KamerkringInloggen
← Onderzoeken

statement · 5 okt 2026 · Tweede Kamer

Wijziging van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding in verband met de permanentmaking van die wet en enkele andere wijzigingen (36918)

Brontekst

Mevrouw Straatman (CDA): Dank, voorzitter. Stel je voor: de veiligheidsdiensten hebben je al scherp op het oog, omdat je contacten onderhoudt met jihadistische netwerken, propaganda verspreidt en ondersteunt in het radicaliseringsproces van vrienden. De veiligheidsdiensten geven dit door aan de politie en justitie. Alleen, hier wringt de schoen: strafrechtelijk gezien is er nog geen zicht op verdenking van een strafbaar feit. Met andere woorden: de veiligheidsdiensten zijn er te vroeg bij. U voelt aan dat dit niet goed voelt. Het is niet wachten op een terrorist in wording, maar wachten op een terroristische daad in wording. Als overheid wil je eerder ingrijpen om de samenleving te beschermen. Dat is precies wat de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding doet. Die maakt het mogelijk om nu al in te grijpen, voordat ook in het strafrecht de seinen op rood gaan. Beter voorkomen dan genezen, zeker als het gaat om de nationale veiligheid. Door de wet zitten er in de bestuurlijke gereedschapskist van de minister vijf instrumenten: het contactverbod, de meldplicht, het gebiedsverbod, het uitreisverbod en de mogelijkheid voor bestuursorganen om beschikkingen in te trekken of te weigeren. Die instrumenten had de minister al sinds 2017, zij het tijdelijk. Met de voorliggende wet worden deze instrumenten permanent gemaakt, met uitzondering van de bevoegdheid van het bestuursorgaan om beschikkingen in te trekken; die verdwijnt uit de gereedschapskist. Voorzitter. De casus van mijn inleiding is geen fictief voorbeeld. Het dreigingsbeeld in Nederland is al jaren substantieel, op het een-na-hoogste niveau. Dat betekent dat er een reëel risico is op een terroristische aanslag in Nederland. Die dreiging gaat niet alleen uit van mensen die tot nu toe onder de radar bleven, maar ook van mensen die al eerder een gevaar bleken voor onze nationale veiligheid. In 2025 kwamen enkele veroordeelde terroristen op vrije voeten. In de komende jaren zullen er meer volgen. Van deze terroristen is het Nederlanderschap weliswaar afgepakt, maar zij hebben Nederland nog altijd niet verlaten omdat landen van herkomst niet meewerken. Deze veroordeelden hebben hun straf al uitgezeten, maar dat betekent zeker niet dat we naïef mogen zijn. Velen van hen zijn als ze de gevangenis uitgaan nog net zo radicaal als toen ze erin gingen. Juist deze groep wil je tijdig in de gaten kunnen houden. Voor het CDA maakt dit een flexibele en preventieve bestuursrechtelijke gereedschapskist noodzakelijk. Dat de inzet van deze instrumenten tot nu toe klein is geweest, doet er gezien de ernst van de terroristische dreiging niet toe. De minister omschreef het treffend: ook de beperkte inzet van de wet kan de noodzaak ervan onderschrijven, mede gelet op het feit dat de belangen die op het spel staan, namelijk de bescherming van onze nationale veiligheid, groot zijn. Dan heb je liever iets te veel zicht dan iets te weinig. Natuurlijk zitten hier rechtsstatelijke grenzen aan, maar voor het CDA is beslissend of de instrumenten worden gezien als van toegevoegde waarde, en wij zijn daarvan overtuigd. Dat wil niet zeggen dat ik geen vragen heb. Ik heb een aantal vragen, allereerst over de vangnetfunctie van de wet, dan over de instrumenten zelf en ten derde wil ik graag een blik vooruitwerpen in de strijd tegen het terrorisme. Allereerst de vangnetfunctie van de wet. Daarin schuilt wat het CDA betreft de toegevoegde waarde en de noodzaak. Waar het strafrecht nog niet thuis geeft, biedt deze wet een vangnet. De vraag is alleen hoe groot die vangnetfunctie nog is. Na inwerkingtreding van de tijdelijke maatregelen, zijn er voor de groep terrorismeveroordeelden uit detentie strafrechtelijk namelijk meer mogelijkheden sinds invoering van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. Dit maakt de vangnetfunctie van deze wet kleiner ten opzichte van de invoering van deze tijdelijke maatregelen. Erkent de minister dat? We hebben onszelf de vraag gesteld of daarmee de vangnetfunctie te klein zou zijn geworden, maar die vraag hebben we met nee beantwoord. Met alleen de maatregelen uit het artikel 38z Wetboek van Strafrecht komen we er namelijk niet, volgens het CDA, bijvoorbeeld omdat de rechter die maatregelen bij het vonnis ten onrechte niet oplegt en de veroordeelde in detentie verder radicaliseert, of als de toezichtmaatregelen uit artikel 38z ontoereikend zijn. In dat kader is het ook interessant om te kijken naar het WODC-onderzoek van dit jaar. Onderzoekers concludeerden daarin dat bij overtreding van extra toezichtmaatregelen, die dus in artikel 38z zijn neergelegd, maximaal zes maanden vervangende hechtenis kan worden opgelegd en dat dit in bepaalde situaties gewoon te kort is. Onderschrijft de minister dit ook? Kan hij aangeven of deze situatie zich eerder heeft voorgedaan en of daaruit juist het nut en de noodzaak van het instrumentarium van deze wet naar voren kwam?

Versie 90c4542f8466cb42b6d278090de0ad9279281ffc5729bf3d9b24b7d4df5b3a8a · Voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigen.

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.