AH 2963 2026Z16888 Antwoord van staatssecretaris Boswijk (Defensie), mede namens de minister-president, Jetten (ontvangen 8 september 2026) Vraag 1: Bent u bekend met dit bericht en met de eerdere reconstructie waarnaar daarin wordt verwezen? Zo nee, bent u bereid daarvan kennis te nemen alvorens de onderstaande vragen te beantwoorden? Antwoord: Ja. Vraag 2: Kunt u bevestigen of weerspreken dat de huidige minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) in februari 2017, als commandant van vliegbasis Eindhoven en kort na een uitzending van EenVandaag over de zaak, aan klokkenluider Van Wulfen een inroosterverbod oplegde, waarmee hem feitelijk de uitoefening van zijn beroep werd ontnomen? Kunt u het tevens aangeven indien u dit niet kunt bevestigen of weerspreken en waarom niet? Antwoord: Ik verwijs naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:2655). Hierin heeft de rechter vastgesteld dat de toenmalige commandant Vliegbasis Eindhoven destijds in redelijkheid heeft kunnen twijfelen of betrokkene in staat was zijn taken als vlieger veilig uit te voeren en daarom mocht besluiten hem tijdelijk niet in te roosteren. In zijn algemeenheid merk ik op dat zowel in de militaire als civiele luchtvaart hoge eisen aan vliegers worden gesteld en dat het gebruikelijk is dat iemand (tijdelijk) niet wordt ingeroosterd als er zorgen zijn in verband met de vliegveiligheid, zoals de toenmalige minister van Defensie eerder heeft toegelicht aan de Kamer op 22 februari 2017 (Kamerstukken II 2016/17, 34550-X, nr. 82). Vraag 3: Kunt u bevestigen of weerspreken dat dat de huidige minister van VRO, terwijl het bezwaar tegen dat besluit nog ter toetsing lag, de behandelaar van dat bezwaar per e-mail verzocht haar te blijven “bestoken” met bruikbaar materiaal over de betrokkene, en daarbij meldde inmiddels over circa 1.700 e-mails over hem te beschikken? Kunt het tevens aangeven indien u dit niet kunt bevestigen of weerspreken en waarom niet? Antwoord: Ja, ik bevestig dat de toenmalige commandant Vliegbasis Eindhoven destijds in het kader van de interne heroverweging die volgt na een bezwaarschrift contact heeft onderhouden met de behandelaar die de beslissing op bezwaar ambtelijk voorbereidde. Vraag 4: Kunt u bevestigen of weerspreken dat de huidige minister van VRO bij haar vertrek in 2018 het commando over vliegbasis Eindhoven – met inbegrip van de op dat moment openstaande dossiers over haar eigen handelen – overdroeg aan haar echtgenoot? Kunt u tevens aangeven indien u dit niet kunt bevestigen of weerspreken en waarom niet? Antwoord: In 2018 heeft de toenmalige commandant Vliegbasis Eindhoven conform het reguliere proces het commando overgedragen aan haar opvolger, toenmalig kolonel Boekholt. Haar opvolger is na een selectieprocedure benoemd door de toenmalige Commandant Luchtstrijdkrachten (Koninklijke Luchtmacht). Vraag 5: Is het juist dat het Huis voor Klokkenluiders in december 2020 heeft vastgesteld dat de declaratiefraude op vliegbasis Eindhoven daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, terwijl onder verantwoordelijkheid van de betrokken minister opgestelde stukken over diezelfde kwestie een andere voorstelling van zaken gaven en aan de Kamer zijn gezonden? Zo ja, is de Kamer daarmee onjuist geïnformeerd en door wie? Zo nee, waarom niet en op welk onderdeel wijkt uw lezing af van de vaststelling van het Huis voor Klokkenluiders? Antwoord: Ik deel niet de opvatting dat een andere voorstelling van zaken is gegeven noch dat de Kamer onjuist is geïnformeerd. Uit het interne onderzoek in 2016 is gebleken dat sprake was van integriteitsschendingen op het gebied van de interne regels voor het declareren van reiskosten. Zoals toegelicht in de brief van de toenmalige staatssecretaris van Defensie van 8 december 2020 aan uw Kamer (Kamerstukken II 2020/21, 355570-X, nr. 65), heeft het Huis voor Klokkenluiders geconstateerd dat Defensie evenwel had nagelaten deze gedragingen ook aan te merken als misstand. Het Huis voor Klokkenluiders heeft geconcludeerd dat Defensie sinds 2016 voldoende maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat dergelijke situaties zich zullen herhalen. Daarnaast heeft het Huis voor Klokkenluiders gerefereerd aan de tegen de diverse betrokkenen genomen (rechtspositionele) maatregelen en het opgestarte cultuurprogramma. Vraag 6: Hoe verhoudt de verklaring die de minister onder ede heeft afgelegd voor de rechtbank Gelderland – dat zij geen aangifte had gedaan en geen vermoeden van een strafbaar feit had – zich tot het feit dat die aangifte langs drie onderscheiden lijnen wordt bevestigd, te weten (a) haar eigen e-mail van 5 juli 2016 waarin zij meldt die dag conform afspraak aangifte te hebben gedaan bij de Koninklijke Marechaussee, (b) een e-mail van de toenmalige plaatsvervangend Commandant Luchtstrijdkrachten waarin diezelfde aangifte wordt bevestigd, en (c) een interview waarnaar het artikel verwijst? Was het kabinet van deze discrepantie op de hoogte en zo ja, sinds wanneer? Zo nee, waarom niet gelet op het feit dat deze stukken sinds 2016 bestaan en de zaak sindsdien meermalen in de Kamer en in de media aan de orde is geweest? Antwoord: Uit de integrale tekst van de betreffende verklaring en e-mail komt naar voren dat er geen sprake is van een discrepantie. Verder verwijs ik naar de beantwoording door de staatssecretaris van Defensie op de Kamervragen van 16 juli jl. (2026Z16269). Vraag 7: Is op of omstreeks 5 juli 2016 door of namens de toenmalige commandant Eindhoven aangifte gedaan bij de Koninklijke Marechaussee, ja of nee? Dit betreft een administratief verifieerbaar registratiegegeven en geen juridisch oordeel; kunt u dit desgewenst laten navragen? Indien u deze vraag niet met ja of nee beantwoord, kunt u dan aangeven op grond van welke wettelijke bepaling u zich daartoe niet in staat acht? Antwoord: Ik verwijs naar het antwoord van de staatssecretaris van Defensie op vraag 44 van de Kamervragen van 16 juli jl. (2026Z16269). Vraag 8: Indien het antwoord op vragen 7 bevestigend is: hoe verhoudt die registratie zich tot haar verklaring onder ede dat zij geen aangifte had gedaan en geen vermoeden van een strafbaar feit had? Indien het antwoord ontkennend is: hoe verklaart u dan haar eigen e-mail van diezelfde datum en de bevestiging daarvan door de toenmalige plaatsvervangend Commandant Luchtstrijdkrachten? Antwoord: Zie het antwoord op vraag 6. Vraag 9: Heeft het kabinet sinds het bekend werd met deze tegenstrijdigheid, zelf enige poging ondernomen om vast te stellen welke van beide voorstellingen van zaken juist is? Zo ja, door wie, wanneer en met welke uitkomst? Zo nee, acht u het verenigbaar met uw verantwoordelijkheid voor de integriteit van het kabinet dat een dergelijke tegenstrijdigheid rond een zittend bewindspersoon onopgehelderd blijft? Antwoord: Zie het antwoord op vraag 6. Vraag 10: Heeft de betrokkene u, de formateur of degene die de screening uitvoerde over deze tegenstrijdigheid geïnformeerd voordat zij werd voorgedragen? Zo nee, beschouwt u het achterwege laten daarvan als een omissie? Welk gevolg verbindt u daaraan? Antwoord: Zie het antwoord op vraag 6. Vraag 11: Nu de juistheid van een verklaring onder ede naar haar aard niet door de betrokkene zelf kan worden vastgesteld, bent u bereid de feiten te laten vaststellen door een instantie buiten het ministerie van Defensie en buiten het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de uitkomst met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet en wie de feiten dan wél vast en op welk moment? Antwoord: Ik zie hier geen aanleiding toe. Zie voorts het antwoord op vraag 6. Vraag 12: Welke informatie over beide klokkenluidersdossiers was bij u, bij de formateur en bij het kabinet bekend op het moment van benoeming? Maakten het OIO-rapport uit 2015 – dat sinds dat jaar openbaar op de website van de Tweede Kamer staat (Kamerstuk 34000, X, nr. 8) -, het rapport van het Huis voor Klokkenluiders uit 2020 en de lopende civiele procedure tegen de Staat deel uit van de screening? Wat heeft de betrokkene hierover zelf gemeld en wie heeft geconcludeerd dat dit geen belemmering vormde? Indien deze stukken geen deel uitmaakten van de screening, waarom niet? Bent u ervan op de hoogte dat de klokkenluider de kernfeiten van deze dossiers in juni 2025 – dus ruim voor de benoeming – op verzoek van een fractiemedewerker van D66 schriftelijk heeft vastgelegd en deze feiten vervolgens heeft toegelicht in een videogesprek met de toenmalige Defensiewoordvoerder van die fractie? Zo ja, hoe verklaart u dat deze informatie geen rol heeft gespeeld bij de voordracht? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit na te gaan en de Kamer daarover te informeren? Antwoord: Bij alle kandidaat-bewindspersonen vinden, voorafgaand aan de uitnodiging voor het gesprek met de formateur, een drietal feitenonderzoeken plaats. Daarnaast wordt de kandidaat in de gelegenheid gesteld om relevante informatie op te brengen in het gesprek met de formateur. Dat gesprek heeft een vertrouwelijk karakter. De conclusie was dat er geen sprake was van enig beletsel voor benoeming. Vraag 13: Deelt u de opvatting dat een bewindspersoon die als leidinggevende een door de hoogste integriteitsonderzoeksraad in het gelijk gestelde klokkenluider feitelijk zijn beroep heeft ontnomen en die daarbij zelf materiaal aanleverde bij degene die haar eigen besluit moest toetsen, geen geloofwaardige uitdrager kan zijn van rijksbreed integriteits- en meldersbeleid? Zo nee, waarom niet? Antwoord: Nee, deze voorstelling van zaken herken ik niet. Als hierbij wordt gedoeld op het tijdelijk uitroosteren van betrokkene als vlieger naar aanleiding van zorgen in verband met de vliegveiligheid, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2. Het OIO-rapport zag overigens niet op het tijdelijk uitroosteren van betrokkene als vlieger maar op gebeurtenissen van geruime tijd daarvoor. Vraag 14: Gelet op het feit dat de eisende partij de minister bij dagvaarding als getuige heeft opgeroepen en het aan de rechtbank is om te bepalen of zij daadwerkelijk moet verschijnen, deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat een zittend bewindspersoon door de rechtbank kan worden gehoord over haar eigen handelen in een procedure tegen de Staat en dat het kabinet daarmee zelf partij is in een zaak waarin een van zijn leden persoonlijk is betrokken? Zo nee, waarom niet? Welke consequenties verbindt u hieraan? Antwoord: In een civiele procedure kan ieder persoon aangedragen worden als getuige. Het is aan de rechter om te bepalen of het relevant is om getuigen op te roepen. Vraag 15: Is het kabinet bereid het volledige dossier over de betrokkene – inclusief maar zich niet beperkend tot de e-mailcollectie waarvan het bestaan nooit is ontkend – alsnog te verstrekken aan de betrokkene en, voor zover mogelijk aan de Kamer? Zo nee, op welke grond wordt dat geweigerd nu jarenlange verzoeken op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) niet tot verstrekking hebben geleid? Antwoord: Zie het antwoord op vraag 6. Vraag 16: Welke vaststelling zou voor u wél leiden tot de conclusie dat de positie van de minister onhoudbaar is: een rechterlijk oordeel, een besluit van het Openbaar Ministerie, een erkenning door de betrokkene zelf, of iets anders? Kunt u die grens concreet benoemen, in plaats van te volstaan met de mededeling dat de zaak onder de rechter is? Onderschrijft u daarbij dat de omstandigheid dat een zaak bij de civiele rechter aanhangig is, geen zelfstandige weigeringsgrond oplevert onder artikel 68 van de Grondwet en dat de inlichtingenplicht slechts kan wijken voor het belang van de staat? Zo nee, waarom niet, en welke weigeringsgrond meent u dan wel te kunnen inroepen? Antwoord: De vraag welke specifieke omstandigheden van invloed zijn op de positie van een bewindspersoon leent zich niet voor beantwoording vooraf. Zie voorts het antwoord op vraag 6. Vraag 17: Wilt u deze vragen allemaal afzonderlijk beantwoorden? Antwoord: Ja.
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
Derk Boswijk
0debatten
1.244bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken
Partijen door de tijd: CDA (2021-03-31–2026-02-22) ·