KamerkringInloggen
← Onderzoeken

statement · 5 jun 2025 · Tweede Kamer

Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om een tegenbewijsregeling te introduceren bij het bepalen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (Wet tegenbewijsregeling box 3) (36706)

Brontekst

De heer Grinwis (ChristenUnie): Voorzitter. Na deze belangrijke zaken gaan we over tot een wetsbehandeling. Ten overstaan van deze staatssecretaris, die wel thuis is in deze materie, durf ik het aan om mijn bijdrage te beginnen met een citaat van de aloude kerkvader Augustinus uit de vierde eeuw na Christus. Dat citaat luidt: "Zonder gerechtigheid is er geen verschil tussen een staat en een roversbende". Anders gezegd, een staat heeft zich te allen tijde op het recht te funderen. Dat is, als je door alle technische facetten van deze Wet tegenbewijsregeling heen kijkt, met al z'n uitvoeringsperikelen, ook de kern van de wetsbehandeling van vandaag. Want het grote twistpunt is natuurlijk: is het rechtvaardig dat belastingplichtigen worden aangeslagen voor een hoog forfait met de kans om te bewijzen dat hun daadwerkelijke opbrengst lager is, zonder dat ze daarbij kosten kunnen aftrekken? Met andere woorden, de overheid veronderstelt hoge vermogensinkomsten en zegt vervolgens: als dat niet klopt, kunt u dat laten weten; dan passen we het aan. Maar ze doet daarbij net alsof bijvoorbeeld het verhuren van een woning niet met kosten gepaard gaat, terwijl iedereen weet dat de kost voor de baat uit gaat. Vooropgesteld: het zal voor niemand hier als een verrassing komen als ik zeg dat de ChristenUnie niet is opgericht om de belangen van de rijken der aarde te verdedigen. In haar politieke prioriteiten zal mijn fractie juist eerder opkomen voor wie tekortkomt of wie tekort wordt gedaan, geïnspireerd door dat prachtige grondmotief dat telkens terugkomt in bijvoorbeeld de Bijbel, in psalm 82: "Doe recht aan weerlozen en wezen, kom op voor verdrukten en zwakken, bevrijd wie weerloos zijn en arm, red hen uit de greep van wie kwaad wil." In die zin heb ik ook een zekere sympathie voor de staatssecretaris, die zich in een interview met Het Financieele Dagblad in het hart liet kijken en zei: "Uiteindelijk zijn beleggers toch niet bepaald de mensen die het meest in de knel zitten". Dat is gemiddeld genomen natuurlijk een waarheid als een koe. In het klantenbestand van de voedselbank zitten niet zo veel mensen die belastingplichtig zijn in box 3, voeg ik er maar aan toe. Ook zijn voorganger, staatssecretaris Van Rij, heeft er meermaals op gewezen dat veel woningbeleggers in de jaren sinds pak 'm beet 2013 geprofiteerd hebben van zeer grote waardestijgingen van hun bezig tegen zeer lage belastingdruk in box 3. Ik hoor staatssecretaris Van Rij dat nog zeggen. En daaraan voegde hij toe: over die tijd hoor ik niemand klagen. Maar toch. Ik herhaal de woorden van Augustinus: zonder gerechtigheid is er geen verschil tussen een staat en een roversbende. Ook als je vindt dat een bepaalde groep niet zielig is in vergelijking met andere groepen, heb je je als overheid toch op gerechtigheid te baseren en niet op het oordeel van de onderbuik. Of zoals het aan de wijze koning Salomo toegeschreven Bijbelboek begint: heb de gerechtigheid lief, heersers van de aarde. Met andere woorden, het begin van alle politiek is je beleid funderen op recht en rechtvaardigheid. Dan denk ik onwillekeurig terug aan een andere beslissing uit het verleden, namelijk die in 2022 om na het kerstarrest de niet-bezwaarmakers in box 3 niet te compenseren. Dat heeft het rechtsgevoel van velen ernstig gekrenkt. De handige, snelle bezwaarmakers kregen hun geld, maar de mensen die geen bezwaar hadden gemaakt stonden met lege handen. Ik meen dat ook weer voormalig staatssecretaris Van Rij daar in een afscheidsinterview over zei dat hij nog steeds buikpijn heeft van die moeilijke beslissing. Dat begrijp ik wel. Dat is overigens de man die ook al buikpijn had over de invoering van de dubbele fictie in box 3 per 2017, met de befaamde woorden dat het voorstel er eentje was van "Willie Wortel Wiebes" van het kabinet-Rutte II, van de VVD en de PvdA. Dat is de uiteindelijke aanleiding waardoor wij vandaag een wet tegenbewijsregeling staan te behandelen. Enfin, dat brengt mij tot het antwoord van de ChristenUnie op de vraag die nu voorligt: wat is rechtvaardig om te doen? Kiezen voor het budgettaire belang of kiezen voor wat voor iedereen aanvoelt als het rechtvaardige, namelijk wel die kostenverrekening toestaan? Mijn fractie kiest dan voor het laatste. Daarom heb ik vanochtend samen met collega Inge van Dijk een amendement ingediend dat die kostenverrekening introduceert in de tegenbewijsregeling. Daarmee heb ik getracht zo goed mogelijk aan te sluiten bij de kostenverrekening van het nieuwe box 3-stelsel, de Wet werkelijk rendement, die inmiddels ook bij de Kamer ligt. Het is ingewikkelde materie en de precieze verwerking komt nauw, dus ik sta zeker open voor suggesties om het amendement verder te verbeteren. Op dit punt kijken de juristen van het ministerie ook mee, om de technische puntjes op de i te zetten. Ik hoop eventuele noodzakelijke wijzigingen als gevolg daarvan natuurlijk zo snel mogelijk te verwerken. Sowieso dank aan alle ondersteuning. Hoe dan ook hoop ik op steun voor deze keus, die niet goedkoop is voor de staatskas — dat geef ik toe — maar de tegenbewijsregeling dus wel een stuk rechtvaardiger maakt. Ik ben mij bewust van de twee bezwaren: de cumulatieve, dus incidentele, budgettaire derving van 1,13 miljard en het jaar uitstel van de invoering van het nieuwe stelsel op basis van de Wet werkelijk rendement. Voor dat eerste heb ik een paar dekkingsvoorstellen gedaan in het amendement. Voor dat tweede zeg ik: het is niet anders. Als dit de prijs is die we moeten betalen voor een rechtvaardigere wet, dan zij dat zo. Bovendien is dat nieuwe stelsel al zo vaak uitgesteld dat ik me afvraag of de invoeringsdatum überhaupt wel gehaald zou worden. De kabinetsval maakt het sowieso niet gemakkelijker om 1 januari 2028 te halen. Dat is reden te meer om voor rechtvaardigheid te kiezen in plaats van voor een droom die bedrog kan blijken te zijn. Voorzitter. Tot zover mijn fundamentele bespiegelingen bij deze wet en de oplossing die ik daarvoor voorleg. Ik heb nog wat specifiekere vragen bij het wetsvoorstel. Ten eerste. In Nederland zijn 30.000 rijksmonumenten in particulier bezit. Dat is erfgoed om te koesteren. Daarom rust er een wettelijke instandhoudingsplicht op om ervoor te zorgen dat het bewaard blijft. Die rijksmonumenten krijgen nu ook te maken met het forfait van 7,78%, terwijl de kosten bij deze gebouwen door de bank genomen uiteraard hoog zijn. Is die problematiek de staatssecretaris bekend en erkent hij dat dit een probleem is? Is voor deze specifieke groep nog een oplossing mogelijk? Ik wil de staatssecretaris daar echt toe aanmoedigen of natuurlijk tot het uitspreken van "oordeel Kamer" over ons amendement over de kostenverrekening, want dat biedt daar in ieder geval een oplossing voor. Ten tweede een vraag over het heffingsvrij vermogen. Mijn beeld is dat dit nu niet meetelt in de tegenbewijsregeling. Anders gezegd: als je kiest voor de forfaitaire heffing mag je wél heffingsvrij vermogen aftrekken, maar als je kiest voor het werkelijke rendement uit de tegenbewijsregeling niet. Klopt dat? En zo ja, waarom is hier dan voor gekozen? Is dit om budgettaire redenen? En hoe verhoudt dit zich tot het arrest van de Hoge Raad of vloeit dit daaruit voort? Ten derde een vraag over het gebruik van onroerende zaken. In de praktijk gaat dit vooral om vakantiewoningen. De Hoge Raad heeft gezegd dat eigen gebruik van onroerende zaken belastbaar is in box 3. Het opvallende is dat bij het leveren van het tegenbewijs het voordeel van het eigen gebruik voor 2026 niet hoeft te worden aangegeven, maar daarna wel. Waarom is daarvoor gekozen en waarom kiest het kabinet hierbij voor een hoger percentage voor het eigen gebruik dan in de Wet werkelijk rendement, namelijk voor 5,06% versus 3,35%? Is dat juridisch niet kwetsbaar of lokt dat niet onnodig veel gebruik van de tegenbewijsregeling uit? Is de staatssecretaris bereid hierover een nota van wijziging in te dienen of moeten we zelf met een amendement komen? Ten vierde. Eerder is mijn motie aangenomen over een gevoeligheidsanalyse van de tegenbewijsregeling in het licht van de turbulentie op de aandelen- en verhuurdersmarkt. Daar is een brief over gekomen met wat scenario's en de bezweringsformule dat door onze begrotingssystematiek eventuele mee- of tegenvallers in het EMU-begrotingssaldo lopen, maar het punt is natuurlijk juist dat wat we nu ramen gevolgen heeft voor de dekking die nodig is voor aanpassingen van het voorliggende voorstel, bijvoorbeeld een eigen amendement. Het kabinet blijft uitgaan van een aandelenrendement van 7,4% en een verhuurrendement van 5,1%, maar is dat wel terecht? Bovendien lees ik niets over de tweedeorde-effecten van de hoge forfaits, terwijl daar wel nadrukkelijk om gevraagd is. Welk effect hebben de hoge forfaits, het meenemen van waardestijging en het ontbreken van kostenverrekening bijvoorbeeld op het uitponden van nu nog verhuurde woningen? Wat doet dat dan vervolgens weer voor de opbrengsten in box 3? Ik las er niks over in de brief en vraag de staatssecretaris er wel op in te gaan in zijn termijn. Ten vijfde. Last but not least heeft het box 3-stelsel waar we nu in zitten grote gevolgen voor de huurmarkt. Eerder heb ik al een motie ingediend om de leegwaarderatio te actualiseren. Het kan veel lucht geven voor verhuurders die nu noodgedwongen hun vastgoed moeten verkopen. Het probleem is dat het stuit op het Herstel- en Veerkrachtplan. De leegwaarderatio nu tijdelijk aanpassen heeft risico's en is daar mogelijk mee in strijd. Daarom doe ik samen met collega Inge van Dijk van de CDA-fractie een alternatief voorstel om onderzoek te starten naar de vraag of de leegwaarderatio nog actueel is, zodat ze eventueel met ingang van het jaar na afloop van de verplichtingen van het Herstel- en Veerkrachtplan aangepast kan worden. Ik begrijp dat het niet meer nodig is als de Wet werkelijk rendement daadwerkelijk per 1 januari 2028 wordt doorgevoerd, maar aangezien de kans op uitstel wel reëel is, is het denk ik goed om dit toch nog eens goed te bekijken voor het geval dat. Dan is het niet in strijd met het Herstel- en Veerkrachtplan. Ik hoor graag de reactie van de staatssecretaris op dat voorstel. Hoe dan ook is mijn hoofdpunt vandaag — dat is mijn laatste zin, voorzitter — dat we niet moeten kiezen met de onderbuik, maar dat we moeten kiezen voor rechtvaardigheid. Dat betekent wat mij betreft het toevoegen van kostenaftrek aan de tegenbewijsregeling.

Versie 9aa0b7a9418e086b5ca78b1cbb119f0d1093433718aa45a690fcdea177cb56a0 · Officiële bron.

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.