KamerkringInloggen
← Onderzoeken

statement · 28 mei 2026 · Tweede Kamer

Goedkeuring van het op 18 december 2023 te Rabat tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake uitlevering (Trb. 2024, 1) (36688-(R2205))

Brontekst

Mevrouw Straatman (CDA): Dank u wel, voorzitter. Ondanks de grofweg 2.400 kilometer tussen Nederland en Marokko, zijn onze landen in de praktijk nauw verbonden. Kijk alleen al naar het toerisme, de familiebanden en de opvallend grote vertegenwoordiging van eredivisiespelers in het elftal van de Atlasleeuwen. Duidelijk is dat Marokko en Nederland een bijzondere band hebben. Maar die nauwe band kent ook een schaduwzijde. Ook in de aanpak van de georganiseerde misdaad, blijken de banden tussen Marokko en Nederland nauwer dan gewenst. Dat vraagt om goede samenwerkingen en afspraken die snel en efficiënt worden uitgevoerd. Het CDA deelt de zorgen die het kabinet heeft over de ontwikkeling van de zware criminaliteit. De georganiseerde criminaliteit trekt zich niets aan van landsgrenzen. Daarom is samenwerking met andere staten ook enorm belangrijk. Voorzitter. Het kan niet zo zijn dat een crimineel die in Nederland verdacht wordt van of veroordeeld wordt voor bijvoorbeeld moord, zich met een enkeltje Rabat aan vervolging of tenuitvoerlegging van zijn straf door de Nederlandse Staat kan onttrekken. Het is belangrijk dat Marokko bij signalering van die betreffende crimineel meewerkt aan uitlevering aan Nederland, zodat het recht in Nederland zijn weg kan vervolgen. Dat is precies wat het verdrag dat we vandaag bespreken, beoogt te regelen. Al in 2023 heeft Nederland een verdrag gesloten met Marokko over uitlevering. Het roept wel de vraag op waarom dit verdrag pas drie jaar na ondertekening ter goedkeuring aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd. Want voor inwerkingtreding van het verdrag is ook de goedkeuring van Marokko vereist, niet alleen van Nederland. Hoever is Marokko in dit proces, vraag ik aan de minister. Voorzitter. Het CDA staat positief tegenover dit wetsvoorstel, maar we hebben nog wel een aantal vragen over dit verdrag. Allereerst geldt dat, met het verdrag dat nu is gesloten met Marokko, voor veel meer delicten uitlevering mogelijk gaat zijn dan nu het geval is, zoals in het moordvoorbeeld uit mijn inleiding. Dat is positief. Tegelijkertijd merken wij dat voor uitlevering voor tenuitvoerlegging van de restantstraf, vereist is dat er nog een straf van zes maanden openstaat, terwijl onze eigen nationale uitleveringswet uitlevering vanaf vier maanden mogelijk maakt. Op basis van de beantwoording in de nota naar aanleiding van het verslag is het CDA nog niet overtuigd van de aanpassing van die termijn. Kan de minister toelichten waarom uitlevering bij een restantstraf van vier maanden doorgaans zinloos is, zoals hij stelt in de nota naar aanleiding van het verslag? Voorzitter. Ten tweede staat in het verdrag een omvangrijk stelsel van verplichte en facultatieve weigeringsgronden voor uitlevering. De minister geeft aan dat die weigeringsgronden grotendeels gebruikelijk zijn. Mijn vraag is: welke weigeringsgronden zijn niet gebruikelijk en zijn specifiek voor deze context toegevoegd? Daarnaast heeft mijn fractie nog een aantal vragen over specifieke weigeringsgronden. Allereerst artikel 3 lid 1 onder b. Die bevat een aantal discriminatoire gronden waarop uitlevering kan worden geweigerd. Vervolging of bestraffing op grond van seksuele geaardheid, valt daar echter buiten. Kan de minister bevestigen dat ook deze discriminatoire grond aanleiding kan zijn om uitlevering te weigeren, en zo ja, op basis van welke grondslag dan? Voorzitter. Ten tweede artikel 3, lid 1 onder g. Op basis van die grondslag kan uitlevering ook geweigerd worden bij een verstekvonnis als de opgeëiste persoon niet heeft ingestemd. Maar hoe moeten wij dit begrijpen? Een verstekvonnis wordt toch juist gewezen omdat de opgeëiste persoon niet vindbaar is? Is uitlevering bij signalering in die gevallen niet juist heel wenselijk? Voorzitter. Tot slot artikel 3, lid 2 onder e. Daarin wordt gesteld dat op basis van humanitaire overwegingen een uitleveringsverzoek kan worden geweigerd. In de memorie van toelichting geeft de minister aan dat de situatie dat er een asielvergunning is verleend aan uitlevering op deze grond in de weg zou kunnen staan. Maar ik vraag aan de minister: waarom zou een verleende asielstatus zonder meer aan uitlevering in de weg moeten staan? Tot slot op dit punt hebben wij nog een vraag in het kader van het "ne bis in idem"-beginsel. In het verdrag staat namelijk dat uitlevering kán worden geweigerd wanneer iemand in een derde staat definitief is veroordeeld, vrijgesproken of buiten vervolging is gesteld voor hetzelfde strafbare feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd. Maar dit is een facultatieve weigeringsgrond. Het "ne bis in idem"-beginsel is een fundamenteel rechtsbeginsel. Het is een ingewikkeld woord, maar het houdt simpelweg in dat niemand twee keer voor hetzelfde feit kan worden vervolgd of bestraft. Daarom wringt het dat deze bepaling slechts als facultatieve weigeringsgrond is vormgegeven. Ook de Raad van State heeft daar vragen over gesteld. Kan de minister bevestigen dat Nederland deze bepaling in de praktijk steeds als dwingend zal toepassen? Is dat ook expliciet met Marokko afgestemd? Waarom is er niet voor gekozen om dit eenvoudigweg als verplichte weigeringsgrond in het verdrag op te nemen? Voorzitter. Dan kom ik nu bij mijn derde punt. Er zit wel een belangrijke beperking aan deze wet: Marokko staat de uitlevering van eigen onderdanen niet toe. Nederland doet dit wel, zij het onder strikte voorwaarden. Dat maakt de afspraken onevenwichtig. Waarom heeft Nederland er niet voor gekozen om de afspraken gelijkwaardiger te maken, zoals bijvoorbeeld wel is gedaan in het verdrag met de Emiraten? Ook ik heb een vraag over die interpretatieve verklaring. Dat is inderdaad een heel ingewikkeld woord, zeg! Waarom kiest Nederland ervoor om rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen voor de uitlevering gelijk te behandelen aan Nederlanders, en hen niet gewoon uit te leveren aan het land van herkomst als zij een misdrijf hebben gepleegd? Hoe moeten wij deze verklaring lezen, vraag ik de minister. Dat Marokko eigen onderdanen niet uitlevert, geldt ook voor Nederlanders met een dubbele nationaliteit. Als zij een misdrijf plegen, en vluchten naar Marokko, kan de Nederlandse rechtsgang alsnog worden gefrustreerd. Volgens de letter van dit verdrag moeten die gevluchte Nederlanders dan wel in Marokko worden vervolgd. Hoe ziet Nederland daarop toe, vraag ik de minister.

Versie 84ea11f2464a7b4f129d0b7195b0700df6fe5e1f9d94e63ede297ae4a578aca2 · Officiële bron.

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.