Voortzetting commissiedebat Inburgering en integratie (27-3)
Voortzetting commissiedebat Inburgering en integratie (27-3)
statement · 3 apr 2024 · Tweede Kamer
Minister Van Gennip: Dank u wel, voorzitter. Ik was vorige week inderdaad halverwege het blokje inburgering gebleven. Daarna heb ik nog een blokje VIA liggen. Dat is voor een inclusieve arbeidsmarkt. Dan heb ik een blokje zelfbeschikking en seksuele uitbuiting. Dat zijn overigens natuurlijk wel twee dingen die heel verschillend zijn. Dan heb ik Oek en daarna nog een blokje diversen. Ik hoop daar met enige snelheid doorheen te gaan en tegelijkertijd recht te doen aan de vragen die u hebt gesteld. Vorige week begonnen wij het debat terecht met een aantal uitspraken over antisemitisme. Ik noem de uitspraken, zowel van uw Kamer als van mij, dat daar nergens plek voor is in Nederland en dat we echt een grens overschrijden als Joodse Nederlanders worden uitgescholden, aangevallen of bedreigd om wie ze zijn of om wat een regering ver weg wel of niet doet. Ik wil hier nogmaals herhalen dat Nederland een samenleving moet zijn waar iedereen zich veilig kan voelen. Het moet ook een samenleving zijn waar we met elkaar in gesprek gaan, ook als we het niet met elkaar eens zijn en als we verschillende meningen, culturen of wellicht wereldbeelden hebben. De gebeurtenissen in Israël en Gaza vervullen veel mensen met verdriet en zorg, en hebben ook een weerslag op ons hier in Nederland; daar hebben we het vorige week ook over gehad. Maar we moeten er ook voor zorgen dat we conflicten van daar niet hier tussen ons in laten staan. Naast het aanpakken van de strafbare uitingen, zetten wij als kabinet in op bewustwording via het onderwijs — ik kom dadelijk op de suggesties van de heer Flach over de Holocausteducatie — maar bijvoorbeeld ook via het voetbal, onder andere door het Spreekkorenproject, dat de club met ondersteuning van de Anne Frank Stichting uitvoert. Wij hebben u daar afgelopen donderdag een korte, maar mijns inziens hele sterke en duidelijke brief over gestuurd. Die is ondertekend door de minister-president, omdat het een brief van het hele kabinet is. Wij spraken elkaar dinsdag of woensdag. Die brief laat in mijn ogen echt zien waar wij als kabinet staan, en is een weerklank van het debat dat wij op die woensdag hebben gehad. U ontvangt binnenkort — dat hebben we ook in de brief geschreven — nadere informatie over de aanpak van antisemitisme en de voorbereidingen van 4 mei. Uw Kamer had een aantal specifieke vragen over hoe we omgaan met ons verleden, met de Holocaust en met onderwijs en bewustwording daarover in onze inburgering. De heer Flach vroeg naar het Duitse voorbeeld bij de participatieverklaring. Antisemitisme en discriminatie komen aan de orde in de participatieverklaring. Nieuwkomers moeten verklaren — en dat verklaren zij dus ook — dat zij waarden zoals vrijheid en gelijkwaardigheid in Nederland respecteren en dat ze de universele mensenrechten eerbiedigen. In het examen Kennis van de Nederlandse Maatschappij is expliciet aandacht voor antisemitisme en het gegeven dat hiervoor geen plaats is. Er is daarin ook expliciet aandacht voor de Holocaust en de geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Dat betekent dus ook dat daar in het examen Kennis van de Nederlandse Maatschappij op wordt getoetst. In Duitsland is er de verklaring van verbondenheid. Die leg je af bij het verkrijgen van het Duitse staatsburgerschap, dus bij naturalisatie. Daarin is opgenomen dat nieuwe Duitsers de verantwoordelijkheid hebben om het Joodse leven te beschermen. Duitsland heeft natuurlijk een eigen geschiedenis met antisemitisme. Dat is een andere geschiedenis dan de Nederlandse, ook al zijn ze aan elkaar gelinkt. Ik vind het dus niet logisch om dat voorbeeld een-op-een over te nemen. Dat Duitse voorbeeld gaat ook duidelijk over de naturalisatieverklaring, waar wij het hier hadden over de participatieverklaring. Dat zijn echt twee verschillende dingen. Naturalisatie gaat natuurlijk een stuk verder dan participatie. Een bezoek aan het Holocaustmuseum, dat was de suggestie van de heer Flach. Daar sta ik, moet ik eerlijk zeggen, heel sympathiek tegenover. Tegelijkertijd zou je ook naar het Anne Frank Huis kunnen gaan of, zoals ik met mijn vader altijd deed, naar de Waalsdorpervlakte. Dat heeft diepe indruk op mij gemaakt. Elk jaar weer gingen wij daarheen. Dat heeft mij echt getekend voor hoe ik de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog beleef. Dus zeggen "gij zult naar het Holocaustmuseum gaan" als een gemeente misschien al heeft gekozen om naar het Anne Frank Huis te gaan of om naar Westerbork te gaan als ze bijvoorbeeld in Arnhem zijn of naar Kamp Vught ... Er zijn natuurlijk een heleboel plekken in Nederland waar je deze geschiedenis kunt herbeleven. Ik vind het belangrijker dat ze naar een van die plekken gaan waar je de geschiedenis van de Jodenvervolging, de geschiedenis van de Holocaust echt kunt voelen. Want dat hoort er wel bij: niet alleen erover lezen, maar ook voelen wat er toen gebeurd is, want dan komt die binnen. Iedereen die weleens in het Anne Frank Huis is geweest, zeker als je dat met kinderen doet, weet: dan voel je die benauwenis, dan voel je die opsluiting, de angst ook dat er iemand buiten loopt die een lichtje ziet branden. Gemeentes zijn nu verplicht om aandacht te besteden aan de Holocaust, om aandacht te besteden aan onze geschiedenis. Ik wil met de VNG gaan bespreken hoe ze die praktijkcomponent vormgeven. Het Holocaustmuseum is er natuurlijk nog maar kort, maar welke gemeente gaat er naar het Anne Frank Huis of naar Westerbork, wat ik net noemde? Daarmee wil ik breder inzicht krijgen in hoe dat verplichte onderdeel van de Nederlandse geschiedenis, de Holocaust, vorm wordt gegeven door de verschillende gemeentes. We hebben de inburgering in handen gegeven van de gemeentes. Ze hebben een bepaalde beleidsvrijheid om daarin hun keuzes te maken. Dat is prima, omdat een andere stad of gemeente andere keuzes kan maken. Misschien ga je toch graag naar een museum dat dichterbij is. Maar ik wil het wel weten, mede naar aanleiding van wat wij het afgelopen halfjaar — daarvoor natuurlijk ook al, maar sinds 7 oktober — hebben gezien. Ik vind niet meer, en ik heb dat vorige week ook gezegd, dat we nog kunnen spreken van incidenten. Er is echt een trend gaande. Ik wil dus graag met gemeentes daarover in gesprek. Dan kom ik bij u terug op wat ik daar terug heb gehoord van de gemeentes over hoe zij daar invulling aan geven. De heer Ceder vroeg of we ook inburgeringsbeleid hebben, gericht op een specifieke bevolkingsgroep. We hebben sinds 1996 inburgeringsbeleid. Dat is al vele malen gewijzigd. Sinds 2013 is dat beleid gericht op een specifieke groep nieuwkomers, namelijk die voor een niet-tijdelijk doel in Nederland verblijven. Dan heb je het met name over asielstatushouders en gezinsmigranten. De regie is bij de gemeentes belegd. Het richt zich echt op het individu en op maatwerk, dus wij richten ons op dit moment niet op specifieke groepen en hebben ook geen specifiek beleid voor specifieke groepen. We maken natuurlijk wel beleid op bijvoorbeeld vrouwelijke asielzoekers; we komen dadelijk bij zelfbeschikking. Zo zijn er wel een aantal beleidsprioriteiten, aandachtspunten, maar het is dus niet zo dat we nu specifiek beleid hebben voor die groep uit dat land. Mevrouw Koekkoek van Volt vroeg of Nederland geen aanvraag heeft ingediend voor het AMIF. Wij maken maximaal gebruik van de mogelijkheden van het AMIF. Wij hebben daar 39 miljoen voor beschikbaar in Nederland. Op dit moment lopen er vijftien projecten van gemeentes en maatschappelijke organisaties. Dat is in totaal 16,7 miljoen. Ik bereid op dit moment het tweede aanvraagtijdvak voor, en daar is dus nog 22,3 miljoen euro voor beschikbaar. Ik zeg ook gelijk tegen mevrouw Koekkoek van Volt dat wij actief invulling geven aan het verbeteren van participatie in het kader van Europese initiatieven, zoals bijvoorbeeld de Europese jongerengarantie. In dat kader is er een wetsvoorstel van school naar duurzaam werk, dat op dit moment voor advies bij de Raad van State ligt. Dat heeft als doel om zo veel mogelijk jongeren met een risico op afstand tot de arbeidsmarkt te begeleiden naar de overgang naar werk. Voorzitter. Dat waren de resterende vragen bij inburgering.
Versie a78bab0fd843c29a4f45e6fea4b8aad8706c8663418826cb57966a1779f258f2 · Officiële bron.
Voortzetting commissiedebat Inburgering en integratie (27-3)
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.