het pakket maatregelen voor de hervorming van de arbeidsmarkt
Brontekst
Versie 65bc6c5b2dcbd59a · officiële bronMinister Van Gennip: We zijn aan het eind van het blokje zelfstandigen. Ik ga nu naar een uitzondering voor de agrarische sector. Daar vroeg de heer Bisschop naar: naast de beoogde opt-out een uitzondering voor de agrarische sector. Wij schreven dat dat het heel ingewikkeld maakt en daarom vroeg hij of we niet kunnen aansluiten bij bestaande registraties, zoals de SBI-code. Ja, natuurlijk kunnen we aansluiten bij bestaande registraties. Maar een aparte uitzondering voor één sector maakt het stelsel wel heel veel complexer, voor de uitvoering, maar ook voor de zelfstandige zelf. Dan heb je naast de opt-out ook nog de regeling voor gemoedsbezwaarden, het overgangsrecht en wat er gebeurt in het eerste wachttijdjaar. Bij iedere uitzondering ontstaan er afbakeningsvraagstukken. Ook beleidsinhoudelijk is het complex. We hadden het er net ook over. Ook zelfstandigen in de agrarische sector kunnen niet altijd terugvallen op een verzekering of een andere voorziening. En ook daar zit veel van het vermogen in het bedrijf. Dus als ze dan echt arbeidsongeschikt worden, dan moeten ze hun bedrijf opeten. Daarom kiezen we niet voor een sectorale uitzondering. Maar conform de wens van volgens mij de heer Smals maar in ieder geval ook mevrouw Palland werken we de mogelijkheden van een opt-out uit. We zullen ook kijken welke arrangementen er binnen de agrarische sector zijn die onder die opt-out kunnen vallen. Maar dat is dan binnen de algemene opt-out. Ik gaf net al even het voorbeeld van mensen die zeggen "ik wil bij de kappers-opt-out horen" of "ik wil bij de Zeeland-opt-out horen". Dat soort dingen kunnen natuurlijk wel, maar dan moet daar een verzekering voor zijn. Vermogen in het eigen bedrijf is niet voldoende, want dat kun je gewoon niet altijd opeten. Ja, dat kun je wel opeten, maar dan is daarna het bedrijf weg. Dus bij de wetsbehandeling zal duidelijk zijn hoe de opt-out eruitziet en in hoeverre dat tegemoetkomt aan de wens van de heer Bisschop voor voldoende maatwerk voor de agrarische sector. Ik denk dat we daar nog vaak over gaan praten. De vraag over vertegenwoordigers van zelfstandigen hebben we al gehad. Ten slotte vroeg de heer Smals: als er straks ook zelfstandigen mét personeel verzekerd worden, welke mogelijkheden zijn er dan om deze ondernemers tegemoet te komen? We hebben in het coalitieakkoord structureel 310 miljoen gereserveerd voor de verbetering van loondoorbetaling bij ziekte. De voorgestelde maatregelen voor loondoorbetaling bij ziekte putten die middelen niet helemaal uit. De inzet is nu om de middelen die vrijvallen beschikbaar te stellen voor lastenverlichting voor het bedrijfsleven. Dat hebt u ook in de brief kunnen lezen. We overleggen de komende tijd met de werkgevers over een nadere invulling hiervan. Dit is dan vast een van de zaken die daarbij ter sprake komen. Dit ging dus over de tegemoetkoming voor zelfstandigen mét personeel. Voorzitter, dat was het blokje aov zelfstandigen. Dan gaan we nu naar flex. Dat is blokje 2b, zal ik maar zeggen. 2a was "aov zzp" en 2b is "flex". De inzet hier is het verbeteren van de positie van zelfstandigen, flexibele werknemers en oproepkrachten. Daarnaast willen we structureel werk in principe organiseren op basis van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Dat erkennen we in het coalitieakkoord en ook in het SER-MLT wordt dat erkend. Maar we willen altijd ruimte houden voor flexibele arbeidsrelaties. Piek, ziek en de allocatiefunctie zullen altijd nodig zijn. Daarnaast moeten ondernemers kunnen blijven inspelen op fluctuaties in het werkaanbod zoals die zich in de praktijk van alledag voordoen, bijvoorbeeld als je website vastloopt of door de kerstdrukte. Maar het kabinet vindt het uitdrukkelijk onwenselijk als flexibele arbeidsrelaties worden gebruikt om te concurreren op arbeidsvoorwaarden. Ook willen we voorkomen dat de keuze voor flex gemaakt wordt vanwege kosten of risicovoordelen. In de voortgangsbrief heb ik maatregelen aangekondigd op drie onderdelen: oproep/basis, uitzend en tijdelijk. Deze voorstellen worden nu omgezet in een wetsvoorstel. Mijn streven is om dat wetsvoorstel voor de zomer of net aan het begin van de zomer voor internetconsultatie openbaar te maken. Dan gaan we naar de specifieke vragen. Allereerst de oproepkrachten. Dat doen we in lijn met het SER-MLT. We schaffen de oproepcontracten af. Nulurencontracten zijn niet meer mogelijk. Min-max wordt vervangen door basis, met ten minste een kwartaalurennorm met een bandbreedte van 30%. U hebt dat allemaal kunnen lezen. Bij basiscontracten geldt naast de bandbreedte een vooraf bepaalde beschikbaarheid waarin de werknemer verplicht kan worden om te komen werken. Dat betekent, heel belangrijk, meer ruimte voor de werk-privébalans, maar ook meer ruimte voor een eventuele tweede baan. Een voorbeeld is een basiscontract van 20 uur per week met een beschikbaarheid van 26 uur per week. Buiten die 26 uur kan de werknemer dus aan mantelzorg doen, de kinderen van school halen of een tweede baan nemen. Dat geeft meer zekerheid en dus meer rust in het leven van mensen. Om werkgevers te stimuleren om mensen met een basiscontract te laten doorstromen naar een vast contract ben ik voornemens om het schriftelijke basiscontract voor onbepaalde tijd onder de lage WW-premie te brengen. We zijn erover in gesprek of dat uitvoerbaar is. Daar kan ik nog niet op vooruitlopen. Het moet uiteraard zorgvuldig gebeuren. Maar het basiscontract, en zeker het basiscontract voor onbepaalde tijd, hoort natuurlijk ook onder de lage WW. Dat is precies wat je wilt. De uitvoerbaarheid daarvan zijn we nu aan het toetsen. Belangrijk is dat de nieuwe regels niet gelden voor studenten en scholieren met een bijbaan. We komen dadelijk te spreken over de definitie van "jongere" en "scholier". Zij kunnen dus wel op oproepbasis blijven werken. De heer Ceder vroeg welke minimumeisen worden gesteld aan het basiscontact en of één uur dan al voldoende is. Nul uren kan niet meer. Handig, komen er dan eenuurscontracten? Nee, dat is niet de verwachting, want als werkgever heb je daar niet zo veel aan. Een beschikbaarheidsnorm van 30% betekent dan dat iemand voor 1,3 uur beschikbaar moet zijn. Dat kan, maar daarmee kun je een vastgelopen website of de kerstdrukte niet aan. Daarnaast heeft de werknemer nog steeds een aantal mogelijkheden, die er nu overigens ook zijn, om zijn arbeidsomvang te laten aanpassen aan de uren die hij in de praktijk werkt. Het eerste is het rechtsvermoeden van de arbeidsomvang, dat je al na drie maanden kunt inroepen. Ook gaat, net als nu bij oproepcontracten, voor basiscontracten gelden dat de werkgever na twaalf maanden een vaste arbeidsomvang moet aanbieden gebaseerd op de gemiddelde arbeidsomvang in deze periode. Dus als je begint met een basiscontract van 1 uur, moet je 1,3 uur beschikbaar zijn. Daar heb je als werkgever niet zo veel aan, maar stel dat je dat toch doet en mensen werken heel veel meer, dan zal je toch na die drie maanden meer moeten geven. Na drie maanden kan de werknemer erom vragen. Na een jaar moet de werkgever dat uit zichzelf aanbieden. Dat zijn overigens ook nu al bestaande regels. De heer Bisschop vroeg of werknemers die wel zelf een nulurencontract willen, op de een of andere manier uitgezonderd kunnen worden.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.