KamerkringInloggen
← Onderzoeken

statement · 9 mrt 2026 · Tweede Kamer

Integratie en maatschappelijke samenhang (beleidsartikel 13 begroting SZW)

Brontekst

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA): Voorzitter. Het helpt dat een deel van de beantwoording ook zat in het stukje dat nog moest komen, dus ik zal proberen daar wat sneller doorheen te gaan. Ik beschreef net al hoe de Rekenkamer laat zien hoe het nu scheef loopt. In theorie zou de periode van asielaanvraag tot vestiging ongeveer 48 weken moeten duren. Dat is tot vestiging in een gemeente, dus dat laat al zien wat een periode hieraan voorafgaat. In de praktijk duurt het gemiddeld 111 weken. En dan begint iemand vaak nog niet meteen, omdat ook het persoonlijk plan voor inburgering lang op zich laat wachten. Slechts een heel klein deel, zo'n 22%, kan in de opvang al een taalcursus afronden. Dat zou wat mij betreft veel meer moeten zijn. Dat heeft ermee te maken dat mensen meerdere keren verhuizen, waardoor rust, taal en contact steeds weer worden onderbroken. Nogmaals, wij zeggen dat mensen sneller moeten meedoen. Wat wij organiseren, is wachten. Mijn eerste vraag aan de minister was al: wanneer neemt hij, samen met de ministers van Asiel en Migratie en van VRO, verantwoordelijkheid voor de hele keten, zodat inburgering niet pas structureel na twee jaar kan beginnen? Komt er dan ook zo'n integraal ketenoverzicht met doorlooptijden van status tot aan huisvesting en van intake tot PIP, inclusief een tijdpad richting de Kamer? Ik sprak net al over de G4 en ik zei dat het wachten wordt versterkt doordat het Rijk gemeenten in de steek laat en in de kou laat staan. De G4 heeft al de noodklok geluid over het gebrek aan geld om inburgering goed te regelen. In de tussentijd is er eigenlijk nauwelijks iets veranderd. Recent bleek zelfs uit onderzoek dat gemeenten ongeveer zo'n 47 miljoen tekort komen, onder meer voor het begeleiden van de statushouders naar een plek in de samenleving. Daardoor kunnen ze feitelijk niet voldoen aan alle wettelijke taken die ze vanuit Den Haag opgelegd krijgen. Daar had ik het zojuist over. Daarmee zetten we niet alleen gemeenten maar ook nieuwkomers in de kou, die hierdoor weer worden belemmerd in hun integratie. Ik dien daarom een amendement in waarmee er voor gemeenten meer middelen worden vrijgemaakt voor de inburgeringstaken. Ook overweeg ik een motie over het toetsen van de huidige bekostigingssystematiek van de Wet inburgering voor gemeenten aan de actualiteit, zodat duidelijk wordt wat de plussen en minnen zijn van de huidige methode. Ook op vroege integratie en participatie wordt telkens weer gekort. Dan kan de nieuwe coalitie wel hele mooie woorden over meedoenbalies en vroeg participeren in het coalitieakkoord zetten, maar als ik vervolgens daarvoor geen structurele middelen kan terugvinden in de financiële bijlagen, blijft het wel heel erg bij lege woorden. Daarom mijn vraag: is de minister bereid gemeenten financieel in staat te stellen om hun taken goed uit te voeren? Want met alleen grote woorden over integratie redden zij het niet. Voorzitter. Tegelijkertijd weten we dat het ook anders kan. In Deventer bijvoorbeeld staat de wereldhuiskamer. Daar zie je dat, als je het werk heel dicht bij mensen organiseert, in de wijk, in contact met anderen, op plekken waar taal en meedoen vanzelf samenkomen, integratie iets van het dagelijks leven wordt, in plaats van loketten en formulieren. Bij Heijmans zie je dat taal en werk goed gecombineerd kunnen worden. Mensen leren daar niet alleen eerst de theorie om pas veel later te mogen beginnen. Nee, ze leren al op de werkvloer, met begeleiding in een omgeving waar taal meteen betekenis krijgt. Een leerwerktraject van tien weken, twee dagen school, tegelijk werken, met coaching en drie instroommomenten per jaar. Dat is precies wat mensen vragen: leren terwijl ik werk, iemand die me wegwijs maakt en taal op de werkvloer. In de zorg zien we hetzelfde, bijvoorbeeld bij het UMCG. Statushouders met een zorgachtergrond leren het Nederlandse zorgsysteem goed kennen terwijl ze aan de slag zijn, terwijl ze werken met begeleiding. Een van de deelnemers behaalde inmiddels haar BIG-registratie en werkt nu als verpleegkundige. Dat is heel verstandig arbeidsmarktbeleid. Uit deze voorbeelden blijkt dat mensen niet willen wachten, maar juist aan de slag willen. Niet voor niets zien we sinds 2023, toen de 24-wekeneis werd losgelaten, dat veel meer mensen daadwerkelijk zijn gaan werken. Geen wachtkamer, maar een startkamer. Daarom vraag ik: waarom blijven dit soort initiatieven afhankelijk van goede wil en lokale uitzonderingen? Waarom schalen we niet veel steviger op? Kan de minister samen met VWS en andere departementen landelijke opschaling van dit type vakroutes organiseren, waarbij taal, begeleiding en erkenning hand in hand gaan? Als bedrijven en ziekenhuizen dit kunnen, kan de overheid dit toch ook randvoorwaardelijk maken? Ook op dit punt kom ik mogelijk met een motie. Voorzitter. Een ander groot probleem is dat nieuwkomers vaak klem komen te zitten tussen verschillende systemen. Daarmee doel ik onder andere op de Wet inburgering en de Participatiewet, die in de praktijk vaak botsen. Aan de ene kant moet iemand zo snel mogelijk aan het werk en aan de andere kant moet diezelfde persoon de taal leren, een diploma halen en duurzaam meedoen. In de praktijk botst dat soms, blijkt ook uit het rapport van de Rekenkamer. Want wie te snel en tijdelijk in laagbetaald werk terechtkomt, heeft vaak veel minder ruimte om de taal te leren en door te groeien. Op papier lijkt iemand dan misschien heel snel uitgestroomd, maar in werkelijkheid blijft diegene vaak hangen in onzeker werk zonder perspectief. De Rekenkamer waarschuwt daarvoor. Statushouders komen nog te weinig terecht in sectoren met personeelstekorten en veel te weinig op het niveau dat bij hen past. Wie snel laagbetaald flexwerk accepteert, leert niet automatisch beter Nederlands. En zonder taalniveau volgt geen doorstroom naar tekortsectoren. De logica van "pak het eerste beste werk" kan op korte termijn de bijstand inderdaad verlagen, maar op lange termijn leiden tot geen tijd voor taalles, geen B1 of B2, geen diploma-erkenning en dus ook geen duurzame baan. Daarom lopen mensen vroeg of laat vast of kunnen ze niet eens beginnen. Dat zijn geen uitzonderingen. Ik hoor het van veel nieuwkomers die ik spreek. Daarom is mijn vraag aan de minister: wat vindt hij nu uiteindelijk belangrijker, een snelle uitstroom in de cijfers of duurzame participatie in het echte leven? Wat krijgt voorrang als doelen botsen? Een snelle uitstroom of duurzame participatie? Gaat u met gemeenten vastleggen dat taal en opleiding onderdeel zijn van passend werk? Bent u bereid taal op de werkvloer en praktijkleren structureel te erkennen als onderdeel van het inburgeringsresultaat? Bovendien zie ik in het inburgeringsbeleid eenzelfde soort reflex terugkomen als in de Participatiewet: wantrouwen als rode draad; niet uitgaan van motivatie of goede wil, maar van onwil en tegenwerking, waarbij incidenten worden aangegrepen om beleid strenger te maken. De politiek legt vaker nadruk op incidenten in plaats van op de grote groep die heel graag aan de slag wil. Ook in het akkoord van de nieuwe coalitie zie ik dat eenrichtingsverkeer. Er wordt aan voorbijgegaan dat nieuwkomers niet alleen plichten, maar ook rechten hebben. Terwijl zij vaak veel te lang moeten wachten om mee te kunnen doen, omdat de uitvoering niet altijd op orde is, wil het nieuwe kabinet de mogelijkheid onderzoeken om via de uitkering een prikkel te geven om startbanen te accepteren. En wil het onderzoeken of bij weigering van vrouwen om te solliciteren een korting op de uitkering mogelijk is. Het wantrouwen is ook weer het vertrekpunt binnen kabinet-Jetten. Als ik de plannen van de nieuwe coalitie zie, vraag ik me af of we nou bezig zijn mensen te helpen een plek te vinden en te laten wortelen in de samenleving waar zij toe gaan behoren of ze aan het straffen zijn. Is het eerlijk om mensen te straffen als zij steeds tegen drempels aanlopen die wij zelf vanuit Den Haag hebben georganiseerd? Natuurlijk zien ook wij dat zo snel mogelijk participeren het beste werkt. En natuurlijk vinden ook wij dat alle vrouwen economische zelfstandigheid verdienen. En willen ook wij dat vrouwen uit statushoudersgezinnen worden aangemoedigd om te solliciteren. Maar dan moeten we dat ook mogelijk maken en dat gebeurt nu niet. Het huidige beleid werpt allerlei drempels op of werkt het zelfs tegen. Dat zit 'm in de wachttijden om überhaupt in te burgeren — daar heb ik het net al over gehad — maar het speelt nog veel breder. Denk aan gebrek aan kinderopvang voor werk of taallessen, de combinatie met zorgtaken waar met name vrouwen tegen aanlopen, en het gebrek aan maatwerk. Ook de Rekenkamer wees hierop. Maar in plaats van het eerst goed regelen van de randvoorwaarden, legt de nieuwe coalitie de focus vooral op onwil en worden nieuwkomers individueel verantwoordelijk gehouden of soms zelfs gestraft voor de gevolgen van ondoordacht beleid. Is dat eerlijk, vraag ik via de voorzitter aan de minister. Is het kabinet bereid om met ondersteunend beleid te komen dat meedoen ook daadwerkelijk mogelijk maakt? Voor mijn fractie is het helder. Duurzame participatie moet vooropstaan. Als je dat echt meent, moet je ook kijken naar de groepen voor wie meedoen nog lastiger wordt gemaakt. Dat geldt in het bijzonder voor veel vrouwelijke statushouders. Zij lopen vaak tegen een stapeling van drempels aan: zorgtaken, gebrek aan kinderopvang en te weinig maatwerk. Alleen zeggen dat iedereen mee moet doen, is niet voldoende. Je moet ook zorgen dat het daadwerkelijk mogelijk is. Daarom dien ik op dit punt een motie in die vraagt beter in beeld te brengen wat vrouwelijke statushouders nodig hebben om echt te kunnen participeren en welk ondersteunend beleid daarbij hoort. Voorzitter. Soms zit de blokkade ook in iets heel basaals. Er zijn signalen dat duizenden mensen niet kunnen werken, omdat zij lang op een bsn moeten wachten. Je kan roepen dat mensen sneller moeten participeren, maar dan moet de basis wel op orde zijn. Vorig jaar zijn hier vragen over gesteld door mijn collega Van Nispen. De staatssecretaris gaf aan medio 2025 het grootste gedeelte van de achterstand te hebben weggewerkt, want ook hij wees op de noodzaak van een verhoging van een structurele inschrijfcapaciteit. Mijn vraag is daarom welke concrete afspraken er sinds vorig jaar zijn gemaakt om die bsn-wachttijden terug te dringen. Hoe staat het nu met de wachttijden? Is de minister bereid om die structurele inschrijfcapaciteit te verhogen? Dan het rijbewijs. Mensen met een W-document — voor de mensen thuis: een W-document is een vreemdelingenidentiteitsbewijs voor asielzoekende personen die in Nederland zijn en die wachten op een nieuwe verblijfsvergunning — mogen wel rijlessen volgen en examen doen, maar ze kunnen geen rijbewijs aanvragen. Mensen steken daar dus tijd en geld in, maar lopen daarna alsnog vast. Dat is moeilijk uit te leggen, zeker als je tegelijkertijd zegt dat je het liefst wil dat mensen sneller zelfstandig moeten worden en mee moeten doen. Een rijbewijs kan voor iemand het verschil maken tussen thuiszitten of werk kunnen aannemen, tussen afhankelijk blijven of zelf ergens kunnen komen. Hoe kijkt de minister hiernaar? Ziet hij ook hoe krom dit beleid is en hoe hier onnodig drempels worden opgeworpen? Ook op dit punt kom ik met een motie, zodat mensen met een W-document sneller zelfstandig kunnen worden en daadwerkelijk kunnen participeren. Voorzitter. Goed beleid begint met mensen echt zien. Dat betekent dus ook dat je weet wat iemand kan en welke opleiding, werkervaring en ambitie iemand heeft. De Rekenkamer laat zien dat dat nu veel te vaak ontbreekt. Van een groot deel van de statushouders is het opleidingsniveau onbekend. Meedoen naar vermogen wordt dan al snel een hele mooie zin zonder inhoud. Ik vraag daarom aan de minister hoe hij ervoor zorgt dat de kennis, de ervaring en het potentieel veel beter worden meegenomen in de begeleiding van nieuwkomers. Hoe voorkomt hij dat mensen te laag worden ingeschaald of op een route terechtkomen zonder echt perspectief? De Rekenkamer is helder: het Rijk wil sturen, maar mist streefwaarden, indicatoren en samenhangende informatie. Ik heb daarom drie laatste vragen. Komen er streefwaarden voor doorlooptijden, taalniveau en duurzame uitstroom? Welke drie knelpunten lost de minister dit jaar aantoonbaar op, en met welk tijdspad? En hoe maakt hij financiering en resultaten inzichtelijker voor de Kamer? Voorzitter. De Rekenkamer zegt: benut het potentieel. De praktijk in de bouw en in de zorg laat zien hoe dat moet, namelijk door middel van taal, werk, begeleiding én perspectief. Maak hiervan beleid. Maak daarbij één keuze expliciet: als snelle uitstroom botst met duurzame integratie, kies dan voor duurzaamheid boven schijnsnelheid. Dat is beter voor nieuwkomers, beter voor gemeenten en beter voor Nederland. Dank u wel.

Versie 6b7c262e8601fbf159cc9c3d8880318e514a8e6b0eb3cf3bac72674e8a8bb347 · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · b6252db85a1a79f5

12 okt 2026 · b52916517c115cb6

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.