Voortzetting commissiedebat Inburgering en integratie (27-3)
Voortzetting commissiedebat Inburgering en integratie (27-3)
statement · 3 apr 2024 · Tweede Kamer
Minister Van Gennip: Waarom willen we dit? We willen heel graag dat statushouders aan het werk gaan en dat ze tegelijkertijd de taal leren. Dat blijkt in de praktijk soms best moeilijk te zijn, waardoor statushouders heel veel onderwijs volgen, of dat nu taalonderwijs is of ander onderwijs, en niet aan het werk zijn. Ik zeg heel vaak: werk is het beste woordenboek. Ik geloof er echt in dat je een gedeelte van de taal juist heel goed op de werkvloer kunt leren. Het voorstel is dat je 200 uur van die 600 uur op de werkvloer mag doen, maar dan wel in een Nederlandstalige omgeving met een taalcoach en een talige omgeving, dus niet dat je zit te programmeren en alleen maar bij de koffie Nederlands praat, want dat is niet voldoende. Het moet er echt om gaan dat je de taal in de praktijk leert. Parallel daaraan heb je nog steeds die klassikale uren, want je moet natuurlijk wel de grammatica, taalstructuren en woordjes leren, maar ik geloof er juist in dat dat een hele goede combinatie is omdat sommige mensen nou eenmaal beter leren op de werkvloer in de praktijk. Ik wil heel graag dat die trajecten van werk en taal gecombineerd worden, want nu zie je in te veel gemeentes dat mensen toch het traject van het leren van de taal en inburgeringsklassen in worden geduwd, maar dat ze niet gaan werken. Daardoor oefenen ze de taal niet in de praktijk. Je wilt juist dat ze die taal in de praktijk oefenen en dat ze daarmee aan de gang gaan. Het mag ook vrijwilligerswerk zijn, maar iemand die twee ochtenden in de week twee uur klassikaal les heeft — ik chargeer een beetje — en voor de rest dat Nederlands niet gebruikt, leert het veel minder goed dan iemand die na die les op z'n fiets doorgaat naar welke werkplaats dan ook en daar in het Nederlands moet converseren over hoe het boutje en het moertje bij elkaar passen. Die combinatie wil ik heel graag. Daarom heb ik gezegd dat 200 uur van die 600 uur in een talige omgeving op het werk mogen. Ik bedoel: van 800 naar 600. Pardon. Er zijn diverse onderzoeken die mijn gedachte steunen dat een andere invulling van maximaal 200 taaluren in de Z-route effectief kan zijn. Dat zijn onderzoeken van VluchtelingenWerk, het Verwey-Jonker Instituut en ITTA over praktijkgerichte inburgering en het leren van de taal. Ik kan nog een heleboel onderzoeken noemen, maar dit is wat erachteruit komt. Je ziet — dat vind ik ook belangrijk — dat mensen die aan het werk gaan, een sociaal netwerk opbouwen en makkelijker inburgeren en integreren, omdat ze aan een Nederlandse collega kunnen vragen: de banken zijn dicht op Goede Vrijdag, hoe zit dat? Dit weekend vroeg iemand dat aan mij: de bank was gisteren dicht, wat gebeurde er? Ik: ja, op Goede Vrijdag zijn in Nederland de banken dicht. Met dat soort simpele dingen tot het invullen van moeilijke formulieren kan een collega je even helpen. Ik vind het sociale netwerk dat hierbij komt kijken heel erg belangrijk, dus ik hecht hier zeer aan.
Versie a78bab0fd843c29a4f45e6fea4b8aad8706c8663418826cb57966a1779f258f2 · Officiële bron.
Voortzetting commissiedebat Inburgering en integratie (27-3)
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.