KamerkringInloggen
← Onderzoeken

statement · 18 jun 2026 · Tweede Kamer

Regels met betrekking tot de handhaving in de sociale zekerheid om meer passend handhaven mogelijk te maken (Wet handhaving sociale zekerheid) (36785)

Brontekst

De heer Ceder (ChristenUnie): Voorzitter, dank u wel. Voordat ik Kamerlid was, heb ik zes jaar lang een eigen advocatenpraktijk gehad, met name gericht op het gebied van het socialezekerheidsrecht. Er kwamen dus heel veel mensen langs die te maken hadden met een terugvordering of een verregaand besluit. Ik heb dan ook heel vaak tegen de overheid, de SVB en het UWV geprocedeerd. Als advocaat viel mij op, even plat gezegd, hoe dom de regels eigenlijk in elkaar zaten. Als iemand vergeten was om een wijziging door te geven die zou kunnen leiden tot een wijziging van de uitkering, kreeg de betrokkene niet alleen een terugvordering, maar ook altijd een boete. Ook als iemand dat per ongeluk vergeten was, of als iemand licht verstandelijk beperkt was, wat ik kon waarnemen zonder dat ik daar medische kennis voor nodig had, werd altijd naast de terugvordering een boete gehanteerd. U raadt het al: veel van die mensen raakten daardoor in de schulden. Die schulden werden vervolgens opgelost, vaak in een laat stadium. En de maatschappelijke kosten lopen daardoor maar op en op. Ik dacht telkens: wie heeft dat toch allemaal bedacht? Voorzitter. Een aantal jaren later heb ik het voorrecht om als volksvertegenwoordiger in de Tweede Kamer te zijn. Langzaam maar zeker begrijp ik hoe die wetten toentertijd tot stand zijn gekomen. Ik merk dit vandaag de dag in de dynamiek waarvan ik nu ook onderdeel ben. Niet per se de uitvoering of de meest kwetsbare gevallen zijn het uitgangspunt, maar andere situaties zijn vaak leidend. Soms ook is dat een bepaalde mensvisie of een bepaalde partijvisie. Dat mag en dat moet ook. Maar vaak komt daarbij de uitvoering, en ook wat die uitvoering betekent voor echte mensen, secondair of helemaal niet aan bod. Maar we stemmen daar wel over en vervolgens ligt dat in wetgeving vast. Voorzitter. De Kamer heeft niet altijd de uitvoering voor ogen gehad, maar die raakt wel echte mensen. Ik hoop dat we daar met dit wetsvoorstel en met deze wetsbehandeling wel meer oog voor gaan hebben. Daarom hoop ik dat we een goede behandeling met elkaar gaan hebben. Voorzitter. Het is nu vijf jaar geleden dat een vrouw uit Wijdemeren, die boodschappen kreeg van haar moeder, €7.000 moest terugbetalen aan de gemeente. De ophef destijds, ook in de Kamer, was groot; dat weet ik nog. Hoe konden regels zo streng uitpakken? Een boete voor boodschappen. Met de toeslagenaffaire in het achterhoofd werd duidelijk dat het handhavingsstelsel niet meer passend was: strenge regels die voor burgers vaak onduidelijk waren en een hard handhavingsregime, waarbij bestuursorganen nauwelijks ruimte hadden voor afwijkingen. Kleine, vaak onbewuste fouten werden afgerekend via een terugvordering, en altijd met een boete, ook als de ambtenaar daar zelf bezwaar tegen had of moeite mee had, omdat het zo in de wet was vastgelegd. Ik ben dan ook blij dat wij vandaag dit wetsvoorstel behandelen, want het is tijd voor een beter handhavingsregime, dat begrijpelijk is voor burgers en dat goed uitvoerbaar is voor bestuursorganen, waarbij fouten niet direct worden afgestraft, maar mensen eerst een waarschuwing kunnen krijgen, en waarbij ingegrepen kan worden als mensen willens en wetens misbruik maken van onze collectieve sociale zekerheid. Laat daar geen misverstand over bestaan: ook de ChristenUnie vindt dat degenen die frauderen hard en duidelijk aangepakt moeten worden. Voorzitter. Wat mij betreft moet het wetsvoorstel een antwoord bieden op het rapport van de enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening. Die commissie oordeelde hard over de handhavingsregels in de sociale zekerheid. Ik citeer: "Bij zowel toeslagen als de sociale zekerheid constateert de commissie dat de wetgever complexe wetgeving heeft gemaakt en onduidelijkheid heeft laten bestaan over de eisen die gesteld werden aan mensen." We hebben het voorrecht dat we dit debat mogen voeren met de minister die volgens mij in een vorig leven deel uitmaakte van de commissie die deze harde woorden heeft opgeschreven. Ik vermoed dat hij daar nog steeds achter staat. Maar dat horen we zo. De combinatie van onduidelijkheid over regels en het risico op fouten, terugvorderingen en zware boetes heeft er volgens de commissie toe geleid dat juist de mensen die de overheid het hardst nodig hadden, het hardst zijn geraakt. Ook het onderscheid tussen een onbewuste fout en fraude is weggevallen, zowel in wetgeving als in de uitvoering. Het niet op de juiste manier informeren van de uitvoeringsorganisatie werd gelijkgesteld aan fraude, terwijl we willen dat fraudeurs aangepakt worden. Dan moet je dat juist helder kunnen scheiden. Voorzitter. Met het wetsvoorstel dat we vandaag behandelen, slaan we een andere richting in. Daar ben ik blij mee. Tegen de mensen die bewust de wet overtreden en regelingen misbruiken, wordt opgetreden. Voor mensen die een fout maken of onzorgvuldig omgaan met hun uitkering komt er een eenvoudiger en rechtvaardiger stelsel. We maken een beweging van een overheid die standaard wantrouwt naar een overheid die vertrouwt. Ik denk dat de onderliggende vraag in het hele debat ook is: willen we een overheid en een uitvoering die in eerste instantie uitgaan van het vertrouwen in de mens die zich meldt, of van het wantrouwen in de mens die zich meldt? Ik ben dan ook benieuwd hoe de minister dit wetsvoorstel ziet in relatie tot de conclusies van de enquêtecommissie. Biedt dit wetsvoorstel volgens de minister een volledig antwoord op het rapport? Zit er volgens de minister voldoende balans in het handhavingsregime? Kunnen bestuursorganen ook krachtig optreden wanneer mensen misbruik maken van een uitkering? Dat moet natuurlijk nog steeds kunnen. Voorzitter. Onder het huidige regime moeten bestuursorganen bij een overtreding van een verplichting ook als dit duidelijk een onbewuste fout is handhavend optreden en de te veel betaalde uitkering terugvorderen plus een boete opleggen. Na de casus in Wijdemeren startte de ChristenUniefractie met de voorbereidingen van een initiatiefwetsvoorstel voor meer maatwerk door bestuursorganen om te kunnen afzien van het opleggen van terugvorderingen. Eerst deed mijn collega Eppo Bruins dat en daarna nam ik dat over, toen ik in de Kamer kwam. Samen met het CDA, de SP, GroenLinks-PvdA, nu PRO, en D66 is er lang gewerkt aan een wetsvoorstel om de clausule van de dringende redenen die in alle socialezekerheidswetten zitten, te verstevigen. Bestuursorganen hadden namelijk al de mogelijkheid om in het geval van een dringende reden af te zien van terugvordering, alleen slaagde een beroep op deze clausule vrijwel nooit. Daarmee was deze hardheidsclausule verworden tot een dode letter. In goede afstemming met de VNG, het UWV en de SVB schreven we aan een initiatiefwet om dit te veranderen. We zochten naar een balans tussen maatwerk enerzijds en het voorkomen van willekeur anderzijds. Bestuursorganen moeten maatwerk kunnen leveren zonder dat de uitkomst afhankelijk wordt van het loket waar iemand aanklopt. Dat ons initiatiefwetsvoorstel actueel was, bewees ook de rechtspraak. Na de conclusie van advocaat-generaal De Bock en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in 2023 is de toepassing van de dringende reden ook rigoureus gewijzigd. De rechter heeft bepaald dat de dringende reden moet functioneren als hardheidsclausule. Bij de vraag of de uitkering mag worden teruggevorderd, moet worden getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en meer specifiek aan het evenredigheidsbeginsel. Zijn de gevolgen van de herziening en de terugvordering voor de betrokkene evenredig in verhouding tot het doel van die terugvordering? Dit was de kern van ons initiatiefwetsvoorstel en is inmiddels staande jurisprudentie. Ons wetsvoorstel werd daarmee gelukkig overbodig. Omdat de wet altijd juridisch steviger is dan jurisprudentie, heb ik bij de behandeling van de Participatiewet in balans deze uitspraak dan ook per amendement gecodificeerd. Ik ben ook heel blij dat met dit wetsvoorstel deze uitspraak verwerkt wordt in alle zeventien socialezekerheidswetten. Ik heb nog wel een aantal vragen. Bestuursorganen leggen heel veel terugvorderingen op. Dat is in verreweg de meeste gevallen geen probleem. Dat is gewoon een kwestie van computerwerk. Maar hoe voorkomen we dat de dringende reden opnieuw een dode letter wordt? Moeten burgers zelf een beroep doen op de uitzondering? Wanneer gebeurt dat ambtshalve? Dit is ook de reden waarom ik op dit punt een amendement heb ingediend. Hoe geven bestuursorganen nu uitvoering aan deze jurisprudentie? Weegt de hoogte van de terugvordering mee in hoe zij die behandelen? En worden burgers benaderd of krijgen zij direct een brief op de mat met een terugvordering van honderden euro's of soms zelfs meer? Ik heb het amendement ingediend als een soort veiligheidsventiel. Het bestuursorgaan moet in ieder geval ambtshalve toetsen wanneer de terugvordering uitkomt boven de hoogte van de uitkering in een periode van drie maanden. Dat betekent dat vrijwel alle uitkeringen, als er geen problemen zijn, gewoon automatisch toegekend kunnen worden. Als het om een zware terugvordering gaat, gaat de computer echter niet as usual door, maar kijkt een ambtenaar even of de juiste dingen worden gedaan en of er dringende redenen zijn. In ben benieuwd naar de reactie van de minister hierop. Voorzitter. Een grote oorzaak van het hardvochtige handhavingsbesluit was het boetebesluit. De enquêtecommissie signaleerde hier terecht een ontwerpfout. Met de komst van de fraudewet werden maximale boetes verhoogd van 10% naar 100%. Dat is een vertienvoudiging. In de wet stond dit als maximumbedrag, maar in het boetebesluit stond dit als standaardboete. Vervolgens waren de verminderdeverwijtbaarheidscriteria veel te krap geformuleerd, zodat daar nooit een beroep op gedaan kon worden. Hier is veel misgegaan: bij de uitvoering, bij de Kamer en bij de wetgeving. Daarom is het goed dat het boetebesluit ingrijpend is herzien. Terecht zijn de boetes bij een eerste overtreding sterk verlaagd. Het is ook terecht dat deze boetes bij recidive en opzet fors kunnen worden verhoogd. Dat is ook belangrijk, want nogmaals: fraude en misbruik moet je aanpakken. Er wordt afgestapt van het automatisme dat mensen bij een fout een boete krijgen. De criteria voor verwijtbaarheid zijn verder uit het boetebesluit gehaald en naar de wet verplaatst. Het bestuursorgaan moet bij de beslissing om een maatregel of een waarschuwing op te leggen verwijtbaarheid van de persoon die de overtreding heeft begaan, meewegen. Ik heb hier nog wel een aantal vragen over. Waarom is niet gekozen voor het begrip "toerekenbaarheid" in deze weging, want in het strafrecht is de combinatie van verwijtbaarheid en toerekenbaarheid toch juist gebruikelijk? Waarom dan niet in deze wetten? Dat is juist relevant voor mensen met bijvoorbeeld een licht verstandelijke beperking. Die kunnen misschien wel verwijtbaar iets verkeerds doen, maar het kan dan misschien niet toerekenbaar zijn. Nu wordt het alleen maar als verwijtbaar gezien en daarom heb ik hier dus ook een amendement over ingediend. Dat amendement regelt namelijk dat toerekenbaarheid ook een vorm van het afzien van vorderingen kan zijn. Voorzitter. De inlichtingenplicht. De belangrijkste verplichting van mensen met een uitkering is de inlichtingenplicht. Mensen moeten alle informatie delen die invloed kan hebben op de uitkering. Dit wetsvoorstel verandert deze open norm niet, terwijl het voor veel mensen onduidelijk is wat ze wel en wat ze niet moeten melden. Heeft de minister overwogen dit te schrappen? Wat gaan de bestuursorganen doen om burgers duidelijk te maken wat van hen wordt verwacht? Ik zie een interruptie.

Versie 9af76e6e14ab5aaed4d3a34fc8902bb4c8b85477a833bb3d54fb37ea26da5347 · Officiële bron.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · 1a324d5dc6833924

12 okt 2026 · 26e09038bd3b30c1

12 okt 2026 · 8e790c34e1f111cb

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.