Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202526 448Structuur van de uitvoering werk en inkomen(SUWI)Nr. 849 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN SOCIALEZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 11 juli 2025Voor een zekerder en begrijpelijker stelsel van inkomensondersteuningwaarin (meer) werken loont, is het noodzakelijk het stelsel te verbeterenen te vereenvoudigen. In het Regeerprogramma heeft het kabinet daaromeen Hervormingsagenda inkomensondersteuning aangekondigd. Metdeze brief geven we invulling aan de eerdere toezegging om de Kamer inhet voorjaar te informeren over de Hervormingsagenda.In deze brief gaan we eerst in op de aanleiding en aanpak van deHervormingsagenda inkomensondersteuning: een werkagenda voor desociale zekerheid richting 2035 met een jaarlijks proces richting debudgettaire voorjaarsbesluitvorming. Vervolgens gaan we in op de zeveninhoudelijke sporen van de Hervormingsagenda op het terrein van SZW.Daarbij lichten we per spoor toe wat de ambities op korte, middellange enlange termijn zijn: de Routekaart. De uitdaging waar we voor staan is forsen veel regelingen in de sociale zekerheid zijn gebaat bij vereenvoudiging.Om hierop voortgang te behouden kiest het kabinet ervoor om deHervormingsagenda te versturen, ondanks de demissionaire status. Deconcrete uitwerking op de sporen volgt nog stapsgewijs. De voorstellenmoeten vervolgens politiek worden gewogen in het (volgende) kabinet ende Kamer.De ambtelijke adviezen en onderzoeken van het afgeronde programmaVereenvoudiging inkomensondersteuning voor mensen (VIM) zijnmeegenomen in deze agenda en worden via de bijlagen aan de Kameraangeboden.Waarom hervorming nodig isIn de brief van 19 november 2024 heeft het kabinet beschreven welkeproblemen mensen hebben binnen het stelsel van inkomensonder- kst-26448-849ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 8491 steuning1. Uit gesprekken met mensen, professionals en stakeholderskomt naar voren dat het huidige stelsel van inkomensondersteuning voorgroepen mensen onbegrijpelijk is. En ook dat het daarmee tot onzekerheiden onrechtvaardige uitkomsten kan leiden.Het kabinet baseert zich daarbij ook op verschillende rapporten die deafgelopen jaren zijn verschenen, zoals het IBO Vereenvoudiging socialezekerheid en de rapporten van de Commissie sociaal minimum en deStaatscommissie Rechtsstaat. Zij hebben inzicht gegeven in waarregelingen en het stelsel onvoorspelbaar of ontoegankelijk zijn voormensen. Zij wijzen bovendien stuk voor stuk op de onbedoelde effectenvan complexe wetgeving en de maatschappelijke kosten die complexiteitmet zich meebrengt2. Daarbij gaat het om kosten in brede zin. Wantinkomensondersteuning heeft niet alleen effect op de financiële situatie enbestaanszekerheid van mensen, maar ook op hun kwaliteit van leven3.Daarnaast is duidelijk dat de publieke dienstverleners als UWV, SVB enook de gemeenten tegen de grenzen aan lopen van uitvoerbaarheid vanhet stelsel. Door toenemende internationalisering neemt de druk op deinternationale dienstverlening toe, in het bijzonder voor de SVB. De SVBkan daardoor de kwaliteit en tijdigheid niet meer borgen op het niveau datpast bij een moderne dienstverlener. Dat creëert toenemende onzekerheiden onvoorspelbaarheid voor mensen. Dit heeft de SVB in haar vierdeknelpuntenbrief in 2024 geagendeerd. Ook voor UWV is het duidelijk datde uitvoerbaarheid, bijvoorbeeld van het stelsel van ziekte en arbeidson-geschiktheid, al lange tijd onder druk staat en dat de wet- en regelgevingcomplex is geworden. UWV benoemt dit ook in hun knelpuntenbrievenvan de afgelopen jaren. Fundamentele vereenvoudiging in beleid enregelgeving is nodig om bestaanszekerheid van mensen te kunnen blijvengaranderen en het stelsel toekomstbestendig te houden voor mensen enuitvoering. Deze kennis fundeert de overtuiging dat het stelsel vaninkomensondersteuning dringend aan hervorming toe is.Werken centraalHet stelsel van inkomensondersteuning vormt een aanvulling op hetgeenmensen zelf verdienen of dient als vangnet wanneer de verdiencapaciteit(tijdelijk) ontbreekt. Het benutten van wat mensen zelf kunnen, oftewelwerk en participatie zo veel mogelijk centraal zetten, is daarom eenessentieel uitgangspunt in de vormgeving van de sociale zekerheid.Daarmee borgen we niet alleen het draagvlak voor en de financiëlehoudbaarheid van het stelsel, maar doen we mensen ook recht. Wantwerk is niet alleen een bron van inkomen, maar draagt ook bij aaneigenwaarde, sociale contacten en maatschappelijke participatie.Het is dan ook belangrijk dat regelingen binnen de sociale zekerheidvoldoende activerend werken en geen armoedeval veroorzaken. Tegelijk ishet van belang dat we mensen voldoende inkomenszekerheid envoorspelbaarheid bieden, en ondersteunen in de toeleiding naar werk.Want onzekerheid staat vaak in de weg van participatie of meer uren werk.Voor dit samenspel hebben we binnen de hervorming van de socialezekerheid voortdurend aandacht. Dit komt daarom ook terug in de zeveninhoudelijke sporen.1Kamerstukken II, 26 448, nr. 7922Gesprekken gevoerd met mensen en ervaringsdeskundigen bevestigen dit beeld nog eens. Zieook de uitgevoerde onderzoeken door Muzus in bijlagen 2–4. De complexiteit van het stelsel isnog eens geïllustreerd in persona’s die als bijlage 5 aan deze brief zijn toegevoegd.3WRR (2023), Grip. Het maatschappelijk belang van persoonlijke controle en SER (2023), Gezondopgroeien, wonen en werken. Naar een structurele gezondheidsaanpak en bestrijding vansociaaleconomische gezondheidsverschillen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 8492 Voor mensen in een uitkeringssituatie, die de stap naar werk maken ofmeer uren willen werken is ook de vormgeving van het stelsel vanfiscaliteit en toeslagen erg van belang. Want juist in de samenloop tussendeze domeinen moet werk voldoende lonen.Daarnaast moet betere dienstverlening aan mensen en werkgevers eraanbijdragen dat mensen de weg naar de arbeidsmarkt (weer) weten tevinden. In spoor 7 ligt hierop de focus. Met de hervorming van dearbeidsmarktinfrastructuur beogen we bijvoorbeeld dat er in iederearbeidsmarktregio een Werkcentrum is, waar mensen en werkgeversterecht kunnen met vragen over werk en ontwikkeling. En met deverbeteringen in de banenafspraak willen we mensen met een arbeidsbe-perking beter ondersteunen richting werk.Ook blijft het essentieel om drempels weg te nemen die mensenbelemmeren om (meer) te gaan werken, zoals onvoldoende passendekinderopvang, gebrek aan ontwikkelmogelijkheden of onzekerheid overhet arbeidscontract. Werken moet niet alleen financieel lonen, maar ookpraktisch haalbaar en aantrekkelijk zijn. Hierop lopen verschillendebeleidstrajecten, die niet allen onderdeel zijn van de Hervormingsagendainkomensondersteuning.Hervormingsagenda inkomensondersteuning: scope en aanpakDe hervorming van inkomensondersteuning beslaat een groot deel van desociale zekerheid. De Hervormingsagenda richt zich op trajecten diebijdragen aan een zekerder en begrijpelijker stelsel voor mensen waarin(meer) werken loont. In deze brief ligt de focus op de sociale zekerheid.Complexiteit ontstaat ook deels door samenloop van deze regelingen.Veel mensen met een sociale uitkering zijn ook afhankelijk van een ofmeerdere toeslagen om rond te komen. De vormgeving van de toeslagenbeïnvloedt daarmee direct de effectiviteit van het beleid in de socialezekerheid: zowel de inkomenszekerheid als de stap naar werk. Maarmensen hebben ook simpelweg met meerdere regelingen tegelijkertijd temaken, waar verschillende begrippen en regels voor gelden. Verschillendeonderwerpen zijn domeinoverstijgend en daaraan werken de (demissi-onair) Minister van SZW, de Staatssecretaris Participatie en Integratie, deStaatssecretaris van Herstel en Toeslagen en de Staatssecretaris vanFiscaliteit, Belastingdienst en Douane met elkaar samen. Dit betreft devolgende onderwerpen die ook terugkomen in deze brief: het harmoni-seren van betaalmomenten, het vereenvoudigen van begrippen, dekindregelingen en het verminderen van keteneffecten door nabetalingen.Werkagenda sociale zekerheid richting 2035 met jaarlijkse besluitvormingDeze Hervormingsagenda richt zich op de korte, middellange en langetermijn en heeft een looptijd tot 2035, en beslaat dus meerdere kabinets-periodes. De uitdaging waar we voor staan is fors en veel regelingen in desociale zekerheid zijn gebaat bij vereenvoudiging. De regie ligt bijindividuele trajecten waarin de uitwerking moet plaatsvinden.Voorbeelden daarvan zijn de trajecten Participatiewet in Balans enhervorming van de WIA. In de Hervormingsagenda worden de trajectenop het gebied van de sociale zekerheid samengebracht in zeven sporen,zodat de samenhang tussen trajecten beter wordt geborgd dan in hetverleden het geval was. Bij mensen komen de regelingen namelijk samen.Per spoor is in deze brief opgenomen wat het probleem is voor mensen,de ambitie op het thema, en welke stappen hierin de komende jaren gezetkunnen worden. Daarbij is niet alles tegelijk mogelijk. Deze Routekaartgeeft inzicht in de prioritering van trajecten binnen de sociale zekerheid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 8493 en de fasering in de tijd. In het prioriteren van trajecten is de impact opmensen het leidende criterium.Hoewel dit een proces is van de lange adem, is ook belangrijk om steedsstappen te blijven zetten in de richting van een eenvoudiger stelsel. Dit iseen werkagenda met ambitie, waarvan concrete uitwerking op de sporenstapsgewijs komt. De haalbaarheid en uitvoerbaarheid zullen per stapworden getoetst, en de voorstellen moeten vervolgens gewogen wordenin het (volgende) kabinet en de Kamer, inclusief de budgettaire randvoor-waarden. Voor de indicatieve planning van de wetsvoorstellen in dezeRoutekaart geldt dan ook het voorbehoud: indien hiertoe wordt besloten,inclusief dekking van eventuele budgettaire gevolgen. Jaarlijks zal destand worden opgemaakt binnen welke trajecten vereenvoudigingsoptiesgereed zijn voor besluitvorming. Zo kunnen die opties in het politiekgewogen worden tijdens de voorjaarsbesluitvorming. De Kamer zaljaarlijks voor de zomer geïnformeerd worden over de voortgang enimplementatie van de vereenvoudigingsopties binnen deze agenda.Hierbij is de samenwerking met de publieke dienstverleners, socialepartners, lokale overheden, maatschappelijke organisaties en de mensenom wie het gaat cruciaal. We werken samen op de ontwikkeling vanbeleidsopties en de voortgang van de agenda. Zodat er breed draagvlakontstaat waar dit kabinet en volgende kabinetten op kunnen voortbouwen.Politieke keuzes en maatschappelijke kosten en batenHervorming en vereenvoudiging gaan gepaard met politieke keuzes. Hetis niet gratis, omdat vereenvoudiging in veel gevallen zal betekenen datregelingen minder gericht worden. Afhankelijk van de uitwerking gaandaar negatieve inkomenseffecten of budgettaire effecten mee gepaard. Inde concrete uitwerking van beleidsopties voor verschillende wetten zullendeze keuzes zorgvuldig in kaart worden gebracht en aan de Kamer wordenvoorgelegd. Daaruit zal duidelijk worden dat er mogelijkheden zijn, maarvoor hervorming ook keuzes dienen te worden gemaakt.De huidige complexe wetgeving brengt grote maatschappelijke kostenmet zich mee: kosten in brede zin, omdat inkomensondersteuning nietalleen effect heeft op inkomenszekerheid van mensen maar ook op hunkwaliteit van leven. Dat betekent dat vereenvoudigingen ook maatschap-pelijke baten met zich meebrengen. Deze baten zijn vaak onderbelicht,omdat voordelen van vereenvoudiging lastig kwantificeerbaar zijn eneventuele budgettaire opbrengsten vaak niet één-op-één herleidbaar zijnnaar die vereenvoudigingen. Door vereenvoudiging kunnen de kostenvoor de overheid op den duur afnemen, maar dit vraagt vaak intensi-vering aan de voorkant. Kosten kunnen bijvoorbeeld op korte termijntoenemen doordat de voorzieningen beter worden gevonden (minderniet-gebruik). En vereenvoudiging voor mensen staat niet per se gelijk aanvereenvoudiging voor de uitvoering. Op lange termijn kunnen hier weerbrede baten tegenover staan, zoals gezondheidseffecten door minderfinanciële stress. Die baten kunnen ook deels bij de samenleving en deoverheid neerslaan.Aan vereenvoudiging zijn dus zowel maatschappelijke baten als kostenverbonden. Het stelsel is echter zo complex geworden dat de voordelen(de gerichtheid) van het huidige stelsel niet meer opwegen tegen denadelen (stress en onzekerheid, onuitvoerbaarheid). De realiteit laatbovendien zien dat de complexiteit die volgt uit een zo gericht mogelijkeregeling, er juist voor kan zorgen dan mensen niet krijgen wat ze nodighebben. Ons uitgangspunt is dan ook: hervorming en vereenvoudiging isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 8494 nodig. De opdracht is dat zo vorm te geven dat de baten daarvan hogerzijn dan de kosten.We streven er daarom naar om bij voorstellen die worden overwogen, debrede kosten en baten zo goed mogelijk in beeld te brengen4.Routekaart: de zeven sporen van de Hervormingsagenda richting2035In deze brief wordt per spoor ingegaan op de maatschappelijke opgave,de ambitie op de opgave, en welke stappen hierin de komende jaren gezetkunnen worden. Per spoor worden gerelateerde trajecten in samenhangopgepakt. Daarin staat het perspectief van mensen centraal. Devoorstellen die onder de sporen worden uitgewerkt, moeten bijdragen aaneen beter functionerend stelsel voor mensen in 2035. De voorstellenworden uitgewerkt in de volgende zeven sporen:1.Borgen van een toereikend en toegankelijk sociaal minimum2.Zekere en begrijpelijke regelingen als vangnet en bij werkloosheid3.Vereenvoudiging gegevensdeling, begrippen en overgangsrecht4.Een zekere en begrijpelijke regeling voor arbeidsongeschiktheid5.Zekere en begrijpelijke financiële ondersteuning voor ouders6.Een voorspelbaar inkomen, door het voorkomen en verminderen vannegatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen7.Betere toeleiding naar werk: via werk in inkomen voorzienBorgen van een toereikend en toegankelijk sociaal minimum(spoor 1)Het sociaal minimum vormt de ondergrens in het stelsel van socialezekerheid. Om mensen in hun bestaanszekerheid te voorzien, is hetstreven een toereikend en toegankelijk stelsel voor het sociaal minimumdat naadloos aansluit op alle andere regelingen in de sociale zekerheid.4Onderzoeksbureau SEO heeft daartoe al een eerste aanzet gegeven met het rapport «De impactvan eenvoud» (bijlage 6) waarin de maatschappelijke kosten en baten van vereenvoudigingenin kaart worden gebracht. Het onderzoek geeft een kwantitatieve onderbouwing van degevolgen van verschillende varianten van vereenvoudigingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 8495 Daarvoor moet het stelsel in de eerste plaats eenvoudiger: het aantalregelingen moet omlaag, regelingen moeten begrijpelijker en toeganke-lijker worden gemaakt en beter op elkaar aansluiten. Op dit momentmoeten mensen soms te veel landelijke en gemeentelijke regelingenstapelen om rond te komen, en bovendien zijn veel regelingen teingewikkeld voor mensen. Als gevolg daarvan komen te veel mensen uitop een inkomen onder de armoedegrens. Dit wordt uitgewerkt door inspoor 1 de analyse over de toereikendheid van het sociaal minimum teactualiseren, te werken aan het vereenvoudigen van gemeentelijkeregelingen en de «mazen» in het stelsel op te sporen en daarvoorvoorstellen te maken.Niet alleen moeten de regelingen en de interactie ertussen eenvoudiger,ook de dienstverlening hiertoe moet beter: de overheid moet meer moeitedoen om te zorgen dat mensen daadwerkelijk ontvangen waar zij recht ophebben. Automatisch waar dat kan, met persoonlijk contact waar nodig.Daarnaast is het cruciaal dat de overheid werkt aan vertrouwen. Datbetekent onder meer dat de overheid levert wat ze belooft. Want zolang ermensen zijn die geen vertrouwen hebben in de overheid en als gevolgdaarvan een regeling niet aanvragen, lukt het niet om mensen daadwer-kelijk te geven waar zij recht op hebben.Toereikendheid van het inkomen op sociaal minimumDe Tweede Kamer heeft het kabinet met de motie-Welzijn c.s. verzocht omin het kader van de Hervormingsagenda in beeld te brengen wat ervoornodig is om te komen tot een dekkend sociaal minimum5. Het kabinetheeft daarom de analyse van de toereikendheid van het inkomen op hetsociaal minimum, van de Commissie sociaal minimum uit 2023 geactuali-seerd6 op basis van de nieuwe armoededefinitie van het CBS, Nibud enSCP en de onderliggende minimum voorbeeldbegrotingen7. Daarbij is ookhet sinds die tijd ingezette beleid meegenomen. Conform de toezeggingaan de heer Flach gaat de analyse ook in op éénoudergezinnen.8Uit de analyse blijkt dat huishoudens in principe voldoende inkomenhebben voor minimaal noodzakelijke uitgaven, als zij de uren werken waarzij toe in staat zijn, alle landelijke regelingen aanvragen waar zij recht ophebben, goed met geld kunnen omgaan en geen onvermijdbare hogeuitgaven hebben. Een aantal huishoudtypen heeft ook enige ruimte omtegenvallers op te vangen, al is deze ruimte beperkt. De financiële situatievan veel huishoudens rond het sociaal minimum is verbeterd ten opzichtevan 2023, mede door de verhogingen van het kindgebonden budget en dehuurtoeslag in de afgelopen jaren. Om rond te komen zijn dezehuishoudens wel sterk afhankelijk van toeslagen.Het aandeel toeslagen in het totale inkomen uit landelijke regelingen isminimaal 25 procent, en kan zelfs oplopen tot ongeveer 60 procent.Daarmee zijn mensen voor een groot deel afhankelijk van inkomenwaarvan het definitieve recht pas na afloop van het jaar wordt vastge-steld. De mogelijke terugvorderings- en nabetalingsproblematiek diedaarbij ontstaat voor mensen is groot. Bovendien maakt een groteretoeslagafhankelijkheid werk minder lonend. Er is dus sprake van sterkesamenhang met het belasting- en toeslagenstelsel en met de hoogte vanhet minimumloon.5Kamerstukken II, 2024–2025, 36 600 XV, nr. 64.6Nadere toelichting op deze analyse is te vinden in bijlage 1.7De nieuwe methode om armoede in Nederland te meten (CBS, Nibud, SCP).8Toezegging TZ202506-026 tijdens Commissiedebat Armoede- en schuldenbeleid van 22 mei2025 (Kamerstuk 24 515, nr. 800)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 8496 Ondanks de uitkomst dat het besteedbaar inkomen op het sociaalminimum (inclusief toeslagen) in principe toereikend is voor minimaalnoodzakelijke uitgaven, zijn er toch veel situaties in de praktijk waarinmensen niet rond kunnen komen. Dit betreft ook werkenden met een laaginkomen. We krijgen hierover ook signalen van maatschappelijkeorganisaties, zoals het Armoedefonds, SUNN, het Rode Kruis, Kinderhulpen de Voedselbank. Ook de snelle uitputting van het Tijdelijk NoodfondsEnergie kan een indicatie zijn dat groepen mensen moeilijk kunnenrondkomen. Deze situaties kunnen ontstaan doordat het inkomen lager isdan het sociaal minimum, bijvoorbeeld doordat mensen regelingen waarzij recht op hebben, niet gebruiken (onder andere omdat zij de overheidniet vertrouwen, bang zijn voor terugvorderingen of omdat zij regelingenniet kunnen vinden). Maar ook doordat het sociaal minimum niettoereikend is vanwege (hoge) onvermijdbare uitgaven, bijvoorbeeldwanneer mensen in een slecht geïsoleerd huis wonen, hoge zorgkostenhebben, schulden moeten aflossen of reiskosten maken voor werk. Vooreen deel van deze oorzaken bestaan op dit moment al regelingen, maardat geldt niet voor alle hoge onvermijdbare uitgaven. Daarnaast wordtdoorgaans slechts een deel van de hogere uitgaven daarmee gedekt.Bovendien maakt het huidige stelsel mensen afhankelijk van een grootaantal landelijke en lokale regelingen om rond te kunnen komen, en speelthier ook het probleem van niet-gebruik.De uitkomsten van deze analyse zijn voor het kabinet een bevestiging omte blijven werken aan het vereenvoudigen van het stelsel van inkomens-ondersteuning (terugdringen van complexiteit en afhankelijkheid vanregelingen), het beter bereiken van kwetsbare groepen (terugdringenniet-gebruik) met bijzondere aandacht voor werkenden met een laaginkomen en het stimuleren van financiële onafhankelijkheid en kansenge-lijkheid, bijvoorbeeld door, waar mogelijk, meer uren te werken en deinzet op participatie. De analyse naar de toereikendheid van het inkomenop het sociaal minimum kan periodiek herhaald worden op basis van devoorgenomen vierjaarlijkse herijking van het pakket aan minimalelevensbehoeften van het Nibud.Verbetering en vereenvoudiging van het armoedebeleid en inkomensrege-lingen Participatiewet – landelijk en lokaalDe afgelopen tijd zijn er verschillende rapporten verschenen over hetsociaal minimum, het gemeentelijke armoedebeleid en het minimalebedrag dat mensen nodig hebben om van te kunnen leven. Zowel deCommissie sociaal minimum, het Nibud, de FNV als het Instituut voorPublieke Economie (IPE) hebben hier aandacht voor gevraagd. Het gaatom hoe hoog dit minimum moet zijn. Daarnaast onderstrepen derapporten het belang van vereenvoudiging, zowel op landelijk als lokaalniveau. Daarbij speelt ook de verhouding tussen regels van het Rijk enregels van gemeenten een rol.De rapporten laten ook zien dat het gemeentelijke armoedebeleidversnipperd is. Bovendien zijn er soms grote verschillen tussengemeenten. Het kabinet vindt dit niet wenselijk en heeft op dit terreinstappen aangekondigd, waaronder het streven om een aantal regelingente verminderen in overleg met gemeenten.We willen de landelijke regels eenvoudiger maken en zo het armoede-beleid verbeteren. Het kabinet heeft hierbij een stelselverantwoorde-lijkheid en werkt aan een vereenvoudiging van de inkomensonder-steuning. Uitgangspunt daarbij is dat het Rijk de inkomensbasis goedregelt, zodat mensen voor hun inkomen niet afhankelijk zijn van gemeen-telijke armoederegelingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 8497 Het kabinet wil daarnaast er samen met gemeenten voor zorgen dat hetbeleid om (kinder)armoede aan te pakken verbetert, mede in navolgingvan de Europese kindergarantie. We willen komen tot oplossingen die decomplexiteit en (ervaren) rechtsongelijkheid verminderen én die ruimtebieden voor gemeentelijke beleidsvrijheid en mogelijkheden totmaatwerk. SZW werkt hierin als stelselverantwoordelijke nauw samenmet de VNG en Divosa. De VNG en Divosa doen een nadere verkenningom te komen tot een eenvoudiger, eenduidiger en overzichtelijker en meerintegraal gemeentelijk (kinder-)armoedebeleid. De verkenning is naarverwachting in het najaar van 2025 afgerond en vormt de basis voor hetverdere gesprek. We willen dat gemeenten van elkaar leren over wat goedwerkt (effectief bewezen bestanddelen) en ook oog hebben voor de positievan werkenden. Het kabinet vindt het van belang om de groep werkendenmet een laag inkomen beter te bereiken en ondersteunen. In het NationaalProgramma Armoede en Schulden zijn daarom maatregelen aange-kondigd om het bereik te vergroten, onder meer via werkgevers en viaeen communicatiecampagne.Ook werkt het kabinet uit hoe het armoedebeleid en de inkomensrege-lingen in de Participatiewet landelijk beter georganiseerd kunnen worden.Zodat het geheel eenvoudiger, integraler, effectiever en eenduidiger wordten er minder rechtsongelijkheid wordt ervaren. Dit doet het kabinet inoverleg met de VNG en Divosa en mede op basis van de aanbevelingenvan de Commissie Sociaal Minimum en IPE. Hierbij zal ook oog zijn voorhet uitgangspunt dat werken moet lonen.Bij de uitwerking willen we kijken naar de relatie met de hoogte van hetsociaal minimum (welke regelingen zijn primair gericht op inkomenson-dersteuning en zijn ontstaan om te waarborgen dat iemand kanrondkomen). Deze regelingen komen potentieel in aanmerking voorlandelijke uitvoering of landelijke kaders. Verder streven we naar eeneenvoudig en overzichtelijk aanbod van voorzieningen, ook omniet-gebruik tegen te gaan. Daarbij is het van belang dat gemeentenruimte houden voor maatwerk om in te kunnen spelen op lokale enpersoonlijke omstandigheden.Afhankelijk van de uitkomsten van de verkenning en rekening houdendmet de aanvaarde Kamermoties over dit onderwerp bepalen wegezamenlijk de vervolgstappen. We zetten hierbij in op concreteproducten, zoals het vaststellen van een model-beleidskader voorgemeenten, waarbinnen gemeenten het armoedebeleid kunnenvormgeven. Indien dit onvoldoende resultaat sorteert, wordt in lijn met demotie De Kort/Inge van Dijk9 verkend hoe wetgeving vormgegeven zoukunnen worden.Met bovenstaande activiteiten geven we ook invulling aan de motie VanEijk (over een onderzoek naar aard en omvang van de gemeentelijkeminimaregelingen en het effect daarvan op de armoedeval en marginaledruk)10 en de motie Ceder (over inzetten op het versimpelen vangemeentelijke regelingen).11 Tevens wordt uitgewerkt of de inkomensre-gelingen in de Participatiewet kunnen worden vereenvoudigd zoals destudietoeslag, de individuele inkomenstoeslag, de gemeentepolis en debijzondere bijstand.Om het sociaal minimum te borgen, is het van belang dat voorzieningenbeter en eenvoudiger toegankelijk worden. Via het Nationaal ProgrammaArmoede en Schulden zetten we in op fysieke en digitale hulp voor9Kamerstukken II, 2024/45, 36 582, nr. 6310Kamerstukken II, 2024/25, 24 515, nr. 77311Kamerstukken II, 2024/25, 36 582, nr. 60Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 8498 mensen met geldvragen en geldzorgen. Door een breed aanbod, zowelfysiek als digitaal, kunnen mensen informatie en hulp vinden die past bijhun situatie en doenvermogen. Denk aan de Geldfit website en bellijn, aanvrijwilligers die mensen aan de keukentafel ondersteunen en aanlaagdrempelige inlooppunten waar mensen worden geholpen om tekijken waar zij recht op hebben, bijvoorbeeld via de Voorzieningenwijzerof de Potjescheck.Als mensen te maken hebben met problematische schulden, heeft datdirect effect op de bestaanszekerheid van mensen en kan dat leiden toteen lager besteedbaar inkomen. De inzet van het kabinet is dan ook omproblematische schulden te voorkomen. En als er schulden ontstaan,moeten drie dingen beter: een kleine vordering moet klein blijven,mensen met schulden moeten overzicht houden, en er moet snelle engoede schuldhulpverlening beschikbaar zijn. De nadere invulling van dezeinzet komt terug in het Nationaal Programma Armoede en Schulden.Sluitend vangnetZelfs als mensen gebruik maken van alle beschikbare regelingen, kan hetvoorkomen dat ze minder krijgen dan de bedoeling is. Een onbedoeldeuitkomst van wisselwerking tussen verschillende regelingen, zoalsbijvoorbeeld het geval was bij alleenverdienershuishoudens met eenToeslagenwetuitkering, kan daar de oorzaak van zijn. Op korte termijnonderzoeken we welke groepen uitkomen op een inkomen lager dan hetbesteedbaar inkomen op sociaal minimum en waardoor dit komt. Hetvinden en verhelpen van deze mazen in het stelsel doen we aan de handvan casuïstiek en signalen uit de praktijk. We hebben hierbij onder meeraandacht voor de Toeslagenwet, Aio, bijzondere bijstand, alleenverdiener-sproblematiek, energiearmoede en de beslagvrije voet. We streven ernaardat er geen situaties zijn waarin mensen een ontoereikend inkomenhebben doordat regelingen tegen elkaar inwerken.Proactieve dienstverleningProactieve dienstverlening draagt bij aan het tegengaan van hetniet-gebruik van uitkeringen en andere sociale voorzieningen, zodatmensen krijgen waarop ze recht hebben. Op korte termijn werken UWV,SVB en gemeenten samen in fysieke en digitale adviesloketten aan hetfaciliteren van (vooringevulde) aanvragen voor inkomensondersteuning.Op korte termijn is de inzet gegevensdeling mogelijk te maken voorproactieve dienstverlening bij regelingen met een hoog niet-gebruik, zoalsde Aio, Participatiewet en schuldhulpverlening. En er komen experi-menten met gegevensdeling voor betere (proactieve) dienstverlening ingemeenten die koploper willen zijn en bij UWV en de SVB, passendbinnen hun capaciteit.Op middellange termijn streven we ernaar de goede mogelijkheden voorgegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening te vergroten metandere publieke dienstverleners, zoals de Belastingdienst, DienstToeslagen, DUO en waterschappen. Op middellange termijn verkennenwe ook waar automatische toekenning mogelijk en wenselijk is, tebeginnen met gemeentelijke minimaregelingen, de Toeslagenwet en dekwijtschelding van de lokale belastingen. Specifiek voor de kwijtscheldingvan lokale belastingen voor mensen met een Wajong- of WIA-uitkering isaan lokale overheden gevraagd de eerder gecommuniceerde, tijdelijkeoplossing te continueren. Over een eventuele structurele oplossing vindtoverleg plaats tussen alle betrokken departementen (SZW, BZK, IenW enFIN) en de betrokken medeoverheden (VNG en Unie van Waterschappen).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 8499 Op lange termijn blijven we werken aan betere datakwaliteit en meerdatadeling. We verkennen welke stappen mogelijk zijn in de richting vanpersoonsgerichte proactieve dienstverlening en automatische toekenningals eindbeeld. Minder regelingen en minder voorwaarden in het stelseldragen daaraan bij. Essentieel is ook dat bij het (her)ontwerp vanregelingen gekeken wordt naar de benodigde gegevens en de beschik-baarheid daarvan. En dat aan mensen zo mogelijk slechts eenmaalgevraagd wordt om hun gegevens en die vervolgens hergebruikt wordenvoor meerdere processen als dat nodig is. De andere sporen van dezeHervormingsagenda moeten daar dan ook aan gaan bijdragen.Zekere en begrijpelijke regelingen als vangnet en bijwerkloosheid (spoor 2)In Nederland bestaat er een solide stelsel van sociale zekerheid, dat ondermeer bestaat uit werknemersverzekeringen, volksverzekeringen en socialevoorzieningen. Dit stelsel moet bestaanszekerheid bieden, ook wanneeriemand (tijdelijk) zonder werk zit. De basis van dit stelsel is een vangnetdat ervoor moet zorgen dat iedereen in de noodzakelijke bestaanskostenkan voorzien.Maar ook is het belangrijk om een zeker én begrijpelijk stelsel vaninkomensondersteuning in te richten, waarbij mensen erop kunnenvertrouwen dat het daadwerkelijk loont, wanneer zij (meer) gaan werken.Waar nodig bieden we passende ondersteuning om mensen uiteindelijkde stap naar werk te kunnen zetten. Hierbij streven we naar meereenduidigheid en een meer toegankelijke dienstverlening in de onder-steuning aan werkgevers, werkzoekenden en werkenden.Dit vangnet bestaat uit verschillende regelingen op het niveau van hetsociaal minimum, zoals de Participatiewet, de Toeslagenwet en deaanvullende inkomensvoorziening ouderen (Aio). Mensen kunnen hieralleen beroep op doen als zij niet zelf in hun inkomen kunnen voorzien enook geen beroep kunnen doen op andere inkomensregelingen zoals eenwerknemersverzekering of volksverzekering. Tegelijkertijd is er sprake vaneen hoog niet-gebruik van de Participatiewet en potentieel ook voor deToeslagenwet. Een deel van de mensen moet bovendien zowel beroepdoen op de Participatiewet, Toeslagenwet als een UWV-uitkering om rondTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84910 te komen.12 Daarnaast kennen we in Nederland een werkloosheidsverze-kering (WW) en een nabestaandenverzekering (Anw), waarna een deel vanbeide groepen uitstroomt in de Participatiewet. Ook hebben deze socialeuitkeringen, hoewel oorspronkelijk voortkomend uit eigen vormgeving(voorziening, werknemersverzekering en volksverzekering) met verge-lijkbare voorwaarden en vraagstukken te maken. In spoor 2 wordt daaromde basisvormgeving van deze landelijke sociale uitkeringen bezien: devangnet- en werkloosheidsregelingen op zichzelf en in samenhang.ParticipatiewetDe Participatiewet wordt in drie parallelle sporen herzien. Het eerste spoorbestaat uit het wetsvoorstel dat reeds door de Kamer is behandeld, hettweede beoogt de Participatiewet fundamenteel te herzien. Hierin staanvertrouwen, menselijke maat, vereenvoudiging en passende onder-steuning naar participatie en werk centraal. Op basis van een probleem-analyse13 werken we beleidsopties uit, om de Participatiewet te vereen-voudigen, om mensen zonder arbeidsvermogen beter te ondersteunen enom meer passende ondersteuning te bieden naar werk en participatie.Voor werkgevers willen we het eenvoudiger maken om mensen de stapnaar werk te laten zetten. We onderzoeken onder meer hoe werkgeverseerder betrokken kunnen worden bij de re-integratie en matching. Goededienstverlening aan werkgevers is cruciaal om mensen aan het werk tehelpen. Bij werkgevers is er een grote behoefte aan meer eenduidigheid inhet instrumentarium. Tegelijkertijd is de ruimte die gemeenten hebben omaan te sluiten bij wat mensen nodig hebben ook waardevol. Om tegemoette komen aan de behoefte aan duidelijkheid en rechtszekerheid, zijn erverschillende opties. Zo kan er in meer detail worden vastgelegd welkedienstverlening werkgevers van een gemeente kunnen verwachten en kaner harmonisering of uniformering worden aangebracht in de werkvoorzie-ningen. Het is ook van belang dat er goede voorzieningen zijn waarmeemensen goed in beeld komen bij werkgevers. Dat draagt bij aan eensnellere matching. Daarbij blijft de bijstand een vangnet voor hen die nietin de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen voorzien.Dat betekent dat de bijstand het noodzakelijke niet te boven gaat en dat(meer) werken loont. Uitgangspunt is ook dat we blijven inzetten op(arbeids)participatie voor wie dat mogelijk is. We hebben de Kameronlangs geïnformeerd over de verkenning naar beleidsopties voor dezefundamentele herziening in een separate brief. Het derde spoor van hetprogramma brengt de verandering al in de praktijk door de vakkundigheidin de uitvoering te versterken.Toeslagenwet (TW)De Toeslagenwet biedt aanvullende inkomensondersteuning als eenloondervingsuitkering (zoals WW of WIA) of een Wajonguitkering minderis dan het sociaal minimum. Hiermee wordt voor veel mensen eeninkomen ter hoogte van het sociaal minimum geborgd. Echter, deToeslagenwet is een moeilijke wet voor mensen om te begrijpen en voorUWV om uit te voeren. Er is sprake van een potentieel hoog niet-gebruikwaardoor mensen niet de aanvulling krijgen waar zij recht op hebben enzij potentieel onnodig onder het sociaal minimum leven.12Deze samenloop van uitkeringen is onderdeel geweest van de verkenning naar de vereenvou-diging van de Toeslagenwet. In de Voorjaarsnota zijn middelen vrijgemaakt om vereenvoudi-gingen in de Toeslagenwet door te voeren. De Kamer wordt in de loop van 2025 nadergeïnformeerd over het pakket aan maatregelen.13Kamerstukken II, 2024/25, 34 352, nr. 330Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84911 Er wordt gewerkt aan vereenvoudiging van de Toeslagenwet op middel-lange termijn. Het doel van mogelijke aanpassingen is verbetering van debegrijpelijkheid, uitvoerbaarheid en voorspelbaarheid van het inkomenvanuit de Toeslagenwet. Momenteel voert het kabinet een verkenning uitnaar mogelijke vereenvoudigingen van de Toeslagenwet. Hierbij kijken wenaar verschillende voorwaarden voor het recht op deze aanvullendetoeslag en de wijze van inkomstenverrekening. In de loop van 2025informeren wij de Kamer over de beleidsopties van deze verkenning.Algemene nabestaandenwet (Anw)De Anw biedt inkomensondersteuning aan nabestaanden. Nabestaandendie aan de voorwaarden voldoen met minderjarige kinderen hebben rechtop een Anw-uitkering totdat het jongste kind 18 is. Uit eerdere onder-zoeken is gebleken dat de zelfredzaamheid en (arbeids)participatie vandeze Anw-doelgroep over de jaren is toegenomen14. Op korte termijndoen wij onderzoek naar de inkomenspositie van Anw-ontvangers en naarhet niet-gebruik van de Anw. In 2027 wordt de Anw geëvalueerd, waarnade Kamer in 2028 wordt geïnformeerd over de mogelijke beleidsoptiesvoor de hervorming en vereenvoudiging.Werkloosheidswet (WW)De WW biedt een vangnet bij tijdelijk inkomensverlies vanwege onvrij-willige werkloosheid. Hoewel de wet voor de meerderheid van deuitkeringsgerechtigden doenlijk is en doet wat ze beoogt, ervaart een deelvan de WW-gerechtigden knelpunten15. Deze knelpunten gaan overinformatievoorziening en persoonlijke dienstverlening, maar ook over dewet- en regelgeving en uitvoeringsvraagstukken. Deze inzichten biedeneen goede basis om gericht verder te werken aan vereenvoudiging van deWW, zodat de wet zekerder en begrijpelijker wordt. De focus binnen deWW ligt eerst op de hervorming van de WW, voortkomend uit hetHoofdlijnenakkoord. Daarom heeft het kabinet de vereenvoudiging van deWW gedeprioriteerd. De Kamer kan in de loop van 2027 worden geïnfor-meerd over beleidsopties voor vereenvoudiging van de WW.In de tussentijd worden wel beleidsopties uitgewerkt voor separateknelpunten die voor WW-gerechtigden en UWV prioriteit hebben, zoalshet knelpunt calamiteitenverlof buitenland en het knelpunt beëindiging opeigen initiatief van de uitkering.Modernisering sociale zekerheid Caribisch NederlandVoor inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt een sociaalzekerheidsstelsel dat qua beschermingsniveau achterloopt op EuropeesNederland. De ambitie is om op termijn naar een gelijkwaardig stelsel toete groeien, conform het principe van comply or explain. Wij werken daarhard aan. Met de Wijzigingswet SZW-wetten BES 2024 wordt een eersteforse stap gezet. De komende jaren blijven we stappen zetten met onderandere de verdere ontwikkeling van het ICT-landschap en de verkenningnaar een WW-regeling en een inkomensafhankelijke kindregeling. Deopgave om het stelsel verder te moderniseren en completeren isaanzienlijk en kan niet anders dan gefaseerd worden gerealiseerd. Deuitdaging hierbij is lokaal maatwerk te bieden en eenvoudige en toeganke-lijke regelingen in te richten. Het halfjaarlijks wetgevingsoverzicht met demeest prioritaire wetgeving voor Caribisch Nederland geeft inzicht in devoor de korte en middellange termijn tot stand te brengen maatregelen.14Zie Kamerstukken II 2019/20, 30 982, nr. 55 en Kamerstukken II 2023/24, 30 982, nr. 6915Dit blijkt uit het onderzoeksrapport «Waar knelt de WW». Zie Bijlage bij Kamerstukken II,2023/24, 26 448, nr. 736Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84912 Vereenvoudiging gegevensdeling, begrippen en overgangsrecht(spoor 3)De sociale zekerheid heeft zich afgelopen decennia ontwikkeld tot een zeergericht en fijn vertakt stelsel. Er bestaan verschillende regelingen metvaak dezelfde begrippen die soms verschillende achterliggende beteke-nissen en voorwaarden kennen. Deze verschillen maken het recht engebruik voor mensen complex, vooral bij samenloop van regelingen. Ookkunnen door overgangsrecht van nog bestaande regelingen (die geennieuwe instroom meer kennen), meerdere regelingen naast elkaar bestaandie andere uitkomsten hebben voor mensen in eenzelfde situatie.De uitkomsten en beslissingen van de overheid zijn hierdoor soms lastigte volgen. Bovendien maakt het de uitvoering complex: in de regelingenwordt vaak niet aangesloten bij de bestaande definities in basisregis-traties, waardoor mensen zelf nog veel gegevens aan moeten leveren ende uitvoering regelmatig individueel handwerk moet doen. Ook gegevens-deling kan namelijk eenvoudiger, indien bij het (her)ontwerp vanregelingen beter aangesloten wordt bij de huidige informatiehuishoudingvan de overheid. Daarnaast vergt betere gegevensdeling, het moderni-seren van de grondslagen voor gegevensverwerking in de stelselwet-geving.Voor mensen en de uitvoering is het van belang om zoveel mogelijk(onderdelen) van regelingen te harmoniseren en standaardiseren. Daaromwordt er aan een voorstel voor eenvoudiger gegevensdeling gewerkt enworden mogelijkheden verkend tot vereenvoudiging van begrippen eneen andere omgang met het overgangsrecht. Als bovengenoemderandvoorwaarden in het stelsel eenduidiger worden, wordt het voormensen ook duidelijker wat de consequenties zijn als mensen (meer) gaanwerken. Een zeker en voorspelbaar inkomen zorgt ervoor dat de stap naar(meer) werk gemakkelijker kan worden gezet.Modernisering grondslagen gegevensverwerkingZoals ook aangegeven in de Voortgangsbrief over de Werkagenda SUWI16werken we aan een wetsvoorstel om de grondslagen voor het verwerken16Kamerstukken II 2024–2025 26 448, nr. 796Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84913 van gegevens specifieker te maken en een inzichtelijke en eenduidigeopbouw te geven. Daarmee bieden we meer duidelijkheid aan mensen enprofessionals welke organisaties in het domein van werk en inkomenpersoonsgegevens verwerken en waarom. Dit sluit ook aan bij de ambitiein het Regeerprogramma om mensen meer inzicht te geven in hoebesluiten tot stand komen en om wetgeving te vereenvoudigen. Bij hetmoderniseren van de grondslagen houden we rekening met dewendbaarheid van de dienstverlening. De ervaring leert dat het ontbrekenvan grondslagen voor gegevensverwerking soms een belemmering vormtvoor UWV, SVB en gemeenten om nieuwe vormen van publieke dienstver-lening voor mensen te ontwikkelen of snel te acteren op onvoorzienemaatschappelijke situaties. Om goed in te spelen op nieuwe beleids-wensen voor de praktijk is het wenselijk dat er sneller aanpassingen aande grondslagen kunnen worden gedaan. Daar moet de nieuwe opbouwaan bijdragen.Vereenvoudiging van de begrippen inkomen, vermogen en partnerHet kabinet verkent binnen het stelsel van inkomensondersteuning(sociale zekerheid, toeslagen en fiscaliteit) mogelijkheden tot vereenvou-diging van de begrippen inkomen, vermogen en partner via standaardi-satie en harmonisatie. Dit sluit aan bij de aanbeveling van de Parlemen-taire Enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening, om relevantebegrippen eenduidig te definiëren en te harmoniseren14. Het kabinet werktaan een voorstel voor een beperkt aantal definities. Het streven is dat dezedefinities in de toekomst zoveel mogelijk leidend worden voor nieuwewet- en regelgeving en aanpassingen aan bestaande wet- en regelgeving.In de eerste helft van 2026 wordt de Kamer nader geïnformeerd.Het idee is dat deze standaarddefinities worden gebruikt bij het makenvan nieuwe wet- en regelgeving. Standaarddefinities zouden ook moetenleiden tot een eenvoudigere toepassing in de uitvoering en makkelijkeregegevensdeling tussen bestuursorganen, zonder dat mensen telkensopnieuw gegevens zelf moeten aanleveren. Het vraagt ook om eennieuwe geïntegreerde werkwijze binnen de overheid. Voor duurzamevereenvoudiging is essentieel dat de nieuwe standaarddefinities ook in detoekomst gebruikt worden en dat in de loop van de tijd zo min mogelijkdomeingerelateerde aanpassingen worden gemaakt. Dit zal soms knellenmet specifieke beleidswensen voor verdere precisiering of uitzonderingen.Vereenvoudiging partnerbegrip AOWHet kabinet heeft in dit kader al vereenvoudiging en harmonisatie van hetpartnerbegrip in de AOW verkend. Het huidige begrip sluit niet goed meeraan bij de veranderde samenleving, kan onduidelijk en onvoorspelbaarzijn en door mensen als inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordenervaren. Met een verandering van het partnerbegrip conform deverkenning zou een nieuw AOW-partnerbegrip aansluiten op hetAwir-partnerbegrip voor de toeslagen. Op deze manier zou ook hetknelpunt duurzaam gescheiden leven kunnen worden opgelost. Belangrijkis om niet alleen te kijken naar vereenvoudiging van de wet, maar ooknaar de brede maatschappelijke effecten. We laten daarom eenmaatschappelijke kosten-baten analyse (MKBA) uitvoeren naar het effectvan het huidige en het eenvoudiger partnerbegrip op de domeinen wonenen zorg. Daarna kan een vereenvoudiging van het AOW-partnerbegrip terbesluitvorming aan de politiek worden voorgelegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84914 Vereenvoudiging kostendelersnormDe kostendelersnorm (onder andere in de Participatiewet, Aio, Anw enToeslagenwet) zorgt voor veel mensen voor complexiteit en onzekerheidover de hoogte van de uitkering(en). Ook wordt de kostendelersnormbinnen de sociale zekerheid op verschillende manieren toegepast.Nagegaan wordt of de kostendelersnorm kan worden vereenvoudigd. Hetkabinet verkent daarom de gevolgen van aanpassing of afschaffing enwelk effect dit heeft op woningdelen. De eerste uitkomsten van dezeverkenning zijn eind 2025 voorzien en het eindrapport begin 2026.OvergangsrechtHet kabinet verkent een andere omgang met overgangsrecht binnen desociale zekerheid, via begrenzing en normering. Door overgangsrechtbestaan meerdere uitkeringsregimes vaak langere tijd naast elkaar.Daardoor ontstaat een niet eenduidige situatie voor mensen encomplexiteit voor de uitvoering. Enerzijds zorgt overgangsrecht ervoor datdoor nieuwe wet- en regelgeving of door een wetswijziging, mensen hunrechten behouden. Anderzijds, zorgt overgangsrecht ervoor dat mensen ineen vergelijkbare levenssituatie, onder verschillende regelingen vallen.Langdurig overgangsrecht is daarnaast voor de dienstverleners niethoudbaar. Het doel is om – waar dat mogelijk is en zonder dat het te grotenadelen voor betrokkenen heeft – niet langer tientallen jaren twee (ofmeer) regimes in de lucht te houden.Er worden voorstellen uitgewerkt voor beperking van overgangsrecht inde tijd als gevolg van nieuwe regelingen (maximaal één of twee jaar). Ookis het voornemen voorstellen uit te werken voor het huidige lopendeovergangsrecht om te bezien waar inkorting mogelijk is, zodat regelingenminder lang naast elkaar lopen. De Stand van de uitvoering socialezekerheid juni 2024 bevat een overzicht van dergelijke regelingen, zoals deWAO, WAZ, Wajong (oWajong en Wajong2010), AWW en deAOW-partnertoeslag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84915 Een zekere en begrijpelijke regeling voor arbeidsongeschiktheid(spoor 4)Wanneer mensen langdurig ziek of arbeidsongeschikt raken is datbijzonder ingrijpend. Het is een gebeurtenis die iedereen kan overkomen,maar die bijna niemand alleen kan dragen. Daarom is het van grootbelang dat mensen weten dat zij in zo’n geval kunnen terugvallen opinkomensondersteuning. We hebben in Nederland een stelsel dat hierinvoorziet. Echter verschillen de regelingen voor verscheidene groepenmensen, bijvoorbeeld omdat iemand wel of geen werkgever heeft ofomdat iemand duurzaam arbeidsongeschikt is. Ook binnen regelingen zijner regels die maken dat de specifieke situatie waarin iemand zich op eenbepaald moment bevindt, veel impact kan hebben op waar iemandprecies recht op heeft. Dit alles maakt het geheel aan regelingen bij ziekteen arbeidsongeschiktheid complex en soms moeilijk uitlegbaar.Het is moeilijk voor mensen die ervan afhankelijk zijn, om de regels goedte doorgronden. Dit kan leiden tot onzekerheid, bijvoorbeeld over huninkomen in de toekomst. Dat kan ook participatie, waar dat nog welmogelijk is, in de weg staan. Daarnaast heeft de complexiteit negatieveimpact op de uitvoerbaarheid van de regelingen. Dit signaal geeft UWVals dienstverlener af en dit is ook zichtbaar in de ontstane achterstandenbij sociaal-medische beoordelingen en speelt ook mee bij de problemenmet de kwaliteit van de beoordelingen.Om deze redenen is de wens toe te werken naar een eindbeeld waarinmensen die langdurig ziek of arbeidsongeschiktheid zijn, in een goedpassende regeling terecht komen. Een regeling die hen inkomensonder-steuning biedt wanneer dat nodig is, begeleiding terug naar werk biedtwanneer dat kan en waarin (meer) gaan werken vanuit de uitkeringssi-tuatie loont. Daarbij wordt onderzocht waar de samenhang tussenbestaande regelingen versterkt kan worden. Daarnaast is het van belangde verschillen die er zijn, beter uitlegbaar te maken. Dat zou er uiteindelijkaan bij kunnen dragen dat de precieze omstandigheden waaronderiemand ziek wordt of arbeidsongeschikt raakt, minder gevolgen hebbenop de ondersteuning die iemand krijgt.In figuur 1 is inzichtelijk gemaakt met welke regelingen mensen op ditmoment te maken krijgen wanneer ze langdurig ziek of arbeidsongeschiktraken17. De hierboven beschreven ambitie raakt uiteindelijk dit geheel aanregelingen en wetten. Hieronder volgt een uiteenzetting van deproblemen die we met prioriteit oppakken en de bredere ambities die weop dit spoor hebben.17Nota bene: dit schema biedt een eerste overzicht van de meest voorkomende regelingen,maar mist nog bepaalde nuances en details.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84916 Figuur 1. Regelingen bij langdurige ziekte en arbeidsongeschiktheidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84917 Verbetering en vereenvoudiging van de Wet werk en inkomen naararbeidsvermogen (WIA)Werkenden in loondienst die tijdelijk of voor altijd arbeidsongeschikt zijn,kunnen na twee jaar ziekte aanspraak maken op de Wet werk en inkomennaar arbeidsvermogen (WIA). De WIA is een verzekering waar iedereendie in loondienst werkt aan deelneemt en waarvoor werkgeverspremiesafdragen. Het vorige kabinet heeft een onafhankelijke commissie (OCTAS)gevraagd oplossingsrichtingen voor te stellen voor een toekomstigarbeidsongeschiktheidsstelsel, waarin minder hardheden worden ervarenen dat beter uitvoerbaar is. In de Kamerbrief van januari 2025 heeft deMinister van SZW aangegeven hoe hij opvolging zou willen geven aan deadviezen van OCTAS. Bij het oplossen van de problemen in de WIA staathet verminderen van de complexiteit centraal. In de brief in januarischetste de Minister dat het terugbrengen van het aantal regelingen in deWIA een manier zou zijn om een vereenvoudigingsslag te maken. Tijdensde financiële besluitvorming in het voorjaar van 2025, zijn middelengereserveerd waarmee een beperkt aantal maatregelen kan wordengefinancierd, waarmee we een eerste stap zetten in het verlichten van dehuidige druk op de uitvoering. Dat gaat om het structureel invoeren vanpraktisch beoordelen en om het voorstel om het advies van de bedrijfsartsleidend te maken van de toets op de re-integratieinspanningen (RIV-toets).Ook met deze maatregelen zullen de achterstanden op sociaal-medischebeoordelingen fors gaan toenemen.In het IBO WIA wordt nader onderzocht welke verklaringen er zijn voor destijgende instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen en wordenaanbevelingen gedaan om de instroom in deze regelingen te verlagen.Voor de langere termijn werken we opties uit voor een meer funda-mentele herziening van de WIA. Er zitten ideeën in varianten 2 en 3 dieinteressant zijn om verder uit te werken. Het gaat dan om het idee van eenstelsel dat aanvankelijk gericht is op re-integratie en minder op de(medische) beoordeling, en het idee om regelingen voor verschillendegroepen werkenden in meer of mindere mate te harmoniseren. We zullenbij de uitwerking van lange termijn opties ook breder kijken dan de ideeënuit OCTAS. Aanvullend op de hier beschreven ambities is het belangrijkUWV goed te blijven ondersteunen en ervoor te zorgen dat nieuwebeleidskeuzes de druk op het UWV in elk geval niet vergroten.Herziening dagloonsystematiekHieraan gelieerd onderzoeken we samen met UWV welke vereenvoudi-gingen in de dagloonsystematiek mogelijk zijn. Dat betreft zowel de WIAals de Werkloosheidswet (WW), de Ziektewet (ZW) als de Wet arbeid enzorg (WAZO). Wijzigingen aan deze systematiek betreffen een langdurigtraject, waarbij oog moet zijn voor de effecten op de verschillendebetrokken partijen (uitkeringsgerechtigden, uitvoerder en (ex-)werkgever),begrijpelijkheid, financiële effecten en geldende juridische verplichtingenuit bijvoorbeeld internationale verdragen en jurisprudentie. Voor dedagloonvaststelling is essentieel dat we gebruik maken van gegevens dietijdig en volledig genoeg zijn om op basis daarvan beslissingen te nemen.Structureel geen arbeidsvermogen zonder arbeidsongeschiktheidsverze-keringOok in andere regelingen, zoals in de Participatiewet is er een groepmensen die niet kan werken door ziekte of handicap. Het kabinet werktaan een fundamentele herziening van de Participatiewet.Eén van de vraagstukken in deze herziening is hoe mensen die structureelgeen arbeidsvermogen hebben, beter kunnen worden ondersteund. In deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84918 Kamer wordt breed gedragen dat de Participatiewet niet passend is voormensen bij wie arbeidsvermogen structureel ontbreekt. De Staatssecre-taris van Participatie en Integratie heeft dan ook in lijn met de motiesCeder c.s.18 en Rikkers-Oosterkamp19 aan de Kamer toegezegd demogelijkheden te onderzoeken om de ondersteuning van deze mensenbuiten het regime van de bijstand te organiseren. Hierover heeft hij deKamer onlangs via een brief over de fundamentele herziening van deParticipatiewet geïnformeerd. Het is voor het kabinet van belang dat eenregeling niet te ruim is, niet te gemakkelijk leidt tot grote instroom,uitvoerbaar is in de praktijk, op een manier die recht doet aan de situatievan mensen. Waar mensen met een arbeidsbeperking met ondersteuningwel kunnen werken, willen we zo veel mogelijk stimuleren dat mensenmeedoen op de arbeidsmarkt door het bieden van meer en betereondersteuning. Afhankelijk van de keuzes die gemaakt moeten worden,zal het verbeteren van de Participatiewet gepaard gaan met aanzienlijkefinanciële effecten. Het is daarbij goed om te vermelden dat er op ditmoment geen middelen beschikbaar zijn. In een vervolg kan ook de relatietot het stelsel (waaronder de Wajong) worden bezien.Daarnaast werkt het kabinet aan het wetsvoorstel Wet BasisverzekeringArbeidsongeschiktheid Zelfstandigen, dat een verplichte arbeidsonge-schiktheidsverzekering voor zelfstandig ondernemers introduceert. Ditdraagt bij aan een gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigenen meer bescherming tegen inkomensterugval door arbeidsonge-schiktheid voor mensen die hiertegen nu niet (verplicht) zijn verzekerd.WajongMet de Wet vereenvoudiging Wajong zijn de inkomensregelingen in deWajong in het verleden vereenvoudigd. Er zijn nu twee regimes, waarbijvoor Wajongers die werken met loondispensatie geldt dat berekening vanhun uitkering afwijkt van het regime voor mensen met arbeidsvermogen.Uit de invoeringstoets blijkt dat mensen in de Wajong deze wijzigingenook als vereenvoudiging hebben ervaren. Met de periodieke evaluatieWajong wordt gelijktijdig de Wet vereenvoudiging Wajong geëvalueerd.Daarbij wordt ook gekeken naar de rekenregels in de Wajong. In het kaderharmonisatie van instrumenten voor de doelgroep banenafspraakverkennen we de mogelijkheden voor het vervangen van loondispensatiedoor het instrument loonkostensubsidie conform de Participatiewet. Hetvervangen van loondispensatie door loonkostensubsidie kan voor eenverdere vereenvoudiging van de verrekenregels zorgen in de Wajong.Algemene nabestaandenwet (Anw)Via de Anw wordt aan nabestaanden die arbeidsongeschikt zijn tot aan depensioenleeftijd een uitkering verstrekt, omdat deze mensen nietzelfstandig in hun inkomen kunnen voorzien. Hier zijn de voorwaardenweer net anders dan bijvoorbeeld in de WIA. De voorwaarden waaraanmoet worden voldaan verschillen voor de Anw en de andere uitkeringsre-gelingen. Zo kent de Anw een uitkering toe vanaf 45% arbeidsonge-schiktheid (in de WIA ligt deze grens op 35%) en is de Anw niet gericht opparticipatie.De samenhang tussen verschillende uitkeringsregelingen werken weverder uit naast de beleidsopties voor de Anw in spoor 2.18Kamerstukken II 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8619Kamerstukken II 2024–2025, 36 600 XV, nr. 69Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84919 Zekere en begrijpelijke financiële ondersteuning voor ouders(spoor 5)De financiële ondersteuning van ouders20 met minderjarige kinderen komtvoort uit de maatschappelijke wens om ouders in staat te stellen goedvoor hun kinderen te zorgen en dit beiden met arbeid te kunnen combi-neren. In de kern zijn er drie grote regelingen: de kinderbijslag, hetkindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag. De overheid onder-steunt ouders gedeeltelijk in de kosten die het hebben van kinderen metzich meebrengt, en levert een bijdrage aan het besteedbaar inkomen vanouders die er door het krijgen van kinderen financieel op achteruit kunnengaan. Indirect worden kinderen door deze ondersteuning van ouders instaat gesteld om gezond en veilig op te groeien.Voor de meeste ouders werken de regelingen goed. De kinderbijslag iseen eenvoudige en heldere regeling. Het aanvragen, verwerken vanwijzigingen en het contact met de SVB verlopen zonder grote problemen.De inkomensonafhankelijkheid van de kinderbijslag biedt veel zekerheid:ouders weten wat ze krijgen en kunnen ervan uitgaan dat ze niets hoeventerug te betalen. Ook het aanvragen en ontvangen van het kindgebondenbudget levert voor de meeste ouders geen problemen op. Ouders krijgenhet kindgebonden budget automatisch als zij al een andere toeslagontvangen. De inkomensafhankelijkheid van het kindgebonden budget ende daarmee samenhangende voorschotsystematiek heeft voordelen;ouders ontvangen inkomensondersteuning wanneer dat nodig is. Echtervoor een deel van de ouders is het kindgebonden budget en de kinderop-vangtoeslag ingewikkeld, met name wanneer zich grote veranderingen inhet leven voordoen.Voor het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag is het vanbelang dat ouders tijdig wijzigingen doorgeven. Als dat niet (tijdig) lukt,kunnen zij te veel toeslag ontvangen en moeten zij dit terugbetalen. Daarkomt voor de kinderopvangtoeslag bij dat deze niet alleen afhangt van hetinkomen maar ook van het tarief en aantal gebruikte uren kinderopvang.Ook dragen beide regelingen voor sommige ouders bij aan een hoge20Daar waar «ouders» staat, kan ook verzorgers worden gelezen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84920 marginale druk, waardoor werken minder loont. Dat wil zeggen dat meerwerken leidt tot een beperkte stijging van het inkomen naast onzekerheidover mogelijke terugvorderingen, omdat ouders (deels) het recht op dezetoeslagen verliezen en soms ook meer uren opvang moeten afnemen.Ook zijn er nog andere groepen ouders voor wie de kindregelingeningewikkeld kunnen zijn. Voor sommige ouders die gaan scheiden enbeiden voor de kinderen blijven zorgen, is niet altijd duidelijk hoe deuitbetaling van kinderbijslag en kindgebonden budget verloopt. Oudersmet kinderen die intensieve zorg krijgen of die hogere kosten maken omonderwijsredenen, hebben daarnaast mogelijk recht op een dubbelekinderbijslag. Het aanvraagproces voor dubbele kinderbijslag vanwegeintensieve zorg is complex en tijdrovend als er een inhoudelijke beoor-deling van die zorg moet plaatsvinden. Daarnaast kunnen ouders die dezedubbele kinderbijslag ontvangen onder bepaalde voorwaarden rechthebben op een extra bedrag aan kinderbijslag (AKW+). Ook deze regelingis echter complex, de afbakening van de doelgroep is moeilijk uitlegbaaren de voorschotsystematiek zorgt voor problemen.De internationale uitvoering van de kindregelingen is zeer complex.Grenswerkers en arbeidsmigranten kunnen naast de Nederlandsegezinstoeslagen ook aanspraak hebben op buitenlandse gezinstoeslagen.Dit leidt tot soms ingewikkelde situaties afhankelijk van welk landvoorgaat met uitbetaling. Ouders hebben daardoor naast de SVB enDienst Toeslagen, ook met een buitenlands orgaan te maken. In situatieswaarin zich wijzigingen voordoen in het land van voorrang, leidt dit totingewikkelde berekeningen en betalingen voor zowel de uitvoerders alsde ouders.De hierboven genoemde knelpunten gelden voor Europees Nederland.Voor Caribisch Nederland ligt er een opgave om de bestaanszekerheid tevergroten voor kinderen in gezinnen in Caribisch Nederland die dit hethardst nodig hebben.Een integrale benadering van de kindregelingenDe kinderbijslag en het kindgebonden budget, vormen samen hetfundament voor de bestaanszekerheid voor kinderen. Verschillendeandere regelingen voor gezinnen en kinderen dragen verder bij aan debestaanszekerheid van deze groep. Het kabinet heeft de ambitie omouders met minderjarige kinderen op een overzichtelijke manier financieelte ondersteunen. Zekerheid, voorspelbaarheid, begrijpelijkheid vanrechten en toegankelijkheid van dienstverlening staat daarin voorop. Ditzorgt ervoor dat mensen minder financiële stress ervaren en makkelijkerde stap naar (meer) werk kunnen zetten.Begin 2024 heeft het toenmalige kabinet de Kamer geïnformeerd over eenmogelijke structurele oplossing voor eerdergenoemde knelpunten door tekomen tot één vereenvoudigde regeling (kindgebonden budget enkinderbijslag) met één wettelijk kader21.De vormgeving van de financiële ondersteuning aan ouders hangt samenmet de vormgeving van het belasting- en toeslagenstelsel. Het kindge-bonden budget en de kinderopvangtoeslag zijn immers onderdeel van hettoeslagenstelsel waarvan de noodzaak tot een hervorming breed wordtgedragen. Voor de kinderopvangtoeslag wordt een geheel nieuw stelselgeïntroduceerd: directe, inkomensonafhankelijke financiering van dekinderopvangorganisaties. Eventuele hervorming van het kindgebondenbudget dient in samenhang te worden bezien met de vormgeving van het21Kamerstukken II, 2023–2024, 36 410 XV, nr. 65Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84921 belasting- en toeslagenstelsel. Het voorkomen van terugvorderingen, hetaanpakken van knelpunten in de internationale uitvoering en vereenvou-diging van de kinderbijslag inclusief het proces van de dubbele kinderbij-slagen, is iets waar we nu mee aan de slag kunnen gaan. Vanuit hetperspectief van ouders en toegankelijke dienstverlening kan wordenonderzocht of we op termijn de (financiële) ondersteuning van ouders enkinderen zoveel mogelijk op één centraal punt samen kunnen brengen, inbijvoorbeeld een «ouder-kindportaal». Met één centraal punt en eengoede en zorgvuldige gegevensuitwisseling kan de overheid een beterbeeld krijgen van kinderen die steun behoeven. Ook zou op deze wijzeoverzicht voor ouders en kinderen ontstaan, waarmee niet-gebruik vanregelingen en voorzieningen kan worden bestreden.Herziening financieringsstelsel kinderopvangVoor de kinderopvangtoeslag heeft het kabinet al richting bepaald. In 2029wordt een nieuwe financieringssystematiek ingevoerd die eenvoudiger enzekerder is voor ouders. In plaats van een inkomensafhankelijke toeslagkomt er voor werkende ouders een inkomensonafhankelijke vergoedingvoor kinderopvang die rechtstreeks naar kinderopvangorganisaties gaat.Dit betekent dat het inkomen niet meer bepaalt hoe hoog de tegemoet-koming is, waardoor (meer) werken voor minder onzekerheid zorgt. Alsgevolg van de vereenvoudigingen en het verschuiven van de geldstroomvan ouders naar kinderopvangorganisaties wordt er in de nieuwefinancieringssystematiek niet meer teruggevorderd bij ouders. Naarverwachting is het wetsvoorstel in 2026 afgerond. In 2029 gaat de nieuwefinanciering in.Inkomensondersteuning ouders Caribisch NederlandVoor Caribisch Nederland is onze ambitie om ouders gelijkwaardig aanouders in Europees Nederland financieel te ondersteunen. De vormgevingkan verschillen, maar verschillen moeten uitlegbaar zijn (comply orexplain). Zo kan de andere uitgangsituatie bij het huidige stelsel vaninkomensondersteuning in Caribisch Nederland zorgen tot andere keuzesin de vormgeving. Om deze ambitie waar te maken, is meer nodig danalleen vereenvoudiging. Zo werken we samen met de Openbare Lichamenen betrokken ministeries aan het financieel toegankelijk maken van dekinderopvang in Caribisch Nederland voor alle ouders. Kinderopvangor-ganisaties kunnen sinds juli 2020 via de tijdelijke subsidieregelingfinanciering kinderopvang BES subsidie ontvangen voor het uitvoeren vankinderopvang. Ouders betalen een beperkte inkomensonafhankelijkeeigen bijdrage, waardoor kinderopvang financieel toegankelijk wordt vooralle ouders, met name voor vrouwen en alleenstaande ouders. Met deaanstaande inwerkingtreding van de Wet Kinderopvang BES wordt dezefinanciering structureel gemaakt. Voor Caribisch Nederland ligt erdaarnaast een opgave om de bestaanszekerheid te vergroten voor oudersmet lage inkomens via een inkomensafhankelijke kindregeling. De opgaveis om die zo eenvoudig mogelijk vorm te geven. Het is van belang delokale context en mogelijkheden hierbij mee te wegen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84922 Een voorspelbaar inkomen, door het voorkomen en verminderenvan negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorde-ringen (spoor 6)Zoals eerder beschreven komt complexiteit voort uit het aantalregelingen, de vele voorwaarden in regelingen zelf en de samenhangertussen. Hierdoor worden fouten gemaakt en komen definitief vastge-stelde bedragen niet altijd overeen met eerder verstrekte voorschotten. Zoleidt het huidige stelsel tot veel terugvorderingen en nabetalingen. Datmensen niet weten of uitgekeerde bedragen wel kloppen, is slecht voorhet vertrouwen en kan een drempel vormen om (meer) te werken of eenuitkering aan te vragen. Dit is onwenselijk. Het streven is een voorspel-baarder stelsel waarbij mensen meer zekerheid hebben dat uitgekeerdebedragen kloppen, en de baten van meer werken duidelijk zijn. We willenterugvorderingen het liefst voorkomen. Evenwel blijven terugvorderingenbij een onrechtmatige verstrekking van overheidsgelden van belang voorhet maatschappelijk draagvlak voor de sociale zekerheid22. De zoektocht ishier naar balans tussen het maatschappelijk belang en het individueelbelang van de uitkeringsgerechtigde met aandacht voor de menselijkemaat.Herijking handhavingSpeerpunt bij een betrouwbare sociale zekerheid is een meer passendehandhaving waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden enmet de mogelijke impact op mensen. Vertrouwen is het uitgangspunt eneen vergissing moet dus niet direct leiden tot een boete. Het wetsvoorstelHandhaving sociale zekerheid biedt voldoende handhavingsinstrumentenen geeft de uitvoering meer ruimte om rekening te houden met depersoonlijke situatie van mensen. Zo krijgen UWV, SVB en gemeentenruimte om mensen niet automatisch te straffen bij een foutje tijdens deaanvraag of gedurende de looptijd van een regeling, waarmee hetvergisrecht een plek krijgt in het wettelijk stelsel van de sociale zekerheid.PreventieOm de noodzaak tot handhaving te voorkomen, werken we aan duidelijkerrechten en plichten. We onderzoeken veelvoorkomende fouten en doenvoorstellen voor aanpassing in wet- en regelgeving of dienstverlening.Om risico’s op fouten in te schatten wordt geleerd van ervaringen van22Motivaction (2023). Het burgerperspectief op de herijking van het handhavingsbeleid in desociale zekerheidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84923 mensen. Het continu meewegen van hun ervaringen moet leiden totbegrijpelijkere regels en dus minder fouten en terugvorderingen.Verminderen drempel arbeidsparticipatieMensen gaan er doorgaans op vooruit als ze vanuit een uitkeringssituatiegaan werken. Toch ervaren sommige mensen een drempel om (meer) tegaan werken vanuit een uitkering vanwege onzekerheid over de gevolgenvoor hun uitkering en toeslagen. Het beter benutten van bestaandegegevensbronnen binnen de overheid, zoals de polisadministratie kandeze onzekerheid temperen en mensen beter begeleiden naar werk.Binnen de sociale zekerheid worden hiertoe stappen gezet via hetwetsvoorstel Proactieve dienstverlening sociale zekerheid. De Staatssecre-taris van Financiën, Herstel en Toeslagen zet in dit kader in op het delenen beter benutten van informatie en proactieve dienstverlening. Zij werktaan een wetsvoorstel dat zij in 2026 wil indienen bij de Kamer23. Hetstreven is om ook gegevensuitwisseling tussen domeinen (socialezekerheid, fiscaliteit en toeslagen) te verbeteren met het uiteindelijke doeldat mensen eerder het juiste bedrag krijgen.Modernisering vorderingenbeleid en netto terugvorderenTerugvorderingen zijn niet geheel te voorkomen. Om negatieve effectentegen te gaan verkent het kabinet een modernisering van het vorderingen-beleid in de sociale zekerheid. In de tweede helft van 2025 informeren wede Kamer over de resultaten van het onderzoek naar de effecten van hetvorderingenbeleid en eventuele vervolgstappen. Onderdeel hiervan is ookde bruto-netto problematiek. Dit houdt in dat over bruto uitkeringenloonheffing wordt ingehouden door de uitkeringsinstantie en afgedragenaan de Belastingdienst; de uitkeringsgerechtigde ontvangt het nettobedrag. Het gebeurt zo’n 60.000 keer per jaar dat een uitkeringsinstantieeen bedrag terugvordert nadat het kalenderjaar is overschreden. Eenterugvordering is dan hoger dan wat iemand te veel op zijn rekening heeftgekregen. De uitkeringsgerechtigde kan meestal een bedrag ter hoogtevan deze loonheffing terugkrijgen via de aangifte inkomstenbelasting. Ditis echter lastig uit te leggen, kan leiden tot liquiditeitsproblemen en nietiedereen krijgt dit bedrag terug24. Het kabinet heeft tot 202931 miljoen euro per jaar vrijgemaakt voor een oplossing op de kortetermijn. Met dit geld worden terugvorderingen gematigd tot het bedragdat mensen te veel op hun rekening hebben ontvangen. De preciezeinvulling verschilt door de aard van regelingen per uitkeringsinstantie.Daarnaast verkent het kabinet een structurele oplossing.Verminderen keteneffecten bij nabetalingenOok nabetalingen kunnen leiden tot problemen, vooral als deze uiteerdere jaren voortkomen en relatief hoog zijn. Een nabetaling leidt toteen plotselinge verhoging van het inkomen die doorwerkt in allerleiinkomensafhankelijke regelingen. Mensen houden daardoor (veel) minderover dan waar zij recht op hadden gehad als de uitkering wel direct goedwas vastgesteld. Soms leidt het per saldo zelfs tot een negatief bedrag.Over het jaar 2023 zijn door UWV en SVB circa 16.000 nabetalingenuitgekeerd, die betrekking hadden op eerdere kalenderjaren en boven de1.000 euro bedroegen. Het kabinet heeft oplossingsrichtingen verkendmet als uitgangspunten het voorkomen van negatieve financiële gevolgen23Kamerstukken II, 2024–2025, 36 708, nr. 8.24Dit geldt bijvoorbeeld voor mensen die geen belastingaangifte (kunnen) doen, bijstandsge-rechtigden of voor mensen met een lager marginaal tarief in het jaar van terugbetalen dan hetjaar van ontvangen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84924 en het wegnemen van onzekerheid voor mensen. Dit zijn het uitzonderenvan de nabetaling op het toetsingsinkomen van inkomensafhankelijkeregelingen of het toepassen van eindheffing. De problematiek bijnabetalingen zien we ook in het kader van de VerbeteraanpakWIA-kwaliteit25. Deze verbeteraanpak betreft een eenmalige corrigeeractiedie aan nadere voorwaarden moet voldoen.Harmoniseren betaaldataTot slot is het wenselijk om mensen duidelijkheid te bieden over wanneerze hoeveel geld te besteden hebben. Het kabinet denkt hierbij aan éénvaste periode in de maand waarin alle inkomsten, inclusief inkomstenon-dersteuning binnenkomen en vervolgens alle vaste lasten wordenafgeschreven. Dit moet bijdragen aan een voorspelbaar besteedbaarinkomen en geeft mensen meer grip op hun uitgaven. Het kabinet werktmiddels een onderzoek een concreet voorstel uit, dat politiek gewogenkan worden. Dit onderzoek verwachten we begin 2026 aan de Kamer aante bieden.Betere toeleiding naar werk: via werk in inkomen voorzien(spoor 7)Werk is belangrijk voor mensen. Het leidt tot zingeving, waardigheid,onderlinge verbondenheid en inkomen. Daarom gaat onze inzet opinkomenszekerheid hand in hand met het doel om mensen naar dearbeidsmarkt te begeleiden. Veel mensen vinden uit zichzelf hun weg opde arbeidsmarkt en sommigen hebben onze ondersteuning nodig bij hetvinden van een duurzame plek op de arbeidsmarkt. Een baan waarbij hunkwaliteiten, eventueel met de benodigde ondersteuning, optimaal tot hun25Kamerstukken II 2024–2025, 26 448, nr. 812Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84925 recht komen. Wij werken aan een arbeidsmarkt met meer arbeidspartici-patie van mensen die langs de kant staan, of meer uren willen werken.We nemen drempels weg om te participeren. We brengen vraag enaanbod beter bij elkaar door dienstverlening op het gebied van werk enscholing via een Werkcentrum per regio aan te bieden. En daar waarvaardigheden niet aansluiten op wat de arbeidsmarkt vraagt, bieden wede mogelijkheid voor omscholing via Ontwikkelpaden. Om deelname aanscholing en leren op het werk te stimuleren, investeren we in onze levenlang ontwikkelen agenda in een sterke leercultuur. Daarnaast willen wemet verbeteringen in de banenafspraak, dat mensen met een arbeidsbe-perking de weg naar werk beter kunnen vinden.Een Werkcentrum in iedere arbeidsmarktregioHet kabinet neemt met de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuurmaatregelen om de dienstverlening toegankelijker te maken en samen-werking in de arbeidsmarktregio’s te versterken (Kamerbrief 29 april2024). In iedere arbeidsmarktregio komt één toegangspoort voorwerkzoekenden- en werkgeversdienstverlening: het Werkcentrum. Ookkomt er één Landelijk Beraad en in iedere arbeidsmarktregio eenRegionaal Beraad. Partijen maken afspraken in een Landelijke Meerjare-nagenda en per arbeidsmarktregio in een Regionale Meerjarenagenda.Welke sectoren hebben mensen nodig? Welke mensen zijn beschikbaar?Voor welke mensen is een match te maken na een ontwikkeltraject? Hetbelangrijkste doel van de meerjarenagenda is om mensen in eenkwetsbare positie te begeleiden naar (ander) werk. In het kader van deproactieve dienstverlening zal worden verkend of proactieve dienstver-lening ook betrekking kan hebben op werkenden die nog gebruik moetenmaken van een vorm van inkomensondersteuning.De samenwerking in de arbeidsmarktregio is een publiek-privatenetwerksamenwerking die zich richt op werkzoekenden, werknemers enwerkgevers. UWV en gemeenten helpen werkzoekenden in de toeleidingnaar werk. Voor de werknemers werken sociale partners aan een meerdekkend van-werk-naar-werk stelsel. Werkgevers zorgen voor banen enbieden mensen zo kansen. Verbetering van de dienstverlening aanwerkgevers is een belangrijk onderdeel van de hervorming en maaktwerkgevers wegwijs in de veelheid aan regelingen. Onderwijsinstellingenzorgen voor (arbeidsmarktgerichte) scholing om zo tot duurzame matcheste komen. Ook andere partijen als uitzendbureaus en sociaal ontwikkelbe-drijven spelen een belangrijke rol in de toeleiding naar werk.Om uitvoering te geven aan de diverse maatregelen ter versterking van dearbeidsmarktinfrastructuur, is wijziging van wet- en regelgeving nodig.Een voorgenomen wetswijziging van wet SUWI creëert grondslagen entaken waarmee de (regionale) publiek-private samenwerking wordtversterkt en belemmeringen voor passende dienstverlening wordenweggenomen. Het conceptwetsvoorstel zal naar verwachting begin 2026aan de Kamer worden toegezonden. Om de samenwerking in dedienstverlening een impuls te geven, komt er tot en met 2030 jaarlijksongeveer 50 miljoen euro beschikbaar voor versterking van dedienstverlening.Ontwikkelpaden: via scholing aan het werkOnderdeel van het instrumentarium van gemeenten en UWV omwerkzoekenden toe te leiden naar werk is scholing. Scholing is een middelom de mismatch tussen beschikbare en benodigde vaardigheden teoverbruggen. Naar schatting heeft de helft van de bijstandsgerechtigdenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84926 geen startkwalificatie en daarmee een structurele achterstand op dearbeidsmarkt. Vooral praktijkgerichte scholing biedt voor hen uitkomst.Het combineren van werken met leren, is een van de meest effectievere-integratie instrumenten.SZW en OCW werken in co-creatie met sectoren aan het ontwikkelen enimplementeren van sectorale Ontwikkelpaden. In een Ontwikkelpad staatbeschreven hoe een (beoogd) werknemer zich stapsgewijs met praktijkge-richte scholing kan ontwikkelen op verschillende functies, waaronderinstapbanen waaraan geen kwalificatievereisten zijn verbonden en diegeschikt zijn voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt om viascholing op in te stromen. Ontwikkelpaden worden gemaakt door socialepartners en worden door de Minister van SZW erkend op grond van deSLIM-regeling. De eerste Ontwikkelpaden zijn gemaakt voor de sectorenzorg en welzijn, kinderopvang, techniek, bouw en energie, en groen. Voordeze sectoren zijn ook nieuwe Ontwikkelpaden in de maak. Dat geldt ookvoor de sectoren onderwijs, ICT, luchtvaart, schoonmaak, retail, hospitalityen transport en logistiek.De Ontwikkelpaden worden in gebruik genomen door sectoren enwerkgevers zelf en tevens geïmplementeerd in de arbeidsmarktregio’s(onder meer als onderdeel van de meerjarenagenda’s). Tot en met 2027kan SLIM-scholingssubsidie worden verkregen voor bekostiging vanopleidingen uit de Ontwikkelpaden van maatschappelijk cruciale sectoren(kinderopvang, onderwijs, zorg, techniek, bouw en energie, ICT en groen)voor instroom van werkzoekenden en doorstroom of overstappen vanwerkenden. Hiervoor is ruim 73 miljoen euro beschikbaar.Momenteel wordt verkend hoe de inzet op scholing, en specifiekpraktijkgerichte scholing, door gemeenten en UWV beter verankerd kanworden in wet- en regelgeving. En daar waar mogelijk geharmoniseerdkan worden om de gezamenlijke inzet op scholing in de arbeidsmarktregiote vergemakkelijken en te verstevigen. Zo wordt in het kader van spoor 2van Participatiewet in balans, dat ziet op een fundamentele herziening vande wet, hiertoe een beleidsoptie uitgewerkt. Voor jongeren krijgt eenverstevigde inzet op scholing, reeds een plek in de nieuwe wet- enregelgeving van school naar duurzaam werk, waarmee ook de Participa-tiewet wordt gewijzigd. Voor hen gaan terugkeer naar het initieelonderwijs en praktijkgerichte scholing (leerwerktraject genaamd) bij hetontbreken van een startkwalificatie voor op toeleiding naar werk.Tevens worden nadere regels gesteld over wat wordt verstaan onderpraktijkgerichte scholing om de civiele waarde ervan, de bijdrage aan deinzetbaarheid op de arbeidsmarkt en de mogelijkheden voor verdereontwikkeling, te waarborgen. Dat betreft OCW-erkend onderwijs en doorbranches gewaardeerde opleidingen uit sectorale Ontwikkelpaden. Totslot verkent het Ministerie van SZW samen met het Ministerie van OCW ofsectorale Ontwikkelpaden kansen bieden voor werkzoekenden enkwetsbare werkenden om basisvaardigheden te leren tijdens het werk ofals onderdeel van een voorschakeltraject in aanloop naar werk.Versterking sociale infrastructuurVoor mensen die niet of niet direct kunnen werken bij een regulierewerkgever, zijn er sociaal ontwikkelbedrijven. Deze bedrijven maken werkmogelijk voor mensen voor wie dit niet vanzelfsprekend is. Als opstapnaar werk, als een plek waar je in een beschutte omgeving kunt werken enals een plek waarop je kunt terugvallen als het even niet lukt bij eenreguliere werkgever. Het kabinet wil ervoor zorgen dat sociaal ontwikkel-bedrijven ook in de toekomst banen kunnen blijven bieden aan mensenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84927 voor wie werk niet vanzelfsprekend is. Daarom neemt het kabinet diversemaatregelen om de infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven teversterken. Vanaf 2025 is er een impulsbudget beschikbaar dat start meteen budget van € 35 miljoen en afloopt naar € 19,8 miljoen in 2034. Ditbudget is bedoeld om gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven financieelte ondersteunen bij de noodzakelijke transitie en transformatie van desociale infrastructuur. In totaal is er € 289,7 miljoen beschikbaar alsimpulsbudget. Ook komt er een structurele basisfinanciering voor debedrijfskosten van sociaal ontwikkelbedrijven. Deze basisfinancieringbedraagt € 19,8 miljoen in 2025 en loopt op naar € 35,9 in de structurelesituatie vanaf 2035. Verder is een ondersteuningsprogramma voorbereiddat in 2025 van start gaat. Dit programma bestaat uit handreikingen, eenondersteuningsteam en een lerend netwerk.Verbeteringen banenafspraakJuist voor mensen met een arbeidsbeperking is aan het werk gaan enblijven nog niet altijd vanzelfsprekend. En ook voor werkgevers ligt hetlang niet altijd voor de hand om mensen met een arbeidsbeperking indienst te hebben. Dat moet veranderen. We moeten als maatschappijblijven kijken naar wat mensen wél kunnen.We streven naar een nieuwe banenafspraak voor mensen met eenarbeidsbeperking, waarin de ondersteuningsbehoefte leidend is. In debrief van 19 juni 2025 gaat de Staatssecretaris van Participatie enIntegratie uitgebreid in op de langetermijnvisie op de banenafspraak. Insamenspraak met sociale partners, (vertegenwoordigers van) ervarings-deskundigen, gemeenten en UWV zijn we tot een aantal uitganspuntengekomen. In de langetermijnvisie zijn in ieder geval nog drie funda-mentele keuzes te maken: 1) de afbakening van de doelgroep, 2) deprecieze doelstelling en 3) de wijze waarop werkgevers gemotiveerdworden. Het verder uitwerken van het langetermijnperspectief gebeurt insamenspraak met mensen om wie het gaat, sociale partners, gemeenten,Cedris en UWV. De komende maanden zetten we verdere stappen om eenaantal concrete varianten verder uit te werken. De Kamer wordt begin2026 verder geïnformeerd over de verschillende uitgewerkte opties.De ontwikkeling van een langetermijnvisie betekent niet dat we stoppenmet het verbeteren van de huidige banenafspraak. Afgelopen periode zijner verschillende stappen gezet om de doelgroep te verbreden. Het gaatom een beperkte verbreding, waarbij groepen mensen worden toege-voegd die dezelfde kenmerken en ondersteuningsbehoefte hebben alsmensen die al tot de doelgroep banenafspraak behoren. Per 1 januari 2026worden de volgende groepen toegevoegd aan het doelgroepregister:•Mensen met een Wajong-uitkering die duurzaam geen arbeidsvermo-gen hebben en die werken bij een reguliere werkgever;•Mensen met een IVA-uitkering die werken met loondispensatieDaarnaast wordt gewerkt aan een wetsvoorstel waarmee mensen in deWIA en de WW die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon (WML)kunnen verdienen, opgenomen kunnen worden in het doelgroepregisterbanenafspraak. Ook is de bedoeling met datzelfde wetsvoorstel loonkos-tensubsidie beschikbaar te maken in de WIA en de WW, zodat UWV ditinstrument ook in kan zetten. De intentie is om de conceptwetgeving inhet najaar te bespreken met sociale partners en belangenvertegenwoor-digers. Tot slot zijn we met UWV in gesprek over een uitvoerbareoplossing voor (het schrappen van) de leeftijdsgrens die nu nog wordtgehanteerd voor de groep mensen die alleen dankzij een voorziening, hetWML kan verdienen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84928 Hervormingsagenda vraagt om keuzes van kabinet en KamerZoals aangegeven in de inleiding van deze brief zal deze Hervormingsa-genda met politieke keuzes gepaard gaan, die veelal aan volgendekabinetten zijn. Hervorming en vereenvoudiging is niet gratis, omdatvereenvoudiging in veel gevallen zal betekenen dat regelingen mindergericht worden. Afhankelijk van de uitwerking gaan daar inkomensef-fecten of budgettaire effecten mee gepaard, die van financiële dekkingzullen moeten worden voorzien. Maar het levert ook iets op. Een stelselwat meer zekerheid een voorspelbaarheid biedt, geeft mensen ook gripterug op hun leven. En het maakt de stap naar werk en meer uren werkeenvoudiger. Voor het draagvlak voor en de houdbaarheid van onzesociale zekerheid is daarbij essentieel dat werken voldoende loont. Ditblijft daarom een belangrijk uitgangspunt in de hervormingsagenda.In de concrete uitwerking van beleidsopties voor verschillende wetten zalde haalbaarheid en uitvoerbaarheid worden getoetst en zullen de keuzeszorgvuldig in kaart gebracht worden en aan de Kamer wordenvoorgelegd. Daaruit zal duidelijk worden dat er mogelijkheden zijn, maarvoor hervorming ook keuzes dienen te worden gemaakt. Met het jaarlijkseproces van de Hervormingsagenda richting budgettaire besluitvormingworden deze keuzes gefaciliteerd. De Hervormingsagenda is eenwerkagenda voor de sociale zekerheid met ambitie, waarvan concreteuitwerking op de sporen stapsgewijs komt en vervolgens politiekgewogen moet worden, inclusief de budgettaire randvoorwaarden. Metde organisatie van een jaarlijks proces streven wij naar realisatie vanvoorstellen die bijdragen aan een betere bestaanszekerheid voor mensenen een houdbare uitvoering van de sociale zekerheid.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van HijumDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.N.J. NobelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84929 Adviezen programma VIM (2023-2025)Het programma VIM is in juli 2023 gestart voor de duur van twee jaar metals doel domein overstijgend de inkomensondersteuning voor mensen tevereenvoudigen. VIM heeft gewerkt aan oplossingen voor knelpuntenwaarvan de oorzaak ligt in de doorwerking van verschillende domeinen enregelingen op elkaar (toeslagen, fiscaliteit, inkomen uit werk, socialezekerheid, eigen bijdragen voor de zorg):•Keteneffecten door nabetalingen door een overheidsinstantie•Bruto terugvorderingen van netto uitbetaalde uitkeringen•Drempel arbeidsparticipatie: terugvorderingen van inkomensonder-steuning, zoals toeslagen, als men halverwege het kalenderjaar meerof vanuit de uitkering gaat werken•Doorwerking draagkrachtverhogende uitkeringen•Besteedbaar inkomen bij meerkosten in verband met een beperking•VrijwilligersvergoedingDaarnaast werkte het programma aan voorstellen voor harmonisering vande begrippen inkomen, vermogen en partner over de verschillenderegelingen en domeinen heen. De ambtelijke adviezen van hetprogramma worden meegenomen in de Hervormingsagenda inkomens-ondersteuning. Deze adviezen worden overgedragen om verder uit tewerken en integraal te wegen tijdens de geijkte besluitvormingsmo-menten.Keteneffecten door nabetalingen door een overheidsinstantieHet komt geregeld voor dat mensen een nabetaling ontvangen van een(overheids)organisatie, bijvoorbeeld door een correctie van de uitkering ofeen toekenning met terugwerkende kracht (door een beslissing na eenberoepsprocedure). Nabetalingen kunnen tot lastige en soms problema-tische situaties leiden. Door een nabetaling ontstaat immers een plotse-linge verhoging van het inkomen. Deze verhoging werkt vervolgens (voorlangere tijd) door in allerlei inkomensondersteunende regelingen(zogenoemde «keteneffecten»). Door de keteneffecten kunnen situatiesontstaan waarin mensen (veel) minder overhouden van de nabetaling danwaar zij recht op hadden gehad als de uitkering wel direct goed wasvastgesteld, waarbij opgemerkt dat in die periode mensen mogelijk meertoeslagen hebben ontvangen, waardoor dit financiële effect kleiner wordt.Soms komt het zelfs voor dat het bedrag van de keteneffecten groter isdan het bedrag van de nabetaling zelf. Daarnaast duurt het vaak langvoordat alle keteneffecten in beeld komen, waardoor mensen lang inonzekerheid zitten en het inzetten van dempingroutes (zoals schadever-goeding) lang kunnen duren. Het programma VIM heeft een structureleoplossing verkend die financiële gevolgen en de onzekerheid bij eennabetaling voor mensen wegneemt. Daartoe is een aantal optiesonderzocht, waaronder het toepassen van de eindheffing met forfaitaireberekening op de nabetaling en het uitzonderen van de nabetaling op hetinkomensbegrip.De implementatie van een structurele oplossing kost tijd vanwegewetgevingstrajecten en het aanpassen van systemen. Dit vergt nadereuitwerking. Het verdient aanbeveling om zo snel mogelijk met deoplossing te starten waarbij rekening moet worden gehouden met deuitvoerbaarheid, inpasbaarheid en de aanpassing van de wetgeving.Na dit implementatietraject is het streven om in 2028 met deze maatregelte starten. In de tussenliggende periode is het belangrijk om wel alvastverbeteringen aan te brengen in de keten, want mensen ervaren nuketeneffecten door nabetalingen. Het is van belang om bekendheid teBijlage I:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84930 geven aan de bestaande dempingroutes. Zo is er een handreikingopgesteld over dempingsroutes voor uitvoeringsorganisaties en sociaalraadslieden. Een handreiking zorgt op de korte termijn voor meer inzichtin wat nu al mogelijk is om keteneffecten te verminderen dan wel weg tenemen.Het bovenstaande traject heeft raakvlakken met de VerbeteraanpakWIA-kwaliteit26, maar staat er ook los van. De Verbeteraanpak van UWV isnamelijk een eenmalige correctieoperatie die op korte termijn ingezetdient te worden. De oplossing van het programma VIM ziet op destructurele oplossing bij keteneffecten van nabetalingen door alleuitkerende instanties.Bruto terugvorderingen van netto uitbetaalde uitkeringenAls mensen te veel uitkering hebben ontvangen, dienen zij dit terug tebetalen. Terugvorderingen kunnen een grote impact hebben op mensen.Bijkomend probleem hierbij is dat uitkeringen netto, na afdracht vanloonheffing, worden uitgekeerd, maar als de jaargrens wordt gepasseerdbruto, inclusief loonheffing, worden teruggevorderd. Zo is een terugvor-dering dus hoger dan wat iemand in eerste instantie te veel op zijnrekening heeft gekregen. Dit is voor mensen lastig te begrijpen en kanleiden tot liquiditeitsproblemen. De meeste mensen krijgen een bedrag terhoogte van dit verschil terug door terugbetalingen op te geven alsnegatief inkomen bij de belastingaangifte. Het komt soms echter voor datmensen minder terugkrijgen. Dit geldt bijvoorbeeld voor mensen die geenbelastingaangifte (kunnen) doen of voor mensen met een lager marginaaltarief in het jaar van terugbetalen dan het jaar van ontvangen.Het feit dat bruto wordt teruggevorderd wordt al jaren gezien als knelpunt:het is in de knelpuntenbrief UWV benoemd en er is een motie aange-nomen om dit probleem op te lossen27. Eerder uitgewerkte oplossings-richtingen bleken om uiteenlopende redenen niet uitvoerbaar ofuitlegbaar. Dit kabinet heeft eerder 31 miljoen euro per jaar vrijgemaakttot 2029. Door tot 2029 31 miljoen euro vrij te maken, wil dit kabinetinzetten op een korte termijn oplossing. Hiermee kunnen terugvorde-ringen worden gematigd tot het bedrag dat mensen te veel op hunrekening hebben ontvangen. Per uitkeringsinstantie wordt dit verschillendingevuld vanwege de verschillende aard van regelingen en uitvoering.Geadviseerd wordt om een structurele oplossing te verkennen.Drempel arbeidsparticipatie: terugvorderingen van inkomensonder-steuning, zoals toeslagen, als men halverwege het kalenderjaar meer ofvanuit de uitkering gaat werkenMensen gaan er doorgaans op vooruit als ze vanuit een uitkeringssituatiegaan werken. Toch ervaren sommige mensen een drempel om (meer) tegaan werken vanuit een (bijstands-)uitkering omdat ze onzeker zijn overde gevolgen van (meer) gaan werken voor hun uitkering en toeslagen. Zezijn dan bang voor hoge terugvorderingen of om hun toeslagen teverliezen. Deze onzekerheid komt vaak omdat mensen de doorwerkingniet doorzien, maar ook omdat de overheid achteraf het definitieve rechtop inkomensondersteuning kan vaststellen. Belangrijke complicerendefactoren zijn het ontbreken van actuele en van kwalitatief goede gegevens,uniforme begrippen en de beperkte gegevensuitwisseling tussenuitvoerders.26Kamerstukken II 2024–2025, 26 448, nr. 81227UWV (2022). Knelpuntenbrief 2022, Kamerstukken II 2021/22, 35 925 XV, nr. 91Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84931 Publieke dienstverleners zoals lokale overheden, het UWV en DienstToeslagen proberen deze onzekerheid al weg te nemen door mensen zogoed mogelijk te informeren over de gevolgen van een inkomenswij-ziging. Om dit nog beter te kunnen doen, hebben de uitvoeringsorgani-saties een betere gegevenspositie nodig, met als doel om meer in deactualiteit te kunnen werken. Ook ontbreken sommige inkomensge-gevens, bijvoorbeeld van ondernemers en zelfstandigen. Het kabinet heeftdaarom in het Regeerprogramma de ambitie uitgesproken om te werkenaan een verbeterde inkomensregistratie. Daarnaast is het hiervoor nodigdat de gegevensuitwisseling tussen uitvoerders, en vooral tussendomeinen (sociale zekerheid en toeslagen), wordt verbeterd. Het gaat omgegevensuitwisseling waar dat nu al mag en kan. Maar ook het realiserenvan juridische grondslagen, zodat uitwisseling tussen regelingen endomeinen mogelijk is.28In de komende periode wordt voor de toeslagen onderzocht of (meer)uitgegaan kan worden van een situatie waarbij sprake is van «hebben ishouden» en mensen niet meer te maken hebben met terugvorderingen.Zo heeft de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen, aangegeven meerdefinitieve toekenning in de actualiteit te willen onderzoeken29. Ongeachtvolgende stappen zijn dekkende, betrouwbare gegevens en een goedegegevenspositie van de uitvoering noodzakelijk om mensen zoveelmogelijk juiste en tijdige ondersteuning te bieden en daarmee drempelsvoor arbeidsparticipatie als gevolg van onzekerheden aan te pakken.Doorwerking van de verhoging van arbeidsongeschiktheidsuitkering bijhulpbehoevendheid (draagkrachtverhogende uitkering)De arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA, Wajong, WAZ, WAO) kanvanwege blijvende hulpbehoevendheid (compensatie in de kostenvanwege persoonlijke verzorging en/of oppassing) worden verhoogd naar85% of 100% van de grondslag. Deze verhoging wordt meegerekend bijhet verzamelinkomen en is belast. Daarnaast werkt deze verhoging doorin toeslagen en het recht op (landelijke en lokale) voorzieningen en eigenbijdragen. Hierdoor blijft er voor een deel van de mensen netto weinig totniets over, afhankelijk van hun marginale druk. De verhoging draagtdaarom beperkt bij aan de hoge kosten die mensen maken vanwegeblijvende hulpbehoevendheid. De doorwerking op andere regelingenzorgt tevens voor grote verschillen tussen de verhoging van de uitkeringbinnen deze doelgroep. Dit is vanuit het perspectief van mensen moeilijkuitlegbaar, omdat het een vergoeding voor de kosten is en de kosten nietafhankelijk zijn van het voormalige inkomensniveau.Er is een beleidsoptie verkend om de vergoeding inkomensonafhankelijkte maken. Mensen die aan de voorwaarden voldoen, ontvangen dan naastde arbeidsongeschiktheidsuitkering een vaste (forfaitaire) kostenver-goeding. Een forfaitaire kostenvergoeding past beter bij het doel van deregeling, namelijk dat mensen tegemoet worden gekomen in de kosten.Een forfaitair bedrag is een tegemoetkoming in noodzakelijke kosten,maar kwalificeert vanwege het forfaitaire karakter in principe als belastinkomen. Omdat in feite sprake is van een kostenvergoeding, kanoverwogen worden om dit forfaitaire bedrag vrij te stellen van inkomen,waardoor het niet meer doorwerkt op inkomensafhankelijke regelingen enbelastingen.28Een voorbeeld hiervan is het Wetsvoorstel proactieve dienstverlening sociale zekerheid. Ditwetsvoorstel is in februari 2025 aangeboden aan de Raad van State voor consultatie.29Kamerstukken II, 2024–2025, 36 708, nr. 8.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84932 Besteedbaar inkomen bij meerkosten in verband met een beperkingMensen met een chronische ziekte en/of een beperking krijgen te makenmet meerkosten als gevolg van hun ziekte of beperking. Ook kan de ziekteof beperking de mogelijkheden tot betaald werk verslechteren.Meerkosten in combinatie met een lager inkomen kunnen financiëleproblemen veroorzaken, ondanks de inkomensondersteunende regelingenwaar mensen met een chronische ziekte en/of beperking gebruik vankunnen maken. Het Nibud gaat hier in haar onderzoek meerkosten van hetleven met een beperking op in.Ervaringsdeskundigen en belangenorganisaties benoemen drieproblemen met daarbij een sterke roep om het stelsel te vereenvoudigenen hun inkomenspositie te verbeteren. Dit zijn:1.Onoverzichtelijkheid. Mensen hebben geen overzicht van de regelin-gen waar ze recht op hebben.2.Hoge administratieve lasten. Het kost veel tijd en moeite om eenbeperkt bedrag aan te vragen.3.Ontoereikendheid. Het Nibud constateert dat chronisch zieken engehandicapten in bepaalde situaties maandelijks geld tekort komen.Het gebrek aan overzicht op waar de doelgroep recht op heeft leidt, incombinatie met de hoge administratielast per regeling, tot hogecomplexiteit en een hoog niet-gebruik. Dit niet-gebruik vergroot deontoereikendheid van de tegemoetkoming.De veelheid aan regelingen en het controleren van de bewijslast zondermedische kennis leiden bovendien tot hoge uitvoeringslasten. Doorafbakeningsproblematiek en een ontoereikende gegevenspositie is hetzeer beperkt mogelijk regelingen te richten op specifiek de doelgroepmensen met een chronische ziekte en/of een beperking. Regelingen zijndaardoor soms ongericht en worden onjuist gebruikt.Er is dus voldoende aanleiding om te verkennen of het mogelijk is hetstelsel van inkomensondersteunende regelingen voor mensen met eenchronische ziekte en/of beperking te vereenvoudigen. Mede naaraanleiding van de analyse van het programma VIM wordt als eerste stapeen «foto» gemaakt van alle vergoedingen en eigen bijdragen voormeerkosten. Deze foto is nodig om tot zicht op de complexiteit enuiteindelijke vereenvoudiging te komen. Het onderzoek en de vervolg-stappen maken ook onderdeel uit van de werkagenda van het VN-verdragHandicap.VrijwilligersvergoedingDe vrijwilligersregeling biedt de mogelijkheid om de kosten die eenvrijwilliger maakt (forfaitair) onbelast te vergoeden zonder dat daarvoorbetalingsbewijzen moeten worden overlegd. Tot € 2.100 per jaar en € 210per maand wordt verondersteld dat de vrijwilligersvergoeding gemaaktekosten dekt. Bij een hoger bedrag moet de vrijwilliger alle gemaakteonkosten kunnen aantonen.Een knelpunt betreft de situatie dat een vrijwilliger een hogere vergoedingheeft ontvangen dan het maximale forfaitaire bedrag, zonder dat kanworden aangetoond dat de vergoeding gemaakte kosten betreft. Danwordt het gehele bedrag als belastbaar inkomen gezien. Dat is in lijn methet uitgangspunt dat over een beloning die wordt ontvangen voor hetverrichten van arbeid in principe loon-/inkomstenbelasting verschuldigdis. Voor werkenden telt in die situatie de gehele vrijwilligersvergoedingmee voor de inkomstenbelasting en het vaststellen van het recht op en dehoogte van toeslagen. Bij bijstandsgerechtigden wordt het bedrag bovenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84933 het forfait verrekend met de bijstandsuitkering. Voor de bijstandsgerech-tigde geldt wel dat de gehele vrijwilligersvergoeding meetelt voor deinkomstenbelasting en het vaststellen van het recht op en de hoogte vantoeslagen. Bij werknemersverzekeringen wordt de gehele vrijwilligersver-goeding verrekend met de uitkering. Het kan voorkomen dat eenvrijwilliger weinig tot niets overhoudt van de vergoeding en kan hierdoorals gevolg van terugvorderingen zelfs in financiële problemen komen. LCRheeft de knelpunten bij de vrijwilligersvergoeding geagendeerd in deknelpuntenbrief 2023.De problematiek is geanalyseerd en er zijn gesprekken gevoerd metLCR/Iederin, de Ministeries van Financiën, VWS en SZW en de publiekedienstverleners UWV en SVB om de hardheden en mogelijke oplossingenin kaart te brengen. De gezichtspunten van stakeholders zijn verzameld engewogen. Het is aan het volgende kabinet om hier keuzes in te maken.Harmonisatie en standaardisatie van begrippenEr is een maatschappelijke wens dat een deel van de inkomensonder-steuning regelingen in Nederlandse afhankelijk is van het inkomen,vermogen en/of het partnerschap (huishouden) van mensen. Dit vanuit dewens dat inkomensondersteuning alleen gaat naar de mensen die hetnodig hebben. Meer dan 20 inkomensondersteunende maatregelen zijnafhankelijk van het inkomen van mensen, 8 regelingen van het vermogenen meer dan 15 regelingen kennen een partnerbegrip. Een groot deel vande complexiteit van het stelsel komt voort uit de manier waarop weinkomen, vermogen en partnerschap proberen vast te stellen. Het isingewikkeld om dat goed en tijdig te doen. Bovendien zien we dat dit inverschillende wetten op verschillende manieren gebeurt. Dit kan zorgenvoor verwarring, onduidelijkheid en uiteindelijk terugvorderingen,nabetalingen en (onbedoelde) overtredingen van de inlichtingenplicht.De mogelijkheden voor het harmoniseren en verbeteren van de begrippenvermogen, inkomen en partner worden verder uitgewerkt. Dit gebeurt inde vorm van het toewerken naar een standaard menukaart/begrippenlijstwaarin definities worden vastgelegd, geordend naar het beleidsdoel, diein de toekomst gebruikt kunnen worden voor nieuwe wetgeving en vooraanpassingen aan bestaande wetgeving. Dit sluit aan bij de aanbevelingvan de Parlementaire enquêtecommissie fraudebeleid en dienstverlening,om relevante begrippen in de sociale zekerheid eenduidig te definiëren enharmoniseren. Hierdoor ontstaat een beter uitlegbaar, doenlijk enuitvoerbaar stelsel.Het idee is dat deze standaard definities – net zoals een set concept-beleidsregels – gebruikt zouden kunnen worden bij het maken van wet- enregelgeving. Ook zouden er dan concept-handreikingen gebruikt kunnenworden voor de vertaling naar systemen in de uitvoering (om te zorgenvoor gelijke beoordeling). Dit zou ertoe moeten leiden dat de begrippen zoeenvoudig mogelijk kunnen worden toegepast.Deze uniformering zou het ook makkelijker kunnen maken om te regelendat bestuursorganen gegevens kunnen delen, zonder dat mensen telkensopnieuw gegevens zelf moeten aanleveren. Het draagt bij aan vereenvou-diging als er bijvoorbeeld straks één manier is om partnerschap vast testellen, deze manier wordt gebruikt bij alle inkomensondersteunenderegelingen waarbij een partnerschap relevant is, alle uitvoerders ditbegrip op dezelfde manier vaststellen, en dit bijna geheel op basis vanreeds beschikbare gegevens doen. En mensen zelf zo goed als nietshoeven aan te leveren. Deze manier zou tevens de nieuwe standaardkunnen worden voor eventuele nieuwe inkomensondersteunendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84934 maatregelen. Bijkomend voordeel is dat hierdoor vooraf bekend is of dezeonderdelen van de regeling goed uitvoerbaar zullen zijn.Geadviseerd wordt om bij het harmoniseren van begrippen behalvebeleidskeuzes om tot geharmoniseerde begrippen te komen, ook te kijkennaar een nieuwe geïntegreerde werkwijze binnen de overheid. Voorduurzame vereenvoudiging is het essentieel dat de nieuwe standaarddefi-nities ook in de toekomst gebruikt worden en dat in de loop van de tijd zomin mogelijk domeingerelateerde aanpassingen worden gemaakt. Hierbijgeldt dat de opbrengsten (een beter uitvoerbaar en doenlijker stelsel inzijn geheel) soms zullen knellen met specifieke beleidswensen voorverdere precisiering of uitzonderingen.Stand van zakenEr zijn per begrip uitgebreide wetsvergelijkingen en beleidsanalysesuitgevoerd. Op basis hiervan worden er eerste voorstellen voor eennieuwe «menukaart» met standaardbegrippen uitgewerkt. Dit betreft teneerste voorstellen voor inhoudelijke keuzes voor definities, ten tweedeworden er voorstellen gedaan voor het verbeteren van de gegevenspo-sitie en gegevensdeling, om definities goed en tijdig vast te kunnenstellen. De mogelijke inhoudelijke richtingen worden in 2025 ambtelijkverder uitgewerkt waarbij de gevolgen van voorstellen in kaart wordengebracht voor de doelgroep, financieel, uitvoeringstechnisch en waarmogelijk ten aanzien van de maatschappelijke impact. Daarnaast wordenmogelijkheden voor verbeterde gegevens verder onderzocht. Debeleidsmatige uitwerking, de verkenning naar de gevolgen en de concretevoorstellen voor gegevensverzameling en deling zullen in de eerste helftvan 2026 met de Kamer worden gedeeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 84935
Bron, video en gesprek →118debatten
3.188bijdragen
319interrupties
357.925woorden in uitspraken
Geboren in 1972 te Delft · Woonplaats: Laag Zuthem
Commissies
Geen huidige commissielidmaatschappen beschikbaar in de Kamerdata.
Eerdere commissies (39)
- Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten · 2 okt 2025 – 11 nov 2025
- Vaste commissie voor Financiën · 4 sep 2025 – 11 nov 2025
- Vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport · 4 sep 2025 – 11 nov 2025
- Vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur · 4 sep 2025 – 11 nov 2025
- Contactgroep Duitsland · 21 mrt 2024 – 1 jul 2024
- Presidium · 17 jan 2024 – 1 jul 2024
- Commissie voor de Rijksuitgaven · 12 dec 2023 – 1 jul 2024
- Vaste commissie voor Justitie en Veiligheid · 12 dec 2023 – 1 jul 2024
- Vaste commissie voor Binnenlandse Zaken · 12 dec 2023 – 1 jul 2024
- Vaste commissie voor Financiën · 12 dec 2023 – 1 jul 2024
- Vaste commissie voor Europese Zaken · 12 dec 2023 – 1 jul 2024
- Vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit · 12 dec 2023 – 1 jul 2024
- Tijdelijke commissie evaluatie Wet Parlementaire Enquête · 1 apr 2014 – 11 nov 2014
- Vaste commissie voor Veiligheid en Justitie · 6 jun 2013 – 11 nov 2014
- Vaste commissie voor Buitenlandse Zaken · 20 nov 2012 – 11 nov 2014
- Presidium · 14 nov 2012 – 11 nov 2014
- Contactgroep Duitsland · 23 okt 2012 – 19 nov 2013
- Vaste commissie voor Europese Zaken · 27 sep 2012 – 11 nov 2014
- Vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid · 25 sep 2012 – 11 nov 2014
- Vaste commissie voor Europese Zaken · 25 sep 2012 – 26 sep 2012
- Vaste commissie voor Financiën · 25 sep 2012 – 11 nov 2014
- Presidium · 11 nov 2010 – 25 sep 2012
- Vaste commissie voor Financiën · 9 nov 2010 – 24 sep 2012
- Vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu · 9 nov 2010 – 11 jan 2011
- Vaste commissie voor Koninkrijksrelaties · 28 okt 2010 – 8 nov 2010
- Vaste commissie voor Economische Zaken · 29 jun 2010 – 1 okt 2010
- Vaste commissie voor Financiën · 29 jun 2010 – 8 nov 2010
- Vaste commissie voor Buitenlandse Zaken · 28 mrt 2007 – 28 mrt 2007
- Vaste commissie voor Financiën · 28 mrt 2007 – 28 jun 2010
- Vaste commissie voor Defensie · 28 mrt 2007 – 28 mrt 2007
- Commissie voor de Werkwijze · 12 dec 2006 – 3 mrt 2008
- Vaste commissie voor Defensie · 12 dec 2006 – 27 mrt 2007
- Vaste commissie voor Economische Zaken · 12 dec 2006 – 27 mrt 2007
- Vaste commissie voor Buitenlandse Zaken · 12 dec 2006 – 27 mrt 2007
- Vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit · 12 dec 2006 – 27 mrt 2007
- Vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport · 12 dec 2006 – 27 mrt 2007
- Vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid · 13 okt 2005 – 24 sep 2012
- Benelux Interparlementaire Assemblee · 24 feb 2005 – 23 mei 2007
- Vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap · 2 sep 2003 – 11 nov 2014
Contact
Contactgegevens worden alleen getoond voor zittende Kamerleden.
Loopbaan
- Lid Europees Comité van de Regio’s ·
- Onafhankelijk voorzitter, Maatschappelijke Raad Schiphol (Hoofddorp) ·
- Medewerker onderzoek, Universiteit Twente ·
- Tweede Kamerlid (Den Haag) ·
- Gedeputeerde provincie Overijssel ·
- Adviseur binnenlands bestuur ·
- Consultant Infram BV ·
- Lid Raad van Commissarissen, RENDO-Groep (Meppel) ·
Opleiding
- Atheneum, Bogerman College (Sneek) ·
- Civieltechnische bestuurskunde, Universiteit Twente ·
Nevenfuncties
- Lid van het Comité van aanbeveling jubileum Landelijke Vereniging tot Behoud van het Historisch Bedrijfsvaartuig (LVBHB)
Geschenken en reizen
- Deelgenomen aan het Wilddiner georganiseerd door Provincie Overijssel. De waarde is onbekend. · 7 feb 2024
- Ontvangen van de Reformatorische Maatschappelijke Unie het boek “Biblica, atlas van de Bijbel” ter waarde van € 49,99. · 7 dec 2010
- Ontvangen boekenbonnen (4 keer per jaar, €20,-- per keer) van de ROI Leergang Beleidskunde · 1 jul 2010
- Ontvangen van de provinciebesturen Overijssel en Gelderland een fles Gelderse wijn (waarde onbekend) en het boek "Geen dag zonder gedichten" ter waarde van €19,95. · 29 jun 2010
- Ontvangen van VNO-NCW Ijsseldelta tijdesn een bijeenkomst in Zwolle een stropdas en een fles wijn. Waarde is onbekend. · 22 mrt 2010
- Ontvangen boekenbonnen (circa 4 keer per jaar, €25,-- per keer) voor een bijdrage aan de leergang Beleidskunde van het ROI voor jonge ambtenaren. · 23 jun 2009
- Ontvangen van de gemeente Zwolle een uitnodiging voor een ballonvaart tijdens het Countus Ballonspektakel Zwolle 2009. Geschatte waarde ongeveer €130,--. · 18 jun 2009
- Ontvangen boekenbonnen (circa 4 keer per jaar, €25,-- per keer) voor een bijdrage aan de leergang Beleidskunde van het ROI voor jonge ambtenaren. · 7 nov 2008
- Ontvangen cadeaubonnen ter waarde van €55,-- voor deelname aan de VNG gemeentedagen, onderdeel werk en inkomen. · 5 nov 2008
- Ontvangen voor het houden van een dinerlezing van de NSOB boekenbonnen ter waarde van €60,-- en een diner (waarde onbekend) · 3 sep 2007
- Brussel, België: Plenaire COSAC-Conferentie · betaald door Tweede Kamer der Staten-Generaal · 24 mrt 2024 – 26 mrt 2024
- Parijs, Frankrijk: Uitnodiging van de Franse Ambassade. · betaald door Franse ambassade. · 12 okt 2008 – 17 okt 2008
- Kopenhagen, Denemarken: Werkbezoek commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid. · betaald door Tweede Kamer der Staten-Generaal. · 3 sep 2008 – 3 sep 2008
- Australië: Werkbezoek commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid. · betaald door Tweede Kamer der Staten-Generaal. · 5 mei 2006 – 13 mei 2006
Stemgedrag
Bij een hoofdelijke stemming staat de eigen stem. Anders staat de stem van de fractie waarvan dit Kamerlid op de besluitdatum lid was; dat is geen persoonlijke stem.
Geen stemmingen beschikbaar in de Kamerdata.
Partijen door de tijd: Nieuw Sociaal Contract (2025-09-02–2025-09-02) · Nieuw Sociaal Contract (2025-09-02–2025-11-11) · Nieuw Sociaal Contract (2023-12-06–2024-07-01) · CDA (2003-09-02–2014-11-11) ·