Zzp
Brontekst
Versie ef7969b6490ae2e4 · voorlopig verslag; de tekst kan nog wijzigenMinister Van Gennip: Dan de stabiliteitsbijdrage. De heer Romke de Jong, D66, vroeg vorige week inderdaad naar voorbeelden voor de stabiliteitsbijdrage. Toen heb ik u al geantwoord dat we die aan het bouwen zijn en dat we met elkaar aan het bedenken zijn hoe het er zo goed mogelijk uit zal zien. We hebben niet een trits aan voorbeelden bij de hand, uit het buitenland of anderszins, waaruit we kunnen putten. We hebben wel een voorbeeld uit het verleden dat er enigszins op lijkt en dat is de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden, de Wet MOOZ. Toen ik daarover hoorde, dacht ik: dat lijkt inderdaad een beetje op die verevening die in de Zorgwet zit, zoals ik vorige week illustreerde. Wat deed ik toen, in de tijd van het ziekenfonds, dat later de Zorgverzekeringswet is geworden? Ik zal hier niet een hele complexe vergelijking tussen stelsels gaan maken, maar het lijkt er wel op, want het gaat erom dat een ziekenfonds dat meer ouderen en meer ziekere verzekerden heeft, een extra bijdrage krijgt uit de privéfondsen om dat betaalbaar te houden. Wat nu belangrijk is, is dat er allerlei discussies, berekeningen en analyses zijn van het Verbond van Verzekeraars, mijn eigen mensen en de mensen van het ministerie van Financiën, over hoe we die stabiliteitsbijdrage zo goed mogelijk kunnen vormgeven. Er zijn verschillende opties op tafel geweest en wij zien die stabiliteitsbijdrage als de meest kansrijke optie om zowel keuzevrijheid aan zelfstandigen te bieden als tegelijkertijd dat publiek-private stelsel stabiel en de publieke verzekering betaalbaar te houden. En als je toch een nieuw stelsel kunt bouwen, dan wil je natuurlijk in één keer iets goeds bouwen, voor zover mogelijk. In de appreciatie van het SEO die u hebt ontvangen, wordt ingegaan op de gedragseffecten. Die blijven we secuur uitwerken met de betrokken verzekeraars. En daarnaast zijn we een extra analyse aan het doen, om te zorgen dat we echt zeker weten dat wij dat op de goede manier vormgeven. Dat was mijn blokje één, voorzitter. Blokje twee gaat over de verduidelijking. Het tweede onderdeel van onze zzp-aanpak is meer duidelijkheid bieden over wanneer je zelfstandige en wanneer je werknemer bent. Dat koppelen we onder andere aan het rechtsvermoeden, gekoppeld aan een uurtarief van de werkende. In de praktijk zie je dat heel vaak het grijze gebied opgezocht wordt tussen werknemerschap en zelfstandigheid. Dat zie je in de dagelijkse praktijk van schijnzelfstandigheid aan de onderkant van de tarieven en op allerlei manieren. Het gaat erom dat we dat grijze gebied weten te verkleinen, zodat steeds duidelijk wordt wanneer je werknemer bent en wanneer zelfstandige. Dan wordt het voor de Belastingdienst ook makkelijker om te handhaven. Daarom moeten we de definitie van arbeidsovereenkomst in het BW verduidelijken en veel inzichtelijker maken wanneer er als werknemer in dienst van een ander wordt gewerkt. In de brief van december vond u de drie hoofdelementen die om verduidelijking vragen. Dat is één: werkinhoudelijk gezag. Twee: inbedding in de organisatie. En drie: contra-indicaties die wijzen op ondernemerschap. Die drie bij elkaar moeten zorgen dat we duidelijker krijgen wanneer je als zelfstandige werkt en wanneer als werknemer. Dat geldt ook voor de hogere tarieven. Daarnaast werken we met een rechtsvermoeden op grond waarvan je veel makkelijker kunt claimen bij je werkgever dat je eigenlijk werknemer bent. Het richtgetal is €30-€35, maar dat zijn we ook nog precies aan het uitwerken. Bij een hoger tarief kan het nog steeds zo zijn dat je eigenlijk werknemer bent en bij een lager tarief kan het ook zo zijn dat je eigenlijk zelfstandige bent. We komen zo nog op de culturele sector, waar dat vaak aan de hand is. Wij verwachten kort na de zomer de internetconsultatie hierover te starten. Dan gaat dit ongetwijfeld ook tot veel discussies leiden tussen heel veel arbeidsrechtdeskundigen die hier iets van gaan vinden. Ik was vanmiddag bij hun lustrumbijeenkomst en zij vertelden mij al dat zij daarnaar uitzagen. En ik zie natuurlijk ook uit naar hun reacties. Wat betekent nou die verduidelijking? Wij doen dat door bij de uitwerking van die hoofdelementen toe te werken naar een gecomprimeerde lijst van criteria die die drie hoofdelementen die ik net noemde, verder inkleuren, dus gezag, inbedding en contra-indicatie. Dat doen we op basis van jurisprudentie en we gaan ook kijken welke criteria dan het meest zwaarwegend zijn. Dat zijn we eigenlijk al aan het doen. Daarnaast kijken we of een criterium bruikbaar is en of het duidelijk is voor werkenden, werkgevenden, uitvoeringsorganisaties en de rechtspraak. Dit wordt door verschillende mensen bij verschillende ministeries onder leiding van degene die naast mij zit uitgewerkt. Daarbij betrekken we experts, sociale partners, zzp-vertegenwoordigers en allerlei andere stakeholders. Het veld is nog in beweging, maar ik kan alvast op enkele specifieke vragen ingaan; graag. De heer Romke de Jong vroeg naar de invulling van het begrip "inbedding". Gaat het om inbedding van werk of om inbedding van de werkende? Dit element is niet nieuw. Inbedding wordt al gebruikt in de huidige rechtspraak; kijk bijvoorbeeld naar de uitspraak over Deliveroo en kijk naar het Europees recht. Wij kijken naar de inbedding van het werk en naar de inbedding van de werkende. Soms, maar niet altijd, loopt dat in elkaar over. De inbedding van de werkende volgt in veel gevallen de inbedding of de structurele integratie van het werk. Als er sprake is van een kernactiviteit van de organisatie, dan horen daar doorgaans organisatorische kaders bij voor de werkende. Een ic-verpleegkundige die op de ic werkt, is ingebed, omdat dat een kernactiviteit is en natuurlijk ook omdat hij of zij onder gezag werkt. Dat is de inbedding op hoofdlijnen. De heer Romke de Jong en de heer Smals vroegen naar ondernemerschap. Hoe gaan we ondernemerschap als contra-indicatie vormgeven? Is er een mogelijkheid om via ondernemingscriteria alvast een groep uit te zonderen? De heer Smals vroeg eigenlijk naar de ondernemerstoets. We hebben deze discussie eerder gehad. Deze vraag wekt de indruk dat iemand er zelf voor kan kiezen ondernemer te zijn, ongeacht in welke relatie hij dat werk doet, terwijl het Nederlands en het Europese recht dwingend rechtelijk arbeidsrecht is. Dat betekent dus — kijk naar de ic-verpleegkundige — dat er een bepaald soort werkrelatie bij hoort, als jij op een bepaalde manier werkt, met een bepaald contract. Als er sprake is van arbeid, loon, gezag, dan heb je dus ook een dienstbetrekking, met bijbehorende bescherming en bijbehorende afdrachten. We kijken dus in Europa en in Nederland naar de specifieke arbeidsrelatie en niet alleen naar die werkende persoon. Dat is de klassieke manier van kijken, maar wat wij eraan hebben toegevoegd is dat we kijken of een werkende aan een set ondernemerscriteria zou voldoen, in algemene zin. Dan kan er in bepaalde arbeidsrelaties toch sprake zijn van een arbeidsovereenkomst, als die werkende in die specifiek relatie onder gezag werkt. Je kunt ondernemer zijn en in een bepaalde relatie toch onder gezag werken, of andersom. En omgekeerd kun jij in een arbeidsrelatie werken en bijvoorbeeld een dag per week ondernemen. Als werkende persoon hoef je dus niet in al je werkrelaties dezelfde contractvorm te hebben. Wat we op dit moment aan het doen zijn bij de uitwerking van de wetsvoorstellen is een stap zetten in de richting die de heer De Jong en de heer Smals bedoelen. Vroeger hadden we het alleen over gezag, maar nu hebben we het ook over de contra-indicatie ondernemerschap. Op het moment dat je verduidelijkt wat het gezagscriterium is en daar ook de contra-indicatie voor het bestaan van ondernemerschap in meeneemt, dan krijg je dus een ander soort balans dan wanneer je alleen maar naar gezag kijkt.
Gerelateerde bronnen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.