statement · 22 jun 2026 · Tweede Kamer
Initiatiefnota van het lid Westerveld: ons land is beperkt
Brontekst
Mevrouw Westerveld (PRO): Ja. Ik pak gewoon een aantal vragen samen. Er zijn namelijk een aantal vragen gesteld over werk, onder meer door de VVD, maar ook door andere partijen. Als ik met werkgevers spreek, dan geven zij regelmatig aan dat het probleem niet zozeer is dat er te weinig regelingen zijn, maar dat het stelsel veel te ingewikkeld is. Ze geven aan dat er te veel verschillende subsidies, voorzieningen, no-riskpolissen, loonkostensubsidies en ondersteuningsmogelijkheden zijn en dat veel werkgevers door de bomen het bos niet meer zien. Daarom zou ik willen uitkijken om elke keer weer nieuwe regelingen op te tuigen. Het is volgens mij veel belangrijker om bestaande regelingen eenvoudiger, toegankelijker en beter uitvoerbaar te maken. Dat begint weer bij het verminderen van bureaucratie. Een werkgever die iemand met een arbeidsbeperking wil aannemen, moet nu langs verschillende loketten, verdwaalt soms in procedures of neemt iemand aan die kan ondersteunen bij het doorkomen van al die procedures. We zouden toe moeten naar een makkelijk systeem, waarbij werkgevers één aanspreekpunt hebben en ze snel duidelijkheid krijgen over de ondersteuning waarmee ze het kunnen regelen. Daarnaast is ook goede begeleiding essentieel. Vooral kleinere werkgevers hebben vaak niet de capaciteit of specialistische kennis in huis om al die regelgeving te doorgronden. Daarom kunnen regionale werkgevers, servicepunten, gemeenten en het UWV een belangrijke rol spelen door actief mee te denken, werkgevers te ontzorgen en expertise beschikbaar te stellen. Maar het begint natuurlijk al bij een stage. Dat hoorden we ook vorige week in het rondetafelgesprek. Te vaak horen we van leerlingen die een beperking hebben, of die nou zichtbaar of onzichtbaar, fysiek of verstandelijk is, dat ze geen stage kunnen vinden of geen stagevergoeding kunnen krijgen en daardoor al met een achterstand beginnen. Een stage zorgt er natuurlijk voor dat iemand een organisatie beter leert kennen, maar ook dat de organisatie die persoon beter leert kennen. Daardoor is er ook veel meer kennis en begrip voor elkaars situatie. Daarom zie ik de oplossing hiervoor ook niet primair in een nieuwe regeling, maar in vereenvoudiging. Ik hoop dus dat werkgevers daardoor makkelijker mensen met een beperking aanspreken. Een vraag van de VVD lag in het verlengde hiervan. De vraag ging over het punt dat werk de meest krachtige vorm van participatie is. Ik ben het met de VVD eens dat werk voor veel mensen een belangrijke vorm van participatie is, want werk biedt niet alleen inkomen, maar ook sociale contacten, de mogelijkheid om wat te doen voor de samenleving, structuur, eigen regie en de mogelijkheid om talenten te ontwikkelen. Daarom is het ook ontzettend belangrijk dat mensen met een beperking dezelfde kansen krijgen op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd gaat het te vaak alleen over betaald werk. Er zijn ook heel veel vormen van onbetaald werk die net zo belangrijk zijn. Mensen kunnen natuurlijk op heel veel verschillende manieren bijdragen. Zo doen ze veel mantelzorg of zijn ze vrijwilliger bij een cultuur- of sportvereniging. Ook dat vind ik allemaal hele belangrijke vormen van participatie. Veel mensen met een beperking willen ook werken, studeren of op een andere manier deelnemen aan de samenleving, maar lopen daarbij tegen allemaal drempels aan. Kijk naar ontoegankelijke gebouwen — daar hebben we 'm weer — naar het niet op het werk kunnen komen, naar onbruikbare digitale systemen, naar ingewikkelde regels of naar het gebrek aan passende ondersteuning. Of je gaat werken en raakt daardoor een ander deel van je inkomen, bijvoorbeeld via een toeslag, kwijt. Denk ook aan de angst daarvoor. Dit zijn allemaal barrières waardoor mensen met een beperking moeilijker aan het werk komen. Dat ligt dus niet aan hen, maar aan de ontoegankelijke samenleving. Ik zie voorzieningen dus ook niet als een alternatief voor participatie, maar als een voorwaarde daarvoor. Dat neemt niet weg dat werkgeverschap een cruciale rol speelt. Werkgevers die bereid zijn om verder te kijken dan een standaardprofiel, om te investeren in toegankelijkheid en om ruimte te bieden voor maatwerk, maken een enorm verschil. Daarom hebben wij vooral voorstellen die gericht zijn op inclusie op de arbeidsmarkt en op het wegnemen van belemmeringen voor werkgevers. We moeten ook niet vergeten dat inclusie en zichtbaarheid voor kansen zorgen. Hoe vaak zien we nou dat een leidinggevende, een CEO, een directeur van een zorginstelling of een woningcorporatie, iemand die bij een advocatenkantoor werkt of een toezichthouder zélf een beperking heeft? Ook rolmodellen zijn ontzettend belangrijk. Ik hoop dat werkgevers bereid zijn om daarnaar te kijken. Geef mensen met een beperking de kans om in de eigen organisatie een belangrijke en zichtbare functie te vervullen. Dat helpt natuurlijk voor de zichtbaarheid en voor het wegnemen van allerlei vooroordelen die er zijn. De reden dat de nota breder kijkt dan alleen naar werk, is dat het VN-verdrag Handicap ons vraagt om naar de hele samenleving te kijken. Inclusie gaat niet alleen over de toegang tot werk, maar over de toegang tot van alles. Ik noemde onderwijs en mobiliteit net al. In die zin verschillen de VVD en wij misschien iets van mening over ... Nee, we verschillen niet van mening over het belang van betaald werk, maar misschien wel over de route daarnaartoe. Mijn overtuiging is namelijk dat meer arbeidsparticipatie niet begint bij strengere verwachtingen van mensen met een beperking, maar bij het wegnemen van barrières die mensen steeds buitensluiten. Ik ga naar het kopje mobiliteit, dus we schieten wat op. We kregen de vraag van de PVV hoe we kijken naar de actualiteit en naar de berichtgeving over de nog vele ontoegankelijke bushaltes. Eerlijk gezegd bevestigen deze berichten voor mij vooral waarom onze initiatiefnota en de voorstellen daarin nog steeds zo actueel zijn. De ChristenUnie schreef eerder een initiatiefnota over toegankelijk ov, en heel veel voorstellen daaruit zijn ook nog steeds actueel. Dat we tien jaar na het VN-verdrag Handicap nog steeds moeten constateren dat een groot deel van de bushaltes niet toegankelijk is voor mensen met een beperking en dat op nog niet alle stations reisassistentie voorhanden is, laat namelijk zien dat er een groot verschil bestaat tussen ambities op papier en de alledaagse werkelijkheid. Dit raakt mensen ook direct in hun vrijheid, want voor veel mensen is openbaar vervoer geen luxe maar een voorwaarde, voor werk, voor school, voor zorg, voor sport of voor bezoek aan familie of vrienden. Tegelijkertijd laat dit zien dat toegankelijkheid te lang is behandeld als iets wat later nog wel geregeld kon worden. In de nota betogen wij juist dat toegankelijkheid vanaf het begin onderdeel moet zijn van beleid. Dan hebben we het dus ook over beleid op het gebied van infrastructuur. Elke keer als we daar niet aan de voorkant bij zijn, kost repareren achteraf namelijk nog veel meer. Wat mij ook zorgen baart, zijn de grote verschillen tussen gemeenten en regio's. Op sommige plekken zien we dat er echt wordt gewerkt aan beter toegankelijk openbaar vervoer, en andere regio's lopen weer flink achter. Daardoor ontstaat ook het risico dat de mogelijkheid om zelfstandig te reizen afhankelijk is van je postcode. Ik zeg nu "risico", maar dit is natuurlijk al de bestaande praktijk. Ik vind daarom dat we hier niet in moeten berusten. We zijn inmiddels allang op het punt dat dit gewoon geregeld had moeten zijn, en we weten ook dat dit een verplichting is die voortvloeit uit het VN-verdrag Handicap. Dan was er ook een vraag van de PVV over het Valysvervoer en over de kilometergrens. Ik vind dit een pijnlijk voorbeeld van hoe toegankelijkheid in de praktijk nog steeds afhankelijk is van budgettaire keuzes, terwijl mobiliteit een randvoorwaarde is om te kunnen meedoen. Ik zei dat net al. Voor mensen die afhankelijk zijn van Valysvervoer gaat het ook niet om een luxevoorziening, maar om de mogelijkheid om wat verder te kunnen reizen, deel te nemen aan maatschappelijke activiteiten, een opleiding te doen of simpelweg sociale contacten te onderhouden. Vrijheid van bewegen en ontmoeten is voor veel mensen vanzelfsprekend, maar voor veel mensen met een beperking niet. Nu heeft het kabinet besloten om niet de grens op te heffen die geldt voor Valysvervoer. Ik vind dat jammer. Ik vind het ook een gemiste kans, zeker gezien het VN-verdrag. Ik heb ook de indruk dat het kunnen beschikken over goed vervoer te vaak wordt gezien als iets extra's dat erbij komt, in plaats van als randvoorwaarde om mee te kunnen doen aan de samenleving. Uiteindelijk zou het uitgangspunt van beleid ook niet moeten zijn het kunnen checken hoeveel kilometer iemand mag reizen, maar de vraag of mensen daadwerkelijk in staat zijn om mee te doen. We zouden ons juist vanuit het VN-verdrag Handicap steeds moeten afvragen of die keuzes bijdragen aan meer zelfstandigheid en participatie of dat er toch onbedoeld nieuwe grenzen worden opgeworpen voor mensen die al met zo veel barrières te maken hebben. Mijn keuze zou dus een andere zijn, maar ik zit niet in het kabinet. Dat waren de vragen over het openbaar vervoer.
Versie d8d30d066d0ca9d6cd8a2de0a72f60e0569be0fa2cf9bd90c2e723986671909a · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.