KamerkringInloggen
← Onderzoeken

statement · 5 jun 2025 · Tweede Kamer

Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om een tegenbewijsregeling te introduceren bij het bepalen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (Wet tegenbewijsregeling box 3) (36706)

Brontekst

De heer Vlottes (PVV): Voorzitter, hartelijk dank. Allereerst ook mijn complimenten aan de heer Van Kouwenhoven — o, nu zeg ik het ook verkeerd — de heer Kouwenhoven voor zijn maidenspeech. Ik kijk uit naar de toekomstige debatten die we nog zullen hebben. Voorzitter. Ik heb het weleens eerder gezegd: normaal gesproken is de slogan van de Belastingdienst altijd "leuker kunnen we het niet maken, maar wel makkelijker". Dat principe is met dit wetsvoorstel echt wel overboord gegooid. Er worden keuzes geboden voor accountants voor het omgaan met de tegenbewijsregeling box 3, en dan schrijft de staatssecretaris in de memorie van toelichting dat het zelf berekenen zeer ingewikkeld en foutgevoelig is en dat om die reden het formulier zo ingevuld wordt dat er alleen nog feitelijke gegevens ingevuld hoeven te worden, op basis waarvan automatisch het werkelijk rendement wordt berekend. Een stukje verder in de memorie van toelichting wordt gezegd: "De Belastingdienst beschikt namelijk niet over al deze gegevens en kan deze voor de belastingjaren uit verleden, heden en toekomst niet vooraf invullen". Dat is lekker makkelijk. Je weet dat het allemaal reuze ingewikkeld is. Zelfs accountants zullen er cursussen voor volgen. Er worden nu al massa's bezwaren verwacht. En dan zegt de staatssecretaris: je hoeft geen gebruik te maken van de tegenbewijsregeling, dus je hoeft niets in te vullen, want dan verandert er ook niets voor je. Maar daar klopt natuurlijk geen snars van, want er verandert wel degelijk wat, ook voor de belastingplichtige. Want er is dan meer belasting betaald op basis van een forfaitair rendement dat niet is bepaald — precies wat volgens de Hoge Raad niet is toegestaan. Hoe gaat de staatssecretaris hiermee om? Hoe gaat hij om met de mensen die tegen zo'n complexe muur aan lopen en denken: ik heb geen idee meer, maar ik wil ook geen fout maken, dus ik maak dan maar geen gebruik van de tegenbewijsregeling. Wat is het risico hiervan voor de uitvoering als deze mensen later alsnog een bezwaar indienen tegen hun belastingaanslag? In die gevallen staat het de belastingplichtige immers wel vrij om alle gronden, gegevens en brieven die van belang zijn aan te dragen. Dit kan voor belastingplichtigen veel gemakkelijker voelen en overkomen. En wat als blijkt dat er inderdaad te veel belasting is geïnd? Wat is dan nog de waarde van dit formulier? Klopt het dat het formulier pas vanaf 2025 verplicht onderdeel uitmaakt van de belastingaangifte, maar dat het formulier niet noodzakelijk is om alsnog in bezwaar te gaan? Dan nog over de inhoud van de tegenbewijsregeling. Zo wordt er voor het eigen gebruik van bijvoorbeeld een vakantiewoning onderscheid gemaakt tussen "ter beschikking staan" en "daadwerkelijk eigen gebruik". De Hoge Raad is van mening dat er sprake moet zijn van daadwerkelijk eigen gebruik, maar de staatssecretaris kiest voor het ruimere "ter beschikking staan". Hoe verhoudt zich dit tot gemeentelijke regelingen, of tot gevallen van vererving? In die gevallen kan de woning je formeel nog wel ter beschikking staan, maar kan het zo zijn dat je er materieel helemaal geen gebruik van mag of wil maken. Wat is de reden van dit onderscheid? Dit is niet meer slechts een codificatie van rechterlijke uitspraken, zoals de staatssecretaris heeft geschreven, maar dit gaat verder. Dit maakt het nog complexer. Voorzitter. Dan zijn we er nog niet. Voor het bepalen van de economische huurwaarde bij woningen wordt in de tegenbewijsregeling vanaf 2026 gebruikgemaakt van de woonwaardering volgens de Huurcommissie, of van een vast percentage van de WOZ-waarde. Even praktisch in het laatste geval van die WOZ-waarde: hoe kan iemand aantonen dat zijn rendement lager is dan het forfaitaire percentage waarvoor hij aangeslagen is in box 3, met een formulier dat zelf al rekent met een vast — lees: forfaitair — percentage van 5% van de WOZ-waarde? Hoe kan dit dan nóg lager worden? Dat is dus bewijzen met een forfait dat het forfait niet goed is geweest. Voorzitter. Dit staat nog los van de vraag of dit überhaupt aan te tonen of zichtbaar te maken is in het OWR, het formulier Opgaaf werkelijk rendement. Ik voorspel u dat er op deze manier meer bezwaarschriften zullen worden ingevuld dan formulieren Opgaaf werkelijk rendement. Voorzitter. Dan het onderscheid tussen onderhouds- en verbeterings- of investeringskosten. Kan de staatssecretaris hier een praktische definitie van geven? Als ik de nota naar aanleiding van het verlag lees, schrijft de staatssecretaris daarover het volgende. Ik citeer: "In gevallen waarin bij verbouwingswerkzaamheden aan een pand zowel herstel als vernieuwing plaatsvindt, moet in de regel een splitsing worden gemaakt tussen onderhoud en verbetering. Bij het vervangen van glas door nieuw, beter isolerend glas zal in de regel zowel sprake zijn van onderhoud als verbetering." Ik dacht dat het makkelijker zou worden. Hoe moeten mensen in de praktijk deze splitsing gaan maken? En hoe moet dit aantoonbaar worden gemaakt? Dit is niet te doen. Daarop voortbordurend: klopt het dat voor het aantonen hiervan eerst nog de WOZ-waarde door de gemeente verhoogd moet worden? Dat moet dan worden aangevraagd door de belastingplichtige. En klopt het dat door dezelfde belastingplichtige ook nog aangetoond moet worden dat de gestegen WOZ-waarde veroorzaakt zou zijn door de investerings- of verbeteringskosten? Nogmaals, ook dit is niet te doen. Voorzitter. Daar nog weer op doorgaand: zou het theoretisch zo kunnen zijn dat bijvoorbeeld door de onroerendezaakbelasting of de waterschapsbelasting de belastingplichtige er alsnog netto op achteruitgaat door de gestegen WOZ-waarde? Dit weten we namelijk niet. Een belastingplichtige weet dat ook niet. Dat zou dan ook weer tot bezwaarschriften kunnen leiden, wat dit wetsvoorstel juist zou moeten voorkomen. Voorzitter. Zo ongeveer iedereen die te maken gaat krijgen met de tegenbewijsregeling buitelt over elkaar heen om te waarschuwen voor de ellende die het kan veroorzaken. Zo schrijft het Register Belastingadviseurs over "een tsunami aan bezwaarschriften". De Raad van State is ook duidelijk: de Belastingdienst stelt zich voor een haast onmogelijke opgave. Maar ook de Belastingdienst zelf zegt: er moeten grote inspanningen geleverd worden en er zijn grote risico's op procesverstoringen. Als je deze bezwaren zo leest, dan zou je toch verwachten dat er ergens een rood vlaggetje gaat wapperen, van: gut, zijn we wel goed bezig? Dat blijkt ook, want wat betreft de uitvoeringstoets zijn het er maar liefst vijf, het maximaal haalbare. Desondanks lezen we daarover in de nota van wijziging: over de risico's voor de uitvoerbaarheid kan er door het kabinet zonder integrale herijking geen onderbouwde inschatting worden gemaakt. Hoe gaat de staatssecretaris voorkomen dat we achteraf, bijvoorbeeld na weer een verdere vertraging — alles is mogelijk — tot de conclusie komen dat het nu beter ingeschat had moeten worden? Voorzitter, afrondend. Ik zei het al aan het begin van mijn inbreng: leuk was het sowieso al niet, makkelijker ook niet meer, maar nu moet men zo ongeveer gepromoveerd zijn om met het formulier Opgaaf werkelijk rendement niet regelrecht het moeras in het rijden. Dank u wel.

Versie 9aa0b7a9418e086b5ca78b1cbb119f0d1093433718aa45a690fcdea177cb56a0 · Officiële bron.

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.