KamerkringInloggen
Christine Teunissen

Officieel Kamerprofiel

Christine Teunissen

PvdD →
0debatten
1.280bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: PvdD (2026-06-05–heden) · PvdD (2023-10-26–2026-06-04) · PvdD (2023-09-26–2023-10-25) · PvdD (2023-02-02–2023-09-25) · PvdD (2022-10-13–2023-02-01) · PvdD (2021-03-31–2022-10-12) · PvdD (2018-10-11–2019-01-30) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
3 feb 2026 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 748Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001om werkelijke inkomsten uit bezittingen enschulden in box 3 te belasten (Wet werkelijkrendement box 3)Nr. 30 AMENDEMENT VAN DE LEDEN STULTIENS EN TEUNISSENOntvangen 3 februari 2026 De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:IIn artikel I, onderdeel J, onder 1, vervalt «, 5.15» en wordt «5.19»vervangen door «5.7a».IIIn artikel I, onderdeel R, vervalt in het voorgestelde artikel 5.3,onderdeel b, «onroerende zaken of».IIIIn artikel I, onderdeel R, wordt het voorgestelde artikel 5.6 als volgtgewijzigd:1. In het derde lid vervallen de dubbele punt en onderdeel a. Voortsvervalt, onder verplaatsing van de tekst van onderdeel b naar het slot vande aanhef, de aanduiding «b.» voor onderdeel b.2. Er worden vijf leden toegevoegd, luidende:4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt bij een onroe-rende zaak de vastgoedbijtelling, bedoeld in artikel 5.7a, in aanmerkinggenomen in plaats van de reguliere voordelen, tenzij:a. de onroerende zaak is verhuurd of verpacht gedurende de gehele ofnagenoeg gehele periode in het kalenderjaar waarin de onroerende zaaktot de bezittingen behoort en niet in aanbouw is; ofb. het bedrag van de reguliere voordelen ter zake van de onroerendezaak in het kalenderjaar hoger is dan het bedrag van de vastgoedbijtelling.5. Onder onroerende zaken worden mede begrepen zakelijke rechten diedirect of indirect op onroerende zaken betrekking hebben. kst-36748-30ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 301 6. Een onroerende zaak waarop een genotsrecht is gevestigd wordt voorde toepassing van het vierde lid gelijkgesteld met een onroerende zaakdie is verhuurd, indien het genotsrecht tot gevolg heeft dat de onroerendezaak gedurende de looptijd van het genotsrecht niet door de belasting-plichtige kan worden gebruikt.7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen onroerende zaken diefeitelijk niet geschikt zijn om in gebruik te nemen worden gelijkgesteldmet onroerende zaken in aanbouw.8. Onder reguliere voordelen die worden getrokken uit onroerendezaken worden niet verstaan voordelen die worden verkregen met het doorde belastingplichtige, zijn partner of personen die tot hun huishoudenbehoren voor persoonlijke doeleinden gebruiken van onroerende zaken.IVIn artikel I, onderdeel R, worden na het voorgestelde artikel 5.7, eerstelid, onderdeel a, twee onderdelen ingevoegd, luidende:aa. huur;ab. pacht;.VIn artikel I, onderdeel R, worden na het voorgestelde artikel 5.7 tweeartikelen ingevoegd, luidende:Artikel 5.7a. Vastgoedbijtelling 1. De vastgoedbijtelling wordt gesteld op 3,35% van de waarde van deonroerende zaak.2. Indien een onroerende zaak een gedeelte van het kalenderjaar tot debezittingen behoort of een gedeelte van het kalenderjaar in aanbouw is,wordt de vastgoedbijtelling gesteld op 3,35% van de waarde van dieonroerende zaak, gedeeld door het totale aantal dagen in het kalenderjaaren vermenigvuldigd met het aantal dagen in het kalenderjaar dat deonroerende zaak tot de bezittingen behoort en niet in aanbouw is. Indieneen onroerende zaak het gehele kalenderjaar in aanbouw is, wordt devastgoedbijtelling gesteld op nihil.Artikel 5.7b. Waardering voor vastgoedbijtelling 1. De waarde, bedoeld in artikel 5.7a, van een onroerende zaak, nietzijnde een woning, is de waarde in het economische verkeer aan het beginvan het kalenderjaar.2. De waarde, bedoeld in artikel 5.7a, van een woning wordt gesteld opde volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voordie woning vastgestelde waarde voor het kalenderjaar. Indien de woningdeel uitmaakt van een onroerende zaak die op grond van artikel 16 van deWet waardering onroerende zaken voor de toepassing van die wet als éénobject wordt aangemerkt, wordt de waarde van de woning voor detoepassing van de eerste zin gesteld op het gedeelte van de waarde vanhet object dat kan worden toegerekend aan die woning.3. Indien met betrekking tot een woning het tweede lid geen toepassingkan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van deWet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, wordt de waardevan de woning bepaald met overeenkomstige toepassing van hetbepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en 20, tweede lid,van die wet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 302 VIIn artikel I, onderdeel R, vervalt in het voorgestelde opschrift vanparagraaf 5.3.2 «met onroerende zaken of».VIIIn artikel I, onderdeel R, vervalt het voorgestelde artikel 5.15.VIIIIn artikel I, onderdeel R, wordt het voorgestelde artikel 5.18, eerste lid,als volgt gewijzigd:1. In de aanhef vervalt «uit een onroerende zaak of».2. De onderdelen a en b vervallen.IXIn artikel I, onderdeel R, vervallen de voorgestelde artikelen 5.19 en 5.20.XIn artikel I, onderdeel R, wordt het voorgestelde artikel 5.24 als volgtgewijzigd:1. In het eerste lid vervalt «een onroerende zaak of een deel daarvanof». Voorts vervalt telkens «van die onroerende zaak, van dat deeldaarvan,».2. In het tweede lid vervalt «van die onroerende zaak, van dat deeldaarvan,».XIIn artikel I, onderdeel R, vervalt het voorgestelde artikel 5.25.XIIIn artikel I, onderdeel R, vervalt het voorgestelde artikel 5.31.XIIIIn artikel I, onderdeel R, wordt het voorgestelde artikel 5.37 als volgtgewijzigd:1. In het eerste lid vervallen «onroerende zaken of» en «onroerendezaken,».2. In het tweede lid vervallen «de in het buitenland gelegen onroerendezaken of» en «onroerende zaken,».XIVIn artikel I, onderdeel R, vervalt in het voorgestelde artikel 5.38, eerstelid, «, 5.15».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 303 XVIn artikel I, onderdeel HH, wordt het voorgestelde artikel 10a.31 als volgtgewijzigd:1. In het opschrift vervalt «onroerende zaken en».2. In het eerste lid vervalt «onroerende zaken als bedoeld in artikel 5.15en voor».3. De aanduiding «1.» voor het eerste lid vervalt.4. Het tweede lid vervalt.XVIIn artikel IV, onderdeel B, onder 1, wordt het voorgestelde tweeëntwin-tigste lid als volgt gewijzigd:1. In onderdeel a wordt «aandelen, winstbewijzen, onroerende zaken ofrechten waaraan deze onroerende zaken zijn onderworpen» vervangendoor «aandelen of winstbewijzen» en vervalt «5.15, eerste lid, onderdeelb,». Voorts vervalt «5.31,».2. In onderdeel d vervalt «ingeval voordelen die worden getrokken uitonroerende zaken of rechten waaraan deze onroerende zaken zijnonderworpen die aan het uitstel ten grondslag liggen,».3. De aanduiding «d.» voor onderdeel d vervalt.XVIIArtikel IV, onderdeel C, wordt als volgt gewijzigd:1. Het in onderdeel 2 voorgestelde negende lid wordt als volgtgewijzigd:a. In de aanhef vervalt «onroerende zaken, rechten waaraan dezeonroerende zaken zijn onderworpen,».b. Onderdeel a vervalt.c. In onderdeel c wordt «aandelen, winstbewijzen, onroerende zaken ofrechten waaraan deze onroerende zaken zijn onderworpen» vervangendoor «aandelen of winstbewijzen».2. In het in onderdeel 2 voorgestelde tiende lid wordt «aandelen,winstbewijzen, onroerende zaken of rechten waaraan deze onroerendezaken zijn onderworpen» vervangen door «aandelen of winstbewijzen».XVIIIIn artikel VII, onderdeel 3, wordt «10a.31, eerste en tweede lid,»vervangen door «10a.31».Toelichting Dit amendement schrapt de uitzonderingspositie voor vastgoed in deWet werkelijk rendement box 3. Het voorliggende wetsvoorstel gaat uitvan een hoofdregel, namelijk het belasten van werkelijk rendement opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 304 basis van vermogensaanwas, waarop twee uitzonderingen wordengemaakt, voor vastgoed en voor aandelen in startups. Voor dezeuitzonderingen geldt een vermogenswinstbelasting.In de Tweede Kamer is uitvoerig gedebatteerd over de voor- en nadelenvan een vermogensaanwas en een vermogenswinstbelasting. Deindieners zijn van mening dat voor beide varianten veel te zeggen valt; zoheeft een vermogenswinstbelasting als voordeel dat het verrekenen vanverliezen veel minder nodig is dan bij een vermogensaanwasbelasting.Een vermogensaanwasbelasting is echter beter uitvoerbaar voor zowel deBelastingdienst als de belastingplichtige, en biedt minder mogelijkhedentot belastinguitstel en uiteindelijk -afstel.Het belangrijkste nadeel van een vermogenswinstbelasting is wat deindieners betreft echter de gigantische eenmalige derving. Omdat dehuidige box 3-heffing de facto al een vermogensaanwasbelasting is (opbasis van een forfaitair rendement), betekent de overstap van het huidigebox 3-stelsel naar de heffing op werkelijk rendement dat een deel van debelastingheffing uitgesteld wordt. Dat komt doordat voor vastgoed enaandelen in startups voortaan een vermogenswinstbelasting geldt: waarde waardestijging van deze vermogensbestanddelen in het oude stelseljaarlijks zou worden belast, wordt in het voorliggende voorstel debelastingheffing uitgesteld tot sprake is van realisatie, zoals verkoop.Tijdens de parlementaire behandeling is gebleken dat door dit uitstelsprake is van een eenmalige derving die in de komende 30 jaar cumulatiefzo’n € 42 miljard euro bedraagt. Dat is meer dan het volledige Klimaat-fonds, en twee keer het beoogde nieuwe stikstoffonds. Van dit bedrag kande Lelylijn ongeveer drie keer gebouwd worden.Over een langere periode gaat het om nog meer geld, omdat devoorgestelde vermogenswinstbelasting langer dan 30 jaar nodig heeft omin te groeien. Deze derving wordt niet in de toekomst ingelopen, omdathet vermogenswinstregime ervoor zorgt dat ook toekomstige belastingin-komsten worden uitgesteld; er is gedurende de hele periode dat devermogenswinstbelasting wordt geheven in plaats van een vermogens-aanwasbelasting sprake van belastinguitstel. In theorie gaat dat oneindigdoor, waardoor de derving nooit meer ingelopen wordt en de schatkistvele tientallen miljarden misloopt.Tegelijkertijd is gebleken dat de uitzonderingspositie van vastgoed nietnoodzakelijk is. De regering geeft immers aan dat «een groot deel vandeze belastingplichtigen aan de betalingsverplichting kunnen voldoendoordat het inkomen uit box 1 of box 2 toereikend is, of omdat zijspaargeld hebben of ander vermogen dat zonder kosten liquide gemaaktkan worden». Daarnaast geeft de regering aan dat er verschillendemogelijkheden zijn voor betalingsregelingen, waardoor in de praktijk deproblemen die zouden ontstaan door illiquiditeit zeer beperkt zullen zijn.De indieners zijn daarom van mening dat het onverantwoord is om, opbasis van vermeende illiquiditeit waarvoor geen directe aanwijzingenbestaan, over te gaan tot het zodanig uitstellen van belastingheffing dateen derving van vele tientallen miljarden ontstaat. Met name particulierevastgoedbeleggers profiteren van deze wijziging, terwijl de staat mindergeld beschikbaar heeft voor de grote uitdagingen van deze tijd.De indieners stellen om deze reden voor de uitzondering voor vastgoedte laten vervallen, en in plaats daarvan de hoofdregel ook op vastgoed toete passen. Daardoor wordt de jaarlijkse waardestijging van vastgoed ookTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 305 jaarlijks belast via het vermogensaanwasregime. Voor aandelen instartups blijft de voorgestelde uitzondering behouden.BudgettairDit amendement levert in de eerste negen jaar incidenteel ongeveer€ 23,4 miljard op. Dat bedrag loopt op naar € 42 miljard in de eerstedertig jaar, en verder in de jaren daarna. Op de zeer lange termijn is destructurele opbrengst nihil, omdat dan alle onroerende zaken minimaaléén keer van eigenaar zijn gewisseld. In de tabel hieronder is weerge-geven om welk bedrag het per jaar gaat in de eerste negen jaar.202820292030203120322033203420352036strucVAB voorvastgoed3.5383.2252.9252.7212.5062.3352.1762.0651.925533 De indieners stellen voor de opbrengst van dit amendement te bestedenaan de grote uitdagingen waar Nederland voor staat. Te denken valt aansubstantiële investeringen in woningbouw, infrastructuur en deenergietransitie.StultiensTeunissenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 306

Bron, video en gesprek →