KamerkringInloggen
← Onderzoeken

statement · 30 sep 2026 · Tweede Kamer

Herziening bekostiging mbo

Brontekst

Minister Letschert: Beste mevrouw de voorzitter, beste Kamerleden, beste publiek, beste fans van het mbo, wat fijn dat jullie er zijn. We zijn eigenlijk allemaal fans van het mbo. Dat heb ik heel goed in al jullie interventies teruggehoord. Dat is ook ongelofelijk terecht. Laat ik dat hier ook meteen benadrukken. Het is ook mooi om te zien dat alle Kamerleden ofwel een eigen achtergrond ofwel familieleden in het mbo hebben. Dat toont de intrinsieke motivatie die men heeft om met elkaar te doen wat goed is voor het mbo. Met deze herziening van de bekostiging leggen we volgens mij een hele duidelijke stabiele basis voor de uitdagingen waar ons mooie mbo voor staat. Ik heb daarin een aantal hele duidelijke keuzes gemaakt. Daarbij staat centraal — ik wil dat toch even noemen — de drievoudige opdracht die het mbo heeft. Iedere keer als ik bij de MBO Raad op gesprek mocht komen, werd die ook op tafel gelegd. Die opdracht is een hele belangrijke, namelijk: studenten voorbereiden op de arbeidsmarkt en bevorderen dat er doorstroom mogelijk is, zowel binnen het mbo als richting het hbo of de universiteit. Je moet als mbo-student vooral blijven geloven in je eigen mogelijkheden. Het derde punt gaat over burgerschap. Dat is het voorbereiden van studenten aan deelname aan onze samenleving. Dat gaat ook over het stimuleren van je persoonlijke ontwikkeling. Dan die uitgangspunten, de keuzes die ik heb gemaakt bij deze herziening. Ten eerste zorgen we er met deze herziening voor dat het mbo in elke regio aanwezig en bereikbaar is. Ik vind het echt enorm fijn dat ik dit voorstel in mijn eerste termijn als minister mag presenteren. Een tijd geleden kwam het rapport Elke regio telt! uit. Het is van belang dat we daar ook uiting aan geven. Deze herziening geeft daar ook een concrete invulling aan. Daar ben ik enorm blij mee. Er gaat daarom meer geld naar instellingen in regio's waar de studentenaantallen structureel en sterk dalen. Dat vraagt ook om solidariteit tussen instellingen. Ik zal daar aan het einde van mijn eerste inleiding nog wat meer over zeggen. Ten tweede wordt de bekostiging van instellingen stabieler en eenvoudiger. Dat betekent ook dat we minder tijdelijke regelingen en subsidies aanbieden. Doordat we de lumpsum vergroten, krijgen instellingen meer zekerheid om investeringen te kunnen doen voor de langere termijn. We verlagen daarmee ook de administratieve lasten. Ten derde — dit is heel belangrijk voor mij — wil ik met een gericht budget kunnen sturen op specifieke maatschappelijke opgaven. Met dat stimuleringsbudget stimuleer ik dan ook de komende jaren de aansluiting van het mbo op de arbeidsmarkt. Ik zal zo dadelijk ook ingaan op de vragen die de Kamerleden daarover hebben gesteld. Ik wil hierbij wel iets onderstrepen. Ik proefde dit ook in het debat tussen de Kamerleden en in de rondetafel, die ik heb kunnen terugkijken. De herziening van de bekostiging is natuurlijk niet het enige middel waarmee gestuurd wordt op opleidingsaanbod of opleidingskwaliteit en onderwijskwaliteit. Wij hebben in ons wettelijk kader een aantal verplichtingen vastgelegd voor mbo-instellingen. Die hebben in het bijzonder betrekking op het aanbod van de opleidingen; ik merk ook dat de Kamer daar nu de meeste aandacht voor heeft. Zo is er een zorgplicht rondom het arbeidsmarktperspectief en een zorgplicht rondom doelmatigheid; daar kom ik dadelijk ook in de concrete beantwoording op terug. Dat zijn hele belangrijke, in de wet verankerde zorgplichten. Het interessante is dat ik kan ingrijpen — dit idee komt voort uit een andere onderwijssector — als een instelling deze verplichtingen niet naleeft, bijvoorbeeld door een instelling te vragen de instroom voor specifieke opleidingen omlaag te brengen. Ik kan een instelling zelfs het recht ontnemen om een bepaalde opleiding aan te bieden. Dat kan binnen het kader voor macrodoelmatigheid, dat specifiek voor het mbo is ingesteld. Ik ga mijn inleiding afsluiten. Ik wil hier vanuit het diepst van mijn hart mijn waardering uitspreken voor het proces dat is doorlopen. Ik dank in het bijzonder de mbo-instellingen voor de prettige samenwerking en de onderlinge solidariteit. Ik dank de MBO Raad, die dit bestuurlijk heeft getrokken en die mij vanaf het moment dat ik erbij kwam, heel erg bij betrokken heeft. Dat heb ik enorm gewaardeerd en heeft mij ook geholpen bij de deep dive in het mbo die ik moest doen. Ik wil ook de studenten van JOBmbo, die hier een hele belangrijke rol in hebben gespeeld, bedanken voor het spiegelen en het meedenken en "tegendenken" over de stappen die we wilden zetten. Ik wil de werkgevers bedanken voor de scherpe en constructieve gesprekken. Afgelopen vrijdag zat ik nog met de voorzitters van alle brancheverenigingen, om met hen door te praten over de vraag waar we nu staan en waar we naartoe gaan werken. Ik wil ook de Kamer bedanken. Dat doe ik niet omdat ik wil gaan slijmen, maar omdat de rondetafel die u heeft georganiseerd heel nuttig was om de verschillende perspectieven op deze herziening op tafel te komen. Dit is de eerste fundamentele herziening sinds 1995. Afgelopen weekend heb ik die rondetafel teruggekeken en dat hielp mij in de voorbereiding van dit debat. Veel dank dus daarvoor. Als laatste wil ik ook mijn politieke voorgangers, Eppo Bruins en Gouke Moes, bedanken. Zij zijn hiermee begonnen en hebben allebei heel veel inzet getoond om ervoor te zorgen dat ik nu met een compleet voorstel kan komen. Mijn dank gaat dus ook uit naar hen, en uiteraard naar de fracties die eraan hebben bijgedragen. U wilt natuurlijk gewoon dat ik vragen ga beantwoorden, dus dat ga ik dan ook doen. Ik zal dat in blokjes doen. Ik heb er heel veel, want u heeft echt gigantisch veel vragen gesteld. Ik doe dus mijn best. Ik krijg er af en toe nog een paar nageleverd. De hele Hoftoren zit te typen. Ik wil de beantwoording in drie blokjes doen. Het eerste blokje gaat over de contouren, de inhoud en de effecten van de herziening. In dat blokje zit ook de monitoring en de evaluatie. Dan heb ik een blokje over de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt; hoe gaat deze herziening daar nou ook voor zorgen? Als laatste heb ik een blokje overig, dat heel kort is. Het eerste blokje is het dikst. U weet nu dus ongeveer wat u te wachten staat. Voorzitter. In de twintig minuten dat er net geschorst was, heb ik geprobeerd de vragen in een logische volgorde binnen de blokjes te zetten. Allereerst wil ik beginnen met een algemene vraag van het CDA, namelijk welke langetermijnresultaten ik wil behalen met deze herziening. Ten eerste gaat het mij natuurlijk om kwalitatief goed en toegankelijk mbo-aanbod in iedere regio in Nederland, dat ook aansluit op de regionale arbeidsmarkt. Ik kom daar dadelijk nog op terug. Dat geldt natuurlijk voor alle regio's. Je wil dat er toegankelijk en kwalitatief hoogwaardig mbo-aanbod is op plekken waar studenten graag studeren en waar ze voorbereid worden op de arbeidsmarkt. Dat geldt dus niet alleen voor Amsterdam, maar ook voor regio's zoals Zeeland, Drenthe en Limburg. De mbo-studenten staan ook daar onder druk. Deze herziening is voor mij daarom echt cruciaal en op dit moment absoluut urgent. Waar gaat deze herziening nog meer over? Die is er natuurlijk ook op gericht om studenten gerichter op te leiden voor de uitdagingen waar Nederland voor staat. Ik zal in het blokje over de arbeidsmarkt ook proberen aan te geven waar ik sta in de discussie tussen studiekeuzevrijheid en goede voorlichting van en voorbereiding op de arbeidsmarkt. De Kamerleden voerden die discussie ook al met elkaar. Voor mij staat vrije studiekeuze als een paal boven water, maar ons talent is schaars; dat wil ik er ook bij zeggen. Dat betekent dus dat onze jongeren moeten weten waar ze op worden voorbereid. Die voorlichting is dus wel echt een hele belangrijke fase, waarin studenten moeten horen wat het betekent als ze voor een bepaalde opleiding kiezen. Ik ben het met de Kamerleden eens dat het mbo daar niet als enige verantwoordelijk voor is, zeker als het gaat om de voorlichting over de tekortsectoren. Dat begint al in het basisonderwijs; daar begint het al. Ik ben daarom ook blij dat ik hier samen met Judith Tielen in optrek. We doen dat vanuit die talentstrategie. Uiteindelijk is die talentstrategie voor mij het startpunt vanuit waar we die gerichte sturing gaan organiseren. Een belangrijke stap die we nog moeten zetten op het gebied van het mbo is het sluiten van het pact gericht op het opleiding voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Daar ga ik samen met de mbo-instellingen en de regionale arbeidsmarkten afspraken over ga maken. Ik kom daar straks nog op terug in het blokje arbeidsmarkt. Dan kom ik bij de vraag vanuit uw Kamer welke resultaten ik hoop te behalen met deze herziening. Dat is dus kwalitatief goed en toegankelijk mbo-aanbod en het gerichter opleiden van studenten voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Daar hoort vrije studiekeuze bij, maar wel met meer voorlichting over waar die keuze dan toe leidt. Hoe ga ik dat dan allemaal monitoren en evalueren? Daar hebben namelijk bijna alle Kamerleden vragen over gesteld. Uiteraard is het voor iedereen belangrijk, ook voor de mbo-instellingen zelf en de MBO Raad, dat we de effecten van deze herziening op de voet volgen. Daarbij heb ik in de eerste plaats uiteraard oog voor de financiële positie van de instellingen, maar ik kijk ook verder. Ik kijk ook naar de effecten op het opleidingsaanbod. Ik vraag dan ook van de instellingen om met elkaar afspraken te maken over het opleidingsaanbod in de regio. Ik zal ook de effecten daarvan gaan monitoren. Daarbij ga ik ook volgen of het aandeel studenten in opleidingen die belangrijk zijn voor de Talentstrategie, gaat toenemen. Ik verwacht dan ook echt resultaat; dat is dan een antwoord op de vraag van Kamerlid De Beer. Uiteindelijk is dat namelijk wat we met elkaar in het pact Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst gaan afspreken. Ik ga ook aandacht geven aan de kleine opleidingen — dat vind ik ook wel heel belangrijk om te noemen — want die zijn voor Nederland uiteraard ook van groot belang. Kamerlid Van der Plas vroeg daar terecht aandacht voor. Dan over de evaluatie van de wetswijziging. Zoals het er nu staat, in het voorstel dat nu in internetconsultatie ligt, evalueer ik na vijf jaar de nieuwe bekostigingssystematiek. Dat ga ik niet vervroegen. Waarom niet? Als ik eerder ga evalueren, is dat eigenlijk te vroeg, omdat er sprake is van een overgangstermijn naar de nieuwe systematiek en de effecten niet meteen tot uiting zullen komen. Die termijn van vijf jaar geeft instellingen ook de tijd om zich helemaal voor te bereiden op de nieuwe situatie en om de daadwerkelijke effecten te kunnen meten. Er is niet voor niks een overgangstermijn van vier jaar. Die is er ook om de negatieve effecten te kunnen opvangen. Als we eerder gaan evalueren wat de totale effecten van deze herziening zijn, krijg ik eigenlijk een vervuilde dataset. Daar heb ik dan niet zo veel aan. Ik wil echter ook niet vijf jaar wachten en ondertussen zien dat een bepaalde wijziging een te desastreus effect zou kunnen hebben. Daar ben ik natuurlijk niet blind voor. Dat betekent dus ook dat ik in de bestuurlijke gesprekken, die ik bijna elk kwartaal heb, sowieso met de MBO Raad, maar ook met mbo-instellingen, die ik natuurlijk ook vaker bezoek, echt wel ga kijken wat die effecten nou zijn. Dat doen we ook als we gaan praten over het monitoren van het arbeidsmarktpact voor de toekomst. Daar zitten ook afspraken in. Die wil ik ook regulier kunnen volgen en kunnen monitoren. Volgens mij doen we dus eigenlijk best wel veel. Maar de totale wetsevaluatie zou ik echt niet willen vervroegen. Punt.

Versie 388effe4376fe1facfd09b962b1bcc69ed9e0dda1c39bdc7954c214d611d945e · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · 8552f14fdbec40b7

12 okt 2026 · 9ce1062d2d81b098

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.