Voorstel van wet van het lid Sneller tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het laten vervallen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van de minister met betrekking tot de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie (Wet verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid openbaar ministerie) (36125)
Brontekst
Versie 6f1d8472ad982ee4 · officiële bronDe heer Six Dijkstra (NSC): Dank u wel, voorzitter. Ook van mijn kant een hartelijk woord van welkom aan de nieuwe minister van Justitie, die nu in deze rol voor het eerst in vak K plaatsneemt, meen ik. Laat ik beginnen met oprechte complimenten te maken aan de heer Sneller voor zijn uitstekende wet. Ook hartelijk dank voor zijn inspanningen als wetgever en uiteraard ook dank aan de ondersteuning. De fractie van Nieuw Sociaal Contract steunt dat wat dit wetsvoorstel beoogt van harte. Laat ik helder zijn: wat mijn fractie betreft heeft een minister geen rol in individuele strafzakken. Met het oog op veranderende politieke spelregels in ons eigen land, autocratische tendensen wereldwijd en een algehele verruwing van het politieke debat, zou het goed zijn als de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van de minister geschrapt zou worden voordat deze in zijn gemoderniseerde vorm ooit daadwerkelijk ingezet wordt. Ik ben het dan ook met de initiatiefnemer eens dat het wegnemen van dit instrument in de kern een kwestie is van het versterken van onze democratische weerbaarheid. Dergelijke initiatieven zijn politiek gezien doorgaans niet de inspanningen die in het politiek-maatschappelijke discours het meest zichtbaar zijn, de meeste waardering krijgen of de meeste electorale winst opleveren. Je probeert namelijk als politiek een toekomstig probleem te voorkomen, in plaats van dat je op een later moment een constitutionele crisis moet managen, terwijl de samenleving de klappen opvangt en burgers in de knel komen. Het doet het helaas beter in het papegaaiencircuit om achteraf schande te roepen dan om aan de voorkant het kwaad te voorkomen, maar we zijn het onze samenleving wel verschuldigd om plichtsgetrouw juist die taaie, minder zichtbare onderhoudswerkzaamheden te doen. Vergelijk het met het verhogen van de dijken als het water laag staat of het aanleggen van voedselvoorraden in de zeven vette jaren voordat de zeven magere jaren aanbreken. Ik weet zelf nog goed dat toen ik ruim anderhalf jaar geleden samen met GroenLinks-PvdA begon aan mijn initiatiefnota met als doel om Nederland onafhankelijker te maken van de Amerikaanse cloud, dat in het begin her en der op gehoon kon rekenen. Het werkt toch goed zoals we het nu doen? Hebben we als politiek niet genoeg echte problemen op te lossen, in plaats van er nieuwe bij te verzinnen? Dat was de reactie. Maar één Amerikaanse presidentsverkiezing later begreep men opeens waar we ons zorgen over maakten. Ik kan me zo voorstellen dat mijn gewaardeerde collega Sneller gezien de snelheid en intensiteit waarmee in de Verenigde Staten politiek en rechtspraak zich vermengen, een dergelijke abrupte toename van urgentiebesef zal herkennen in dit specifieke wetgevingsproces. Kan hij reflecteren op antirechtstatelijke tendensen die zich momenteel in het buitenland voltrekken? Ziet hij dit ook als teken aan de wand voor wat in Nederland zou kunnen gebeuren? Voorzitter. De bijzondere aanwijzingsbevoegdheid kan heel ver gaan. De minister kan middels deze bevoegdheid bijvoorbeeld bepalen dat de opsporing van de dader van een bepaald delict gestopt moet worden, dat een bepaalde zaak wel voor de rechter moet komen of dat een zaak juist niet voor de rechter moet komen en achter gesloten deuren moet worden afgedaan. Wat NSC betreft is dit ronduit onwenselijk. Het is met een goede reden dat de Venetië-Commissie heeft aanbevolen deze bevoegdheid te schrappen, temeer omdat het Openbaar Ministerie in Nederland onderdeel is van de magistratuur. Officieren van justitie zijn rechtelijke ambtenaren. Het OM mag via strafbeschikkingen buiten de rechter om geldboetes en taakstraffen opleggen, die verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de persoonlijke levenssfeer van individuen. Ook hier mag de minister in individuele zaken dus op sturen. Gezien de tijdgeest is het niet uit te sluiten dat dit in een toekomstig kabinet ook daadwerkelijk kan gebeuren. In zijn reactie op het advies van de Raad van State merkt de initiatiefnemer mijns inziens terecht op dat "een zekere trend te ontwaren is waaruit blijkt dat Kamerleden veel oog hebben voor een specifieke casus en daarbij behorende details, waarbij niet altijd evenveel distantie of rolvastheid wordt betracht". Is de initiatiefnemer het met mij eens dat dit fenomeen sinds hij deze reactie schreef, eerder is toegenomen dan afgenomen nu Kamerleden in dit parlement er bijvoorbeeld niet voor schuwen om per motie een burgemeester te ontslaan? Het is goed denkbaar dat op een gegeven moment nog een grens wordt overschreden en dat de minister in deze Kamer per motie wordt opgeroepen om een individu te vervolgen of juist van een vervolging af te zien. Aan de minister wil ik dan ook vragen hoe hij zou handelen in het hypothetische scenario waarin een dergelijke motie zou worden aangenomen. Zou hij die onomwonden en ten principale naast zich neerleggen, vraag ik hem. Voorzitter. Aan de initiatiefnemer zou ik nog de volgende vragen willen stellen. Ook al wordt tot op heden op formele wijze geen gebruik gemaakt van deze aanwijzingsbevoegdheid, er zijn wel voorbeelden van informeel contact tussen de minister en het Openbaar Ministerie over individuele strafzaken. De heer Van Nispen refereerde er net ook al aan. Dat contact wordt met dit wetsvoorstel niet tegengehouden, ook niet als het daarbij gaat om individuele zaken. De initiatiefnemer gaf in zijn schriftelijke beantwoording aan dat hij verwacht dat met het schrappen van deze bevoegdheid de kans op beïnvloeding langs informele weg afneemt. Waarom denkt hij dat? Ziet hij niet juist het risico dat dit vaker zal gebeuren? Ik snap zijn argument dat door het bestaan van de aanwijzingsbevoegdheid de inzet daarvan ook in het informele circuit boven de markt hangt, maar hoe kijkt hij dan aan tegen het risico dat een nieuwe, informele dynamiek van wederzijdse beïnvloeding ontstaat zonder dat het OM of het departement van JenV aan de buitenwereld daarover een formele verantwoording verschuldigd is? Het OM zelf heeft aangegeven dat als de ministeriële verantwoordelijkheid van een minister voor de individuele zaken verdwijnt — ik citeer — "een stevige bres wordt geslagen in de democratische controle op het handelen van het OM en daarmee op de democratische en rechtsstatelijke legitimatie van het handelen". Naar het oordeel van het OM betekent dit niet minder dan dat het systeem van checks-and-balances op losse schroeven komt te staan en dat de controle op het OM in elk geval deels wordt overgeleverd aan het vrije spel der krachten. Hoe reflecteert de initiatiefnemer hierop? Voorzitter, tot slot. Los van het voorgaande vinden wij wel dat de algemene aanwijzingsbevoegdheid moet blijven bestaan, zodat de minister het OM aanwijzingen kan geven over generiek vervolgingsbeleid en prioritering. Dat vindt de initiatiefnemer ook. Wat ons betreft heeft dat zeker toegevoegde waarde, juist voor wat betreft de eerdergenoemde democratische legitimiteit. In het kader van de algemene aanwijzingsbevoegdheid wil ik graag nog het volgende te berde brengen. In het type strafzaken waarin de verdachte bijvoorbeeld een zeer machtig rechtspersoon is, kan het opportuun zijn om het OM wel de aanwijzing te geven dit soort rechtspersonen voor de rechter te brengen, dit om iedere schijn te voorkomen dat in Nederland grote bedrijven kunnen bestaan die zich achter gesloten deuren kunnen onttrekken aan het afleggen van verantwoording aan de samenleving over hun overtredingen of misdrijven. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan fraudezaken waarin een grote bank verdachte is, of aan milieustrafzaken met een groot, bekend bedrijf als verdachte. Deze zaken worden vaak buiten de publiciteit afgedaan via een schikking, wat volgens ons niet wenselijk is. Wij vinden dat enige bijsturing door middel van een algemene aanwijzing hier op zijn plek zou zijn. In de schriftelijke beantwoording van de initiatiefnemer kunnen we lezen dat hij een bijsturing op algemene wijze ook wenselijk zou achten. Mijn vraag aan de minister is dan ook hoe hij dit ziet en of hij bereid is om dit op te pakken. Voorzitter, ik dank u hartelijk. Ik zie dat mijn gewaardeerde collega, mevrouw Wijen-Nass, een vraag heeft.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.