KamerkringInloggen

Officieel Kamerprofiel

5d9a435f-2e83-4adc-81a6-a7faa9c73dbe

51debatten
1.546bijdragen
16interrupties
263.540woorden in uitspraken

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
24 mrt 2025 · Kamerstuk

Initiatiefnota van het lid Omtzigt over tien voorstellen ter verbetering van de constitutionele toetsing (TK 36344)

Bron, video en gesprek →
24 mrt 2025 · Spreekbeurt

Staatssecretaris Struycken: Voorzitter, dank u. Het is een beetje mosterd na de maaltijd, maar het is ook een prelude op iets wat later komt. Ik zeg het dus met een zekere aarzeling. Ik wil graag de gelegenheid nemen om te reageren op een opmerking van mevrouw Chakor en de reactie van de heer Omtzigt daarop. Mevrouw Chakor geeft uiting aan een veel breder gevoeld idee dat dat hof niet zo nodig is. Zij maakt daarbij een tegenstelling met de gespreide toetsing. Die horen we veel. Ze vraagt zich af of die gespreide toetsing niet voldoende is. Ik zou graag expliciet willen maken dat dat niet een tegenstelling is. We hebben juist een mengvorm willen vinden. Zoals de heer Omtzigt ook zei, hebben we gezocht naar mogelijkheden om zo veel mogelijk iets nieuws in te passen in de bestaande kaders. Dat bestaande kader is die prejudiciële procedure waarbij een vraag wordt gesteld aan de Hoge Raad. Dat kan op dit moment in civiele procedures en strafzaken. Dat kan binnenkort geloof ik ook in bestuursrechtelijke procedures daar waar het de Raad van State betreft. Dat is een facultatieve procedure. Rechters in eerste instantie zijn dus niet verplicht om een vraag voor te leggen aan de Hoge Raad, maar er kunnen goede redenen zijn om dat wel te doen, bijvoorbeeld omwille van de snelheid als het gaat om een vraag die veel breder leeft in de samenleving in diverse procedures. Dat in acht nemende hebben we gedacht dat een vergelijkbare procedure ook denkbaar zou zijn als er een constitutioneel hof zou komen, dus een facultatieve procedure. Dat betekent eigenlijk dat de gespreide toetsing gehandhaafd blijft. Alle rechters mogen toetsen aan de Grondwet, maar er bestaat een mogelijkheid om het voor te leggen aan het constitutionele hof. Dan is de vraag natuurlijk wanneer rechters dat doen. Zoals de heer Omtzigt dit ook verwoordde, gaat dit bijna per definitie over situaties waarin de Grondwet in het geding is. Dat zijn de vragen waar het om gaat. Dan is het voorstelbaar dat die rechter in eerste instantie zegt: dit is te groot, ondanks de ervaring die ik heb met toetsing aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens; dit is zo principieel dat ik dit graag voorleg aan een groep van op dit vlak deskundige rechters. Dan zal hij verwijzen. Het is ook denkbaar dat die rechter zelf beslist, hoewel het om een heel zwaarwegende kwestie gaat. Daarmee reageer ik ook op de opmerking van de heer Omtzigt, want in zijn antwoord lag een beetje besloten dat je je bij dit soort zwaarwegende kwesties eigenlijk de vraag kunt stellen of je het wel bij al die verschillende rechters moet laten. Wij kiezen ervoor om het wel mogelijk te laten blijven dat al die rechters toetsen, maar om ze de mogelijkheid te bieden om naar het hof te stappen. Het is denkbaar dat een rechter dat op een bepaald punt niet doet, dus dat een rechter in eerste instantie een grote beslissing neemt, een beslissing waarbij de grondwettigheid van een wet of van een regel in het geding is, maar dat hij niet naar het hof stapt. Dan blijft de reguliere weg van het hoger beroep open. Uiteindelijk kom je dan in veel gevallen bij de Hoge Raad uit, maar voor het geval dat er geen hoger beroep wordt ingesteld, wordt ergens in de contourennota nog de variant genoemd dat het denkbaar is dat we, gezien de aard van de kwestie en de ernst van de situatie, dus van de vraag, de mogelijkheid introduceren die lijkt op wat we nu al kennen met cassatie in het belang der wet. Dat is dus niet buiten een procedure om; het is een procedure die reeds afgesloten is met een uitspraak met gezag van gewijsde, maar waarvan de procureur-generaal van de Hoge Raad toch zegt: ik vind dit van zo'n groot belang dat ik wil dat de Hoge Raad zich hier wel over uitlaat. Dat is dus voor het scenario dat rechters niet de mogelijkheid benutten om naar het hof te gaan, maar zelf beslissen zonder dat er hoger beroep is terwijl er een belangrijke vraag leeft. Dat is een uitwerkingssuggestie die wij doen in die nota. Op die manier kun je toch bewerkstelligen dat dat hof met veel expertise zich erover uitlaat in het kader van een procedure die al is afgesloten maar die er wel blijft. Dus de reden om wel die faculteit, die mogelijkheid, te gebruiken om naar het hof te gaan, is het inzetten van deskundigheid, daar waar een rechter die in eerste instantie niet heeft of niet wil gebruiken. Er kan ook een tweede mogelijkheid zijn om wel naar het hof te gaan. Dat hangt een beetje af van de keuze die we gaan maken ten aanzien van het rechtsgevolg van toetsing door een hof. In de brief schetsen we verschillende opties, waartussen wij nog niet gekozen hebben. De consultaties die we doen, zien mede op dat onderwerp. Te zijner tijd horen wij graag hoe uw Kamer daartegen aankijkt. Een uitspraak van een rechter in eerste instantie, maar ook een uitspraak van de Hoge Raad werkt alleen maar in de procedure die voorligt. Denkbaar is dat je een constitutionele rechter de mogelijkheid geeft om een rechtsgevolg in te roepen dat verder gaat, namelijk om een wettelijke regel of een wet helemaal buiten toepassing te verklaren of te vernietigen, zodat die dus ook in andere procedures geen rol meer kan spelen. Dat is een heel verstrekkende sanctie, als we die willen, en denkbaar is dat we die zouden willen, gezien de aard van de kwesties. Dan ligt het voor de hand om die verstrekkende sanctiemogelijkheid niet neer te leggen bij al die verschillende rechters, maar in plaats daarvan alleen bij dat hof. Daarmee heb ik een voorschot willen nemen op een latere discussie, maar ook wat meer verduidelijking willen bieden op dat fenomeen van gespreide toetsing met een facultatieve prejudiciële procedure. Daarbij is de tegenstelling niet meer: ofwel een hof ofwel gespreide toetsing; het is een beetje van allebei. En ik heb een doorkijkje willen geven naar een argument om wel in overweging te nemen om toch langzaam, stapje voor stapje, te komen tot een hof in deze context. Ik dank u, voorzitter.

Bron, video en gesprek →
24 mrt 2025 · Spreekbeurt

Staatssecretaris Struycken: Nu is het al denkbaar dat je uiteindelijk bij de Hoge Raad belandt, via het reguliere appel en cassatie, ofwel door middel van een prejudiciële vraag. Dat kan. De Hoge Raad is in staat deze toetsing te doen, want dat doet de Hoge Raad al, net als alle andere rechters, voor zover het EVRM aan de orde is. Maar het is wel zo dat je dan bij de Hoge Raad uitkomt, omwille van de rechtseenheid, in de huidige situatie. Er zijn vier hoogste rechters in Nederland. Die rechters kunnen niet naar elkaar verwijzen; dat is niet voorzien. Denkbaar is dat je tot verschillende interpretaties komt in verschillende rechtskolommen. Dat aspect van rechtseenheid zou je kunnen ondervangen door ook die hoge rechters de mogelijkheid te geven, opnieuw facultatief, om het voor te leggen aan dat ene hof. Er schuilt ook een andere gedachte achter, waar de minister en ik elke keer weer aandacht voor vragen. Het is ook een extra vangnet dat je met een hof creëert. Het is ook een centrum voor een grondwettelijke cultuur, zeg maar. Daarmee is dus niet gezegd dat de Hoge Raad, de Raad van State en die andere hoogste rechters niet in staat zouden zijn een dergelijke toetsing te verrichten. Maar door er een extra hof voor te creëren, vergroot je ten eerste de kans dat je een extra vangnet creëert in onze rechtsstaat en dat zou van pas kunnen komen in de scenario's die we niet voorzien, maar die tegelijkertijd ook niet uitgesloten zijn. De heer Omtzigt begon zijn interventie daarmee. Ten tweede kan het een bijdrage leveren aan een grondwettelijke cultuur. Het is ook een impuls om die Grondwet uit de ivoren toren te halen, zoals de minister herhaaldelijk heeft verwoord.

Bron, video en gesprek →