niet alleen groot is, maar ook dat de gerapporteerde mentale gevolgen geregeld groter zijn dan de financiële. Fraudeurs gaan zo gewiekst te werk dat iedereen — ik wil graag een streep zetten onder "iedereen", inclusief mezelf — slachtoffer van onlinefraude kan worden. Dat beeld is niet nieuw en komt al jaren naar voren in onderzoek. Toch worden er nog veel te weinig stappen gezet om onlinefraude terug te dringen en burgers te beschermen. Wetenschappelijk onderzoek wijst op diverse mogelijke stappen, waarvan ik er zo veel mogelijk in twee bladzijden heb geprobeerd uiteen te zetten, gegroepeerd in drie thema's. Het eerste thema is preventie. Die zou ik dan het liefst gericht willen zien op vier subgroepen. De eerste is gericht op slachtoffers. Een van de grootste risicofactoren voor slachtofferschap die wij in wetenschappelijk onderzoek namelijk zien, is slachtofferschap, oftewel herhaald slachtofferschap. Slachtoffers van onlinefraude lopen meer of veel meer risico dan anderen om opnieuw slachtoffer te worden, zowel van hetzelfde als van een ander delict. Hoewel er veel meer onderzoek nodig is om te verklaren welke achtergrondfactoren dit verband veroorzaken, zou er reeds ingezet moeten worden op de ontwikkeling van wetenschappelijk onderbouwde preventieve interventies gericht op herhaald slachtofferschap. Deze slachtoffers melden zich ergens en dat is een uitgelezen moment om hierop in te stappen. De tweede groep is gericht op potentiële slachtoffers. Fraudeurs lichten mensen op door middel van social engineering. In vele vormen van fraude worden dezelfde manipulatietechnieken gebruikt. We kunnen daarmee fraude voorkomen door mensen weerbaar te maken. Daarbij vallen we ook niet in de kuil dat we mensen weerbaar maken voor een delict dat er een jaar later heel anders uitziet, als we focussen op de achterliggende sociale, psychologische mechanismen. Daarbij is het van groot belang dat interventies en campagnes die zich richten op gedragsverandering, verder gaan dan het vergroten van awareness. Meer kennis leidt niet automatisch tot veiliger gedrag. Wij zien in wetenschappelijk onderzoek zelfs dat mensen met meer kennis van onlineveiligheid zich online eerder ónveiliger gedragen. We moeten dus veel verder gaan dan awareness en kennis als we op preventie willen inzetten. We moeten daarbij ook inzetten op digitale geletterdheid. Eigenlijk vanaf de leeftijd dat we gaan lopen en praten, zou dat onderdeel moeten zijn van preventie. Verder moeten we inzetten op weerbaarheid in het onderwijs en daarbuiten. De derde groep is gericht op systemen en het betaalverkeer. Ondanks dat mijn vak zich richt op de menselijke factor in cybercriminaliteit, durf ik ook te stellen dat interventies gericht op het gedrag van potentiële slachtoffers en slachtoffers nooit afdoende zullen zijn. Er moet worden ingezet op technische maatregelen tegen onlinefraude. We moeten mensen in bescherming nemen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van security by design, door het beveiligen van systemen, of door waar mogelijk bijvoorbeeld anoniem betaalverkeer tegen te gaan. De vierde groep is gericht op daders en criminele netwerken. Hoewel dit niet mijn corebusiness is, gebeurt er op dit thema belangrijk werk, onder andere in onze onderzoeksgroep. Ook door de inzet op preventie van daderschap en het ezelen van geld kunnen we slachtofferschap voorkomen. Deze interventies moeten bovendien wetenschappelijk worden onderbouwd en geëvalueerd. Dat wil ik ook graag nog even benadrukken. Daarbij zou het goed zijn als er meer gebruik wordt gemaakt van de kennis die er al is, want er is al veel meer bekend dan de kennis waar nu gebruik van wordt gemaakt. Zet onderzoekers bovendien in bij het evalueren en zet in op een evidencebased doorontwikkeling. Mijn tweede thema, na preventie, is de zorg voor slachtoffers. Elke Nederlander moet weten wat te doen in geval van fraude. Gegeven dat elk jaar 16% slachtoffer is, lopen we allemaal een groot risico. Veel Nederlanders kennen de eerste belangrijke stap nog helemaal niet, namelijk het bellen van je bank. Vaak is ook het noodnummer dat ook buiten kantooruren bereikbaar is voor hen onbekend. Zo sprak ik bijvoorbeeld een slachtoffer dat zei: ik werd op vrijdagavond opgelicht, dus ik moest tot maandag 09.00 uur wachten voordat ik hulp kon vragen. Pas als het algemeen bekend is en slachtoffers zich daadwerkelijk hier melden, kunnen betaaldienstverleners waar mogelijk ingrijpen en slachtoffers vervolgens doorverwijzen naar hulporganisaties voor hulpverlening, aangifte en/of registratie. Er is een breed scala aan organisaties die klaarstaan voor slachtoffers. Laat ik benadrukken dat dit heel mooi is, maar dat heeft tevens het ongewenste neveneffect dat slachtoffers niet altijd weten waar ze het beste terechtkunnen. Oftewel, ze zien als ze hulp zoeken bij onlinefraude door de bomen het bos niet. De keten van partijen moet niet alleen samenwerken, maar ook samen optreden richting slachtoffers. Dat zou bovendien behoeftegestuurd moeten worden aangeboden. Behoeften van slachtoffers lopen namelijk sterk uiteen. Een mogelijke route voor genoegdoening van slachtoffers van onlinefraude loopt via het civiel recht, buiten het strafrecht. Daarbij vorderen slachtoffers het verloren geld terug van de ontvanger van het geld. Momenteel wordt door mijzelf en collega Merel van Leuken een grootschalig onderzoek uitgevoerd naar de werking en gevolgen van deze aanpak van onlinefraude. Diverse deelrapporten zijn openbaar. De eindpublicatie volgt in 2026. Tot slot wil ik binnen dit thema zeggen: overweeg vergoeding voor slachtoffers vanuit een fonds of betaal dienstverleners. Leer daarbij van buitenlandse voorbeelden, zoals Marianne Junger ook al zei. Een voorbeeld is de vergoeding die banken in het VK vorig jaar hebben ingevoerd. Mijn laatste thema heeft te maken met zicht op fraude. Voor de aanpak van onlinefraude is eerst inzicht nodig. Hiervoor moet de meldingsbereidheid van slachtoffers worden vergroot en de niet-melders moeten ook worden bereikt en indien gewenst doorverwezen. Een van de redenen dat slachtoffers zich niet melden of geen hulp zoeken, is victim blaming. Een recent onderzoek wijst uit dat blaming en self-blaming in hogere mate bij onlinecriminaliteit plaats zou kunnen vinden dan bij traditionele criminaliteit. Bekenden geven slachtoffers de schuld: "Hoe heb je dat nou kunnen doen?" Dit horen ze niet alleen van bekenden, maar zelfs van professionals waar ze naartoe gaan voor hulp: de politie en andere organisaties. Bovendien geven slachtoffers zichzelf ten onrechte de schuld van wat hun is overkomen. Dat vergroot niet alleen de impact, maar verkleint ook de bereidheid om zich te melden en hulp te zoeken. Ik wil eindigen door te zeggen dat er veel meer onderzoek nodig is naar dit thema, naar slachtofferschap en weerbaarheid van onlinefraude. Er is ook mooi nieuws: wij zijn deze zomer gestart met een vierjarig onderzoeksprogramma, genaamd Weerbaar tegen online criminaliteit. Daarbij gaan we ons met de Haagse Hogeschool en Hogeschool Saxion in opdracht van Fonds Slachtofferhulp en het ministerie van Justitie en Veiligheid richten op enkele van deze thema's. Dank u wel.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.