Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 602Wijziging van enkele belastingwetten en enigeandere wetten (Belastingplan 2025)Nr. 26 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 15 oktober 2024 InhoudsopgaveI.ALGEMEEN21.Inleiding22.Pakket Belastingplan 202523.Inkomensbeleid64.Aangrijpingspunt toptarief verlagen en indexatie275.Terugdraaien verhoging box 2-tarief286.Aftrekbaarheid kosten en lasten die verband houden meteen tot het ondernemingsvermogen behorendeniet-zelfstandige werkruimte357.Vereenvoudiging van de voertuigclassificaties in deautobelastingen368.Voorkomen dubbeltellingen bij excessief lenen bijsamenwerkingsverbanden389.Beperken fiscale regelingen rond giften4010.Vrijstelling in box 3 voor bepaalde vermogensrechten inverband met het herstel van aardbevingsschade inGroningen en Noord-Drenthe4811.Reparatie heffingslek zeevarenden en anticiperen opintroductie thuiswerkdrempel5212.Gerichte vrijstelling voor OV-abonnementen5313.Nazorg Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen5414.Verleggen bezwaar- en beroepsprocedures MIA en Vamil6015.Aanpassing vervoerskosten aftrek specifieke zorgkosten6016.Eindheffing doorlopend afwisselend gebruikte bestel-auto6617.Fiscale oplossing eenverdieners6718.Aanpassen liquidatieverliesregeling7219.Verhoging percentage generieke renteaftrekbeperking7320.Antifragmentatiemaatregel generieke renteaftrekbeper-king7621.Aanpassing kwijtscheldingswinstvrijstelling in devennootschapsbelasting8522.Verduidelijking registratiedatum in de dividendbelasting88 kst-36602-26ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 261 23.Nieuw groepsbegrip in de bronbelasting8924.Verhoging kansspelbelasting9025.Aanpassing van de kavelruilvrijstelling9926.Diensten aan onroerende zaken10027.Opheffen meerdere posten verlaagd btw-tarief10428.Beëindigen specifieke tarieftabel in de bpm voor PHEV’s11729.Tariefkorting in de motorrijtuigenbelasting vooremissievrije personenauto’s11830.Introductie AVI-correctiefactor12231.Separaat tarief voor waterstof in de energiebelasting12532.Wijziging energiebelastingtarieven op aardgas12733.Verhoging belastingvermindering energiebelasting13234.Kolenbelasting duaal en non-energetisch verbruik13335.Wijzigingen Wet fiscale klimaatmaatregelen glastuin-bouw13436.Verlengen verlaagde accijnstarieven voor ongelodebenzine, diesel en LPG13837.Behoud inkoopfaciliteit in de dividendbelasting14338.Budgettaire aspecten14639.EU-aspecten14840.Doenvermogen14941.Uitvoergingsgevolgen15042.Box 315243.Komende nota’s van wijziging15744.Overig161 I. ALGEMEEN 1. Inleiding Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen enopmerkingen van de leden van de fracties van de PVV, GroenLinks-PvdA,VVD, NSC, D66, BBB, CDA, SP, SGP en de ChristenUnie.Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk devolgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijklui-dende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord2. Pakket Belastingplan 2025 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of een andere keuzegemaakt had kunnen ten aanzien van spreiding van wetgeving en welkewetsvoorstellen uit het pakket Belastingplan los behandeld kunnenworden. Het kabinet heeft in de aanbiedingsbrief bij het pakket Belas-tingplan 2025 bij elk van de afzonderlijke wetsvoorstellen toegelicht watde beweegredenen zijn om deze in het pakket Belastingplan op te nemen.1De behandeling van een wetsvoorstel als onderdeel van het pakketBelastingplan biedt ruimere zekerheid dat voor aanvang van het volgendekalenderjaar duidelijkheid is of beide Kamer met het wetsvoorstelinstemmen. Dit kan noodzakelijk zijn voor de begroting, voor deuitvoering of bijvoorbeeld om al het aanstaande kalenderjaar een verschilte kunnen maken voor de koopkracht van burgers. De Wet beëindigingsalderingsregeling is daarom onderdeel van het pakket Belastingplan2025. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie Bontenbal (CDA)2die het kabinet verzocht om een voorstel tot aanpassing van de salde-ringsregeling mee te sturen bij het Belastingplan 2025.1Kamerstukken II, 2024/25, 36 602, nr. 5.2Kamerstukken II, 2023–2024, 36 378, nr. 75.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 262 Leden van de fracties VVD, NSC, D66 en SGP wijzen op de omvang vanhet pakket Belastingplan 2025. De leden van de fractie van NSC vragen indit kader of het kabinet erkent dat de kwaliteit van wetgeving onrechtaandoet. Ik wens te benadrukken dat de wetgeving die onderdeel uitmaaktvan het pakket Belastingplan weliswaar snel, maar met grote zorgvul-digheid tot stand wordt gebracht. In nauwe samenwerking met deuitvoering wordt wetgeving uitgewerkt en de voorstellen worden getoetstdoor belangrijke adviesorganen zoals de Raad voor de Rechtspraak, hetAdviescollege toetsing regeldruk, de Autoriteit Persoonsgegeven enuiteraard de Raad van State. Waar mogelijk worden voorstellen ookvoorgelegd ter internetconsultatie of besproken met stakeholders enbelangenorganisaties zodat de gevolgen voor burgers, bedrijven enuitvoeringsorganisaties goed en volledig in kaar gebracht kunnen worden.Een belangrijk aspect van goede wetgeving is dat het veel tijd kost. Ookeen goede parlementaire behandeling kost tijd. Tegelijkertijd kanvoortvarendheid in het wetgevingsproces wenselijk zijn om maatschappe-lijke problemen, een technische omissie of een heffingslek met urgentieaan te pakken. Het kabinet acht het pakket Belastingplan 2025 zoals het opPrinsjesdag ingediend is wel noodzakelijk. Het kabinet heeft in deaanbiedingsbrief bij het pakket Belastingplan 2025 bij elk van de afzonder-lijke wetsvoorstellen toegelicht wat de beweegredenen zijn om deze in hetpakket Belastingplan op te nemen.3Leden van de fracties van VVD, D66, NSC en SGP hebben vragen gesteldover de criteria die gehanteerd worden om wetgeving op te nemen in hetBelastingplan. De leden van de fractie van de VVD vragen daarbij om stilte staan bij de opmerkingen van de Raad van State. De leden van defracties D66 en NSC vragen hoe deze criteria zich verhouden tot hetvoornemen dat de beleidsmatig meest ingrijpende en voorzienbarewetsvoorstellen over de kabinetsperiode worden verspreid. Het kabinethecht net als de Raad van State aan het spreiden van fiscale wetgeving.Om aan deze oproep tegemoet te komen, hanteert het kabinet, zoalsaangegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Belas-tingplan, de volgende uitgangspunten voor fiscale wetgeving:1.De beleidsmatig meest ingrijpende en voorzienbare wetsvoorstellenover de kabinetsperiode spreiden en als zelfstandig wetsvoorstel meteen eigen regulier wetgevingstraject indienen.2.Minder beleidsmatig en meer technische en kleinere fiscale wijzigin-gen opnemen in een fiscale verzamelwet, die als zelfstandigwetsvoorstel met een eigen regulier wetgevingstraject in het voorjaarwordt ingediend.3.Fiscale wetgeving opnemen in een pakket Belastingplan als een vande volgende omstandigheden speelt:•Er bestaat een budgettaire samenhang met de begroting van hetvolgende jaar.•Er een Europeesrechtelijke verplichting bestaat voor eeninwerkingtredingsdatum die niet met een regulier wetgevingstra-ject gehaald kan worden.•Er noodzaak bestaat om de gevolgen van een arrest zo snelmogelijk te repareren.•De maatregel leidt tot een aanzienlijke verbetering voor deuitvoering of vereenvoudiging van het stelstel.•Het is voor de uitvoering van belang dat de betreffende wetgevingtijdig is aangenomen door beide Kamers zodat het op een bepaaldmoment uitgevoerd kan worden.3Kamerstukken II, 2024/25, 36 602, nr. 5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 263 Deze uitgangspunten zijn ook bij de planning van de fiscale wetgevingvoor komend jaar gehanteerd. Hierbij geldt wel dat voor de maatregelendie het voortvloeisel zijn van het hoofdlijnenakkoord, het kabinetgebonden is aan het tijdpad dat de onderhandelende partijen hebbenafgesproken. Het wetsvoorstel Wet flankerende fiscale maatregelen bij deWet implementatie richtlijn grensoverschrijdende omzettingen, fusies ensplitsingen en het wetsvoorstel Wet Ambtshalve teruggaaf inkomstenbe-lasting zijn bewust niet opgenomen in het pakket Belastingplan. Hetkabinet verwacht deze wetsvoorstellen nog voor het eind van het jaar bijde Raad van State in te dienen. Tevens worden de implementatiewet vande DAC8- richtlijn en het wetsvoorstel Fiscale Verzamelwet 2026 volgendjaar als zelfstandig wetsvoorstel bij de Tweede Kamer aangeboden.Daarnaast is het wetsvoorstel Wet werkelijke rendement box 3 voor dezomer voor advies aangeboden bij de Raad van State. Fiscale wetgevingis – waar mogelijk – over de komende jaren gespreid. In de Fiscalestrategische agenda 2024–2028 van 26 september jl is ook een fiscalewetgevingsplanning opgenomen.4 Daarmee wordt inzichtelijk gemaaktwelke beleidsmatig ingrijpende en voorzienbare wetsvoorstellen dekomende kabinetsperiode worden opgesteld en ingediend.De leden van de fractie van NSC vragen of er een bijgewerkte versie vanhet Belastingplan komt, inclusief de nota’s van wijziging. Het kabinetstuurt zelf geen gewijzigd wetsvoorstel naar de Tweede Kamer. Na één ofmeer nota’s van wijziging kan Bureau Wetgeving van de Tweede Kamergewijzigde wetsvoorstellen publiceren en opnemen in de stukken.Daarnaast stelt Bureau Wetgeving na de stemmingen in de Tweede Kamerover het Belastingplan een eindtekst samen van het wetsvoorstel. Hierinzijn ook de nota’s van wijziging en alle aangenomen amendementenverwerkt. Dit (gewijzigde) wetsvoorstel zal vervolgens door de leden vande Eerste Kamer in behandeling worden genomen.De leden van de fractie van NSC vragen waarom bepaalde maatregelenzijn opgenomen in het Belastingplan. Specifiek vragen zij waarom demaatregelen inzake de aftrekbaarheid van kosten die verband houden meteen tot het ondernemingsvermogen behorende niet-zelfstandigewerkruimte, het verleggen van de bezwaar- en beroepsprocedures van deMIA en de Vamil, de introductie van een nieuw groepsbegrip in debronbelasting en verduidelijking van de registratiedatum in de dividend-belasting in het Belastingplan 2025 zijn opgenomen, terwijl deze geenbudgettaire implicaties hebben. Het pakket Belastingplan 2025 is zo veelmogelijk beperkt tot maatregelen die met ingang van 1 januari 2025 inwerking moeten treden of vanwege de uitvoerbaarheid vóór die datum inhet Staatsblad moeten zijn opgenomen. Naast de budgettaire samenhangmet de begroting van een volgend jaar, zijn er verschillende redenen vanbelang om fiscale wetgeving op te nemen in een pakket Belastingplan. Hetgaat dan bijvoorbeeld om de omstandigheid dat de maatregel zorgt vooreen aanzienlijke verbetering in de uitvoering of dat het noodzakelijk is dateen urgent probleem wordt opgelost.In het kader van de evaluatie van de milieu-investeringsaftrek (MIA) en dewillekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen (Vamil) die in september2023 met uw Kamer is gedeeld5 is de aanbeveling gedaan om de bezwaar-en beroepsprocedure van de MIA en Vamil te verleggen van de Belasting-dienst naar de RVO. Met de opname van de voorgestelde maatregel in hetBelastingplan kan hier per 2025 opvolging aan worden gegeven.Daarnaast helpt de gestructureerde planning rondom het Belastingplan debetrokken uitvoeringsorganisaties (Belastingdienst en RVO), hetgeen de4Kamerstukken 2024/25, 32 140, nr. 207.5Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 159.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 264 voorbereiding op de implementatie ten goede komt en bijdraagt aan eenverbetering in de uitvoering.Voor wat betreft de aftrekbaarheid van kosten en lasten die verbandhouden met een tot het ondernemingsvermogen behorendeniet-zelfstandige werkruimte, wordt de bestaande wetgeving verduidelijktvoor burgers en bedrijven, waardoor naar verwachting kosten mindervaak verkeerd in aftrek worden genomen door belastingplichtigen. Ditbespaart tijd en beperkt discussies waardoor de voorgestelde wetswij-ziging de uitvoering aanzienlijk verbetert.Met ingang van 1 januari 2024 is een aantal maatregelen in werkinggetreden om de aanpak van dividendstripping te versterken. Een van diemaatregelen betrof de zogenoemde registratiedatum. Hiermee is beoogdbestaand beleid over het hanteren van de registratiedatum als hetmoment om te bepalen wie gerechtigd is tot de opbrengst van aandelendie op een gereglementeerde markt worden verhandeld (beursgenoteerdeaandelen) wettelijk te verankeren. De huidige wettekst roept in de praktijkvragen op over de reikwijdte van de regeling, namelijk of de regelingnaast het moment waarop de gerechtigde tot de opbrengst van beursge-noteerde aandelen wordt vastgesteld, ook (verdere) invulling geeft aanhet begrip opbrengstgerechtigde. In het Belastingplan 2025 wordt eenmaatregel voorgesteld waarmee de reikwijdte van de registratiedatumwordt verduidelijkt. Door het opnemen van de voorgestelde maatregel inhet pakket Belastingplan 2025 kan zo spoedig als mogelijk duidelijkheidworden verschaft over de reikwijdte van deze per 1 januari 2024ingevoerde maatregel. Dit helpt bedrijven in de uitvoering en komt ooktegemoet aan de toezegging aan de Eerste Kamer om zorgvuldig naarknelpunten te kijken.6Voor de introductie van een nieuw groepsbegrip in de bronbelasting per1 januari 2025 geldt hetzelfde uitgangspunt. Nu per 1 januari 2024 de Wetbronbelasting 2021 een breder toepassingsbereik heeft, doordat dezeheffingswet mede van toepassing is geworden op dividendstromen, is hetbelangrijk om de door het kabinet ontvangen signalen uit de praktijk dathet huidige groepsbegrip «samenwerkende groep» in de bronbelastingniet goed past binnen de doelstelling van de bronbelasting zo snelmogelijk te adresseren.De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kabinet de komende jarenzal zorgen voor een betere spreiding van wetgeving. Ik vind het belangrijkom indiening van wetsvoorstellen in de toekomst beter in de tijd tespreiden. Nu komen veel wetsvoorstellen samen in het najaar. Het risicobestaat dat dit ten koste gaat van een goede parlementaire behandeling.Tegelijkertijd kunnen uitspraken van de rechter, maatschappelijke eneconomische ontwikkelingen en sterke politieke wensen reden zijn omwetsvoorstellen met grote voortvarendheid tot stand te brengen. Datschuurt soms. De uitdaging is om spoedtrajecten, zoals het Belastingplan,zoveel mogelijk te beperken tot wetsvoorstellen waarvan het noodzakelijkis dat deze snel worden behandeld. Daar wil ik me voor inzetten. Ik hebmijn zienswijze daarop toegelicht in mijn Fiscale strategische agenda2024–2028 van 26 september jl.7 Daarin is ook een fiscale wetgevings-planning opgenomen. Ik heb er vertrouwen in dat het huidige pakket eenzorgvuldige parlementaire behandeling zal krijgen.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de fiscale maatregelenbijdragen aan de brede welvaart. Het kabinet voert beleid dat bijdraagtaan de brede welvaart, zowel in het hier en nu als in de toekomst. Zodragen veel fiscale maatregelen, waaronder de lastenverlichting uit hetHoofdlijnenakkoord, bij aan de brede welvaart in het hier en nu door het6Kamerstukken I 2023/24, 36 420, nr. C, p. 4.7Kamerstukken 2024/25, 32 140, nr. 207.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 265 besteedbaar inkomen van huishoudens te vergroten. Andere maatregelen,zoals het verlagen van de algemene heffingskorting dragen juist bij aan debrede welvaart later doordat zij de overheidsschuld beperken. Hierdoorworden er geen rekeningen doorgeschoven naar volgende generaties. Inhet Financieel Jaarverslag van het Rijk 2023 heeft het kabinet eenuitgebreid overzicht van de ontwikkeling van brede welvaart geschetst, opbasis van de Monitor Brede Welvaart van het Centraal Bureau voorStatistiek (CBS).8De leden van de fractie van SGP wijzen specifiek op twee criteria waaraangetoetst wordt of fiscale wetgeving in het Belastingplan kan wordenopgenomen: 1) de maatregel leidt tot een aanzienlijke verbetering voor deuitvoering of vereenvoudiging van het stelstel en 2) het is voor deuitvoering van belang dat de betreffende wetgeving tijdig is aangenomendoor beide Kamers zodat het op een bepaald moment uitgevoerd kanworden. Deze leden vragen waarom deze criteria zijn toegevoegd of dezecriteria niet enorm veel ruimte bieden om fiscale wetgeving in hetBelastingplan op te nemen. De opname van deze criteria leidt ertoe dat erextra gronden zijn om een voorstel op te nemen in het Belastingplan. Hetkabinet acht het – mede gezien de maatschappelijke en politieke wensenom het fiscale stelsel te vereenvoudigen – gegrond om ook maatregelendie het stelsel vereenvoudigingen of beter uitvoer te maken in hetBelastingplan op te nemen. Voorts wijzen deze leden erop dat altijd vanbelang is dat wetgeving tijdig is aangenomen zodat het «op een bepaaldmoment» uitgevoerd kan worden. Zij vragen daarop een reflectie. Het isvanzelfsprekend dat wetgeving aangenomen moet zijn door beide Kamersom rechtmatig uitgevoerd te worden. In de fiscaliteit en de uitvoering vanfiscaliteit kan dit wel nauw luisteren, waardoor het noodzakelijk is omwetgeving tijdig aan te nemen voordat deze in werking treedt of voordatburgers en bedrijven daar de gevolgen van gaan ervaren. Zo zijn veelfiscale regelingen van toepassing op kalender- of boekjaren. Inwerking-treding van wijzigingen gedurende lopen boek- of kalenderjaren kunnentot problemen leiden in de uitvoering. Ook vragen sommige maatregelenom een (ruime) implementatietijd, bijvoorbeeld bij complexe wijzigingenof de introductie van een nieuwe heffing. Wetgeving dient dan zoveelmogelijk vast te staan zodat bijvoorbeeld (ICT-)systemen aangepastkunnen worden of personeel geworven kan worden. Dit kan noodzakenom wetgeving, afhankelijk van wanneer besluitvorming heeft plaatsge-vonden en inwerkingtreding is voorzien, met voortvarendheid tebehandelen.3. Inkomensbeleid De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen welke sociaalecono-mische visie zit onder het belang van een positieve koopkrachtontwik-keling voor iedereen. Ook vraagt de fractie zich af of het kabinet geenenkele prioriteit ziet als het gaat om de koopkracht van verschillendegroepen en hoe dit zich bijvoorbeeld verhoudt tot de bevindingen van deCommissie sociaal minimum. Bij de besluitvorming over het pakket aanmaatregelen ten behoeve van de koopkracht van huishoudens is eenintegrale afweging gemaakt, waarbij balans is gezocht tussen deverschillende doelen van het kabinet. Deze doelen zijn werken laten lonenvoor met name werkende middeninkomens, het niet laten oplopen van dearmoede in het algemeen en specifiek onder kinderen, het niet verdernivelleren en inzetten op de begrijpelijkheid van het stelsel voorinkomensondersteuning. Deze doelen kunnen op gespannen voet metelkaar staan en moeten dus tegen elkaar afgewogen worden. Het kabinetneemt de bevindingen van de Commissie sociaal minimum serieus, en8Financieel Jaarverslag van het Rijk 2023 | Jaarverslag | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 266 heeft er voor gezorgd dat de maatregelen, waaronder de verhoging vande kindbedragen in het kindgebonden budget en de vereenvoudiging enintensivering van de huurtoeslag, leiden tot het behalen van de genoemdearmoededoelstelling.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen het woord«evenwichtig» toe te lichten omtrent koopkracht beleid, net als het woord«middeninkomens», en vragen zich af of mensen met middeninkomens ermeer op vooruit gaan dan mensen met hogere inkomens. Evenwich-tigheid in de koopkrachtontwikkeling bestaat op verschillende manieren.Ten eerste is ervoor gekozen de koopkrachtmiddelen gefaseerd in te latengaan. Dit zorgt er voor dat de koopkrachtontwikkeling beter wordtverspreid over de gehele kabinetsperiode. Zo leiden macro-economischetegenvallers niet direct tot een negatieve koopkrachtontwikkeling.Daarnaast heeft het kabinet gestreefd naar evenwicht tussen de verschil-lende doelen, die soms op gespannen voet met elkaar staan. Het kabinetheeft ingezet op het doel om werken te laten lonen door de huurtoeslag tevereenvoudigen en het belastingtarief in de eerste schijf te verlagen. Doorde aanpassing in de huurtoeslag wordt het afbouwpad lineair, waardoorhet verlies aan huurtoeslag bij een hoger inkomen minder groot is danvoorheen. Dit verlaagt de hoge piek in de marginale druk bij sommigehuishoudens met inkomens tussen circa € 35.000 en € 50.000. Dezemaatregelen maken het aantrekkelijker om meer uren te gaan werken.Tegelijkertijd zorgen de intensiveringen van de huurtoeslag en hetkindgebonden budget ervoor dat de armoede in het algemeen enspecifiek onder kinderen niet oploopt. Ten slotte is bij deze afweginggekeken naar de effecten op verschillende (inkomens)groepen, en naarhet evenwicht tussen werkenden, gepensioneerden en uitkeringsgerech-tigden. De middelste inkomensgroep gaat er, net als in de mediaan vanhet totaal, in 2025 met 0,7% op vooruit. De tweede en vierde inkomens-groep gaan er ook op vooruit, respectievelijk 1,1% en 0,6%.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen het kabinet toe telichten waarom er is gekozen voor een verlaging van de algemeneheffingskorting en of de koopkrachteffecten van de maatregel individueelinzichtelijk kunnen worden gemaakt. De leden van de fractie van de SGPvragen zich daarbij af waarom er enkel is gekozen voor het verlagen vande algemene heffingskorting, en niet voor het verlagen van de arbeids-korting. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen zich afwaarom de algemene heffingskorting wordt verlaagd, en waarom met hetspecifieke bedrag van 335 euro. Ook zij vragen om inzicht in dekoopkrachteffecten. Daarbij wordt door hen gevraagd of het kabinetbereid is om de verlaging ongedaan te maken en hiervoor een verlagingvan de arbeidskorting in te zetten.Bij de besluitvorming over het pakket aan maatregelen ten behoeve vande koopkracht van huishoudens is een integrale afweging gemaakt,waarbij verschillende doelen van het kabinet zijn meegenomen. Deverlaging van de algemene heffingskorting dient dus binnen het geheelvan het pakket te worden bezien. Het draagt bij aan een transparanterstelsel en zorgt ervoor dat er meer middelen kunnen worden besteed aanhet verlagen van het belastingtarief in de eerste schijf. Ondanks deverlaging van de algemene heffingskorting stijgt de armoede niet. Demediane koopkrachtontwikkeling van uitkeringsgerechtigden is voor 20251,0% en voor de eerste inkomensgroep 0,5%. Er is niet gekozen voor eenverlaging van de arbeidskorting, omdat dit niet past bij het doel omwerken te laten lonen. De balans tussen verschillende doelen (op gebiedvan werken moet lonen en armoede, waarbij niet verder wordt genivel-leerd), heeft geleid tot het bedrag van 335 euro.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 267 In de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheidis voor elke maatregel afzonderlijk het koopkrachteffect in kaart gebracht.9De aanpassingen aan de algemene heffingskorting (het verlagen van hetmaximale bedrag met € 335 en het verschuiven van het afbouwpunt)leiden tot een mediaan inkomenseffect van -0,2%. De laagste 20%inkomens (-0,4%) gaan er door deze afzonderlijke maatregel meer opachteruit dan andere inkomensgroepen (-0,1%/-0,2%). Ondanks deverlaging van de algemene heffingskorting stijgt de bijstandshoogte. Ditkomt doordat de algemene heffingskorting vanaf een hoger inkomen gaatafbouwen. Tegenover de verlaging van de AHK staat daarnaast een(verdere) verlaging van het belastingtarief in de nieuwe eerste schijf. Doorde koppeling aan het referentieminimumloon hebben bijstandsgerech-tigden van beide maatregelen voordeel. Op basis van de Voorjaarsnotazou de netto bijstand voor een alleenstaande uitkomen op € 15.970, waardat met de Miljoennota naar verwachting op € 16.145 uitkomt per1 januari 2025.Onderstaande tabel toont de inkomenseffecten van de aanpassingen in deAHK afzonderlijk (verlagen van het maximale bedrag met € 335 en hetverschuiven van het afbouwpunt). Het inkomenseffect is het effect vaneen maatregel in een bepaald jaar op het besteedbaar inkomen vanhuishoudens. Hierbij is geen rekening gehouden met de impact op hetmacro-economische beeld.Tabel 1: inkomenseffecten aanpassingen AHKInkomensgroepInkomenseffectTotaal– 0,2%1e 20%-groep– 0,4%2e 20%-groep– 0,2%3e 20%-groep– 0,1%4e 20%-groep– 0,2%5e 20%-groep– 0,1% Verder vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie of de regeringkan aangeven met hoeveel euro per maand mensen met hetminimumloon erop vooruitgaan en hoe dit zich verhoudt tot dekoopkrachtstijgingen van groepen met een hoger inkomen. Hoeveelmensen met het minimumloon er per maand in euro’s op vooruitgaanhangt af van een aantal factoren, waaronder het aantal gewerkte uren, ofiemand een partner heeft, of iemand kinderen heeft, of iemand in eenkoop- of huurwoning woont, en indien dat laatste het geval is, of iemandin een sociale huurwoning (met recht op huurtoeslag) of een vrijesectorwoning (zonder recht op huurtoeslag) woont.Onderstaande tabel toont de koopkrachtontwikkeling voor 2025 in termenvan percentages en euro’s. De koopkrachtontwikkeling geeft de stijgingvan het besteedbaar inkomen weer, gecorrigeerd voor inflatie. Doordat ditbedrag gecorrigeerd wordt voor inflatie toont dit niet wat dezehuishoudens er precies bij krijgen op 1 januari. Daarbij wordt de inflatie-correctie toegepast op basis van het inkomen van huishoudens, terwijl hetdaadwerkelijke effect van inflatie afhankelijk is van de uitgaven van eenhuishouden. Koopkrachtberekeningen worden gemaakt om eenevenwichtig koopkrachtbeeld te kunnen bereiken. Als alle inkomens-groepen procentueel een gelijke inkomensontwikkeling hebben betekentdit dat de inkomensverdeling grosso modo gelijk blijft.95.2 Koopkracht en specifieke inkomensaspecten | Ministerie van Financiën – Rijksoverheid(rijksfinancien.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 268 De koopkrachtontwikkeling voor een alleenstaande minimumloonver-diener bedraagt volgend jaar € 22 per maand. Voor een alleenstaande meteen modaal inkomen is dit € 34 per maand.Tabel 2: Koopkrachtontwikkeling in procenten en euro’s in 2025.WerkendenKoopkracht-ontwikkelingin procentenKoopkracht-ontwikkelingin euro’sAlleenverdiener met kinderenmodaal1,2%€ 4482 x modaal0,4%€ 201Tweeverdienersmodaal + ½ x modaal met kinderen0,8%€ 4792 x modaal + ½ x modaal met kinderen0,6%€ 4842½ x modaal + modaal met kinderen0,9%€ 890modaal + modaal zonder kinderen1,2%€ 8142 x modaal + modaal zonder kinderen1,0%€ 838Alleenstaandeminimumloon1,1%€ 269modaal1,2%€ 4072 x modaal0,8%€ 431Alleenstaande ouderminimumloon1,0%€ 356modaal0,3%€ 137Niet-werkendenSociale minimapaar met kinderen1,0%€ 277alleenstaande1,3%€ 190alleenstaande ouder0,0%€ 13AOW (alleenstaand)(alleen) AOW0,6%€ 113AOW +100001,2%€ 316AOW (paar)(alleen) AOW1,3%€ 316AOW +100001,0%€ 319AOW +300000,7%€ 292 De leden van de fractie van Groenlinks-PvdA vragen zich daarnaast af ofde regering kan bevestigen dat door de combinatie van fiscale maatre-gelen de AOW inclusief vakantiegeld en IOAOW voor alleenstaanden lichtdaalt (los van indexatie) en willen weten waarom het kabinet ervoor kiestom ouderen met een aanvullend pensioen lastenverlichting te geven enouderen zonder aanvullend pensioen niet. Ook willen deze leden weten ofhet kabinet heeft overwogen om het derde schijftarief te verhogen inplaats van het tweede schijftarief, en of het klopt dat het kabinet hetondersteunen van middeninkomens niet ten koste wil laten gaan vanhogere inkomens. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragenzich af waarom het kabinet er niet voor heeft gekozen om het ongedaanmaken van de verhoging van het aangrijpingspunt in het toptarief in tezetten als lastenverlichting.Dit kabinet neemt verschillende fiscale maatregelen die effect hebben opde AOW-hoogte, namelijk de introductie van een extra schijf in deinkomstenbelasting met een verlaagd tarief (positief effect), een verlagingvan de algemene heffingskorting (AHK) (negatief effect) en een verhogingvan het afbouwpunt van de AHK naar niveau van het minimumloon(positief effect). De Macro-economische Verkenning van het CentraalPlanbureau toont een raming tot en met 2025. De middellange termijnraming voor de jaren na 2025 is gebaseerd op een technische veronder-stelling. Desondanks kan deze raming een indicatie geven van de hoogteTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 269 van de AOW. Dit geeft een netto AOW voor een alleenstaande AOW’erzonder aanvullend pensioen in 2028 van circa € 21.470. Zonder demaatregelen van dit kabinet zou dat circa € 21.320 zijn. Als gevolg van decombinatie van fiscale maatregelen stijgt de netto AOW van een alleen-staande zonder aanvullend pensioen dus met ruim € 150. De exactebedragen staan nog niet vast en kunnen nog veranderen door macro-economische ontwikkelingen. De afschaffing van de IOAOW waartoe hetvorige kabinet heeft besloten heeft ook een negatief effect op de netto-hoogte van de AOW. Ook als daarmee rekening zou worden gehoudenstijgt het netto inkomen voor een alleenstaande gepensioneerde zonderaanvullend pensioen.Bij de besluitvorming over het pakket aan koopkrachtmaatregelen is eenintegrale afweging gemaakt, waarbij balans is gezocht tussen deverschillende doelen van het kabinet. Bij de besluitvorming zijn verschil-lende varianten en opties voor invulling van het koopkrachtpakketbekeken en overwogen. De opbrengsten van een verhoging van het derdeschijftarief of het ongedaan maken van de verhoging van het aangrij-pingspunt in het toptarief zijn beperkt en kunnen ook voor middenin-komens nadelig uitvallen vanwege de afbouw van de algemene heffings-korting. De totale afweging, gebaseerd op de beschikbare middelen, hetevenwicht in koopkrachtverdeling over de gehele kabinetsperiode, deverschillende doelen én de daadwerkelijke verdeling van de koopkracht-ontwikkeling over verschillende groepen, heeft geleid tot het pakket watnu is gepresenteerd.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het woord«ambitie» niet misplaatst is omdat het gaat om het niet laten oplopen vanarmoede in plaats van het laten dalen. Daarbij vragen zij zich af hoeveelmensen dieper in de armoede komen door de kabinetsplannen en of diteen overweging is geweest bij het maken van keuzes. De leden van defractie van D66 vragen zich af waarom het kabinet geen hoger ambitie-niveau heeft wat betreft de armoededoelstelling, zeker gezien de gunstigeraming van het Centraal Planbureau (CPB). Ook de leden van de fractievan het CDA vragen zich af waarom de regering de ambitie niet heeft omarmoede te laten dalen. Het woord «ambitie» is niet misplaatst. Hetkabinet zet op verschillende manieren actief in voor mensen die zonderaanvullend beleid in armoede dreigen te vallen, onder andere via eenintensivering van de huurtoeslag en het kindgebonden budget. Volgensde doorrekening van het hoofdlijnenakkoord door het CPB zou hetpercentage kinderen in armoede in 2028 uitkomen op 5,9% zonderaanvullend beleid. Armoede onder personen zou uitkomen op 5,4%. Demeest recente doorrekening van het CPB raamt de armoede in 2028 op4,7% onder kinderen en 4,4% onder personen. Dit is een forse daling tenopzichte van het basispad. Het kabinet heeft naast de doelstelling oparmoede andere doelen op het gebied van de inkomensverdeling,waaronder het verbeteren van de positie van werkenden met middenin-komens en de inzet op vereenvoudiging van het stelsel. Het kabinet is vanmening dat, ook gezien de inspanning tussen de doelstellingen, het juisteevenwicht wordt bereikt. Het CPB maakt geen ramingen van armoede-intensiteit (hoe «diep» mensen in armoede zitten). Wel laten de armoe-deramingen zien dat het aandeel personen/kinderen in armoede tenopzichte van 2024 naar verwachting gelijk blijft tijdens de kabinetsperiode.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of er voor deafgelopen vijftien jaar een overzicht gegeven kan worden van deaanpassingen van de aof en de awf en of hierbij kan worden aangemerktwat conform de systematiek en beleidsmatige dekking is geweest.Hieronder is een overzicht te vinden van de jaarlijkse beleidsmatigemutatie van de opbrengsten tussen 2010 en 2025. De bedragen zijn hierweergegeven als jaar-op-jaar mutaties. Dit betekent dat de veranderingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2610 ten opzichte van het vorige jaar is opgenomen. Een groot deel van dezeontwikkeling volgt uit aanpassingen die volgen vanuit de gangbaresystematiek om jaarlijkse aanpassingen binnen de IAB (als gevolg vanmutatie in de zorguitgaven) en binnen de Whk-premie te compenseren viade AOF-premie, en om aanpassingen van de sectorfondspremies (voor2020, de sectorfondsen zijn inmiddels opgeheven) te compenseren via deAwf-premie. Op basis van de begrotingsregels zijn voor deze aanpas-singen in het inkomstenkader compensaties nodig, om te zorgen dat delasten op het afgesproken pad blijven. De omvang van deze regulierecompensatie verschilt per jaar. Deze vorm van compensatie is nietwettelijk vastgelegd. Het is een keuze om de reguliere aanpassingen vande lasten op deze manier beleidsmatig te compenseren. Ook incidenteleverschuivingen in de lasten worden vaak via deze maatregelen gecom-penseerd. Er is daarmee niet altijd een duidelijk onderscheid te makentussen systematiek en beleidsmatige compensatie.Mutatie in deontvangsten, inmiljoen euro*20102011201220132014201520162017AOF -premie68– 1.017– 225– 1.4591.9456021.417832Awf-premie– 6287238– 605872– 24783344520182019202020212022202320242025AOF -premie3212531.265692– 4523081.11358Awf-premie7491.4281.187– 2.4632.10300229 De mutaties in de bovenstaande tabel zijn de optelsom van alle beleids-matige aanpassingen in de Aof-premie en Awf-premie voor dat betref-fende jaar, ook als daartoe al voor 2010 was besloten. Onderliggend isdaarmee sprake van diverse maatregelen die deels tegen elkaar inwerken. Het is niet mogelijk om voor elk jaar uit te splitsen welk deel volgtuit de reguliere systematiek, welk deel beleidsmatige dekking is geweestvoor overige beleidswensen en welk deel beleidsmatige lastenverlichting(bijvoorbeeld als onderdeel van beleidspakketten).De € 58 miljoen lastenverzwaring via de AOF in 2025 bestaat voor € 22miljoen uit maatregelen van dit kabinet, en voor de rest uit ontwikkelingenuit het basispad. Deze € 22 miljoen bestaat uit drie aparte maatregelenmet gevolgen voor de AOF-premie:•De door het UWV vastgestelde premie voor de Werkhervattingskas(Whk) stijgt in 2025 van 1,22% naar 1,33%, vanwege hogere toestroomin de WIA. Als compensatie voor de hoger Whk-premie wordt deAof-premie verlaagd met € 201 miljoen. Dit is een reguliere compensa-tie binnen het inkomstenkader.•De compensatie voor lagere IAB-premies leidt tot een verhoging van€ 143 miljoen. Dit is een reguliere compensatie binnen het inkomsten-kader.•Een verhoging met € 80 miljoen als deel van de dekking van dederving in box 3 in 2025 en 2026.Daarnaast hebben de volgende maatregelen van het vorige kabinet (RutteIV) nog effect in 2025:•Een lastenverzwaring van € 100 miljoen als gevolg van compensatievoor lagere IAB-premies.•€ 16 miljoen lastenverzwaring volgt uit het regeerakkoord van Rutte IV.•Een lastenverlichting van per saldo € 96 miljoen als onderdeel van hetmkb-investeringspakket.De € 229 miljoen lastenverzwaring via de Awf-premie bestaat voor € 245miljoen uit maatregelen van dit kabinet. In het basispad zit een lastenver-lichting van € 16 miljoen. De lastenverzwaring is het gevolg van hetverhogen van de Awf-premie zoals afgesproken in het Hoofdlijnenak-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2611 koord. De lastenverlichting in het basispad volgt uit een wijziging in deWW-premieheffing.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de groepwerkende armen erop achteruitgaan door de aanpassingen van dealgemene heffingskorting (AHK). Deze leden vragen ook vanaf welkinkomen de verschuldigde belasting daalt als gevolg van de verlaging vande AHK en de aanpassingen van de schijftarieven. Zij vragen hoeveel uuriemand moet werken tegen het wettelijk minimumloon om dit inkomen teverdienen en voor welke brutoinkomens de aanpassingen leiden tot eenlager netto-inkomen. Voor de beantwoording van de vragen is uitgegaanvan een werkende alleenstaande zonder kinderen onder de AOW-leeftijd.Tabel 3 geeft een overzicht van het effect van de maatregelen uit hetBelastingplan voor deze werkende.Tabel 3 – effect tariefswijzigingen en aanpassingen AHK Belastingplan 2025Bruto inkomenBelastingAHKNetto inkomen€ 10.000€ 120– € 335€ 0€ 12.500€ 150– € 335– € 185€ 15.000€ 180– € 335– € 155€ 17.500€ 210– € 335– € 125€ 20.000€ 240– € 335– € 95€ 22.500€ 270– € 335– € 65€ 25.000€ 300– € 335– € 35€ 26.060€ 313– € 313€ 0€ 27.500€ 330– € 222€ 109€ 30.000€ 360– € 119€ 241 Uit tabel 3 volgt dat werkenden met een inkomen (ruim) onder hetwettelijk minimumloon inderdaad meer belasting gaan betalen als gevolgvan de fiscale maatregelen uit het Belastingplan. Vanaf een inkomen van€ 25.110 neemt het nadeel van de aanpassingen van de AHK af, terwijl hetvoordeel van de tariefsaanpassingen nog oploopt. Het omslagpunt ligt bijeen inkomen van € 26.060, wat neerkomt op ongeveer 91% van hetwettelijk minimumloon. Dit betekent dat iemand 33 uur moet werkentegen het minimumloon om dit omslagpunt te bereiken. Bij een hogeruurloon of meer uren werken levert dit per saldo een belastingvoordeelop. Daarnaast bevat het koopkrachtpakket nog andere maatregelen naastde aanpassingen van de AHK en tarieven. Dit pakket bestaat ook uit eenintensivering van de huurtoeslag en het kindgebonden budget. Hiervanprofiteren veel werkende armen.De leden van de fractie van NSC vragen welke middelen uit de budgettairebijlage van het Hoofdlijnenakkoord worden ingezet om de in paragraaf 4genoemde koopkrachtverbeteringen te realiseren en of dat de € 2,5miljard voor gerichte koopkrachtverbetering of de € 2 miljard structurelelastenverlichting voor werkende middeninkomens is. Zowel de € 2,5miljard voor gerichte koopkrachtverbetering als de € 2 miljard structurelelastenverlichting voor werkende middeninkomens zijn ingezet voor hetkoopkrachtpakket. Voor de € 2 miljard structurele lastenverlichting geldtdat deze middelen zijn ingefaseerd in 2025 t/m 2027 ten behoeve van dedekkingsopgave en een evenwichtige verdeling van de koopkrachtontwik-keling over de kabinetsperiode. Tabel 4 geeft een overzicht van demiddelen die zijn ingezet voor de lastenverlichting in box 1. De totalebudgettaire derving van het koopkrachtpakket wijkt jaarlijks enkelemiljoenen af van de totale beschikbare middelen. Dit komt omdat detarieven in de inkomstenbelasting tot twee decimalen achter de kommagewijzigd kunnen worden en de kleinst mogelijke verlaging van het tariefeerste schijf met 0,01%-punt een budgettaire derving heeft van € 37Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2612 miljoen euro, waardoor niet op het exacte beschikbare bedrag gestuurdkan worden.Tabel 4 Beschikbare middelen voor lastenverlichting box 1 (in mln euro, prijzen 2024,«+» is saldoverbeterend/lastenverzwarend)2025202620272028HLA 1: koopkracht en lastenverlichtingvoor werkende middeninkomens– 2.000– 2.000– 2.000– 2.000Infasering middelen maatregel HLA 11.125800350HLA 6c: envelop gerichte lastenverlichtingburgers– 2.500– 2.500HLA 6c: compensatie burgers eigen risicovia inkomstenbelasting1– 171– 2.941– 3.124HLA 47: lastenverzwaring burgers via tariefeerste schijf165339Totaal– 3.375– 3.871– 4.426– 4.785Budgettaire derving koopkrachtpakket– 3.354– 3.867– 4.396– 4.7761 De budgettaire reeks wijkt iets af van de reeks die is opgenomen in het Hoofdlijnenakkoordvanwege een gewijzigde raming voor het aanpassen van het eigen risico. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de regering aande hand van een aantal casussen inzichtelijk kan maken wat dekoopkrachtmaatregelen betekenen voor mensen. Voor de beantwoordingvan deze vraag verwijst het kabinet naar de begroting van SZW.10 In Tabel132 is de verwachte koopkrachtontwikkeling in 2025 gepresenteerd vooreen selectie van voorbeeldhuishoudens (zowel werkenden alsniet-werkenden). In deze cijfers is – naast het beleid op gebied vanbelastingen, toeslagen en sociale zekerheid – ook de loonontwikkeling eninflatie meegenomen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de bereke-ningen voor de voorbeeldhuishoudens gebaseerd zijn op generiekeregelingen, waarop alle vergelijkbare huishoudens aanspraak kunnenmaken. Er is bijvoorbeeld geen rekening gehouden met huurtoeslag,omdat niet alle huishoudens een huurwoning hebben en voor zover ze diewel hebben de hoogte van de huur verschilt. De intensivering in dehuurtoeslag zorgt ervoor dat de koopkrachtontwikkeling in de praktijkhoger uit zal vallen voor huishoudens die profiteren van deze maatregel.Het mediane effect van de wijzigingen in de huurtoeslag is +0,4 procent bijde huishoudens die geraakt worden door de maatregel. Verder heeft hetNIBUD de koopkrachtontwikkeling in kaart gebracht voor ruim 100voorbeeldhuishoudens.11De leden van de fractie van de VVD voorzien een zeer hoge marginaledruk voor de groep eenverdieners die te maken krijgt met de fiscaleoplossing voor de eenverdienersproblematiek. Zij vragen of de regeringuitgezocht heeft hoe hoog deze marginale druk maximaal kan zijn. Bij hetuitwerken van de fiscale oplossing is rekening gehouden met demarginale druk. De uitbetaalbare AHK wordt afgebouwd met hetverzamelinkomen (en de arbeidskorting van de partner). Het afbouwper-centage is vastgesteld op 14,7%. Met dit percentage is beoogd de regelingzo gericht mogelijk te houden en tegelijkertijd te waarborgen dat demarginale druk onder de 100% blijft. Op basis van de huidige verwach-tingen over de parameters van het belasting- en toeslagenstelsel in 2028is dit ook het geval. Omdat de problematiek het gevolg is van decomplexe samenloop van verschillende regelingen zal het kabinet jaarlijksbezien of de vormgeving van de fiscale oplossing blijft voldoen om het10XV Sociale Zaken en Werkgelegenheid Rijksbegroting 2025 | Begroting | Rijksoverheid.nl11Koopkrachtberekenaar – NibudTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2613 beoogde doel te bereiken. Hierbij zal het kabinet ook oog hebben voor demarginale druk.De leden van de fractie van NSC vragen uit welke besluitvorming demaatregel om het aangrijpingspunt van de afbouw van de algemeneheffingskorting te verschuiven zodat het wordt gekoppeld aan hetwettelijk minimumloon volgt. De verschillende doelen op het gebied vanwerken moet lonen, armoede en de wens om het stelsel van inkomenson-dersteuning begrijpelijker te maken raken aan het beleid voor inkomens-ondersteuning. Door de verhoging van het afbouwpunt van de algemeneheffingskorting bouwt de algemene heffingskorting vanaf een hogerinkomen af. Dit beperkt de daling van de algemene heffingskorting in deberekening van het netto referentieminimumloon. Het verschuiven vanhet afbouwpunt van de algemene heffingskorting draagt bij aan hetverminderen van de complexiteit van het stelsel. Het afbouwpunt wordteen herkenbaar bedrag uit andere wet- en regelgeving, en de korting isvolledig voor iedereen die het wettelijk minimumloon (of minder)verdient. In de koopkrachtbesluitvorming in augustus is tot dezemaatregel besloten.De leden van de fractie van NSC vragen op welke manier de tabelcorrec-tiefactor (tcf) wordt vastgesteld en waarom deze niet gelijk is aan devoorspelde inflatie van 3,2 procent. De tcf is de verhouding van hetgemiddelde van de prijsindexcijfers van de achttiende tot en met dezevende aan het kalenderjaar voorafgaande maand, tot het gemiddeldevan de prijsindexcijfers van de dertigste tot en met de negentiende aanhet kalenderjaar voorafgaande maand.Concreet betekent dit dat de indexatie voor 2025 gebaseerd is op deinflatiecijfers van juli 2023 tot en met juni 2024 ten opzichte van deinflatiecijfers van juli 2022 tot en met juni 2023. De inflatie werkt door dezesystematiek met vertraging door in de indexatie van belastingparameters.Het kabinet is van mening dat de tabelcorrectiefactor beter (vertraagd) kanaansluiten op de feitelijke inflatieontwikkeling dan op ramingen van deverwachte inflatie voor volgend jaar. De raming van de inflatie betreft debest mogelijke voorspelling volgens de actuele economische inzichten opdat moment (Prinsjesdag), maar kan in de loop van het jaar nog opwaartsen neerwaarts worden bijgesteld, wat tot gevolg zou hebben dat detabelcorrectiefactor niet meer aansluit op de feitelijke inflatie.Voor de berekening van de tcf wordt overigens de afgeleide consumen-tenprijsindex (CPI) gebruikt van het CBS. Deze is gelijk aan de gewone CPI,exclusief het effect van veranderingen in de tarieven van productge-bonden belastingen (zoals bijvoorbeeld de btw) en subsidies. Op dezemanier werkt bijvoorbeeld een verhoging/verlaging van de btw achterafniet door in hogere/lagere schijfgrenzen en heffingskortingen in deinkomstenbelasting.De leden van de fractie van NSC merken op dat groepen die het moeilijkhebben met het Belastingplan worden geholpen, bijvoorbeeld met deverruiming van het kindgebonden budget, de huurtoeslag en de fiscaleoplossing voor eenverdieners die onder het sociaal minimum vallen. Deleden vragen om een overzicht van het budgettaire beslag van dezemaatregelen. Onderstaande Tabel 5 bevat een overzicht van het budget-taire beslag van deze maatregelen uit het pakket Belastingplan. In totaalzorgen de maatregelen voor een lastenverlichting oplopend tot ruim € 1,1miljard in 2028 en bijna € 800 miljoen structureel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2614 Tabel 5: Budgettaire gevolgen maatregelen pakket Belastingplan (in mln euro, prijzen 2024, «+» is saldoverbeterend/lastenverzwarend)20242025202620272028StrucIntensivering kindgebonden budget– 24– 282– 281– 288– 298– 286Niet afbouwen dubbele AHK in hetreferentieminimumloon in 2025, 2026 en20270– 73– 168– 265– 2550Verbetering en vereenvoudiginghuurtoeslag0– 215– 500– 500– 500– 500Fiscale oplossing eenverdieners0000– 1010Totaal– 24– 570– 949– 1.053– 1.154– 786 De leden van de fractie van NSC merken op dat dat de «hardwerkendeNederlanders» tegemoet worden gekomen in het Belastingplan en vragenom aan te geven wat het budgettaire beslag is dat met deze maatregelenis gemoeid, uitgesplitst per onderdeel. In het Belastingplan zijn verschil-lende maatregelen opgenomen om kwetsbare groepen en werkendemiddeninkomens te ondersteunen. Voor specifiek de groep werkendengeldt dat zij ook profiteren van de intensivering van het kindgebondenbudget en de huurtoeslag zoals weergegeven in tabel 5. Daarnaast wordter lastenverlichting gegeven via box 1 van de inkomstenbelasting, watook bij werkenden terechtkomt. Per saldo is door de maatregelen in box 1sprake van een lastenverlichting van circa € 3,4 miljard in 2025 oplopendnaar € 4,8 miljard in 2028. Een uitsplitsing per maatregel is weergegevenin onderstaande tabel 6.Tabel 6 Budgettaire gevolgen maatregelen box 1 Pakket Belastingplan (in mln euro, prijzen 2024, «+» is saldoverbeterend/lastenverzwarend)20242025202620272028StrucAfbouwpunt AHK koppelen aan wettelijkminimumloon0– 1.700– 1.758– 1.868– 2.036– 2.036Verlagen algemene heffingskorting met€ 33502.7962.8572.9092.9332.933Wijziging tarieven inkomstenbelasting0– 4.450– 4.966– 5.437– 5.673– 4.983Totaal0– 3.354– 3.867– 4.396– 4.776– 4.086 De leden van de fractie van NSC vragen naar de koopkrachteffecten bij hetniet doorvoeren van de voorgestelde verhoging van het aangrijpingspunt(het aangrijpingspunt van 2024 handhaven, zonder indexatie). Hetverschuiven van het afbouwpunt is het resultaat van de integralekoopkrachtbesluitvorming die in augustus heeft plaats gevonden. Hoe hetkoopkrachtbeeld er uit zou hebben gezien bij het niet verschuiven van hetafbouwpunt hangt af van of, en zo ja, welke andere maatregelen in deplaats van deze verschuiving genomen zouden zijn, en is dus niet inalgemene zin te beschrijven. In de begroting van het Ministerie van SZWzijn verder de inkomenseffecten van alle maatregelen afzonderlijkopgenomen. Hieruit blijkt dat de aanpassingen aan de algemeneheffingskorting (verlagen maximale bedrag en verschuiven afbouwpunt)per saldo leiden tot een mediaan inkomenseffect van -0,2%. Het inko-menseffect is het effect van een maatregel in een bepaald jaar op hetbesteedbaar inkomen van huishoudens. Hierbij is geen rekeninggehouden met de impact op het macro-economische beeld.De leden van de fractie van NSC vragen waarom in de Miljoenennota voorhet oplossen van de eenverdienersproblematiek in 2028 € 30 miljoen eurois ingeboekt terwijl in de memorie van toelichting € 101 miljoen isopgenomen. De totale budgettaire derving van de fiscale oplossing voorde alleenverdienersproblematiek is € 101 miljoen in 2028 en € 573miljoen cumulatief. Dit zijn de budgettaire gevolgen van de wetswijzigingzoals opgenomen in het Belastingplan. Voor de fiscale oplossing warenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2615 eerder al budgettaire middelen gereserveerd in de Miljoenennota 2024 ende Voorjaarsnota 2024, in totaal € 71 miljoen in 2028 en € 320 miljoencumulatief. Het bedrag van € 30 miljoen in 2028 en € 253 miljoencumulatief dat in de Miljoenennota 2025 opgenomen is, betreft deadditionele budgettaire derving die is ontstaan door het drie jaar pauzerenvan de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de bijstand.Door deze maatregel wordt de fiscale oplossing voor de eenverdieners-problematiek duurder en moest de raming van de totale budgettairederving herijkt worden.Ook vragen deze leden waarom er structureel geen budget is opgenomen,als de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de bijstandnog tot 2039 loopt. De budgettaire derving van de fiscale oplossing voorde eenverdienersproblematiek loopt door tot 2039, wanneer de afbouwvan de dubbele AHK in de bijstand voltooid is. De budgettaire derving isvoor al deze jaren gedekt. In de structurele situatie op de langere termijnis de dubbele AHK in de bijstand volledig afgebouwd en verdwijntdaardoor ook de fiscale oplossing.Daarnaast vragen deze leden hoeveel budget is ingeboekt voor detijdelijke oplossing die gemeenten de komende jaren moeten bieden aaneenverdieners. Voor de tijdelijke oplossing via gemeenten is in 2025 t/m2027 € 28 miljoen per jaar gereserveerd.De leden van de fractie van D66 vragen om een overzicht van demarginale belastingdruk (zonder toeslagen) voor alleenstaanden metmodale inkomens sinds 2010. Deze leden ontvangen ook graag eenvooruitblik naar 2028, zeker voor de gevallen met een kind. Tabel X4 geefteen overzicht van de marginale druk voor een werkende alleenstaandemet en zonder kinderen bij een modaal inkomen. Voor de berekening isuitgegaan van € 1.000 extra inkomen (vanaf modaal) en is het effect vanbelastingen weergegeven in de tabel.Tabel 7 – marginale belastingdruk sinds 2010 voor een alleenstaande werkendeJaarModaal inkomenMarginale belas-tingdruk, alleen-staande zonderkinderenMarginale belas-tingdruk, alleen-staande met kinderen2010€ 32.50041,95%38,15%2012€ 33.00041,95%39,79%2014€ 33.00044,00%41,84%2016€ 33.50045,22%45,22%2018€ 34.50049,13%49,13%2020€ 36.50049,02%49,02%2022€ 39.00048,94%48,94%2024€ 44.00050,11%50,11%2025€ 46.50050,33%50,33%2026€ 48.50050,23%50,23%2027€ 50.50050,15%50,15%2028€ 52.50049,96%49,96% De marginale belastingdruk voor alleenstaanden met een modaalinkomen is sinds 2010 gestegen. Dit heeft vooral te maken met deinkomensafhankelijke afbouw van heffingskortingen. Sinds 2016 is ergeen verschil meer tussen alleenstaanden met en zonder kinderen,doordat de IACK sinds dat jaar bij een modaal inkomen al volledigopgebouwd is. Volgens de huidige voorspellingen zal de marginale drukbij een modaal inkomen in 2028 0,37 procentpunt lager liggen dan in2025. Dit heeft te maken met de minder steile afbouw van de AHK(doordat het aangrijpingspunt van het toptarief hoger komt te liggen) endoor een lichte daling van het tarief in de tweede schijf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2616 De leden van de fractie van het CDA merken op dat de marginale druk in2025 vooral verschuift en niet veel lager wordt. Zij vragen zich af hoe ditpast bij de doelstellingen van de regering om de marginale druk teverlagen en hoe de marginale druk zich in de kabinetsperiode zalontwikkelen. Deze leden vragen of het kabinet de verwachte marginale-druktabellen voor de jaren 2026 tot en met 2028 kan weergeven op basisvan de huidige informatie. Het klopt dat er in 2025 geen grote wijzigingenzijn in de marginale druk ten opzichte van 2024. In het huidige stelsel ishet heel lastig om de marginale druk (fors) te verlagen. Dat gaat ofwelgepaard met grote budgettaire gevolgen, ofwel leidt het tot minderinkomensondersteuning aan de huishoudens met de laagste inkomens.Bij de tabellen zoals deze gepresenteerd worden bij het Belastingplanmoet ook bedacht worden dat de marginale druk voor de meestehuishoudens aanzienlijk lager is dan hetgeen in die tabellen wordtgepresenteerd. Voornamelijk doordat veel huishoudens geen of minderrecht hebben op toeslagen, omdat zij bijvoorbeeld niet in een socialehuurwoning wonen en/of geen kinderen hebben.De komende jaren gaat er nog wel wat veranderen in de marginale drukvan huishoudens. Dat zit hem vooral in de afbouw van de huurtoeslag enhet kindgebonden budget. De huurtoeslag bouwt vanaf 2026 lineair af.Pieken in de marginale druk als gevolg van de huurtoeslag wordendaardoor beperkt. In 2025 zorgt de huurtoeslag bij een alleenstaande metkinderen bijvoorbeeld nog voor maximaal 29% marginale druk, vanaf2026 wordt dit 22%. Het afbouwpercentage van het kindgebonden budgetstijgt de komende jaren van 7,1% naar 8,5%. Volgens de huidige inzichtenkomt er vanaf 2027 een nieuwe financieringssystematiek voor kinder-opvang waarbij de vergoeding onafhankelijk wordt van het inkomen.Vanaf dat jaar zal een vergoeding voor kinderopvang dus niet meerzorgen voor extra marginale druk. Tot slot gaat de algemene heffings-korting minder steil afbouwen gedurende de kabinetsperiode en zullen debelastingtarieven in box 1 nog dalen.Figuur 1 geeft de marginale druk weer voor een alleenstaande werkendemet twee kinderen tussen 2025 en 2028. De marginale druk is weerge-geven in een figuur, omdat de verschillen over de jaren dan duidelijkerzichtbaar zijn dan in een tabel. Daarbij is aangenomen dat de belasting-plichtige in een huurhuis woont, met een gemiddelde huur.De leden van de fractie van het CDA vragen om de marginaledruktabelvoor alleenstaande AOW’ers. Zij zijn benieuwd naar de marginale drukvan gepensioneerden die blijven werken na het bereiken van deFiguur 1 – marginale druk alleenstaande met kinderen in een huurhuis, 2025–2028Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2617 AOW-leeftijd. Deze leden vragen ook of het kabinet kan reflecteren op deopbouw van de arbeidskorting voor gepensioneerden, die laag is bijbeperkte inkomsten (circa vier procent) en oploopt naar twaalf procent bijmeer inkomsten. Zij vragen of dit een logische opbouw is, bezien vanuitzowel de portemonnee van ouderen als voor versterking van de arbeids-kracht in Nederland.Figuur 2 laat de marginale druk zien voor twee verschillende alleen-staande AOW’ers: een gepensioneerde zonder arbeidsinkomen en eengepensioneerde met € 25.000 inkomen uit pensioen + AOW, aangevuldmet arbeidsinkomen. De marginale druk is weergeven in een figuur inplaats van een tabel, omdat de verschillen in een figuur in een oogopslagduidelijk worden. Doordat de arbeidskorting toeneemt met het arbeidsin-komen ligt de marginale druk voor de werkende AOW’er lager dan voorde niet-werkende AOW’er. Overigens is bij de berekeningen aangenomendat de AOW’er recht heeft op huurtoeslag (bij een huurbedrag van € 710per maand).Het klopt dat de arbeidskorting voor AOW-gerechtigden minder steilopbouwt dan de arbeidskorting voor belastingplichtigen die deAOW-leeftijd nog niet bereikt hebben. De opbouw op het tweedeinkomenstraject van de arbeidskorting is overigens ruim 15%. Dit is eenlogisch verschil dat voortkomt uit het feit dat AOW-gerechtigden geenrecht hebben op het AOW-premiedeel van de arbeidskorting (net als bij deAHK het geval is en eventueel bij de IACK). Omdat AOW-gerechtigdengeen AOW-premie meer betalen van 17,9% is hun gecombineerde tariefvan belastingen en premie volksverzekeringen lager en hebben zijevenredig minder recht op heffingskortingen. Dit zorgt bij de arbeids-korting voor een minder steile op- en afbouw.De leden van de fractie van het CDA vragen om de marginaledruktabelvoor een alleenstaande alimentatieontvanger (zonder aanvullendinkomen) met twee kinderen. Deze leden vragen of de regering weet datde marginale druk voor deze groep enorm hoog is en vragen daar meerinzicht in te geven. De marginale druk voor een alleenstaande metinkomen uit alimentatie is weergegeven in figuur 3. Ter vergelijking ishierin ook de marginale druk opgenomen voor een alleenstaandewerkende (met verder dezelfde eigenschappen).Figuur 2 – marginale druk alleenstaande AOW’er (met huurtoeslag)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2618 Bij inkomens tot € 30.000 is de marginale druk aanzienlijk hoger voor eenalleenstaande die alimentatie ontvangt in vergelijking met een werkendealleenstaande. Dit komt doordat er geen recht bestaat op arbeidskortingen IACK, waardoor vanaf een lager inkomen belasting in box 1verschuldigd is. Bij hogere inkomens (vanaf ongeveer € 40.000) is demarginale druk lager, omdat de arbeidskorting en de kinderopvangtoeslagvanaf dat punt afbouwen. Daarnaast is de marginale druk lager doordatde alimentatieontvanger geen pensioenpremie betaalt.De leden van de fractie van het CDA lezen dat het afbouwpunt van zowelde algemene heffingskorting als van de arbeidskorting is gekoppeld aanhet wettelijk minimumloon (WML). Deze leden vragen hoe deze afbouw-punten aan elkaar relateren. Het afbouwpunt van de algemene heffings-korting (AHK) wordt met ingang van 2025 gekoppeld aan het WML.Daardoor begint de AHK met afbouwen bij een verzamelinkomen datgelijk is aan 108% van het WML exclusief vakantiegeld (januaribedrag). Dearbeidskorting (AK) heeft drie knikpunten die gekoppeld zijn aan dehoogte van het WML exclusief vakantiegeld (januaribedrag). Tussen eenarbeidsinkomen van 0 en 46,27% van het WML bouwt de arbeidskortingop met 8,053%, tussen dit punt en 99,95% van het WML bouwt de AKverder op met 30,03%, tussen 99,95% van het WML en het afbouwpuntvan de AK bouwt de AK verder op met 2,258%. Het afbouwpunt van de AKis in 2025 gelijk aan 99,95% * 225% van het WML verminderd met eenbedrag van € 16.079. Vanaf dit afbouwpunt bouwt de AK af met 6,51% tot€ 0. Onderstaande Figuur 4 geeft de opbouw- en afbouwtrajecten van deAHK en de AK weer in een grafiek. De figuur bevat voorlopige bedragen,het WML voor 2025 is pas definitief in november 2024.Figuur 3 – marginale druk alimentatie-ontvanger en werkendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2619 De leden van de fractie van het CDA vragen waarom, als zowel dealgemene heffingskorting als de arbeidskorting gekoppeld zijn aan hetWML, nog steeds een deel niet verzilverbaar lijkt bij het WML. Iemand diehet wettelijk minimumloon verdient in 2025 (€ 28.406) heeft recht op€ 3.068 algemene heffingskorting en € 5.253 arbeidskorting. Dezebelastingplichtige kan beide heffingskortingen volledig verzilveren tegende verschuldigde inkomstenbelasting en premies. Daarnaast vragen deleden van de fractie van het CDA waarom de arbeidskorting weer flinkstijgt, terwijl de conclusies al geruime tijd zijn dat het effect van dearbeidskorting op arbeidsparticipatie is uitgewerkt. Deze leden vragen ookof het kabinet het niet logischer acht een ondoelmatige verhoging van dearbeidskorting om te zetten in een verdere verlaging van het IB-tarief. Dearbeidskorting wordt volgend jaar niet beleidsmatig verhoogd. De hoogtevan de arbeidskorting neemt wel iets toe doordat de AK wordtgeïndexeerd met de tabelcorrectiefactor voor 2025 (1,012). Dit geldt voorbijna alle parameters in belastingwetgeving, het doel van deze indexatie isom de belastingheffing in reële termen ongeveer gelijk te houden. Hetindexeren met de tabelcorrectiefactor heeft geen lastenrelevantegevolgen. Er is dus ook geen sprake van budgettaire middelen die ingezetzijn voor een verhoging van de AK en die op een andere wijze ingezetzouden kunnen worden.De leden van de fractie van de BBB vragen of burgers in landelijkegebieden door middel van belastingmaatregelen ondersteund kunnenworden. Geen nummerHet kabinet zet zich in voor een vitaal platteland. Rijksbelastingen zoals dedirecte belastingen inkomstenbelasting en de loonbelasting, maar ookindirecte belastingen zoals de omzetbelasting, zijn echter over hetalgemeen niet geschikt om burgers in specifieke gebieden te onder-steunen. Voor belastingplichtigen in Nederland gelden dezelfde regels,ongeacht waar deze belastingplichtigen wonen.Verder vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie of de regeringkan aangeven met hoeveel euro per maand mensen met hetminimumloon erop vooruitgaan en hoe dit zich verhoudt tot dekoopkrachtstijgingen van groepen met een hoger inkomen. Hoeveelmensen met het minimumloon er per maand in euro’s op vooruitgaanhangt af van een aantal factoren, waaronder het aantal gewerkte uren, ofiemand een partner heeft, of iemand kinderen heeft, of iemand in eenFiguur 4 – Algemene heffingskorting en arbeidskorting in 2025 (WML staat voorwettelijk minimumloon exclusief vakantiegeld)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2620 koop- of huurwoning woont, en indien dat laatste het geval is, of iemandin een sociale huurwoning (met recht op huurtoeslag) of een vrijesectorwoning (zonder recht op huurtoeslag) woont. Om de koopkrachtont-wikkeling van verschillende huishoudtypen te kunnen vergelijken wordtde koopkrachtontwikkeling doorgaans uitgedrukt als percentage van hetbesteedbaar inkomen. Tabel 132 in de SZW-begroting 2025 toont dekoopkrachtontwikkeling in 2025 van verschillende gestileerde huishoud-typen exclusief huurtoeslag (voorbeeldhuishoudens), waaronder ook tweehuishoudtypen op minimumloonniveau. Deze tabel laat zien dat dekoopkrachtontwikkeling van een alleenstaande zonder kinderen dievoltijds werkt op minimumloonniveau in 2025 naar verwachting uitkomtop +1,1% en dat de koopkrachtontwikkeling van een alleenstaande oudermet twee kinderen die in deeltijd werkt (0,8 fte) op minimumloonniveaunaar verwachting uitkomt op +1,0%. De tabel laat daarnaast zien dat dekoopkrachtontwikkeling van deze twee huishoudtypen ongeveer gelijk isaan de koopkrachtontwikkeling van een alleenstaande met een modaalinkomen (+1,1%), een tweeverdienershuishouden met 2x modaal + 1xmodaal zonder kinderen (+1,0%) of een paar met kinderen op sociaalmini-mumniveau (+1,0%).De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de koopkrachtef-fecten van hun voorstel om het tarief in de tweede schijf gelijk te brengenmet het tarief in de eerste schijf en dit te dekken door het niet verhogenvan het aanvangspunt van het toptarief en het verlagen van de arbeids-korting. Het verlagen van het tarief in de tweede schijf (37,48%) naar hettarief in de eerste schijf (35,82%) in 2025 leidt tot een budgettaire dervingvan circa € 1,6 miljard. Het aanvangspunt van het toptarief wordt in 2025per saldo verhoogd met € 392. Terugdraaien van deze verhoging heefteen budgettaire opbrengst van ongeveer € 150 miljoen. Vervolgens moetde arbeidskorting nog met € 192 verlaagd worden bij alle knikpunten omde verlaging van het tarief tweede schijf volledig te dekken. Tabel 8 toontde inkomenseffecten van deze wijzigingen.Tabel 8 – Inkomenseffecten verlagen tarief tweede schijf, verlagen aanvangspunttoptarief en verlagen arbeidskortingInkomensgroep1e (<=111% WML)0,0%2e (111–177% WML)– 0,1%3e (177–270% WML)0,0%4e (270–400% WML)0,0%5e (>400% WML)0,2%InkomensbronWerkenden– 0,1%Uitkeringsgerechtigden0,0%Gepensioneerden0,0%HuishoudtypeTweeverdieners0,0%Alleenstaanden0,0%Alleenverdieners0,0%KinderenHuishoudens met kinderen0,0%Huishoudens zonder kinderen0,0%Alle huishoudens0,0% De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om een vergelijkingvan de marginale druk in 2024 en 2025 voor een gezin met drie kinderenvan zes, elf en zestien jaar oud, voor inkomens van modaal, anderhalf keermodaal en twee keer modaal. Bij het Belastingplan 2025 zijn tabellenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2621 gepubliceerd met de marginale druk voor alleenstaanden, eenverdienersen tweeverdieners met kinderen in 2024 en 2025. Voor de marginale drukmaakt het niet veel uit of er twee kinderen zijn tussen de zes en elf jaar(zoals aangenomen in de eerdergenoemde tabellen) of drie kinderen vanzes, elf en zestien jaar (zoals in deze vraag gesteld wordt). Het enige effectis dat het kindgebonden budget hoger is in de situatie met drie kinderen.Hierdoor zal het kindgebonden budget bij een hoger inkomen afgebouwdzijn tot nihil, waardoor voor hoge inkomens de marginale druk hoger zalzijn in de situatie met drie kinderen. Ter illustratie: in 2025 is het kindge-bonden budget voor een tweeverdiener met twee kinderen afgebouwd bijeen huishoudinkomen van ruim € 113.000. Voor een gezin met driekinderen is dat bij een inkomen van ruim € 161.000 het geval. Dit betekentdat de marginale druk tussen een huishoudinkomen van € 113.000 en€ 161.000 7,1% hoger zal zijn voor gezinnen met drie kinderen dan voorgezinnen met twee kinderen.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar een overzichtvan alle instrumenten die zijn geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor.Ook vragen ze of de regering kan aangeven hoe de desbetreffendeparameter wijzigt en wat de eventuele budgettaire opbrengst zou zijn vanhet niet doorvoeren van de indexatie. Diverse bedragen in belastingwet-geving worden jaarlijks gecorrigeerd voor inflatie door toepassing van detabelcorrectiefactor (tcf). De tabelcorrectiefactor wordt toegepast indiverse belastingmiddelen. In artikel 10.1 Wet IB 2001 is opgenomenwelke bedragen in de inkomstenbelasting jaarlijks met deze tcf gecorri-geerd worden. Daarnaast worden in verscheidene andere belastingwettenzoals bijvoorbeeld de Successiewet 1956, de Wet op de omzetbelasting1968 en de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen1992 bedragen gecorrigeerd met dezelfde tcf. Tot slot wordt deze tcf ooktoegepast voor de correctie van bedragen in andere niet-belastingwetten.Voorbeelden hiervan zijn de verschillende vermogenstoetsen in detoeslagenwetten en accijnzen. De indexatie van de bedragen in belasting-wetgeving wordt jaarlijks geregeld via de zogenaamde bijstellingsrege-lingen. In de toelichting bij de bijstellingsregelingen wordt een overzichtgegeven van alle bedragen die geïndexeerd worden met de tcf.Voor 2025 bedraagt de tabelcorrectiefactor 1,2%. Dat betekent dat de teindexeren bedragen in 2025 met 1,2% verhoogd worden ten opzichte vanhet niveau in 2024. Zonder toepassing van de tabelcorrectiefactor zoudende parameters dezelfde hoogte hebben als in 2024 (beleidsmatigewijzigingen buiten beschouwing latend).De jaarlijkse indexatie met de tcf heeft geen lastenrelevante budgettairegevolgen. Als besloten wordt om niet of minder te indexeren heeft dit welbudgettaire gevolgen. Bij de directe belastingen, zoals de loon- eninkomstenbelasting, leidt het indexeren van het overgrote deel van debedragen tot lagere belastingopbrengsten en niet of minder indexerendaarmee tot een budgettaire opbrengst. Bij de indirecte belastingen, zoalsde brandstofaccijns en de energiebelasting, is juist sprake van hogerebelastinginkomsten als gevolg van indexatie en leidt een lagere indexatietot een budgettaire derving.Het grootste budgettaire effect van het niet doorvoeren van de indexatiezit in de loon- en inkomstenbelasting. Alle schijfgrenzen en heffingskor-tingen worden op deze manier niet gecorrigeerd voor inflatie. Daarnaastgrijpt de indexatie aan op de hoogste grens van het eigenwoningforfait,het drempelbedrag voor specifieke zorgkosten, de maximale giftenaftrek,het reiskostenforfait en de vermogenstoets voor toeslagen. Via dealgemene heffingskorting (AHK) is er ook doorwerking in de hoogte vanuitkeringen. Een lagere AHK leidt tot lagere netto-uitkeringen.De totale budgettaire opbrengst van het in 2025 niet indexeren in de loon-en inkomstenbelasting bedraagt circa 1,3 miljard euro. Budgettair zittenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2622 de grootste effecten bij de AHK en uitkeringen (bijna 40% van deopbrengst) en arbeidskorting (ruim 30% van de opbrengst).De leden van de fractie van het ChristenUnie vragen naar de ambitie vanhet kabinet om de soms extreme marginale druk voor alleenverdienersterug te brengen. Zij wijzen daarbij op de motie Grinwis/Omtzigt.12 Hetklopt dat in het huidige stelsel de marginale druk soms zeer hoog kan zijn.Dat komt doordat belastingtarieven kunnen stapelen met de afbouw vanheffingskortingen, toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen.Zoals ook beschreven in de reactie op de genoemde motie is dit binnenhet huidige stelsel niet goed op te lossen.13 Er is een stelselherzieningvoor nodig. Het kabinet heeft de ambitie om samen met uw Kamerwetgeving voor te bereiden voor een hervorming van het belasting- entoeslagenstelsel. Dat (meer) werk merkbaar loont, is daarbij een van dedoelen. De taakopdracht voor de hervorming van het belasting- entoeslagenstelsel zal ik voor het herfstreces naar uw Kamer sturen. Vanafhet voorjaar 2025 willen wij met uw Kamer een open gesprek aangaanaan de hand van een brief met ook enkele varianten en keuzeopties.De leden van de fractie van de SP vragen wat het kabinet vindt van dehuidige vermogensongelijkheid en of het kabinet plannen heeft daar wataan te veranderen en of het kabinet in dat kader principieel bezwaar heefttegen een vermogensbelasting voor de hoogste vermogens, bijvoorbeeldspecifiek gericht op de één procent rijksten.Een veel gebruikte maatstaf voor vermogensongelijkheid is deGini-coefficient. Het CBS berekent deze maatstaf voor de vermogensonge-lijkheid voor huishoudens in Nederland. In 2022 bedroeg deGini-coëfficiënt voor de vermogensverdeling in Nederland 0,71 en in 2011was dit 0,78. In termen van Gini-coëfficiënt is de vermogensongelijkheidin Nederland in de periode 2011–2022 dus gedaald. De Gini-coefficientwordt net als andere maatstaven gedomineerd door het eigen woning-bezit, simpelweg omdat dit een heel groot aandeel vormt in het vermogenvan Nederlandse huishoudens. De waarde van het eigenwoningbezitneemt sinds een aantal jaren alleen maar toe, en daarmee daalt deGini-coefficient en de vermogensongelijkheid. Ook andere maatstavenlaten een daling zien van de ongelijkheid. Het aandeel van het vermogenvan de top 1% in het totale vermogen is de afgelopen jaren gedaald, vanongeveer 30% naar 22%. Ook het aandeel van de top 0,1% is gedaald, vanrond de 13% naar 8%.Als we kijken naar een langere periode vanaf 2006, dan kan wordengeconstateerd dat tussen 2006 en 2022 de vermogensverdeling inNederland vrij stabiel is, zoals ook in heet IBO Vermogensverdeling wordtgeconstateerd.14 Om dit feit te kunnen begrijpen is het goed te weten doorwelke verschillende factoren de vermogensverdeling wordt beïnvloed. Devermogensopbouw van huishoudens en de vermogensverdeling wordtgedreven door overheidsbeleid, macro-economische factoren enzelfversterkende effecten. De inrichting van de verzorgingsstaat speelt eengrote rol bij de keuze van huishoudens hoeveel vermogen aan te houdenen overheidsbeleid op de onderwerpen onderwijs, arbeidsmarkt en zorgbeïnvloeden de vermogensverdeling aan de voorkant. Fiscaal beleid,toeslagen en uitkeringen richten zich op herverdeling nadat het vermogenis opgebouwd. Daarnaast hebben macro-economische ontwikkelingeneen grote invloed op de vermogensopbouw en de verdeling. Econo-mische ontwikkelingen kunnen het spaargedrag beïnvloeden. Denk aanontwikkelingen van de huizenprijzen en ontwikkeling van werkloosheid.12Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 85.13Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 146.14Rijksoverheid, Licht uit, spot aan: de vermogensverdeling, Interdepartementaal Beleidson-derzoek, 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2623 Daarnaast is het goed te beseffen dat een fors deel van de vermogenson-gelijkheid wordt veroorzaakt door de leeftijdssamenstelling van debevolking. Vermogen wordt gedurende de levensloop opgebouwd engemiddeld genomen zullen oudere huishoudens dan meer vermogenbezitten dan jongere huishoudens.Zoals het IBO Vermogensverdeling en het CPB-rapport «De lange wegnaar de top: de vermogensmobiliteit in Nederland»15 is een optimalevermogensverdeling niet vast te stellen. Een te hoge vermogensconcen-tratie heeft negatieve effecten op de economie en maatschappij alsgeheel.Te weinig vermogensongelijkheid kan juist weer schadelijk zijn voor deeconomie en welvaart. Een zeker mate van vermogensongelijkheid is danook een kenmerk van een gezonde concurrerende economie. Dit biedtprikkels om ondernemingen te starten of te investeren in ondernemingenwat goed is voor de economische dynamiek Ondernemen, investeren enbeleggen brengt risico met zich mee en waarbij het vermogen vansommige huishoudens toeneemt terwijl dat van andere huishoudensafneemt. Daarnaast heeft ondernemingsvermogen een grote maatschap-pelijk waarde wanneer dit vermogen zit in ondernemingen die werkgele-genheid bieden en wanneer dit vermogen wordt ingezet om in te spelenop uitdagingen in de toekomst zoals duurzaamheid.Samenvattend gesteld laat de vermogensonmogelijkheid zich niet goed ineen cijfer vangen en kan er ook niet op een vermogensongelijkheids-maatstaf worden gestuurd door overheidsbeleid.Zoals het IBO Vermogensverdeling ook heeft toegelicht kan overheids-beleid verschillen tussen huishoudens binnen de bestaande vermogens-ongelijkheid vergroten of verkleinen, zo ook fiscaal beleid. Het IBO-rapportmaakte helder dat bestaande fiscale onevenwichtigheden in het belastenvan inkomen uit arbeid en vermogen de verschillen tussen huishoudensin de bestaande vermogensverdeling vergroot.Daarop is in de afgelopen jaren is een pakket aan maatregelen genomendie de lasten op vermogen verzwaren met een opbrengst van maar liefst5 miljard euro. Met deze maatregelen zijn forse stappen gezet in hetherstel van het belasten van verschilleden vormen van vermogen en hetglobale evenwicht in de belastingdruk op verschillende vormen vanarbeid. Ook is het aannemelijk dat met de genomen maatregelen delastendruk van de top 1% rijkste huishoudens meer toeneemt dan die vanandere huishoudens.Verder wordt ook door dit kabinet er hard gewerkt aan het invoeren vanhet nieuwe box-3 stelsel dat het werkelijk rendement belast. Het belastenvan het werkelijk rendement op vermogen in box 3 sluit aan bij hetgelijker belasten vermogen en zorgt ervoor dat bestaande verschillentussen huishoudens niet worden vergroot door overheidsbeleid.De leden van de fractie van de SGP wijzen op het feit dat arbeidsonge-schikten, zoals mensen met een IVA-uitkering, geen recht hebben op dearbeidskorting. Door de jarenlange stijging van deze korting en ook doorde stijging die in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld, worden zij op fiscaleachterstand gezet. Waar werkenden wel recht op de arbeidskortinghebben, hebben arbeidsongeschikten dat niet. Terwijl de grondslag van deuitkering gekoppeld is aan het laatstverdiende loon. De leden vragenwelke oplossing de regering ziet om deze onrechtvaardigheid op telossen.Het kabinet ontvangt regelmatig berichten van burgers met eenIVA-uitkering die geen recht hebben op arbeidskorting. Arbeidsongeschiktraken betekent over het algemeen een inkomensachteruitgang en veelburgers ervaren het als onrechtvaardig dat ook het recht op arbeids-korting in deze situatie komt te vervallen.15CPB, Inkomens en belastingen aan de top in Nederland, 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2624 In dit Belastingplan is in ieder geval geen (verdere) verhoging van dearbeidskorting voorgesteld. Met het koopkrachtpakket dat op Prinsjesdagis gepresenteerd, is de koopkrachtontwikkeling tussen werkenden enmensen met een uitkering in balans. Deze signalen en zorgen neemt hetkabinet ook mee bij de stappen die worden gezet richting de hervormingen vereenvoudiging van het belasting- en toeslagenstelsel.De leden van de fractie van de SGP vragen zich af hoe het kabinet ervoorgaat zorgen dat de kloof tussen één- en tweeverdieners afneemt. In deafgelopen jaren is er gericht beleid gevoerd om de economischeonafhankelijkheid van beide partners in een meerpersoonshuishouden testimuleren. Dit kabinet heeft geen specifieke doelstelling opgenomen overde verhouding tussen één- en tweeverdieners. Wel kijkt het kabinet bijieder besluitvormingsmoment naar evenwichtigheid in het koopkracht-beeld. De verhouding tussen één- en tweeverdieners is hier een onderdeelvan.De leden van de fractie van de SGP vragen naar de hoogte van deinkomstenbelasting, de arbeidskorting, de algemene heffingskorting, deinkomensafhankelijke combinatiekorting en de totale netto belasting dieeen huishouden afdraagt voor huishoudens met verschillende inkomens-situaties. Tabel 9 toont de gevraagde informatie voor deze huishoudens.Bij de berekeningen is verondersteld dat de huishoudens bestaan uitfiscaal partners met twee kinderen tussen de 6 en 11 jaar oud en dat er bijbeide partners sprake is van arbeidsinkomen (met uitzondering vanhuishoudens C en D, waar een van de partners geen inkomen heeft).Tabel 9 brutonettotraject huishoudens met verschillende inkomensniveaus in 2025Huishouden ABelastbaarinkomenIBAHKAKIACKTotaalbetaalde IBNetto inkomenPartner 120.0007.1643.0683.3321.586020.000Partner 220.0007.1643.0683.332– 76419.236Huishouden BBelastbaarinkomenIBAHKAKIACKTotaalbetaalde IBNetto inkomenPartner 130.00010.7462.9675.3042.731030.000Partner 230.00010.7462.9675.304– 2.47527.525Huishouden CBelastbaarinkomenIBAHKAKIACKTotaalbetaalde IBNetto inkomenPartner 140.00014.3542.3335.530– 6.49133.509Partner 2003.0680– 00Huishouden DBelastbaarinkomenIBAHKAKIACKTotaalbetaalde IBNetto inkomenPartner 160.00021.8501.0664.497– 16.28743.713Partner 2003.0680– 00Huishouden EBelastbaarinkomenIBAHKAKIACKTotaalbetaalde IBNetto inkomenPartner 125.0008.9553.0684.833– 1.05423.946Partner 215.0005.3733.0681.8301.014015.000Huishouden FBelastbaarinkomenIBAHKAKIACKTotaalbetaalde IBNetto inkomenPartner 145.00016.2282.0165.473– 8.73936.261Partner 215.0005.3733.0681.8301.014015.000Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2625 De leden van de fractie van de SGP vragen naar de reden van dekoppeling van het afbouwpunt van de arbeidskorting met de algemeneheffingskorting. Het inkomen waarop de algemene heffingskorting begintmet afbouwen wordt met ingang van volgend jaar gekoppeld aan dehoogte van het wettelijk minimumloon. Hierdoor bouwt de AHK af vanafeen hoger inkomen en heeft iemand die het minimumloon verdient rechtop de maximale AHK. Het afbouwpunt wordt voortaan jaarlijksgeïndexeerd met de WML-ontwikkeling in plaats van met de tabelcorrec-tiefactor. Ook de inkomens waarbij een knik in de arbeidskorting plaats-vindt zijn gekoppeld aan het WML, maar wel aan andere percentages vanhet WML en daarmee andere inkomenshoogtes dan bij de AHK. Hetafbouwpunt van de AHK en de knikpunten van de AK worden per 2025dus jaarlijks geïndexeerd volgens dezelfde methode, op basis van deWML-ontwikkeling. Dit betekent niet dat deze knikpunten direct aan elkaargekoppeld zijn. De hoogte van de knikpunten in de AHK en AK kunnenonafhankelijk van elkaar gewijzigd worden als daar aanleiding toe is. Ookvragen deze leden naar de budgettaire gevolgen van de koppeling van hetafbouwpunt ten opzichte van de situatie waarin enkel wordt geïndexeerd.De budgettaire derving van het koppelen van het afbouwpunt van de AHKaan de hoogte van het WML is weergegeven in onderstaande tabel 10. Deraming betreft de budgettaire gevolgen van het terugdraaien van dekoppeling in een situatie waarin de andere maatregelen in box 1 zoalsopgenomen in het Belastingplan wel doorgang vinden. De budgettairegevolgen wijken daarom af van de in de budgettaire paragraaf van hetBelastingplan opgenomen reeks, waarbij de koppeling onderdeel was vaneen pakket met diverse maatregelen die op elkaar doorwerken.Tabel 10 – Budgettaire gevolgen terugdraaien koppelen afbouwpunt AHK aan WML (inmln euro, prijzen 2024, «+» is saldoverbeterend/lastenverzwarend)2025202620272028strucTerugdraaien koppelenafbouwpunt AHK aan WML1.5251.5921.6641.8261.826 De leden van de fractie van de SGP vragen naar de budgettaire gevolgenvan de fiscale oplossing alleenverdieners in tussenliggende jaren. Tabel11 toont de totale budgettaire derving van de fiscale oplossing voor deeenverdienersproblematiek in alle jaren.Tabel 11 – Budgettaire gevolgen fiscale oplossing eenverdienersproblematiek (in mlneuro, prijzen 2024, «+» is saldoverbeterend/lastenverzwarend)20282029203020312032Fiscale oplossing eenverdie-nersproblematiek– 101– 90– 81– 70– 62 2033203420352036203720382039struc– 52– 42– 32– 22– 14– 700 De leden van de fractie van de SGP vragen wat het aangrijpingspunt vanhet toptarief zou zijn geweest als alleen rekening was gehouden met dereguliere inflatiecorrectie. Het aangrijpingspunt van het toptarief is€ 75.518 in 2024 en de tabelcorrectiefactor is 1,012. Als er alleengeïndexeerd zou worden, dan zou het aangrijpingspunt in 2025 uitkomenop € 76.425.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2626 4. Aangrijpingspunt toptarief verlagen en indexatie De leden van de fractie van de VVD lezen dat het verwerken van deindexatie van het toptarief meer werk kost dan de gemiddelde para-meteraanpassing. Zij vragen wat hier de reden van is.Het verwerken van de indexatie van het toptarief inkomstenbelastingvereist op meer plaatsen, dan bij een gemiddelde parameteraanpassing,aanpassingen van de applicaties.De leden van de fractie van NSC vragen waarom het aangrijpingspunt vanhet toptarief af en toe omhoog en dan weer omlaaggaat. Ook vragen zijwat de budgettaire effecten zijn van deze maatregel. 99 Ook de leden vande fractie van de ChristenUnie vragen om meer uitleg over het aangrij-pingspunt van het toptarief.De verhoging van het aangrijpingspunt toptarief in de inkomstenbelastingis het resultaat van verschillende besluiten. In het Belastingplan 2019 (BP2019) is een beleidsmatige verhoging opgenomen van het aangrij-pingspunt van het toptarief tot en met het jaar 2031. Bij de Voorjaarsbe-sluitvorming dit jaar is besloten het aangrijpingspunt juist te verlagen. Persaldo blijft er een beleidsmatige verhoging van het aangrijpingspunt over,maar deze verhoging is minder groot geworden. Als het aangrijpingspuntop een hoger bedrag wordt vastgesteld, vallen belastingplichtigen mindersnel in het toptarief in de inkomstenbelasting. De verlaging van hetaangrijpingspunt toptarief waartoe bij de voorjaarbesluitvorming isbesloten, levert vanaf 2025 € 200 miljoen per jaar op.16De tarieven en schijfgrenzen in de loon- en inkomstenbelasting wordenvrijwel jaarlijks gewijzigd bij het Belastingplan. Dit gebeurt vaak ombeleidsmatige redenen, zoals het verbeteren van de koopkracht vanburgers, of vanwege budgettaire redenen. Ook worden de schijfgrenzen(waaronder het aangrijpingspunt van het toptarief) vrijwel ieder jaargeïndexeerd, waardoor deze ook wijzigen. De indexatie gebeurt doormiddel van de Bijstellingsregeling Directe Belastingen.De leden van de fractie van het CDA vragen waarom er niet voor isgekozen om meer tariefschijven te introduceren in plaats van de heffings-kortingen aan te passen. Daarmee zou meer transparantie voor belasting-plichtigen bereikt kunnen worden volgens deze leden.Het kabinet is het met de leden van de fractie van het CDA eens dat hethuidige stelsel van belastingen en toeslagen erg ingewikkeld is. Heffings-kortingen met op- en afbouwpaden dragen niet bij aan de transparantievoor belastingplichtigen. Hier wordt – onder andere door de TweedeKamer – al meerdere jaren aandacht voor gevraagd, zonder dat ditdaadwerkelijk tot een hervorming heeft geleid. Zoals in de fiscalestrategische agenda17, het Hoofdlijnenakkoord18 en het regeerpro-gramma19 is beschreven, heeft het kabinet de ambitie om samen met hetparlement deze impasse te doorbreken en stapsgewijs toe te werken naareen hervorming en vereenvoudiging van het belastingstelsel en hettoeslagenstelsel. In ieder geval in het najaar stuurt het kabinet eentaakopdracht voor de aanpak van de hervorming van het belasting- entoeslagenstelsel naar uw Kamer. Vanaf het voorjaar 2025 wil het kabineteen open gesprek aangaan aan de hand van een brief met ook enkelevarianten en keuzeopties. Dit soort ideeën over het belastingstelsel zijnerg welkom en zullen betrokken worden bij de uitwerking van dehervorming. Daarbij zal uiteraard ook de evaluatie heffingskortingen entariefstructuur betrokken worden.16Kamerstukken II 2023/24, 36 550, nr. 1.17Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 207.18HOOP, LEF EN TROTS – Hoofdlijnenakkoord 2024 – 2028 van PVV, VVD, NSC en BBB.19Kamerstukken II 2024/25, 36 471, nr. 96.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2627 Het introduceren van meerdere tariefschijven in de loon- en inkomstenbe-lasting is voor de Belastingdienst geen parameterwijziging, maar eenstructuurwijziging. Voor een structuurwijziging geldt dat het niet mogelijkis om een besluit dat in augustus genomen wordt, al in het eerstvolgendebelastingjaar uit te voeren. Op dit moment wordt onderzocht vanaf welkjaar het weer mogelijk is om structuurwijzigingen door te voeren in deinkomensheffing.20 Dat heeft onder andere te maken met het herstel-proces voor box 3 naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad injuni van dit jaar.21 Ook werkt de keten Inkomensheffingen meerjarig aande uitfasering van de verouderde programmeertaal (Cool:Gen). In de weekvan 14 oktober wordt uw Kamer via een aparte brief nader geïnformeerdover de effecten van de Hoge Raad arresten van 6 en 14 juni jl. op deIV-ruimte binnen de keten Inkomensheffingen (IH) en de gevolgen hiervanvoor structuurwijzigingen.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar meer informatieover de indexatie van het aangrijpingspunt toptarief. Zij vragen ook of decorrectie met terugwerkende kracht geldt en of er andere voorbeelden zijnwaarbij de tabelcorrectiefactor niet is doorgevoerd.In de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II waren wijzigingen van hetaangrijpingspunt toptarief voor vele jaren in de toekomst geregeld.Daarbij was ook geregeld dat bij het begin van het kalenderjaar debedragen telkens geïndexeerd werden. In het Belastingplan 2019 is eendeel van deze wijzigingen overgenomen en zijn tevens bepalingen uit deWet maatregelen woningmarkt 2014 II vervallen. Daarbij is voor de jarenvanaf 2025 per abuis geen bepaling meer opgenomen waarmee debedragen geïndexeerd werden, terwijl hier in de budgettaire reeksen welrekening mee was gehouden. De indexatiebepaling voor de jaren vanaf2025 is nu alsnog opgenomen in dit Belastingplan. Er is geen sprake vanterugwerkende kracht. Het indexeren van de bedragen was altijd al debedoeling, maar bij het Belastingplan 2019 is zoals gezegd een omissieontstaan die nu wordt hersteld.Het kabinet kent geen andere voorbeelden waarbij de tabelcorrectiefactoronbewust niet is doorgevoerd. Het is wettelijk vastgelegd dat velebedragen in belastingwetten jaarlijks geïndexeerd worden door middelvan de Bijstellingsregeling directe belastingen en de Bijstellingsregelingindirecte belastingen. Het niet toepassen van de tabelcorrectiefactor bijhet begin van het kalenderjaar daarentegen vraagt een bewuste keuze vanhet kabinet en parlement: niet indexeren moet namelijk wettelijk geregeldworden. Dit is in 2024 bijvoorbeeld gebeurd.5. Terugdraaien verhoging box 2-tarief De leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, D66 en de SGPvragen naar de onderbouwing van de voorgestelde maatregel om deverhoging van het tarief van de tweede schijf van box 2 terug te draaien.De leden van de fractie van de SP vragen naar de verklaring voor dezekeuze in het licht van de recente rapporten van het Centraal Planbureau(CPB) over de belastingdruk van verschillende vermogensgroepen. Deleden van de fracties van GroenLinks-PvdA en D66 vragen waarom hetargument daarvoor relevant is, aangezien het verschil in toptarief voordeze wijziging 0,79 procentpunt is (box 2 tarief hoger), en na de wijziging0,70 procentpunt (werknemers hoger) vrijwel even groot is. Verder vragende leden van de fractie van GroenLinks-PvdA waarom dan niet is gekozen20Kamerstukken II 2024/25, 36 602 nr. 5, bijlage Overzicht uitvoerbaarheid: inzicht in samenloopbeleid en uitvoering Belastingdienst en uiterste data parameteraanpassingen21Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, ECLI:NL:HR:2024:705, ECLI:NL:HR:2024:771,ECLI:NL:HR:2024:756 en ECLI:NL:HR:2024:813. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:855,ECLI:NL:HR:2024:856, ECLI:NL:HR:2024:857 en ECLI:NL:HR:2024:860.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2628 voor een zodanige verlaging dat de twee toptarieven in box 1 en in box 2gelijk zijn. De leden van de fractie van de SGP vragen waarom er dan nietvoor wordt gekozen om ook in box 2 een toptarief van 49,5% te hanteren.Het doel van de voorgestelde maatregel is niet om de eerder geboektevooruitgang ongedaan te maken, zoals de leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA stellen. Met deze maatregel is wel een beter globaalevenwicht beoogd. Als gevolg van de verhoging van het box 2-tarief naar33% per 1 januari 2024 bedroeg het effectieve toptarief voor aanmerkelijk-belanghouders 50,29%. Voor werknemers is dat 49,5% en voorIB-ondernemers 44,8%. Een effectief toptarief in box 2 van 48,8% alsgevolg van de voorgestelde maatregel wijkt niet veel af van het tarief voorwerknemers van 49,5%. Het is onverstandig deze tarieven te ver uit elkaarte laten lopen, want dit leidt tot fiscaal gedreven gedrag. Daardoor kiezenondernemers een rechtsvorm die alleen is bedoeld om belasting tebesparen en niet die het beste bij de onderneming past. Met de voorge-stelde maatregel om het box 2-tarief met 2%-punt te verlagen komt hettoptarief voor aanmerkelijkbelanghouders uit op 48,8% en wordt een beterglobaal evenwicht in de tarieven bereikt. Nu bestaat er voor de aanmerke-lijkbelanghouder de mogelijkheid de winstuitdeling uit te stellen. Het isniet exact duidelijk in welke mate dit gebeurt. Bij de sturing op globaalevenwicht wordt geabstraheerd van dit onzekere voordeel van belasting-uitstel. Door het box 2-tarief te verlagen, zoals in het onderliggendevoorstel, wordt in elk geval de prikkel tot dit belastinguitstel verkleind.Twee recente CPB-rapporten22 gaan over vermogensongelijkheid en hetbelang van aanmerkelijkbelangvermogen daarbij. Daaruit blijkt ook dat demeeste winst uit een aanmerkelijk belang in de praktijk niet wordenuitgekeerd. Voor het kabinet zijn vermogensongelijkheid en het oppottenvan winstreserves belangrijke aandachtspunten. Inmiddels is per 1 januari2023 de Wet Excessief lenen bij eigen vennootschap in werking getreden.Deze wet beoogt het lenen van de eigen vennootschap te ontmoedigendoor voor zover sprake is van excessieve geldleningen deze te belasten inbox 2. Maar dit neemt niet weg dat het op peil houden en blijven van hetglobaal evenwicht tussen de boxen volgens het kabinet eveneensblijvende aandacht behoeft. De keuze voor de maatregel om het box2-tarief met 2%-punten te verlagen is het resultaat van een politiekeafweging. Daarbij is ervoor gekozen om de maatregel die in 2023 bijamendement is ingebracht en die heeft geleid tot minder globaalevenwicht weer terug te draaien.De leden van de fractie van de PVV lezen dat er situaties zijn waarin debelastingdruk in box 3 hoger uitvalt dan in box 2 en vragen of de regeringkan aangeven welke gevallen dit zijn. Deze leden vragen in hoeverre dit istoe te rekenen aan de toepassing van de forfaitaire percentages en of dezehogere belastingdruk alleen geldt voor overige bezittingen of ook voorbanktegoeden.De vraag hoe de belastingdruk precies uitvalt, is sterk afhankelijk van despecifieke omstandigheden. In de memorie van toelichting is aangegevendat het toptarief voor een box-3-aandeelhouder (die kortweg minder dan5% van de aandelen bezit) hoger kan uitvallen dan het toptarief van eenvergelijkbare aanmerkelijkbelanghouder (die kortweg ten minste 5% vande aandelen bezit). De gemiddelde, effectieve, belastingdruk hangt echterook af van zaken als het heffingvrije vermogen in box 3 of de verdelingvan het inkomen over de schijven in box 2.De leden van de fractie van de PVV lezen dat door het verlagen van hettoptarief de prikkel tot belastinguitstel wordt verkleind. Zij geven aan datde regering tegelijkertijd stelt dat het niet exact duidelijk is in welke mate22CPB-rapporten «Inkomens en belastingen aan de top» (mei 2024) en «De lange weg naar detop: vermogensmobiliteit in Nederland», (augustus 2024).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2629 dit gebeurt. Deze leden vragen of de regering aan kan geven waar deze«prikkel» op is gebaseerd en of dit te kwantificeren is. De winst in eenvennootschap wordt pas bij de aanmerkelijkbelanghouder belast als dezedaadwerkelijk wordt uitgekeerd of als de aandelen worden vervreemd. Ditbiedt de mogelijkheid deze belasting uit te stellen. Het voordeel hierinbestaat eruit dat het te betalen bedrag aan belasting minder waard wordtin de tijd. De waarde van dit voordeel hangt af van de specifieke situatieen de tijdswaarde die men aan het geld toekent. Ter illustratie kanverwezen worden naar de voorbeeldberekeningen in het rapport van hetIBO Vermogensverdeling, waar op pagina 91 in figuur 4.2 getoond wordtdat de effectieve belastingdruk met circa 8%-punt afneemt als dewinstuitkering uit de vennootschap twintig jaar uitgesteld wordt (vergelijk«Box 2 (BV)» met «Box 2 (BV + uitstel 20 jaar)»).De leden van de fractie van de PVV vragen of de regering kan aangevenwat de verhouding is van het aantal ondernemingen in box 2 tussen hetstarttarief en het toptarief sinds de invoering van het tweeschijventarief inbox 2. Deze leden vragen of de regering daarbij een prognose kan gevenvan de te verwachten verhouding tussen belastingaangifte in de eerste entweede schijf voor de komende jaren.Het tweeschijventarief in box 2 is ingevoerd per 2024. Er zijn op ditmoment nog geen realisatiegegevens beschikbaar over het belastingjaar2024. Volgens de raming die onder de tariefmaatregel in box 2 ligt, zal52,7% van de grondslag van box 2 in de eerste schijf vallen en 47,3% in detweede schijf. Hierbij is reeds rekening gehouden met de verwachtegedragseffecten die op de verdeling invloed hebben, namelijk dat fiscalepartners het inkomen zullen verdelen en dat de winstuitkeringen over detijd uitgesmeerd zullen worden. Voor een nadere toelichting kan wordenverwezen naar de Ramingstoelichtingen bij het Belastingplan 2025.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA stellen dat het kabinet in dememorie van toelichting onvolledige informatie verspreidt door slechtseen vergelijking van de toptarieven te bieden. Zij geven aan dat in dezevergelijking immers wordt uitgegaan van het hoge tarief in de vennoot-schapsbelasting, dat pas geldt vanaf een winst van meer dan € 200.000,terwijl het aangrijpingspunt in box 1 in 2024 op € 75.519 ligt. Zij stellendat voor al het inkomen in box 2 tussen € 75.519 en € 200.000 hetgecombineerde tarief in 2024 dus op 45,73% ligt: fors lager dan de 49,5%in box 1. Deze leden vragen of de regering kan bevestigen dat het tariefvoor IB-ondernemers lager ligt door het bestaan van demkb-winstvrijstelling en of de regering het ermee eens is dat de oorzaakvan het gebrek aan globaal evenwicht dus daar ligt en niet bij eenzogenaamd te hoog box-2-tarief.Het is juist dat het tarief voor IB-ondernemers lager ligt door het bestaanvan de mkb-winstvrijstelling. Het klopt dat het versoberen van demkb-winstvrijstelling kan bijdragen aan het globaal evenwicht. In hetrecente Bouwstenenrapport23 worden hiervoor voorstellen aangedragen.Een te hoog box-2-tarief kan echter wel een probleem blijven in devergelijking met de werknemer. De maatregel in het Belastingplan komthieraan tegemoet.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe het kabinet kanbeweren dat de voorgestelde maatregel globaal evenwicht dichterbijbrengt, terwijl het verschil in belastingheffing tussen box 1 en box 2 juistweer groter wordt, gelet op het feit dat aanmerkelijkbelanghouders ookgebruik kunnen maken van het lage tarief in de vennootschapsbelasting.23Rapport Belastingen in maatschappelijk perspectief. Bouwstenen voor een beter en eenvou-diger belastingstelsel, 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2630 De vraag of en hoe globaal evenwicht bereikt kan worden, kent verschil-lende aspecten die vaak sterk afhankelijk zijn van de specifieke situatie. Bijde vergelijking bijvoorbeeld tussen IB-ondernemers in box 1 endirecteuren-grootaandeelhouders (dga’s) in box 2 dient ook rekeninggehouden te worden met de gebruikelijkloonregeling die ervoor zorgt datde belastingdruk bij de dga’s in veel gevallen hoger ligt dan bij deIB-ondernemer (zie hiervoor ook de tabellen met vergelijking in belas-tingdruk elders in de beantwoording). Een te hoog box-2-tarief aan de topzorgt ervoor dat het globaal evenwicht verder buiten bereik ligt. Demaatregel in het Belastingplan draagt eraan bij dit recht te trekken.De leden van de fractie van de VVD vragen wat de verwachte gedragsef-fecten zijn door het lagere box 2-tarief. Deze leden vragen of de extrabelastingopbrengst als gevolg van het minder uitstellen van winstuit-kering meegenomen is in de raming en, zo niet, of het mogelijk is in teschatten hoe groot deze effecten zijn. De leden van de fractie van het CDAvragen hoeveel meer box-2-heffing met de verlaging van het hoge tariefwordt verwacht.Het is bekend dat aanmerkelijkbelanghouders sterk reageren op aanpas-singen in het box-2-tarief. Hier is rekening mee gehouden in de raming.Zo is meegenomen dat een deel van de winstuitkeringen uitgesteld zalworden naar volgend jaar als het tarief verlaagd zal zijn. Verder ismeegenomen dat aanmerkelijkbelanghouders de winstuitkeringen zullenuitsmeren om gebruik te maken van de ruimte in de eerste schijf. Heteffect dat door een lager box-2-tarief er per saldo minder uitgesteld zalworden, is niet meegenomen in de raming, aangezien het moeilijk is dit tekwantificeren. Overigens zou dit effect vooral een verschuiving vanbelastinggrondslag in de tijd inhouden en in principe niet een veranderingvan deze grondslag. Voor een toelichting van de verschillende elementendie zijn meegenomen in de raming van de opbrengst kan wordenverwezen naar de Ramingstoelichtingen bij het Belastingplan 2025.De leden van de fractie van het NSC vragen hoeveel de effectievebelastingdruk bedraagt voor aanmerkelijkbelanghouders als de volledigewinst niet wordt uitgedeeld.In het geval dat de volledige winst nooit zou worden uitgedeeld, zou deeffectieve belastingdruk voor aanmerkelijkbelanghouders neerkomen ophet tarief van de vennootschapsbelasting. Deze bedraagt 19% voor deeerste € 200.000 aan belastbare winst en 25,8% voor het deel daarboven.De leden van de fractie van NSC vragen of het klopt dat AB-houders vaakgebruikmaken van leningen uit hun eigen vennootschap en daardoorgeen winst hoeven uit te keren. Deze leden vragen of het klopt dat deeffectieve belastingdruk dan veel lager is.Het is juist dat aanmerkelijkbelanghouders (hierna: AB-houders) gebruik-maken van de wettelijke mogelijkheid om te lenen van hun eigenvennootschap. Indien en voor zover AB-houders daarvoor kiezen, hoevenzij geen winst uit te keren. Dat neemt niet weg dat een belastingclaim blijftrusten op de niet uitgekeerde winst. Overigens betekent dit niet dat deAB-houder in alle gevallen geen belasting is verschuldigd over zijngeldlening uit de eigen vennootschap. Per 1 januari 2023 is de WetExcessief lenen bij eigen vennootschap in werking getreden. Deze wetbeoogt het lenen van de eigen vennootschap te ontmoedigen door indienen voor zover sprake is van een excessieve geldlening deze te belasten inbox 2. Om het bovenmatige deel van een schuld van een AB-houder bijzijn of haar eigen vennootschap te bepalen, geldt op grond artikel 4.14aWet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) een kwantitatieve grens die isvormgegeven als het zogenoemde maximumbedrag. Het maximum-bedrag geldt voor de aanmerkelijkbelanghouder en zijn partnergezamenlijk. Dit maximumbedrag bedraagt € 500.000. Wanneer het totaalTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2631 aan schulden op de peildatum meer bedraagt dan het maximumbedrag(of het bedrag dat resulteert na verhoging met een eerder in aanmerkinggenomen fictief regulier voordeel), wordt het meerdere als fictief reguliervoordeel belast.De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet de opvatting deeltdat een andere manier om voor globaal evenwicht te zorgen is om detarieven van de andere boxen te verhogen, in plaats van het box 2 tarief teverlagen.Ja, het verhogen van de tarieven in de andere boxen zou eveneenskunnen leiden tot een herstel van globaal evenwicht tussen de boxen.Maar het kabinet vindt het niet wenselijk om de belastingdruk op arbeid(box 1) te verhogen; dit tarief geldt ook voor IB-ondernemers. Daarom isniet gekozen voor het verhogen van de tarieven in de andere boxen.De leden van de fractie van D66 constateren dat het verschil in toptariefvoor deze wijziging 0,79%-punt is (box 2-tarief hoger), en na de wijziging0,70%-punt (werknemers hoger). Deze leden vragen in hoeverre hetargument van globaal evenwicht hier dan relevant is, aangezien hetverschil vrijwel even groot is. Zij vragen of de regering de conclusie deeltdat het herstellen van globaal evenwicht niet de juiste onderbouwing vande maatregel is.De maatregel verkleint het verschil in toptarief tussen aanmerkelijkbelang-houders en IB-ondernemers en draagt daardoor bij aan het globaalevenwicht. Daarnaast is het doel van de maatregel ook te voorzien in eenstructurele lastenverlichting voor ondernemers.De leden van de fractie van D66 vragen waarom er niet is voorzien in eenevaluatie van de maatregel.Met de maatregel wordt beoogd te voorzien in een structurele lastenver-lichting voor ondernemers en meer globaal evenwicht in het toptarieftussen aanmerkelijkbelanghouders, IB-ondernemers en werknemers. Demaatregel voorziet per definitie in deze doelstellingen. Een evaluatie isdaarom niet nodig.De leden van de fractie van het CDA lezen dat wordt voorgesteld het hogetarief in box 2 te verlagen naar 31% waarmee het toptarief uitkomt op48,8% wat meer in lijn wordt geacht met het IB-toptarief van 49,50%. Deleden van de fractie van het CDA vragen waar het AB-toptarief op uit wasgekomen bij een verlaging naar 32%. Ook lezen deze leden dat hetgecombineerde toptarief voor box 3 aandeelhouders 52,51% is. De ledenvan de fractie van het CDA vragen wat dit verschil betekent voor hetonwenselijke «boxhoppen», waarbij vermogenden hun vermogenverplaatsen van box 3 naar box 2.Bij een tarief van de tweede schijf van box 2 van 32% bedraagt hettoptarief voor aanmerkelijkbelanghouders 49,54%. Met de voorgesteldemaatregel om het tarief van de tweede schijf van box 2 met 2%-punten teverlagen komt het toptarief voor aanmerkelijkbelanghouders uit op 48,8%.Het gecombineerde toptarief voor een box 3-aandeelhouder bedraagt bijeen box 3-tarief van 36% inderdaad 52,51%. Deze vergelijking ziet echterop de situatie dat een aandeelhouder kortweg 5% of meer dan wel minderdan 5% van de aandelen van een onderneming bezit. Het verschijnselboxhoppen ziet echter op een andere situatie waarin een bepaaldvermogensbestanddeel hetzij in privé in box 3, dan wel in een vennoot-schap in box 2 wordt gehouden. In dat geval moet het tarief in box 3worden afgezet tegen het gecombineerde tarief van vennootschapsbe-lasting en de heffing in box 2. Het hangt dan af van feiten en omstandig-heden hoe de drukvergelijking uitvalt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2632 De leden van de fractie van het CDA lezen dat wordt voorgesteld het hogetarief in box 2 te verlagen naar 31% waarmee het toptarief uitkomt op48,8% wat meer in lijn wordt geacht met het IB-toptarief van 49,50%. Deleden van de fractie van het CDA vragen waar het AB-toptarief op uit wasgekomen bij een verlaging naar 32%. Ook lezen deze leden dat hetgecombineerde toptarief voor box 3 aandeelhouders 52,51% is. De ledenvan de fractie van het CDA vragen wat dit verschil betekent voor hetonwenselijke «boxhoppen», waarbij vermogenden hun vermogenverplaatsen van box 3 naar box 2.Bij een tarief van de tweede schijf van box 2 van 32% bedraagt hettoptarief voor aanmerkelijkbelanghouders 49,54%. Met de voorgesteldemaatregel om het tarief van de tweede schijf van box 2 met 2%-punten teverlagen komt het toptarief voor aanmerkelijkbelanghouders uit op 48,8%.Het gecombineerde toptarief voor een box 3-aandeelhouder bedraagt bijeen box 3-tarief van 36% inderdaad 52,51%. Deze vergelijking ziet echterop de situatie dat een aandeelhouder kortweg 5% of meer dan wel minderdan 5% van de aandelen van een onderneming bezit. Het verschijnselboxhoppen ziet echter op een andere situatie waarin een bepaaldvermogensbestanddeel hetzij in privé in box 3, dan wel in een vennoot-schap in box 2 wordt gehouden. In dat geval moet het tarief in box 3worden afgezet tegen het gecombineerde tarief van vennootschapsbe-lasting en de heffing in box 2. Het hangt dan af van feiten en omstandig-heden hoe de drukvergelijking uitvalt.De leden van de fractie van het CDA vragen om een overzicht van degemiddelde belasting- en premiedruk voor 2025 van werknemers,ib-ondernemers en dga’s, zoals bij Belastingplan 2024 in beantwoordingop vragen van de Eerste Kamer is gestuurd. De tabellen hieronder gevenhet gevraagde overzicht van de gemiddelde belasting- en premiedruk in2025. Ter vergelijking zijn ook de tabellen voor 2024 opgenomen. Deze zijnlicht gewijzigd ten opzichte van de vorig jaar gepubliceerde cijfers, omdatnu de realisaties voor 2024 zijn verwerkt en een specifieke fout bij deberekening van de belastingdruk voor een IB-ondernemer met € 100.000winst is hersteld.50.00075.000100.0002025wnIB-ond.DgawnIB-ond.DgawnIB-ond.DgaPensioenpremiewerkgever5,9%7,5%8,2%Overige werkge-verspremies16,9%16,5%16,3%Pensioenpremie(wn-deel)2,6%8,5%8,5%3,2%10,7%10,7%3,6%11,8%11,8%OptioneleAO-verzekering6,8%6,8%6,7%6,7%6,6%6,6%IAB Zvw3,6%4,5%3,5%4,4%3,5%4,0%Inkomstenbelas-ting box 110,8%8,5%15,8%18,1%17,3%24,2%22,3%22,4%27,8%Vennootschapsbe-lasting0,0%0,0%0,3%Inkomstenbelas-ting box 20,0%0,0%0,3%Reserveringwerkl./ziekte2,7%2,3%2,6%2,3%2,5%2,3%Totaal36,2%30,1%37,9%45,3%40,9%48,2%50,4%46,8%53,0%Waarvan IB en Vpb10,8%8,5%15,8%18,1%17,3%24,2%22,3%22,4%28,4% Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2633 150.000200.000250.0002025wnIB-ond.DgawnIB-ond.DgawnIB-ond.DgaPensioenpremiewerkgever9,5%9,2%7,3%Overige werkge-verspremies12,2%9,8%8,4%Pensioenpremie(wn-deel)4,1%13,6%13,6%4,0%13,1%13,1%3,2%10,5%10,5%OptioneleAO-verzekering4,6%4,6%3,5%3,5%2,8%2,8%IAB Zvw2,7%2,7%2,0%2,0%1,6%1,6%Inkomstenbelas-ting box 129,4%28,6%24,9%33,2%31,2%22,1%36,2%33,9%20,6%Vennootschapsbe-lasting3,4%5,5%7,1%Inkomstenbelas-ting box 23,5%5,7%7,6%Reserveringwerkl./ziekte2,4%1,9%2,1%2,0%2,0%1,8%Totaal55,2%51,9%54,6%56,2%51,9%53,8%55,1%50,8%51,9%Waarvan IB en Vpb29,4%28,6%31,8%33,2%31,2%33,3%36,2%33,9%35,2% 300.0002025wnIB-ond.DgaPensioenpremie werkgever6,1%Overige werkgeverspremies7,5%Pensioenpremie (wn-deel)2,6%8,8%8,8%Optionele AO-verzekering2,3%2,3%IAB Zvw1,3%1,3%Inkomstenbelasting box 138,2%35,7%19,0%Vennootschapsbelasting8,4%Inkomstenbelasting box 29,6%Reservering werkl./ziekte1,9%1,8%Totaal54,4%50,1%51,1%Waarvan IB en Vpb38,2%35,7%36,9% 50.00075.000100.0002024wnIB-ond.DgawnIB-ond.DgawnIB-ond.DgaPensioenpremiewerkgever6,2%7,6%8,4%Overige werkge-verspremies16,7%16,4%16,1%Pensioenpremie(wn-deel)2,6%8,8%8,8%3,3%10,9%10,9%3,6%11,9%11,9%OptioneleAO-verzekering6,7%6,7%6,6%6,6%6,5%6,5%IAB Zvw3,4%4,5%3,5%4,4%3,5%3,8%Inkomstenbelas-ting box 111,5%8,4%17,1%18,9%17,3%25,0%22,9%22,5%28,2%Vennootschapsbe-lasting0,0%0,0%0,4%Inkomstenbelas-ting box 20,0%0,0%0,4%Reserveringwerkl./ziekte2,6%2,3%2,6%2,2%2,5%2,2%Totaal37,1%30,0%39,4%46,2%40,8%49,1%51,0%46,8%53,4%Waarvan IB en Vpb11,5%8,4%17,1%18,9%17,3%25,0%22,9%22,5%29,0% Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2634 150.000200.000250.0002024wnIB-ond.DgawnIB-ond.DgawnIB-ond.DgaPensioenpremiewerkgever9,6%8,6%6,9%Overige werkge-verspremies11,6%9,4%8,0%Pensioenpremie(wn-deel)4,1%13,8%13,8%3,7%12,3%12,3%3,0%9,9%9,9%OptioneleAO-verzekering4,3%4,3%3,2%3,2%2,6%2,6%IAB Zvw2,5%2,5%1,9%1,9%1,5%1,5%Inkomstenbelas-ting box 130,1%28,5%25,2%34,0%31,5%22,6%36,8%34,2%20,9%Vennootschapsbe-lasting3,4%5,5%7,1%Inkomstenbelas-ting box 23,6%5,8%7,7%Reserveringwerkl./ziekte2,3%1,8%2,1%1,9%2,0%1,8%Totaal55,4%51,4%54,7%55,7%51,1%53,3%54,8%50,1%51,6%Waarvan IB en Vpb30,1%28,5%32,2%34,0%31,5%34,0%36,8%34,2%35,8% 300.0002024wnIB-ond.DgaPensioenpremie werkgever5,8%Overige werkgeverspremies7,2%Pensioenpremie (wn-deel)2,5%8,2%8,2%Optionele AO-verzekering2,2%2,2%IAB Zvw1,3%1,3%Inkomstenbelasting box 138,7%35,9%19,2%Vennootschapsbelasting8,4%Inkomstenbelasting box 29,7%Reservering werkl./ziekte1,9%1,7%Totaal54,1%49,4%50,8%Waarvan IB en Vpb38,7%35,9%37,4% 6. Aftrekbaarheid kosten en lasten die verband houden met eentot het ondernemingsvermogen behorende niet-zelfstandigewerkruimte De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of uiteengezet kanworden op welke manier een verduidelijking plaatsvindt over hetonderscheid zelfstandig en niet-zelfstandige werkruimte. De voorgesteldemaatregel bevat een verduidelijking inzake de aftrek van kosten en lastendie verband houden met een niet-zelfstandige werkruimte in een tot hetondernemingsvermogen behorende woning. Het onderhavigewetsvoorstel ziet derhalve niet op het onderscheid tussen de zelfstandigeen niet-zelfstandige werkruimte. Dat onderscheid is een al jarenlangbestaand onderscheid dat in wet en jurisprudentie is uitgewerkt. Concreetmoet beoordeeld worden of een werkruimte naar verkeersopvattingeneen zelfstandig deel van een woning vormt. Dat houdt in dat dewerkruimte een zodanige zelfstandigheid bezit dat de ruimte duidelijk teonderscheiden is door uiterlijke kenmerken. Daarbij kan gedacht wordenaan een eigen opgang of ingang, maar daarnaast kunnen ook devoorzieningen in de werkruimte zoals eigen sanitair van belang zijn. EenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2635 werkruimte die een dusdanige zelfstandigheid bezit, zou ook als zodanigverhuurd kunnen worden aan derden.247. Vereenvoudiging van de voertuigclassificaties in de autobelas-tingen De leden van de fracties van de VVD en de ChristenUnie vragen naar degevolgen van de vereenvoudiging van de voertuigclassificaties in demotorrijtuigenbelasting (mrb) voor individuele gevallen en of de wijzigingkan leiden tot onverwachte extra kosten.De vereenvoudiging van de voertuigclassificaties heeft geen negatievegevolgen voor de belastingplichtige. Over het algemeen verandert dehoogte van de mrb niet. In bepaalde individuele gevallen – minder dan0,1% van de motorrijtuigen – pakt de vereenvoudiging fiscaal gunstig uitvoor de belastingplichtige. Doordat de fiscaal-technische eisen aan eenbestelauto vervallen, zullen bepaalde motorrijtuigen namelijk niet langerfiscaal als personenauto worden aangemerkt maar als een bestelauto. Envoor bestelauto’s worden geen provinciale opcenten betaald, terwijl datvoor personenauto’s wel het geval is. Als dit motorrijtuig van eenondernemer is, wordt bovendien het lage ondernemerstarief voor hetrijksdeel van de mrb van toepassing. Het gaat dan om ondernemers die ernu voor kiezen om meer mrb te betalen doordat ze in een personenautorijden in plaats van in een (gelijkwaardige) bestelauto. Dat komt weinigvoor. Voor een motorrijtuig op diesel met een gewicht van ongeveer 1.800kilo is het voordeel in mrb (rijksdeel en opcenten25 bij een personenauto)ongeveer € 150 per maand (in prijzen 2024). De motorrijtuigen die door destroomlijning fiscaal niet langer als personenauto worden aangemerktmaar als een bestelauto worden daarnaast goedkoper in de belasting vanpersonenauto’s en motorrijwielen. De vereenvoudiging van de voertuig-classificaties leidt hierdoor tot een bescheiden budgettaire derving van€ 1 miljoen. Er zijn bij de Belastingdienst geen concrete individuelegevallen in beeld waarbij méér mrb wordt verschuldigd als gevolg vandeze vereenvoudiging. Ten slotte heeft de vereenvoudiging van devoertuigclassificaties geen negatieve financiële gevolgen voor debijtellingsregels in de loon- en inkomstenbelasting. In tegenstelling totpersonenauto’s kunnen bestelauto’s onder voorwaarden in aanmerkingkomen voor een uitzondering op de bijtelling, dan wel een lagerebijtelling.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de uitzonde-ringen in de loon- en inkomstenbelasting en of het kabinet heeftoverwogen deze uitzonderingen te schrappen. Daarnaast vragen dezeleden of het kabinet heeft overwogen het verlaagde tarief in de mrb voorbestelauto’s van ondernemers af te bouwen, omdat deze negatief isgeëvalueerd, en wat de gevolgen daarvan zijn.In de loon- en inkomstenbelasting is het beschikbaar stellen van een autoaan de werknemer die ook voor privédoeleinden wordt gebruikt fiscaalbelast (bijtelling). De bijtelling bedraagt in principe een percentage van decataloguswaarde van de auto. Voor bestelauto’s kan onder voorwaardeneen uitzondering op de bijtelling gelden of een lagere bijtelling omdat,bijvoorbeeld vanwege de technische inrichting van een bestelauto,privégebruik minder voor de hand ligt en in mindere mate plaatsvindt.Voor bestelauto’s die naar aard en inrichting alleen geschikt zijn voor hetvervoeren van goederen, is in principe geen sprake van bijtelling. Voorbestelauto’s die vanwege de aard van het werk doorlopend afwisselend24Brief Staatssecretaris van Financiën van 3 mei 2011, nr. DGB 2011–1828, gepubliceerd bij HofArnhem 8 februari 2011, nr. 10/00283 en 10/00284, V-N 2011/29.18.25In de voorbeeldberekening zijn de opcenten van Zeeland genomen. Dit komt ongeveerovereen met het gemiddelde van de verschillende opcenten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2636 worden gebruikt door twee of meer werknemers, is de inhoudings-plichtige een eindheffing verschuldigd naar een vast bedrag per jaar perbetreffende bestelauto. De vereenvoudiging van de voertuigclassificatiesheeft tot gevolg dat iets meer motorrijtuigen onder de definitie vanbestelauto komen te vallen, omdat de fiscaal-technische eisen aanbestelauto’s vervallen. Daardoor komen meer bestelauto’s in aanmerkingvoor deze uitzondering in de bijtellingsregels. Het kabinet heeft nietoverwogen deze uitzondering voor bestelauto’s in de bijtellingsregels af teschaffen, omdat de vereenvoudiging onverlet laat dat een bestelauto aande wettelijke voorwaarden moet voldoen om in aanmerking te komenvoor een lagere bijtelling of een uitzondering op de bijtelling.Het kabinet is er verder mee bekend dat het verlaagde tarief in de mrbvoor bestelauto’s negatief is geëvalueerd.26 Het afschaffen van hetverlaagde tarief zou structureel een budgettaire opbrengt opleveren van€ 804 miljoen in 2033 (prijzen 2024). Hierbij is, rekening houdend met deuitvoering, uitgegaan van afschaffen per 2028. Verder is rekeninggehouden met 20% gedragseffect met een ingroei van vijf jaar. Voor hetkabinet is van belang dat de belastingdruk voor bestelauto’s van onder-nemers reeds wordt verhoogd, doordat in de belasting van personen-auto’s en motorrijwielen (bpm) de vrijstelling voor de bestelauto vanondernemers wordt afgeschaft per 1 januari 2025. Het kabinet heeft erdaarom niet voor gekozen om in dit Belastingplan de belastingdruk voorbestelauto’s van ondernemer verder te verzwaren middels een verso-bering van de mrb-regeling.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar het verlaagdetarief in de motorrijtuigenbelasting (mrb) voor personen met eenhandicap. Zij vragen waarom de tariefkorting alleen geldt voor bestel-auto’s en wat de budgettaire derving is als deze regeling wordt uitgebreidnaar personenauto’s.In de mrb geldt een lager tarief voor bestelauto’s van personen met eenhandicap. De voorwaarde hierbij is dat de bestelauto speciaal is ingerichten wordt gebruikt voor het vervoer van de persoon met een handicap. Dithoudt in dat de persoon met een handicap wordt vervoerd in de cabine,terwijl in de laadruimte een niet-opvouwbare rolstoel of een andernoodzakelijk hulpmiddel wordt vervoerd. Het hulpmiddel moet door deomvang en het gewicht dusdanig zijn dat een bestelauto nodig is voor hetvervoer. De huidige regeling is gericht op personen die vanwege hunhandicap voor het gelijktijdig vervoer van zichzelf en een omvangrijk ofzwaar hulpmiddel zijn aangewezen op het gebruik van een bestelauto.Bestelauto’s kunnen zo worden aangepast dat zowel de persoon met eenhandicap als het hulpmiddel veilig kunnen worden vervoerd, terwijl dat ineen standaard personenauto moeilijker of onmogelijk is. De regeling isniet gericht op andere vormen van rolstoelgebonden personen met eenhandicap, zoals het vervoer van een opvouwbare rolstoel of rollator in eenpersonenauto. De budgettaire derving van het uitbreiden van de regelingnaar personenauto’s is afhankelijk van de reikwijdte van de beoogdeuitbreiding door de leden van de ChristenUnie. Als alle personenauto’s diedoor personen met een handicap worden gebruikt in aanmerking komenvoor het verlaagde tarief in de mrb dan zou de derving aanzienlijk zijn. Erzijn ongeveer 1,5 miljoen zelfstandig wonende mensen met matige ofernstige motorische beperkingen. Er zijn naar schatting 225.000 tot250.000 mensen met een rolstoel (inclusief tehuisbewoners) en ongeveer315.000 zelfstandig wonende mensen met een rollator (Sociaal enCultureel Planbureau, Meedoen met beperkingen. Rapportage gehandi-capten 2007, SCP-publicatie 2007, p. 32). Als we bijvoorbeeld uitgaan vande mensen met een rolstoel en veronderstellen dat zij allemaal met éénpersonenauto op benzine met een gewicht van 1.200 kilogram onder de26Kamerstukken II 2023/24, 32 800, nr. 81Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2637 regeling zouden komen te vallen, dan zou dit leiden tot een budgettairederving van ordegrootte € 45–50 miljoen in de mrb. Als daarbij ookgeregeld zou worden dat voor deze personenauto’s geen provincialeopcenten worden betaald, dan zou dat daarnaast ordegrootte € 50–60miljoen minder provinciale opcenten opleveren. En als dan ook zouworden geregeld dat voor deze personenauto’s de teruggaafregeling in debpm gaat gelden, dan zou dat een aanvullende derving van ordegrootte€ 100–125 miljoen opleveren in de bpm.27 Echter, als de regeling beperktblijft tot zeer specifieke gevallen waarin een personenauto slechts onderde regeling komt te vallen als blijkt dat een bestelauto geen passendeoplossing biedt voor de specifieke handicap of andere omstandighedenvan de persoon met een handicap dan zal de budgettaire derving veelkleiner zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om een situatie waarbij degehandicapte niet anders dan in de laadruimte kan worden vervoerdwaardoor het motorrijtuig kwalificeert als personenauto. Een dergelijkeregeling zou dan gericht zijn op de zwaarste gevallen en een klein aantalpersonen betreffen. De uitvoering van dergelijke regeling vergtwaarschijnlijk wel een aanzienlijke inspanning van de Belastingdienstvanwege de verscheidenheid aan casuïstiek en de complexiteit om tebepalen welke situaties voor de tariefkorting in aanmerking komen.8. Voorkomen dubbeltellingen bij excessief lenen bij samenwer-kingsverbanden De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of er risico’s zijn opnieuwe ontwijkingsroutes door invoering van de voorgestelde maatregel.De leden van de fractie van D66 vragen of de maatregel ter voorkomingvan dubbeltellingen bij excessief lenen bij samenwerkingsverbanden eenverruiming betekent van de mogelijkheid tot lenen van de bv. Voortsvragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA wat de onder-bouwing is dat een vennoot in een stille maatschap waarvoor externwordt opgetreden, uitgesloten wordt van het schuldenbegrip. Ook vragendeze leden op basis van welke inschatting de raming voor deze maatregelis opgesteld.Met deze maatregel is beoogd om onwenselijke dubbeltellingen tevoorkomen. Uitdrukkelijk is niet beoogd om de mogelijkheid tot lenen vande eigen vennootschap te verruimen, bijvoorbeeld door nieuwe ontwij-kingsroutes open te stellen. Voor de Wet excessief lenen bij eigenvennootschap worden in beginsel alle civielrechtelijke schuldverhou-dingen en verplichtingen in aanmerking genomen. Uit signalen uit defiscale literatuur en de praktijk is echter gebleken dat hierdoor dubbeltel-lingen kunnen ontstaan in de situatie dat belastingplichtigen participerenin een samenwerkingsverband, waarvan één of meerdere participantentevens een aanmerkelijk belang hebben in bijvoorbeeld een beslotenvennootschap (bv) die een lening heeft verstrekt aan dat samenwerkings-verband. Het gaat dan om belastingplichtigen die participeren in eenvennootschap onder firma (vof), een commanditaire vennootschap (cv) ofeen (openbare) maatschap of een naar het recht van een andere staatopgericht of aangegaan lichaam dat een met een vof, cv of maatschapvergelijkbare rechtsvorm heeft. Het kabinet vindt deze dubbeltellingenonwenselijk.De dubbeltelling ontstaat doordat een crediteur van een dergelijkepersonenvennootschap volgens het private recht twee samenlopendevorderingsrechten heeft die onafhankelijk van elkaar kunnen wordeningesteld. Enerzijds heeft de crediteur een vordering tegenover de27Een klein deel in deze grove raming (circa € 15 miljoen) komt uit een teruggaaf van de bpmvoor nieuwe auto’s, het grootste deel komt uit een teruggaaf van de bpm bij de aankoop vantweedehands auto’s, waarbij rekening is gehouden met een afschrijving van 60% à 65%. Voorde berekening is uitgegaan van een bpm bij een CO2-uitstoot van 130 g/km.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2638 personenvennootschap (ofwel: de gezamenlijke vennoten) die op hetafgescheiden vermogen kan worden verhaald. Op grond hiervan vindt detoerekening van een schuld plaats naar rato van de gerechtigdheid van devennoten tot het afgescheiden vermogen van de personenvennootschap.Anderzijds heeft de crediteur in de regel een vorderingsrecht op hetprivévermogen van één of meer vennoten. Bij een stille maatschap heeftde crediteur in de regel een vorderingsrecht op de maat die externoptreedt. Bij dergelijke vorderingsrechten op het privévermogen van departicipanten vindt dus een toerekening van de schuld plaats op basis vanhet bedrag waarvoor de participant hoofdelijk verbonden is. Vanwegedeze externe verbondenheid wordt de schuld volledig aan de maat dieextern optreedt, toegerekend ongeacht het percentage van zijn gerech-tigdheid in de stille maatschap. Met de maatregel wordt beoogd dezedubbeltelling te voorkomen. Hiervoor wordt de verbondenheid van eenmaat in een stille maatschap waarvoor extern wordt opgetreden,uitgesloten van het schuldenbegrip van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f,Wet IB 2001.De maatregel zorgt ervoor dat in de wetgeving en de praktijk wordtaangesloten bij de oorspronkelijke intentie en raming van hetwetsvoorstel Excessief lenen bij eigen vennootschap. Ten opzichte van ditwetsvoorstel zijn er dus geen budgettaire gevolgen.De leden van de fractie van NSC vragen in hoeveel gevallen naarverwachting sprake is geweest van dubbeltellingen. Tevens vragen dezeleden wat het gemiddelde bedrag is dat ondernemers dan terug kunnenkrijgen en om welk totaalbedrag dit gaat.Het is niet mogelijk om precies aan te geven in hoeveel gevallen sprake is(geweest) van dubbeltellingen. Er zijn uit de praktijk wel diverse signalenontvangen waaruit blijkt dat er in ieder geval wel sprake kan zijn van dezedubbeltellingen. Aangezien deze niet waren voorzien en beoogd, is hetwenselijk om iedere dubbeltelling (met terugwerkende kracht) tevoorkomen. Daarom is deze maatregel voorgesteld.De leden van fractie van de NSC vragen naar een nadere toelichting opvoorbeeld 11 uit de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.14a Wet IB 2001.Meer specifiek vragen deze leden wat er gebeurt bij een combinatie vaneen negatieve kapitaalrekening en een lening van een bv aan de perso-nenvennootschap. In voorbeeld 11 gaat het om een negatieve kapitaalre-kening van een vennoot X die tevens ook aanmerkelijkbelanghouder isvan de bv die een lening van € 2,7 miljoen verstrekt aan de personenven-nootschap. Vennoot Y heeft een kapitaalrekening van nihil. Bij toetredingtot een personenvennootschap, brengt een vennoot doorgaans kapitaal ofarbeid in. In die situaties is de kapitaalrekening van een vennoot dan ookten minste nihil. Ingeval een personenvennootschap vervolgens verliezenmaakt, worden deze conform de winstverdeling afgeboekt van dekapitaalrekening van de vennoten. De negatieve kapitaalrekening van Xvan € 1,7 miljoen in het voorbeeld is ontstaan als gevolg van door depersonenvennootschap geleden verliezen. In het voorbeeld is dat nietverder niet uitgewerkt, maar aangenomen kan worden dat de kapitaalre-kening van Y van een positief bedrag hierdoor verminderd is naar nihil.Ingeval de personenvennootschap in het voorbeeld nog datzelfde jaarwordt ontbonden, betekent het dat X een bedrag van € 1,7 miljoen zoumoeten storten in de personenvennootschap om de lening aan de bv tekunnen aflossen. Op de privaatrechtelijke balans de personenvennoot-schap in het voorbeeld staat ook een bedrijfsmiddel met een waarde van€ 1 miljoen. De waarde van dat bedrijfsmiddel zal ook gebruikt moetenworden om de schuld aan de bv te kunnen voldoen. Omdat X eenwinstaandeel van 90% heeft, moet aanvullend een deel van de schuld van€ 900.000 aan X worden toegerekend (zijnde € 2,7 miljoen minus € 1,7miljoen negatieve kapitaalrekening = € 1 miljoen * 90%). In zoverre wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2639 het aandeel van X in de waarde van het bedrijfsmiddel gebruikt om deverplichting aan de bv te kunnen voldoen. X krijgt dan in totaal 2,6 miljoenvan de schuld toegerekend (€ 1,7 miljoen negatieve kapitaalrekening +€ 900.000). Anderzijds krijgt X (op basis van zijn gerechtigdheid tot deoverwinst van) 90% van de totale schuld aan de bv van € 2,7 miljoentoegerekend, zijnde € 2,43 miljoen. Hierbij zij opgemerkt dat grond vaneen redelijke wetstoepassing enkel het hoogste bedrag van de tweegenoemde bedragen in aanmerking wordt genomen voor de excessiefle-nenregeling en niet beide bedragen tezamen. In dit geval zal dus bij X€ 2,6 miljoen in aanmerking worden genomen als schuld voor deexcessieflenenregeling.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom de maatregelter voorkoming van dubbeltellingen bij excessief lenen bij samenwer-kingsverbanden met terugwerkende kracht wordt ingevoerd. Daarnaastvragen deze leden om een raming van het budgettaire effect van dedoorwerking naar het verleden toe.Per 1 januari 2023 is de Wet excessief lenen bij eigen vennootschapingevoerd. Hoewel het wetgevingsproces zorgvuldig heeft plaatsge-vonden, bleek deze wetgeving dubbeltellingen te bevatten die niet warenvoorzien en beoogd. Als deze dubbeltellingen bij invoering van dezewetgeving wel waren voorzien, dan zouden deze dubbeltellingen op datmoment zijn voorkomen. Volgens het kabinet ligt het dan ook in de redeom aan deze maatregel terugwerkende kracht te verlenen tot en met1 januari 2023, de ingangsdatum van deze wetgeving.De maatregel zorgt ervoor dat in de wetgeving en de praktijk wordtaangesloten bij de oorspronkelijke intentie en raming van hetwetsvoorstel Excessief lenen bij eigen vennootschap. Ten opzichte van ditwetsvoorstel zijn er dus geen budgettaire gevolgen. Dat geldt ook voor dedoorwerking naar het verleden.9. Beperken fiscale regelingen rond giften De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de impact vande nu voorgestelde maatregelen in de giftenaftrek op de inkomsten vangoede doelen en wat de impact zou zijn bij afschaffing van de giftenaftrekin de IB. Ook vragen zij wanneer het onderzoek naar omvorming naar eengeefsubsidie naar de Kamer wordt gestuurd en welke gevolgen zo’nsubsidie zou hebben. Ook de leden van de fractie van het CDA hebbenhiernaar gevraagd. Verder vragen de leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA of inzichtelijk kan worden gemaakt welke maatregelende afgelopen vijf jaar zijn genomen rond de giftenaftrek in de IB en hoedeze samenhingen.De giftenaftrek in de IB en Vpb is dit jaar van een evaluatie voorzien.28Onderdeel van de uitkomsten van de evaluatie is dat de giftenaftrekweliswaar doeltreffend is (het stimuleert geven), maar niet doelmatig: erwordt door de giftenaftrek weinig extra gegeven. De exacte gedragsef-fecten en gevolgen voor de inkomsten van goede doelen zijn niet bekend.Met de voorgestelde afschaffing van de regelingen geven vanuit devennootschap en de giftenaftrek in de Vpb is een budgettaire opbrengstvan 61 miljoen euro gemoeid. De giftenaftrek in de IB kent een veel groterbudgettair beslag: 480 miljoen in 2023 waardoor afschaffing van degiftenaftrek in de IB tot grotere effecten op giften zou leiden en daarmeeeen grotere impact op de inkomsten van goede doelen zou hebben.Uit de recente evaluatie van de giftenaftrek komt naar voren dat eengeefsubsidie, waarbij giften met een bepaald percentage wordenaangevuld door de overheid, waarschijnlijk wel een doelmatige manier isom inkomsten bij ontvangende instellingen te verhogen. Ook zou zo’n28Geven en nemen: evaluatie giftenaftrek 2016–2021, SEO economisch onderzoek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2640 subsidie waarschijnlijker eenvoudiger en doenlijker zijn voor donateurs.Momenteel wordt verkend op welke manieren zo’n subsidie zou kunnenworden vormgegeven en wat hierbij de implicaties zijn voor donateurs,ontvangende instellingen en voor de uitvoering. Ook wordt bij dezeverkenning gekeken naar aanpassingen van de regeling binnen de fiscalekaders, onder andere een verlaging van het aftrektarief en een gelijkebehandeling van periodieke en eenmalige giften.De uitkomsten worden uiterlijk in het voorjaar van 2025 naar uw Kamergestuurd. Subsidies kunnen vaak op doelmatiger wijze worden vormge-geven dan fiscale regelingen. Doel van dit vervolgonderzoek is om ophoofdlijnen een aantal scenario’s te schetsen met onder andere debudgettaire gevolgen en de gevolgen voor de uitvoering. Ook overigevoor- en nadelen op het gebied van onder andere administratieve lastenvoor de gever en de ontvanger, herverdeling en niet-gebruik wordenbehandeld. In dit rapport worden mogelijk ook vragen voor vervolgon-derzoek voorgesteld. Zo zal voor de exacte vormgeving en uitvoer-baarheid van een omvorming naar een subsidie aanvullend onderzoeknodig zijn.Hieronder treft u een overzicht met de maatregelen die de afgelopen vijfjaar zijn genomen rond de giftenaftrek in de IB en hoe deze samenhingen.•Per 1 januari 2021: het niet langer in aftrek toestaan van contantegiften (Fiscale Verzamelwet 2021).•Per 1 januari 2023: de invoering van een plafond van € 250.000 voorperiodieke giften per huishouden en aanpassing van de culturelemultiplier voor partners (Belastingplan 2023).•Per 1 januari 2024 betreft het een drietal maatregelen, namelijkversoepeling voor de periodieke giften, invoering verplicht taxatierap-port voor giften in natura van meer dan € 10.000 (€ 20.000 metpartner)29 alsmede het invoeren van de regeling geven uit devennootschap per 1 januari 2024 op grond van het Belastingplan2024.30 De laatstgenoemde regeling hing samen met de invoering vanhet plafond van € 250.000 voor periodieke giften per 2023.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of ook inzichtelijkkan worden gemaakt wat de budgettaire consequenties zijn van het feitdat giften van ab-houders vanuit de bv niet langer zijn aangemerkt alsuitdeling, gegeven het feit dat de giftenaftrek in de Vpb niet is afgeschaft.Per 2024 zijn de vrijstellingen in de dividendbelasting en de IB verruimdvoor giften die uitgingen boven de grens voor de giftenaftrek in de Vpb.De kosten daarvan zijn indertijd geraamd op structureel € 36 miljoen perjaar.31 Het afschaffen van de giftenaftrek, dat uiteindelijk niet doorging,had geen invloed op deze kosten, aangezien de verruiming juist voor diegiften gold die niet voldeden aan de vereisten van de giftenaftrek in deVpb.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar het restant vande budgettaire opbrengst van de giftenaftrek en of dit € 61 miljoenbedraagt. Dit kan worden bevestigd. Met het terugdraaien van hetgrootste gedeelte van de versobering blijft nog € 61 miljoen structureelover van de oorspronkelijke versobering van € 250 miljoen zoals die werdaangekondigd in het hoofdlijnenakkoord.De leden van de fractie van de VVD vragen wat het budgettair belang isvan de culturele multiplier in de giftenaftrek. De kosten van de culturelemultiplier bedragen jaarlijks € 4 miljoen.29Kamerstukken II 2022/23, 36342.30Kamerstukken II 2023/24, 36418.31Zie Ramingstoelichting bij Belastingplan 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2641 Voorts vragen deze leden of er in de praktijk al gevallen zijn gevondenwaarin sprake is van ongewenste constructies met de regeling geven uitde vennootschap en hoe groot de omvang van de fiscale derving doordeze constructies naar verwachting zal zijn. De leden van de fractie van deVVD constateren dat de regeling geven uit de vennootschap naarverwachting leidt tot ongewenste constructies en vragen of hiervan algevallen in de praktijk bekend zijn. Daarnaast vragen deze leden wat deomvang van de budgettaire derving is van dergelijke constructies. In deuitvoering zijn enkele signalen opgekomen dat ongewenste constructiesin de steigers worden gezet die niet in overeenstemming zijn met het doelvan de regeling geven vanuit de vennootschap. De regeling geven uit devennootschap is echter pas per 1 januari 2024 ingevoerd. Voor het jaar2024 zijn nog geen aangiften IB ingediend. Om die reden is het nietmogelijk een inschatting te maken van de omvang van gevallen waarinsprake is van een ongewenste constructie en is dus ook nog geeninschatting te maken van de (eventuele) fiscale derving. Wel is het zo datde Belastingdienst in de uitvoeringstoets heeft aangegeven dat er forserisico’s en beperkingen in de handhaving zijn. Gegeven de vormgevingvan de regeling zal het lastig zijn om oneigenlijk gebruik adequaat tebestrijden. De maatregel kan leiden tot het opzetten van structuren enoneigenlijk gebruik.De leden van de fractie van de VVD vragen naar de portfolio-impact vande uniformering van de giftenaftrek in de IB. De komende paar jaren staanin het teken van de modernisering van de IV-systemen van de Belasting-dienst en de invulling van box 3 werkelijk rendement. Uw Kamer wordt inde week van 14 oktober via een aparte brief nader geïnformeerd over deIV-ruimte voor beleidswensen en andere structuurwijzigingen in de ketenInkomensheffingen (IH).De leden van de fractie van de VVD vragen of verder kan wordeningekleurd wat de gevolgen voor individuele instellingen zouden zijnwanneer wel gekozen zou worden voor uniformering van de giftenaftrekin de IB. Een uniformering van de giftenaftrek in de inkomstenbelastingbetekent dat andere giften en periodieke giften in de IB hetzelfde wordenbehandeld. Onder het huidige regime in de IB zijn «andere» giften (ookwel aangeduid als gewone of eenmalige) giften aan algemeen nutbeogende instellingen (ANBI’s) en aan steunstichtingen sociaal belangbehartigende instellingen (steunstichtingen SBBI’s) samen aftrekbaarboven een drempel van 1% van het (gezamenlijke) verzamelinkomen vóórtoepassing van de persoonsgebonden aftrek, met een minimum van € 60,en tot een plafond van 10% van het verzamelinkomen vóór toepassingvan de persoonsgebonden aftrek. Voor periodieke giften geldt geenondergrens voor de giftenaftrek en alleen een plafond van € 250.000 perhuishouden. Periodieke giften aan ANBI’s en verenigingen die aanvoorwaarden voldoen, zijn aftrekbaar. Daarnaast is er de multiplier voorgiften aan culturele ANBI’s met een maximum van € 1.250 perhuishouden. Een uniformering voor de giftenaftrek komt er al gauw opneer dat voor alle giften in de IB een ondergrens en plafond gelden dieafhankelijk zijn van het verzamelinkomen (grondslag) en alleen giften aaneen ANBI voor de giftenaftrek in aanmerking komen. Bij een andereaanpak zou een uniformering tot een budgettaire derving leiden. Degevolgen van zo’n uniformering voor individuele ANBI’s is moeilijk in teschatten, aangezien dit afhankelijk is van mogelijke gedragsreacties vandegenen die giften doen of willen gaan doen.De leden van de fractie van de VVD vragen de overweging voor ditvoorstel tot het afschaffen van de giftenaftrek in de Vpb toe te lichten,mede in het kader van de stabiliteit en uitvoerbaarheid van wetgeving metdaarbij het onderscheid tussen zakelijke en niet-zakelijke bijdragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2642 Evenzo vragen de leden van de fractie van het CDA in te gaan op de zorgdat het afschaffen van de giftenaftrek in de Vpb door het onderscheidtussen zakelijke en niet-zakelijke bijdragen negatief bijdraagt aan eenvouden uitvoerbaarheid, en de verwachting dat het aantal discussies hieroverzal toenemen.De eerste conclusie van het kabinet op basis van de uitkomsten van derecente evaluatie van SEO van de giftenaftrek in de IB en de Vpb is dat hetzonder meer continueren van de bestaande giftenaftrek in de IB en de Vpbniet wenselijk is gelet op het uitgangspunt in het hoofdlijnenakkoord datnegatief geëvalueerde fiscale regelingen worden afgeschaft of versoberd.Daar komt bij dat de regeling geven uit de vennootschap mogelijkongewenste constructies tot gevolg kan hebben. Naar het oordeel van hetkabinet zijn de regelingen giftenaftrek in de Vpb en geven uit de vennoot-schap overbodig en maken zij het belastingstelsel onnodig ingewikkeld.Ten eerste geldt dat het geven uit de vennootschap een inbreuk vormt opde bestaande fiscale systematiek voor giften die worden gedaan vanuit devennootschap. Als bedrijven goede doelen steunen door middel vansponsoring of reclame, vormen deze geen giften maar zakelijke kosten,die net als andere bedrijfskosten aftrekbaar zijn van de winst voor de Vpb.Ook uitgaven die worden gedaan in het kader van MaatschappelijkVerantwoord Ondernemen zijn zakelijk en dus in principe aftrekbaar. Hetresterende gedeelte bestaat uit giften die zijn gedaan vanuit aandeelhou-dersmotieven (de wens van een aandeelhouder om een goed doel testeunen). Deze uitgaven zijn niet-zakelijk en zouden voor de Vpb nietaftrekbaar moeten zijn bij de vennootschap, maar behoren te wordengezien als uitdelingen die onderworpen zijn aan dividendbelasting. Bij eenaanmerkelijkbelanghouder vormt de uitdeling inkomen uit aanmerkelijkbelang (box 2). Deze giften horen dan ook ten laste te komen van deaanmerkelijkbelanghouder die daarbij net als andere burgers/particulierenkan worden gefaciliteerd door de giftenaftrek in de IB. Het kabinet is vanoordeel dat het voor de behandeling van de aftrekbaarheid van giften niethoort uit te maken of het geld vanuit een vennootschap komt of privévanuit andere bronnen: daarmee is de regeling geven uit de vennoot-schap overbodig.Ten tweede leidt de regeling geven uit de vennootschap naar verwachtingtot ongewenste constructies. Anders dan het vorige kabinet vindt ditkabinet de risico’s op oneigenlijk gebruik en het optuigen van fiscaleconstructies als gevolg van deze regeling niet acceptabel. Tevens vindt hetkabinet het ongewenst dat er een verschillende behandeling bestaattussen giften door een aanmerkelijkbelanghouder vanuit zijn vennoot-schap en giften als niet-aanmerkelijkbelanghouder.Verder is van belang dat het onderscheid tussen zakelijke en niet-zakelijkebijdragen niet wijzigt door dit wetsvoorstel en is de verwachting dat hetaantal discussies hierover gelijk zal blijven. Een gift is ook onder dehuidige wetgeving immers een niet-zakelijke bijdrage, waarbij alleen debegrenzing in art. 16 Wet Vpb 1969 aangeeft of men in zoverre recht heeftop giftenaftrek in de Vpb.Al met al draagt de voorgestelde afschaffing van de giftenaftrek in de Vpben van de regeling geven uit de vennootschap naar de inschatting van hetkabinet bij aan een eenvoudiger en doelmatiger belastingstelsel. Zie ookde Uitvoeringstoets in dezen.32De leden van de fractie van NSC vragen of als een naamloze vennoot-schap (nv) met enkele duizenden aandeelhouders, die als beleggerparticiperen, ná de afschaffing van artikel 16 Wet Vpb 1969, een gift doetaan een ANBI, die gift aftrekbaar is voor de heffing van de Vpb als die giftuit vrijgevigheid (van het bestuur namens de nv) is gedaan, dan wel datover de aftrek van deze gift discussie met de Belastingdienst kan ontstaan.32Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 3, bijlage uitvoeringstoets.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2643 Tevens vragen deze leden om in het algemeen in te gaan op de aftrek-baarheid van uitgaven, zoals een gift aan een goed doel, die niet zakelijkzijn maar ook niet als een uitdeling kunnen worden aangemerkt, en of deBelastingdienst soms een standpunt heeft ingenomen over de aftrek-baarheid van deze categorie uitgaven, en zo ja, hoe dat standpunt luidt.In principe zal de inspecteur aannemelijk moeten maken dat sprake is vanuitgaven ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeel-houder(s).33 Dergelijke uitgaven zijn onzakelijk en dus niet aftrekbaar, ookniet meer als gift vanwege het vervallen van de giftenaftrek in de Vpb. Inde beschreven situatie waarin een bijdrage wordt geleverd aan een ANBI,waarbij de aandeelhouders naar verwachting geen aanmerkelijkbelang-houder zijn, zal de inspecteur moeten toetsen of deze uitgaven zijn gedaanter bevrediging van de persoonlijke behoefte van de aandeelhouders. Ofdaarvan sprake is, hangt af van de feiten en omstandigheden van hetgeval. Dat het daarbij gaat om enkele duizenden aandeelhouders doetdaar niets aan af. In theorie zou deze bijdrage nog zijn grond kunnenvinden in het persoonlijke motief van een bestuurder, waardoor debijdrage ten aanzien van die bestuurder als te belasten loon zou kunnenworden aangemerkt (waarbij de betreffende loonkosten voor de vennoot-schap aftrekbare loonkosten vormen), maar bij een meervoudig bestuurlijkt niet snel aannemelijk dat die situatie zich voordoet. Een aanwijzingvoor een onzakelijke uitgave ten behoeve van aandeelhoudersmotievenkan bijvoorbeeld gevonden worden in het (uitgave)beleid van deonderneming dat geen verband houdt met de (overige) activiteiten van devennootschap (nv) die de gift doet.De leden van de fractie van het NSC informeren naar een nadereaftopping in de periodieke giftenaftrek voor giften aan een eigen ANBI ennoemen het punt van politieke gelijkheid. Het kabinet vindt de aftoppingvan € 250.000 in de periodieke giftenaftrek om verschillende redenengoed te motiveren, bijvoorbeeld ook in het licht van de negatieveevaluatie van de giftenaftrek in de IB (wel doeltreffend, niet doelmatig).Het kabinet vindt dat teveel nadelen gepaard gaan met het aftoppen vande periodieke giftenaftrek voor giften gedaan aan een zelf opgerichteANBI. In de evaluatie door SEO wordt het punt van politieke gelijkheid inzijn algemeenheid genoemd. De evaluatie ziet op de doeltreffendheid endoelmatigheid van de giftenaftrek over de periode 2016–2021. Daarbij isniet gekeken of dit punt bij bepaalde (hoge) giften in het bijzonder speelt.Daar komt bij dat een zelf opgerichte ANBI aan dezelfde voorwaardenmoet voldoen als iedere andere ANBI. Als een aftopping op een lageregrens dan de huidige grens al wenselijk gevonden zou worden, dan zijn erbelangrijke nadelen. Zo kan dit – anders dan het huidige plafond van€ 250.000 voor de periodieke giftenaftrek – niet zonder automatiseringworden uitgevoerd. Dit zou dus een structuurwijziging in de automati-sering inkomstenbelasting vergen. Zoals bekend, is er in de keteninkomensheffing een beperkte ruimte voor beleidsmaatregelen diestructuurwijzigingen in de automatisering vergen door de uitfasering vanCool:Gen en de voorziene wetgeving werkelijk rendement box 3. UwKamer wordt in de week van 14 oktober via een aparte brief nadergeïnformeerd over de IV-ruimte voor beleidswensen en andere structuur-wijzigingen in de keten Inkomensheffingen (IH).Dit zal daarnaast degiftenaftrek complexer maken voor belastingplichtigen. De giftenaftrek isin de huidige opzet al een complex fiscaal instrument. Los van deze watmeer praktische overwegingen zou een verlaging van het plafondmogelijk tot een inkomstenderving bij ANBI’s (goede doelen) leiden.De leden van de fractie van D66 vragen nader toe te lichten waarom giftenaan goede doelen als zakelijke kosten aangemerkt kunnen worden. Ook33Zie in dat kader ook het standpunt van de kennisgroep over de toepassing van de giftenaftrekin de vennootschapsbelasting. KG:011:2023:13 en KG:011:2023:12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2644 zijn deze leden benieuwd naar hoe de Belastingdienst hierop toe moetzien. Denk daarbij aan discussies over de vraag of bijdragen aan goededoelen in voldoende mate de zakelijke belangen van de ondernemingdienen.In beginsel zijn giften aan goede doelen geen zakelijke kosten. Alsbedrijven goede doelen steunen door middel van sponsoring of reclame,vormen deze geen giften maar zakelijke kosten, die net als anderebedrijfskosten aftrekbaar zijn van de winst voor de Vpb. Ook uitgaven dieworden gedaan in het kader van Maatschappelijk Verantwoord Onder-nemen zijn zakelijk en dus in principe aftrekbaar. Het resterende gedeeltebestaat uit giften die zijn gedaan vanuit aandeelhoudersmotieven (dewens van een aandeelhouder om een goed doel te steunen). Dezeuitgaven zijn niet-zakelijk en zouden voor de Vpb niet aftrekbaar moetenzijn bij de vennootschap, maar behoren te worden gezien als uitdelingendie onderworpen zijn aan dividendbelasting (hetgeen in het onderhavigewetsvoorstel wordt voorgesteld).Wat betreft het toezien door de Belastingdienst op de zakelijkheid vankosten, wordt dit door het onderhavige wetsvoorstel niet anders danvoorheen. Dit loopt namelijk mee in het reguliere toezicht voor de Vpb enIH-winst.De leden van de fractie van D66 vragen of de giftenaftrekmaatregel deovergang van bedrijven naar een steward-owned structuur bemoeilijkt enof het kabinet bereid is om andere maatregelen te onderzoeken die deovergang naar een steward-owned structuur vergemakkelijken. Tevensvragen de leden van de fractie van de ChristenUnie te reflecteren op destelling dat het vervallen van deze regeling er mogelijk toe leidt datsteward-ownership geen realistische optie meer is voor Nederlandsebedrijven. Wat betreft steward-ownership kan er in ieder geval op wordengewezen dat er een vrijstelling van schenkbelasting geldt indien wordtgeschonken aan een steward-owner die als ANBI kwalificeert. Wat betreftde giftenaftrek gelden voor iedereen dezelfde grenzen. Als men eensteward-owned structuur wil opzetten, is dat een persoonlijke keuze, waarmen vrij in is, maar waarvoor geen noodzaak geldt voor een overheidsbij-drage. Het kabinet wil een eenvoudiger belastingstelsel en daarin pastgeen nieuwe regeling voor steward-ownership. Vooralsnog ziet hetkabinet geen reden om andere maatregelen inzake steward-ownedstructuren te onderzoeken.De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet inzicht kangeven in de daling van het aantal giften de komende jaren na afschaffingvan de maatregel voor geven uit de bv en wat dit voor maatschappelijkegevolgen kan hebben. Daarbij vragen deze leden voor dat laatste contactte zoeken met de filantropiesector, omdat in de memorie van toelichting isaangegeven dat het kabinet de impact niet echt kan overzien. Deze ledenwijzen op de factsheetbundel waarin wordt opgemerkt: «Door demaatregelen in 2025 daalt het aantal huishoudens dat in aanmerking komtvoor de giftenaftrek naar verwachting van 630 duizend naar 540 duizendals gevolg van een hogere drempel. In 2029 daalt dit aantal naarverwachting verder naar 415 duizend huishoudens.» Deze leden vindeneen circa 1/3e daling van het aantal huishoudens dat giften geeft nogaleen groot gevolg en zouden daarin graag meer inzicht hebben. Om hetmisverstand weg te nemen dat vermoedelijk door de factsheetbundel isontstaan; het kabinet verwacht geenszins een dergelijke impact. Depassage in de factsheetbundel zag op de gevolgen van aanpassing van degiftenaftrek in de IB en had geschrapt moeten worden na de augustusbe-sluitvorming. Het voorstel tot afschaffing van de regeling geven uit devennootschap leidt tot een opbrengst van € 30 miljoen in 2025, oplopendnaar € 48 miljoen structureel. Naar verwachting zijn de gevolgen voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2645 filantropiesector veel kleiner, maar het kabinet is bereid dit in het overlegmet hen aan de orde te stellen.De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet voorstellen voorvereenvoudiging heeft overwogen in de giftenaftrek in de IB. Het kabinetheeft in de Miljoenennota 2024 aangekondigd de in het hoofdlijnenak-koord voorgenomen versobering van de giftenaftrek grotendeels terug tedraaien. Onderdeel daarvan is dat de voorgenomen uniformeringwaarmee de giftenaftrek eenvoudiger zou worden vormgegeven (geenonderscheid gewone en periodieke giften) geen doorgang vindt.Met het terugdraaien van het grootste gedeelte van de versobering blijftnog € 61 miljoen structureel over van de oorspronkelijke versobering van€ 250 miljoen. Met de overgebleven versobering wil het kabinet rechtdoen aan zowel het maatschappelijke belang van de filantropie en giftenaan goede doelen als aan de uitkomsten van de evaluatie van degiftenaftrek.De leden van de fractie van het CDA informeren naar het onderzoeken vanalternatieve maatregelen tegen ongewenst gedrag bij de giftenaftrekzodat de grens van € 250.000 voor de aftrek van periodieke giften nietlanger noodzakelijk is. De introductie van het plafond van € 250.000 in deperiodieke giftenaftrek kwam voort uit de signalen in het IBO vermogens-verdeling dat sprake was van een groter aantal zeer hoge periodiekegiften. Die zorgden er in de praktijk veelal voor dat inkomen voor degenendie de gift deden – waarbij het veelal gaat om hoge inkomens – tot nulgereduceerd kon worden, waardoor geen belasting werd betaald over hetinkomen. Het toenmalige kabinet vond dat de balans bij zeer hogeperiodieke giften zodanig verstoord was dat een plafond voor de aftrekvan periodieke giften is ingevoerd. De motie Bakker-Klein verzoekt om insamenspraak met de goededoelensector te zoeken naar alternatievemaatregelen om ongewenst gedrag bij giftenaftrek te voorkomen,waardoor de begrenzing van deze aftrek bij particulieren boven de€ 250.000 niet langer noodzakelijk is en de nadelige gevolgen voor degoededoelensector worden weggenomen.34 Het loslaten van het plafondvan 250.000 euro in de periodieke giftenaftrek zou leiden tot eenverruiming van de fiscale geefregelingen. Bovendien ontstaat danopnieuw de situatie dat een groep hoge inkomens kan voorkomen dat zijbelasting over hun inkomen betalen. Het kabinet vindt dat hier met hetoog op de negatieve evaluatie van de giftenaftrek geen aanleiding toe is,en acht het plafond ook effectief in het bestrijden van construerendgedrag.De leden van de fractie van de SGP vragen of het kabinet ermee eens isdat de giftenaftrekevaluatie vooral een evaluatie op budgettaire doelma-tigheid is en of de neveneffecten zijn meegewogen. De giftenaftrekeva-luatie betreft niet alleen een evaluatie op budgettaire doelmatigheid. Voorhet onderzoek is door SEO gebruikgemaakt van interviews, een enquête,een gedragsexperiment en data-analyse. Het experiment zag op budget-taire doelmatigheid. De belangrijkste conclusies van de evaluatie is dat degiftenaftrek weliswaar doeltreffend is (de aftrekpost stimuleert het geven),maar niet doelmatig. Een regeling is doelmatig als het beoogde effect, indit geval het stimuleren van geefgedrag, tegen zo min mogelijk kostenwordt bereikt. Er zijn vier soorten kosten die gezamenlijk bepalen of degiftenaftrek doelmatig is. Dit zijn de budgettaire kosten voor de overheid,uitvoeringslasten voor de belastingplichtige, uitvoeringslasten voor deBelastingdienst en neveneffecten. De giftenaftrek is volgens de evaluatieop al deze onderdelen ondoelmatig. In de evaluatie wordt gewezen op deneveneffecten, dat zijn niet-beoogde effecten van de giftenaftrek die niet34Kamerstukken I 2023/24, 36 418, AE.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2646 bijdragen aan het stimuleren van geefgedrag. Het eerste neveneffect isdat de giftenaftrek niet goed scoort bij toetsing aan politieke gelijkheid:hiermee wordt bedoeld dat de gever de aanwending van publiekemiddelen bepaalt, wat ook de gelijke kansen tussen belastingplichtigenraakt. Het tweede neveneffect is de beperkte aansluiting bij het draag-krachtbeginsel doordat het fiscale voordeel in grotere mate terechtkomtbij hoge inkomens dan bij lage inkomens.35De leden van de fractie van de SGP vragen op basis van welke inhoude-lijke overwegingen is besloten tot afschaffing van de regeling «geven uitde vennootschap» over te gaan. Zij vragen hoe een regeling die nog geennegen maanden in werking is, nu al bewezen ondoelmatig en nietdoeltreffend kan zijn. Daarnaast vrezen deze leden dat mkb’ers door hetvervallen van deze regeling veel minder geneigd zijn tot het doen vangiften en waarom de nadelen ook voor deze groep opwegen tegen derelatieve beperkte budgettaire opbrengst. De leden van de fractie van deChristenUnie vragen in andere bewoordingen eigenlijk hetzelfde. Dieleden vragen uit te leggen waarom het kabinet het gelet op hetmaatschappelijke belang van giften (vanuit een vennootschap) aan goededoelen, wenselijk acht om de faciliteit in box 2 na één jaar al af te schaffenen of het kabinet tevens kan toelichten met welke reden deze faciliteitvorig jaar is geïmplementeerd. Om met de laatste vraag te beginnen, deregeling geven uit de vennootschap die een faciliteit in box 2 en dedividendbelasting inhoudt, is vorig jaar ingevoerd omdat het daarmeeaantrekkelijker wordt om grote periodieke giften vanuit de vennootschapvan de aanmerkelijkbelanghouder te doen. De verwachting is dat vooralgrote gevers die bijvoorbeeld stoppen met hun vennootschap/metondernemen, met de nieuwe regeling goed uit de voeten kunnen. Maarhet valt op voorhand niet goed in te schatten wat de precieze gedragsre-acties op deze nieuwe regeling zullen zijn, aldus de memorie vantoelichting.36 Thans wordt voorgesteld de regeling geven uit de vennoot-schap af te schaffen omdat deze het belastingstelsel compliceert, niet pastin de fiscale systematiek, veel vergt van de uitvoering door de Belasting-dienst en kan leiden tot constructies, aspecten die in de beslisnota’sdestijds zijn genoemd. Het kabinet verwacht niet dat het vervallen van deregeling geven uit de vennootschap een grote impact op het geven doormkb’ers zal hebben aangezien de giftenaftrek in de IB niet wordtaangepast.De leden van de fractie van de SGP vragen om een verduidelijking rondde verwachte opbrengst van de afschaffing van de regeling «geven uit devennootschap». Deze leden vragen of het klopt dat de regering ervanuitgaat dat alle giften die nu gedaan worden, ook gedaan zullen wordenmet afschaffing van de regeling. Zij vragen of de giften niet zullen dalen,omdat door de afschaffing ook meer dividendbelasting afgedragen moetworden en of de regering het risico niet groot acht dat de giften vanuitvennootschappen enorm zullen dalen.Voor de raming van de opbrengst van de afschaffing van de vrijstellingenin de dividendbelasting en de IB voor giften vanuit de vennootschap is hetin principe niet van belang of de giften vanuit de vennootschap op peilblijven. De impliciete aanname onder de raming is wel dat de aandeel-houders hetzelfde bedrag zullen blijven uitdelen, maar dan hetzij alsbelaste gift, hetzij als belaste winstuitkering aan de aandeelhouders. Inbeide gevallen stijgt de grondslag voor de dividendbelasting en de IB. Hetis mogelijk dat de giften vanuit vennootschappen zullen dalen aangeziendeze minder fiscaal bevoordeeld worden. Op basis van de recenteevaluatie van de giftenaftrek is het wel de verwachting dat de giften35Kamerstukken II 2023/24, 36 410 IX, nr. 42, p. 3.36Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 3, p. 20Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2647 minder zullen dalen dan de besparing die het afschaffen van deze fiscaleregeling oplevert.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom het kabinetniet meer achter de fiscale regeling Geven uit de vennootschap staat. Inde Uitvoeringstoets heeft de Belastingdienst voor de introductie vanGeven uit de vennootschap aangegeven dat de regeling vatbaar is voorconstructies en dat oneigenlijk gebruik van de regeling niet adequaat kanworden tegengegaan. In tegenstelling tot het vorige kabinet vindt ditkabinet de risico’s hier niet acceptabel. Bovendien is dit kabinet vanmening dat de regeling overbodig is: de memorie van toelichting bij hetBelastingplan 2025 bevat hiervoor een uitgebreidere motivatie. In aanloopnaar Prinsjesdag heeft het kabinet in de persoon van StaatssecretarisIdsinga gesproken met een vertegenwoordiging van de filantropiesector(namelijk Goede Doelen Nederland, CIO en de Vereniging van devermogensfondsen. Ten aanzien van steward-ownership verwijs ik graagnaar het antwoord op de vraag daarnaar van de leden van de fractie vanD66.Voorts vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie of het kabinetbereid is om het vervallen van de faciliteit in box 2 en de Vpb te onder-vangen met het laten vervallen van de maximering van de periodiekegiftenaftrek op € 250.000, wat de budgettaire derving hiervan zou zijn enwat de derving is als de maximering wordt verhoogd naar € 1 miljoen.Het kabinet vindt het niet wenselijk om dit plafond van € 250.000 voor deperiodieke giftenaftrek te laten vervallen en verwijst hiervoor naar deargumenten voor invoering van dit plafond in het Belastingplan 2023. Debudgettaire derving van het vervallen van dit plafond zou naarverwachting structureel € 63 miljoen bedragen. De budgettaire dervingvan verhoging van het plafond van € 250.000 tot € 1 miljoen zou naarverwachting structureel € 14 miljoen bedragen. Het huidige maximum-bedrag is niet geïndexeerd voor de inflatie, dit in antwoord op de vraagvan deze leden daarnaar.10. Vrijstelling in box 3 voor bepaalde vermogensrechten inverband met het herstel van aardbevingsschade in Groningen enNoord-Drenthe De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe de vrijstelling inbox 3 voor bepaalde vermogensrechten in verband met het herstel van deaardbevingsschade in Groningen en Noord-Drenthe zich wetstechnischverhoudt tot de Tijdelijke wet Groningen. In de Tijdelijke wet Groningen ende daarop berustende bepalingen is vastgelegd welke aansprakengedupeerden in het aardbevingsgebied op de overheid hebben. Dezemogelijkheden zijn in het algemeen deel van de memorie van toelichtingop onderhavig wetsvoorstel beschreven. De voorgestelde vrijstelling vandergelijke aanspraken in box 3 sluit aan bij de bepalingen in de Tijdelijkewet Groningen. Die wet vormt daarmee wetstechnisch de basis voor devoorgestelde vrijstelling.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de regering aankijkt tegenhet – door deze leden geschetste – risico op precedentwerking van devoorgestelde vrijstelling in box 3. Het kabinet heeft juist om precedent-werking te voorkomen de voorgestelde vrijstelling zo specifiek mogelijkvormgegeven door te verwijzen naar de bepalingen van de Tijdelijke wetGroningen. Alleen in gevallen waarin is voldaan aan de zo geformuleerdevoorwaarden kan een beroep worden gedaan op de voorgesteldevrijstelling. Het kabinet acht het risico op nieuwe gerechtelijke proceduresover box 3 waarbij een beroep zou moeten worden gedaan op hetgelijkheidsbeginsel dan ook zeer klein. Het gelijkheidsbeginsel wordtalleen geschonden als – kort gezegd – gelijke gevallen ongelijk wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2648 behandeld. Iemand die een beroep wil doen op het gelijkheidsbeginselzou dus in dezelfde situatie moeten verkeren als de gedupeerden in hetaardbevingsgebied en daarom een beroep willen doen op een vrijstellingin box 3. Daarbij zou het wel om een situatie moeten gaan waarvoor in dewet geen concrete vrijstelling is bepaald. De mensen in het aardbevings-gebied hebben onevenredig veel schade geleden door de gaswinning,mede als gevolg van het (te laat) handelen door de overheid. Naar demening van het kabinet is het dan redelijk dat diezelfde overheid ervoorzorgt dat aanspraken die zij creëert mensen vervolgens niet nog verder inde problemen brengt. Van belang is daarbij ook de aanbeveling van deparlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen om deschadeafhandeling voor bewoners milder, makkelijker en menselijker temaken. Daaraan heeft het kabinet door middel van de vrijstelling gehoorgegeven, mede vanuit een gevoel van menselijke maat. Het alternatief zouzijn geweest om geen vrijstelling op te nemen. De aanspraken opschadeherstel of versterking kunnen echter oplopen tot een waarde vanhonderdduizenden euro’s. Dat zou voor de gedupeerden in het aardbe-vingsgebied betekenen dat zij een vermogensrecht met die waarde eerstmoeten opgeven in hun aangifte inkomstenbelasting, waarover dan hetforfaitaire rendement wordt berekend. Dat is met 6,04% (2024) hoger danhet werkelijke rendement van nihil dat zij behalen uit deze vermogens-rechten. De gedupeerde zou dan vervolgens het werkelijke rendement vannihil uit deze vermogensrechten (samen met het werkelijke rendement uiteventueel andere vermogensonderdelen) aan de Belastingdienst moetendoorgeven en om aanpassing van zijn aanslag inkomstenbelastingverzoeken. Deze uitkomst vindt het kabinet onredelijk voor degedupeerden in het aardbevingsgebied, ook met het oog op dedoorwerking ervan naar inkomensafhankelijke regelingen zoals toeslagen.Voorgaande kabinetten hebben al de keuze gemaakt om de gedupeerdenin het aardbevingsgebied volledig schadeloos te stellen. In lijn met dezegedachte wordt met onderhavig wetsvoorstel een vrijstelling in box 3voor de aanspraken in verband met het schadeherstel in het aardbevings-gebied voorgesteld.De leden van de fractie van NSC vragen waarom voor de vrijstelling inbox 3 voor bepaalde vermogensrechten in verband met het schadeherstelin het aardbevingsgebied voorzien is in terugwerkende kracht en hoe dezeterugwerkende kracht vorm wordt gegeven. De terugwerkende krachtwordt wettelijk bepaald. In het wetsvoorstel zoals dat aan uw Kamer isvoorgelegd was de betreffende bepaling per abuis niet juist verwoord,omdat er niet, zoals in de memorie van toelichting wel aangegeven, werdgedifferentieerd tussen een deel waarvoor 1 juli 2020 en een deelwaarvoor 1 juli 2023 als datum geldt. Hiervoor wordt een nota vanwijziging bij uw Kamer ingediend, waarmee de inwerkingtredingsbepalingonder meer op dit punt wordt hersteld. Zoals in de artikelsgewijzetoelichting op het wetsvoorstel is vermeld, wordt in terugwerkingvoorzien omdat gedupeerden in het aardbevingsgebied in beginsel sindsde inwerkingtreding van de betreffende bepalingen in de Tijdelijke wetGroningen verplicht zijn om de aanspraken op schadeherstel ofversterking in natura op te geven in box 3 in hun aangifte inkomstenbe-lasting. Daar komt nog bij dat een dergelijke aanspraak pas vanaf hetmoment dat er een beschikking is afgegeven concreet genoeg is om alsvermogensrecht in aanmerking te moeten worden genomen, ook al kande gedupeerde over de waarde daarvan niet vrij beschikken en levert dezeaanspraak tegen de overheid hem geen rendement op. Met de ruimterugwerkende kracht naar de inwerkingtreding van de Tijdelijke wetGroningen stelt het kabinet voor de voorgestelde vrijstelling voor dezekerheid ook voor vóór 1 juli 2023 – namelijk vanaf 1 juli 2020 – ontstaneaanspraken te laten gelden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2649 Verder vragen de leden van de fractie van NSC waarom niet alle schade-loosstellingen als gevolg van het verkeerd handelen door de overheid zijnvrijgesteld in box 3, zoals bijvoorbeeld de schadeloosstelling in het kadervan de kinderopvangtoeslagaffaire. De leden van de fractie van het CDAvragen naar de reden voor het verschil in behandeling tussen vermogens-rechten en schadevergoedingen in geld.Wanneer schadeloosstellingen en schadevergoedingen in geld wordenuitbetaald, ontvangen de gerechtigden daadwerkelijk een vergoeding ophun bankrekening. Hiervoor is het niet mogelijk om een uitzondering inbox 3 te regelen. Voor zover het bedrag van een schadevergoeding op depeildatum van 1 januari in het bezit is van een belastingplichtige maaktdat geld onderdeel uit van de rendementsgrondslag in box 3. Het geldkomt samen met andere geldmiddelen op een rekening terecht waaroverde gerechtigde vrij kan beschikken. Het is daardoor niet af te bakenenwelk deel van het saldo van een bankrekening samenhangt met deschadevergoeding en welk deel voortvloeit uit andere tegoeden. Dat geldtook voor het in de jaren daarna volgen van de besteding van de schade-vergoeding om te bepalen welk deel van het geld op een bankrekening isvrijgesteld en welk deel niet. Daarop een uitzondering in box 3 regelen isonuitvoerbaar en een vrijstelling zou niet gericht vorm kunnen wordengegeven. Belangrijk daarbij is dat alleen het inkomen uit het vermogenwordt belast, de vergoeding zelf blijft intact.Deze overwegingen gelden zowel voor de bedragen die aan gedupeerdenin het aardbevingsgebied worden uitbetaald, als voor bedragen die in hetkader van de hersteloperatie toeslagen worden uitgekeerd. In beidegevallen maken de ontvangen bedragen deel uit van de rendements-grondslag voor box 3. Wel zijn de bedragen die worden uitgekeerd in hetkader van de hersteloperatie toeslagen apart uitgezonderd van hetvermogen dat wordt gehanteerd bij de vermogenstoets voor toeslagen,de Participatiewet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijkeondersteuning 2015. Voor bedragen die aan gedupeerden in het aardbe-vingsgebied worden uitgekeerd, is besloten dat eventueel toeslagverliesdoor de uitkerende instantie, dus het Instituut MijnbouwschadeGroningen (IMG) of de Nationaal Coördinator Groningen (NCG), wordtvergoed. Over deposito’s (bank- en spaartegoeden) wordt door bankendoorgaans rente vergoed.Het verschil tussen de vermogensrechten waarvoor met dit wetsvoorsteleen specifieke vrijstelling wordt voorgesteld en een schadevergoeding ingeld waarvoor geen vrijstelling in box 3 bestaat zit juist in de kwalificatievan beide vermogensonderdelen. Zoals hiervoor al toegelicht, is eenschadevergoeding in geld die naar de bankrekening van een gedupeerdewordt overgemaakt vervolgens niet meer af te bakenen van andere geldenop diezelfde bankrekening. De gedupeerde kan er vrij over beschikken enhet geld ook voor andere doeleinden gebruiken dan het verhelpen van degeleden schade. De vermogensrechten die voortvloeien uit de aansprakenop de overheid op schadeherstel of versterking zijn echter gericht op hettreffen van maatregelen voor schadeherstel of versterking. De gedupeerdekan er dus niet vrij over beschikken en behaalt er ook geen rendement op.Deze concrete vermogensrechten staan los van eventuele anderevermogensrechten, waardoor de voorgestelde vrijstelling gericht kanworden gegeven.De leden van de fractie van NSC vragen verder hoe omgegaan zal wordenmet schadevergoedingen uit hoofde van de WIA-hersteloperatie voorzover die plaats zal vinden. Het kabinet kan op dit moment niet vooruit-lopen op de vormgeving van de WIA-hersteloperatie, dat geldt zowel vooreventuele schadevergoedingen als voor te veel of te weinig betaaldepremies door werkgevers. Het UWV werkt aan een verbeterplan, waar dehersteloperatie onderdeel van is. De Minister van Sociale Zaken enWerkgelegenheid (SZW) heeft toegezegd dat dit plan uiterlijk in decemberTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2650 naar uw Kamer wordt gezonden en te zullen streven dat dit nog voor debegrotingsbehandeling van SZW gebeurt.De leden van de fractie van NSC vragen of er sinds 2023 geen vermogens-toetsuitzondering meer geldt voor uitkeringen uit hoofde van letselschadeen of ontvangers van een dergelijke vergoeding nu geen toeslagen meerkunnen krijgen. Ook vragen zij of dit betekent dat burgers met letselscha-devergoedingen van vóór 2010 er met terugwerkende kracht op achteruitgaan.Bij het bepalen van de hoogte van letselschadevergoedingen kunnenuitkeerders rekening houden met het mogelijke verlies van toeslagen datkan ontstaan als gevolg van het overschrijden van de vermogensgrensvoor de huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget. Zo lopenontvangers van deze vergoeding geen geld mis. Binnen de kinderopvang-toeslag bestaat geen vermogenstoets.De uitzondering waar de leden op doelen, was een overgangsregeling dietot en met 2023 bestond. Deze regeling was ingesteld om tegemoet tekomen aan ontvangers van een letselschadevergoeding die was bepaaldvóórdat bekend was dat nieuwe vermogensgrenzen gingen gelden voorde zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Voor deze groep is destijdsbesloten om voor de duur van tien jaar het bedrag dat was ontvangen alstegemoetkoming voor letselschade, waarbij geen rekening kon wordengehouden met de introductie van de nieuwe vermogensgrenzen, uit tezonderen voor de vermogenstoets binnen toeslagen. Deze termijn isdestijds met betrokkenen gecommuniceerd. Bij het maken van vermo-genstoetsuitzonderingen is het sinds 2023 ook standaardbeleid om eentermijn te hanteren van tien jaar na ontvangst van het betreffende bedrag.Door het hanteren van deze termijn wordt ervoor gezorgd dat vermogens-bestanddelen niet voortdurend worden uitgezonderd, terwijl de kans reëelis dat deze reeds zijn uitgegeven. De termijn van tien jaar biedtontvangers ruim de tijd om het bedrag uit te geven. Het van rechtswegevervallen van de uitzondering voor letselschadevergoedingen zorgt er nietvoor dat burgers er met terugwerkende kracht op achteruit gaan.Bij vergoedingen die zijn vastgesteld nadat bekend is geworden dat ervermogensgrenzen bestaan binnen de zorgtoeslag en het kindgebondenbudget, is wel rekening gehouden met mogelijk toeslagverlies bij dehoogte van deze schadevergoeding. Er is daarom overwogen dat geennoodzaak bestaat om deze vormen van vermogen nogmaals uit tezonderen van de vermogenstoets voor toeslagen. Omdat niet bekend ishoe groot de doelgroep voor een dergelijke uitzondering zou zijn, is op ditmoment geen inschatting van het financiële beslag van een dergelijkeuitzondering mogelijk.Deze werkwijze waarin rekening wordt gehouden met mogelijk toeslag-verlies is wat het kabinet betreft ook te prefereren boven het maken vaneen nieuwe vermogenstoetsuitzondering. Burgers hoeven in de huidigesituatie namelijk geen aparte uitzondering aan te vragen bij DienstToeslagen. Daarnaast zou een nieuwe uitzondering het toeslagenstelselcomplexer maken en extra lasten opleveren voor de uitvoering.De leden van de fractie van D66 vragen om een toelichting over deinwerkingtreding van de vrijstelling in box 3 voor bepaalde vermogens-rechten in verband met het herstel van aardbevingsschade in Groningenen Noord-Drenthe. Zoals in de artikelsgewijze toelichting op hetwetsvoorstel is uiteengezet, zal de voorgestelde wijziging met terugwer-kende kracht in werking treden. Hierbij wordt verschil gemaakt tussenenerzijds herstel in natura conform artikel 2, derde lid, onderdeel b, van deTijdelijke wet Groningen (zie het voorgestelde artikel 5.10, onderdeel e,onder 1°, Wet IB 2001) en anderzijds duurzaam herstel en versterking (ziehet voorgestelde artikel 5.10, onderdeel e, onder 2° en 3°, Wet IB 2001).Voor herstel in natura werkt de vrijstelling terug tot en met 1 juli 2020, hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2651 tijdstip van inwerkingtreding van de Tijdelijke wet Groningen. Duurzaamherstel en versterking zijn pas mogelijk sinds 1 juli 2023, het tijdstip vaninwerkingtreding van de Wet van 19 april 2023 tot wijziging van deTijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen inde provincie Groningen.37 Daarom sluit de inwerkingtredingsbepalingvoor de box 3-vrijstelling van deze aanspraken bij die datum aan, namelijkvanaf 1 juli 2023. De inwerkingtredingsbepaling van het voorliggendewetsvoorstel wordt bij nota van wijziging gecorrigeerd. Daarbij wordt ookde inwerkingtreding van deze specifieke box 3-vrijstelling in lijn met hethiervoor toegelichte gebracht.Verder vragen deze leden hoe de gedupeerden in het aardbevingsgebiedgeïnformeerd worden over deze vrijstelling. De NCG en het IMG infor-meren gedupeerden over voor hen relevante ontwikkelingen in relatie totde versterking of schadeafhandeling. Daarnaast is er contact metverschillende bewoner vertegenwoordigende organisaties die het berichtverder zullen verspreiden. Ook in het aangifteprogramma van deBelastingdienst zal deze informatie beschikbaar zijn bij de uitvraag van hetbox 3-vermogen vanaf de aangifte over het jaar 2025.De leden van de fractie van het CDA vragen of het eenvoudiger zou zijnvoor gedupeerden als schadevergoedingen die door het IMG of de NCGworden uitgekeerd, worden uitgezonderd van het toetsingsinkomen voortoeslagen, waarna de overheid dit zelf met het IMG en de NCG verrekent.Het is voor de Dienst Toeslagen niet inzichtelijk waaruit het vermogen vaneen burger bestaat. Dit betekent dat een vermogenstoetsuitzonderingenkel mogelijk is op aanvraag van de burger. Dit vergt bekendheid met deuitzondering bij de burger evenals een complexe handeling die nodig isom de uitzondering aan te vragen, zoals het aanleveren van eenbewijsstuk waaruit een aanspraak op de uitzondering blijkt. Het is daaromvoor burgers niet zonder meer eenvoudiger om een vermogenstoetsuit-zondering te maken voor toeslagen, dan om eventueel toeslagverlies telaten compenseren door de NCG of het IMG, zijnde instanties waar deburger bekender mee is. Overigens zijn tot op heden slechts een viertalverzoeken voor een dergelijke compensatie bij de NCG of het IMGbinnengekomen. Het kabinet acht het mede daarom niet nodig om af tewijken van de huidige werkwijze die is ingezet om eventueel toeslag-verlies te voorkomen en waar nodig te compenseren.11. Reparatie heffingslek zeevarenden en anticiperen op intro-ductie thuiswerkdrempel De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de voorgesteldeaanpassingen in de inkomstenbelasting bij zeevarenden en in devennootschapsbelasting bij liquidaties van ondernemingen volgen naaraanleiding van standpunten van de Belastingdienst en of er sinds vorigjaar meer standpunten zijn gepubliceerd die het kabinet wenselijk acht terepareren. Daarnaast vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdAof het kabinet bereid is een inventarisatie te maken van potentiëleheffingslekken. Als bij de uitvoering van wet- en regelgeving vragenopkomen over hoe een bepaalde wettelijke regel moet worden uitgelegden toegepast, kan een kennisgroep van de Belastingdienst zich hieroverbuigen. In deze kennisgroep zitten experts op het terrein waarover devraag wordt gesteld. De desbetreffende kennisgroep neemt na eenuitgebreide analyse een standpunt in en dat wordt op de website van deBelastingdienst gepubliceerd. Op het moment dat een kennisgroep van deBelastingdienst om een standpunt wordt gevraagd en deze kennisgroephet idee heeft dat de mogelijke uitleg van de regeling niet overeenkomt37Stb. 2023, 164.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2652 met doel en strekking van de wet- en regelgeving, dan delen zij datsignaal met beleidsmedewerkers en wetgevingsjuristen van het Ministerievan Financiën. Als wordt geconstateerd dat deze uitleg niet overeenkomtmet doel en strekking van de regeling wordt vervolgens zo snel mogelijkin een passend wetgevingstraject een voorstel opgenomen om dit aan tepassen. Deze werkwijze maakt het opstellen van een dergelijke inventari-satie van potentiële heffingslekken niet nodig.Het is de leden van de fractie van NSC opgevallen dat wordt voorgesteldom twee heffingslekken te repareren die zijn gebleken uit door dekennisgroepen van de Belastingdienst gepubliceerde standpunten. Zijvragen of de publicatie van de (intussen duizenden) standpunten, ook viade Wet open overheid, niet meer heffingslekken aan het licht hebbengebracht en of de regering die gepubliceerde standpunten van eenappreciatie kan voorzien. Tevens vragen deze leden of hierbij dan ook kanworden gekeken naar standpunten van de Belastingdienst die weliswaaruit de wet voortvloeien maar voor belastingplichtigen (te) hard ofonevenredig uitpakken. Bij de totstandkoming van kennisgroep-standpunten wordt reeds standaard – ook beleidsmatig – gekeken of hetingenomen standpunt tot heffingslekken leidt of juist (te) hard ofonevenredig uitpakt of kan uitpakken. De alertheid hiervoor is deafgelopen jaren toegenomen. Als er een heffingslek wordt geconstateerd,wordt dit aangekaart bij de wetgever. De twee door de leden genoemdevoorstellen zijn daar een voorbeeld van. Ook een te harde of oneven-redige uitwerking zal, bijvoorbeeld via het signalenproces of het LoketRechtsstatelijkheid en Hardheden, in daartoe aanleiding gevende gevallenaan de wetgever worden voorgelegd. Hetzelfde geldt indien in de praktijkwordt geconstateerd dat een in het verleden door een kennisgroepingenomen standpunt in de praktijk tot onevenredige uitkomsten leidt. Hetproces van de Belastingdienst is hier dus al op ingericht. Het alsnogvoorzien van de (alle) in het verleden ingenomen standpunten van eenappreciatie is hiervoor niet nodig.De leden van de fractie van CDA vragen om een nadere toelichting op deinhoud van het protocol tot wijziging van het belastingverdrag tussenNederland en Duitsland, bijvoorbeeld aan hoeveel thuiswerkdagen wordtgedacht. In de brieven van 11 december 2023, van 16 februari jl. en van28 maart jl. heb ik aangegeven dat er onderhandelingen lopen metDuitsland over onder andere de opname in het belastingverdrag metDuitsland van een beperkte drempelregeling om deels hybride werkendoor grenswerkers te faciliteren.38 Daarbij heb ik benadrukt dat Duitslandop dit moment niet openstaat voor een verdergaande regeling. In hetkader van de onderlinge verhoudingen met Duitsland vind ik het nietpassend om verder uit te weiden over de onderhandelingen voordatDuitsland en Nederland een definitief akkoord hebben bereikt.12. Gerichte vrijstelling voor OV-abonnementen De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of buitenlandseOV-abonnementen van werknemers ook onbelast kunnen worden vergoeddoor werkgevers. Ook vragen de leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA hoe vaak het voorkomt dat werkgevers dergelijkeabonnementen vergoeden voor hun werknemers. Ook de leden van defractie van de VVD en de leden van de fractie van het CDA vragenhiernaar. In aanvulling hierop vragen de leden van de fractie van VVD ook38Brief d.d. 11 december 2023 «Ontwikkelingen grenswerkersproblematiek», brief d.d.16 februari 2024 «Beantwoording vragen CDA en OPNL over brief fiscale ontwikkelingenrondom grenswerkers (35 714, I)» en brief d.d. 28 maart 2024 «Onderzoek thuiswerkregelingenvoor grenswerkers».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2653 naar het budgettaire belang hiervan. Als een werknemer een buitenlandseOV-abonnement vergoed krijgt van diens werkgever, is volgens devoorgestelde maatregel sprake van een onbelaste vergoeding als ditabonnement ook daadwerkelijk zakelijk wordt gebruikt. Deze vrijstelling isalleen van toepassing als Nederland heffingsrecht heeft over (een deelvan het) arbeidsinkomen van de betreffende werknemer. Ook moet dewerkgever ervoor kiezen om de kosten van het OV-abonnement tevergoeden. Bij een incidentele zakelijke buitenlandse reis met openbaarvervoer zal een werkgever naar verwachting eerder een losse zakelijke ritvergoeden. Dit kan en kon ook onbelast met toepassing van de huidigegerichte vrijstelling voor vervoer in het kader van de dienstbetrekking.Hierdoor is de verwachting dat er slechts beperkt gebruik zal wordengemaakt van de mogelijkheid om een buitenlands OV-abonnementonbelast te vergoeden, waardoor de inschatting is dat dit onderdeel vande maatregel een verwaarloosbaar budgettair effect heeft. De volgendeevaluatie van de onbelaste reiskostenvergoeding wordt in 2028 opgestart,daarin wordt ook het gebruik van de gerichte vrijstelling voor OV-kosten,waaronder voor buitenlandse OV-abonnementen, meegenomen.13. Nazorg Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet signalenontvangt dat het gebrek aan een concept algemene maatregel van bestuurvoor wat betreft de vergelijkbaarheid van rechtsvormen zo kort op deinwerkingtreding in de praktijk tot onzekerheid leidt. Met ingang van1 januari 2025 wordt het kwalificatiebeleid voor (buitenlandse) rechts-vormen voor Nederlandse fiscale doeleinden aangepast.39 Het huidigeNederlandse kwalificatiebeleid voor (buitenlandse) rechtsvormen is opbepaalde punten internationaal afwijkend. Door het kwalificatiebeleid aante passen, loopt Nederland internationaal meer in de pas. In essentiekomen de aanpassingen op het volgende neer. Ten eerste wordt hetNederlandse kwalificatiebeleid voor buitenlandse rechtsvormen op basisvan de rechtsvormvergelijkingsmethode gecodificeerd en aangevuld mettwee aanvullende methoden (de vaste methode en de symmetrischemethode) voor het geval waarin de buitenlandse rechtsvorm nietvergelijkbaar is met die van een naar Nederlands recht opgericht ofaangegaan lichaam. Ten tweede komen het zogenoemde toestemmings-vereiste en de open commanditaire vennootschap (cv) te vervallen.40 Dehiervoor genoemde rechtsvormvergelijkingsmethode wordt naderuitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur: het Besluit verge-lijking buitenlandse rechtsvormen (BVBR). Het BVBR geeft de kaders voorde beoordeling wanneer een buitenlands lichaam een rechtsvorm heeftdie naar aard en inrichting vergelijkbaar is met die van een naar Neder-lands recht opgericht of aangegaan lichaam. Het kabinet begrijpt dat depraktijk belang heeft bij het zo spoedig mogelijk publiceren van de finaleversie van het BVBR. Tegelijkertijd merkt het kabinet op dat er voor eengroot deel van de belastingplichtigen ten opzichte van de huidigekwalificatie geen wijziging wordt verwacht. Momenteel doorloopt hetBVBR de wetgevingsprocedure. Het concept BVBR is eerder dit jaar voorinternetconsultatie aangeboden.41 Naar aanleiding van de consultatiere-acties is de voorgestelde besluittekst op een aantal punten aangepast enis de nota van toelichting op een aantal punten verduidelijkt. Na afloopvan de consultatie is nog gesproken met de NOB. Het kabinet heeft een39Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 enenige andere wetten tot codificatie en aanvulling van het fiscale kwalificatiebeleid inzakebuitenlandse rechtsvormen en tot afschaffing van de zelfstandige belastingplicht van de opencommanditaire vennootschap (Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen), Stb. 2023, 508.40Kamerstukken II 2023/24, 36 425, nr. 3, p. 2–3.41https://www.internetconsultatie.nl/rechtsvormvergelijkingsmethode/b1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2654 consultatieverslag gepubliceerd waarin de inhoudelijke wijzigingen naaraanleiding van de consultatie worden toegelicht42.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet signalenontvangt over het feit dat het fonds voor gemene rekening (fgr) voorrangkrijgt boven de cv, en dat dit vervelende gevolgen heeft voor onderandere pensioenfondsen. Zij vragen daarbij of het kabinet kan bevestigendat de mogelijke kwalificatie van een cv in een fgr geldt voor zowel eenNederlandse cv als een buitenlandse cv-achtige. Zij vragen ook of deregering kan bevestigen dat zal worden voorzien in overgangsrecht meteerbiedigende werking voor bestaande fiscaal transparante beleggings-cv’s. Het kabinet heeft inderdaad vanuit de praktijk signalen ontvangen datde mogelijke kwalificatie van een cv als fgr onwenselijk kan zijn. Tegelij-kertijd heeft het kabinet vanuit de praktijk en vanuit de Belastingdienst hettegenovergestelde signaal ontvangen, namelijk dat het juist wenselijk isdat een cv die kwalificeert als fgr zelfstandig belastingplichtig is.Met ingang van 1 januari 2025 wordt de definitie van fgr aangepast.43Zowel de huidige definitie van fgr als de toekomstige definitie van fgr kentgeen rechtsvormvereiste. Een cv kan dus onder zowel het huidige rechtals toekomstige recht zelfstandig belastingplichtig (en dusniet-transparant) zijn omdat het kwalificeert als een fgr. Met ingang van1 januari 2025 wordt tevens wettelijk vastgelegd dat onder meer eenlichaam met een (buitenlandse) rechtsvorm binnenlands of buitenlandsbelastingplichtig kan zijn omdat het kwalificeert als fgr.44 Zowel eenNederlandse cv als een buitenlandse cv-achtige kunnen als fgr zelfstandig(binnenlands of buitenlands) belastingplichtig zijn, mits die cv, onder-scheidenlijk die cv-achtige, voldoet aan de criteria voor het zijn van eenfgr zoals opgenomen in artikel 2, vierde lid, Wet Vpb 1969 zoals dat vanaf1 januari 2025 luidt. Het kabinet ziet geen aanleiding om te voorzien inovergangsrecht in het geval een op dit moment transparante cv ofbuitenlandse cv-achtige zelfstandig belastingplichtig zou worden als hetmet ingang van 1 januari 2025 voldoet aan de voorwaarden voor het zijnvan een fgr. De reden hiervoor is dat bij het ontstaan van de zelfstandigebelastingplicht van de Nederlandse cv of buitenlandse cv-achtige op hetniveau van die cv, onderscheidenlijk cv-achtige, geen belasting isverschuldigd, omdat het ontstaan van belastingplicht in beginsel niet leidttot belastingheffing. Voor de situatie waarin een Nederlandse cv ofbuitenlandse cv-achtige die onder huidig recht voldoet aan devoorwaarden voor het zijn van een open cv of een fgr, maar doorvoornoemde wijzigingen met ingang van 1 januari 2025 niet meerzelfstandig belastingplichtig is, is voorzien in overgangsrecht.45De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan reflecterenop de vraag of het noodzakelijk dan wel wenselijk is om de inwerking-treding van deze wetgeving met één jaar uit te stellen en het overgangs-recht met één jaar te verlengen om zoveel mogelijk knelpunten uit dewetgeving te halen in de loop van 2025. Zij vragen daarbij of het kabinet,indien uitstel tot de mogelijkheden behoort, kan toezeggen dat deze42https://www.internetconsultatie.nl/rechtsvormvergelijkingsmethode/b1.43Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 enenige andere wetten tot aanpassing van de regelingen voor het fonds voor gemene rekeningen de vrijgestelde beleggingsinstelling (Wet aanpassing fonds voor gemene rekening envrijgestelde beleggingsinstelling), Stb. 2023, 503.44Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 enenige andere wetten tot codificatie en aanvulling van het fiscale kwalificatiebeleid inzakebuitenlandse rechtsvormen en tot afschaffing van de zelfstandige belastingplicht van de opencommanditaire vennootschap (Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen), Stb. 2023, 508.45Zie artikel V van de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsin-stelling en artikel X van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2655 wetgeving in de eerste helft van 2025 wordt behandeld. De Wet fiscaalkwalificatiebeleid rechtsvormen is reeds in 2023 aangenomen engepubliceerd in het Staatsblad.46 De in het huidige wetsvoorstel Belas-tingplan 2025 voorgestelde maatregelen ten aanzien van het fiscaalkwalificatiebeleid van (buitenlandse) rechtsvormen ziet slechts op eenbeperkt aantal nazorgmaatregelen die hoofdzakelijk van redactionele aardzijn. Voor het grootste deel van de belastingplichtigen is de vorig jaar inhet Staatsblad gepubliceerde wet reeds duidelijk. De wet brengt debinnenlandse en de buitenlandse vennootschapsbelastingplicht metelkaar in lijn. Daardoor kunnen Duitse Immobilien Sondervermögens metingang van 1 januari 2025 ook (buitenlands) belastingplichtig zijn.47 Hetuitstellen van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen zou erderhalve in beginsel toe leiden dat de belastingplicht van dergelijkelichamen ook wordt uitgesteld. Daarnaast zou de rechtsonzekerheid diesommige belastingplichtigen ervaren door het uitstellen van de inwer-kingtreding van de wet alleen maar voortduren. Bovendien zijn erbelastingplichtigen die met het oog op de inwerkingtredingsdatum van1 januari 2025 reeds van de geboden herstructureringsmogelijkhedengebruik hebben gemaakt. Een bijkomend nadeel van het uitstel van deeerder aangenomen wetgeving is dat belastingplichtigen langer kunnenaanlopen tegen antimisbruikbepalingen ten aanzien van hybridelichamen. Het kabinet ziet omwille van bovenstaande redenen onvol-doende aanleiding om de inwerkingtreding van bepaalde artikelen uit deWet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen uit te stellen.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe bestaande cv’s op kortetermijn zekerheid kunnen krijgen over hun fiscale kwalificatie met ingangvan 1 januari 2025. Op basis van de Wet fiscaal kwalificatiebeleidrechtsvormen die vorig jaar door de Tweede en Eerste Kamer is aange-nomen als onderdeel van het Belastingplanpakket 2024, zullen allebestaande cv’s en daarmee vergelijkbare buitenlandse cv-achtigen voorNederlandse fiscale doeleinden per 1 januari 2025 in beginsel alstransparant worden aangemerkt. Dat is anders als de cv of cv-achtigevoldoet aan de definitie van het fgr zoals die per 1 januari 2025 luidt(artikel 2, vierde lid, Wet Vpb 1969) of met ingang van 1 januari 2025 eenomgekeerd hybride lichaam is (vanaf 1 januari 2025; artikel 2, elfde lid,Wet Vpb 1969).48 Of een cv dan wel cv-achtige voldoet aan de definitievan fgr of een omgekeerd hybride lichaam is, kan door de cv zelf wordenbeoordeeld aan de hand van de reeds bekende wettelijke voorwaarden diedaarvoor gelden. Indien een cv zekerheid wenst te krijgen of het per1 januari 2025 als fgr of omgekeerd hybride lichaam kwalificeert endaardoor vennootschapsbelastingplichtig blijft, kan die cv of cv-achtigeeen verzoek om vooroverleg bij de Belastingdienst indienen. De Belasting-dienst streeft ernaar om vervolgens op korte termijn zekerheid vooraf tegeven.De leden van de fractie van de VVD vragen of mogelijke alternatievenworden overwogen om de fiscale transparantie van beleggings-cv’s, zoalshet opnemen van een toestemmingsvereiste in artikel 2, vierde lid, WetVpb 1969 of het uitzonderen van beleggings-cv’s waarvan de participantenelkaars identiteit kunnen achterhalen. Met ingang van 1 januari 2025wordt de definitie van het fgr aangepast.49 Zowel de huidige definitie vanfgr als de toekomstige definitie van fgr kent geen rechtsvormvereiste. Een46Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen, Stb. 2023, 508.47Op basis van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2024:862) vallen dezefondsen voor gemene rekening niet onder de huidige bepaling van de buitenlands belasting-plichtigen (art. 3 Wet Vpb 1969).48Kamerstukken 2023/24, 36 425, nr. 3, p. 13.49Artikel II Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2656 fgr is doorgaans een overeenkomst van eigen aard (sui generis), maar kanook andere vormen aannemen, zoals een maatschap of een cv, mits dierechtsvorm voldoet aan de criteria voor het zijn van een fgr. Een cv kandus onder zowel het huidige recht als toekomstige recht zelfstandigbelastingplichtig (en dus niet-transparant) zijn, omdat het kwalificeert alseen fgr. Het kabinet heeft desalniettemin verschillende oplossingenonderzocht om de eventuele kwalificatieverschillen zoveel mogelijk tevoorkomen. Het door de leden van de fractie van de VVD aangedragenidee om een toestemmingsvereiste in de definitie van fgr op te nemen isniet in lijn met de doelstelling van de Wet aanpassing fonds voor gemenerekening en vrijgestelde beleggingsinstelling en de Wet fiscaal kwalifica-tiebeleid rechtsvormen. De huidige definitie van het fgr bevat eentoestemmingsvereiste. Dit vereiste komt juist met ingang van 1 januari2025 te vervallen, omdat dit vereiste als onderscheidend criterium voorzelfstandige belastingplicht internationaal ongebruikelijk is.50 Er zijndaarnaast drie andere oplossingsrichtingen onderzocht, waaronder hetuitsluiten van personenvennootschappen (zoals de cv) van de definitievan fgr. Daarnaast is het afschaffen van de zelfstandige belastingplichtvan het fgr onderzocht. De laatst onderzochte optie is de mogelijkheid ombuitenlandse cv-achtigen aan te merken als een zogenoemd inkoopfonds.De conclusie was dat de voornoemde opties om diverse redenenonwenselijk zijn. Zij gaan in tegen de doelstelling van de zelfstandigebelastingplicht van het fgr. Het fgr is in de vennootschapsbelastingopgenomen om beleggingsmaatschappijen die als rechtsvorm denaamloze vennootschap (nv) hebben en de «open beleggingsfondsen»gelijk te behandelen. Uit een uitvraag bij de Belastingdienst blijkt dat deopties tot grote gevolgen voor de uitvoering kunnen leiden. Ten slotte isgebleken dat de herkwalificatie tot fgr voor het doen van aangifte door debetreffende fondsen eenvoudiger is dan in geval van de transparantesituatie. Als gevolg van het voorgaande ziet het kabinet op dit momentonvoldoende aanleiding om opnieuw met relevante stakeholders in desector in gesprek te gaan. Daar komt bij dat het kabinet vanuit de praktijken vanuit de Belastingdienst het signaal heeft ontvangen dat voorsommige belanghebbenden juist wenselijk is dat een cv als fgr zelfstandigbelastingplichtig kan zijn.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet de door de NOBgeconstateerde rechtsonzekerheid die samenhangt met het criterium«ondernemen/beleggen» voor het bepalen van de subjectieve belasting-plicht weg wil nemen. Zij vragen daarbij of het kabinet kan bevestigen datvoor de invulling van het begrip «het voor gemene rekening beleggen ofanderszins aanwenden van gelden» zoals opgenomen in artikel 2, vierdelid, Wet Vpb 1969 dient te worden aangesloten bij het in de jurisprudentieontwikkelde onderscheid tussen «beleggen» en «ondernemen». Ook deleden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet in kan gaan op derechtsonzekerheid. Zoals eerder aangegeven wijzigt met ingang van1 januari 2025 de definitie van fgr.51 In de nieuwe definitie van het fgrvervalt het huidige toestemmingsvereiste als onderscheidend criteriumvoor de zelfstandige belastingplicht van een fgr. In plaats daarvan wordtaansluiting gezocht bij de in de Wft gehanteerde begrippen beleggings-fonds en fonds voor collectieve belegging in effecten. Een van devereisten voor het zijn van fgr is dat sprake moet zijn van een fonds terverkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voorgemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden. Dezevoorwaarde staat reeds in de huidige definitie van fgr en blijft behouden.Ten aanzien van deze zinsnede is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Of50Kamerstukken II 2023/24, 36 423, nr. 3, p. 3.51Artikel II Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2657 sprake is van beleggen dan wel ondernemen wordt op basis de jurispru-dentie aan de hand van de feiten en omstandigheden.De leden van de fractie van NSC vragen of de door het kabinet voorge-stelde maatregelen verband houden met de vennootschapsbelastingplichtvan buitenlandse vennootschappen in Nederland, oftewel met hetzogenaamde Sondervermögen. Dat is niet het geval. De in het Belas-tingplan 2025 voorgestelde maatregelen ten aanzien van het fiscaalkwalificatiebeleid van (buitenlandse) rechtsvormen betreft een beperktaantal nazorgmaatregelen ten aanzien van de Wet fiscaal kwalificatie-beleid rechtsvormen, hoofdzakelijk van redactionele aard. De Wet fiscaalkwalificatiebeleid rechtsvormen is reeds in 2023 aangenomen engepubliceerd in het Staatsblad.52 Deze wet met codificatie van bestaanderegels en introductie van deels nieuwe regels voor de belastingplicht vanbuitenlandse rechtsvormen treedt in werking met ingang van 1 januari2025. Met die regels worden onvolkomenheden in de belastingplicht –zoals die ten aanzien van Duitse Sondervermögens – weggenomen.De leden van de fractie van NSC vragen of het kabinet enkele voorbeeldenkan geven van (neven)activiteiten waarvoor een kerkgenootschap of eenzelfstandig onderdeel daarvan belastingplichtig is. Zij vragen daarbij ofbedoeld is om te regelen dat een zelfstandig onderdeel van een kerkge-nootschap een zelfstandig belastingplichtig lichaam is. De leden van defractie van NSC vragen ook of de overbrenging van een vermogensbe-standdeel van het ene vennootschapsbelastingplichtige zelfstandigeonderdeel naar een ander vennootschapsbelastingplichtige zelfstandigeonderdeel binnen één en hetzelfde kerkgenootschap leidt tot een fiscaleafrekening over de stille reserve in dat vermogensbestanddeel. Zij vragendaarbij of het kabinet bereid is om een dergelijke consequentie tevoorkomen. In de wetgeving die geldt tot en met 2024 zijn «kerkgenoot-schappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zijzijn verenigd» ook vennootschapsbelastingplichtig (indien en voor zoverzij een onderneming drijven) op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeele, Wet Vpb 1969 als «andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen».53 Inde Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is de categorie «andere danpubliekrechtelijke rechtspersonen» vervangen door kerkgenootschappen.Dit bleek echter onvolledig, omdat daar ook «alsmede hun zelfstandigeonderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd» had moeten wordenopgenomen. Met deze toevoeging is enkel beoogd aan te sluiten bij determinologie van artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Er is dusmet ingang van 1 januari 2025 geen sprake van een inhoudelijke wijziging,noch van een uitbreiding ten opzichte van de situatie tot ultimo 2024.Kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamenzijn enkel vennootschapsbelastingplichtig indien en voor zover zij eenonderneming drijven. Het is dus niet zo dat door deze toevoeging iederzelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap (voor het geheel) eenzelfstandig belastingplichtig lichaam wordt. Van het drijven van eenonderneming is sprake als met een duurzame organisatie van kapitaal enarbeid wordt deelgenomen aan het economische verkeer met hetoogmerk winst te behalen. Als het winstoogmerk ontbreekt, maar erwordt met het uitoefenen van een activiteit wel in concurrentie getredenmet andere ondernemingen, is ook sprake van het drijven van eenonderneming. Als voorbeelden van dergelijke activiteiten door kerkge-nootschappen (of hun zelfstandige onderdelen of lichamen waarin zij zijnverenigd) kunnen worden genoemd: het tegen betaling geven vancursussen of het verkopen van cursusmateriaal (al dan niet met eenreligieus of levensbeschouwelijk karakter), het exploiteren van klooster-52Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen, Stb. 2023, 508.53Zie in dat kader ook HR 12 april 1967, ECLI:NL:HR:1967:AX6136.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2658 winkels of zaalverhuur ten behoeve van derden. Indien een kerkgenoot-schap »een dergelijke belastingplichtige activiteit deels of geheelbeëindigd dient – net als bij stichtingen en verenigingen het geval is – erover eventuele stille reserves afgerekend te worden. Ook bij de verkoop(overdracht) van een (vermogensbestanddeel dat toerekenbaar is aan een)belastingplichtige activiteit aan een ander kerkgenootschap zal erbelasting betaald moeten worden over de eventuele vervreemdingswinst.Ook dit volgt uit de bestaande regels zoals die bij stichtingen en vereni-gingen (en andere belastingplichtige lichamen) ook van toepassing zijn.De leden van de fractie van NSC vragen of in het kader van de nazorgrondom de per 1 januari 2025 in werking te treden Wet fiscaal kwalificatie-beleid rechtsvormen kan worden gewaarborgd dat de omzetting van eenkerkgenootschap in een gewone stichting of vereniging géén aanleidinggeeft tot een fiscale eindafrekening over eventuele stille reserves engoodwill. De vennootschapsbelasting bevat een algemene regel voor deomzetting van rechtspersonen (in de zin van Boek 2 Burgerlijk Wetboek),zoals die van een kerkgenootschap in een gewone stichting of verening. Inbeginsel geldt dat de omzettende rechtspersoon wordt geacht te zijngeliquideerd, waarbij het vermogen wordt geacht te zijn uitgekeerd aan dedeelgerechtigden die dat vervolgens worden geacht te hebben ingebrachtin de nieuwe rechtspersoon. Het gevolg van deze liquidatie is dat inbeginsel sprake is van een eindafrekening over de aanwezige fiscale stillereserves. Er is dus in beginsel geen sprake van een gefacilieerdeomzetting. Op verzoek en onder nader te stellen voorwaarden is het welmogelijk om de fiscale claim bij een omzetting van een rechtspersoon ineen andere rechtspersoon door te schuiven naar de nieuwe rechts-persoon.De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet op de gevolgenvoor pensioenfondsen en box 3-beleggers kan ingaan, indien eenbesloten cv met ingang van 1 januari 2025 als fgr kwalificeert. Zoalshiervoor aangegeven wordt de definitie van fgr aangepast.54 Zowel dehuidige definitie van fgr als de toekomstige definitie van fgr kent geenrechtsvormvereiste. Een cv kan dus onder zowel het huidige recht alstoekomstige recht zelfstandig belastingplichtig (en dus niet-transparant)zijn omdat het kwalificeert als een fgr. Eén van de criteria van de definitievan het fgr, zoals die geldt vanaf 1 januari 2025, is dat er sprake moet zijnvan een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten inde zin van artikel 1:1 Wft. Als een onder huidig recht transparant beleg-gingsfonds, bijvoorbeeld in de vorm van een cv, met ingang van 1 januari2025 als fgr zelfstandig belastingplichtig wordt, worden de bezittingen enschulden, alsmede de opbrengsten en uitgaven, onderscheidenlijk kostenniet meer aan de participanten van dat beleggingsfonds toegerekend,maar aan het fgr. Voor de – in de regel – van vennootschapsbelastingsubjectief vrijgestelde pensioenfondsen betekent dit dat de rechtstreekstoegerekende beleggingen (en eventuele schulden) muteren in debewijzen van deelgerechtigdheid in het fgr. Voor box 3-beleggers geldthetzelfde, de rechtstreeks toegerekende beleggingen muteren in bewijzenvan deelgerechtigdheid in het fgr. Het is het kabinet op grond van hetvoorgaande op dit moment onduidelijk waar een heffingslek bestaat in hetgeval een op dit moment transparante cv met ingang van 1 januari 2025zelfstandig belastingplichtig wordt. Over de vraag of de cv als fgrkwalificeert kan, zoals ik in een voorgaand antwoord ook heb aangegeven,zekerheid vooraf gevraagd worden aan de Belastingdienst. Hiermee zouonduidelijkheid en rechtsonzekerheid voorkomen kunnen worden.54Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling, Stb. 2023,503.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2659 14. Verleggen bezwaar- en beroepsprocedures MIA en Vamil De leden van de fractie van de BBB verzoeken om mogelijke juridischecomplicaties vroegtijdig te signaleren en duidelijke voorlichting aanondernemers te bieden, vooral voor wat betreft milieu-investeringen. In2023 zijn de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijvingmilieubedrijfsmiddelen (Vamil) geëvalueerd.55 In dat kader is de aanbe-veling gedaan om de bezwaar- en beroepsprocedure van de MIA en Vamilte integreren met het aanvraagproces van de Rijksdienst voor Onder-nemend Nederland (RVO), naar voorbeeld van de Energie-investeringsaftrek (EIA). De voorgestelde maatregel geeft hier invullingaan en levert een meer gestroomlijnde afhandeling van de aanvraag vande MIA en Vamil op, realiseert meer duidelijkheid voor de aanvrager enkent eenzelfde systematiek als de vergelijkbare regeling van de EIA. RVOzal tijdig op de website en in nieuwsberichten communiceren aanondernemers en intermediairs over de wijziging van het proces. Vooraanvragen die worden gedaan op basis van de Milieulijst 2025 ontvangtde aanvrager van RVO een besluit met een verklaring (of een afwijzing),waar de aanvrager nu alleen een bevestiging van de aanvraag en invoorkomende gevallen een advies ontvangt. Tegen dit besluit kan deondernemer dan rechtstreeks bij RVO in bezwaar gaan. Op het momentvan publicatie van de Milieulijst 2025 (eind december) zal hier opnieuwover worden gecommuniceerd.15. Aanpassing vervoerskosten aftrek specifieke zorgkosten De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinetverwacht dat de voorgestelde aftrekpost van € 925 voor personen die alsgevolg van ziekte of invaliditeit niet zelfstandig 100 meter kunnen lopen,een nieuwe bron van discussies met de Belastingdienst kan worden. Ditterwijl de voorgestelde forfaitaire aftrekpost juist beoogt de huidigediscussies over de aftrek van de leefkilometers te beëindigen. In dememorie van toelichting merkt het kabinet op dat een belastingplichtigekan bewijzen dat hij niet voldoet aan de 100 meter-looptest door bijvoor-beeld het overleggen van een gehandicaptenparkeerkaart, een besluit vande gemeente op de aanvraag van een mobiliteitsvoorziening of eenverklaring van een arts. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdAvragen of het de bedoeling is dat een arts de belastingplichtige de 100meter-looptest laat afleggen of dat kan worden volstaan met zijnmedisch-professionele oordeel hierover. Deze leden merken op dat hettoch zeker niet de bedoeling is dat de Belastingdienst, ook niet als«marginale toets», een belastingplichtige een 100 meter-looptest laatafleggen. Voorts vragen deze leden of ook een verklaring van eenparamedicus, zoals bij uitstek een fysiotherapeut, podotherapeut of eenchiropractor, volstaat over het niet kunnen voldoen aan de voorgestelde100 meter-looptest. De inspecteur kan en zal de mobiliteitsbeperking zelfniet beoordelen. Daarom is een bewijsmiddel noodzakelijk om voor deaftrek voor kosten voor leefkilometers in aanmerking te komen. In hetalgemene deel van de memorie van toelichting zijn diverse voorbeeldenvan een bewijsmiddel genoemd. Het uitgangspunt is dat een inspecteur inbeginsel zal afgaan op de medische beoordeling van een zorgprofessionalover de mobiliteitsbeperking van een belastingplichtige. De zorgprofes-sional kan zelf inschatten of een looptest nodig is voor de beoordeling ofsprake is van een mobiliteitsbeperking van 100 meter. Het gebruiken vaneen bewijsmiddel afkomstig van een zorgprofessional verkleint naarverwachting de mogelijkheid tot discussie over het voldoen aan devoorwaarden voor de aftrekpost. Het bewijsmiddel kan wel door deinspecteur getoetst worden. Uit de voorbeelden uit het algemene deel van55Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 159.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2660 de memorie van toelichting blijkt dat het moet gaan om een bewijsmiddelwaaruit blijkt dat de mobiliteitsbeperking het gevolg is van een(chronische) ziekte of beperking die zich min of meer duurzaam of overeen wat langere periode voordoet, bijvoorbeeld «ten minste een half jaar»zoals bij de gehandicaptenparkeerkaart. Een vast bedrag aan aftrek voorspecifieke zorgkosten op basis van een verklaring van een zorgprofes-sional is overigens niet nieuw. Op basis van een dieetverklaring van eenarts of diëtist kan een belastingplichtige een vast bedrag als dieetkostenaftrekken.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen dat € 0,23 perkilometer voldoende is om in 2022 alle kosten te dekken voor «bijna alleonderzochte auto’s». Deze leden vragen het kabinet of dat in 2025 nogsteeds zo is, en of de auto’s die gebruikt worden door de specifiekedoelgroep van deze aftrekpost ook onder «bijna alle onderzochte auto’s»vallen. Deze leden vragen daarnaast of er bij de doelgroep bijvoorbeeldvaker sprake is van auto’s die gebruikt kunnen worden voor het vervoermet een rolstoel of anderszins afwijken om mensen met een beperking tekunnen vervoeren. Ook vragen zij of ook voor deze gevallen € 0,23 perkilometer voldoende is. Voor de kosten van vervoer voor het verkrijgenvan medische hulp en (farmaceutische) hulpmiddelen wordt voorgesteldaan te sluiten bij de wijze waarop reiskosten voor het bezoeken vanlangdurig verpleegde personen wordt berekend. Hierbij worden deaftrekbare uitgaven gesteld op € 0,23 per kilometer indien gereisd wordtper auto, niet zijnde een taxi. Dit bedrag per kilometer is eveneens hetbedrag dat als reiskosten voor de weekenduitgaven voor gehandicaptenin aanmerking mag worden genomen en ook de maximale onbelastereiskostenvergoeding die door werkgevers verstrekt mag worden aanwerknemers. Door CE Delft is in 2023 onderzoek gedaan naar de regelingvan de onbelaste reiskostenvergoeding: de Evaluatie onbelaste reiskos-tenvergoeding.56 De evaluatie naar de doeltreffendheid en doelmatigheidvan de regeling van de onbelaste reiskostenvergoeding wordt in 2028herhaald. Hierbij zal specifiek aandacht worden besteed aan de noodzaaktot verhoging van de vergoeding.57 De doelgroep die in aanmerking komtvoor de aftrek van vervoerskosten voor het verkrijgen van medische hulpen (farmaceutische) hulpmiddelen (zorgkilometers) is naar verwachtingveel breder dan de doelgroep die een vast bedrag kan aftrekken wegenszeer beperkte mobiliteit (leefkilometers). Ook belastingplichtigen die nietbeperkt zijn in hun mobiliteit kunnen namelijk vervoerskosten in aftrekbrengen voor het verkrijgen van medische hulp en (farmaceutische)hulpmiddelen. Vanwege de brede doelgroep is gekozen om aan te sluitenbij de in de fiscaliteit gebruikelijke kilometerprijs van € 0,23 die past bij devariabele kosten (in enge zin) van een middenklasser. Het is niet bekendwelk type auto de doelgroep heeft die in aanmerking komt voor het vastebedrag aan aftrek wegens zeer beperkte mobiliteit (leefkilometers).De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen voor welk bedragmensen die op dit moment gebruikmaken van de aftrek specifiekezorgkosten er door de voorgestelde maatregelen in 2025 gemiddeld enmaximaal op achteruit gaan. De leden van de fractie van de VVD vragen inhoeverre rekening is gehouden dat de regeling voor leef kilometers meergebruikt gaat worden door het niet langer bij hoeven te houden vangemaakte kosten. Deze leden vragen of dit kan leiden tot een budgettairederving. De leden van de fractie van het CDA lezen bij het voorstel voorzorgkilometers dat de wijziging bedoeld is als vereenvoudiging voor dedoelgroep. Deze leden vragen of deze vereenvoudiging ook nadeel kan56Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 141, Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 155, en Evaluatieonbelaste reiskostenvergoeding – CE Delft.57Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 3, p. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2661 betekenen voor de mensen in de doelgroep ten opzichte van de huidigeregelingen en in wat voor gevallen dat concreet kan zijn. De voorgesteldeaanpassingen van de aftrek van vervoerskosten vereenvoudigt deregeling. Bij de vereenvoudiging van de aftrek van leefkilometers zal hetaantal belastingplichtigen dat in aanmerking komt voor het vaste bedragnaar verwachting afnemen vanwege de beperking tot «het 100 meterzelfstandig kunnen lopen». De verwachting is echter ook dat door devereenvoudiging en de aandacht voor deze kosten het aantal huishoudensdat deze kosten opvoert zal toenemen. Het niet-gebruik van de aftrekpostzal daardoor naar verwachting afnemen. De budgettaire derving van hetvoorstel tot aanpassing van de vervoerskosten is geraamd op € 1 miljoenstructureel.De leden van de fractie van de VVD lezen dat de gemiddelde werkelijkeautokosten € 0,597 per kilometer zijn. Deze leden vragen of het kabinetvan mening is dat de gemiddelde werkelijke autokosten hoger zijn voor dedoelgroep van deze regeling, nu niet wordt aangesloten bij de gangbarekilometerprijs van € 0,23. Deze leden vragen of het introduceren van eennieuwe kilometerprijs bijdraagt aan de versimpeling van het belasting-stelsel. De werkelijke totale autokosten worden door het Nibud becijferdop € 0,449 (miniklasse), € 0,550 (compacte klasse), € 0,604 (compactemiddenklasse) en € 0,733 (middenklasse) per kilometer. De gemiddeldewerkelijke autokosten van deze vier categorieën bedraagt € 0,597. Dedoelgroep die in aanmerking komt voor de vaste aftrek voor extravervoerskosten is dermate specifiek dat een kilometerprijs van € 0,23 naarde mening van het kabinet niet in verhouding staat tot de werkelijkekosten die deze groep maakt voor de extra kilometers. De kilometerprijsvan € 0,23 uit de regeling van de onbelaste reiskostenvergoeding houdtnamelijk geen rekening met de situatie dat iemand meerkosten heeft alsgevolg van ziekte of handicap. Er wordt geen nieuwe kilometerprijsgeïntroduceerd. De gemiddelde werkelijke autokosten € 0,597 perkilometer zijn alleen in het algemene deel van de memorie van toelichtingvermeld ter onderbouwing van het vast bedrag van € 925 dat alsleefkilometers kan worden afgetrokken.De leden van de fractie van de VVD herinneren dat uit steekproeven blijktdat sprake is van veel onrechtmatig gebruik bij de aftrek specifiekezorgkosten. Deze leden vragen of de voorliggende voorstellen ervoorzorgen dat onrechtmatig gebruik wordt tegengegaan. Met de voorge-stelde maatregelen wordt de regeling voor de uitgaven voor specifiekezorgkosten voor de aftrek van de zorg- en leefkilometers sterk vereen-voudigd. De vereenvoudiging draagt bij aan het juist doen van aangiftedoor burgers. Eenvoudige en begrijpelijke wet- en regelgeving steltburgers in staat om hun rechten uit te oefenen en te voldoen aan hunplichten. Eenvoudige en begrijpelijke wet- en regelgeving voorkomt ookdat fouten worden gemaakt en draagt bij aan het vertrouwen in deoverheid.De leden van de fractie van NSC hebben diverse vragen over de voorge-stelde aanpassing van de aftrek van specifieke zorgkosten in de inkom-stenbelasting. Onder de voorgestelde regeling krijgt een persoon die alsgevolg van zijn ziekte of invaliditeit, al dan niet met hulpmiddelen, nietmeer dan 100 meter zelfstandig kan lopen, recht op een forfaitaireaftrekpost van € 925 per jaar voor «leefkilometers». De leden van defractie van NSC vragen wat in dit verband onder ziekte moet wordenverstaan. Zo zijn de leden van de fractie van NSC ermee bekend dat deBelastingdienst nog weleens de aftrekpost voor specifieke zorgkostenweigert omdat «ouderdom» geen ziekte zou zijn, bijvoorbeeld in het gevalvan een oudere dame die incontinent was en aanspraak maakte op deaftrekpost voor extra kleding en beddengoed (Hof Amsterdam 24 oktoberTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2662 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4310). Deze leden vragen of de Belasting-dienst straks ook kan stellen dat iemand die geen 100 meter kan lopen,géén recht heeft op de aftrekpost van € 925 omdat zijn knieën ofruggenwervels zijn versleten door ouderdom. Als een persoon geen 100meter kan lopen vanwege versleten knieën of versleten wervels in de rug,wordt aangenomen dat dit in het gevolg is van ziekte of invaliditeit enkomt de belastingplichtige voor aftrek van leefkilometers binnen deregeling aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking. Ofde slijtage (mede) zijn oorsprong vindt in de leeftijd van belastingplichtigeis daarbij niet relevant.De leden van de fractie van NSC vragen of ouderen die geen 100 meterkunnen lopen vanwege typische ouderdomsklachten aan het bewegings-apparaat, ofwel de botten, spieren en pezen, in aanmerking komen voorde aftrekpost van € 925. Deze leden denken hierbij aan reuma, artrose enrugklachten. De leden van de fractie van NSC vragen in het algemeen ofde doelgroep voor de forfaitaire aftrekpost van € 925 wel goed wordtafgebakend met de voorgestelde «looptest». Daarnaast hebben dezeleden de volgende specifieke vragen. Wat als een persoon niet slaagt voorde looptest als gevolg van overwicht? Wat als iemand weliswaar in staatis om 100 meter te lopen, maar tegen een hoge prijs, zoals hevige pijn ofuitputting, al dan niet onderdrukt door morfine? En wat als iemand 100meter kan lopen, maar als gevolg van invaliditeit niet kan opstaan om metlopen te beginnen, en daarvoor steeds hulp nodig heeft? Of wat als demobiliteit van een persoon ernstig is beperkt als gevolg van slecht-ziendheid of een gehoorbeperking? De beoogde doelgroep zijn personendie als gevolg van hun ziekte of handicap beperkt zijn in hun mobiliteit endaardoor meer kosten voor vervoer maken in vergelijking met personendie geen kosten maken voor dezelfde reis omdat zij niet beperkt zijn inhun mobiliteit en daardoor de reisafstand (kunnen) afleggen zondergebruik te maken van de auto. Om deze doelgroep te kunnen afbakenen isgekeken naar de voorwaarden van andere regelingen die ondersteuningbieden bij beperkte mobiliteit, zoals de (Europese) gehandicaptenparkeer-kaart en de OV-Begeleiderskaart van de Nederlandse Spoorwegen. Eenvan de voorwaarden van beide regelingen is dat de betreffende persoonniet in staat is om meer dan 100 meter zelfstandig te lopen. Voorgesteldwordt bij deze voorwaarde aan te sluiten om de doelgroep af te bakenen.De inspecteur kan en zal de mobiliteitsbeperking zelf niet beoordelen. Inhet algemene deel van de memorie van toelichting zijn diversevoorbeelden van een bewijsmiddel genoemd. Het uitgangspunt is dat eeninspecteur in beginsel zal afgaan op de medische beoordeling van eenzorgprofessional over de mobiliteitsbeperking van een belastingplichtige.De leden van de fractie van NSC begrijpen dat een belastingplichtige nogsteeds slaagt voor de looptest van 100 meter als hij die aflegt met eenhulpmiddel. Deze leden vragen of het kabinet voorbeelden kan geven vantoegestane hulpmiddelen bij het afleggen van de looptest. Zij vragenhierbij of wordt gedoeld op een rollator, looprek en een wandelstok. Bij devormgeving van de voorgestelde vaste aftrek voor leefkilometers van€ 925 is gekeken naar de (Europese) gehandicaptenparkeerkaart en deOV-Begeleiderskaart. Een (Europese) gehandicaptenparkeerkaart kanworden aangevraagd als een persoon ten minste een half jaar niet meerdan 100 meter zelfstandig kan lopen met hulpmiddelen. Hierbij wordtonder hulpmiddelen verstaan een stok, krukken en een rollator. DeRegeling OV-begeleiderskaart58 spreekt over «gebruikelijke hulpmid-delen». Voor de voorgestelde regeling voor aftrek van vervoerskosten(leefkilometers) kan worden aangesloten bij hetgeen wordt verstaan58Staatscourant 2014, 19829.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2663 onder de hulpmiddelen in het kader van de (Europese) gehandicaptenpar-keerkaart en de OV-Begeleiderskaart.De leden van de fractie van NSC hebben een vraag naar de onderbouwingvan de voorgestelde forfaitaire aftrekpost van € 925 voor leefkilometers.Vervoer is duur, en deze leden vragen of voorgestelde forfaitaireaftrekpost van € 925 wel een goede benadering van de kosten van deleefkilometers is. Voorts vragen deze leden waarom het bedrag isvastgesteld op basis van de gemiddelde daadwerkelijke autokosten perkilometer (€ 0,597), terwijl leefkilometers door zieken en gehandicaptenook worden afgelegd door middel van het openbaar vervoer. In hetalgemene deel van de memorie van toelichting is uitgebreid toegelichthoe het bedrag van € 925 is opgebouwd. De complexiteit van de huidigeregeling ziet in de praktijk op de autokosten. Daarom is het forfaitgebaseerd op het vervoer per auto. Nadere differentiatie zou weer leidentot een complexere regeling. Het is inherent aan het gebruik van eenforfait dat het type vervoer van een individu kan afwijken ten opzichte vande gekozen benadering voor de kosten.De leden van de fractie van NSC hebben een vraag naar de onderbouwingvan de voorgestelde forfaitaire aftrekpost van € 925 voor leefkilometers.Vervoer is duur, en deze leden vragen of voorgestelde forfaitaireaftrekpost van € 925 wel een goede benadering van de kosten van deleefkilometers is. Voorts vragen deze leden waarom het bedrag isvastgesteld op basis van de gemiddelde daadwerkelijke autokosten perkilometer (€ 0,597), terwijl leefkilometers door zieken en gehandicaptenook worden afgelegd door middel van het openbaar vervoer. In hetalgemene deel van de memorie van toelichting is uitgebreid toegelichthoe het bedrag van € 925 is opgebouwd. De complexiteit van de huidigeregeling ziet in de praktijk op de autokosten. Daarom is het forfaitgebaseerd op het vervoer per auto. Nadere differentiatie zou weer leidentot een complexere regeling. Het is inherent aan het gebruik van eenforfait dat het type vervoer van een individu kan afwijken ten opzichte vande gekozen benadering voor de kosten.De leden van de fractie van NSC vragen of het klopt dat het bedrag van€ 925 niet jaarlijks aangepast wordt voor inflatie. Als dit het geval isvragen deze leden wat de reden is voor het achterwege laten vanindexatie, terwijl vervoerskosten juist elkaar stijgen. Het klopt dat hetbedrag van € 925 niet jaarlijks standaard wordt geïndexeerd. Hierbij wordtaangesloten bij het niet jaarlijks standaard indexeren van de maximaleonbelaste reiskostenvergoeding. Zoals hiervoor is aangegeven wordt deevaluatie naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling vande onbelaste reiskostenvergoeding in 2028 herhaald. Hierbij zal specifiekaandacht worden besteed aan de noodzaak tot verhoging van devergoeding. Ik zeg hierbij toe dat de mogelijke verhoging van het vastebedrag aan kosten voor leefkilometers (van momenteel € 925) meelooptin het onderzoek naar de onbelaste reiskostenvergoeding in 2028.De leden van de fractie van NSC hebben een vraag over de resterendeaftrekmogelijkheden van de werkelijke kosten. Deze leden vragen of hetklopt dat de werkelijk gemaakte parkeerkosten voor bijvoorbeeldhuisartsbezoek aftrekbaar blijven. De leden van de fractie van NSC wijzenerop dat parkeerkosten bij zorginstellingen fors kunnen oplopen. Zo is hetdagtarief voor parkeren bij het UMC intussen € 18,00. Deze leden vragenof aanpassingskosten opgaan in het voorgestelde forfait van € 0,23 perzorgkilometer of het voorgestelde forfait van € 925 voor de gemaakteleefkilometers. Voorgesteld wordt om de aftrek van vervoerskosten perauto voor het verkrijgen van een medische behandeling of voor hetverkrijgen van (farmaceutische) hulpmiddelen te stellen op € 0,23 perTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2664 kilometer (zorgkilometers). Abusievelijk is hierbij de aftrek van parkeer-,tol- en veergelden buiten de regeling gevallen. Via een nota van wijzigingzal worden geregeld dat naast het bedrag van € 0,23 per kilometer dewerkelijk gemaakte parkeer-, tol- en veergelden aftrekbaar zijn. In hetkader van consistente wetgeving wordt daarnaast geregeld dat ook bij deal bestaande forfaitaire aftrek van vervoerskosten bij het regelmatigbezoeken van langdurig verpleegde personen (ook € 0,23 per kilometer bijvervoer per auto) de werkelijk gemaakte parkeer-, tol- en veergeldendaarnaast aftrekbaar zijn.De leden van de fractie van NSC vragen of de kosten die een gehandi-capte en rolstoel gebonden persoon maakt voor aanpassing aan zijn auto(bijvoorbeeld handgas), na de voorgestelde wijzigingen nog steedsaftrekbaar zijn. Aanpassingen aan een auto in verband met een ziekte ofinvaliditeit blijven inderdaad aftrekbaar als «andere hulpmiddelen», voorzover deze hulpmiddelen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijkdoor zieke of invalide personen worden gebruikt.De leden van de fractie van NSC vragen of overwogen is om het forfaitairebedrag van € 925 te verhogen. Dit zou immers ook leiden tot eenvermindering van de administratieve lasten. In de beleidsvormende fasevan het voorstel was het forfait gebaseerd op de in de fiscaliteit gebruike-lijke kilometerprijs van € 0,23 die past bij de variabele kosten (in enge zin)van een middenklasser. Het forfait zou dan uitkomen op € 357. Het kabinetheeft middelen vrijgemaakt om het forfaitaire bedrag te baseren op eenkilometerprijs van € 0,597 (forfait van € 925) waardoor het forfait hogerwordt.De leden van de fractie van NSC missen overgangsrecht voor mensen dienu nog wel recht hebben op aftrek maar voor wie dat vervalt bij denieuwe regeling. Deze leden vragen of het kabinet bereid is om voor dezegroep een overgangsregeling in te voeren zodat zij recht blijven houdenop de aftrek. Met de voorgestelde maatregelen wordt de regeling voor deuitgaven voor specifieke zorgkosten voor de aftrek van de leefkilometerssterk vereenvoudigd. De verwachting is dat door de vereenvoudiging ende aandacht voor deze vervoerskosten het aantal huishoudens dat dezekosten opvoert licht zal toenemen en het niet-gebruik vermindert. Hetcreëren van een overgangsregeling draagt niet bij aan vereenvoudigingen leidt tot complexiteit.Ten aanzien van de leefkilometers lezen de leden van de fractie van hetCDA dat gewerkt zal worden met een vast forfaitair bedrag op basis vaneen gemiddeld aantal kilometers dat iemand met een mobiliteitsbeperkingaflegt. Dat is € 925 ongeacht de werkelijke kosten. Deze leden vragen ofhet aantal afgelegde kilometers niet voornamelijk afhankelijk is van waarje woont. Als voorzieningen dichtbij zijn zal het aantal kilometers anderszijn dan als deze ver weg zijn. Het bedrag dat als leefkilometers inaanmerking kan worden genomen is gebaseerd op € 0,597 maal hetaantal kilometers dat een belastingplichtige zonder mobiliteitsbeperkinganders dan per auto (1.108 kilometer met de fiets + 441 kilometer te voet)gemiddeld aflegt. Het is inherent aan het gebruik van gemiddelden dat dedaadwerkelijk afgelegde kilometers van een individu kan afwijken (zowelnaar beneden als naar boven). Het betreft een klassieke uitruil tussenenerzijds het bieden van maatwerk via complexe berekeningen enanderzijds het vereenvoudigen van een regeling door gebruik te makenvan gemiddelden die kunnen afwijken van de werkelijkheid in eenindividuele situatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2665 De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de forfaitaire vergoedingin verhouding staat tot de hoeveelheid leefkilometers die afgelopen jarenin de doelgroep zijn aangegeven bij de Belastingdienst, en de spreidinghiervan. Dat wil zeggen, hoe vaak en hoe veel was het meer dan hetforfaitaire bedrag. Op basis van de aangiften inkomstenbelasting kan nietworden achterhaald hoeveel leefkilometers ten grondslag liggen aan devervoerskosten die belastingplichtigen opgeven. Dit komt doordatbelastingplichtigen zelf de vervoerskosten moeten berekenen en het saldodaarvan opgeven in de aangifte. Alleen bij een handmatige controle vande aangifte kan de inspecteur informatie verkrijgen over het aantalgereden kilometers. Deze informatie moet worden opgevraagd bij debelastingplichtige.16. Eindheffing doorlopend afwisselend gebruikte bestelauto De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarop het bedragvan € 438 is gebaseerd en of met de verhoging de volledigeniet-uitgevoerde indexatie sinds 2006 alsnog wordt uitgevoerd. Deeindheffing voor bestelauto’s die vanwege de aard van het werkdoorlopend afwisselend gebruikt worden door twee of meer werknemers,is een praktische regeling voor auto’s waarvan de bijtelling anders veelalmoeilijk individueel kan worden vastgesteld. Om die reden wordt debelasting terzake van eventueel privégebruik van deze auto’s vastgesteldop een vast bedrag per jaar dat middels eindheffing voor rekening van dewerkgever komt. Het bedrag van de eindheffing is sinds de introductie in2006, in tegenstelling tot veel andere fiscale bedragen, niet geïndexeerd.Gelet op het karakter van de eindheffing, te weten compensatie vanbelastingheffing over mogelijk privégebruik, ligt indexatie wel voor dehand. Om die reden wordt het bedrag van de eindheffing nu alsnog overde periode 2006 tot heden geïndexeerd op basis van de tabelcorrectie-factor; dat resulteert in een bedrag van € 438 in 2025. Vanaf heden zal hetbedrag van de eindheffing voor doorlopend afwisselend gebruiktebestelauto’s jaarlijks geïndexeerd worden waardoor schoksgewijzeverhogingen zoals de onderhavige niet meer nodig zijn.De leden van de fractie van NSC vragen of het wel zinvol is om deeindheffing voor doorlopend afwisselend gebruikte bestelauto’s teverhogen en of deze eindheffing in het kader van administratievelastenverlichting niet beter helemaal afgeschaft kan worden. Afschaffingvan de eindheffing voor doorlopend afwisselend gebruikte bestelauto’szou een aanzienlijke administratieve lastenverzwaring betekenen voorwerkgevers die momenteel gebruik maken van de eindheffingsmoge-lijkheid en voor hun werknemers. Afschaffing van de eindheffingsmoge-lijkheid zou betekenen dat voor de betreffende bestelauto’s die nietaantoonbaar uitsluitend zakelijk worden gebruikt, de reguliere bijtellingvoor de door de werkgever terbeschikkinggestelde auto gaat gelden. Ditbetekent dat, om bijtelling te voorkomen, de werknemers bewijs dienenaan te leveren dat zij de auto voor ten hoogste 500 kilometer op jaarbasisprivé gebruikt hebben, bijvoorbeeld in de vorm van een kilometeradminis-tratie. Om bijtelling voor privégebruik van de auto te kunnen toepassendienen werkgevers te administreren welke bestelauto op welk moment terbeschikking is gesteld aan een werknemer, hetgeen een aanzienlijkeadministratieve last betekent terzake van bestelauto’s die vanwege deaard van het werk doorlopend afwisselend gebruikt worden door twee ofmeer werkgevers. Mochten de leden van de fractie van NSC overigensvoorstellen om het eventuele privégebruik van de doorlopend afwisselendgebruikte bestelauto’s niet te belasten (niet via de eindheffing en ook nietvia de reguliere bijtelling), dan achten wij dit niet raadzaam gelet op hetfeit dat dan een privévoordeel in zijn geheel onbelast wordt gelaten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2666 17. Fiscale oplossing eenverdieners De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet vanmening is dat het afbouwen van de dubbele heffingskorting wenselijk is,hoe dit standpunt zich verhoudt tot het rapport Sociaal Minimum en ofgeen sprake is van kortetermijnpolitiek.In 2009 is gestart met het afbouwen van de uitbetaling van de algemeneheffingskorting (AHK) in de fiscaliteit aan de minstverdienende partner diegeboren is op of na 1 januari 1963 van 100% tot 0%.59 Het huidige kabinetstaat nog steeds achter het streven naar meer arbeidsparticipatie eneconomische zelfstandigheid van beide partners. Onder andere dit strevenwas destijds de reden om de uitbetaalbaarheid van de AHK af te bouwen.Zoals de leden van de fractie van het CDA overigens terecht opmerken,was ook het verbeteren van de overheidsfinanciën een reden om deuitbetaalbaarheid van de AHK af te bouwen. Door deze afbouw van deuitbetaling van de AHK zou de bijstand echter financieel aantrekkelijkerkunnen worden dan werken. Daarom is vanaf 2012 beleid ingezet voor deafbouw van de dubbele AHK in de bijstandsnorm. Ook de beleidslijn datde bijstand financieel niet aantrekkelijker zou moeten zijn dan werken,ondersteunt het huidige kabinet.Wat het kabinet echter problematisch vindt, is het feit dat burgers door desamenloop van maatregelen onder het sociaal minimum uitkomen. Dat isde reden dat in dit Belastingplan een zo gericht mogelijke fiscaleoplossing wordt voorgesteld voor de groep die dit raakt. Als deze ledenmet kortetermijnpolitiek bedoelen dat wanneer besloten wordt tot hetbevriezen van de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in hetreferentieminimumloon, de fiscale oplossing langer moet doorlopen, danklopt dat. Het kabinet ziet dat echter niet als kortetermijnpolitiek maar alsde doorwerking van een besluit om ook de koopkracht van burgers in debijstand te verbeteren.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen de regering inhoeverre de voorgestelde afbakening voor de groep mensen die rechtkrijgt op gedeeltelijke uitbetaling van de AHK de doelgroep volledigomvat. Ook vragen zij of er mensen zijn die tot de groep alleenverdienersdie onder het sociaal minimum terecht zijn gekomen behoren, maar nietonder de voorgestelde afbakening vallen.De voorgestelde verruiming van de uitbetaling AHK is zo vormgegevendat alle huishoudens die als gevolg van de versobering van de uitbetalingAHK een lager besteedbaar inkomen hebben gekregen dan eenbijstandspaar, bij inwerkingtreding van deze maatregel minder belastingverschuldigd zijn. Ook huishoudens die door het missen van de uitbe-taling AHK weliswaar niet onder het sociaal minimum uitkomen, maar wellager uitkomen dan het besteedbaar inkomen van een bijstandspaaromdat zij een hoger brutoinkomen hebben en daardoor te maken krijgenafbouw van toeslagen, vallen onder de maatregel.De voorgestelde fiscale oplossing voorkomt dat de verschuldigdeinkomstenbelasting ervoor zorgt dat alleenverdieners – met een kwalifice-rende fiscale partner – onder het sociaal minimum uitkomen in zoweltermen van netto-inkomen als besteedbaar inkomen.De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, NSC en D66 vragen metbetrekking tot de alleenverdienersproblematiek om verduidelijking welkehuishoudens nu precies waarmee geholpen worden. Ik realiseer me maaral te goed dat de alleenverdienersproblematiek en de verschillen tussende tijdelijke oplossing en de fiscale oplossing in de inkomstenbelastingvragen op kunnen wekken, te meer omdat de orde grootte van de groependie met beide oplossingen worden bereikt, verschillen. Gezien deze59Belastingplan 2008.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2667 vragen lijkt het mij goed om nog een keer de oorzaak te beschrijven omtoe te lichten hoe beide oplossingen qua insteek van elkaar verschillen.Daarmee wordt hopelijk ook inzichtelijk waarom de tijdelijke oplossingeen kleinere groep bereikt dan de fiscale oplossing. 261, 262, 263, 264 en265De alleenverdienersproblematiek is ontstaan doordat de afbouw van dedubbele AHK in de bijstandsnorm langzamer plaatsvindt dan de afbouwvan de uitbetaalbaarheid van de AHK aan de minstverdienende partner inde inkomstenbelasting. In 2024 krijgt een paar in de bijstand in feite hetminimumloon waarbij rekening wordt gehouden met 1,575 maal de AHK.Een eenverdiener met een (arbeidsongeschiktheids)uitkering op niveauvan het minimumloon krijgt slechts 1 maal de AHK en komt dus op eenlager netto-inkomen uit dan een paar in de bijstand. Ook eenverdienersmet een uitkering (ruim) boven minimumloonniveau kunnen uitkomen opeen besteedbaar inkomen beneden het sociaal minimum, als gevolg vande hogere belastingdruk en het afbouwen van toeslagen. Deze situatiekomt in feite alleen voor bij eenverdieners met een arbeids-ongeschiktheidsuitkering. Als er sprake is van arbeidsinkomen, dan is hetbesteedbare inkomen al snel hoger dan dat van een bijstandspaar alsgevolg van de arbeidskorting. Als geen sprake is van arbeidsinkomenvervalt namelijk het recht op arbeidskorting.Als impliciete (structurele) oplossing daarvoor is specifiek de groephuishoudens (eenverdieners met een uitkering) tot nu toe aangewezen opaanvullende bijstand. Volgens een simulatie van de Belastingdienst betreftdat ongeveer 17.000 huishoudens. Niet alle huishoudens die netto onderhet sociaal minimum uitkomen, zijn zich bewust van hun situatie. Niet allehuishoudens kloppen aan bij de gemeenten voor bijstand. En niet allehuishoudens hebben recht op aanvullende bijstand. Een starter op dearbeidsmarkt kan bijvoorbeeld over het gehele belastingjaar bezien onderhet sociaal minimum uitkomen omdat hij pas halverwege het jaarbegonnen is met werken. Ook kan bijvoorbeeld een huishouden metvermogen buiten de voorwaarden voor bijstand vallen. Van dehuishoudens die wel recht hebben op aanvullende bijstand, blijkt dat eendeel door deze aanvulling te maken krijgt met afbouw van toeslagen. Bijnaar schatting 6.000 huishoudens komt het besteedbaar alsnog lager uitdan bij een bijstandspaar. Het stelsel van inkomensondersteuning isdaarmee ontoereikend voor deze groep. De tijdelijke regeling beoogt omspecifiek voor deze huishoudens, die dus al aanvullende bijstandontvangen en te maken hebben met afbouw van toeslagen, een oplossingte bieden voor de afbouw van toeslagen.De fiscale oplossing neemt de oorzaak weg. Bij inwerkingtreding van defiscale oplossing zullen dus niet alleen 6.000 huishoudens geen tijdelijkeregeling ter compensatie van de afbouw van toeslagen meer nodighebben. Maar hebben 17.000 huishoudens geen aanvullende bijstandmeer nodig te compensatie van de belastingverhoging. Overigens komtde fiscale lastenverlichting terecht bij een veel grotere groep vanongeveer 65.000 huishoudens. De reden hiervoor is dat ook huishoudensprofiteren die onder het sociaal minimum zitten, maar niet tot dedoelgroep behoren (bijvoorbeeld de startende eenverdiener, die maar eendeel van het jaar werkt). Daarnaast is er sprake van een afbouwtrajectvoor de uitbetaalbare AHK. Huishoudens in het afbouwtraject komen inveel gevallen ook zonder de maatregel al boven het sociaal minimum uit.Het afbouwtraject is echter bewust niet te steil gemaakt, onder andere omeen extreem hoge marginale druk te voorkomen.De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen in hoeverre de fiscaleoplossing iedereen bereikt die last ondervindt van de problematiek. Defiscale oplossing verruimt de uitbetaling AHK voor een specifieke groep,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2668 waardoor het probleem bij de kern wordt opgelost. Het kabinet zal jaarlijksbezien of de vormgeving blijft voldoen om het beoogde doel te bereiken.De leden van de fractie van het CDA zijn van mening dat het effect op dearbeidsparticipatie van het afbouwen van de uitbetaalbaarheid van deAHK verwaarloosbaar is en vragen of het kabinet vindt dat de afschaffingzinvol is geweest.Uit de evaluatie heffingskortingen en tariefstructuur60 blijkt dat alsgekeken wordt naar de groep rechthebbenden, in de groep die hun rechtop uitbetaalbaarheid van heffingskortingen61 is kwijtgeraakt, de verwachtegedragsreactie is te zien. Het arbeidsaanbod van deze groep is namelijkgestegen. Het gaat om 35 uur op jaarbasis. Ik ben het met deze leden eensdat dat een klein effect is, het is echter wel een significant effect. Wat ookuit de evaluatie blijkt is dat het lastig is, zo niet ondoenlijk, om op basisvan de onderzoekresultaten de gevonden effecten te veralgemeniserennaar de hele populatie.62 Het effect is gevonden in een heel specifieke(leeftijds-) groep, en er is geen mogelijkheid om na te gaan of hetgevonden effect in andere leeftijdsgroep dezelfde omvang gehad zouhebben. Het effect is met andere woorden niet met zekerheid vast testellen.Het kabinet denkt naar aanleiding van de evaluatie dat de afbouw van deuitbetaalbaarheid zinvol is geweest. Hoewel klein, is er sprake van eensignificant effect. Daarnaast moet bedacht worden dat bij voorstel totafschaffing in 2009 naast het stimuleren van arbeidsparticipatie ook hetverbeteren van de overheidsfinanciën een rol speelde.De leden van de fractie van het CDA vragen in hoeverre gemeenten instaat zijn de tijdelijke oplossing per 2025 uit te voeren en welk budgetvoor de uitvoering daarvan is gereserveerd. Ook vragen deze ledenwanneer het voorstel voor de tijdelijke oplossing verwacht kan worden.Het wetsvoorstel Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek isop 19 september 2024 aan uw Kamer aangeboden door de Staatssecre-taris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.Op de Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek is door de VNGeen uitvoeringstoets gedaan.63 Het voorstel is onder randvoorwaardenuitvoerbaar voor gemeenten. De financiering van de uitvoering is één vandeze randvoorwaarden. Gemeenten ontvangen van het Rijk financieringvoor de uitkerings- en uitvoeringskosten van de regeling via eendecentralisatie-uitkering binnen het gemeentefonds. Het budget pergemeente wordt per jaar vastgesteld. Daarbij wordt uitgegaan van dedoor de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid jaarlijksvastgestelde hoogte van de tegemoetkoming, het aantal huishoudens pergemeente dat volgens een gegevensanalyse van de Belastingdienst doorde alleenverdienersproblematiek onder het bestaansminimum uitkomt, enuitvoeringskosten van ambtshalve toekenning. Hiervoor is op debegroting van het Ministerie van SZW € 28 miljoen euro per jaar (2025,2026 en 2027) gereserveerd.De leden van de fractie van het CDA vragen of gemeenten de aanvragengoed kunnen controleren. Ook vragen deze leden of mensen die inmiddelsuitgestroomd zijn uit de doelgroep, maar wel op de lijst van 6.000huishoudens staan, ook ambtshalve een tegemoetkoming krijgen. Tot slot60Kamerstukken II, 2023/24, 32 140, nr. 185.61De paragraaf in de evaluatie ziet op de uitbetaalbaarheid van alle heffingskortingen, niet alleenop de overdraagbaarheid van de AHK.62In de evaluatie zijn mensen die in 1962 geboren zijn (en dus wel recht hebben op overdraag-baarheid als zij aan de voorwaarden voldoen) vergeleken met mensen die in 1963 geboren zijnen die dus geen recht op overdraagbaarheid van de heffingskortingen hebben.63Kamerstukken II 2024/25, 36 617, nr 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2669 vragen zij of het bedrag achteraf kan worden teruggevorderd als hetonterecht blijkt te zijn.In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet tijdelijke oplossingalleenverdieners valt te lezen dat het recht op een vaste tegemoetkomingzal worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouderszelf. De lijst van de Belastingdienst is gebaseerd op definitieve inkomens-gegevens over het meest recente jaarinkomen waarvan deze gegevensbeschikbaar zijn. Dit zal het jaar voor het voorafgaande jaar zijn (jaar t-2).Op de lijst staan huishoudens die voor jaar t-2 over het hele jaar gezien temaken hebben met de alleenverdienersproblematiek. Echter, voor eendeel van de huishoudens op deze lijst is sinds het peilmoment de situatieveranderd. Huishoudens die voor jaar t-2 nog golden als alleenverdienerhebben sindsdien mogelijk hun inkomen verhoogd, of wellicht is desamenstelling van het huishouden veranderd. Voor hen is de tegemoet-koming niet nodig, maar zij kunnen de tegemoetkoming toch ontvangenals deze ambtshalve wordt verstrekt. Op basis van een analyse door deBelastingdienst over de jaren 2021–2023, betreft dit 40 tot 50 procent vande huishoudens op de lijst. Naar huidig inzicht zullen dit 2.000 tot 3.000huishoudens per jaar zijn. Het kabinet acht het in dit geval verdedigbaardat deze huishoudens toch een tegemoetkoming ontvangen. Vaststellenwelke huishoudens op de lijst in de actualiteit nog gelden als alleen-verdiener zou weer leiden tot een te grote uitvoeringslast voor debetrokken organisaties.Nadat de tegemoetkoming is toegekend, wordt deze niet meer herzien inhet nadeel van de ontvanger. Mocht het inkomen van de alleenverdienerof de partner veranderen in de loop van het jaar, dan heeft dit geeninvloed op de reeds verstrekte tegemoetkoming. Op deze manier kan deontvanger van de tegemoetkoming er zeker van zijn, dat deze detegemoetkoming mag houden. Dit wordt gedaan om te zorgen dat detegemoetkoming daadwerkelijk kan worden besteed aan noodzakelijkekosten voor het levensonderhoud. Om misbruik van deze regeling tevoorkomen, zal aan de voorkant aandacht worden besteed aanzorgvuldige beoordeling en controle van verstrekte gegevens. In het gevalvan ambtshalve toekenning wordt verondersteld dat de informatie die deBelastingdienst verstrekt klopt. In het geval van toekenning op aanvraag,kan het college zorgen voor goede controle van de door inwonersverstrekte informatie. Zo kan bijvoorbeeld een vergelijking wordengemaakt van de aangeleverde gegevens met andere beschikbaregegevens in Suwinet en andere informatiebronnen. Op deze manier wordteventueel risico op misbruik beperkt.De leden van de fractie van het CDA vragen of zowel de tijdelijke als defiscale oplossing geen recept zijn voor ellende vanwege de risico’s voorkwetsbare mensen. Ook vragen zij om het toepassen van een soortmarginale toetsing met een «hebben=houden» principe te overwegen. Totslot vragen deze leden hoe het nieuw in te voeren vergisrecht hierbijbehulpzaam kan zijn.Op de tijdelijke oplossing die wordt voorgesteld in de Wet tijdelijkeoplossing alleenverdieners, ben ik hiervoor ingegaan. De zorgen van deleden van de fractie van het CDA spelen ook bij de fiscale oplossing. Ikbegrijp deze zorgen. De Belastingdienst heeft hier in de uitvoeringstoetsbij de maatregel ook uitgebreid aandacht aan besteed. Om gedurende hetjaar tot de uitbetaling van het juiste bedrag te komen, moeten belasting-plichtigen een inschatting maken van hun inkomen voor het aanvragenvan een voorlopige aanslag. De praktijk leert dat dit ingewikkeld is, omdatde gebruikte inkomensbegrippen (verzamelinkomen en arbeidsinkomen)niet aansluiten bij de belevingswereld van de doelgroep.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2670 In situaties waarin belastingplichtigen te maken krijgen met life-events64bestaat het risico dat de relevante inkomens(bestanddelen) in de loop vanhet jaar veranderen, met de bijbehorende gevolgen voor het recht opuitbetaling van de heffingskorting. De Belastingdienst kan pas na afloopvan het belastingjaar bij de aanslag inkomstenbelasting vaststellen ofbelastingplichtigen daadwerkelijk recht hadden op de uitbetaaldeheffingskorting. Het is te verwachten dat communicatie maar in beperktemate zal bijdragen aan een juiste toepassing van de regeling doorbelastingplichtigen. Dit komt door de complexiteit van de regeling en hetontbrekende zicht op de doelgroep gedurende het belastingjaar. Enerzijdskan dit leiden tot terugvordering van ten onrechte uitbetaalde bedragenen anderzijds tot niet-gebruik van de regeling waar belastingplichtigenwel recht hadden op de uit te betalen heffingskorting.Om belastingplichtigen zoveel mogelijk te ondersteunen bij de toepassingvan de regeling zal de Belastingdienst zich inspannen om de doelgroepvoor zover mogelijk actief te benaderen en te ondersteunen bij hetaanvragen van een voorlopige aanslag en het doen van de aangifteinkomstenbelasting. Omdat het recht op een uitbetaling gevoelig is voortussentijdse veranderingen in persoonlijke omstandigheden, wordt hetwenselijk geacht degenen die hulp hebben gekregen bij hun aanvraagvoor een voorlopige aanslag ook tussentijds nog eens uit te nodigen omna te gaan of hun omstandigheden niet zijn gewijzigd. Deze aanpak neemthet risico van terugvorderingen achteraf maar gedeeltelijk weg. Ook voorde Belastingdienst is het niet mogelijk aan het begin van het jaar metzekerheid vast te stellen wat iemands inkomen zal zijn en of relevantepersoonlijke omstandigheden in de loop van het jaar zullen veranderen.Verder biedt deze aanpak geen soelaas als een belastingplichtige hetverzoek van de Belastingdienst om zich voor hulp te melden niet opvolgt.Ten slotte biedt deze aanpak geen soelaas voor het deel van de doelgroepdat wel recht heeft, maar door de Belastingdienst niet in beeld is tebrengen als rechthebbende. Ten slotte zullen bij gemaakte selecties ookbelastingplichtigen naar voren komen voor wie aan het loket vervolgensblijkt dat zij niet voor de uit te betalen heffingskorting in aanmerkingkomen.Het kabinet ziet dat de maatregel een groot beroep doet op het doenver-mogen. Niets doen is echter ook geen optie voor het kabinet. Er bestaatnamelijk een aanzienlijke groep huishoudens in Nederland die te weiniggeld heeft om rond te komen doordat verschillende regelingen voorinkomenssteun op elkaar inwerken. Deze situatie heeft bovendien te langvoortgeduurd.In samenwerking met betrokken partijen wordt nader onderzocht wat deovergang van de tijdelijke regeling naar de fiscale oplossing preciesbetekent voor huishoudens, hoe dat proces goed kan verlopen en ofaanvullende informatie of hulp nodig is.Zowel de leden van de fractie van het CDA als de leden van de fractie vande ChristenUnie doen suggesties voor een alternatieve oplossing. Deleden van de fractie van het CDA vragen of het niet eenvoudiger zou zijnweer een beperkte uitbetaalbare AHK in te voeren. Zij willen graag wetenwat het betekent voor de alleenverdienerproblematiek, maar ook voor hetverkleinen van het verschil tussen één- en tweeverdieners, als eenoverdraagbare AHK van 25% wordt ingevoerd. De leden van de fractie vande ChristenUnie vragen of het niet logischer zou zijn om de afbouw vande dubbele algemene heffingskorting in de bijstand in een keer tevoltooien en daarbij in koopkrachtcompensatie te voorzien. Zij vragen ofdaarmee de eenverdienersproblematiek verholpen zou zijn. Deze ledenwillen graag weten welke budgettaire gevolgen dit meebrengt. Tot slot64Voorbeelden van life-events zijn: trouwen, samenwonen, echtscheiding, wissel vanbaan/inkomensbron.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2671 vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie waarom het kabinetde afbouw van de dubbele AHK in de bijstand vertraagt.Het herinvoeren van een uitbetaalbare AHK zou het verschil in belas-tingdruk tussen een- en tweeverdieners verkleinen en afhankelijk van devormgeving deels een oplossing bieden voor de groep alleenverdieners.Ik begrijp het voorstel van de leden van de fractie van het CDA zo dat 25%van het recht op AHK (in de fiscaliteit) uitbetaald kan worden aan deminstverdienende partner. Omdat het voorstel voor een veel brederegroep geldt dan de alleenverdieners zijn hier forse budgettaire conse-quenties en mogelijk herverdelingseffecten aan verbonden.De kosten van het uitbetaalbaar maken van de AHK zonder aanvullendevoorwaarden zijn ongeveer 600 miljoen euro (bij 57,5% uitkeerbare AHK).Voor de alleenverdieners biedt een percentage van 25 in ieder geval nieteen afdoende oplossing. Ter illustratie: in 2028 wordt (volgens de huidigeinzichten) in de berekening van de bijstandsnorm gerekend met 155%AHK, terwijl de uitbetaling van de AHK in de inkomstenbelasting al isafgebouwd naar 0%. De eenverdienersproblematiek wordt alleen opgelostals het percentage uitbetaalbare AHK tenminste gelijk is aan hetpercentage van de dubbele AHK in de bijstand.Het herintroduceren van een uitbetaalbare algemene heffingskorting vooriedereen leidt ertoe dat de problematiek van terugvorderingen en nietgebruik wordt verbreed naar een grotere doelgroep. Bovendien wordt deomvang van de massale processen voorlopige aanslagen en definitieveaanslagen groter, omdat de doelgroep groter wordt.De variant die de leden van de fractie van de ChristenUnie voorstellen,zou inderdaad de eenverdienersproblematiek oplossen. Een afbouw vande dubbele AHK bij de berekening van de bijstandsnorm in één keer kanop verschillende manieren worden gecompenseerd. De netto bijstands-hoogte daalt niet als dit in 2025 wordt gecompenseerd met een verhogingvan de AHK met € 1.765 of een verlaging van het tarief in de eerste schijfvan de inkomstenbelasting met 6,11%. Als ervoor wordt gekozen om dezecompensatie structureel in te zetten dan kost deze verhoging van de AHKcirca € 13 miljard structureel. De verlaging van het tarief in de eerste schijfvan inkomstenbelasting met 6,11% kost circa € 21,5 miljard structureel.Ook het wettelijk minimumloon kan verhoogd worden zodat de nettobijstandshoogte niet daalt.18. Aanpassen liquidatieverliesregeling De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de mindergewenste gebruikswijze van de liquidatie- en stakingsverliesregeling metde voorgestelde maatregelen effectief wordt bestreden of dat daar anderemaatregelen voor nodig zijn. Ook vragen de leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA wanneer de eerstvolgende evaluatie van de liquidatie-en stakingsverliesregeling plaatsvindt. Op basis van jurisprudentie van hetHof van Justitie van de Europese Unie zijn EU-lidstaten verplichtdefinitieve verliezen van een buitenlandse dochtermaatschappij in delidstaat van de moedermaatschappij te verrekenen. De exacte invullingvan deze regeling kan per lidstaat verschillen. Nederland biedt dezemogelijkheid in de vorm van de liquidatie- en stakingsverliesregeling. Deliquidatie- en stakingsverliesregeling zijn de afgelopen jaren reedsverschillende malen herzien en ingeperkt om oneigenlijk gebruik tegen tegaan. Zo is bijvoorbeeld vanaf 1 januari 2021 de reikwijdte van deliquidatie- en stakingsverliesregeling versoberd en zijn er verschillendeadditionele voorwaarden aangebracht. In overeenstemming met eeneerder gedane toezegging van mijn ambtsvoorganger, zal ik in deMonitoringsbrief aanpak belastingontwijking 2024 ingaan op het gebruikvan de liquidatie- en stakingsverliesregeling in de afgelopen jaren en heteffect van de inperkingen uit 2021. Ik verwacht de brief in november aanuw Kamer te sturen. Ondanks de inperkingen uit 2021 is eerder dit jaarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2672 gebleken dat het in bepaalde situaties mogelijk is om een in beginselniet-aftrekbaar verkoopverlies op een middellijk gehouden deelnemingom te zetten in een aftrekbaar liquidatieverlies op een onmiddellijkgehouden deelneming.65 Dit is in strijd met het doel en de strekking (vande zogenoemde tussenhoudsterbepaling) van de liquidatieverliesregeling.Het kabinet stelt om die reden voor om de liquidatieverliesregeling aan tepassen. Door deze aanpassing sluit de wettelijke regeling beter aan bij hetdoel en de strekking van de liquidatieverliesregeling.6619. Verhoging percentage generieke renteaftrekbeperking De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, SGP, ChristenUnie enSP vragen om economische onderbouwing en achtergrond bij deverhoging van het percentage van de generieke renteaftrekbeperking,naar de effecten op het vestigingsklimaat en de fiscale prikkel voorfinanciering met vreemd vermogen, en welke rapporten ten grondslagliggen aan de verhoging van het aftrektarief. Financiering van onderne-mingsactiviteiten met vreemd vermogen kan negatieve gevolgen hebbenvoor de schokbestendigheid van de Nederlandse economie. Om de fiscaleprikkel voor financiering met vreemd vermogen te beperken is degenerieke renteaftrekbeperking in Nederland strenger geïmplementeerddan de minimumstandaard die is opgenomen in de eerste EU-richtlijnantibelastingontwijking (ATAD1)67. In het Belastingplan 2022 is – alsgevolg van de motie Hermans c.s.68 – de aftrekbeperking verder aange-scherpt door het percentage van de gecorrigeerde winst (EBITDA) teverlagen van 30% (vanaf 2019) naar 20% (vanaf 2022). De earningsstrip-pingmaatregel in Nederland is daarmee aanzienlijk strenger dan in andereEU-lidstaten. Het kabinet heeft signalen ontvangen dat dit ongelijkespeelveld bedrijven zorgen baart met het oog op het Nederlandsevestigingsklimaat.69 Deze strenge implementatie heeft negatieve gevolgenvoor investeringen die worden gefinancierd met vreemd vermogen. Ditkabinet wenst het verdienvermogen van Nederland te versterken en deinvesteringsbereidheid te vergroten door de eerdere verlaging (deels)terug te draaien. Het kabinet kiest ervoor om de renteaftrekbeperking teversoepelen door het percentage van 20% te verhogen naar 25%,waardoor dit percentage meer in lijn komt met andere EU-lidstaten. Dezekeuze is in lijn met beleidsopties, zoals onder meer geschetst in het CPBrapport «Kansrijk belastingbeleid»70 en het rapport «Belastingen inmaatschappelijk perspectief, Bouwstenen voor een beter en eenvoudigerbelastingstelsel».71De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66 en SGP vragen tenaanzien van de verhoging van het aftrekpercentage van de generiekerenteaftrekbeperking om een overzicht van percentages per EU-land enhoe de regering heeft bepaald wat het EU-gemiddelde is en of de regeringeen update kan maken van het «Onderzoek fiscale behandeling van eigen65Standpunt van de Kennisgroep deelnemingsvrijstelling, gepubliceerd op 28 maart 2024, zie:KG:023:2024:4 Toepassing liquidatieverliesregeling bij liquidatie kleindochtervennootschap(tussenhoudsterregeling) | Kennisgroepen (belastingdienst.nl).66Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 3, p. 54–55.67Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijdingvanbelastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van deinterne markt (PbEU 2016, L 193/1).68Kamerstukken II 35 925, nr. 13.69Zie de Kamerbrief van 5 april 2024 over alternatieve dekkingsopties en het verslag vangesprekken met bedrijven dat als bijlage bij die brief is gehecht (Kamerstukken I 2023/2024,36 418, AM, en het afschrift van die brief aan uw Kamer: 2024Z05906).70CPB, Kansrijk belastingbeleid, april 2020, p. 9871Belastingen in maatschappelijk perspectief, Bouwstenen voor een beter en eenvoudigerbelastingstelsel, bijlage 6, fiche C03.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2673 vermogen en vreemd vermogen»72. In 2020 heeft de Europese Commissieaan het Europees parlement en de Raad een voorlopig verslag uitgebrachtover de uitvoering van ATAD1 en ATAD2 in de lidstaten.73 Uit dit verslagkomt naar voren dat op dat moment 22 EU-lidstaten hebben gekozen vooreen percentage van 30% van de EBITDA en 1 lidstaat voor een percentagevan minder dan 30% van de EBITDA.74 Een meer actueel officieel overzichtvan aftrekpercentages is niet voorhanden, maar het beeld in dit voorlopigverslag komt overeen met andere op internet te vinden openbareoverzichten van bijvoorbeeld advieskantoren. In vervolg op hetvoornoemde voorlopig verslag wordt door de Europese Commissie – inhet kader van de evaluatie van ATAD – een uitgebreider verslag opgesteldover de maatregelen uit ATAD. Volgens de meest recente planning van deEuropese Commissie wordt dit verslag in het derde kwartaal van 2025gepubliceerd. Zodra dit beschikbaar is, wordt dit met uw Kamer gedeeld.Verder is in het rapport «Onderzoek fiscale behandeling van eigenvermogen en vreemd vermogen» onderzoek gedaan naar de wense-lijkheid en vormgeving van een budgettair neutrale invoering van eenvermogensaftrek in de vennootschapsbelasting. Er is geen aanleiding omaan te nemen dat de bevindingen en conclusies in dit rapport gedateerdzijn. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding om dit rapport te actuali-seren.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen – mede met oog opde krapte op de arbeidsmarkt – naar de wenselijkheid om de bedrijvigheidin Nederland te stimuleren, in hoeverre de voorgestelde maatregel hetvestigingsklimaat voor hoogproductieve bedrijven verbetert en hoe wordtvoorkomen dat bedrijvigheid wordt aangetrokken die geen toevoegdewaarde heeft. Dit kabinet is het met de leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA eens dat de schaarste aan arbeid ertoe leidt dat ergrenzen zijn aan wat we in Nederland kunnen doen en maken. Het kabinetwil daarom toewerken naar een sociale, hoogwaardige en innovatieveeconomie. Hiervoor moet ook talent worden aangetrokken, ook uit hetbuitenland. Onderdeel van de aanpak van het kabinet is het onderne-mingsklimaat te versterken, omdat een sterk ondernemingsklimaatonmisbaar is voor een stabiele Nederlandse economie en gezondebedrijven. Daarbij hoort ook dat internationaal opererende bedrijven zichin Nederland willen vestigen, oftewel een gunstig vestigingsklimaat. Ditkabinet heeft namelijk ambitie om weer tot de top-5 van meest concurre-rende landen wereldwijd te horen. het kabinet verhoogt daarom demaximale renteaftrek in de vennootschapsbelasting van 20% naar 25%van de gecorrigeerde winst (EBITDA). Hiermee worden de kosten vaninvesteringen die worden gefinancierd met vreemd vermogen verlaagd,en komt Nederland meer in lijn met andere EU-lidstaten.De leden van de fractie van het CDA vragen in te gaan op de vraag van deNOB of de regering een generieke aftrekbaarheid van kosten die samen-hangen met de aandelenoptieregeling in de vennootschapsbelastingoverweegt. Het kabinet verwijst hiervoor naar het antwoord op deze vraagin Kamerbrief van 23 september 202475 waarin wordt aangegeven dat enwaarom het kabinet een generieke aftrekbaarheid van kosten die72Kamerstukken II 35 572, 2020/21, nr. 100.73Verslag van de Commissie aan het Europees parlement en de Raad over de uitvoering vanRichtlijn 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding vanbelastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van deinterne markt, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 totwijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde landen, COM(2020) 383, Brussel, 19 augustus 2020.74Dit betreft echter een voorlopig en onvolledig overzicht, waardoor het aantal lidstaten nietoptelt tot 27.75Kamerstukken II 2024/25, 25 883, nr. 502, met name p. 7–8.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2674 samenhangen met de aandelenoptieregeling in de vennootschapsbe-lasting niet overweegt.De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat de activi-teiten van woningcorporaties minder gevoelig zijn voor internationaleplanning en verplaatsing. Zij vragen of dit bewijst dat de renteaftrekbe-perking ten onrechte wordt toegepast op woningcorporaties en hoe deregering de juridische houdbaarheid hiervan ziet. De earningsstripping-maatregel is afkomstig uit ATAD1 en is per 1 januari 2019 in de vennoot-schapsbelasting geïmplementeerd. ATAD1 betreft een minimumnormvoor antimisbruikmaatregelen die ten doel hebben om belastingont-wijking tegen te gaan. Lidstaten mogen deze minimumnorm strengerimplementeren, maar niet soepeler.De vennootschapsbelasting, waarvan de earningsstrippingmaatregelonderdeel uitmaakt, maakt in beginsel geen onderscheid tussen belasting-plichtigen. De Nederlandse wijze van implementatie van de earningsstrip-pingmaatregel heeft naast het tegengaan van belastingontwijkingeveneens als doel een meer gelijke fiscale behandeling van eigenvermogen en vreemd vermogen te bereiken. De earningsstrippingmaat-regel is vormgegeven als een generieke aftrekbeperking en dus gericht opalle vennootschapsbelastingplichtigen, waaronder woningcorporaties.Een uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaat-regel is niet mogelijk, omdat ATAD1 niet in een specifieke uitzonderings-mogelijkheid hiervoor voorziet. Dit betekent dat het specifiek uitzonderenvan woningcorporaties voor de toepassing van de earningsstrippingmaat-regel niet mogelijk is, omdat Nederland in dat geval niet voldoet aan deimplementatieverplichting ten aanzien van de minimumstandaard uit derichtlijn.ATAD1 kent een aantal mogelijkheden om een uitzondering te maken tenaanzien van de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. Zo kent derichtlijn onder meer een uitzondering voor leningen aan langlopendeopenbare-infrastructuurprojecten, een vrijstelling voor opzichzelfstaandeentiteiten en een uitzondering voor lichamen die deel uitmaken van eengroep. Het introduceren van een dergelijke uitzondering dient in overeen-stemming te zijn met de staatssteunregels.Zoals ook toegelicht in de antwoorden op de schriftelijke Kamervragenvan het lid Welzijn (Nieuw Sociaal Contract)76, biedt de richtlijn volgenshet kabinet geen ruimte om woningcorporaties onder de uitzondering vanopenbare infrastructuurprojecten te brengen.77 Een vrijstelling vooropzichzelfstaande entiteiten of een generieke (groeps)uitzondering doetverder in brede zin afbreuk aan het doel om te komen tot een meer gelijkefiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen, aangezienalle belastingplichtigen en niet alleen de woningcorporaties zullenprofiteren van deze maatregel. Daarnaast zal een dergelijke uitzonderingeen aanzienlijk budgettair effect hebben op de rijksbegroting.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de regering demening deelt dat er een oplossing moet komen voor ATAD1 voor allevennootschapsbelastingplichtigen die actief zijn in de verhuur vanwoningen in Nederland. De vennootschapsbelasting, waarvan deearningsstrippingmaatregel onderdeel uitmaakt, maakt in beginsel geenonderscheid tussen belastingplichtigen. De earningsstrippingmaatregel isvormgegeven als een generieke aftrekbeperking en is dus gericht op allevennootschapsbelastingplichtigen, waaronder ook belastingplichtigen dieactief zijn in de verhuur van woningen. ATAD1 biedt lidstaten een enkelemogelijkheden om een uitzondering te maken ten aanzien van detoepassing van de renteaftrekbeperking, mits deze in overeenstemming76Kamerstukken II 2024/25, Aanhangsel, nr. 92.77Kamerstukken II 2022/23, 29 453, nr. 555.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2675 zijn met de staatssteunregels. ATAD1 voorziet echter niet in een specifiekeuitzonderingsmogelijkheid voor belastingplichtigen die actief zijn in deverhuur van woningen. Dit betekent dat het specifiek uitzonderen vandergelijke belastingplichtigen voor de toepassing van de earningsstrip-pingmaatregel niet mogelijk is, omdat Nederland in dat geval niet voldoetaan de implementatieverplichting ten aanzien van de minimumstandaarduit de richtlijn.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat de opbrengst isvan de renteaftrekbeperking die reeds geldt voor vastgoedbeleggers envragen daarbij onderscheid te maken tussen woningcorporaties,beleggers en particuliere verhuurders, alsmede hoe deze opbrengst zichverhoudt tot de omzet van deze verschillende segmenten. De vennoot-schapsbelasting kent geen heldere definitie van beleggers of particuliereverhuurders. Het is daarom niet mogelijk om onderscheid te makentussen dergelijke groepen. Wel is het mogelijk om de woningcorporatiesaf te zonderen in de analyse. Van de vastgoedondernemingen vertegen-woordigen de woningcorporaties naar schatting ongeveer driekwart vande omzet. De huidige inschatting is dat woningcorporaties ongeveer € 410miljoen extra belasting betalen vanwege de earningsstrippingmaatregel.Met de verhoging van het percentage naar 25% wordt dat bedragverlaagd met ongeveer € 80 miljoen naar € 330 miljoen. Daarentegenworden corporaties voor € 4 miljoen geraakt door de vastgoedmaatregel.Bij de overige vastgoedbeleggers geldt dat deze momenteel wordengeraakt door de earningsstrippingmaatregel voor ruim € 70 miljoen. Metde verhoging van het percentage daalt dit bedrag naar ongeveer € 60miljoen. Met de antifragmentatiemaatregel stijgt dit bedrag naar ongeveer€ 100 miljoen.20. Antifragmentatiemaatregel generieke renteaftrekbeperking De leden van de fracties van de PVV, VVD, GroenLinks-PvdA, CU en SGPvragen waarom de antifragmentatiemaatregel enkel op vastgoedlichamenis gericht en in hoeverre fragmentatie alleen in deze sector een probleemis en of er ook signalen zijn dat vennootschappen in andere sectorenzichzelf opknippen om meermaals van de drempel gebruik te maken. Deearningsstrippingmaatregel betreft een generieke maatregel die vantoepassing is op alle vennootschapsbelastingplichtige lichamen. Bijinvoering van de maatregel is onderkend dat belastingplichtigen zichmogelijk kunnen opknippen in verschillende vennootschappen om zo vooriedere vennootschap afzonderlijk gebruik te maken van de drempel.Daarbij is aangegeven dat indien in de praktijk blijkt dat hierop wordtingespeeld, wettelijke maatregelen kunnen worden bezien. Vanuit depraktijk is het signaal opgekomen dat met name investeringen in verhuurdvastgoed worden opgeknipt. Bij de opzet van structuren wordt hetvastgoed verspreid over Nederlandse vennootschappen. Dit vastgoedwordt gefinancierd met vreemd vermogen. De rente over de leningen terfinanciering van het vastgoed is in beginsel aftrekbaar bij het bepalen vande winst. Omdat het vastgoed en de bijbehorende financiering is verdeeldover verschillende vennootschappen blijft het saldo aan rentelasten enrentebaten onder de grens van € 1 miljoen. Hierdoor bestaat er geen zichtop exacte aantallen. In meer kwalitatieve zin geldt dat met name vastgoedzich ertoe leent om te worden opgeknipt. Ook de antifragmentatiemaat-regel in dit wetsvoorstel is een generieke maatregel die voor allebelastingplichtigen van toepassing is in het geval een belastingplichtigehoofdzakelijk aan derden ter beschikking gesteld vastgoed bezit. Vanuit depraktijk zijn geen signalen bekend dat ook buiten de sfeer van aan derdenverhuurd vastgoed veelvuldig gebruik wordt gemaakt van het opknippenom meermaals van de drempel gebruik te maken. Het kabinet heeft erTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2676 daarom voor gekozen om opknipgedrag gericht aan te pakken daar waarhet onwenselijke gebruik zich voordoet.De leden van de fractie van de PVV van vragen of de regering kanaangeven wat de budgettaire- en uitvoeringsgevolgen zijn in het geval dedrempel niet wordt afgeschaft, maar wordt verlaagd naar bijvoorbeeld€ 500.000, € 250.000 of € 100.000, zowel aan de kant van de Belasting-dienst als aan de ondernemerskant. Het geheel buiten toepassing latenvan de drempel, conform het wetsvoorstel, leidt in de structurele fase toteen budgettaire opbrengst van ongeveer € 40 miljoen, en raakt ongeveer5500 vastgoedondernemingen. De drempel verlagen naar € 100.000 geefteen lagere opbrengst van € 36 miljoen, waarbij bijna 2.000 onderne-mingen met de maatregel te maken krijgen. Het verlagen van de drempelnaar € 250.000 leidt tot een opbrengst van ongeveer € 30 miljoen. In diesituatie raakt de maatregel bijna 1000 vastgoedondernemingen. Als dedrempel verlaagd wordt naar € 500.000 zal de opbrengst nog op ongeveer€ 20 miljoen uitkomen. In die situatie komen ruim 500 vastgoedonderne-mingen in aanraking met de maatregel. Een kleinere verlaging van dedrempel voor vastgoedlichamen zal dan ook leiden tot een minder groteverhoging van de administratieve lasten, omdat vastgoedlichamen meteen beperkt saldo aan rentelasten dan buiten het toepassingsbereik vande earningsstrippingmaatregel blijven.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen in dit kaderaanvullend hoe vaak het voorkomt dat bedrijven meermaals gebruik-maken van het lage tarief in de vennootschapsbelasting door zichzelf opte knippen en naar de mogelijkheden om dit tegen te gaan met eenandere antifragmentatiemaatregel. Van het totaal aantal belastingplich-tigen in de vennootschapsbelasting heeft 90% een belastbaar bedrag vanminder dan € 200.000, waardoor zij volledig worden belast tegen het lageVpb-tarief of, wanneer zij geen winst maken, geen belasting betalen. Hetvoordeel van het lage Vpb-tarief is, na een forse toename tussen 2020 en2022, vanaf 2023 afgenomen doordat de schijfgrens is verlaagd van€ 395.000 naar € 200.000 en het lage Vpb-tarief is verhoogd van 15% naar19%.Het Ministerie van Financiën heeft in 2022 onderzoek gedaan naar ditopsplitsen.78 Uit het onderzoek bleek dat er een duidelijke trend zichtbaarwas waarbij elk jaar meer zelfstandige aangiften vennootschapsbelastingworden gedaan en het gebruik van de fiscale eenheid in de vennoot-schapsbelasting afneemt. Het is niet mogelijk om te bepalen hoe vaakbedrijven zich opknippen om meermaals gebruik te maken van hettariefsopstapje. In het algemeen geldt dat grenzen zoals het lageVpb-tarief een prikkel vormen voor bedrijven om hun activiteiten overmeerdere belastingplichtige lichamen te verdelen.Het nemen van een antifragmentatiemaatregel ten aanzien van hettariefopstapje is eerder aan de orde geweest bij de behandeling van hetBelastingplan 2022 naar aanleiding van een amendement van het lidMaâtoug c.s.79 Dit amendement is destijds ontraden omdat een dergelijkemaatregel door middel van de introductie van een nieuw concernbegripleidt tot een toename van de complexiteit van het stelsel, niet uitvoerbaaris en bovendien relatief gezien de grootste gevolgen heeft voor het mkb.Deze motivering is thans onveranderd van toepassing. Derhalve ligt eenantifragmentatiemaatregel voor toepassing van het tariefopstapje nietvoor de hand.Het lage tarief in de vennootschapsbelasting wordt momenteel geëva-lueerd op doeltreffendheid en doelmatigheid in het kader van dewettelijke evaluatieplicht voor fiscale regelingen. In dat onderzoek zal ook78Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 779Kamerstukken II 2021/22, 35 927, nr. 38.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2677 nader ingegaan worden op de belastingplanning die het lage tarief metzich mee kan brengen. De resultaten van het onderzoek worden eind 2024verwacht.De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en NSC vragen of devoorgestelde antifragmentatiemaatregel voldoende bestand is tegenmanipulatie en ontwijking door bedrijven en of de regering nader kaningaan op het risico op «oppompconstructies». Voor toepassing van demaatregel wordt aan de hand van een bezittingentoets vastgesteld ofsprake is van een vastgoedlichaam. Hierbij is van belang welk gedeeltevan de gecorrigeerde bezittingen bestaat uit onroerende zaken die aanderden ter beschikking worden gesteld. Door uitgebreide, specifiekedefinities te hanteren voor de begrippen «onroerende zaken» en «gecorri-geerde bezittingen» is de bezittingentoets zo ingericht dat zo min mogelijkdiscussie kan ontstaan over de vraag of sprake is van een vastgoedli-chaam. De mogelijkheden om de bezittingentoets zodanig te beïnvloedendat het hoofdzakelijkheidscriterium wordt ontweken, worden beperkt doorde bezittingen uit te sluiten die zich het meest lenen voor manipulatie vande toets. Om deze reden worden deelnemingen en vorderingen opverbonden lichamen en verbonden natuurlijke personen niet meegeteldals gecorrigeerde bezittingen. Daarnaast kent de bezittingentoets eentemporele grens van een half jaar, die de mogelijkheden om de toets temanipuleren nog verder beperkt.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het voor detoepassing van de bezittingentoets niet voor de hand ligt om allevorderingen die een vastgoedlichaam – rechtens dan wel in feite direct ofindirect – heeft op een verbonden lichaam of verbonden natuurlijkpersoon uit te sluiten. Deze leden lijken ervan uit te gaan dat doorbelastingplichtigen simpelweg een derde kan worden gevonden diebereid is om deel uit te maken van een fiscale constructie die als doelheeft om toepassing van de antifragmentatiemaatregel te vermijden. Hetis zeer de vraag of dit het geval is en derhalve ziet het kabinet geenaanleiding om de omschrijving van de uitgesloten vorderingen verder uitte breiden.De leden van de fractie van de VVD lezen dat misbruik wordt gemaakt vande drempel van € 1 miljoen. Zij vragen of in kaart is gebracht wat deschaal is van dit misbruik. De Belastingdienst wordt in toenemende mategeconfronteerd met opknipgedrag door vastgoedlichamen. Het gaathierbij niet om een enkel geval, maar inmiddels zijn meer dan honderdcasus bekend.De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen of anderemogelijkheden zijn verkend om te voorkomen dat misbruik wordt gemaaktvan de drempel van € 1 miljoen. Hierbij wordt specifiek gevraagd om in tegaan op de alternatieven die de NOB heeft geschetst in zijn reactie op hetBelastingplan 2025, zoals het gebruik van de GAAR, het slechts eenmaaltoepassen van de drempel binnen een groep of het verlagen van dedrempel. Bij de invoering van een maatregel om fragmentatiestructurentegen te gaan zijn verschillende beleidsopties overwogen, waaronder demogelijkheid om de drempel slechts eenmaal toe te passen ten aanzienvan een groep. Hiervoor is niet gekozen omdat dit leidt tot een toenamevan de complexiteit van het stelsel en bezwaarlijk uitvoerbaar is door deBelastingdienst.De antifragmentatiemaatregel is ingevoerd naar aanleiding van signalenuit de praktijk over fragmentatie van vennootschappen met aan derden terbeschikking gesteld vastgoed. Dergelijke constructies kunnen effectief enuitvoerbaar worden tegengegaan door middel van een specifiek,mechanisch en uitvoerbaar instrument als de antifragmentatiemaatregel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2678 Deze constructies bestrijden aan de hand van de GAAR/fraus legis isbewerkelijk voor de uitvoering door de Belastingdienst en creëertbovendien rechtsonzekerheid. Het kabinet heeft hier dan ook niet voorgekozen.Verder opperen onder meer de NOB en de RB een alternatievevormgeving waarbij de drempel voor vastgoedlichamen niet geheelbuiten toepassing wordt gelaten, maar wordt verlaagd tot een lagerbedrag. Dit alternatief zou naar de mening van de NOB en de RB kleinebeleggers en mkb-vastgoedlichamen ontzien, terwijl opknippen aanzienlijkminder lucratief wordt gemaakt. Het is echter lastig te bepalen vanaf welkbedrag opknippen niet meer lucratief is, waarbij tevens geldt dat dezeafweging per belastingplichtige zal verschillen. Op voorhand valtbovendien niet uit te sluiten dat vastgoedlichamen hier alsnog op zullenstructureren. Het kabinet heeft hier dan ook niet voor gekozen.De leden van de fractie van de VVD vragen of de antifragmentatiemaat-regel bedoeld is voor een specifieke casus waarin een familiebedrijf in hetmkb wordt overgedragen naar de volgende generatie. De voorgesteldemaatregel is bedoeld om opknippen van vennootschappen met het doelaftrekruimte voor de generieke renteaftrekbeperking te maximaliserentegen te gaan. In de door de leden van de fractie van de VVD geschetstecasus lijkt geen sprake van dergelijk opknipgedrag. De antifragmentatie-maatregel is derhalve niet gericht op dergelijke casus. Het kabinet zietechter onvoldoende aanleiding om vanwege deze casus de maatregel aante passen. In de eerste plaats is dat omdat aan de hand van de in de casusgegeven feiten niet duidelijk is of de antifragmentatiemaatregel daadwer-kelijk van toepassing zou zijn en omdat het kabinet de maatregel nietingewikkelder wil maken dan nodig. Het kabinet hecht eraan om in ditkader te wijzen op het feit dat toepassing van de antifragmentatiemaat-regel niet betekent dat rente in zijn geheel niet meer aftrekbaar is voor eenbelastingplichtige. De aftrek is immers toegestaan tot 25% van degecorrigeerde winst. En voor de rente die in een gegeven jaar niet inaftrek is toegestaan geldt dat die rente in volgende jaren – waarin meeraftrekruimte ontstaat door bijvoorbeeld verkoop van het verhuurdvastgoed – alsnog in aftrek kan worden gebracht.De leden van de fractie van de VVD vragen ten aanzien van de budgettaireaspecten van de maatregel om een toelichting waarom al in 2024 eenbudgettair effect wordt verwacht en waarom de budgettaire opbrengst optermijn afneemt. Het budgettaire effect in 2024 is het gevolg van verlies-verrekening met belastbare winst van het voorgaande jaar (carry back). Inde situatie dat in 2025 er een verlies is en in 2024 een winst, zal met devastgoedmaatregel het verlies kleiner zijn. Hierdoor kan er minderverliesverrekening plaatsvinden naar 2024, zodat ook in 2024 er eenopbrengst aanwezig is. De dalende trend in de reeks is het gevolg van devoorwaartse verrekening van rente in de earningsstrippingmaatregel. Debetreffende ondernemingen worden vanaf 2025 geconfronteerd met deearningsstrippingmaatregel, omdat zij in de eerste jaren te weinig EBITDAhebben. In de jaren daarna kan een dergelijke onderneming meer EBITDAhebben, waardoor de rente wel in aftrek genomen mag worden vanwegede voorwaartse verrekening. Hierdoor kent de reeks een dalende trend,waarna op termijn er een stabiele situatie ontstaat.De leden van de fractie van de VVD vragen – naar aanleiding van hethoofdstuk Advies en consultatie – waarom er niet voor is gekozen omrente op bankleningen uit te zonderen van de maatregel en of hetuitvoeringstechnisch mogelijk is om dit te wijzigen. De generiekerenteaftrekbeperking betreft de implementatie van de earningsstripping-maatregel uit ATAD1. Het financieringskostenbegrip uit ATAD1 omvatrentelasten op alle vormen van schuld. Hierdoor laat de Richtlijntekst opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2679 dit punt geen ruimte om rente op bankleningen uit te zonderen van demaatregel.De leden van de fractie van de VVD vragen of kan worden ingegaan opbepaalde door de NOB geschetste technische onduidelijkheden. Hetkabinet wijst er op dat de antifragmentatiemaatregel op een tweetalpunten zal worden aangepast bij nota van wijziging om bepaaldetechnische onduidelijkheden weg te nemen.In de eerste plaats wordt het begrip gecorrigeerde bezitting aangepastzodat onduidelijkheden voor buitenlandse belastingplichtigen wordenweggenomen. De voorgestelde antifragmentatiemaatregel houdt in dathet drempelbedrag van € 1 miljoen uit artikel 15b, eerste lid, onderdeel b,van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) niet geldtvoor een vastgoedlichaam. Of er sprake is van een vastgoedlichaamwordt vastgesteld aan de hand van een bezittingentoets. Die bezittingen-toets wordt toegepast op de gecorrigeerde bezittingen zoals die wordengedefinieerd in het voorgestelde artikel 15b, zevende lid, onderdeel g, WetVpb 1969. Van de gecorrigeerde bezittingen zijn onder andere uitgeslotende bezittingen van een binnenlands belastingplichtige die deel uitmakenvan een buitenlandse onderneming die wordt gedreven met behulp vaneen vaste inrichting in het buitenland. In de spiegelbeeldige situatie – eenbuitenlands belastingplichtige met een vaste inrichting in Nederland –worden met de aanpassing in de nota van wijziging de bezittingen van hetbuitenlandse hoofdhuis ook uitgesloten van de gecorrigeerde bezittingen.In de tweede plaats wordt de inwerkingtreding van de maatregelaangepast zodat onduidelijkheden over toepassing van de bezittingen-toets voor belastingplichtigen met een gebroken boekjaar wordenweggenomen. De voorgestelde aanpassing houdt in dat de maatregel nietonverkort in werking treedt per 1 januari 2025, maar voor het eersttoepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na1 januari 2025.De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen nader toe telichten waarom de antifragmentatiemaatregel is opgenomen in hetBelastingplan 2025 en of de regering rechtsvergelijkend internationaalonderzoek heeft gedaan naar de vraag hoe andere EU-lidstaten omgaanmet opknipgedrag. Het pakket Belastingplan 2025 is zo veel mogelijkbeperkt tot maatregelen die met ingang van 1 januari 2025 in werkingmoeten treden. Het kabinet hanteert voor het opnemen van fiscalewetgeving in een pakket Belastingplan daarom verschillendevoorwaarden. In het kader van de budgettaire samenhang met debegroting van volgend jaar is ertoe besloten om de antifragmentatiemaat-regel op te nemen in het Belastingplan 2025. Het kabinet heeft geenbreder rechtsvergelijkend internationaal onderzoek gedaan, of, en zo ja,hoe andere lidstaten opknipgedrag tegengaan en ziet hier ook geenmeerwaarde in, omdat omstandigheden per lidstaat verschillen (ondermeer wat betreft implementatie ten opzichte van de minimumnorm,alsmede wat betreft de randvoorwaarden). Het kabinet wenst ongewenstopknipgedrag op korte termijn effectief tegen te gaan.De leden van de fracties van de VVD en het NSC vragen of de antifrag-mentatiemaatregel in lijn is met het recht op de vrijheid van vestigingbinnen de Europese Unie. De earningsstrippingmaatregel in artikel 15bWet Vpb 1969 betreft de implementatie van de generieke renteaftrekbe-perking uit ATAD1. De richtlijnbepaling laat lidstaten onder meer ruimteom een drempel op te nemen en om een geconsolideerde fiscale groepals belastingplichtige te behandelen, onder voorwaarde dat de drempelslechts eenmaal toepassing vindt op het niveau van de volledige groep.De ATAD1 richtlijn vloeit rechtstreeks voort uit de aanbevelingen van deOESO die het resultaat zijn van het BEPS-project. In deze aanbevelingen isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2680 in dit kader aangegeven dat ingeval een drempel toepassing vindt op hetniveau van een individuele entiteit, landen moet overwegen om antifrag-mentatieregels op te nemen om te voorkomen dat groepen verschillendeentiteiten oprichten die elk onder de drempel vallen om de toepassing vande maatregel te ontlopen.80Nederland heeft bij implementatie gekozen voor een drempel van € 1miljoen. In de memorie van toelichting bij de implementatiewet is demogelijkheid onderkend dat belastingplichtigen zich zullen opknippen inverschillende vennootschappen om zo voor iedere vennootschapafzonderlijk gebruik te maken van de drempel. Daarbij is aangegeven datzo in de praktijk op het voorgaande wordt ingespeeld wettelijke maatre-gelen kunnen worden bezien.81 Nadat er signalen uit de praktijk zijngekomen over opknippen heeft het kabinet besloten om een antifragmen-tatiemaatregel op te nemen in het Belastingplan 2025 om dat opknippentegen te gaan.De voorgestelde antifragmentatiemaatregel is in lijn met doel en strekkingvan de earningsstrippingmaatregel die volgt uit ATAD1 en de aanbeve-lingen van de OESO op dit punt en voorkomt dat belastingplichtigen zichaan de reikwijdte van de maatregel kunnen onttrekken door op te knippen.Het kabinet is derhalve van mening dat de voorgestelde antifragmentatie-maatregel in lijn is met de Europese wetgeving en rechtspraak en zietgeen aanleiding om de maatregel aan te passen. Over eventueleprocedures kan het kabinet zich op voorhand niet uitlaten.De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen of de invoeringvan de voorgestelde antifragmentatiemaatregel potentieel negatievestaatssteungevolgen heeft nu in het voorstel is opgenomen dat dedrempel voor de renteaftrekbeperking niet langer voor alle belastingplich-tigen zou gelden, maar slechts voor een selectieve groep belastingplich-tigen, te weten de niet-vastgoedlichamen. De leden van de fractie van deVVD vragen of er sprake is van onverenigbare staatssteun door devoorgestelde maatregel en of de regering voornemens is de maatregelaan te melden bij de Europese Commissie.De in dit wetsvoorstel voorgestelde antifragmentatiemaatregel is eengenerieke maatregel die voor alle belastingplichtigen die hoofzakelijk aanderden ter beschikking gesteld vastgoed bezitten geldt. Om tot staats-steun te komen moet voldaan worden aan de criteria zoals vermeld inartikel 107, eerste lid, van het Werkingsverdrag van de Europese Unie(VwEU). Voor de toetsing is het van belang om het referentiestelsel vast testellen, het «normale» belastingstelsel. Vervolgens moet wordenbeoordeeld of de voorgestelde maatregel hiervan afwijkt en, indien dit hetgeval is, of de afwijking kan worden gerechtvaardigd door de aard enopzet van het stelsel.Het kabinet is van mening dat de voorgestelde wijziging niet leidt totdiscriminatie tussen ondernemingen die zich in een feitelijk en juridischvergelijkbare positie bevinden met het oog op de doelstelling van deearningsstrippingmaatregel, omdat de vastgoedlichamen, in tegenstellingtot niet-vastgoedlichamen, zich juist onttrekken aan de effectievetoepassing van de earningsstrippingmaatregel door via het opknippenmeerdere keren gebruik te maken van de drempel. Het afschaffen van dedrempel in de earningsstrippingmaatregel voor vastgoedlichamen is eenanti-misbruikmaatregel en past dus in de aard en opzet van het regimevan de earningsstrippingmaatregel, dat erop is gericht renteaftrek tebeperken en een meer gelijke behandeling van eigen en vreemdvermogen te bewerkstelligen.80OESO, Limiting Base Erosion Involving Interest Deductions and Other Financial Payments,Action 4, 2015, par. 26 en 55.81Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 11–12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2681 Tevens is er informeel overleg gevoerd met de Europese Commissie. Overde inhoud van deze overleggen doet het kabinet geen mededelingen omde vertrouwelijkheid ervan te beschermen. Na het informele overleg metde diensten van de Europese Commissie heeft het kabinet besloten om demaatregelen door te zetten.Mocht het kabinet signalen ontvangen dat ook in andere gevallenbelastingplichtigen zich onttrekken aan de effectieve toepassing van deearningsstrippingmaatregel door via het opknippen meerdere kerengebruik te maken van de drempel, zal worden overwogen om de drempelook in andere gevallen af te schaffen.De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen om in te gaan opde zorg dat de voorgestelde regeling in strijd is met artikel 1, EersteProtocol, bij het EVRM en/of artikel 14 van het EVRM met artikel 1 EPEVRM.Hoewel belastingheffing in beginsel een inbreuk maakt op het eigendoms-recht, is inmenging in dit recht voorzienbaar op grond van de wettelijkegrondslag en voor belastingdoeleinden in het algemeen gerechtvaardigd.Daarbij geeft de rechter doorgaans een ruime beoordelingsvrijheid aan dewetgever om het belastingstelsel in te richten in lijn met de door dewetgever nagestreefde legitieme doelen. Of een maatregel in eenindividueel geval een inbreuk maakt op het eigendomsrecht is afhankelijkvan de feiten en omstandigheden. De wetgever moet ervoor zorgen dat ersprake is van een «fair balance» tussen de belangen van het betrokkenindividu en het algemene belang. Het kabinet is van mening dat gelet opdeze criteria bij de voorgestelde maatregel geen sprake is van eenongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht. Uiteindelijk is het aan derechter om daarover in individuele zaken te beslissen.De leden van de fractie van het NSC vragen of de drempel van € 1 miljoenhelemaal niet meer van toepassing is voor vastgoedlichamen. Devoorgestelde antifragmentatiemaatregel regelt inderdaad dat degenoemde drempel in zijn geheel niet meer van toepassing is voorbelastingplichtigen die kwalificeren als vastgoedlichaam voor detoepassing van artikel 15b Wet Vpb 1969. De drempel wordt op basis vande antifragmentatiemaatregel op nihil gesteld voor vastgoedlichamen.De leden van de fractie van het NSC vragen hoe de antifragmentatiemaat-regel onderscheid maakt tussen vastgoedvennootschappen en vennoot-schappen die slechts gedeeltelijk vastgoed verhuren en voor het overigeandere bedrijfsactiviteiten hebben. Zij vragen voorts of het opknippro-bleem zo niet wordt vervangen door een afbakeningsprobleem. Deantifragmentatiemaatregel is slechts van toepassing op belastingplich-tigen die kwalificeren als vastgoedlichaam. Die kwalificatie vindt plaatsaan de hand van een bezittingentoets. Voor die toets wordt bepaald of degecorrigeerde bezittingen van de belastingplichtige gedurende minimaalde helft van het jaar hoofdzakelijk bestaan uit onroerende zaken die terbeschikking worden gesteld aan derden. Deze toets is zo ingericht dat erzo min mogelijk discussies kunnen ontstaan over de vraag of er sprake isvan een vastgoedlichaam. De toets kent bijvoorbeeld een duidelijketemporele grens van een halfjaar en kent uitgebreide specifieke definitiesvoor de begrippen «onroerende zaken» en «gecorrigeerde bezittingen».Het kabinet voorziet hierdoor niet veel afbakeningsproblematiek alsgevolg van de antifragmentatiemaatregel.De leden van de fractie van het NSC vragen om een reactie op de columnvan de heer Van Uunen, die aandacht vraagt voor de complexiteit van demaatregel en hoe deze zich verhoudt tot het voornemen van deze regeringom te komen tot vereenvoudiging van het stelsel. Dit kabinet streefternaar om te komen tot vereenvoudiging van het belastingstelsel. DitTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2682 streven dient te worden bezien in een breder kader van onderwerpen tenaanzien waarvan dit kabinet voortgang wil maken, waaronder de aanpakvan onwenselijke belastingconstructies. Met de voorgestelde antifragmen-tatiemaatregel wenst het kabinet een onwenselijke belastingconstructietegen te gaan. Bij de vormgeving van de maatregel is rekening gehoudenmet de uitvoerbaarheid ervan. Zo is ervoor gekozen om de voorgesteldeantifragmentatiemaatregel mechanisch vorm te gegeven, wat deuitvoerbaarheid van de maatregel ten goede komt. De in de betreffendecolumn geschetste complexiteit ziet met name op de reeds bestaandeearningsstrippingmaatregel als zodanig en niet zozeer op de nu voorge-stelde antifragmentatiemaatregel. Dit laat echter onverlet dat als gevolgvan de antifragmentatiemaatregel meer belastingplichtigen te makenzullen krijgen met de earningsstrippingmaatregel. Voor die belastingplich-tigen kan de maatregel tot meer complexiteit leiden.De leden van de fracties van het CDA, SGP en ChristenUnie vragen naarde gevolgen van de antifragmentatiemaatregel op de woningmarkt, in hetbijzonder op de huurmarkt, op de investeringen in nieuwbouwwoningenen op woningcorporaties. De voorgestelde antifragmentatiemaatregelbepaalt dat de drempel van € 1 miljoen geen toepassing vindt ten aanzienvan vastgoedlichamen met aan derden ter beschikking gesteld vastgoed.Als gevolg van deze maatregel loont het niet langer voor vastgoedli-chamen om zich op te knippen in verschillende vennootschappen.Belastingplichtigen met vastgoed in «eigen gebruik» vallen buiten bereikvan de maatregel en ook ondernemingen met een mix van aan derden terbeschikking gesteld beleggingsvastgoed en andere activiteiten zullen inde regel niet getroffen worden door de maatregel. Als de antifragmenta-tiemaatregel wel aangrijpt – en de drempel dus niet van toepassing is –wordt de rente pas in aftrek beperkt indien het rentesaldo meer bedraagtdan 25% van de EBITDA. Bovendien kan de rente die op grond van deearningsstrippingmaatregel niet in aftrek komt, worden voortgewenteldnaar volgende jaren. Die voortwenteling vindt plaats tot de belasting-plichtige voldoende aftrekruimte heeft of ophoudt belastingplichtig te zijn.Dergelijke aftrekruimte kan bijvoorbeeld ontstaan als een vastgoedli-chaam in een gegeven jaar een hoge EBITDA heeft als gevolg van eenverkoopwinst op vastgoed. De gevolgen van de antifragmentatiemaat-regel zijn door het kabinet bij de vormgeving geraamd. Bij die inschattingis een opbrengst van € 40 miljoen geraamd, die voor een belangrijk deelzou worden opgehaald bij investeerders op de vastgoedmarkt. Deinschatting is dat gevolgen daarmee beperkt zouden zijn voor devastgoedmarkt als geheel.Voor wat betreft de gevolgen voor woningcorporaties merkt het kabinetop dat van de totale opbrengst van de antifragmentatiemaatregel van€ 40 miljoen structureel slechts € 4 miljoen afkomstig is van woningcor-poraties. De gevolgen voor woningcorporaties zijn derhalve relatiefbeperkt. Hierbij wordt opgemerkt dat de derving als gevolg van deversoepeling van 20% naar 25%-EBITDA voor een veel groter bedragneerslaat bij de woningcorporaties, namelijk voor een bedrag van € 77miljoen. Per saldo gaan woningcorporaties er als gevolg van beidemaatregelen dus 73 miljoen structureel op vooruit.Het kabinet hecht veel waarde aan het bouwen van voldoende nieuw-bouwwoningen. Mede daarom heeft het kabinet ervoor gekozen om hetoverdrachtsbelastingtarief voor woningen die anders dan voor zelfbe-woning worden gebruikt, te verlagen van 10,4% naar 8% om de huurmarktte vergroten.De leden van de fractie van de SGP vragen of kleine en middelgroteondernemingen niet onevenredig hard worden geraakt door de voorge-stelde maatregel. In algemene zin geldt dat ondernemingen waarvan debalans niet hoofdzakelijk bestaat uit aan derden verhuurd vastgoed nietTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2683 geraakt worden door de maatregel, omdat zij niet kwalificeren alsvastgoedlichaam. Dit betekent dat ondernemingen met vastgoed in eigengebruik doorgaans buiten het bereik van de maatregel vallen en nogsteeds gebruik kunnen maken van de drempel van € 1 miljoen. Onderne-mingen waarbij sprake is van een mengvorm van een onderneming enaan derden ter beschikking gesteld beleggingsvastgoed worden in deregel niet getroffen door de maatregel. Als de antifragmentatiemaatregelwel aangrijpt – en de drempel dus niet van toepassing is – wordt de rentepas in aftrek beperkt indien het rentesaldo meer bedraagt dan 25% van deEBITDA. Bovendien kan de rente die op grond van de earningsstripping-maatregel niet in aftrek komt, worden voortgewenteld naar volgendejaren. Die voortwenteling gaat door tot er voldoende aftrekruimte is of deonderneming ophoudt belastingplichtig te zijn. Aftrekruimte kan bijvoor-beeld ontstaan als een vastgoedlichaam in een gegeven jaar een hogeEBITDA heeft als gevolg van een verkoopwinst op vastgoed. Dit geldt ookvoor kleine en middelgrote ondernemingen.De leden van de fractie van D66 vragen of alle mogelijkheden omwinstbelasting te ontwijken nu gedicht zijn en, zo nee, welke mogelijkegaten de regering nog ziet en welke mogelijke maatregelen er genomenzouden kunnen worden. De afgelopen jaren zijn nationaal en internati-onaal veel maatregelen genomen om belastingontwijking aan te pakken.Denk bijvoorbeeld aan de implementatie van ATAD1 en de tweedeEU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2)82 die onder andere derenteaftrek in de vennootschapsbelasting beperken en hybridemismatches aan banden leggen. Of aan de Wet tegengaan mismatches bijtoepassing zakelijkheidsbeginsel, waardoor sinds 2022 zogenoemde«informeel-kapitaalstructuren» niet meer mogelijk zijn. De vennootschaps-belasting is door al deze maatregelen, in combinatie met de antimisbruik-bepalingen die deze wet al bevatte, robuust tegen belastingontwijking.Uiteraard blijft het kabinet er scherp op om eventuele nieuwe vormen vanbelastingontwijking te blijven signaleren en aan te pakken. Het vorigekabinet heeft een uitgebreide inventarisatie naar opmerkelijke belasting-constructies uitgevoerd en een aantal hiervan zijn met het pakketBelastingplan 2024 aangepakt. Dit kabinet zet deze aanpak voort. In hetBelastingplan 2025 zijn opnieuw concrete maatregelen opgenomen tegenopmerkelijke belastingconstructies, waaronder de voorgestelde antifrag-mentatiemaatregel in de generieke renteaftrekbeperking. Het kabinet zalbij de komende Voorjaarsnota opnieuw een lijst met belastingconstructiesopnemen aan de Tweede Kamer, waar mogelijk met opties om deze metbeleid te adresseren. Bovendien heeft dit kabinet zich bovendiengecommitteerd aan een taakstellende opdracht van 250 miljoen eurostructureel voor de aanpak van opmerkelijke belastingconstructies en deafbouw van fiscale regelingen.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering om eenreactie op de suggesties van het RB om voor vastgoedbedrijven eendrempel toe te passen van € 100.000 in plaats van € 1 miljoen, familie-leden niet aan te merken als derden en vennootschappen waarin eendirect, indirect of zijdelings belang bestaat van ten minste 5 procent nietaan te merken als derden. Hierbij wordt specifiek gevraagd om stil testaan bij de gevolgen hiervan voor kleine beleggers en het mkb. Desuggestie om een drempel toe te passen van € 100.000 kan naar hunmening kleine beleggers en mkb-vastgoedlichamen ontzien, terwijl hetopknippen aanzienlijk minder lucratief wordt gemaakt. Het is echter lastigte bepalen vanaf welk bedrag opknippen niet meer lucratief is, waarbijtevens geldt dat deze afweging per belastingplichtige zal verschillen. Op82Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad 29 mei tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 watbetreft hybride mismatches met derde landen (PbEU 2017, L 144/1).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2684 voorhand valt niet uit te sluiten dat vastgoedlichamen hier alsnog opzullen structureren.De voorgestelde antifragmentatiemaatregel heeft als doel om hetvoordeel weg te nemen dat kan worden behaald door de investeringen-en financieringskosten van aan derden verhuurd vastgoed zodanig teverspreiden over verschillende vennootschappen dat meerdere malengebruik kan worden gemaakt van de drempel van € 1 miljoen in deearningsstrippingmaatregel. Voor toepassing van de maatregel wordt aande hand van een bezittingentoets vastgesteld of sprake is van eenvastgoedlichaam. Voor die toets wordt bepaald of de gecorrigeerdebezittingen van de belastingplichtige gedurende minimaal de helft van hetjaar hoofdzakelijk bestaan uit onroerende zaken die ter beschikkingworden gesteld aan derden. Voor de invulling van het begrip «derden»wordt aansluiting gezocht bij de begrippen «verbonden lichaam» en«verbonden natuurlijk persoon» als opgenomen in artikel 10a, vierde envijfde lid, Wet Vpb 1969. In het kader van dit artikel is een bredereinvulling van deze begrippen van belang om de beoogde onzakelijkeconstructies in concernverband op effectieve wijze te kunnen bestrijden.Ondanks dat artikel 10a Wet Vpb 1969 een andere doelstelling nastreeftdan de antifragmentatiemaatregel, lenen deze begrippen zich voorgebruik in het kader van de maatregel. Hierbij dient echter te wordenbedacht dat een beperktere invulling van de begrippen «verbondenlichaam» en «verbonden natuurlijk persoon» bijdraagt aan het effectieftegengaan van het ongewenste opknipgedrag. Het ligt derhalve niet voorde hand om deze begrippen verder uit te breiden voor toepassing van deantifragmentatiemaatregel. Eens te meer geldt dit, aangezien – zoals ookdoor het RB is aangedragen – oplossingen bestaan om bijvoorbeeld infamilieverhoudingen toepassing van de maatregel te vermijden.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat moet wordenverstaan onder «aan derden verhuurd vastgoed» in het kader van deantifragmentatiemaatregel en schetsen daarbij een specifieke casus. Deantifragmentatiemaatregel houdt in dat het drempelbedrag op nihil wordtgesteld indien gedurende minimaal de helft van het jaar de gecorrigeerdebezittingen van de belastingplichtige hoofdzakelijk bestaan uit onroerendezaken of gedeelten daarvan die rechtens dan wel in feite, direct of indirect,ter beschikking worden gesteld aan een ander dan met de belasting-plichtige verbonden lichamen of verbonden natuurlijke personen. Vooreen uitleg van de verschillende begrippen die voor toepassing van dezemaatregel worden gehanteerd verwijst het kabinet naar de memorie vantoelichting bij het Belastingplan 2025. Het kabinet gaat verder niet in opindividuele casusposities.21. Aanpassing kwijtscheldingswinstvrijstelling in de vennoot-schapsbelasting De leden van de fractie van de PVV vragen hoe vaak het is voorgekomendat ondernemingen door het gedeeltelijk verrekenen van het verlies (50%)met de resterende belastbare winst in de financiële problemen zijngekomen of zelfs alsnog failliet zijn gegaan.Daarnaast vragen deze leden hoe groot de «beperkte groepvennootschaps-belastingplichten» is en welke «groep» van vennoot-schapsbelastingplichtigen hiermee wordt bedoeld.De voorgestelde maatregel die ziet op de kwijtscheldingswinstvrijstellingheeft alleen gevolgen voor vennootschapsbelastingplichtigen met teverrekenen verliezen van meer dan € 1 miljoen en waarbij de kwijtschel-dingswinst het verlies dat overigens mocht zijn geleden in het jaar van hetkwijtschelden (het prijsgeven) overtreft. Voor situaties met te verrekenenverliezen tot en met een maximum van € 1 miljoen blijft het huidigesysteem gelden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2685 Sinds de invoering van de verliesverrekeningsgrens van € 1 miljoen per1 januari 2022 komt kwijtschelding van schulden in combinatie met teverrekenen verliezen van meer dan € 1 miljoen nauwelijks meer voor. Ditblijkt uit signalen vanuit de Belastingdienst die worden gestaafd door de(nog onvolledige) aangiftegegevens over 2022. Dat betekent dat schuld-eisers in dergelijke situaties minder vaak zijn overgegaan tot het prijs-geven van hun vordering.In de jaren 2010 tot en met 2021 ging het gemiddeld nog om 44 gevallenper jaar waarbij sprake was van kwijtscheldingswinst in combinatie met teverrekenen verliezen van meer dan € 1 miljoen (de «beperkte groep»belastingplichtigen). Hoe vaak het is voorgekomen dat deze onderne-mingen door het gedeeltelijk verrekenen van het verlies (50%) met deresterende belastbare winst in de financiële problemen zijn gekomen ofzelfs alsnog failliet zijn gegaan, is niet exact aan te geven, maar devoorgaande aantallen geven in ieder geval de aantallen aan waar desamenloopproblematiek tussen de kwijtscheldingswinstvrijstelling en deverliesverrekening kan spelen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet risico’sziet op nieuwe ontwijkingsroutes door invoering van de voorgesteldemaatregel. Tevens vragen deze leden in hoeverre deze maatregel debeperking van de verliesverrekening in de vennootschapsbelastingondergraaft.De invoering van de voorgestelde maatregel creëert naar de mening vanhet kabinet geen ontwijkingsroutes en ondergraaft ook niet de beperkingvan de verliesverrekening in de vennootschapsbelasting. Als gevolg vande beperking van de verliesverrekening is er bij de aanwezigheid van teverrekenen verliezen van meer dan € 1 miljoen en een belastbare winst(inclusief kwijtscheldingswinst) in het kwijtscheldingsjaar van meer dan€ 1 miljoen, vennootschapsbelasting verschuldigd. Deze uitwerking lijktstrijdig met de doelstelling van de op 1 januari 2021 in werking getredenWet homologatie onderhands akkoord (WHOA), omdat er na het bereikenvan een akkoord alsnog een belastingschuld kan ontstaan. Deze belasting-schuld zal veelal een hindernis zijn voor een WHOA-akkoord. Daarbij is hetdenkbaar dat levensvatbare ondernemingen dientengevolge alsnog faillietkunnen gaan.Om voor dit knelpunt met een passende maatregel te komen wordtvoorgesteld om voor situaties met te verrekenen verliezen van meer dan€ 1 miljoen de kwijtscheldingswinst volledig vrij te stellen voor zover dieuitgaat boven het verlies dat overigens in het jaar is geleden. Dezemaatregel heeft daarom alleen gevolgen voor belastingplichtigen met teverrekenen verliezen van meer dan € 1 miljoen en waarbij de kwijtschel-dingswinst het verlies dat overigens mocht zijn geleden in het jaar van hetprijsgeven overtreft. Omdat de maatregel is toegespitst op deze specifiekesituatie worden geen ontwijkingsroutes verwacht.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe het kan dat signalenvanuit de praktijk ten aanzien van de samenloop van de kwijtscheldings-winstvrijstelling en de verliesverrekeningsmaatregel zo lang zijngenegeerd. Tevens vragen deze leden wat het kabinet eraan gaat doen omherhalingen van dergelijke situaties te voorkomen. Verder vragen de ledenvan de fractie van de VVD of de voorgestelde aanpassing van dekwijtscheldingswinstvrijstelling in de vennootschapsbelasting alsnogterugwerkende kracht kan krijgen tot en met 1 januari 2022. Ook vragen deleden van de fractie van de VVD of de budgettaire derving op ongeveer€ 3 miljoen per jaar zou uitkomen in het geval voorzien zou worden interugwerkende kracht van deze maatregel tot en met 1 januari 2022.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2686 In de nota naar aanleiding van het nader verslag van 4 oktober 202383 isaangegeven dat de samenloop tussen de verliesverrekeningsmaatregel inartikel 20, tweede lid, Wet Vpb 1969 en de kwijtscheldingswinstvrijstelling,zo was inmiddels gebleken, in bepaalde gevallen kan resulteren inbelemmeringen bij de sanering van vorderingen op verlieslijdendevennootschapsbelastingplichtige lichamen, doordat deze lichamen tengevolge van deze samenloop kunnen worden geconfronteerd metvennootschapsbelastingheffing over hun kwijtscheldingswinst. Bij deBelastingdienst zijn recent vóór die datum enkele gevallen bekendgeworden waar dit speelt. Naar aanleiding daarvan is in die notaaangegeven dat nader wordt bezien of en zo ja, op welke wijze, al dan nietgeclausuleerd, nadere maatregelen moeten worden getroffen, waarbijuiteraard ook de vormgeving, de budgettaire aspecten en de uitvoerings-aspecten in de afweging zullen worden betrokken. Bij de beantwoordingvan de vragen naar aanleiding van de Voorjaarsnota 2024 is de thansvoorgestelde maatregel aangekondigd.84 Daarbij is opgemerkt dat devoorgestelde maatregel is te realiseren en kan worden ingevoerd metingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2025. Terugwer-kende kracht wordt slechts verleend indien daarvoor een bijzondere redenbestaat. Omdat sinds de invoering van de verliesverrekeningsgrens van€ 1 miljoen per 1 januari 2022 kwijtschelding van schulden in combinatiemet te verrekenen verliezen van meer dan € 1 miljoen nauwelijks meervoorkomt, acht het kabinet het niet noodzakelijk om terugwerkende krachtvoor de voorgestelde maatregel te creëren. Daarnaast is het voorschuldeisers ook niet mogelijk om met terugwerkende kracht schuldenprijs te geven.De leden van de fractie van de VVD vragen of de Staat juridisch risicoloopt, bijvoorbeeld ten aanzien van schuldeisers, als blijkt dat eenfaillissement van een onderneming zijn oorzaak vindt in de samenlooptussen de kwijtscheldingswinstvrijstelling en de verliesverrekeningsmaat-regel, bijvoorbeeld op grond van onrechtmatige overheidsdaad.Voordat een besluit of een feitelijke handeling van een overheidsorgaankan leiden tot een aansprakelijkheid, moet voldaan worden aan verschil-lende voorwaarden. Allereest moet het besluit of de handeling onrecht-matig zijn. Daarnaast moet de onrechtmatige daad toerekenbaar zijn aanhet bestuursorgaan. Ook moet gekeken worden naar de relativiteit en naarde causaliteit en moet er sprake zijn van schade. Tot slot moet er geensprake zijn van eigen schuld van de burger en moet de vordering nietverjaard zijn. Het kabinet heeft op dit moment geen aanleiding teveronderstellen dat de staat een risico loopt.De leden van de fractie van de VVD vragen of er nog op andere puntensamenloop is tussen wetsbepalingen in de Wet Vpb 1969 of elders en deverliesverrekeningsmaatregel waar door de praktijk al dan niet op isgewezen, en zo ja, om welke wetsbepalingen het dan gaat. Tevens vragendeze leden of het kabinet voornemens is om in die gevallen in eensamenloopregeling te voorzien, en zo nee, waarom niet.Enige vorm van samenloop kunnen alle winstbepalende artikelen van deWet Vpb 1969 hebben, aangezien de winstbepaling tot een negatievewinst, ofwel verlies, kan leiden. Naar de mening van het kabinet zijn erechter geen zodanige signalen als bij de samenloop van de kwijtschel-dingswinstvrijstelling en de verliesverrekeningsmaatregel die aanleidinggeven tot een vergelijkbare maatregel als thans is voorgesteld.De leden van de fractie van het NSC vragen ter verduidelijking of ditvoorstel betekent dat de kwijtscheldingsvrijstelling niet meer gebonden is83Kamerstukken II 2023/24, 36 342, nr. 9, p. 2.84Kamerstukken II 2023/24, 36 550, nr. 18, p. 41–43.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2687 aan een beperking boven verliezen van meer dan € 1 miljoen en dat datdeze vrijstelling vanaf 2025 onbeperkt is. Tevens vragen deze leden aan tegeven wat hiervan de materiële consequenties zijn.In het onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld om voor situaties mette verrekenen verliezen van meer dan € 1 miljoen de kwijtscheldingswinstvolledig vrij te stellen voor zover die uitgaat boven het verlies datoverigens in het jaar is geleden. Deze maatregel heeft daarom alleengevolgen voor belastingplichtigen met te verrekenen verliezen van meerdan € 1 miljoen (en waarbij de kwijtscheldingswinst het verlies datoverigens mocht zijn geleden in het jaar van het prijsgeven overtreft),waardoor de doorwerking naar andere wettelijke bepalingen beperkt blijft.Voor die verliezen van meer dan € 1 miljoen geldt derhalve geenbovengrens. Daarnaast worden de te verrekenen verliezen uit het verledenverminderd met het bedrag van de niet tot de winst behorende kwijtschel-dingswinstvoordelen in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan.85Voor situaties met te verrekenen verliezen tot en met een maximum van€ 1 miljoen blijft het huidige systeem gelden. Daarmee blijft de behan-deling van kwijtscheldingswinst bij deze maatregel voor een zo grootmogelijk deel gelijk aan de behandeling van kwijtscheldingswinst in deinkomstenbelasting (artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001).Materieel beoogt deze maatregel te voorkomen dat vennootschapsbe-lasting, als gevolg van de samenloop van de kwijtscheldingswinstvrij-stelling met de in 2022 aangepaste verliesverrekeningsregels, eenmogelijke doorstart bij belastingplichtigen die in financiële moeilijkhedenverkeren in de weg staat. Het gaat in het bijzonder om belastingplichtigenmet te verrekenen verliezen van meer dan € 1 miljoen en een belastbarewinst (inclusief kwijtscheldingswinst) in het kwijtscheldingsjaar van meerdan € 1 miljoen. Deze maatregel is doeltreffend, omdat als gevolg van demaatregel geen vennootschapsbelasting verschuldigd zal zijn in dergelijkegevallen. Het kabinet acht de maatregel ook doelmatig, omdat dezespecifiek is toegespitst op de belastingplichtigen die het betreft. Omdat demaatregel alleen gevolgen heeft voor een beperkte groep vennootschaps-belastingplichtigen, blijft de doorwerking naar andere wettelijkebepalingen beperkt.22. Verduidelijking registratiedatum in de dividendbelasting De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of er een voorbeeldgegeven kan worden van het soort vragen dat is gesteld met betrekkingtot artikel 1a van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965). Metingang van 1 januari 2024 is een aantal maatregelen in werking getredenom de aanpak van dividendstripping te versterken. Een van die maatre-gelen betreft het wettelijk verankeren van bestaand beleid over hethanteren van de zogenoemde registratiedatum als het moment om tebepalen wie gerechtigd is tot de opbrengst van aandelen die op eengereglementeerde markt worden verhandeld (beursgenoteerde aandelen).Met de wetswijziging per 1 januari 2024 is geen materiële wijzigingbeoogd, maar is bedoeld om de bestaande (internationale) praktijk voorbeursgenoteerde aandelen wettelijk vast te leggen. De huidige wettekstroept in de praktijk vragen op over de reikwijdte van de regeling, namelijkof de regeling naast het moment waarop de gerechtigde tot de opbrengstvan beursgenoteerde aandelen wordt vastgesteld, ook (verdere) invullinggeeft aan het begrip opbrengstgerechtigde. Dat laatste is niet het geval.Met de voorgestelde maatregel wordt dit verduidelijkt. De vragen zagenbijvoorbeeld op situaties waarbij sprake is van een recht op vruchtgebruikof waarbij achterliggende deelgerechtigden transparante entiteiten zijn.85In de artikelsgewijze toelichting bij de voorgestelde aanpassing in artikel 8 Wet Vpb 1969 iseen voorbeeld opgenomen met een uitwerking van de voorgestelde aanpassingen metbetrekking tot de kwijtscheldingswinstvrijstelling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2688 23. Nieuw groepsbegrip in de bronbelasting De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen, in het kader van hetnieuwe groepsbegrip in de bronbelasting, of er ook niet-evidente gevallenvan bronbelastingverijdeling zijn. Daarnaast vragen deze leden, indien erniet-evidente gevallen van bronbelastingverijdeling zijn, hoe vaak dezevoorkomen en wat de rechtvaardiging is om deze niet (langer) te belasten.Daarnaast vragen zij of hierin een staatssteunrisico schuilt dat is geanaly-seerd. Het is inderdaad de verwachting dat het nieuwe groepsbegrip in debronbelasting tot gevolg heeft dat er slechts in evidente gevallen van hetontgaan van bronbelasting sprake zal zijn van situaties waarin eenkwalificerende eenheid wordt geconstateerd in een structuur waarop dehybridebepaling van toepassing is. Het voorgestelde nieuwe groepsbegripin de bronbelasting is echter geïntroduceerd naar aanleiding vanverschillende signalen uit de praktijk op basis waarvan is geconstateerddat het huidige groepsbegrip (de zogenoemde samenwerkende groep)niet goed past binnen de doelstelling van de bronbelasting. Dedoelstelling van de bronbelasting is gericht op het voorkomen datNederland nog langer wordt gebruikt als toegangspoort voor doorstroom-activiteiten naar laagbelastende jurisdicties en om het risico van belas-tingontwijking door het verschuiven van de (Nederlandse) belasting-grondslag naar laagbelastende jurisdicties te verkleinen. De toepassingvan het huidige groepsbegrip samenwerkende groep kan tot gevolghebben dat bronbelasting moet worden geheven in situaties waarop debronbelasting primair niet is gericht, namelijk in gevallen dat in degroepsstructuur geen sprake is van een laagbelastende jurisdictie ofuitholling van de belastinggrondslag. Het treffen van dergelijke situatieszou volgens de signalen uit de praktijk reële investeringen frustreren. Ditkan bijvoorbeeld het geval zijn bij een betaling aan een hybride lichaam(een lichaam dat niet-transparant is voor Nederlandse fiscale doeleinden,maar transparant is voor fiscale doeleinden van een andere staat) waarinonder andere Nederlandse pensioenfondsen participeren. Verder kanonder het huidige groepsbegrip samenwerkende groep gebeuren dat eenconcern moet afzien van een investering in Nederland, omdat geenduidelijkheid bestaat over het wel of niet aanwezig zijn van een samen-werkende groep en daarmee de toepassing van de bronbelasting. Bij detotstandkoming van de bronbelasting en de latere uitbreiding daarvan totdividenden woog het voorkomen dat belastingvrij rente, royalty’s endividenden naar laagbelastende jurisdicties kunnen stromen, voor hettoenmalige kabinet zwaarder dan de mogelijkheid dat zich hierdoorgevallen kunnen voordoen waarbij rente, royalty’s of dividenden aanbronbelasting worden onderworpen terwijl geen sprake is van eenbetaling aan een laagbelastende jurisdictie of uitholling van de belasting-grondslag. Nu de bronbelasting een aantal jaren in werking is en daarbijin de praktijk concrete knelpunten naar voren zijn gekomen, acht hetkabinet het wenselijk om deze keuze te heroverwegen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe het nieuwegroepsbegrip in de bronbelasting meer ruimte biedt in het vooroverlegmet de Belastingdienst. De praktijk heeft geleerd dat het lastig is omzekerheid vooraf te geven dat er geen sprake is van een samenwerkendegroep, het huidige groepsbegrip in de bronbelasting. Ook bij een passievesamenwerking of afwezigheid van samenwerking tussen lichamen kan deaanwezigheid van een samenwerkende groep namelijk niet of niet snelworden uitgesloten. Door het niet kunnen verschaffen van zekerheidvooraf over de afwezigheid van een samenwerkende groep blijft eronzekerheid bestaan met betrekking tot de aanwezigheid van eensamenwerkende groep bij verschillende belastingplichtigen en demogelijke inhouding van bronbelasting. Dit doet zich voor in combinatiemet de betaling aan een hybride lichaam. In deze situaties bestaat er geenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2689 zekerheid dat de inhouding van bronbelasting achterwege kan blijven, ookal vindt er geen betaling plaats aan een laagbelastende jurisdictie. Dezeonzekerheid zorgt ervoor dat in mindere mate reële investeringen inNederland worden gedaan. Het nieuwe groepsbegrip in de bronbelasting,de zogenoemde kwalificerende eenheid, is alleen van toepassing indienlichamen gezamenlijk handelen met als hoofddoel of een van dehoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij een van die lichamen teontgaan. Dit nieuwe groepsbegrip kent derhalve een ruimere beoorde-lingsruimte. Deze ruimere beoordelingsruimte biedt de mogelijkheid omin gevallen waarin het gezamenlijk handelen van de betrokken lichamenniet is gericht op het ontgaan van bronbelasting, met de Belastingdiensttot overeenstemming te komen dat geen sprake is van een kwalificerendeeenheid zodat inhouding van bronbelasting achterwege kan blijven.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom ten aanzienvan het nieuwe groepsbegrip in de bronbelasting geen evaluatie naar dedoelmatigheid aan de orde is. Met de vervanging van het huidigegroepsbegrip «samenwerkende groep» door «kwalificerende eenheid»wordt beter aangesloten bij de doelstelling van de bronbelasting. Hetvoorgestelde nieuwe groepsbegrip in de bronbelasting betreft eenwijziging op basis van signalen uit de praktijk waarmee (ook) enkeleknelpunten worden weggenomen die zijn gesignaleerd en waar deBelastingdienst reeds mee bekend is. De voorgestelde wijziging isderhalve doeltreffend en daarmee, zoals te verwachten valt, doelmatig. Eris daarom geen specifieke evaluatie nodig voor de voorgesteldemaatregel.24. Verhoging kansspelbelasting De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet in kangaan op de mogelijkheid dat de afdrachten aan goede doelen, sport enstaat kunnen afnemen door de verhoging van de kansspelbelasting en inhoeverre het kabinet dit waarschijnlijk acht. De leden van de fractie vanBBB vragen voorts welke effecten het kabinet verwacht van dezemaatregel op goede doelen en op welke wijze deze maatregel aansluit bijhet voornemen van het kabinet met betrekking tot «burgerkracht» en«noaberschap», waar goede doelen zo’n belangrijke rol in spelen.Onderzoeksbureau Atlas Research heeft onderzoek uitgevoerd met alsdoel meer inzicht te krijgen in de effecten van de verhoging van dekansspelbelasting op de kansspeldoelen (Atlas-onderzoek).86 De centralevraag in het onderzoek is: «Wat zijn de effecten van de verhoging van dekansspelbelasting naar 37,8% op het huidige kansspelbeleid en dekansspeldoelen?». Wat betreft de afdrachten aan goede doelen, is hetmeest waarschijnlijke scenario volgens de onderzoekers dat de afdrachtenaan de goede doelen en de sport dalen met respectievelijk € 15 miljoen en€ 7,7 miljoen. Uit het onderzoek volgt echter ook dat de afdrachten vanbepaalde loterijen op peil zouden kunnen worden gehouden doorbijvoorbeeld het verhogen van de lotprijzen, verlaging van het prijzengelden minder reclame. Het is aan de aanbieders van loterijen welke keuzeshierin worden gemaakt binnen de wettelijke kaders.87 Goede doelen ensport zijn van grote waarde voor onze samenleving. In zijn algemeenheiden van oudsher zijn kansspelen van belang voor goede doelen, waaronderde sport. Afdrachten aan goede doelen is geen zelfstandig doel van hetkansspelbeleid. Maatschappelijke organisaties ontvangen vanuitverschillende financieringsbronnen een bijdrage, waarvan kansspelen er86Halbersma, R., Poort, J., & Burema, F. (2024). Raise of fold? Verhoging van de kansspelbe-lasting en de impact op de publieke belangen. Atlas Research (bijlage bij Kamerstukken II2024/25, 24 557, nr. 242).87Voor goede-doelenloterijen geldt bijvoorbeeld een minimale afdrachtsverplichting van 40%.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2690 één is. Het stimuleren van «burgerkracht» en «noaberschap» heeft eenbredere achtergrond dan financiering uit kansspelen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen ook met wie hetkabinet heeft gesproken over het voornemen om de kansspelbelasting teverhogen. Zij vragen of bijvoorbeeld het Trimbos Instituut ook om adviesis gevraagd over in hoeverre de hoogte van de kansspelbelasting vaninvloed is op het gokgedrag van mensen.Naar aanleiding van de voorgestelde verhoging van de kansspelbelastingin het Hoofdlijnenakkoord is gesproken met de belangrijkste stakeholders.De inhoud van deze gesprekken is opgenomen in hoofdstuk 13 (advies enconsultatie) van de memorie van toelichting van het wetsvoorstelBelastingplan 2025. Er is gesproken met zowel (vertegenwoordigers van)de kansspelaanbieders als verslavingsdeskundigen van Trimbos enJellinek. Volgens de verslavingsdeskundigen is een kostenverhoging overhet algemeen een effectief middel om te voorkomen dat nieuwe groepenbeginnen met een verslavend middel of activiteit. Dit zou ook mogelijkkunnen zijn bij kansspelen, mits de belasting wordt doorberekend naar hetproduct zelf en het product dus minder interessant wordt gemaakt. In dehuidige vormgeving van de kansspelbelasting wordt deze belasting echterniet altijd doorberekend naar de speler.88De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen verder hoe hetkabinet de stelling beziet dat gokaanbieders agressiever moeten gaanwerven om de kansspelbelasting te kunnen voldoen.Zoals ook genoemd in de beantwoording van de schriftelijke vragen vande leden Bikker en Grinwis (beiden ChristenUnie), dienen kansspelaan-bieders zich te houden aan de wet- en regelgeving op het gebied vanreclame en de uitgangspunten van het kansspelbeleid.89 Dit beleid is eropgericht risicovol en problematisch speelgedrag en gokverslaving zoveelmogelijk te voorkomen. Daarbij is het aanzetten tot onmatig speelgedragniet alleen zeer onwenselijk, maar ook verboden op grond van artikel 2,eerste lid, van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventiekansspelen (Bwrvk). Op grond van artikel 2, derde en vijfde lid, Bwrvk, ishet vergunninghouders ook niet toegestaan om hun wervings- enreclameactiviteiten te richten op maatschappelijk kwetsbare groepen vanpersonen, zoals minderjarigen, jongvolwassenen en personen diekenmerken van risicovol speelgedrag vertonen. Met betrekking totrisicovolle kansspelen, is het sinds 30 juni 2022 daarnaast verboden omrolmodellen in te zetten in reclames.90 Verder is het met Besluit ongerichtereclame kansspelen op afstand (Besluit orka) sinds 1 juli 2023 verbodenom ongericht reclame te maken voor online kansspelen.91 De Kansspel-autoriteit (Ksa) houdt toezicht op de reclameactiviteiten van alle kansspe-laanbieders en handhaaft waar nodig.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wat de prijselasti-citeit in het kansspelaanbod is en of deze wetenschappelijk is gevalideerd.Het kabinet gaat er van uit dat de vraag van de leden voornamelijk88Zie ook Halbersma, R., Poort, J., & Burema, F. (2024). Raise of fold? Verhoging van dekansspelbelasting en de impact op de publieke belangen. Atlas Research (bijlage bij Kamer-stukken II 2024/25, 24 557, nr. 242).89Kamerstukken II, 2024–2025, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 17.90Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 26 april 2022, nr. 3982479, tot wijzigingvan artikel 4 van de Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen, Stcrt.2022, 11826.91Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 5 april 2023 tot wijziging van het Besluitwerving, reclame en verslavingspreventie kansspelen in verband met de inperking vanwervings- en reclameactiviteiten voor kansspelen op afstand (Besluit ongerichte reclamekansspelen op afstand).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2691 betrekking heeft op de raming van de stapsgewijze verhoging van dekansspelbelasting die het kabinet voorstelt.Zoals in de ramingstoelichting van deze maatregel is toegelicht (zieramingstoelichtingen en certificering Centraal Planbureau bij de belasting-planstukken92) is er bij deze raming rekening gehouden met een gedrags-effect van 20%. Dit is in overeenkomst met de afspraken die hierover zijngemaakt met het CPB93. Deze raming is ook gecertificeerd door het CPBen daarmee gevalideerd.Dit effect valt uiteen in een vraag- en een aanbodzijde. Aan de vraagzijdezal de verhoging waarschijnlijk worden doorgerekend naar gokkers. Deverwachting is dat de vraag naar kansspelen hierdoor zal afnemendoordat mensen minder gaan gokken, minder geld inzetten of naar hetillegale circuit of buitenlandse aanbieders trekken.De tariefsverhoging zal ook een effect hebben op het aanbod vankansspelen. Dit komt doordat de kansspelmarkt gereguleerd is, bijvoor-beeld met het reclame maken en de maximale inzet bij spelautomaten.Hierdoor kan een deel van de kansspelmarkt de hogere kosten van detariefsverhoging waarschijnlijk niet doorrekenen. Dit kan ertoe leiden dathet aanbod van kansspelen zal afnemen omdat de winstgevendheid vanaanbieders afneemt.De raming maakt dus niet expliciet gebruik van aparte prijselasticiteiten,zoals een aanbodelasticiteit (verandering in prijs leidt tot verandering inaanbod). Er wordt wel impliciet rekening gehouden met deze elasticiteitendoor het totale gedragseffect.Verder is in het eerdergenoemde Atlas-onderzoek gebruik gemaakt vanverschillende soorten prijselasticiteiten in het kansspelaanbod. Dezeelasticiteiten zijn onder andere gebaseerd op internationale literatuur.94De leden van de fractie van VVD lezen dat het effect op de toeloop naarillegale aanbieders nog niet bekend is en vragen in hoeverre daarmee degeraamde opbrengst onzeker is. Ook vragen zij of het kabinet voornemensis de gevolgen van de belasting op de legale en illegale markt verder teonderzoeken.Uit het Atlas-onderzoek volgt dat de beoogde extra inkomsten uit hetHoofdlijnenakkoord naar verwachting zullen worden gerealiseerd. Volgensde onderzoekers zal de kansspelmarkt door de belastingverhogingnamelijk groeien. Dit betekent dat er meer kansspelbelasting wordtopgehaald. Hierbij is ook rekening gehouden met een gedeeltelijkeoverstap van spelers naar illegale aanbieders. Zoals aangegeven in debeleidsreactie op het Atlas-onderzoek worden de ontwikkelingen op hetgebied van kansspelen gemonitord.95De leden van de fractie van de VVD vragen naar de oorzaak van de forsetoename van de druk op bezwaar en beroep. Daarnaast vragen de ledenvan de fractie van de VVD of er reden is om te vermoeden dat bezwaardan wel beroep tegen de tariefverhoging kans van slagen heeft.Het is te verwachten dat de voorgestelde verhoging van het tarief van dekansspelbelasting door kansspelbelastingplichtigen als een verzwaringvan de financiële lasten zal worden ervaren. Veel van deze ondernemershebben het nu al zwaar door allerlei andere omstandigheden, zoals hetrookverbod in de casino’s, de sluitingen in het kader van de COVID-19-pandemie, de implementatie van het Centraal Register Uitsluiting92Belastingplanstukken | Prinsjesdag: Belastingplan 2025 | Rijksoverheid.nl93Zie: CPB (2024). Gedragseffecten belastingmaatregelen. Gevonden op: https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-publicatie-gedragseffecten-belastingmaatregelen.pdf94Zie bijvoorbeeld: Halbersma, R., Poort, J., & Burema, F. (2024). Raise of fold? Verhoging van dekansspelbelasting en de impact op de publieke belangen. Atlas Research (bijlage bij Kamer-stukken II 2024/25, 24 557, nr. 242), p. 22.95Kamerstukken II 2024/25, 24 557, nr. 242.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2692 Kansspelen (CRUKS), de toeloop naar online kansspelen na deopenstelling van de markt voor kansspelen op afstand, de toegenomeninflatie, de stijging van de loonkosten en het niet indexeren van demaximale inworp voor speelautomaten. De tariefverhoging kan er dan toeleiden dat die ondernemers daartegen in bezwaar komen en de stellingzullen innemen dat in hun situatie sprake is van strijd met artikel 1 van hetEerste Protocol bij het EVRM omdat de tariefverhoging zou resulteren ineen individuele, buitensporige last. Dat gebeurde ook toen in 2008 deexploitatie van kansspelautomaten aan de kansspelbelasting onder-worpen werd (in plaats van de omzetbelasting). Van een individuele,buitensporige last is sprake als de last zich in een individueel gevalzwaarder laat voelen dan in het algemeen. Gezien de jurisprudentie overde individuele buitensporige last is dat niet snel het geval. De bewijslastdat sprake is van een individuele, buitensporige last ligt bij de belangheb-bende. De behandeling van bezwaar- en beroepschriften met eendergelijke stelling is voor de Belastingdienst erg arbeidsintensief.De leden van de fractie van NSC vragen of de structurele opbrengst van202 miljoen euro gerealiseerd wordt vanaf 2025 of vanaf 2026. Ook vrezendeze leden dat door het verhogen van de kansspelbelasting het onlinegokken vanuit het buitenland verder gaat toenemen als gevolg van dezemaatregel en willen ze een reactie van het kabinet hierop. Verder vragendeze leden of de Kansspelautoriteit inmiddels in staat om dat effectieftegen te gaan en hoe het kabinet dan borgt dat dit belangrijke neveneffectniet zal plaatsvinden. De leden van de fractie van BBB begrijpen denoodzaak van de voorgestelde verhoging van de kansspelbelasting van30,5 procent naar 37,8 procent. Het is volgens deze leden echter vanbelang dat deze verhoging proportioneel blijft en geen nadelige effectenheeft op de legale kansspelmarkt. Deze leden vragen het kabinet om deontwikkeling van deze sector nauwlettend te monitoren en onbedoeldeneveneffecten, zoals een mogelijke toename van illegale kansspelen, tevoorkomen. De leden van de fractie van D66 zijn verder benieuwd hoe hetkabinet de impactanalyse van Atlas Research apprecieert. Zij vragen of deanalyse het kabinet voldoende comfort geeft dat de voorgenomenmaatregel niet allerlei schadelijke neveneffecten heeft. Ook vragen zij opwelke wijze het kabinet verwacht onbedoelde effecten van de verhoging,zoals een hogere illegaliteit of toeloop naar illegale aanbieders tevoorkomen.De structurele opbrengst van € 202 miljoen wordt gerealiseerd vanaf 2026als het tarief 37,8% wordt. Aankomend jaar wordt een opbrengst verwachtvan € 102 miljoen omdat het tarief stijgt naar 34,2%. Het effect van deverhoging van de kansspelbelasting op het online gokken bij spelaan-bieders zonder vergunning in Nederland is niet bekend. Hierbij wordtopgemerkt dat spelers in Nederland in principe het Nederlandse kansspel-belastingtarief verschuldigd zijn, ook indien een prijs wordt gewonnenmet een online-kansspel bij een niet-vergunde partij, al dan niet in hetbuitenland.96 De speler is dan alleen zelf verantwoordelijk voor hetbetalen van de verschuldigde belasting. Fiscaal is het dus niet voordeligerom online te gokken bij een niet in Nederland vergunde online-kansspelaanbieder.Atlas schetst in hun onderzoek dat in het geval van aanpassingen in debedrijfsvoering bij speelcasino’s, speelhallen en online kansspelen,spelers grotendeels bij de overgebleven legale aanbieders terecht zullenkomen. Bij met name fysieke speelcasino’s, speelhallen en onlinesportweddenschappen indiceren de scenario analyses van Atlas dat deeffectieve prijs van de kansspelen verhoogd zal worden en dat daardooreen risico bestaat dat een deel van de spelers over zal stappen naar deillegale markt. Hoe groot deze zogeheten de-kanalisatie zal zijn, hebben de96Artikel 1, onderdeel i, Wet KSBTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2693 onderzoekers niet vast kunnen stellen. Het kabinet zal de veranderingenop de kansspelmarkt monitoren en met behulp van gegevens van deKansspelautoriteit de ontwikkelingen op het gebied van kanalisatie blijvenvolgen.De Ksa houdt toezicht op het vergunde kansspelaanbod in Nederland.Aanbieders zonder vergunning mogen hun producten niet aanbieden opde Nederlandse markt. De Ksa treedt met prioriteit op tegen illegaleaanbieders met de tot haar beschikking staande middelen. Echter, de Ksaheeft aangegeven geen snelle, efficiënte en effectieve manier heeft omgokwebsites en gokreclames van onvergunde aanbieders te blokkeren.Het kabinet beziet naar aanleiding van de evaluatie van de Wet kansspelenop afstand op welke wijze het handhavingsinstrumentarium van de Ksaverder versterkt kan worden. Het kabinet houdt de ontwikkelingen van dekansspelmarkt (legaal en illegaal) in de gaten en zal bijsturen op hetmoment dat een toename van de omvang van de illegale markt daartoeaanleiding geeft, zoals toegezegd in de reactie op het Altas onderzoek op17 september 2024.97De leden van de fractie van BBB vragen of het kabinet kan reageren op deuitspraak van de Kansspelautoriteit dat er bij loterijen geen aantoonbaarverband met kansspelverslaving is en deze daardoor risicoarm zijn.De risico’s op verslaving verschillen per type kansspel. Op grond van het«Assessment verslavingsgevoeligheid Nederlandse kansspelaanbod» datin opdracht van de Kansspelautoriteit is uitgevoerd door CVO Research &Consultancy, worden de risico’s op kansspelverslaving bij loterijen, metuitzondering van krasloten, de zogenaamde «instantloterijen», doorgaansals laag ingeschat.98De leden van de fractie van BBB vragen welke maatregelen het kabinetneemt om te voorkomen dat goede doelen lijden onder deze maatregel.Zij vragen ook of het kabinet een mogelijkheid ziet om onderscheid temaken tussen de risicoarme loterijen en risicovolle (online) kansspelen.Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen van de fractie van VVD,zal verder onderzocht worden of tariefdifferentiatie in de kansspelbe-lasting een mogelijkheid is. Hierbij kan ook worden meegenomen of eenlager tarief kan gelden voor een prijs uit een loterij, zodat de afdrachtenaan goede doelen en sport op peil blijven. Voor 2025 is de versoberingvan de giftenaftrek in de inkomstenbelasting teruggedraaid. Hierdoorblijven giften aan goede doelen onder voorwaarden aftrekbaar. Dit komtde goede doelen ten goede. Daarnaast blijkt uit het onderzoek van AtlasResearch dat sommige loterijen mogelijkheden hebben om hun uitgavenzodanig aan te passen, dat de afdrachten op pijl zouden kunnen blijven.De leden van de fractie van CDA zijn bijzonder kritisch op de drastischeverhoging van de kansspelbelasting voor risicoarme kansspelen die eenmaatschappelijke afdracht doen. Ook het kabinet geeft volgens deze ledenaan dat deze tariefsverhoging ertoe kan leiden dat afdrachten aan goededoelen, sport en de Staat verminderen, wat het Atlas-onderzoek ookuitwijst. Deze leden vragen of het kabinet de verminderde maatschappe-lijke afdracht aan sport en goede doelen gerechtvaardigd vindt, incombinatie met een aantal andere maatregelen van het kabinet metdirecte maatschappelijke gevolgen, zoals de verhoging van de btw opsport, de inperking van de giftenaftrek, de korting op subsidies, de kortingop de SPUKs en de afschaffing van de Maatschappelijke Diensttijd.Er wordt voorgesteld om de kansspelbelasting te verhogen in het kadervan de overheidsfinanciën. Uit het Atlas-onderzoek volgt inderdaad dat de97Kamerstukken II, 2024–2025, 24 557, nr. 242.98De Bruin, D. E. (2017). Assessment verslavingsgevoeligheid Nederlandse kansspelaanbod.Kansspelautoriteit/CVO – Research & Consultancy.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2694 afdrachten aan goede doelen en sport kunnen verminderen. Zoals eerderopgemerkt in antwoord op de leden van de fractie van Groenlinks- PvdAvolgt uit het onderzoek echter ook dat de afdrachten van bepaaldeloterijen op peil kunnen worden gehouden met andere interventies,bijvoorbeeld door het verhogen van de lotprijzen, verlaging van hetprijzengeld en minder reclame.De leden van de fractie van CDA lezen vervolgens onder tariefdifferen-tiatie dat het ingewikkeld is een nieuw onderscheid te maken. Deze ledenmerken echter op dat in het verleden ook al een onderscheid bestond envragen het kabinet of dat onderscheid veel problemen in de uitvoeringveroorzaakte. Deze leden vragen het kabinet verder om te reageren op hetonderzoek van PwC en de aanvulling daarop ten aanzien van staatssteun-aspecten, waarin juist wordt geconcludeerd dat een juridisch onderscheidtussen risicovolle en risicoarme kansspelen te maken is op basis van hunspecifieke status als loterij of artikel 3 kansspelaanbieder, dat dit onder-scheid uitvoerbaar en handhaafbaar is op basis van hun specifiekevergunningen en dat dit om een zeer beperkte groep kansspelaanbiedersgaat, namelijk zo’n 100 aangiftes per jaar.De leden van de fractie van CDA verwijzen naar het systeem dat voor 1 juli2008 gold. Voor de prijswinnaar gold een standaardtarief en vooraanbieders die belast werden naar bruto-spelresultaat gold in feitedatzelfde standaard tarief, maar dan gebruteerd omdat sprake is van«overneming» van de belasting: het wiskundige equivalent om tothetzelfde bedrag aan verschuldigde belasting te komen. Dit onderscheidleidde toentertijd niet tot problemen. Deze wijze van brutering wordt nogsteeds toegepast als een loterij een netto-prijs uitkeert.99Het kabinet heeft kennisgenomen van het rapport van PwC. De kenmer-kende verschillen tussen spelsoort, risico op verslaving en afdracht diedeze onderzoekers benoemen spreken uiteraard voor zich. De vraag isechter of deze verschillen dan ook juridische kenmerken bevatten omafdoende af te bakenen en of een staatssteunprocedure met succes kanworden afgerond. De conclusie van het kabinet is dat het toepassen vaneen dergelijk onderscheid naar risico of afdracht door de EuropeseCommissie wordt getoetst vanuit het huidige doel van de kansspelbe-lasting. Tot nu toe zijn risico op verslaving en afdracht geen onderdeel vande huidige kansspelbelasting. Wij achten daarom de kans klein dat ditonderscheid vanuit de huidige kansspelbelasting te rechtvaardigen valt.Indien de leden van de fractie van CDA bedoelen dat de kansspelbelastingeen andere doelstelling zou gaan krijgen, dan is inderdaad meer mogelijk.Dan is wel sprake van een heel ander soort traject, waarbij de beoogdedoelstelling van deze belasting integraal met het kansspelbeleid zoumoeten worden herzien. Die insteek acht het kabinet anders dan hetinbouwen van een tariefdifferentiatie om de afdrachten te ontzien.Daarnaast vragen dergelijke afbakeningen om vergaande aanpassingen inwet- en regelgeving van de kansspelbelasting en de Wet op dekansspelen. Een onderscheid tussen kansspelen op basis van het risicovan het kansspel wordt echter nog steeds als juridisch en uitvoeringstech-nisch lastig geacht. Zoals in de memorie van toelichting is genoemd is dejuridische en uitvoeringstechnische afbakening kwetsbaar. Hoog en laagrisico kansspelen zijn namelijk niet eenvoudig per vergunning af tebakenen. Een instantloterij (krasloten) wordt gekwalificeerd als eenhoog-risico-kansspel, maar valt onder een loterijvergunning. Sportwed-denschappen worden daarentegen aangemerkt als een hoog-risico-kansspel, maar er zijn ook weddenschappen mogelijk waarbij eenvoorspelling wordt gedaan die in de verre toekomst plaatsvindt. Hierbijworden de risico’s op kansspelverslaving dan ook als laag ingeschat.99Artikel 5, tweede lid, van de Wet op de kansspelbelasting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2695 Daarnaast verwijst PwC naar het formeel loslaten van het buitenkansbe-ginsel. Dat klopt ten dele. Toch is de huidige kansspelbelasting nog altijdis gestoeld op het buitenkansbeginsel. Met ingang van 1 juli 2008 zijntwee soorten aanbieders aan de kansspelbelasting toegevoegd. Zijwerden belastingplichtig in het regime zoals dat met ingang van 1981 vantoepassing was. Dat regime was omwille van praktische beperkingen ombij casinospelen te heffen naar de prijzen boven de vrijstelling, insamenspraak met de branche een alternatief gemaakt waarbij de belastingwordt geheven bij de aanbieder naar het bruto-spelresultaat. Formeelgezien werd het buitenkansbeginsel toen (met ingang van 1981) losge-laten, omdat de belasting niet meer door de prijswinnaar verschuldigdwas. Met deze wijze van heffing is echter nadrukkelijk beoogd ommaterieel zo dicht mogelijk te blijven bij het buitenkansbeginsel.100 Ook istoen gebleken dat het totaal van de winsten van roulettespelers die eencasino na afloop van een speelperiode met een saldowinst boven devrijstelling verlaten, nagenoeg overeenkomt met het bruto-spelresultaatdat door de vergunninghouder met roulette wordt behaald. Omdat devergunninghouder de belasting «overneemt», werd het standaardtariefvoor de berekening van de verschuldigde belasting gebruteerd. In deverdere Kamerbehandeling is dat ook meermaals onderschreven.101 Bij detoevoeging van de kansspelautomaten en online kansspelen in 2008 isgeen afstand gedaan van het buitenkansbeginsel. Ook toen golden initieelnog twee tarieven: een standaardtarief van 29% als de prijswinnaar debelasting verschuldigd is, en een gebruteerd tarief van 29%x(100/(100–29)=40,85% als de vergunninghouder de belasting «overneemt». Per saldokwam dat neer op dezelfde belastingdruk op basis van het buitenkansbe-ginsel. Mede op verzoek van de kansspelbranche heeft het toenmaligekabinet besloten het gebruteerde tarief te verlagen.De leden van de fractie van CDA vragen of deze systematiek totproblemen leidde. Het kabinet gaat ervan uit dat deze leden doelen op detwee tarieven die golden tot 2008. Die leiden niet tot juridischeproblemen, aangezien het hogere tarief het wiskundig equivalent is vanhet standaardtarief bij overneming van de belasting. In feite was debelastingdruk even hoog. Ook werd bij de toepassing van het gebruteerdetarief geen onderscheid gemaakt tussen verschillende spelsoorten ofaanbieders. Alle aanbieders die de belasting overnamen, rekenden methet gebruteerde tarief. Deze brutering is daarnaast onverkort nog steedsvan toepassing als de bij binnenlandse kansspelen de inhoudingsplichtigede belasting voor eigen rekening neemt. Deze methode van brutering vanhet tarief, of brutering van de grondslag wat daaraan gelijk is, bewerk-stelligt dat de verschuldigde belasting bij de aanbieder even hoog is alswanneer de belasting verschuldigd is bij de speler.De leden van de fractie van het CDA vragen of het klopt dat in de aangiftekansspelbelasting door de aanbieder zelf het bedrag en tarief ingevulddient te worden, zodat de enige controle die dient plaats te vinden is ofhet toegepaste tarief bij het type aanbieder op de vergunning past. Verdervragen de leden of er één specifiek belastingdienstkantoor is datkansspelbelastingaanbieders behandelt en, daarmee, alle relevante kennisin huis heeft. De leden vragen verder waarom een tariefdifferentiatie doorhet kabinet een aanzienlijke structuuraanpassing wordt bevonden.De Belastingdienst maakt in het ICT-systeem van de kansspelbelastingsteeds gebruik van één tarief. Daarbij wordt geenszins onderscheidgemaakt op basis van het belastingobject of -subject. Het aanpassen vande aangifteformulieren vergt een structuurwijziging, vanwege dekoppeling met het achterliggende ICT-systemen. De aangifteformulierenvoor de kansspelbelasting worden in beginsel digitaal ingevuld, geprint100Kamerstukken II 1978–1979, 15 358, nr. 3, o.a. blz. 8.101Zie onder meer Kamerstukken II 1978–1979, 15 358, nr. 5, o.a. blz. 23.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2696 en vervolgens fysiek verzonden naar de Belastingdienst. Het formulier vultautomatisch het toepasselijke tarief in op basis van het ingevulde tijdstipof tijdvak waarop de prijs betrekking heeft. Het aangifteformulier kan nietworden afgerond als hier nog een foutmelding in zit, bijvoorbeeldwanneer een onjuiste waarde is ingevuld of wanneer iets ontbreekt.Prijswinnaars of organisatoren van een kansspel kunnen het tarief ookhandmatig invullen op een geprint formulier. Veruit de meeste aangiftefor-mulieren die de Belastingdienst ontvangt voor de kansspelbelasting zijndigitaal ingevuld. Het handmatige verwerken van de ontvangen formu-lieren biedt hier ook geen oplossing, vanwege de koppeling tussen hetICT-systeem van de kansspelbelasting en het inningssysteem. Zonderdeze betaalverplichtingen kan de keten «Innen» de ontvangen belastingenniet registreren. Buiten deze systeemkoppeling om werken is dus nietmogelijk. Het inrichten van een papieren proces voor de behandeling vandeze aangifteformulieren is dus niet mogelijk, ook niet wanneer deze zouworden belegd bij één belastingkantoor, wat nu niet het geval is.De leden van de fractie van CDA lezen in de memorie van toelichting dater op dit moment in feite al sprake is van tariefdifferentiatie door eenverschil in de belastingplicht en belastinggrondslag tussen loterijen enkansspelen waarbij de aanbieder wordt belast naar het bruto-spelresultaat. Deze leden vragen welke aanbieders van kansspelen die eenmaatschappelijke afdracht doen aan sport en goede doelen hier wel ondervallen, en welke niet. Ook vragen deze leden hoe deze vorm van differen-tiatie juridisch gerechtvaardigd wordt.Naast de loterijen geldt er ook een afdrachtverplichting voor Toto B.V.(sportweddenschappen) en Zebetting & Gaming Nederland B.V. (totali-sator). Bij sportweddenschapppen en totalisators wordt geheven naarbruto-speelresultaat. In de memorie van toelichting constateer ik dat infeite al sprake is van tariefdifferentiatie. Bij nader inzien wil ik dezeconstatering nuanceren. Voor binnenlandse kansspelen waarbij over deprijs wordt geheven (waaronder loterijen) geldt inderdaad dat hetmerendeel van de prijzen onder het vrijstellingsbedrag van € 449 valt. Debelastingdruk voor loterijen ligt dan ook lager dan het nominale belasting-tarief van 30,5%. Dat is echter evengoed het geval bij andere kansspelen,waarbij naar bruto-spelresultaat wordt geheven. Dat om praktischeredenen is gekozen om niet bij de speler naar de prijs boven de vrijstellingte heffen, maar bij de aanbieder over het bruto-spelresultaat, wil nietzeggen dat de belastingdruk ook hoger ligt als op basis van het bruto-spelresultaat wordt geheven bij de aanbieder. Destijds werd bij eensteekproef voor casinospelen geconstateerd dat over een periode slechtsin 4% van de gevallen sprake was van een prijs boven de vrijstelling.102Het bruto-spelresultaat over dezelfde periode was nagenoeg gelijk aan deresultaten van de steekproef. De belastingdruk bij casinospelen is dus, netals bij loterijen, ook lager dan het nominale belastingtarief.De leden van de fractie van SGP vragen of het kabinet kan toelichtenwaarom het kabinet voorstelt het tarief van de kansspelbelasting slechtsstapsgewijs te verhogen. Zij vragen verder waarom het nodig is detariefsverhoging tot 37,8% met een jaar uit te stellen.De voorgestelde verhoging van 30,5% naar 37,8% is een forse verhogingin verhouding tot het vorige tarief en tot eerdere tariefverhogingen. Dezeforse verhoging heeft een grote impact op de kansspelmarkt en -beleid.Kansspelaanbieders hadden kritiek op de snelheid waarmee de maatregelwordt geïmplementeerd. Zij lieten weten dat deze verhoging bovenop deandere ontwikkelingen in de kansspelsector van de afgelopen jaren komt,zoals het rookverbod in de casino’s, de sluitingen van kansspelaanbiedersin het kader van de COVID-19-pandemie, de implementatie van het102Zie onder meer Kamerstukken II 1978–1979, 15 358, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2697 CRUKS, de toeloop naar online kansspelen na de openstelling van demarkt voor kansspelen op afstand per 1 oktober 2021, de toegenomeninflatie en de stijging van de loonkosten. Deze ontwikkelingen hebbennegatieve gevolgen gehad op de omzet van de fysieke kansspelaan-bieders, zoals casino’s en kansspelautomatenaanbieders. De voorgesteldeverhoging naar 37,8% zou daarom leiden tot forse ingrepen in debedrijfsvoering. Dergelijke ingrepen vergen meer tijd dan dit resterendekalenderjaar.Daarbij is ook van belang dat mede als gevolg van de (markt)ontwikke-lingen en de regulering van het legale kansspelaanbod niet alleaanbieders op eenzelfde manier de mogelijkheid hebben om dezekostenverhoging op te vangen in de bedrijfsvoering of door te berekenenaan de spelers. Iedere kansspelaanbieder staat er anders voor en het ismede afhankelijk van de (fiscale) regelgeving en de vergunningvoor-waarden op welke wijze zij veranderingen kunnen doorvoeren in hunspelaanbod of bedrijfsvoering. Kansspelaanbieders zijn door deregulering minder flexibel in hun bedrijfsvoering dan andere belasting-plichtigen. Mede door deze beperkte mogelijkheden begrijpt het kabinetdat de voorgestelde wijziging veel van kansspelaanbieders vraagt. Hetkabinet heeft hierbij ook meegewogen dat het belangrijk is voor hetbehalen van de kansspeldoelen (consumentenbescherming, verslavings-preventie en tegengaan kansspelgerelateerde criminaliteit en fraude) vanbelang is dat mensen die willen deelnemen aan kansspelen dit doen bijeen vergunde partij en niet uitwijken naar illegale aanbieders, waar debescherming van mensen nauwelijks geboden kan worden. Door detariefsverhoging tot 37,8% een jaar uit te stellen, geeft het kabinet devergunde kansspelaanbieders meer tijd om de kostenverhoging op tevangen in de bedrijfsvoering of door te berekenen aan de spelers. Hoewelkansspelaanbieders door het uitstel niet meer mogelijkheden krijgen omde verhoging van de kosten op te vangen, hebben ze wel meer tijd omaanpassingen in het spelaanbod en de bedrijfsvoering te implementeren.Gelet op de forse verhoging, de impact ervan en de mate waarinkansspelaanbieders al beperkt worden in hun bewegingsruimte heeft hetkabinet ervoor gekozen om de voorgestelde verhoging naar 37,8% eenjaar uit te stellen.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen het kabinet naar hetvoornemen van Holland Casino om een «agressieve» marketingcampagnete starten naar aanleiding van de voorgestelde verhoging van dekansspelbelasting. Zij vragen of er na de beantwoording van de schrifte-lijke vragen van de ChristenUnie ontwikkelingen ten aanzien van dezecasus en of het kabinet kan toezeggen dat dergelijke agressievecampagnes niet toegestaan worden door de Staat als aandeelhouder.Zoals ook genoemd in de beantwoording van de schriftelijke vragen vande leden Bikker en Grinwis (beiden ChristenUnie) heeft Holland Casinorichting het Ministerie van Financiën bevestigd dat het geen plannen heeftom zijn marketinguitgaven significant te vergroten. Het vindt agressievereclamecampagnes onacceptabel, onverantwoord en niet passend binnenzijn beleid rondom kansspelen.103 Als aandeelhouder verwacht hetkabinet dat Holland Casino zijn maatschappelijke rol centraal stelt.Daarnaast wordt verwacht dat Holland Casino zich houdt aan wet- enregelgeving en een voorbeeldrol vervult voor de kansspelsector. Dit israndvoorwaardelijk voor de activiteiten van Holland Casino. Hier spreekthet kabinet Holland Casino op aan. De Ksa houdt toezicht op de reclame-activiteiten van alle kansspelaanbieders en handhaaft waar nodig.103Kamerstukken II, 2024–2025, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 17.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2698 25. Aanpassing van de kavelruilvrijstelling De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of verderetoelichting gegeven kan worden op de kavelruilconstructies.Graag geef ik eerst wat context bij ruilverkaveling. De instrumentenrondom ruilverkaveling zijn sinds 1 januari 2024 vastgelegd in deOmgevingswet (voorheen in de WILG; de Wet inrichting landelijk gebied).Er bestaan kortgezegd twee instrumenten voor ruilverkaveling: herverka-veling (ook wel: wettelijke herverkaveling) en kavelruil in het landelijkgebied (ook wel: vrijwillige kavelruil104). Beide instrumenten zijn bedoeldom structuurverbeteringen in het landelijk gebied te faciliteren.Bij vrijwillige kavelruil brengen minimaal drie partijen onroerende zakenin waarvan er minimaal twee partijen onroerende zaken verkrijgen. Alsaan alle voorwaarden voor toepassing van de kavelruilvrijstelling wordtvoldaan, is over de verkrijgingen in deze kavelruil geen overdrachtsbe-lasting verschuldigd. Daarnaast kan de provincie de kosten voor eenvrijwillige kavelruil vergoeden. Alle partijen doen vrijwillig mee aan hetproces. Vrijwillige kavelruil wordt veelvuldig toegepast.Ook wettelijke herverkaveling begint op basis van vrijwilligheid, maar hierkiest de provincie ervoor om het proces afdwingbaar in te richten. Dit doetzij indien het een ingewikkeld ruilproces betreft met grote maatschappe-lijke belangen, bijvoorbeeld in een gebiedsproces. De provincie kan viaeen wettelijke herverkaveling een bepaald percentage van de grondenafromen om deze in te zetten voor algemeen maatschappelijk belang.Deze vorm van ruilverkaveling is tegenwoordig minder in zwang, maar iswel beschikbaar in de Omgevingswet. Verkrijgingen krachtens wettelijkeherverkaveling worden doorgaans vrijgesteld van overdrachtsbelasting.Momenteel zijn er enkele herverkavelingen in Friesland, Drenthe enOverijssel gaande of net afgerond.Met de voorgestelde maatregel wordt geen wijziging van de regeling diein de Omgevingswet is opgenomen voor wettelijke herverkaveling óf devrijwillige kavelruil voorgesteld. Evenmin wordt een wijziging in de fiscalevoorwaarden bij wettelijke herverkaveling in de Wet op belastingen vanrechtsverkeer voorgesteld. Wel worden in de Wet op belastingen vanrechtsverkeer aanvullende voorwaarden gesteld aan de vrijstelling vanoverdrachtsbelasting bij vrijwillige kavelruil.Ten aanzien van de kavelruilvrijstelling zijn verschillende vormen vankavelruilconstructies gesignaleerd. Zo worden bijvoorbeeld regulierekoopovereenkomsten toegevoegd aan een kwalificerende kavelruilwaarmee wordt beoogd dat verder niet gerelateerde verkooptransacties«meeliften» en bijgevolg meeprofiteren van de kavelruilvijstelling. Daar isde vrijstelling niet voor bedoeld. Een andere constructie die wordtgebruikt is dat partijen worden gezocht die een kleine strook grond(tijdelijk) overdragen dan wel dat een partij bij de kavelruil een kleinestrook grond van een grondkavel kadastraal afsplitst om te helpenvoldoen aan voorgenoemde minimale vereisten. Het komt ook voor datvoorafgaand aan een kavelruil een kleine kavel door de aandeelhouderaan zijn bv wordt geleverd, zodat de bv met deze kavel – naast deaandeelhouder en een derde partij – (inbrengende) partij kan worden bijde kavelruil en dat daarmee voldaan wordt aan voorgenoemde minimalevereisten. Omdat deze constructies, die als oneigenlijke toepassing van dekavelruilvrijstelling worden gezien, met name worden ingezet omopstallen zoals woningen en (niet-agrarische) bedrijfspanden onbelast teverkrijgen, beoogt de voorgestelde aanpassing om de kavelruilvrijstellingniet langer van toepassing te laten zijn op de verkrijging van dezeonroerende zaken.104Stedelijke kavelruil wordt hier buiten beschouwing gelaten. Dat is een andere vorm vanvrijwillige kavelruil waarop de kavelruilvrijstelling in de overdrachtsbelasting niet vantoepassing kan zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 2699 De leden van de fractie van de VVD vragen op welke manier wordtgetoetst of aan de voortzettingseis wordt voldaan. Overdrachtsbelasting iseen aangiftebelasting. Het is primair de verantwoordelijkheid van debelastingplichtige om te melden en om uitreiking van een aangifte tevragen als hij of zij niet meer aan een voorwaardelijke vrijstelling voldoet.De Belastingdienst zal daarnaast als onderdeel van het reguliere toezichtperiodiek toetsen of nog steeds aan de voortzettingseis wordt voldaan.Vergelijkbare handhavings- en toezichtwerkzaamheden worden ook alverricht ten aanzien van de tienjaarstermijn die geldt voor de cultuur-grondvrijstelling.105 Het stellen van objectieve voorwaarden zal zowelbelastingplichtigen als de Belastingdienst meer zekerheid geven overtoepasselijkheid van de kavelruilvrijstelling. Het is de verwachting dat hetaantal kavelruilaktes dat door de inspecteur materieel moet wordengetoetst aanzienlijk kleiner wordt als gevolg van deze maatregel. Door hetstellen van objectieve voorwaarden zullen er naar verwachting minderdiscussies in vooroverleg zijn. Dit vermindert de werklast voor deBelastingdienst. Daarom wordt in de uitvoeringstoets aangegeven dat hetvoorstel leidt tot een structurele personele besparing van 1,2 fte.26. Diensten aan onroerende zaken De leden van de fractie van de VVD lezen in het hoofdstuk Advies enConsultatie dat vanuit het bedrijfsleven is gevraagd om een hogeredrempel dan 30.000 euro te hanteren. Zij vragen of verder toegelicht kanworden welke onderbouwing zij hiervoor hadden. Ook vragen de ledenvan de fractie van de VVD of verder toegelicht kan worden op basis vanwelke reële data de huidige grens van 30.000 euro is gebaseerd, hoe groothet risico is van kunstmatig opknippen bij hogere grenzen en hoe dit isuitgerekend.Vanuit het bedrijfsleven is de wens geuit om een hogere drempel dan€ 30.000 te hanteren. Hierdoor worden minder diensten door de voorge-stelde maatregel geraakt en dit vermindert de aanvullende (administra-tieve) lasten. Andere aspecten zijn echter ook van belang. Na overleg metde Belastingdienst is geconcludeerd dat een drempelbedrag van € 30.000de juiste balans lijkt tussen een effectieve maatregel en een zo laagmogelijke administratieve lastendruk. Dit bedrag volgt uit informatiegebaseerd op concrete gevallen die zich in de praktijk voordoen of hebbenvoorgedaan. Een hogere drempel leidt tot minder diensten die onder demaatregel vallen en betekent een hoger risico op het kunstmatigopknippen van diensten. Een lager bedrag vermindert dit risico, maar leidtertoe dat méér diensten onder de maatregel gaan vallen, met als gevolgeen hogere administratieve lastendruk. Bij de geplande evaluatie van demaatregel zal ook worden onderzocht of met het gekozen drempelbedraginderdaad de juiste balans is gevonden of dat een aanpassing van ditbedrag nodig is.De leden van de fractie van de VVD ervaren de omschrijving vaninvesteringsdienst als een te ruime omschrijving die in de praktijk totafbakeningsproblemen kan leiden. Daarom stellen zij voor om dewijzigingen in de Uitvoeringsbeschikking te beperken tot diensten waaropde ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelastingafschrijft of waarop hij zou kunnen afschuiven indien hij aan een zodanigebelasting zou zijn onderworpen. Zij vragen ook of de vergoedingen voormet elkaar samenhangende diensten bij elkaar opgeteld moeten wordenvoor de toetsing aan het drempelbedrag van 30.000 euro en zo ja,wanneer er dan sprake is van met elkaar samenhangende diensten.Bij de internetconsultatie van een vergelijkbare btw-maatregel in 2017werd aanvankelijk gekozen voor de afbakening middels het afschrijvings-105Artikel 15, eerste lid, onderdeel q, Wet op belastingen van rechtsverkeer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26100 criterium. Uit deze internetconsultatie bleek echter dat deze vormgevingtot onoverkomelijke complexiteitsproblemen zou leiden. Een belangrijkaspect betreft de vraag op welke diensten moet worden afgeschreven,omdat het onderscheid tussen regulier onderhoud (geen afschrijving) enverbetering (wel afschrijving) vaak lastig te maken is. Daar komt bij datdeze fiscaal relevante kwalificatie voor de winstbelastingen normaliter pasop een veel later moment hoeft te worden gemaakt dan voor de btw. Bijde inkomstenbelasting is dit in de regel na afloop van het kalenderjaar, bijde btw in de meeste gevallen na afloop van elk kwartaal. Door eenkoppeling van de btw-heffing aan het afschrijvingscriterium uit deinkomstenbelasting wordt deze discussie niet alleen veel eerder en vakerrelevant (met stijgende administratieve lasten tot gevolg), maar leidt ooklangdurig tot onduidelijkheid. De kwalificatie van de dienst, en daarmeede btw-behandeling, kan immers pas definitief worden vastgesteld nadatook uitsluitsel is gegeven over de winstbelastingaangifte. De praktijk gafbij de consultatie in 2017 aan dat dit voor hen onwerkbaar zou zijn, zodatmede daardoor is gekozen niet met dit voorstel door te gaan.De in dit belastingplan gekozen benadering voorkomt deze problematiekdoordat de voorgestelde btw-maatregel nu uitsluitend is gestoeld op eenzelfstandig werkend btw-regime.De vraag wanneer diensten voor de btw zelfstandig of als eenzogenoemde samengestelde prestatie moeten worden beoordeeld, is eenbekend btw-leerstuk dat inmiddels in vaste jurisprudentie van het Hof vanJustitie EU en van de Hoge Raad is uitgewerkt. Deze jurisprudentie geeftde praktijk handvatten om dit vraagstuk op te lossen, maar vereist eenindividuele beoordeling van het voorliggende feitencomplex.De leden van de fractie van de VVD plaatsen vraagtekens bij het gekozendrempelbedrag van 30.000 euro. Een drempelbedrag van 30.000 eurobetekent dat ondernemers bij relatief geringe verbouwingen de voorbe-lasting gedurende een periode van vijf jaar moet gaan volgen. Deze extraadministratieve lasten zijn groot bij een drempelbedrag van 30.000 euro.Zij vragen of het kabinet bereid is nogmaals te kijken naar het vervangenvan het drempelbedrag van 30.000 euro naar 100.000 euro en wat hiervande budgettaire gevolgen zijn.Zoals hiervoor aangegeven lijkt een drempelbedrag van € 30.000 de juistebalans tussen de effectiviteit van de maatregel en de administratievelastendruk. Dit bedrag was ook opgenomen in het conceptwetsvoorsteldat ter internetconsultatie is aangeboden. De resultaten van die internet-consultatie hebben geen aanleiding gegeven om een ander drempel-bedrag voor te stellen. Een eventuele verhoging van dit bedrag betekenteen administratieve lastenverlichting, maar nodigt tegelijkertijd uit tot hetkunstmatig opknippen van diensten om zo onder de werking van devoorgestelde maatregel uit te komen. Er zijn geen goed onderbouwdevoorstellen ontvangen om dit reële risico te mitigeren, zodat het drempel-bedrag van € 30.000 is gehandhaafd. Wel is het belangrijk om deverwachte werking van dit drempelbedrag te monitoren om, indien nodig,te kunnen bijsturen. Mede daarom wordt de maatregel ook specifiek opdit punt geëvalueerd.Een verhoging van het drempelbedrag naar € 100.000 zou de budgettaireopbrengst van deze maatregel reduceren tot € 117 miljoen, en dus eenbudgettaire derving van € 19 miljoen tot gevolg hebben.De leden van de fractie van de VVD merken op dat de regeling wellicht instrijd is met inmiddels verschenen jurisprudentie van het Hof van Justitieen vraagt aan het kabinet of het de gevolgen van dit arrest meeneemt indeze regeling. De leden van de fractie van het CDA vragen of de maatregelnaar aanleiding van dit arrest nog aanpassing behoeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26101 De gevolgen van het arrest Drebers106 zullen in de praktijk nog verderworden ontwikkeld, maar dit arrest geeft vooralsnog geen directeaanleiding om de in het Belastingplan opgenomen definitie te wijzigen.Deze definitie houdt, ook na het arrest Drebers, in de ogen van het kabinetnog steeds Europeesrechtelijk stand. Definitief uitsluitsel hierover kanuiteraard alleen bij de rechter worden verkregen.Wel zal deze uitspraak leiden tot een verduidelijking in de bijbehorendelagere regelgeving. De Eindejaarsregeling 2024 is recent ter internetcon-sultatie voorgelegd107, met daarin opgenomen de nadere bepalingen voordeze btw-herziening. In de reacties op deze internetconsultatie hebbenverschillende partijen de mogelijkheid aangegrepen om hun reflectie ophet arrest Drebers te geven, met inachtneming van de huidige teksten vandit Belastingplan en de Eindejaarsregeling 2024. Deze reacties gevenaanleiding om de in de Eindejaarsregeling 2024 opgenomen bepalingenverder te verduidelijken om daarmee de juridische stevigheid van demaatregel te borgen. Het kabinet bevestigt, om onduidelijkheid in depraktijk over dit punt te voorkomen, dat het naar aanleiding van het arrestDrebers niet voornemens is de herzieningstermijn van 5 jaren naar 10jaren te verlengen. Dit betekent dat belastingplichtigen in bepaaldegevallen in de uitzonderingssituaties waarbij ze baat hebben bij eenlangere herzieningstermijn hierop een (direct) beroep kunnen doen bij deInspecteur, maar tegelijkertijd dat niet de hele praktijk wordt geconfron-teerd met een langere herzieningstermijn van tien jaren. Daarmee wordteen aanzienlijke aanvullende administratieve last bij de door dezemaatregel geraakte belastingplichtigen voorkomen. De verdere uitwerkingvan deze maatregel en andere verduidelijkingen vindt plaats in eenaanpassing van de Eindejaarsregeling 2024.De leden van de fractie van de VVD vragen wat het budgettaire effect isals de drempel voor toepassing van de herzienings-btw op investerings-diensten wordt aangepast naar 30 procent van de WOZ-waarde.Bij de totstandkoming van de voorgestelde maatregel is door verschil-lende partijen geopperd om geen vaste herzieningsdrempel op te nemen,maar een herzieningsdrempel gebaseerd op een percentage van deWOZ-waarde. Dit voorstel is overwogen omdat de maatregel hierdoormeer maatwerk biedt en minder algemeen uitwerkt.Dit leidt echter ook tot nieuwe, substantiële uitvoeringsproblematiek. Zowordt bijvoorbeeld de WOZ-waarde van een pand jaarlijks vastgesteld enbezwaarprocedures kunnen de definitieve vaststelling van deWOZ-waarde over een lange periode uitstellen. De btw is echter eentijdstipbelasting die op het tijdstip van aangifte een juiste waardebepalingvereist. Bij een lopende WOZ-procedure zou de WOZ-waarde geschatmoeten worden, wat zou leiden tot rechtsongelijkheid tussen belasting-plichtigen, tot grote rechtsonzekerheid en toenemende complexiteit.Alles overwegende geniet een vast drempelbedrag de voorkeur.Weliswaar is dit minder op het individuele geval toegespitst, maartegelijkertijd leidt dit tot een aanzienlijk beter uitvoerbare regeling. Om diereden is het niet opportuun om het bovengenoemde voorstel uit tewerken. Het is op dit moment niet mogelijk om een raming op te stellenwegens een gebrek aan betrouwbare gegevens.De leden van de fractie van de VVD vragen wat het budgettaire effect isals de drempel voor toepassing van de herzienings-btw op investerings-diensten wordt aangepast naar 30 procent van de WOZ-waarde.Bij de totstandkoming van de voorgestelde maatregel is door verschil-lende partijen geopperd om geen vaste herzieningsdrempel op te nemen,maar een herzieningsdrempel gebaseerd op een percentage van de106HvJ EU 12-09-2024, ECLI:EU:C:2024:736 [Drebers].107Overheid.nl | Consultatie Eindejaarsregeling 2024 (internetconsultatie.nl).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26102 WOZ-waarde. Dit voorstel is overwogen omdat de maatregel hierdoormeer maatwerk biedt en minder algemeen uitwerkt.Dit leidt echter ook tot nieuwe, substantiële uitvoeringsproblematiek. Zowordt bijvoorbeeld de WOZ-waarde van een pand jaarlijks vastgesteld enbezwaarprocedures kunnen de definitieve vaststelling van deWOZ-waarde over een lange periode uitstellen. De btw is echter eentijdstipbelasting die op het tijdstip van aangifte een juiste waardebepalingvereist. Bij een lopende WOZ-procedure zou de WOZ-waarde geschatmoeten worden, wat zou leiden tot rechtsongelijkheid tussen belasting-plichtigen, tot grote rechtsonzekerheid en toenemende complexiteit.Alles overwegende geniet een vast drempelbedrag de voorkeur.Weliswaar is dit minder op het individuele geval toegespitst, maartegelijkertijd leidt dit tot een aanzienlijk beter uitvoerbare regeling. Om diereden is het niet opportuun om het bovengenoemde voorstel uit tewerken. Het is op dit moment niet mogelijk om een raming op te stellenwegens een gebrek aan betrouwbare gegevens.De leden van de fractie van het CDA merken op dat in de ramingstoe-lichting van het CPB voor de herzieningsregeling btw is aangenomen datbij 50 procent van de nieuwe woningen in bestaande panden gebruikwordt gemaakt van short-stay constructies. Zij vragen of het kabinet kantoelichten waar het CPB die aanname op heeft gebaseerd.De aanname van 50% van het aandeel transformaties waarbij gebruikwordt gemaakt van de constructie is een expert-opinion van de Belasting-dienst gebaseerd op data en ervaringen, maar bevat uiteraard wel enigeonzekerheid. De raming en daarmee deze aanname zijn gecertificeerddoor het Centraal Planbureau.De leden van de fractie van het CDA lezen bij de uitvoeringsgevolgen datde maatregel zal leiden tot een complexiteitsreductie voor de Belasting-dienst voor short-stay constructies, maar dat de maatregel daarnaast totmeer complexiteit leidt omdat in beginsel elke ondernemer die vastgoedheeft en daar diensten aan laat verrichten boven de 30.000 euro drempel,door de maatrelen geraakt worden. Zij vragen of het voorstel per saldo totmeer of minder complexiteit leidt. Voor uitvoering van de maatregel isincidenteel 64,9 fte nodig en 6,2 fte structureel. Zij vragen ook hoe deregering in het licht van de grote arbeidsmarktkrapte de benodigdepersonele capaciteit beoordeelt. Tot slot vragen zij of de regering deuitvoeringskosten van deze maatregel die incidenteel op 7,4 miljoen eurouitkomen en structureel op meer dan een half miljoen niet erg hoog vindt.Het voorstel zal op termijn tot minder complexiteit leiden. Ten eersteworden de complexe shortstay-constructies aangepakt die zullen leidentot een reducering van de complexiteit voor de Belastingdienst. Tentweede is de verwachting dat het zwaartepunt van de werkzaamheden ende complexiteit van het voorstel in het eerste jaar hoger liggen, waarnadie in de tijd geleidelijk afbouwen. Per saldo blijft 6,2 fte structureel overvoor een voorstel met een brede scope. Ondanks de uitdaging van deBelastingdienst met wervingen van nieuw personeel is de verwachting datde benodigde personele capaciteit tijdig beschikbaar is. Het kabinetbegrijpt dat de kosten van de uitvoering van deze maatregel aanvankelijkrelatief hoger zijn. Deze kosten zijn echter proportioneel voor de intro-ductie van een nieuwe regeling die het btw-stelsel op termijn beter enconsistenter maakt. Op de iets langere termijn echter blijkt uit deUitvoeringstoets dat de uitvoering en de kosten daarvan binnen de teverwachten en proportionele bandbreedten zullen vallen.De leden van de fractie van het CDA vragen ook of de regering deverwachting van de NOB deelt dat als gevolg van de Wet vaste huurcon-tracten het aantal situaties waarin gebruik kan worden gemaakt vanshort-stay constructies sterk afneemt. Deze leden vragen of de regeringTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26103 deze maatregel voldoende proportioneel acht of dat een minder vergaandalternatief passend is, zoals het voorstel waar de NOB in haarcommentaar op de internetconsultatie naar heeft verwezen.De aanleiding tot deze maatregel is de belastingbesparende structuur metkortdurende verhuur tegen te gaan. Het doel van de maatregel is echterbreder en tweeledig: om een gelijker speelveld te creëren tussenvastgoedondernemers en, meer algemeen, de btw-aftrek op investerings-diensten aan te laten sluiten bij het meerjarig gebruik van de dienst.Door een uitbreiding van de herzieningsregeling naar investerings-diensten worden deze in zoverre btw-technisch gelijkgesteld aan(on)roerende investeringsgoederen. De vooraftrek van btw wordtdaardoor ook voor deze diensten met een duurzaam karakter over eenlangere periode gevolgd en meer in overeenstemming gebracht met hetmeerjarige nut dat zij afwerpen. Deze consistentere btw-behandeling van(grote) investeringen past in de systematiek van de btw in het algemeenen het beginsel van fiscale neutraliteit in het bijzonder. Het opnemen vaneen dergelijke maatregel is dan ook logisch en passend, ook als viaandere wegen of wetgeving het gebruik van short stay-constructiesmogelijk zal afnemen.27. Opheffen meerdere posten verlaagd btw-tarief De leden van de fractie van de BBB vragen naar mogelijke negatieveeffecten van de voorgestelde afschaffing van meerdere verlaagdebtw-tarieven op de toeristische sector en lokale economieën in kwetsbaregebieden. Het kabinet onderkent dat afschaffen van de verlaagdebtw-tarieven inderdaad een negatieve impact kan hebben op de sectorenwaarvoor deze maatregel van toepassing is. Of sprake is van omzetverlieshangt af van de mate waarin de btw-verhoging wordt doorberekend in deprijs. De impact van de btw-verhoging hangt ook af van andere factoren,zoals de bedrijfsvoering van specifieke bedrijven en de bereidheid enmogelijkheden van consumenten om een hogere prijs te betalen. Hetkabinet verwacht hierbij niet dat er grote verschillen tussen stad enplatteland zullen optreden naar aanleiding van deze tariefsverhoging. Ditkabinet heeft in het bijzonder oog voor de regio’s en heeft veel ambitie tenaanzien van de ontwikkeling van regionale economieën ten aanzien vanonder andere bereikbaarheid, energie, voorzieningen, landbouw ennatuur.De leden van de fractie van de BBB delen de zorgen van de Raad voor deRechtspraak over de mogelijke toename van complexe belastingzaken alsgevolg van wijzigingen in de aftrek van investeringsdiensten. Het isbelangrijk dat het kabinet in samenwerking met de Belastingdienst en derechtspraak stappen onderneemt om deze complexiteit waar mogelijk teverminderen. De leden van de fractie van de BBB vragen om een reactievan de regering op hoe deze samenwerking vorm krijgt en welkemaatregelen genomen kunnen worden om administratieve lasten tebeperken.Het kabinet deelt de verwachting dat er hierover procedures gevoerdzullen worden maar dit is bij nieuwe wetgeving niet ongebruikelijk.Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang om deze belastingbespa-rende constructie aan te pakken.Uiteraard heeft het kabinet veel oog voor de uitvoerbaarheid voor zowelde ondernemer, de Belastingdienst als de rechtelijke macht. Zo heeft hetkabinet maatregelen genomen in de uitwerking van de wetgeving omwaar mogelijk complexiteit te beperken. Daarom is er bijvoorbeeldgebruik gemaakt van een drempelbedrag en wordt geen herzienings-termijn van tien jaren gehanteerd maar een kortere herzieningstermijnvan vijf jaren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26104 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar negatievegevolgen van het afschaffen van enkele posten in het verlaagd btw-tariefwaarvoor onderbouwing van overheidsingrijpen wel in orde is maar dedoelmatigheid niet. Deze leden vragen waarom de regering geenimpactanalyse heeft laten maken en of de regering bereid is dit alsnog tedoen. Tevens vragen zij of de regering eventueel bereid is negatievegevolgen te repareren met aanvullend beleid. De leden van de fractie vanD66 vragen eveneens waarom de regering er voor gekozen heeft geenimpactanalyse uit te voeren en of de regering bereid is deze alsnog uit tevoeren.Uit de evaluatie van het verlaagde btw-tarief van vorig jaar, uitgevoerddoor Dialogic, bleek dat een verlaagd tarief doorgaans geen geschiktinstrument is om beleidsdoelen te bereiken. Het kabinet heeft dezeevaluatie in zijn besluitvorming betrokken en er voor gekozen een aantalposten over te brengen naar het algemene btw-tarief. De opbrengst vandeze verhoging wordt ingezet om andere maatregelen, onder anderegericht op de koopkracht, te financieren.Het kabinet is niet voornemens om alsnog een impact-analyse uit tevoeren voor de btw-maatregelen. Ik ben mij er van bewust dat dezemaatregel een impact op de betrokken sectoren zal hebben, hierover benik ook in gesprek gegaan met vertegenwoordigers van de betrokkensectoren.Gelet op de omvang van de maatregel zullen de effecten van debtw-maatregelen in 2028 middels een evaluatie aan uw Kamer wordengerapporteerd. Hierin zal gekeken worden naar de mate waarin deverhoging wordt doorberekend aan consumenten en daarmee naar heteffect op de vraag. Daarnaast zal er na invoering een eerste analysegedaan worden van de korte termijn impact van de btw-maatregelen.Het kabinet heeft er niet voor gekozen om flankerend beleid voor testellen. De onderzoekers van Dialogic hebben bij een aantal verlaagdebtw-tarieven twijfels geuit over de doelstellingen en onderbouwing voorfinanciële interventie. Ook bij het verlaagde btw-tarief op logiesver-strekking zijn er twijfels of de doelstelling van destijds nog actueel is. Bijde totstandkoming is aangevoerd dat de oneerlijke (internationale)concurrentieverhouding i.v.m. klimatologische omstandigheden eenreden was voor overheidsingrijpen. Dit doel stamt uit een andere tijd enhet is volgens de onderzoekers zeer discutabel of het stimuleren vantoerisme (om de genoemde reden) in de huidige context verdedigbaar is.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA leiden hieruit af dat deregering cultuur en sport blijkbaar simpelweg niet belangrijk vindt. Zijvragen of dit klopt en zo nee, waarom de regering dan niet met eenuitgewerkt plan komt in plaats van het simpelweg schrappen van het lagebtw-tarief. Zij vragen waarom de regering er niet voor kiest om andereregelingen eerst af te schaffen waarvoor geen goede onderbouwingbestaat voor overheidsingrijpen, zoals het verlaagd tarief voor agrarischegoederen, sierteelt en de landbouwvrijstelling. Zij merken op dat hetbudgettaire belang van deze regelingen gecombineerd ook nog eensgroter is dan dat van het lage btw-tarief voor cultuur en sport. Zij vragenof de regering het ermee eens is dat het verstandiger zou zijn om eerstdeze regelingen af te schaffen en daarna te kijken hoe op een verstandigemanier met het lage btw-tarief voor cultuur en sport omgegaan kanworden.De maatregel om bepaalde verlaagde tarieven wel af te schaffen enandere niet, is een politieke keuze en onder meer gebaseerd op demogelijkheid om andere maatregelen te financieren zoals de lastenverlich-tingen voor werkenden en ondernemers. Bij de gemaakte keuzes ligt deprioriteit bij het investeren in lastenverlichting en verbeteren van hetvestigingsklimaat. Naar de mening van het kabinet wordt het belang vancultuur en sport niet alleen uitgedrukt in een fiscale subsidie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26105 Het verlaagde btw-tarief voor agrarische goederen is door het vorigekabinet afgeschaft per 1 januari 2025. Het verlaagde btw-tarief op sierteelten de landbouwvrijstelling zijn enkele van de regelingen die negatiefgeëvalueerd zijn in de demissionaire periode van het vorige kabinet. Inoktober volgt een brief met de kabinetsreactie op een flink aantal(negatief) geëvalueerde regelingen uit de demissionaire periode van hetvorige kabinet waaronder voorgenoemde regelingen. Het gecombineerdebudgettaire belang van het verlaagde btw-tarief op sierteelt en delandbouwvrijstelling is inderdaad groter dan het lage btw-tarief op cultuuren sport. Bij afschaffen van de landbouwvrijstelling is de budgettaireopbrengst echter een stuk lager dan het gerapporteerde budgettairebelang in verband met gedragseffecten108. De opbrengst loopt langzaamop naar structureel ongeveer 180 miljoen euro.De leden van de fractie van Groenlink-PvdA lezen in de uitvoeringstoetsvan de voorgestelde maatregel dat deze per saldo niet zal leiden totcomplexiteitsreductie bij de Belastingdienst, vanwege nieuwe afbake-ningsproblematiek. Zij vragen of het klopt dat hier dus helemaal geensprake is van vereenvoudiging en waarom de regering niet gekozen heeftvoor een opzet die wel tot vereenvoudiging en minder afbakeningsproble-matiek leidt. Vraag 380 Ook vragen de leden van de fractie van het CDA inhoeverre de uitvoeringsdienst nu al heeft aangegeven dat afbakenings-problemen zullen ontstaan tussen de wel en niet van de maatregeluitgezonderde goederen en diensten. Deze leden vragen of het afschaffenvan een aantal posten uit het verlaagde btw-tarief hiermee tot vereenvou-diging leidt of juist tot meer complexiteit voor wat betreft afbakening.Hiertoe verwijzen deze leden naar de alinea over uitvoering, waarin staatdat de maatregel in eerste instantie leidt tot een toename van vooroverlegen juridische procedures, waardoor de uitvoeringskosten tijdelijktoenemen.Ontegenzeggelijk leidt het schrappen van een aanzienlijk aantal posten uithet 9%-tarief, die immers een uitzondering vormen op de hoofdregel datprestaties worden belast naar het algemene btw-tarief van 21%, tot eenvereenvoudiging van het btw-stelsel. Dat hierdoor onvermijdelijk nieuwegrensgevallen en discussiepunten ontstaan, wordt zo goed mogelijkondervangen door de toelichtende teksten die zijn opgenomen in dememorie van toelichting. Het schrappen van volledige posten in plaatsvan onderdelen daarvan draagt daar aan bij. Net als het niet introducerenvan nieuwe fiscale definities.Deze vereenvoudiging blijkt ook uit de uitvoeringstoets van de Belasting-dienst, waarin wordt aangegeven dat de maatregel uitvoerbaar is en optermijn leidt tot een structurele, personele besparing. Op termijn zal ereen nieuwe status quo worden bereikt die, doordat er in het algemeenminder uitzonderingen bestaan op de hoofdregel, minder complex is dande huidige status quo in het btw-stelsel.Deze leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen om toe te lichtenwaarom de regering specifieke posten (voorzieningen die «primair enpermanent voor vermaak» zijn ingericht) uitzondert van de maatregel. Zijvragen of de regering pretparken en kermissen en de toegankelijkheidhiervan belangrijker vindt dan bibliotheken en sportclubs. Vraag 391 Deleden van de fractie van de SGP vragen of de regering helder en explicietkan uitleggen waarom de toegang tot circussen, dierentuinen, bioscopenen attractieparken onder het verlaagde btw-tarief blijven vallen. Zij vragenook wat de opbrengst is indien deze ook onder het algemene tarief gaanvallen.108Zie voor een nadere toelichting pagina’s 19 en 20 van Gedragseffecten belastingmaatregelen(cpb.nl).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26106 Er is voor gekozen om het verlaagd btw-tarief voor het verlenen vantoegang tot attractieparken, speel- en siertuinen en andere dergelijkeprimair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzie-ningen te laten bestaan. Voor circussen, dierentuinen en bioscopen blijfthet verlaagd btw-tarief eveneens gelden. Deze afweging is gemaaktomdat het kabinet het wenselijk vindt om voor deze activiteiten de fiscalesubsidiëring te behouden. Naar de mening van het kabinet zegt dit nietsover het belang van bibliotheken en sportclubs en de toegankelijkheidhiervan. Indien toegang tot circussen, dierentuinen, bioscopen enattractieparken naar het algemene btw-tarief wordt overgebracht, leidt dittot een opbrengst van circa € 162 miljoen per jaar.De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SGP vragen naar hoede lastenverhoging terecht komt bij verschillende inkomensklassen enleeftijdsgroepen en hoe de regering kijkt naar dat hierdoor de toeganke-lijkheid van de genoemde voorzieningen minder wordt voor mensen meteen laag inkomen en kwetsbare huishoudens.Uit cijfers van het CBS over bestedingsaandelen blijkt dat hoge inkomenseen relatief groter deel van hun inkomen uitgeven aan posten in hetverlaagde btw-tarief. Onderstaande grafiek laat zien welk deel van hetbesteedbaar inkomen wordt uitgegeven aan goederen en diensten die vanhet verlaagde tarief naar het algemeen tarief zullen gaan met dit Belas-tingplan. Hieruit blijkt dat de laagste inkomensgroepen nog geen 3% vanhun inkomen uitgeven aan deze producten waar dat bij de hoogsteinkomensgroepen gemiddeld circa 5% is. Daarmee komt de lastenver-zwaring als gevolg van de btw-maatregelen relatief meer terecht bijhogere inkomens.De leden van de fractie van de VVD hebben vernomen dat de afbakeningvan posten binnen het tarief voor culturele goederen en diensten en hetverstrekken van logies ingewikkeld kan zijn. Zij vragen op welke termijn enop welke manier aan ondernemers en instellingen duidelijkheid wordtgeboden onder welk tarief activiteiten precies gaan vallen. De leden vande fractie van NSC geven aan dat zij deze financieringsmaatregelenaccepteren. Wel hebben deze leden nog enkele afbakeningsvraagstukken.Zo vragen zij hoe de exacte afbakening is geregeld als het gaat om deinvoering van het reguliere btw-tarief op logies en cultuur. Zij vragen ofhet klopt dat kamperen in tenten die al zijn opgesteld door de camping-houder onder het reguliere tarief gaat vallen of dit onder het verlaagdetarief blijft. Vraag 382 De leden van de fractie van de SGP vinden dat dekeuzes voor de posten waarvoor het algemene tarief gaat geldenwillekeurig gekozen lijken te zijn. Zij vragen of het bijvoorbeeld klopt dathet kamperen met een eigen tent onder het lage tarief valt, terwijl als detent door de campingeigenaar is neergezet het verblijf onder het hogetarief valt en wat daar de argumentatie voor is. De leden van de fractievan de ChristenUnie hebben met zorg kennisgenomen van de onder-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26107 havige verhoging van de btw. De leden vragen of de regering kanweergeven wat de maatschappelijke gevolgen van deze verhoging zijn enhoe deze gevolgen een rol hebben gespeeld in de besluitvorming. Tevensvragen deze leden welke afbakeningsproblematiek de regering voorziet,doordat uitzonderingsgrenzen anders komen te liggen. Zij vragen of deregering ook heeft overwogen om andere btw-categorieën te verhogen,mocht terugdraaien van de onderhavige maatregelen niet mogelijk zijn.Ook vragen zij of de regering in deze context in elk geval stil kan staan bijde casus gehuurde en zelf meegebrachte tenten op een kampeerterrein.De maatregel om bepaalde verlaagde tarieven wel af te schaffen enandere niet is een politieke keuze en onder meer gebaseerd op demogelijkheid om andere maatregelen te financieren, zoals het investerenin lastenverlichting voor werkenden en ondernemers.Onderzocht is of een juridisch houdbaar onderscheid is aan te brengentussen kamperen en logies. De juridisch meest houdbare afbakening sluitaan bij het verschil tussen het overnachten in een eigen, meegebrachtonderkomen en het overnachten in een ter beschikking gestelde verblijfs-ruimte. Dan valt de verhuur van een sta-plek voor een tent of caravanonder het verlaagde btw-tarief, maar de verhuur van een plek inclusieftent of caravan niet. Een ruimere afbakening is juridisch moeilijk teonderbouwen en vergroot in aanzienlijke mate het risico op strijd met hetbeginsel van fiscale neutraliteit. Discussies over grensgevallen, waar deafbakeningsproblematiek op ziet, zijn onvermijdelijk en doen zich ookonder de huidige regels voor. Aangezien de Belastingdienst ook nu al inde uitvoering van de verlaagde btw-tarieven ervaart dat over grensge-vallen gediscussieerd kan worden, zullen door het afschaffen van eenaantal verlaagde btw-tarieven ook bepaalde discussies verdwijnen. Welvalt te verwachten dat door het handhaven van het verlaagd btw-tarief ophet gelegenheid geven tot kamperen nieuwe afbakeningsgeschillen zullenontstaan in relatie tot de tariefverhoging voor het verstrekken van logies.In de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2025 is naderingegaan op de afbakening.De leden van de fractie van de VVD wijzen er daarnaast op dat in hetBelastingplan 2025 een overgangsmaatregel staat opgenomen waarmeede regering probeert te bewerkstelligen dat indien een vooruitbetalingwordt gedaan voor een prestatie die in 2026 plaatsvindt, het algemenetarief moet worden toegepast. De leden vragen of de regering kanbevestigen dat deze overgangsmaatregel niet werkt in het geval van eenSingle Purpose Voucher. Ook vragen zij welk alternatief de regeringhiervoor kan bieden.Om eventuele onduidelijkheid ten aanzien van de overgangsmaatregel enSingle Purpose Vouchers (vouchers voor enkelvoudig gebruik) weg tenemen, bereid ik een nota van wijziging voor.De leden van de fractie van NSC vragen ook of de afbakening tussenbijvoorbeeld musea en attractieparken en siertuinen duidelijk genoeg isom in de praktijk te hanteren.Naar maatschappelijke opvattingen zijn de diensten waartoe toegangwordt verleend niet soortgelijk. Zij voldoen niet aan dezelfde behoeftenvan de gemiddelde consument en beïnvloeden daarmee niet de keuze vande consument voor de ene of de andere dienst. Dat betekent dat diediensten voldoende afgebakend zijn om daarvoor een verschillendbtw-tarief te hanteren.Ook vragen de leden van de fractie van NSC hoe bijvoorbeeld eenmuseum in de vorm van een kasteel met een grote siertuin eromheenwordt gekwalificeerd, of dit bij het reguliere of bij het verlaagde tariefhoort.Afbakeningsvraagstukken zijn niet volledig te voorkomen maar in demeeste gevallen zal het onderscheid duidelijk zijn. Aan de hand van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26108 feiten en omstandigheden van het concrete geval is het aan de inspecteurom hierover een standpunt in te nemen dat uiteindelijk door de rechterkan worden getoetst. Bij een museum met een siertuin is er een aantalmogelijkheden: het museum vormt het doorslaggevende element van deprestatie, de siertuin doet dat of beide wegen even zwaar. In het eerstegeval gaat de prestatie onder het algemene tarief vallen en in het tweedegeval blijft het verlaagde tarief van toepassing. Ten aanzien van het derdegeval doen zich twee mogelijkheden voor: de vergoeding voor de toegangwordt gesplitst in een deel belast naar het algemene en een deel naar hetverlaagde btw-tarief of de prestatie is één ondeelbare prestatie die nochals toegang verlening tot een museum, noch als toegang verlening tot eensiertuin kan worden geduid, waarop dan het algemene btw-tarief vantoepassing is. Zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof vanJustitie inzake «Stadion Amsterdam» van 18 januari 2018.109De leden van de fractie van D66 vragen hoe de regering het advies van deRaad van State weegt om voor maatregelen die omvangrijk, complex ofpolitiek omstreden zijn een apart wetsvoorstel in te dienen en vragenwaarom de regering ervoor heeft gekozen om dat niet te doen voor demaatregel die ziet op de btw-verhoging voor logies en cultuur. Zij vragenof de regering de zorgen deelt over de gevolgen hiervan voor eengedegen behandeling van alle wijzigingen in het Belastingplan. De ledenvan de fractie van het CDA vinden de keuze om deze maatregel niet in eenseparaat wetsvoorstel op te nemen onbegrijpelijk, met name omdat debudgettaire dekking pas per 2026 nodig is. Deze leden vragen waarom deregering op deze manier de parlementaire speelruimte beperkt.Het kabinet denkt dat er zwaarwegende redenen zijn om debtw-maatregelen integraal onderdeel uit te laten maken van het Belas-tingplan. Maatregelen met een budgettaire samenhang worden hierdoorin hetzelfde wetsvoorstel opgenomen waarmee de financiële onder-bouwing duidelijk wordt gemaakt. Een separaat wetsvoorstel koppelt demaatregel los van de rest van het lastenpakket van dit kabinet. Het doorhet kabinet voorgestelde lastenpakket vindt een balans in de prioriteitenvan het kabinet, zoals koopkrachtverbetering voor werkenden, lastenver-lichting voor ondernemers en een financieel gedegen beeld. De maatre-gelen die dienen als dekking kunnen niet los worden gezien van de restvan dit integrale pakket.Het is bovendien noodzakelijk om ondernemers gelegenheid te geven zichop de wijzigingen voor te bereiden en hun ICT-systemen daarop aan tepassen. Hiervoor is in de regel tenminste een halfjaar nodig. Dezevoorbereidingstijd is niet gegarandeerd ingeval de maatregel in eenseparaat wetsvoorstel wordt opgenomen. Het is dan immers mogelijk datde stemming over dit wetsvoorstel wordt uitgesteld en dat eerst medio2025 volledige duidelijkheid bestaat over de wetgeving. In dat gevalontbreekt het ondernemers aan voldoende tijd om hun administratie aante passen.Daarnaast vereist de financiering van de lastenverlichtingen voorwerkenden en ondernemers dat vooruitbetalingen in 2025 voor prestatiesdie in 2026 of later plaatsvinden ook belast worden naar het algemenebtw-tarief. Ook om deze reden is een separaat wetsvoorstel, los van hetpakket belastingplan 2025, onwenselijk. In het geval dat een eigenparlementair proces wordt gevolgd staat niet vast dat vooruitbetalingen in2025 ook belast worden naar het algemene btw-tarief. Op zich klopt hetdat de budgettaire dekking nodig is vanaf 2026 maar om die dekking in2026 te realiseren, is het noodzakelijk dat het overgangsrecht per 1 januari2025 van kracht wordt. Dat kan alleen door de maatregel, inclusiefovergangsrecht, onderdeel te laten zijn van het Belastingplan 2025.109HvJ 18 januari 2018, ECLI:EU:C:2018:22.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26109 Het Belastingplan doorloopt een volledige parlementaire behandelingwaardoor naar mening van het kabinet het parlement in de gelegenheidgesteld wordt om zijn wetgevende, vertegenwoordigende en controle-rende rol te vervullen. Tijdens de Algemene de Politieke beschouwingenin de Eerste Kamer is een motie van het lid Van Meenen c.s.110 aange-nomen. Om bovengenoemde redenen is het kabinet niet voornemensdeze motie uit te voeren. Hierover is ook de Eerste Kamer per briefgeïnformeerd.De leden van de fracties van D66 en SGP vragen of de regering eentotaalinzicht kan geven in de financiële gevolgen van de verhoging vanhet btw-tarief voor de overheid, op basis waarvan dit is geschat en hoe ditzich verhoudt tot de ramingen in het Hoofdlijnenakkoord. Daarbij wordtook gevraagd welke neveneffecten worden voorzien en met welkegedragseffecten rekening is gehouden.Het afschaffen van de verschillende posten binnen het verlaagdebtw-tarief leidt tot een budgettaire opbrengst van circa € 2,3 miljard perjaar. Hierbij is rekening gehouden met gedragseffecten binnen delogiessector doordat huishoudens en personen mogelijk sneller besluitenom in het buitenland op vakantie te gaan. De tabellen hieronder geven deuitsplitsingen weer van de opbrengst voor de overheid.uitsplitsing ramingcultuur20252026202720282029strucstruc inBoeken incl. e-pubs enuitleen2312312312312312026Kranten, tijdschriften,dag- en weekbladen incl.e-pubs en uitleen2972972972972972026Geven van gelegenheidtot sportbeoefening1851851851851852026Toegang tot sportwed-strijden41414141412026Toegang tot musea enverzamelingen41414141412026Toegang tot podiumkun-sten en optredens dooruitvoerende kunstenaars3883883883883882026Kunst, verzamelvoor-werpen en antiek38383838382026Totaal afschaffenverlaagd btw-tariefculturele goederen endiensten1.2211.2211.2211.2211.2212026 uitsplitsing raminglogies20252026202720282029strucstruc inHotels en pensions3643643643643642026overig logies (bijv.short-stay en recreatieveverblijven)7467467467467462026Totaal afschaffenverlaagd btw-tarief oplogiesverstrekking1.1101.1101.1101.1101.1102026 De basis voor deze ramingen zijn de btw-bijlage en btw-nota van het CBS,waarin de bestedingen van huishoudens en vrijgestelde sectoren zijningedeeld in tariefgroepen. Hier is gekeken naar de bestedingen aanculturele goederen en diensten en logies, waarbij rekening is gehoudenmet de uitzonderingen. Dit betekent dat consumptie van zakelijke reizigersen eventuele aanverwante diensten (bij logies) geen onderdeel vormt van110Kamerstukken I 2024/25, 36 600, E.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26110 de raming. Bij ramingen van btw-maatregelen wordt doorgaans geengedragseffect verondersteld. Dit komt doordat wordt aangenomen datwanneer een btw-verhoging leidt tot een afname consumptie van eenproduct of dienst, deze consumptie terechtkomt bij een ander product ofdienst dat ook met btw belast is. Hierdoor nemen de btw-opbrengsten nietaf door een dergelijk gedragseffect.Bij de raming voor logiesverstrekkingen is wel uitgegaan van eenadditioneel gedragseffect, omdat een groot deel van de consumptietoeristen betreft. Wanneer een overnachting in Nederland duurder wordt,zal het relatief aantrekkelijker worden om in het buitenland eenovernachting te boeken waardoor een deel van de grondslag zalverdwijnen. Voor culturele goederen en diensten worden geen additionelegedragseffecten verondersteld.Deze ramingen zijn gecertificeerd door het Centraal Planbureau. Debeoordeling van de ramingen is te vinden in de bijlage ramingstoelich-tingen en certificeringen bij het Belastingplan.111 Zoals gebruikelijk is deraming van de betreffende maatregelen bij indiening van het wetsvoorstelgeactualiseerd met de meest recente gegevens. Dat verklaart het verschiltussen de ramingen in het Hoofdlijnenakkoord en de ramingen bij hetBelastingplan (en in de beantwoording van deze vraag).De leden van de fractie van D66 vragen of de regering kan ingaan op hetadvies van de Raad van State om een toelichting te geven op de voorge-stelde verhoging van het btw-tarief in het licht van het recht op vrijemeningsuiting en van informatie, zoals geborgd in het artikel 7 van deGrondwet, artikel 10 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten vande Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en de artikelen 11 en 13van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De ledenvan de fractie van de SGP zijn zeer negatief over de btw-verhoging opkranten. De nadelen zijn volgens deze leden groot. Brede toegankelijkheidvan nieuws is van groot belang. Deze maatregel verhoogt de drempelsdaarvoor. Hiervoor is volgens de leden van de fractie van de SGP een zeerduidelijke (juridische) motivering nodig. De leden vragen of de regeringdeze onderbouwing kan geven. Zij vragen ook of door deze maatregel nietwordt getornd aan de vrijheid van meningsuiting en het recht van burgersom informatie te ontvangen. Tevens vragen de leden of de regering kanreageren op de opmerkingen die de Raad van State maakt op dit punt.Het kabinet heeft er voor gekozen om op bepaalde fiscale subsidies tebezuinigen om te investeren in de koopkracht en vestigingsklimaat. Dezorg om eventuele strijdigheid met de Grondwet, het EVRM dan wel hetHandvest als gevolg van het afschaffen van het verlaagd btw-tarief oponder andere kranten wordt niet gedeeld. Een btw-verhoging beïnvloedtniet de journalistieke onafhankelijkheid of het recht op vrije menings-uiting. De maatregel legt ook geen wettelijke beperking op ten aanzienvan deze zaken. In welke mate de btw-verhoging zal worden doorbe-rekend moet worden bezien, maar deze verhoging ontneemt ook niet demogelijkheid aan burgers om kennis te nemen van onafhankelijkeberichtgeving.De leden van de fractie van D66 lezen dat de regering meent dat deopheffing van meerdere posten verlaagd btw-tarief bijdraagt aanvereenvoudiging van het belastingstelsel. De leden vragen of de regeringkan toelichten hoe het uitzonderen van dagrecreatie, bioscopen enkampeerterreinen zich verhoudt tot het streven naar vereenvoudiging vanhet belastingstelsel. De leden merken op dat het voorliggende plan zeerarbitraire uitzonderingen bevat voor wat onder het lage en hogere tariefvalt. Zij vragen hoe de regering de verschillen tussen een attractiepark en11110-Ramingstoelichtingen-en-certificering-CPB-pakket-Belastingplan-2025.pdf (rijksfinan-cien.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26111 een openluchtmuseum met elementen van een attractiepark ziet. Zijvragen ook hoe de regering reflecteert op de situatie waarbij iemand diestraks kampeert met een eigen tent het lage btw-tarief moet betalen, maariemand met een huurtent het hoge btw-tarief.Ontegenzeggelijk leidt het schrappen van een aanzienlijk aantal posten uithet 9%-tarief, die immers een uitzondering vormen op de hoofdregel datprestaties worden belast naar het algemene btw-tarief van 21%, tot eenvereenvoudiging van het btw-stelsel. Dat hierdoor onvermijdelijk nieuwegrensgevallen en discussiepunten ontstaan, wordt zo goed mogelijkondervangen door de toelichtende teksten die zijn opgenomen in dememorie van toelichting. Het schrappen van volledige posten in plaatsvan onderdelen daarvan draagt daar aan bij. Net als het niet introducerenvan nieuwe fiscale definities.Deze vereenvoudiging blijkt ook uit de uitvoeringstoets van de Belasting-dienst, waarin wordt aangegeven dat de maatregel uitvoerbaar is en optermijn leidt tot een structurele, personele besparing. Op termijn zal ereen nieuwe status quo worden bereikt die, doordat er in het algemeenminder uitzonderingen bestaan op de hoofdregel, minder complex is dande huidige status quo in het btw-stelsel. Afbakeningsgeschillen zijn echterniet te voorkomen. Aan de hand van de feiten en omstandigheden van hetconcrete geval is het aan de inspecteur om hierover een standpunt in tenemen dat uiteindelijk door de rechter kan worden getoetst.In het hoofdlijnenakkoord is opgenomen dat het btw-tarief voor logieswordt verhoogd, maar het verlaagde btw-tarief voor kamperen blijftbestaan. Onderzocht is of een juridisch houdbaar onderscheid is aan tebrengen tussen kamperen en logies. De juridisch meest houdbareafbakening sluit aan bij het verschil tussen het overnachten in een eigen,meegebracht onderkomen en het overnachten in een ter beschikkinggestelde verblijfsruimte. Dan valt de verhuur van een sta-plek voor eentent of caravan onder het verlaagde btw-tarief, maar de verhuur van eenplek inclusief tent of caravan niet. Een ruimere afbakening is juridischmoeilijk te onderbouwen en vergroot in aanzienlijke mate het risico opstrijd met het beginsel van fiscale neutraliteit.De leden van de fractie van D66 vragen of de regering denkt dat deverschillen in btw-behandeling voor het kamperen in een eigen tentversus het kamperen in een gehuurde tent uitvoerbaar en handhaafbaaris. Bovendien vragen de leden of de regering denkt dat deze niet tebeargumenteren verschillen in de praktijk en bij de rechter standhouden.Uit de uitvoeringstoets blijkt dat de Belastingdienst de maatregeluitvoerbaar acht. Ook bestaan duidelijke verschillen tussen het verhurenvan een sta-plek en het verhuren van logies in de vorm van «verblijfs-ruimten» op een kampeerterrein. Gelet op eerdere jurisprudentie van deHoge Raad112 is dit onderscheid juridisch goed verdedigbaar. Ook voorondernemers zal het duidelijke onderscheid zoals hiervoor benoemdweliswaar tot een zekere administratieve lastenverzwaring leiden, maarniet ingewikkeld zijn om toe te passen. Ondernemers zoals camping-houders zijn veelal ook al gewend aan het moeten hanteren van verschil-lende btw-tarieven, bijvoorbeeld als zij een winkel(tje) exploiteren offietsen verhuren.De leden van de fractie van D66 vragen naar de aannames in de bericht-geving van ABN AMRO ten aanzien van de btw-verhoging op logies en ofhet onderzoek leidt tot een bijstelling van de raming in het Belastingplan.Er is geen reden om de raming van de btw-verhoging op logies in hetBelastingplan bij te stellen naar aanleiding van de berichtgeving van ABNAMRO. In tegenstelling tot de veronderstelling van ABN AMRO is er in deraming in het Belastingplan wel degelijk rekening gehouden met zakelijke112HR 26-01-2007, ECLI:NL:HR:2007:AW2214Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26112 reizigers die hun btw in vooraftrek kunnen nemen en het feit dat vooraanvullende diensten (zoals maaltijden) het btw-tarief ongewijzigd blijft.ABN AMRO heeft de opbrengst berekend voor een veel kleinere groepdan waar de maatregel op van toepassing is, alleen hotels en pensions.Daarmee blijft de opbrengst van overige logies zoals short-stay tenonrechte buiten beschouwing.Daarnaast veronderstelt ABN AMRO dat een hoger btw-tarief kan leidentot lagere winsten van bedrijven en dus tot lagere winstbelasting.Allereerst is dit effect onzeker, omdat de winst van bedrijven afhangt vanmeerdere factoren dan uitsluitend de omzet. Ook worden deze doorwer-kingen op andere belastingsoorten standaard niet (direct) meegenomenbij het ramen van het effect van beleidsmaatregelen. Zo kan een afnamevan vraag in een sector ook leiden tot een toename van vraag in eenandere sector en daarmee hogere winsten. Daarnaast wordt ook hetmogelijke positieve effect de lastenverlichting voor werkenden enondernemers op de btw-opbrengsten niet meegenomen: deze tweedeorde-effecten lopen allemaal mee via de economische raming van hetCPB, maar niet in de raming van de beleidsmaatregel zelf. De raming is,zoals gebruikelijk, gecertificeerd door het CPB.In het door de leden van de fractie van D66 georganiseerde rondetafelge-sprek merkte de organisator van festival het Zwarte Cross op dat zij lastzouden ondervinden van grenseffecten door lagere btw-tarieven inbuurlanden. De leden vragen of de regering dat ook ziet en bereid is omdit mee te nemen in een impactanalyse. Vraag 503 De leden van de fractievan D66 maken zich eveneens zorgen over grenseffecten bij het opheffenvan meerdere posten verlaagd btw-tarief. De leden vragen of de regeringde grenseffecten kan monitoren bij het opheffen van meerdere posten inhet verlaagde btw-tarief.Er zijn meerdere factoren die bijdragen aan de keuze van een consumentom wel of niet naar een festival in Nederland te gaan ten opzichte van eenfestival in het buitenland. Het is hierdoor niet te kwantificeren wat deimpact van een btw-verhoging zal zijn op deze keuze. Wel staat vast dateen btw-verhoging mogelijk doorwerkt in de prijs van goederen endiensten, afhankelijk van de mate van doorberekening. Als gevolg hiervankunnen er grenseffecten optreden. Daar staat tegenover dat cultureleevenementen in Nederland doorgaans sterk zijn verbonden aan despecifieke regio, waardoor het niet voor de hand ligt dat een soortgelijkevenement in het buitenland voor de consument geheel vergelijkbaar is.Gelet op de omvang van de maatregel zullen de effecten van debtw-maatregelen in 2028 middels een evaluatie aan uw Kamer wordengerapporteerd. Hierin zal gekeken worden naar mate waarin de verhogingwordt doorberekend aan consumenten en daarmee het effect op de vraag.Er zal ook gekeken worden naar de mogelijkheid om grenseffecten tebetrekken in de evaluatie. Daarnaast zal er na invoering een eerste analysegedaan worden van de korte termijn impact van de btw-maatregelen.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de regering het risicobeoordeelt dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden door specifiekeuitzonderingen te maken. Deze leden merken op dat bij EU-aspecten staatdat ook het beginsel van fiscale neutraliteit in acht moet wordengenomen, waarover volgens de regering het definitieve oordeel aan deEuropese rechter is. Deze leden vragen of de regering dit actief opEuropees niveau zal nagaan of de rechtszaken afwacht.De gemaakte keuze om het verlaagde btw-tarief voor sommige goederenen diensten af te schaffen is niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel of hetfiscale neutraliteitsbeginsel. Alleen als diensten die in de ogen van degemiddelde consument gelijk of soortgelijk zijn (en daarmee als het wareonderling uitwisselbaar) voor de btw-heffing ongelijk worden behandeld,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26113 wordt aan deze beginselen getornd. Dat is hier niet het geval. Hetbezoeken van musea, muziek- en toneeluitvoeringen is voor de gemid-delde consument wezenlijk iets anders dan het bezoeken van eenbioscoop of attractiepark. Deze diensten zijn daarom niet (soort)gelijk enmogen naar een verschillend btw-tarief worden belast. De btw-richtlijnbiedt lidstaten de mogelijkheid om een keuze te maken uit de lijst vanleveringen en diensten (posten) waarop het verlaagde tarief mag wordentoegepast. Het is ook toegestaan om een keuze te maken binnen een in debtw-richtlijn opgenomen post zolang hierbij niet getornd wordt aan dezogenoemde fiscale neutraliteit. De gemaakte keuze om voor sommigediensten het verlaagde tarief af te schaffen voldoet hieraan. Uiteindelijk ishet aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om in een concretecasus hierover een oordeel te vellen. Zekerheid vooraf is daarover niet teverkrijgen in Europees verband.De leden van de fractie van de SGP hebben vragen over de btw-verhogingop logies. Zij vragen welk deel van de opbrengst ten laste komt van hetbuitenland. Daarnaast wijzen deze leden erop dat veel Mkb’ers hinderzullen ondervinden van deze verhoging, zoals groepsaccommodaties envakantiewoningen. De omzet voor deze ondernemers zal waarschijnlijkdalen. De leden vragen of de regering daar inzicht in kan geven. Daarnaastvragen deze leden hoe met deze ondernemers rekening is gehouden bijdeze maatregel.Op basis van cijfers over overnachtingen van het CBS is in de ramingaangenomen dat circa 40% van de overnachtingen in hotels en pensionsen overige recreatieve verblijven, overnachtingen van buitenlandsetoeristen betreft. Dit betekent dat het budgettair belang ten laste van hetbuitenland circa € 250 mln. betreft.Het is niet mogelijk om inzicht te geven in de effecten van debtw-maatregel voor specifieke gevallen. Dit komt doordat het effect vaneen btw-verhoging afhankelijk is van veel factoren, zoals de mate vandoorberekening in de prijzen. Het ligt in de rede dat een btw-verhoging inenige mate doorwerkt in prijzen en dit zal zich uiteindelijk kunnen vertalenin een lagere omzet. Het kabinet is zich er van bewust dat deze maatregeleen impact op de sectoren zal hebben, waarover ik mij ook heb lateninformeren door vertegenwoordigers van de betrokken sectoren.De leden van de fractie van de SGP vragen of de regering kan toelichten inhoeverre de omzet in de boekensector volgens de regering daalt doordeze maatregel en hoe de regering reflecteert op hoe dit verdere ontlezingbevordert.Het is niet mogelijk om een eenduidige inschatting te geven van het effectvan deze maatregel op de omzet van de sector. Dit effect hangt af vanmeerdere factoren, waaronder de mate van doorberekening in de prijzenvoor consumenten. Uit de evaluatie van het verlaagde btw-tarief isgeconcludeerd dat niet vastgesteld kon worden in hoeverre het verlaagdetarief doeltreffend dan wel doelmatig is in het behalen van dit specifiekebeleidsdoel. Wel stellen de onderzoekers vast dat het verlaagde btw-tariefgrotendeels terecht komt bij personen die al boeken lezen en het de vraagis of de door het verlaagde btw tarief lagere prijs leidt tot het lezen vanboeken. Omgekeerd is het ook de vraag of een hogere prijs leidt tot hetlezen van minder boeken.De leden van de fractie van de SGP vragen waarom de regering ervoorkiest om het bezoeken aan musea te ontmoedigen, te reflecteren op destapeling van lastenverzwaringen en te reflecteren op de eigen verdienca-paciteit van musea.Musea zijn niet volledig afhankelijk van publieksinkomsten maar slechtsvoor een deel. Hierdoor is het vooraf niet vast te stellen in hoeverre debtw-verhoging exact zal raken aan de verdiencapaciteit van individueleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26114 musea. Dit betekent niet dat er geen effect zal zijn. Ieder museum zal eeneigen afweging maken of de verhoogde btw wordt doorgevoerd in een(gedeeltelijk) verhoogde ticketprijs of (gedeeltelijk) wordt opgevangen inde eigen begroting. Wanneer er sprake is van het eerste geval kan deverhoogde toegangsprijs van invloed zijn op het aantal bezoekers endaarmee op het verdienvermogen van de musea. Wanneer er sprake isvan het tweede geval kan dit effect hebben op de zorg voor de CollectieNederland, omdat er minder middelen beschikbaar zijn voor het beheeren behoud ervan. De keuze om het lage tarief af te schaffen wordt nietingegeven om museumbezoek te ontmoedigen maar om gelden vrij temaken in verband met onder andere de lastenverlichtingen voorwerkenden en ondernemers.De leden van de fractie van de SGP lezen dat voor «het geven vangelegenheid tot sportbeoefening en baden» (het gelegenheid bieden aansporters om actief te sporten in of vanuit een sportaccommodatie) strakshet algemene tarief in de btw gaat gelden. De leden vragen hoe wordtomgegaan met zwembaden op attractieparken, aangezien voor attractie-parken wel het lage tarief blijft gelden. Zij vragen of zwemmen in eenzwembad op een attractiepark straks lager wordt belast dan het zwemmenin een regulier zwembad en wat daar de argumentatie voor is.Indien voor het toegang verlenen tot een zwembad op een attractieparkeen separate vergoeding moet worden betaald valt deze vergoedingstraks onder het algemene tarief. Als er apart moet worden betaald om temogen zwemmen in het zwembad van een pretpark, is dit een apartedienst, losstaand van de toegang tot het pretpark, waarvoor een anderbtw-tarief kan gelden. Als de toegang tot een pretpark inclusief detoegang tot een zwembad is, doen zich voor de btw-gevolgen daarvanmeerdere mogelijkheden voor. Ik verwijs daarvoor naar het antwoord opde vraag over musea en siertuinen, waarin ik ook verwees naar deuitspraak van het Hof van Justitie inzake «Stadion Amsterdam» van18 januari 2018.113De leden van de fractie van de SGP vragen of ook zwemlessen voortaanonder het algemene btw-tarief van 21 procent vallen en zo ja, wat daarvande impact is op gezinnen. De leden vragen ook of het volgen vanzwemlessen volgens de regering niet tot de basisbehoeften behoort.Daarnaast wijzen de leden op de grote nadelige gevolgen van hetontmoedigen van sport op de volksgezondheid. Zij vragen of de regeringdaarop kan reflecteren en of de opbrengsten van de tariefsverhogingvolgens de regering opwegen tegen de grote nadelige consequenties.De btw-verhoging op het gelegenheid geven tot sportbeoefening raaktook het geven van zwemlessen door winst-beogende ondernemers(zwemverenigingen die zwemlessen geven aan hun leden zijn – en blijven– vrijgesteld van btw onder de sportvrijstelling). De btw-verhoging heeftalleen effect op de diensten die niet-winstbeogende sportverenigingenaan hun leden aanbieden indien en voor zover zij btw-belast sportaccom-modaties inhuren. Het is hierdoor ook niet vast te stellen wat de impactgaat zijn voor specifieke gezinnen omdat dit afhankelijk is van de matevan doorberekening en waar zwemles gevolgd wordt en welk btw-regimevan kracht is. Het is van groot belang dat ieder kind de kans krijgt om teleren zwemmen. Als blijkt dat zwemles te duur is voor kinderen uitgezinnen die het niet kunnen betalen, dan kunnen zij onder andereondersteuning ontvangen van het Jeugdfonds Sport en Cultuur omzwemles te volgen. Het is niet mogelijk om antwoord te geven op devraag wat de verwachte gevolgen van de btw-verhoging op het gebiedvan sport- en beweegdeelname zullen zijn. Dit komt omdat de sport- enbeweegsector heel breed is en de betreffende verhoging niet overal in zijn113HvJ 18 januari 2018, ECLI:EU:C:2018:22.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26115 geheel zal landen. De verhoging heeft bijvoorbeeld geen betrekking opniet-winstbeogende sportverenigingen en het individueel sporten in deopenbare ruimte.Vraag 398 De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen ook naar demaatschappelijke en economische betekenis van groepsaccommodaties,die een betaalbare en laagdrempelige vakantiemogelijkheid bieden voorgezinnen met een lager inkomen. De leden vragen of de regeringoverwogen heeft jeugdherbergen, vakantiekampen en groepsaccommo-daties (SBI-code 55.20.2) toe te voegen aan onderdeel b, post 10, van tabelI behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (het geven vangelegenheid tot kamperen binnen het kader van het kamp- en vakantiebe-stedingsbedrijf aan personen die daar slechts voor een korte periodeverblijf houden) en zo niet, of de regering voornemens is dergelijkegroepsaccommodaties op andere manieren tegemoet te komen.De btw-richtlijn biedt niet de mogelijkheid om het verstrekken van logiesin de vorm van groepsaccommodaties te kwalificeren als het gelegenheidgeven tot kamperen (en daarmee onder het verlaagde tarief te latenvallen). Ook het beginsel van de fiscale neutraliteit verzet zich daartegen.Bij de gevolgen voor de regeldruk lezen de leden van de fractie van deVVD bij de maatregel btw-aftrek herziening op onroerende investerings-diensten dat het oordeel van het adviescollege Toetsing Regeldruk luidt:niet indienen, tenzij. Zij vragen daarom of het kabinet de maatregel heeftaangepast volgend op dit dictum.Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) adviseert met name om teonderbouwen waarom niet wordt gekozen voor een minder belastendalternatief waarbij de maatregel wordt beperkt tot vastgoed dat direct nade investering wordt gebruikt voor kortdurende verhuur (short stay). Eendergelijke beperking zou de maatregel in de uitvoering ernstig compli-ceren en de effectiviteit ervan aanzienlijk inperken. In dat geval zouvoorafgaand aan de verbouwing al vast moeten staan dat het vastgoedaangewend zal worden voor short stay. Als dat aanvankelijk niet de opzetis (of als dat niet kan worden aangetoond), maar dat eerst na deverbouwing komt vast te staan, zou de herzieningsmaatregel terugwer-kende kracht moeten hebben. Die terugwerkende kracht zou de uitvoer-baarheid van de maatregel voor het bedrijfsleven sterk negatiefbeïnvloeden. Bovendien voorziet de btw-richtlijn hier niet in.De maatregel beoogt verder een gelijk speelveld te creëren tussenondernemers die vastgoed exploiteren dat zowel btw-belast als vanbtw-vrijgesteld wordt gebruikt. Dat effect wordt maar deels bereikt als demaatregel wordt beperkt tot vastgoed dat voor short stay wordtaangewend. Daarnaast is binnen de regels van de btw-richtlijn niet teonderbouwen waarom een verbouwing ten behoeve van short stay welals investeringsgoed kwalificeert (waarop herziening mogelijk is), maareen even omvangrijke/kostbare verbouwing (of zelfs een overtreffendetrap daarvan) voor ander gebruik niet. Het is ook passend in de syste-matiek van de btw en het beginsel van de fiscale neutraliteit om eendienst die een onroerende zaak meerjarig dient te volgen en de btw-aftrekte laten aansluiten bij het daadwerkelijke gebruik van die dienst.Overigens treft de voorgestelde herzieningsregeling feitelijk met nameondernemers die het betreffende vastgoed in de eerste vijf jaar naingebruikname van de dienst afwisselend voor zowel btw-belaste als voorbtw-vrijgestelde handelingen aanwenden. In alle andere gevallen waarindit niet zo is volstaat een eenmalige vastlegging van de verbouwings-dienst. Op deze gronden is besloten om het advies van het ATR niet aan tegrijpen om het voorstel aan te passen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26116 28. Beëindigen specifieke tarieftabel in de bpm voor PHEV’s De leden van de fractie van D66 vragen om een reflectie op de stijgendepopulariteit van hybride auto’s, zoals recent gerapporteerd door deBOVAG, welke impact dit heeft op de ingroei van volledig elektrischevoertuigen en hoe de total cost of ownership (TCO) van hybridevoertuigen zich verhoudt tot elektrische voertuigen (EV).Het kabinet is van mening dat plug-in hybride auto’s (PHEV) enerzijds eenopstap kunnen vormen naar volledig elektrische auto’s. Anderzijds geldtdat de bijdrage van plug-in hybride auto’s aan de CO2-reductie veelbeperkter is dan die van EV. Daarom kiest het kabinet ervoor om dekorting in de mrb alleen voor EV voort te zetten en niet ook voor PHEV’s.Hybride auto’s zonder stekker, te weten een mild hybride (MHEV) of fullhybride (HEV), zijn wat zuiniger dan een enkel met fossiele brandstoffenaangedreven auto en stoten daarmee ook wat minder CO2 uit, maar zijn inde ogen van het kabinet geen opstap naar EV. De stijgende verkoop vanhybridevoertuigen, in welke vorm dan ook, kan op korte termijn deovergang naar volledig elektrische voertuigen vertragen, aangezienconsumenten mogelijk langer vasthouden aan hybride technologievoordat ze overschakelen op EV.Wat betreft de TCO geldt dat de brandstof- en onderhoudskosten van EVdoorgaans gunstiger zijn dan van fossiele en hybride auto’s. De aanschaf-prijs van EV is nu vaak hoger dan van fossiele en hybride auto’s, maar ditverschil daalt en slaat naar verwachting op termijn zelfs om. Het kabinetmerkt hierbij op dat in het Belastingplan 2025 voor EV in de motorrijtui-genbelasting van 2026 tot 2030 is voorzien in een tariefkorting van 25%,waardoor de TCO voor EV gunstiger wordt dan zonder die maatregel. Debpm voor een EV is veel lager dan voor een fossiele of (plug in) hybrideauto.De leden van de fractie van het CDA vragen naar de plannen van hetkabinet op het gebied van de grondslagerosie van de mrb en hoe hetkabinet van plan is dit aan te pakken zonder dat elektrische rijdersonevenredig de rekening betalen.De komende decennia zal het Nederlandse wagenpark bestaan uit zowelelektrische als brandstofauto’s. Het is belangrijk dat de lasten eerlijkworden verdeeld over beide groepen om autorijden betaalbaar te houden,terwijl de elektrische auto voldoende wordt ondersteund om de klimaat-en energiedoelen, evenals de stikstofreductie, te behalen. Met de toenamevan elektrische voertuigen zullen de inkomsten uit autobelastingen echterper saldo afnemen: de opbrengst van de brandstofaccijns en bpm (tariefgebaseerd op CO2-uitstoot) nemen af, de opbrengst uit de motorrijtuigen-belasting neemt door het meergewicht van elektrische auto’s toe. Van deelektrische rijder wordt een eerlijke bijdrage gevraagd. Hierbij moet debereikbaarheid in Nederland op orde blijven. Zoals in het regeerpro-gramma is aangekondigd, zal het kabinet daarom in het eerste kwartaalvan 2025 een plan presenteren voor de hervorming van de autobelas-tingen en het aanpalende mobiliteitsbeleid. Dit plan zal verschillendeopties bevatten om een toekomstbestendige balans te vinden tussen hethalen van de klimaatdoelen, het op peil houden van de overheidsfi-nanciën, het betaalbaar houden van automobiliteit en de bereikbaarheid.Hierbij zal rekening worden gehouden met de afspraken over dehervorming van de autobelastingen en de CO2-reductiedoelen zoalsvastgelegd in het Nederlands Herstel- en Veerkrachtplan (HVP).De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de handhaving vande PHEV-maatregel incidenteel 4,3 miljoen euro kost en hiervoor 36 ftenodig zijn. Ook vragen deze leden waarom de vereenvoudiging structureelniet tot een vermindering van de uitvoeringskosten en fte zal leiden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26117 De incidentele kosten en benodigde tijdelijke fte ontstaan door denoodzakelijke systeemaanpassingen en extra handhavingsinspanningenin de overgangsperiode, waarin voertuigen met een oude en een nieuwetypegoedkeuring naast elkaar bestaan. De verwachting is dat in dezeovergangsperiode een toestroom aan bezwaar- en beroepsproceduresplaatsvindt. Dergelijke toestroom heeft namelijk ook plaatsgevonden bijde overgang naar een nieuwe CO2 meetmethode in de BPM (van NEDCnaar WLTP). Deze procedures worden in de BPM vaak gestart medevanwege de proceskostenvergoedingen en immateriële schadevergoe-dingen. Teneinde hierop goed voorbereid te zijn, is voor de komende driejaren tijdelijk 36 fte, te weten 12 fte per jaar, gereserveerd. Na het eerstejaar wordt geëvalueerd of er daadwerkelijk 12 fte nodig is. Blijkt dit niethet geval dan wordt het aantal fte herijkt.Het voorstel leidt niet tot een vermindering van de structurele uitvoerings-kosten. Op dit moment vindt het vaststellen van de verschuldigdebelastingen geautomatiseerd plaats op basis van de basisregistratie vande RDW en de systemen van de Belastingdienst. Na de overgangsperiodeblijft dat het geval. Van een besparing is daarom geen sprake.29. Tariefkorting in de motorrijtuigenbelasting voor emissievrijepersonenauto’s De leden van de fractie van de SGP vragen of de vergroening van hetwagenpark niet wordt vertraagd, nu de belasting voor PHEV’s vermoe-delijk zal stijgen en de prikkel om een PHEV te kopen zal verminderen.Door aanpassing van de Europese testmethode voor het vaststellen vande CO2-uitstoot van plug-in hybrides (PHEV), komt de geteste CO2-uitstootdichterbij de werkelijke uitstoot in de praktijk te liggen. Hierdoor is er geenreden meer om in de bpm een aparte tarieftabel voor PHEV’s te hanterenom het grote verschil tussen de geteste CO2-uitstoot en de werkelijkeCO2-uitstoot in de praktijk te corrigeren. Vanaf 2025 vallen PHEV’s daaromin de bpm onder dezelfde tarieftabel als benzineauto’s. Zonder dezeaanpassing zou de bpm voor PHEV sterk toenemen. Deze aanpassingenzorgen ervoor dat de bpm voor PHEV’s grosso modo vergelijkbaar wordtmet de bpm voor fossiele auto’s. Aan de CO2-uitstoot in de praktijk vanPHEV’s verandert de maatregel niks. Een volledig emissievrije perso-nenauto heeft geen CO2-uitstoot, waardoor de aanschaf van deze auto’sfiscaal relatief aantrekkelijker blijft dan een plug-in hybride. De maatregelheeft daarom geen negatief effect op de vergroening van het wagenpark.De leden van de fractie van de SGP vragen waarom het kabinet ervoorkiest om de tariefkorting in de motorrijtuigenbelasting vanaf 2030 te latenvervallen en of hierdoor niet een incidentele oplossing voor een struc-tureel probleem ontstaat. De leden van de fractie van D66 vragen of hetkabinet een evaluatie van de gewichtskorting per 2028 niet te laat vindt.De nieuwe tariefkorting in de motorrijtuigenbelasting is een fiscaleregeling. Bij nieuwe fiscale regelingen is het gebruikelijk om eenhorizonbepaling in de wet op te nemen. Oorspronkelijk was het kabinetvoornemens om de tariefkorting na 2030 te laten aflopen. Vanwege dehogere budgettaire derving dan in het voorjaar verwacht, heeft hetkabinet besloten om de tariefkorting te versoberen naar 25% en een jaareerder te eindigen. In 2028 is een periodieke evaluatie van de fiscaleregelingen in het autodomein opgenomen in de Strategische EvaluatieAgenda. Hierbij betrekt het kabinet ook de evaluatie van de tariefkorting inde motorrijtuigenbelasting. Er wordt dan geëvalueerd hoe de tariefkortinguitwerkt voor de verschillende autosegmenten en hoe het meergewichtvan elektrische auto’s zich ontwikkelt. De markt voor elektrische auto’sontwikkelt zich immers snel en het is geen vanzelfsprekendheid datelektrische auto’s altijd (en in dezelfde mate) zwaarder zullen blijven danvergelijkbare benzineauto’s. In aanvulling op de evaluatie in 2028, weegtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26118 het kabinet in het voorjaar van 2025 nog eens of de hoogte van detariefkorting voldoende is.De leden van de fracties van GroenLinks en PvdA vragen of het kabinethet ermee eens is dat het verstandiger is om toe te groeien naar eenverbod op auto’s met verbrandingsmotoren en te voorkomen datfabrikanten in de jaren daarvoor hun elektrische auto’s niet verkochtkrijgen. Daarnaast vragen deze leden hoe het kabinet de meest recentecijfers over de verkoop van elektrische auto’s weegt, waaruit blijkt dat deverkoop daarvan nog maar beperkt groeit terwijl hybride auto’s juist ergpopulair zijn. Het kabinet is voorstander van Europese CO2-normeringvoor voertuigfabrikanten, waarbij voor autofabrikanten steeds strengereeisen ten aanzien van de CO2-emissies voor nieuwe auto’s gelden envanaf 2035 alle nieuwe auto’s emissievrij moeten zijn. In de onderhande-lingen over aanscherping van de Europese vlootnormering (in het kadervan het Fit fot 55 pakket), heeft Nederland ervoor gepleit om per 2030 eenverbod op de verkoop van nieuwe fossiele brandstofauto’s in te voeren.Hiervoor bleek in Europa onvoldoende draagvlak. Een nationaal wettelijkverbod op de verkoop van (nieuwe) fossiele brandstofauto’s is vanwegeregelgeving rondom de Europese interne markt, juridisch niet mogelijk.De recente opkomst van hybride voertuigen (mild hybride (MHEV), fullhybride (HEV) of plug-in hybride (PHEV)) gaat momenteel vooral ten kostevan het diesel en benzine-aangedreven deel. De ingroei van emissievrijeauto’s in het wagenpark neemt nog toe, maar vlakt wel af. De transitienaar een emissievrij wagenpark blijft een belangrijk onderdeel om deafgesproken klimaatdoelen te halen. In dat licht zijn de recente signalenover een stagnatie in de markt voor emissievrije personenauto’s zorgelijk,maar een nadere analyse is nodig om dit goed te kunnen duiden. Hetkabinet heeft in het Regeerprogramma aangekondigd in het voorjaar van2025 met een plan voor een hervorming van de autobelastingen en hetaanpalende mobiliteitsbeleid te komen. In dit plan neemt het kabinet ookmee hoe de klimaatdoelen in de mobiliteitssector kunnen wordengerealiseerd.De leden van de fracties van GroenLinks en PvdA vragen of het kabinetkan toelichten in hoeverre 25 procent tariefkorting voldoende is alscorrectie voor het feit dat elektrische auto’s zwaarder zijn dan benzine-auto’s. Deze leden vragen of het verschil volledig is weggenomen of datelektrische auto’s alsnog duurder zijn in de mrb. De leden van de fractievan het CDA vragen of het kabinet het wenselijk acht als in specifiekegewichtsklassen het gebruik van een elektrische auto duurder is dan hetgebruik van een benzineauto. Daarnaast vragen deze leden wat dit doetmet de ambities van de regering op het gebied van verduurzaming engroene groei. Ook de leden van de fractie van D66 vragen meer informatieover de impact van de versoberde gewichtskorting op de ingroei van EV’s.Ook vragen deze leden of het kabinet vasthoudt aan de doelstelling van100 procent EV nieuwverkopen en of dit nog haalbaar is. Daarnaastvragen de leden van de fractie van D66 of het kabinet het rechtvaardigvindt dat de overheid eerst elektrisch auto’s heeft gestimuleerd metsubsidies en fiscale voordelen, om vervolgens deze rijders te verrassenmet kostenstijgingen. Deze leden vragen tot slot of het kabinet hetrechtvaardig en verstandig beleid vindt dat EV’s fiscaal ongunstigeruitkomen dan fossiele voertuigen. De leden van de fracties van Groen-Links en PvdA zijn benieuwd of de voorgestelde tariefkorting voldoende isom de verkoop van elektrische auto’s ten opzichte van benzineauto’s testimuleren, en om te voorkomen dat deze slechts beperkt toeneemt totdatauto’s met verbrandingsmotoren verboden zijn. De leden van de fractievan de SGP wijzen op het feit dat ook met tariefkorting emissievrijepersonenauto’s nog steeds meer mrb betalen dan een vergelijkbarebenzineauto en vragen of dit niet andersom zou moeten zijn. Tot slotTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26119 vragen ook de leden van de fractie van de ChristenUnie of het kabinet kanduiden welke gevolgen deze aanpassing heeft voor de betaalbaarheid vanelektrisch rijden en de voortgang van de energietransitie.Het kabinet wil graag benadrukken dat zonder aanpassing van het beleid,elektrische personenauto’s vanaf 2026 in de motorrijtuigenbelasting veelmeer belasting zouden gaan betalen dan een vergelijkbare benzineauto,vanwege het gemiddelde meergewicht van de accupakketten. Het kabinethoudt vast aan de bestaande klimaatdoelen en de ingroei van elektrischeauto’s is een belangrijk onderdeel om dit te bereiken. Om stagnatie van deingroei van emissievrije personenauto’s te voorkomen, heeft het kabineter daarom voor gekozen om voor de periode 2026 tot en met 2029 eennieuwe, beperkte tariefkorting te introduceren van 25%. Hiermee wordtdeels gecompenseerd voor het technisch meergewicht van een emissie-vrije personenauto’s ten opzichte van een vergelijkbare benzineauto, maarniet helemaal. De exacte meerkosten met tariefkorting van 25%verschillen per automodel. Het hangt onder andere af van het de omvangvan het accupakket (omvang meergewicht), of een automodel net wel ofnet niet gunstig valt in de tarieftabel van de motorrijtuigenbelasting, en inwelk segment het automodel valt (het percentage pakt relatief gunstig uitvoor auto’s in D en E segmenten). De meerkosten in de mrb bedragen naverrekening van de tariefkorting, doorgaans tussen de 40 tot 180 euro perjaar. Hier staat tegenover dat de onderhouds- en brandstofkosten van eenemissievrije auto veel lager liggen dan van een vergelijkbare benzineauto.Ook wordt er over de aanschaf van nieuwe personenauto’s bpm geheven,op basis van CO2-uitstoot, die voor emissievrije auto’s veel lager ligt danvoor benzineauto’s. Het Planbureau voor de Leefomgeving publiceert eindoktober een nieuwe Klimaat- en Energieverkenning, met ook een nieuweraming van het aantal elektrische auto’s en de ontwikkeling van debroeikasgasemissies in de mobiliteitssector. De versoberde tariefkorting inde motorrijtuigenbelasting is hierin meegenomen. Indien de nationaleklimaatdoelen niet worden gehaald, dan zal het kabinet in het voorjaarvan 2025 met alternatief klimaatbeleid komen. Daarnaast zal het kabinet inhet voorjaar de hoogte van de tariefkorting nog een keer wegen.De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA vragen hoe het kabinet dewijziging aan de voorgestelde tariefkorting in de motorrijtuigenbelastingziet in het licht van betrouwbaar bestuur en het bieden van voorspel-baarheid aan burgers en bedrijven. Deze leden vragen voorts of hetkabinet het ermee eens is dat niet de budgettaire reeks, maar dedoelstelling leidend zou moeten zijn bij het vormgeven van een dergelijkemaatregel. Ook de leden van de fractie van de SGP vragen of hetaanpassen van de tariefkorting in de motorrijtuigenbelasting niet afbreukdoet aan de betrouwbaarheid van de overheid. Deze leden vragen tot slotook, hoe rekening is gehouden met ondernemers en particulieren die opbasis van de hogere korting keuzes voor volgend jaar hebben gemaakt.Het kabinet erkent dat de wijziging aan de voorgestelde tariefkorting in demotorrijtuigenbelasting niet bijdraagt aan voorspelbaar beleid voorburgers en bedrijven en aan betrouwbaar bestuur. Tegelijkertijd is hetkabinet er ook verantwoordelijk voor dat de overheidsfinanciën op ordeblijven. Dit hoort ook bij goed en betrouwbaar bestuur. De doelstellingvan verduurzaming is belangrijk, maar moet worden afgewogen tegen dehaalbaarheid binnen de begroting. De begrotingsregels schrijven voor datbij indiening van het wetsvoorstel de budgettaire derving eenmalig moetworden herijkt op basis van de dan meest actuele inzichten. Uit dezebudgettaire herijking bleek dat de oorspronkelijk voorgenomen tarief-korting veel duurder was dan geraamd in de Voorjaarsnota 2024. Hetkabinet achtte het niet wenselijk om dit op te lossen door de lasten voorandere burgers en bedrijven te verhogen en heeft er daarom voorgekozen om de tariefkorting te versoberen. Hoewel lager dan eerderaangekondigd, wordt hiermee nog steeds deels gecompenseerd voor hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26120 technisch meergewicht van een emissievrije personenauto. Bijvoorjaarsnota 2025 zal de hoogte van de tariefkorting opnieuw wordengewogen.De leden van de fractie van NSC vragen of het klopt dat de versoberdetariefkorting is bedoeld om een tegenvaller te compenseren van eenrekenfout van het vorige kabinet, dat geen rekening hield met het gewichtvan elektrische auto’s. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnievragen of bij de ‘rekenfout’ niet ten onrechte is uitgegaan van een gelijkgewicht tussen de fossiele en emissievrije auto’s waartussen wordtgesubstitueerd.Conform de begrotingsregels is de budgettaire derving van de nieuwetariefkorting in de motorrijtuigenbelasting deze zomer eenmalig herijktvoorafgaand aan indiening van het wetsvoorstel. Zowel in het voorjaar alsdeze zomer is voor het opstellen van de budgettaire raming gebruikgemaakt van een nieuw wagenparkmodel dat in opdracht van hetPlanbureau voor de Leefomgeving en Rijkswaterstaat is ontwikkeld,namelijk het Strategisch Personenauto Rekenkader (SPARK)). Uit debudgettaire herijking in de zomer bleek dat de budgettaire derving van debeoogde tariefkorting cumulatief 1,5 miljard euro hoger was dan verwacht(inclusief opcenten, voor de periode 2025 – 2030). Dit heeft twee oorzaken.Ten eerste is in de raming in de zomer uitgegaan van de meest actueleinzichten ten aanzien van de ingroei van elektrische auto’s in hetwagenpark, mede op basis van realisaties tot medio 2024. In de nieuweraming is een hoger aantal elektrische auto’s in het wagenpark aange-nomen, waardoor de budgettaire derving van de tariefkorting hogeruitvalt. Daarnaast werd in het gebruikte model niet goed rekeninggehouden met het technisch meergewicht van elektrische auto’s. Hoewelhet model goed rekening hield met het meergewicht in de volumedoorre-kening, zat er een omissie in de financiële uitkomsten. Hiervoor moesthandmatig worden gecorrigeerd en dat is bij de meest recente ramingengedaan. Deze ramingen zijn uiteindelijk door het Centraal Planbureaugecertificeerd en worden redelijk en neutraal geacht. Door het toepassenvan de handmatige correctie en de lastig in te schatten gedragsontwik-keling in het wagenpark, beoordeelt het Centraal Plan Bureau deonzekerheid als hoog.De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet kan toelichtenhoeveel budget er voor de subsidie tweedehands emissievrije personen-auto’s (SEPP) beschikbaar blijft in de jaren tot 2030 en of het budgetvolledig wordt benut. Het kabinet heeft ervoor gekozen om hetbeschikbare budget voor de SEPP in de periode 2025–2029 volledig in tezetten als dekking voor de nieuwe tariefkorting in de motorrijtuigenbe-lasting voor emissievrije personenauto’s. Dit betekent dat de SEPP na ditjaar vervalt.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet heeftoverwogen om de tariefkorting in stand te laten en dit te dekken door eenevenredige verhoging van alle mrb-tarieven. Deze leden vragen waaromhiervoor niet is gekozen. Het kabinet heeft in de besluitvorming over debegroting breed gewogen hoe de budgettaire overschrijding van devoorgenomen tariefkorting in de motorijtuigenbelasting voor emissievrijepersonenauto’s moest worden gedekt. Een generieke verhoging van hettarief van de motorrijtuigenbelasting achtte het kabinet niet wenselijk,omdat fossiele rijders dan zouden betalen voor de hogere budgettairederving die volgde uit de herijking van de korting in de motorrijtuigenbe-lasting voor emissievrije auto’s. Het kabinet heeft er daarom voor gekozenom de tariefkorting te versoberen naar 25%. Hiermee wordt nog steedsdeels gecompenseerd voor de meerkosten in de motorrijtuigenbelastingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26121 voor een emissievrije auto ten opzichte van een vergelijkbare benzi-neauto.De leden van de fractie van D66 vragen waarom er in de berekening voorgrondslagerosie geen correctie plaatsvindt voor het gewicht van debatterij van een elektrische auto. Deze leden vragen voorts of het niet eenonjuiste aanname is om ervan uit te gaan dat bij substitutie tussenfossiele en emissievrije auto’s sprake is van een gelijk gewicht. Deveronderstelling van de leden van de fractie van D66 is onjuist. In deberekeningen van de grondslagerosie in de autobelastingen neemt hetkabinet mee dat emissievrije auto’s door het accupakket een hogergewicht hebben dan vergelijkbare fossiele brandstofauto’s. Zondertariefkorting betalen emissievrije auto’s hierdoor meer motorrijtuigenbe-lasting dan een vergelijkbare benzineauto. In het basispad nemen deoverheidsinkomsten uit de motorrijtuigenbelasting daarom toe. Hier staattegenover dat de ingroei van emissievrije auto’s leidt tot lagere belasting-inkomsten uit de brandstofaccijns en bpm. Per saldo is er hierdoor sprakevan grondslagerosie in de autobelastingen en nemen de overheidsin-komsten uit deze belastingen af.De leden de fractie van D66 zijn benieuwd naar wat het effect is van hetvervallen van de EB-verlaging op de uitrol van laadinfra en deNAL-doelen. Daarnaast vragen deze leden of er op een andere maniergezorgd wordt voor een impuls voor laadinfra. In het onderzoek «Hande-lingskader voor een landelijk dekkend netwerk van laadinfrastructuur»114is geconstateerd dat een eventuele energiebelastingkorting niet bijdraagtaan de totstandkoming van een landelijk dekkend laadnetwerk doordat hetinstrument geen onderscheid maakt tussen laadpunten met hoog gebruiken met laag gebruik. Een eventuele korting draagt vooral bij aan derealisatie van laadpunten met een (verwacht) hoog verbruik. Doel van deNationale Agenda Laadinfrastructuur is om in 2025 een landelijk dekkendlaadnetwerk voor personenvoertuigen te hebben. Met de decentraleoverheden zijn afspraken gemaakt over de realisatie van dit doel115,hiervoor zijn middelen beschikbaar gesteld vanuit het Klimaatfonds om deonrendabele top weg te nemen.30. Introductie AVI-correctiefactor De leden van de fractie van D66 vragen of de regering maatregelen treftom te voorkomen dat verbrandingscapaciteit wordt opgevuld met importvan afval. Door de introductie van de AVI-correctiefactor in de CO2-heffingindustrie krijgen AVI’s minder dispensatierechten toegewezen. Hierdoorstijgen de kosten voor de verbranding van fossiel afval. Dit geldt ook voorgeïmporteerd afval. De maatregel zal hierdoor een beperkende invloedhebben op import van afval. In hoeverre de import van afval daadwer-kelijk zal verminderen is mede afhankelijk van andere factoren, zoals deenergieprijs. De ontwikkeling van afvalimport naar Nederlandse AVI’swordt gemonitord door Rijkswaterstaat en jaarlijks gepubliceerd.Daarnaast hebben de leden van de fractie van D66 gevraagd hoe deregering invulling gaat geven aan het verder reduceren van de geprogno-tiseerde restemissie van AVI’s in 2030. De regering heeft de restemissiesgeraamd op 1,5 Mton CO2. Dit ligt boven het restemissiedoel in 2030 van0,6 Mton CO2. Eind oktober publiceert PLB in de Klimaat- en Energiever-kenning een integrale doorrekening van de ontwikkeling van de broeikas-gasemissies in Nederland. Indien blijkt dat Nederland de afgesproken114https://www.agendalaadinfrastructuur.nl/ondersteuning+gemeenten/documenten+en+links/documenten+in+bibliotheek/handlerdownloadfiles.ashx?idnv=2051549115https://open.overheid.nl/documenten/ronl-dafbd3aad0f44e10eaf50fac9655c93c7ebc1bc6/pdf(rijksoverheid.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26122 klimaatdoelen niet gaat halen, zal het kabinet in het voorjaar besluitenover aanvullend beleid.De leden van de fractie van het CDA hebben de regering gevraagd om temotiveren waarom een forse aanscherping van de CO2-heffing industrievoor AVI’s nodig is en of het klopt dat een CO2-reductie van 80% eenrealistische en haalbare opgave is. Het restemissiedoel van AVI’s in 2030ligt op 0,6 Mton fossiele CO2. Dit een reductie van 2,2 Mton CO2 tenopzichte van de 2,79 Mton CO2 aan fossiele CO2-emissies van AVI’sgedurende het eerste jaar van de CO2-heffing industrie. Dit is eenreductieopgave van bijna 80%. Daar moet bij worden opgemerkt dat hetkabinet verwacht dat emissies in het basispad zullen dalen. Het kabinetverwacht op basis van ramingen van PBL en TNO dat exclusief het effectvan CCS en veranderingen in import de 2030-emissies reeds dalen tot 2tot 2,5 Mton CO2 als gevolg van het circulair beleid.Het kabinet verwacht evenwel op basis van het huidige beleid dat AVI’smeer restemissies zullen hebben dan het restemissiedoel van 0,6 MtonCO2.Van eventuele niet-gereduceerde emissies kunnen AVI’s de kostenafwentelen (of absorberen) via onder andere de poorttarieven. Het risico-op weglek is hierdoor beperkt. Tegelijkertijd maakt de maatregel deprijsprikkel van de CO2-heffing industrie effectiever door een lagere vrijevoet, omdat investeringen in emissiereductie minder afhangen van demarktwaarde van overtollige dispensatierechten. Ook wordt de prikkelversterkt om minder afval te importeren en met uitsortering te voorkomendat fossiel afval wordt verbrand.Een minder scherpe maatvoering van de maatregel zou doelbereikdaardoor verder beperken. Dat is onwenselijk, gelet op dat de maatregelten behoeve van doelbereik voor de klimaatwet tot doel heeft om 1 MtonCO2 emissiereductie te realiseren, en dat dit doel met het huidige beleidnog niet binnen bereik is.De leden van de fractie van het CDA hebben daarnaast gevraagd waaromde regering kiest voor een aanscherping van de CO2-heffing industrie voorAVI’s, terwijl de Europese Commissie de intentie heeft om AVI’s vanaf2028 onder het EU-ETS te plaatsen. De maatregel biedt AVI’s een stabielen voorspelbaar minimumprijspad voor de CO2-prijs. Onzekerheid overETS-prijs wordt hierdoor weggenomen.AVI’s zijn reeds onderdeel van de CO2-heffing industrie en het daarvoorgeldende tariefpad. AVI’s zouden bij opname in EU ETS in specifiekesituaties in aanmerking kunnen komen voor enige toewijzing van gratisETS-rechten. Deze toewijzing van gratis rechten is naar verwachtingbeperkt vanwege de snel dalende warmtebenchmark en het feit dat destadverwarmingsbenchmark aanzienlijk of volledig wordt gekort wanneerhet warmtegebruik niet koolstoflekkagegevoelig is. De aanscherping vande vrije voet van de dispensatierechten is redelijk in lijn met deze beperktetoewijzing van gratis rechten onder het EU ETS.De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de regering niet heeftgewacht op de uitkomst van de verkennende gesprekken met AVI’s overmaatwerkafspraken en of deze maatregel tijdens de gesprekken isbesproken. Het maken van voldoende voortgang met het ophogen van deCO2-heffing industrie voor AVI’s is als één van de voorwaarde gesteldvoor toekenning van middelen uit het Klimaatfonds, zoals terug te vindenis in het met uw Kamer gedeelde Meerjarenprogramma Klimaatfonds. Demaatregel is ook aangekondigd in het pakket van maatregelen in deVoorjaarsnota’s van 2023 en 2024. In april van dit jaar hebben deverkennende gesprekken plaatsgevonden naar de kansrijkheid en demaatschappelijke meerwaarde van het maken van maatwerkafsprakenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26123 met AVI’s. In het najaar wordt besloten over het al dan niet opstarten vanmaatwerkafspraken met AVI’s.De leden van de fractie van het CDA hebben gevraagd wat deaanscherping van de CO2-heffing industrie betekent voor geplandeinvestering in CO2-afvang. De maatregel heeft een positieve effect op debusiness case van CCS-plannen van AVI’s. Het is aan de bedrijven om eenafweging te maken over welke maatregelen te nemen om te komen totdoelbereik, waaronder de keuze voor opschaling van CCS. Het kabinetverwacht dat de maatregel doelbereik juist ten goede komt en ook nogdoorwerking heeft in de jaren na 2030. Het kabinet benadrukt tot slot datemissiereductie ook kan worden gerealiseerd met betere uitsortering vanafval en verminderde import van afval met een relatief hoge fossieleemissiefactor.De leden van de fractie van het CDA hebben berekend dat de maatregelnaar verwachting leidt tot een lastenverzwaring van huishoudens van 45euro per ton huishoudelijk restafval en of de regering hiermee rekeningheeft gehouden bij de berekende koopkrachtplaatjes. Deze berekening lijktte zijn gebaseerd op emissiefactoren van huishoudelijk restafval. Dieberekening lijkt te veronderstellen dat er tussen nu en 2030 nietsverandert aan de samenstelling van huishoudelijk restafval, en dat AVI’sniet investeren in nascheiding of CCS. Dat is een conservatieve veronder-stelling. Ook lijkt onterecht te worden verondersteld dat AVI’s helemaalgeen dispensatierechten meer ontvangen.Het kabinet verwacht dat andere maatregelen gericht op een circulaireeconomie leiden tot autonoom doelbereik. Dit wordt onder anderegedreven door regelingen voor Uitgebreide Producenten Verantwoorde-lijkheid, de EU-verordening inzake duurzaam ontwerp, de EU-richtlijnbetreffende verpakking en verpakkingsafval en de EU-richtlijn gericht opwegwerpplastics.Aanvullend beperkt het kabinet lastenstijgingen door emissiereductie tefaciliteren door middel van stimulerend instrumentarium. Deze maatre-gelen dekken een deel van de kosten van emissiereductie en moetentevens leiden tot kostenreductie en bredere toepasbaarheid vanemissiereductie-opties. Zo wordt meer CO2-heffing vermeden, en deondersteuning beperkt of dekt meerkosten van emissiereductie-investeringen. Dit beperkt de kostenafwenteling.Bedrijven worden ondersteund met de DEI+ voor demonstratie vaninnovatieve inzameling, sortering, hergebruik en recycling, deVEKI-regeling voor investeringssteun voor investeringen met een te langeterugverdientijd, het Circulair Plastics programma van het NationaalGroeifonds om plastic kringlopen te sluiten met programma’s gericht oppilots en demonstratie en tot slot Klimaatfondsmiddelen voorhoogwaardige circulaire afvalverwerking, maatwerkafspraken met AVI’sen middelen voor opschaling van innovatieve thermochemische conver-sietechnologie zoals vergassing en pyrolyse.Het aanscherpen van de AVI-correctiefactor betekent een lastenverzwaringvan € 30 miljoen in 2027, oplopend tot € 60 miljoen in 2030. De lasten-stijging kan via poorttarieven worden doorberekend aan gemeenten enzakelijke ontdoeners van afval. Gemeenten kunnen de kosten voor afvaldekken vanuit de afvalstoffenheffing. De meeste gemeenten hanteren eenbeleid van 100% kostendekkendheid. Gemeenten ramen in hun begrotingvoor 2024 circa € 2,5 miljard aan kosten voor afvalverwerking. Delastenstijging voor huishoudens als gevolg van aanscherping van de AVIreductiefactor is derhalve waarschijnlijk beperkt.In de koopkrachtplaatjes zijn alleen doorrekeningen gemaakt voor 2025.De aanscherping van de AVI correctiefactor heeft hier dus nog geenimpact op. In latere jaren wordt de verhoging meegenomen via dedoorwerking op de inflatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26124 31. Separaat tarief voor waterstof in de energiebelasting De leden van de fractie van de PVV vragen waar de hoogte van hetseparate belastingtarief voor waterstof op zal worden gebaseerd.De hoogte zal worden gebaseerd op het energiebelastingtarief voorelektriciteitsgebruik in de vijfde schijf voor zakelijk elektriciteitsgebruik.Deze schijf heeft het laagste energiebelastingtarief voor elektriciteit.De leden van de fractie van de PVV vragen of het separate tarief voorwaterstof gaat gelden voor elke vorm van waterstofverbruik, ongeacht deoorsprong (groen, blauw, turquoise, grijs).Het separate tarief voor waterstof is inderdaad niet afhankelijk van deoorsprong.Voorts vragen de leden van de fractie van de PVV of met dit voorstel hetprocedé van waterstofproductie volledig is vrijgesteld van energiebe-lasting.Het wetsvoorstel preciseert welk deel van het elektriciteitsverbruik bijwaterstofproductie via het proces van elektrolyse is vrijgesteld. Hetkabinet kiest daarbij voor een ruime reikwijdte: het gaat om eenvrijstelling van de elektriciteit die wordt verbruikt bij demineralisatie vanwater alsmede de purificatie en compressie van de uit dit water ontstanewaterstof. Daarmee is sprake van een vrijstelling van elektriciteitsverbruikdie direct samenhangt met de waterstofproductie via elektrolyse.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de onder-bouwing van het separate energiebelastingtarief voor waterstof en hoe ditsamenhangt met het feit dat waterstof verschillende oorsprongen kanhebben.Waterstof wordt naar verwachting een essentieel onderdeel in deenergietransitie voor het halen van de klimaatdoelen. De productie vanhernieuwbare en koolstofarme waterstof heeft evenwel vooralsnog eenaanzienlijke onrendabele top ten opzichte van aardgas. In de energiebe-lasting wordt energetisch verbruik van waterstof nu nog hetzelfde belastals energetisch verbruik van aardgas. Daardoor is er op dit moment bijenergetische toepassingen geen fiscale prikkel om aardgas te vervangendoor waterstof. De energiebelasting op aardgas stijgt bovendien richting2030. De huidige gelijke behandeling van aardgas en waterstof leidt ertoedat waterstof net als aardgas de komende jaren zwaarder zal wordenbelast. Dat kan het behalen van de klimaatdoelen belemmeren. Hetenergiebelastingtarief voor waterstof zal gelden voor de levering van allewaterstof, ongeacht hoe deze geproduceerd is. Op dit moment kan in deenergiebelasting niet op een uitvoerbare en handhaafbare manieronderscheid worden gemaakt tussen deze verschillende productiewijzen.Het verder vergroenen van de waterstofproductie wordt gestimuleerd viaonder meer subsidieregelingen, het Europese emissiehandelssysteem EUETS en normering volgend uit de REDIII-richtlijn.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoeveel IV-capaciteithet separate energiebelastingtarief voor waterstof zal vragen.De introductie van een nieuw tarief betreft een structuurwijziging dieaanpassingen vereist in zowel de aangiftesystemen als het teruggave-proces. De verwachte inspanning voor deze aanpassingen bedraagt 270IV-dagen, wat neerkomt op € 300.000 aan incidentele uitvoeringskosten.De leden van de fracties van de VVD en de SGP vragen of de regeringheeft overwogen om ook duidelijk te maken wat het belastingtarief voorwaterstofverbruik is op de lange termijn, zodat investeerders langjarigezekerheid wordt geboden.Het separate tarief voor waterstof geldt als een nieuwe fiscale regelingomdat de regeling borgt dat de belastingdruk op waterstofverbruikTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26125 verlaagd wordt. Hierbij is het tarief tot en met 2030 bepaald. Conform demotie Maatoug c.s.116 wordt bij nieuwe fiscale regelingen een evaluatie-en horizonbepaling toegevoegd. In de evaluatiebepaling wordt geregelddat het verlaagde tarief voor waterstof uiterlijk in 2030 wordt geëvalueerd.In de horizonbepaling wordt aangegeven dat wanneer vóór het verstrijkenvan die termijn een positieve evaluatie beschikbaar is, besloten kanworden om de regeling te continueren voor een opnieuw vast te stellenperiode. Bij positieve evaluatie ligt verlenging in de rede. Daarbij zal eenintegrale afweging gemaakt worden over de kosten daarvan. Mocht deevaluatie negatief zijn, dan kan op dat moment gewogen worden op welkeandere wijze het stimuleren van waterstof doeltreffend en doelmatig kanworden vormgegeven.De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering voornemens isom een separaat tarief voor groen gas in de energiebelasting te introdu-ceren. De leden van de fractie van D66 vragen hoe de regering aankijkttegen een apart tarief voor mengsels. Zij vragen daarbij welke plannen ofdenkrichtingen de regering heeft bij het differentiëren tussen grijze,blauwe en groene waterstof. De leden van de fractie van de ChristenUnievragen de regering waarom naast de terechte implementatie van eenseparaat tarief voor waterstof niet ook een tarief voor groen gas wordtgeïmplementeerd. Zij vragen bij de beantwoording in te gaan op het levelplaying field met betrekking tot beide energiebronnen.In de energiebelasting wordt in de meeste gevallen de levering vanaardgas aan een verbruiker belast. Daarbij worden op dit moment zowelwaterstof als groen gas aangemerkt als aardgas. Daarmee is ook over delevering van deze gassen energiebelasting verschuldigd. Het kabinet steltvoor om in de energiebelasting een separaat tarief voor waterstof teintroduceren. Een dergelijk separaat tarief is op een uitvoerbare enhandhaafbare manier te introduceren doordat waterstof op basis vanfysieke kenmerken te onderscheiden is van aardgas; waterstof valt ondereen andere productiegroep (GN-code) dan aardgas. Het energiebelasting-tarief voor waterstof wordt niet van toepassing op mengsels vanwaterstof en andere stoffen. Zou bij de tarifering wel rekening wordengehouden met de waterstofcomponent in een mengsel, dan leidt dit totknelpunten in de uitvoering. Het zou vergen dat de exacte samenstellingvan een mengsel moet kunnen worden geverifieerd. Extra complicerendhierbij is dat de samenstelling van gassen regionaal en per levering kanverschillen. Een separaat tarief voor groen gas is op dit moment niet opeen uitvoerbare en handhaafbare manier te introduceren. Groen gas isnamelijk niet op basis van fysieke kenmerken te onderscheiden van fossielaardgas. Daarom is het kabinet op dit moment niet voornemens om eenseparaat tarief voor groen gas te introduceren.De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering het rechtvaardigvindt dat groen gas nu wordt belast aan zowel de productie- alsafnamekant. Zij vragen daarbij wat deze dubbele energiebelastingbetekent voor een Nederlands huishouden. Deze leden vragen of deregering voornemens is deze dubbele heffing af te schaffen in combinatiemet het wetsvoorstel bijmengverplichting groen gas. Daarbij vragen zij ofregering ook hier, net als bij waterstof, een inputvrijstelling overweegtgezien de grote ambities op het gebied van nationale productie van groengas.Voor wat betreft biomassa die wordt gebruikt voor de productie van groengas geldt dat over de levering van die biomassa geen energiebelastingwordt geheven. Het verbranden van aardgas en gebruik van elektriciteittijdens het productieproces is wel belast. Op dit moment overweegt hetkabinet geen inputvrijstelling voor elektriciteit die, en aardgas dat, wordt116Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26126 ingezet tijdens het productieproces van groen gas. Het kabinet zet ondermeer via de bijmengverplichting en de Stimulering Duurzame Energiepro-ductie en Klimaattransitie (SDE++) in op het stimuleren van de productievan groen gas.De leden van de fractie van D66 vragen om een schatting in hoeverre eenseparaat energiebelastingtarief voor waterstof in de energiebelasting deproductie van waterstof zal bevorderen.De opschaling van de waterstofmarkt moet nog aanvangen en staat onderinvloed van diverse beleidsinstrumenten. Het is daarom ingewikkeld omeen precieze inschatting te geven van het effect van deze fiscale regelingop de productie van waterstof. Bij de raming van de derving is ervanuitgegaan dat in 2030 1 PJ waterstof onder het verlaagd tarief valt.Aangezien deze maatregel inwerkt op de vraagzijde van de nog inontwikkeling zijnde waterstofmarkt, is het ingewikkeld om in te schattentot hoeveel extra productie van waterstof dit gaat leiden en waar dezeproductie zal plaatsvinden.De leden van de fractie van D66 vragen naar de gevolgen van de keuzeom het separate energiebelastingtarief voor waterstof niet te laten geldenvoor mengsels en of er sprake is van veel mengsels.De keuze om het separate energiebelastingtarief voor waterstof niet telaten gelden voor mengsels betekent dat waterstofverbruikers diewaterstof geleverd krijgen vermengd met aardgas en andere stoffen dieals aardgas worden verbruikt, geen baat hebben bij het separateenergiebelastingtarief voor waterstof. Op dit moment lijkt er nog niet veelsprake van leveringen van mengsels. Daarbij moet aangemerkt wordendat de opschaling van de waterstofmarkt nog moet aanvangen.De leden van de fractie van het CDA vragen of de fiscale maatregelen voorde ondersteuning van waterstof worden overwogen in samenhang methet bredere instrumentarium om de onrendabele top voor hernieuwbarewaterstof te verlagen.Het kabinet streeft ernaar om een geïntegreerde benadering te hanterenbij de ontwikkeling van het instrumentarium voor hernieuwbare waterstof.Dit betekent dat de effecten van verschillende type beleidsmaatregelen,waaronder subsidiering, normering en fiscale maatregelen, wordenbeoordeeld op hun gezamenlijke bijdrage aan het verlagen van deonrendabele top voor hernieuwbare waterstof. Daarbij wordt onderandere gekeken naar de effectiviteit, doelmatigheid en uitvoerbaarheidvan de maatregelen, om te waarborgen dat deze elkaar versterken enoverstimulering te voorkomen.32. Wijziging energiebelastingtarieven op aardgas De leden van de fractie van de PVV vragen wat de belastingdruk is op deenergierekening met een gemiddeld verbruik. Zij vragen hierbij hetaandeel aardgas en elektriciteit uit te splitsen. Hieronder is een inschattingvan de opbouw van de energierekening in 2025 weergegeven voor eenhuishouden met een gemiddeld verbruik, dat betreft 900 m3 aardgas en1.920 kWh elektriciteit per jaar.117 De totale energierekening is naarverwachting € 2.142 (incl. btw). Hiervan is naar schatting € 520 (24%)energiebelasting op gas en € 195 (9%) energiebelasting op elektriciteit.Door de belastingvermindering in de energiebelasting van € 525 is detotale belastingdruk van de energiebelasting € 190 (9%). De btw over deenergierekening is € 372 (17%) van de totale energierekening.117StatLine – Energieverbruik woningen; woningtype, oppervlakte, bouwjaar en bewoning(cbs.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26127 Tabel 12: Energierekening huishouden met gemiddeld verbruik, in euro’sVerbruikskostenVariabele kosten gas514Variabele kosten elektriciteit319Vaste kosten137Totaal verbruikskosten970EnergiebelastingEnergiebelasting – gas520Energiebelasting – elektriciteit195Energiebelasting – belastingvermindering– 525Energiebelasting totaal190Netwerkkosten610Totaal exclusief btw1.770Btw372Totaal inclusief btw2.142 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA constateren dat hetvoorliggende wetsvoorstel op het vlak van fiscale klimaatmaatregelenminder ambitieus is dan het vorige en niet de eerder voorgenomenhogere tarieven voor grootverbruikers van aardgas bevat. Deze ledenvragen op basis van welke advies het kabinet dit vrij recente voornemenlaat vallen. Tot slot vragen zij van wie het kabinet het advies heeftontvangen om de tarieven in de energiebelasting juist te verhogen.Bij de voorbereiding van de Voorjaarsnota 2024 lag een dekkingsopgavevoor onder meer omdat de Eerste Kamer het wetsvoorstel Wet fiscaleklimaatmaatregelen industrie en elektriciteit eind 2023 heeft verworpen. Inde Voorjaarsnota 2024 is de dekkingsopgave binnen de energiebelastingtechnisch ingevuld door de tarieven van de derde, vierde en vijfde schijfaardgas in de energiebelasting te verhogen. Het kabinet heeft er in deMiljoenennota voor gekozen om de derving op een andere manier op telossen. In de fiscale strategische agenda heeft het kabinet tegelijkertijdaangekondigd aan de slag te gaan met de aanbeveling van het rapport«Belastingen in maatschappelijk perspectief. Bouwstenen voor een beteren eenvoudiger belastingstelsel» om nader onderzoek te doen naar welkbeprijzingsniveau per sector nodig is om voldoende te borgen dat deafgesproken klimaatdoelen worden gerealiseerd. Op 24 oktober a.s.publiceert het PBL de nieuwe Klimaat- en Energieverkenning (KEV). Daarinwordt een integrale doorrekening van de broeikasgasemissies gemaakt.Als blijkt dat de afgesproken nationale klimaatdoelen niet wordengehaald, dan maakt het kabinet alternatief beleid. Hierbij zal wordengekeken naar het volledige spectrum aan aanvullende maatregelen,waaronder subsidies, normering en beprijzing, waarbij ook het onderzoeknaar de benodigde beprijzingsniveaus wordt betrokken. Besluitvorminghierover vindt plaats in het voorjaar van 2025.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het verlagen vande energierekening voor huishoudens een doel op zich is of het deregering gaat om het verbeteren van de bestaanszekerheid vanhuishoudens, en als dat laatste het geval is, waarom de regering denkt datde energierekening daar het beste middel voor is. Voorts vragengenoemde leden hoeveel meer CO2-uitstoot de regering in de komendejaren verwacht door deze maatregel en met welke andere maatregelen deregering dit gaat compenseren. Zij vragen daarnaast naar de haalbaarheidvan de energietransitie in de gebouwde omgeving de komende jaren, nublijkt dat de verkoop van warmtepompen terugloopt en het kabinet deverplichting voor hybride warmtepompen wil schrappen. Deze ledenvragen hoe het kabinet ervoor gaat zorgen dat huishoudens wéloverstappen op een gasloze manier van verwarmen. De leden van defractie van D66 vragen de regering naar de CO2-effecten van de maatregelin 2025 en 2030. Daarnaast vragen deze leden of er andere gerichtemaatregelen zijn overwogen om de energierekening betaalbaarder teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26128 maken en waarom het kabinet er niet voor heeft gekozen met gerichterbeleid de koopkracht te ondersteunen van huishoudens die het hardstdoor een hogere energierekening worden getroffen. Zij vragen voorts ofde regering het met hen eens is dat de maatregel een remmende werkingheeft op energiebesparend gedrag bij huishoudens. Zij vragen daarbij watde regering gaat doen om deze effecten te mitigeren. Tot slot vragen dezeleden waarom het kabinet ervoor kiest om de energiebelasting teverlagen, terwijl dit juist nodig is om energiezuinigheid te stimulerenomwille van het behalen van de klimaatdoelen.Het kabinet kiest ervoor om de energiebelasting op aardgas tot 170.000m3 te verlagen omdat het kabinet het belangrijk vindt dat energie voor allehuishoudens betaalbaar blijft. Dit sluit aan op het streven van het kabinetom de bestaanszekerheid voor huishoudens te vergroten. Het kabinetheeft geen impactanalyse uitgevoerd naar de CO2-effecten van devoorgenomen verlaging van de tarieven in de energiebelasting opaardgas, maar erkent dat hiermee de besparingsprikkel wordt verlaagd.Ook na verlaging van de energiebelastingtarieven zijn de tarieven nogsteeds relatief hoog. Daarmee geven ze nog altijd een belangrijkebesparingsprikkel voor huishoudens. Huishoudens kunnen nog steedssubsidie aanvragen voor isolatiemaatregelen en de overstap op een(hybride) warmtepomp; dit draag ook bij aan een lagere energierekening,wat de bestaanszekerheid van huishoudens ten goede komt. De reedsbeschikbare financiële middelen voor de klimaattransitie worden voor eendeel gebruikt om mensen met een laag of middeninkomen, kleineondernemers en maatschappelijke organisaties te helpen in de energie-transitie. Woningeigenaren met een verzamelinkomen tot € 60.000kunnen renteloos lenen om energiebesparende maatregelen te latenuitvoeren. Met middelen uit het Klimaatfonds worden de rentevrijeleningen gecontinueerd tot en met 2025. Voor 2025 en 2026 is eenreservering opgenomen voor een energiefonds dat steun biedt aanhuishoudens die hun energierekening niet kunnen betalen. Als uit denieuwe KEV blijkt dat de afgesproken nationale klimaatdoelen niet wordengehaald, dan maakt het kabinet alternatief beleid.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zijn sceptisch over hetgebruik van de energiebelasting als koopkrachtmaatregel. Zij vragen deregering toe te lichten welke groepen het meeste profiteren van deverlaging van de energiebelasting en of zij dit per inkomensdeciel kanaangeven. Daarbij vragen zij of de regering aan de hand hiervan kantoelichten of dit de meest doelmatige manier is om de bestaanszekerheidvan huishoudens te verbeteren.De verlaging van de energiebelasting op aardgas is niet gericht op eenspecifieke inkomensgroep. Het is op dit moment niet mogelijk om in deenergiebelasting maatregelen te richten op huishoudens in het algemeenen ook niet op specifieke groepen van huishoudens. In algemene zinzullen huishoudens en bedrijven die meer aardgas verbruiken meerprofiteren van de maatregel. Data van het CBS uit 2020 laat zien dathuishoudens met hogere inkomens gemiddeld meer aardgas verbruikendan huishoudens met lage inkomens, en dus in euro’s meer zullenprofiteren van deze belastingverlaging.118 Onder deze gemiddeldenschuilen echter aanzienlijke verschillen. Volgens onderzoek van TNOverschillen gasverbruik en de energetische kwaliteit van de woningnamelijk binnen inkomensgroepen meer dan tussen inkomensgroepen.119Zowel onder lage als hoge inkomensgroepen bestaan dus huishoudensmet een hoog gasverbruik, die meer profiteren van deze maatregel. Demaatregel staat niet op zichzelf, en dient in samenhang te worden bezien118CBS, «Energieverbruik huishoudens naar inkomen», februari 2020.119TNO, «De energiekosten van verschillende typen huishoudens in Nederland. Een onderscheidnaar inkomen, eigendomssituatie en woningkwaliteit», juli 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26129 met andere maatregelen op het gebied van het verduurzamen van dewoning en de koopkrachtmaatregelen ten behoeve van bestaansze-kerheid. Deze maatregel is daaraan een toevoeging. Zorgen overbestaanszekerheid z(n echter breder. Het gaat b(voorbeeld over de vraagof mensen de boodschappen en de huur kunnen betalen, of over hunkansen op de woningmarkt. De vraag wat de meest doelmatige manier isom de bestaanszekerheid van huishoudens te verbeteren, is daarom ookniet goed te beantwoorden. In het vergroten van de bestaanszekerheidricht het kabinet zich op werkzekerheid, inkomenszekerheid, betaalbaarwonen en toegankelijke publieke voorzieningen, en integratie enmaatschappelijke samenhang.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen welke klimaatmaat-regelen het kabinet van plan is om te nemen in plaats van het verhogenvan de energiebelastingtarieven voor grootverbruikers en waarom hetkabinet denkt dat aanvullende maatregelen nu niet meer nodig zijn.Een verhoging van het energiebelastingtarief voor aardgas voor grootver-bruikers is een relatief ongerichte verduurzamingsprikkel. Via de energie-belasting op aardgas kan slechts indirect worden gestuurd opCO2-emissies. Het is belangrijk om gerichte verduurzamingsprikkels tegeven. Voor industriële grootverbruikers geldt daarom sinds 2021 eennationale CO2-heffing. Op 24 oktober a.s. publiceert het PBL de nieuweKEV. Daarin wordt een integrale doorrekening van de broeikasgasemissiesgemaakt. Als blijkt dat de afgesproken nationale klimaatdoelen nietworden gehaald, dan maakt het kabinet alternatief beleid. Hierbij zalworden gekeken naar het volledige spectrum aan aanvullende maatre-gelen, waaronder subsidies, normering en beprijzing.De leden van de fractie van NSC vragen hoeveel het tarief van deenergiebelasting op gas zou kunnen dalen als de maatregel alleen gerichtzou zijn op de groep verbruikers tot 10.000 m3.Er kan geen inschatting worden gegeven van de mate waarin hetenergiebelastingtarief zou kunnen dalen als de maatregel uitsluitend zouzijn gericht op de groep gebruikers tot 10.000 m3. De reden hiervoor is datniet bekend is welk deel van het gasverbruik van bedrijven binnen dehuidige eerste twee schijven van 0 tot 170.000 m3 zich onder de 10.000 m3bevindt en welk deel tussen de 10.000 en 170.000 m3. Hierdoor kan geeninschatting worden gemaakt van de totale grondslag die onder de nieuweeerste schijf tot 10.000 m3 zou vallen. De verwachting is wel dat demogelijke extra verlaging ten opzichte van de in het wetsvoorstelvoorgestelde verlaging voor het verbruik van 0 tot 170.000 m3 beperkt zouzijn. Dat komt doordat slechts 9% van het totale verbruik in de eerste tweeschijven (0 tot 170.000m3) van bedrijven is en een gemiddeld bedrijfbinnen de eerste twee schijven een verbruik heeft van 4.000 m3. Omdatdaarnaast alle huishoudens een verbruik hebben dat volledig binnen de10.000 m3 valt, zou naar verwachting dus slechts een klein deel van hetverbruik binnen de huidige eerste twee schijven niet onder een extraverlaagd tarief tot 10.000 m3 vallen. De maatregel is hiermee bijnaidentiek aan de huidige maatregel.Een verlaging van de energiebelasting op aardgas tot 10.000 m3 zouopnieuw aanpassing van de schijvensystematiek vergen. Op 1 januari2024 is een nieuwe eerste schijf aardgas geïntroduceerd tot 1.000 m3. Ditvergde aanpassing van de blokverwarmingsregeling in de energiebe-lasting, voorbereiding van de nieuwe forfaitaire teruggaveregelingblokverwarming voor het geval het tarief van de eerste schijf aardgaslager zou worden dan dat van de tweede schijf, alsmede aanpassing vande systemen van de Belastingdienst en energieleveranciers. De benodigdewijzigingen zijn doorgevoerd. Materieel heeft er geen veranderingplaatsgevonden omdat de tarieven van de eerste en tweede schijf aardgas(0 tot 170.000 m3) gelijk zijn en ook in het wetsvoorstel Belastingplan 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26130 gelijk worden gehouden. Als uitsluitend het tarief van de huidige eersteschijf (0 tot 1.000 m3) zou worden verlaagd, is onzeker of het voordeelterechtkomt bij alle huishoudens achter blokverwarming.120 Uit recentonderzoek dat ik met uw Kamer heb gedeeld, blijkt dat er ruim 560.000woningen met blokverwarming zijn. De onderzoekers concluderen datjuist huishoudens in woningen met blokverwarming bijzondere aandachtverdienen voor wat betreft energiearmoede.121Als het tarief van een nieuwe eerste schijf tot 10.000 m3 lager zou wordendan het tarief van de tweede (nieuwe) schijf van 10.000 tot 170.000 m3,vergt dit opnieuw aanpassing van regelingen alsmede systemen van deBelastingdienst en energieleveranciers. Ook in dit geval is onzeker of allehuishoudens achter blokverwarming het voordeel zouden ontvangen vaneen lager tarief van de eerste schijf tot 10.000 m3.De leden van de fracties van D66 en het CDA vragen of toegelicht kanworden welk deel van de lastenverlichting neerslaat bij burgers en welkdeel bij bedrijven.Van de verlaging van de energiebelastingtarieven op aardgas tot eenverbruik van 170.000 m3 komt naar schatting € 246 miljoen (91%) terechtbij huishoudens en € 25 miljoen (9%) bij bedrijven.De leden van de fractie van D66 vragen of huishoudens met groterehuizen en een hoger energieverbruik meer profijt hebben van demaatregel dan huishoudens met een lager energieverbruik en in hoeverredeze maatregel doelmatig is in het ondersteunen van de koopkracht vanhuishoudens die het hardst door een hogere energierekening wordengeraakt. De leden van de fractie van het CDA vragen of iets gezegd kanworden over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de verlaging vande energiebelasting op aardgas tot een verbruik van 170.000 m3.Het verlagen van de energiebelastingtarieven op aardgas leidt ertoe datde kosten per m3 aardgas dalen. Dit betekent dat het voordeel groterwordt naarmate het verbruik toeneemt. Huishoudens met een hogerverbruik profiteren dus meer dan huishoudens met een kleiner verbruik.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het klopt dat deomvang van de zogeheten «fossiele subsidies» door het verlagen van deenergiebelasting afneemt en of dat ook een doel was van deze belasting-verlaging.Het kabinet heeft in bijlage 23 van de Miljoenennota een geactualiseerdoverzicht gemaakt van de omvang van fossiele regelingen in Nederland.Om een zo volledig mogelijk overzicht te presenteren, heeft het kabinettwee benaderingen toegepast: de externe kostenbenadering en deinventarisatiebenadering. De inventarisatiebenadering geeft een lijst vanregelingen – waaronder belastingvoordelen – en een kwantificering vanhet voordeel dat begunstigden hebben per regeling. Het betreft voordelenbij de productie of consumptie van fossiele energie. Een van deregelingen is de degressieve tariefsystematiek van de energiebelasting:hoe hoger het verbruik, hoe lager het energiebelastingtarief. Hierdoor ligthet marginale tarief ligt voor kleinverbruikers hoger dan voor grootver-bruikers. Het budgettaire belang is berekend door het tarief van deverschillende schijven af te zetten tegen het hoogste tarief van de eerstetwee schijven (0 tot 170.000 m3 aardgas) en vervolgens te vermenigvul-digen met het energieverbruik in die schijf. Het kabinet stelt in hetwetsvoorstel Belastingplan 2025 voor om in de komende jaren de hoogstetarieven (0 tot 170.000 m3) te verlagen ten opzichte van de tarieven hetbasispad. Het doel van deze maatregel is om huishoudens tegemoet tekomen in de hoge energiekosten. De afbouw van fossiele voordelen (ook120Zie hierover Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 3, p. 93–94.121ABF Research, «Blokaansluitingen», i.o.v. het Ministerie van Financiën, september 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26131 wel: fossiele subsidies) heeft hierbij geen rol gespeeld. Op zichzelf zorgteen verlaging van het hoogste energiebelastingtarief er in de inventarisa-tiemethode inderdaad voor dat het fossiele voordeel wordt verkleind. Ditgeldt niet voor de externe kostenbenadering. Tot en met 2030 blijft hethoogste energiebelastingtarief voor aardgas (0–170.000 m3) echter vrijwelgelijk (de verlaging vindt plaats ten opzichte van het basispad, waarin hettarief verder zou stijgen): in 2025 bedraagt het tarief 57,8 cent per m3(prijspeil 2025) en in 2030 58,37 cent per m3 (prijspeil 2025). Tegelijkertijdstijgt het tarief in de hogere schijven van de energiebelasting op aardgasin de komende jaren (zie onderstaande tabel). In tabel 23.1 van bijlage 23van de Miljoenennota 2025 is becijferd dat per saldo de degressiviteit vande energiebelasting op aardgas in toekomstige jaren met € 283 miljoenafneemt ten opzichte van het budgettair belang (€ 1.976 miljoen) dat in deMiljoenennota 2025 is becijferd. Dit wordt met name veroorzaakt door dehiervoor genoemde stijging van de energiebelastingtarieven in de hogereschijven voor aardgas.Tabel 13: Energiebelastingtarieven in de periode 2025–2030 (prijspeil 2025)Aardgas (in euro/m3 en excl. btw)2025202620272028202920300 – 1.000 m30,578160,583730,583740,583730,583730,583731.000 – 170.000 m30,578160,583730,583740,583730,583730,58373170.000 – 1.000.000 m30,315730,321530,331520,339300,348020,358311.000.000 – 10.000.000 m30,203470,207930,216330,222090,228830,23743> 10.000.000 m30,053850,051630,051560,051600,053320,05453Verlaagd tarief glastuinbouw (ineuro/kWh en excl. btw)0 – 170.000 m30,132980,175120,215980,256840,303540,35023170.000 – 1.000.000 m30,135760,154330,175700,196800,222730,250811.000.000 – 10.000.000 m30,203470,207930,216330,222090,228830,23743> 10.000.000 m30,053850,051630,051560,051600,053320,05453Elektriciteit (in euro/kWh en excl. btw)0 – 2.900 kWh0,101540,089030,083420,079450,074590,075552.900–10.000 kWh0,101540,089030,083420,079450,074590,0755510.000 – 50.000 kWh0,069370,064830,064250,064480,068120,0709450.000 – 10.000.000 kWh0,038680,036300,035800,035570,037050,03794>= 10.000.000 kWh particulier0,003880,003680,003620,003590,003590,00356>= 10.000.000 kWh zakelijk0,003210,003010,002960,002930,002920,00289Belastingvermindering (nominaal)524,95510,50510,28510,85516,34521,17 33. Verhoging belastingvermindering energiebelasting De leden van de fractie van NSC vragen over met de verhoging van debelastingvermindering in de energiebelasting dezelfde groep wordtbereikt als met de verlaging van het tarief van de eerste schijf elektriciteitin de energiebelasting. Deze leden vragen daarbij of het gehele voordeelof een deel daarvan is omgezet in een verhoging van de belastingvermin-dering.De verhoging van de belastingvermindering en de verlaging van het tariefvan de eerste schijf komen in gelijke mate terecht bij huishoudens enbedrijven. Van een verlaging van het tarief van de eerste schijf elektriciteitprofiteren huishoudens met een hoger elektriciteitsverbruik meer danhuishoudens met een laag verbruik. Van een verhoging van de belasting-vermindering profiteren alle huishoudens en bedrijven in dezelfde mate.Het voordeel dat zou zijn gegaan naar een verlaging van de eerste schijf isvolledig omgezet in een verhoging van de belastingvermindering.De leden van de fractie van D66 vragen toe te lichten waarom er isgekozen voor een verhoging van de belastingvermindering met3 eurocent en hoeveel voordeel burgers hiervan ondervinden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26132 Het amendement Omtzigt inzake walstroom regelt dat het verlaagd tariefvoor walstroom vanaf 1 januari 2024 in tien stappen wordt afgebouwd.Het amendement regelt voorts dat de opbrengst hiervan vanaf genoemdedatum wordt aangewend voor een tariefverlaging van de eerste schijfelektriciteit in de energiebelasting (0 tot 2.900 kWh). In 2024 bedraagt hetvoordeel als gevolg van het amendement ten hoogste 3 eurocent over hetgehele kalenderjaar. De hoogte hangt af van het elektriciteitsverbruik. Bijde omzetting van het voordeel naar een hogere belastingvermindering isdeze 3 eurocent aangehouden. Nu het voordeel is verwerkt in debelastingvermindering ontvangt elke elektriciteitsverbruiker het voordeelongeacht het verbruik. Benadrukt wordt dat het met het amendementbeoogde voordeel op deze manier terechtkomt bij elektriciteitsverbruikers,conform de bedoeling van het amendement. Met de gekozen oplossingworden onduidelijkheden bij consumenten en significante uitvoerings-lasten bij energieleveranciers en de Belastingdienst voorkomen.34. Kolenbelasting duaal en non-energetisch verbruik De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of er een overzichtgegeven kan worden van alle vrijstellingen in de kolenbelasting. Artikel 44van de Wet belastingen op Milieugrondslag (WBM) bevat drie vrijstel-lingen voor de kolenbelasting: 1) Vrijstelling van de belasting wordtverleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die wordengebruikt anders dan als brandstof, 2) Vrijstelling van de belasting wordtverleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die wordengebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit en 3) Vrijstellingvan de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer vankolen die duaal worden gebruikt.Daarnaast vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA waaromde technische aanpassingen in de kolenbelasting niet eerder zijningevoerd. In het Belastingplan 2025 stelt het kabinet voor om devrijstellingen voor non-energetisch en duaal verbruik van kolen – per 2027af te schaffen. Het kolengebruik bij cokesproductie en bij ijzer- enstaalproductie in hoogovens is nu nog volledig vrijgesteld op basis vandeze twee vrijstellingen. Het afschaffen van deze vrijstellingen is meer daneen uitsluitend technische aanpassing. De maatregel leidt tot eenbudgettaire opbrengst en daarnaast wordt hiermee in aanvulling op hetEU ETS en de nationale CO2-heffing een extra prijs gezet op deCO2-uitstoot. Tevens wordt een prijs gezet op uitstoot van andereluchtvervuilende stoffen door kolengebruik. Omdat deze vrijstelling op dekolenbelasting in andere Europese landen voorlopig blijft bestaan wordtdaarmee een competitief nadeel gecreëerd voor Nederlandse kolenge-bruikers. Afschaffing van de vrijstellingen geeft hiermee een additioneleprijsprikkel voor de uitfasering van kolen in de staalproductie. Hetafschaffen van deze vrijstellingen was ook onderdeel van het wetsvoorstelWet fiscale klimaatmaatregelen industrie en elektriciteit, wat deeluitmaakte van het wetgevingspakket van het Belastingplan 2024. Ditwetsvoorstel is eind 2023 verworpen door de Eerste Kamer, vanwegezorgen over de andere fiscale maatregelen die onderdeel uitmaakten vanhet wetsvoorstel. Met het onderhavige voorstel van het kabinet, resteertvanaf 2027 in de kolenbelasting alleen nog de vrijstelling voor gebruik vankolen bij elektriciteitsopwekking. Vanaf 2030 geldt een wettelijk verbod ophet gebruik van kolen bij elektriciteitsopwekking. Het afschaffen van dezevrijstelling zou het risico groter maken dat vanwege het wettelijk verbodnadeelcompensatie moet worden betaald. Het kabinet heeft er daaromvoor gekozen om deze vrijstelling in stand te laten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26133 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoeveel bedrijvenworden geraakt door de afschaffing van de vrijstelling voor duaal verbruikvan kolen in de kolenbelasting. Deze leden vragen voorts wat dit betekentvoor de onderhandelingen over de maatwerkafspraak met Tata Steel. Devrijstelling voor duaal verbruik van kolen wordt alleen gebruikt binnen deNederlandse ijzer- en staalindustrie. Het hierbij om één bedrijf. Hetnon-energetisch gebruik van kolen en kolenproducten is van een relatiefbescheiden omvang van circa 1,3 PJ. Ter vergelijking: het duaal kolenge-bruik is circa 120 PJ en behelst hoofdzakelijk het gebruik van cokes ensteenkoolteer (een bijproduct van cokesfabrieken) buiten de ijzer- enstaalindustrie. Het kabinet heeft geen informatie om hoeveel bedrijven hetprecies gaat. Het afschaffen van de vrijstelling voor duaal ennon-energetisch verbruik dient met name om het voor de ijzer- enstaalindustrie minder aantrekkelijk te maken om te blijven produceren opbasis van kolen. Het zorgt er namelijk voor dat het gebruik van kolenduurder wordt en duurzamere productiemethodes financieel relatiefaantrekkelijker worden. Dit is nodig omdat het – ook met het Europeseemissiehandelssysteem – nog lang financieel rendabel blijft om op dehuidige vervuilende manier door te produceren. Tegelijkertijd, omdat dezelastenverhoging voor- en tijdens de transitie van Tata Steel het verdienver-mogen van het bedrijf beperkt, wordt het bedrijf beperkt in haarvermogen om de transitie-investeringen te financieren. In de onderhande-lingen over een maatwerkafspraak met Tata Steel zal worden meege-nomen dat wordt voorgesteld om de vrijstellingen in de kolenbelastingvoor duaal en non-energetisch verbruik per 2027 af te schaffen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom het kabinetdeze maatregel als losstaande maatregel neemt als het effectenonderzoekaantoont dat het geen effect heeft op de verduurzaming aangezien er alvoldoende prikkels bestaan. De leden van de fractie van NSC vragendaarnaast of deze maatregel zal bevorderen dat Tata Steel minder gebruikzal maken van kolen en meer van duurzame bronnen. De doelstelling vanhet afschaffen van de vrijstellingen voor non-energetisch en duaalverbruik in de kolenbelasting is tweeledig: (1) het introduceren van eenaanvullende stok achter de deur voor het grotendeels uitfaseren vankolengebruik in Nederland; en (2) het genereren van een budgettaireopbrengst. De maatregel maakt de verduurzamingsroute van CCSgecombineerd met kolengebruik minder aantrekkelijk, hoewel dit effectten dele teniet gedaan wordt omdat de maatregel ook het vermogen omte kunnen investeren verkleint (zie antwoord op vraag 460) Ook wordt hetonaantrekkelijker voor de ijzer- en staalindustrie om te blijven producerenop basis van kolen. Dit biedt aanvullende borging voor lokale milieuwinst.35. Wijzigingen Wet fiscale klimaatmaatregelen glastuinbouw De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wat het kabinetbedoelt met het «verbeteren», gezien het de facto om een tariefsverlaginggaat. Daarnaast vragen deze leden waarom het kabinet heeft besloten omde bijbehorende derving te dekken met een verlaging van het budget vande Energie-investeringsaftrek en of het klopt dat beide maatregelen eennegatieve klimaatimpact zullen hebben en of het kabinet dit kan kwantifi-ceren. De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet kantoelichten waarom de maatregel geld kost en of dit komt doordat detarieven voor CO2-emissies in de glastuinbouw gehandhaafd worden. Inde memorie van toelichting wordt met «verbeteringen» gedoeld op enkeletechnische verduidelijkingen in de vormgeving van de CO2-heffingglastuinbouw, zoals het vaststellen van een handhaafbare definitie vaneen energiebedrijf voor de glastuinbouw. Daarnaast stelt het kabinet voorom het tariefpad van de CO2-heffing glastuinbouw te wijzigen. Het kabinetkiest ervoor om op een lager tarief te starten in 2025 ten opzichte van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26134 wet fiscale maatregelen glastuinbouw, maar houdt vast aan het oorspron-kelijke tarief van 17,70 euro/ton CO2 in 2030 (prijspeil 2024). In dedoorrekening van de uitgevoerde tariefstudie heeft met name detariefhoogte in de laatste jaren gevolgen voor het doelbereik. Dit komtdoordat in de modellering wordt aangenomen dat tuinders vooruitkijkenom de kostenafweging te maken en investeringen doorlooptijd nodighebben. Het kabinet verwacht daarom dat de beperkte verlaging van hettarief in de eerste paar jaar geen effect op de verduurzaming van deglastuinbouw zal hebben. De verlaging van het tarief in de eerste paarjaren leidt wel tot een incidentele budgettaire derving, die conform debegrotingsregels moet worden gedekt. Uitgangspunt bij dekking is datdeze zo dicht mogelijk in het eigen domein plaatsvindt. In de Miljoe-nennota 2024 was afgesproken dat het budget van de Energie-investeringsaftrek met € 10 miljoen. euro per jaar zou worden verhoogden dat dit extra budget zoveel mogelijk ten goede zou komen aan deglastuinbouwsector. Deze budgetophoging wordt gebruikt als dekkingvoor de verlaging van het tarief van de CO2-heffing in de eerste paar jaar.De verlaging van het budget voor de EIA met € 10 miljoen. is op het totalebudget (€ 431 miljoen in 2025) zeer beperkt. De negatieve impact op deCO2-reductie is daarom naar verwachting verwaarloosbaar.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of deze maatregelmogelijk netcongestie verergert, aangezien dit het regelbare vermogenraakt in de vorm van gascentrales en WKK’s. Daarnaast vragen deze ledenof de maatregel zorgt voor hogere energiekosten van Nederlandsehuishoudens en bedrijven en of het kabinet van mening is dat dezeenergiekosten al niet hoog zijn. In het voorliggende Belastingplan wordtenkel de CO2-heffing glastuinbouw beleidsinhoudelijk gewijzigd. DeCO2-heffing geldt alleen voor de glastuinbouw en raakt niet aan gascen-trales in de energiesector. De CO2-heffing raakt wel de WKK’s in deglastuinbouwsector, maar het aandeel in de totale levering aan elektriciteitaan het net en het aantal uren dat wkk’s in de glastuinbouwsectorprijszettend zijn is relatief beperkt. De maatregel heeft daarmee naarverwachting geen negatief effect op netcongestie en de energiekostenvoor burgers en bedrijven. Het kabinet deelt de mening dat de energie-kosten voor huishoudens al hoog zijn en heeft daarom voorgesteld om deenergiebelasting op aardgas (tot 170.000 m3) te verlagen.De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kabinet reflecteert op deuitvoeringstoets, die aantoont dat de wijziging vrij veel vraagt van deuitvoering en bovendien pas vanaf 2027 uitvoerbaar lijkt te zijn. DeCO2-heffing glastuinbouw is vorig jaar wettelijk vastgelegd via de Wetfiscale klimaatmaatregelen glastuinbouw, waarin was opgenomen dat deMinister van LVVN formeel zorgdraagt voor de uitvoering. Deze juridischeconstructie sluit echter niet aan bij de verantwoordelijkheden van hetMinisterie van LVVN met betrekking tot fiscale wetgeving. Daarom isbesloten dat de Belastingdienst zorg zal dragen voor de uitvoering van deCO2-heffing glastuinbouw. Het kabinet begrijpt de zorgen van de ledenvan de fractie van D66, want de introductie van de CO2-heffingglastuinbouw vraagt een extra inspanning van de Belastingdienst. Doorhet beschikbaar stellen van middelen zodat extra FTE’s kunnen wordenaangenomen om de invoering van de CO2-heffing glastuinbouw voor tebereiden, acht het kabinet de impact en de risico’s desalnietteminverantwoord en beheersbaar. Door het beschikbaar stellen van deze extraFTE gaat de voorbereiding van de CO2-heffing glastuinbouw bovendienniet ten koste van de ICT-moderniseringsopgave van de Belastingdienst,mits de juiste capaciteit geworven kan worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26135 De leden van de fractie van het CDA vragen of het elke twee jaar herijkenvan de tarieven voor de CO2-heffing voldoende zekerheid biedt voorondernemers om in te kunnen schatten wat voor investeringsruimte zijhebben. De CO2-heffing glastuinbouw heeft als doel om het restemis-siedoel van 4,3 Mton voor de glastuinbouwsector in 2030 te borgen. Deonzekerheid rondom het doelbereik is echter groot, onder andere doordathet doelbereik afhankelijk is van de ontwikkeling van de energieprijzen.Vanwege deze onzekerheid is in de tariefstudie aanbevolen om het tariefiedere twee jaar te herijken op basis van de meest recente inzichten. Ditpad wordt vervolgens langjarig vastgelegd om ondernemers zoveelmogelijk investeringszekerheid te bieden. Het kabinet erkent dat het elketwee jaar herijken minder zekerheid kan bieden aan ondernemers bij hetinschatten van de investeringsruimte. Daar staat tegenover dat deborgende functie van de CO2-heffing glastuinbouw wordt verstevigd,waardoor met meer zekerheid het klimaatdoel voor de glastuinbouw-sector zal worden gehaald.De leden van de fractie van het CDA vragen wat het besluit over deuitbreiding van ETS2 naar de glastuinbouwsector en de vormgeving vande bijmengverplichting voor groen gas voor gevolgen zal hebben op detarieven voor de CO2-heffing glastuinbouw. Indien de glastuinbouwsectoronder ETS2 en de bijmengverplichting groen gas wordt gebracht, dan iseen kleinere prijsprikkel vanuit de CO2-heffing glastuinbouw nodig om hetrestemissiedoel van 4,3 Mton voor 2030 te borgen. In de tariefstudie dieals bijlage met het pakket Belastingplan is meegestuurd wordt opbladzijde 15 het effect geïllustreerd. Indien de glastuinbouw onder ETS2gaat vallen, dan kan het tarief van de CO2-heffing € 52 /ton CO2 lagerworden. Indien de glastuinbouw ook onder de bijmengverplichting gaatvallen, kan het tarief van de CO2-heffing aanvullend € 19 tot 70 /ton CO2lager worden. Deze bandbreedte is met name zo groot vanwegeonzekerheid over de meerkosten van groen gas. In het voorjaar van 2025vindt de eerstvolgende herijking van het tarief van de CO2-heffingglastuinbouw plaats, waarbij ook de laatste inzichten van de nieuweKlimaat- en Energieverkenning van het Planbureau voor de Leefomgevingworden betrokken. Daarnaast is het kabinet voornemens om in hetvoorjaar van 2025 een besluit te nemen over uitbreiding (opt-in) van hetEuropees emissiehandelssysteem (ETS2) naar de glastuinbouwsector,waarbij ook de stapeling van de verschillende beprijzingsinstrumenten inde glastuinbouwsector wordt bezien. De uitkomst van deze besluit-vorming alsmede de besluitvorming over de vormgeving van debijmengverplichting voor groen gas wordt eveneens in het voorjaarbetrokken in de besluitvorming over de tariefhoogte van de CO2-heffingglastuinbouw.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de extra beschikbaar testellen IV-capaciteit past in de ICT-moderniseringsopgave van deBelastingdienst en vraagt of de regering de risico’s zoals verdringing in deketen Interactie, de keten Inning en Betalingsverkeer, en de keten OverigeMaatregelen verantwoord vindt. Ook vragen deze leden waaromhandhaving en toezicht structureel meer dan € 1 miljoen kost.Ten eerste wordt met de inzet van de extra IV-capaciteit voorkomen dat deinpassing van de CO2-heffing glastuinbouw de moderniseringstrajectenbinnen de keten Overige Middelen van de Belastingdienst enigevertraging oplopen. Juist wanneer ik dit niet doe, ontstaat er ongewensteverdringing van essentiële modernisering in de keten Overige Middelen.Ten aanzien van de verdringingsrisico’s in de keten Interactie, de ketenInning en Betalingsverkeer en de keten Overige Middelen zijn er priorite-ringskeuzes gemaakt. Hierbij is rekening gehouden met een spoedigeinwerkingtreding van de CO2-heffing glastuinbouw. Deze heffing maaktonderdeel uit van de Wet fiscale Klimaatmaatregelen glastuinbouw, dieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26136 per 1 januari 2025 in werking treedt. De CO2-heffing glastuinbouw isingepast in het IV-portfolio, wat in elk geval de toekomstige beleidsruimtebij de keten Overige Middelen sterk beperkt. Daarnaast laat de huidigebezetting van de keten Interactie en van de keten Inning en Betalings-verkeer zeer beperkte ruimte voor beleidswijzigingen, waardoor deBelastingdienst in het meest gunstige geval in de tweede helft van 2027verwacht te kunnen starten met de uitvoering van de CO2-heffingglastuinbouw. De laatstgenoemde ketens hebben in elk geval tot eind2026 geen ruimte in het portfolio als gevolg van andere ingeplandeprioritaire projecten. In het uiterste geval zal voor deelprocessen op hetterrein van deze keten moeten worden teruggevallen op handmatigebehandeling, met risico’s voor de tijdige en juiste verwerking. Die risico’szijn ook aan de orde als de inzet van de extra IV-capaciteit niet kan wordengerealiseerd. Dit benadrukt de noodzaak om blijvend aandacht te blijvenhouden voor de uitvoering en – waar nodig – wensen te prioriteren, ookvoor wensen op de middellange termijn. De structurele handhavings-kosten houden verband met de structurele personele claim van 10,2 fte.Voor de Belastingdienst betreft de CO2-heffing glastuinbouw een nieuweheffing met een nieuwe doelgroep. De Belastingdienst verwacht eenverzwaring van de handhavingsinspanning, omdat er meer informatienodig is om de volledigheid van de groep belastingplichtigen en dejuistheid van de aangiften te kunnen beoordelen. De verschillendewerkstromen zijn grotendeels structureel van aard. Hieronder vallenbijvoorbeeld de coördinatie met de verschillende belastingplichtigen enbelanghebbenden, zoals de RVO, de brancheverenigingen en het CBS. Ditbetreft ook de administratieve werkzaamheden en de afhandeling vanvooroverleg en overige verzoeken, zoals inzageverzoeken, verzoeken omuitstel van betaling of verzoeken om uitstel van aangifte. Verder zal deBelastingdienst (steekproef-)controles verrichten, de ontvangen aangiftenonderwerpen aan kantoortoetsing en de inkomende bezwaarschriften enberoepszaken afhandelen.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen het kabinet waaromwordt overwogen om de glastuinbouw onder ETS2 te brengen, gezienmet het sectorsysteem er al ambitie is om in 2030 het klimaatdoel te halenen vanaf 2040 klimaatneutraal te telen. In het Convenant EnergietransitieGlastuinbouw 2022–2030 en de Wet Fiscale KlimaatmaatregelenGlastuinbouw zijn afspraken gemaakt om de broeikasgasuitstoot in deglastuinbouwsector richting 2030 terug te dringen, met de ambitie vaneen klimaatneutrale en economisch rendabele glastuinbouwsector in2040. Onderdeel van deze afspraken is de introductie van een CO2-heffingin de glastuinbouw vanaf 2025, die borgt dat het restemissiedoel voor2030 wordt gehaald (4,3 Mton CO2-eq). Een impactanalyse vanWageningen Economic Research laat zien dat de introductie van ETS2leidt tot extra financiële lasten, terwijl het restemissiedoel voor deglastuinbouw al wordt geborgd via de CO2-heffing glastuinbouw. Ditbeeld wordt bevestigd in de nieuwe tariefstudie die voor de CO2-heffingglastuinbouw is uitgevoerd en als bijlage met het pakket Belastingplan2025 is meegestuurd. De uitbreiding van ETS2 naar de glastuinbouw-sector is geen onderdeel van de afspraken die de overheid met deglastuinbouwsector gemaakt heeft in het Convenant. Tegelijkertijd zou eenuitzondering van ETS2 voor de glastuinbouw in het bijzonder problema-tisch kunnen zijn voor de uitvoering van ETS2, zoals de NederlandseEmissieautoriteit (NEa) als uitvoerder en toezichthouder op het ETS2aangeeft in hun uitvoeringstoets. De multi-interpretabele definities incombinatie met de gedetailleerde monitoring en administratie die nodig isom een vrijstelling te verlenen, maakt dat de NEa oordeelt dat vrijstellingvooraf van de glastuinbouw in ETS2 onuitvoerbaar, slecht handhaafbaar,en fraudegevoelig is. Wanneer het voor energieleveranciers niet mogelijkzou zijn om vooraf vrijstelling te geven aan het deel van de glastuinbouwTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26137 dat niet verplicht onder ETS2 valt, zijn zij genoodzaakt ETS2-kosten doorte berekenen. Hierover vindt momenteel nog overleg plaats tussen de NEaen energieleveranciers. Glastuinbouwbedrijven moeten vervolgens zelfperiodiek een teruggaveverzoek indienen inclusief bewijsvoering over hetaandeel aardgas dat buiten ETS2 valt op basis van de EU-definities. Dejaarlijkse uitvoeringslasten voor de overheid kunnen naar schattingoplopen tot circa € 7–15 miljoen. In alle gevallen geldt bovendien dat degeldende EU-definities leiden tot juridische onzekerheid, waarbijterugvorderingen van onterechte teruggaven niet uitgesloten kunnenworden. Het kabinet is voornemens om in het voorjaar van 2025 eenbesluit te nemen over uitbreiding (opt-in) van het Europees emissiehan-delssysteem (ETS2) naar de glastuinbouwsector, waarbij ook de stapelingvan de verschillende beprijzingsinstrumenten in de glastuinbouwsectorwordt bezien. Naast complexiteit in de uitvoering rondom ETS2, weegthet kabinet daarnaast nadrukkelijk mee hoe de lasten voor deglastuinbouw zich verhouden tot doelbereik en de afspraak in hetconvenant om met de CO2-heffing glastuinbouw het restemissiedoel voorde sector te borgen. De uitkomst van deze besluitvorming wordt eveneensin het voorjaar betrokken in de besluitvorming over de tariefhoogte vande CO2-heffing glastuinbouw.36. Verlengen verlaagde accijnstarieven voor ongelode benzine,diesel en LPG De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de regering kantoelichten welke groepen het meest profiteren van het verlengen van deverlaagde accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPG. Ookvragen zij of de regering aan de hand daarvan kan toelichten of dit demeest doelmatige manier is om de bestaanszekerheid van huishoudens teverbeteren. De leden van de fractie van de D66 vragen of de accijnsver-laging vooral ten goede komt aan mensen die veel rijden. Daarnaastvragen zij of kan worden bevestigd dat voornamelijk hogere inkomensmeer kilometers afleggen en zodoende profiteren van de accijnsverlaging.In figuur 5 hieronder is weergegeven hoeveel kilometers particulierehuishoudens per inkomensdeciel hebben afgelegd. De 1e 10%-groep is heteerste deciel en bevat 10% van alle huishoudens die het laagste gestan-daardiseerde inkomen hebben. Dit inkomen is het besteedbaar inkomengecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling vanhuishoudens. In de figuur is af te lezen dat de hoogste decielen hetmeeste profiteren van de brandstofaccijnsverlaging. Deze groepenhebben het vaakst een auto in bezit en rijden ook de meeste kilometers.Hoewel er een correlatie bestaat tussen inkomen en het aantal geredenkilometers, toont de analyse van TNO122 aan dat dit verband niet in allegevallen opgaat. Naast inkomen spelen factoren zoals woonlocatie, werken de afhankelijkheid van een auto een grote rol in het brandstofverbruik.Uit het rapport komt naar voren dat ongeveer 5% van de huishoudens meteen inkomen tussen de 50% en 150% van het wettelijk sociaal minimumextra kwetsbaar zijn voor hoge brandstofprijzen vanwege hun hogebrandstofconsumptie; voor de groep huishoudens met de allerlaagsteinkomens (<50% van het wettelijk sociaal minimum) gaat het om 10%.Deze risico-huishoudens rijden ondanks hun lagere inkomens veelkilometers en spenderen daardoor relatief meer aan brandstofkosten dande hoogste inkomensgroepen, met een verschil van circa 10%. Ditsuggereert dat ook huishoudens met lagere inkomens en hoge reiskilo-meters baat hebben bij een accijnsverlaging.Verder is het verlagen van de accijns op benzine, diesel en LPG eendirecte manier om alle huishoudens die gebruikmaken van deze vormen122Rapport TNO 2024 P12 018, 13 februari 2024, de energietransitie en het risico op vervoersar-moede.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26138 van brandstof en geen voor de hand liggend vervoersalternatief hebben,te ondersteunen in hun brandstofkosten. Dit heeft ook een doorwerkingop hun koopkracht. Dit neemt niet weg dat de accijnskorting ookterechtkomt bij andere gebruikers van brandstoffen, zoals transport- enandere bedrijven. Dat doet enigszins af aan de doelmatigheid van demaatregel.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoeveel extraCO2-uitstoot het kabinet verwacht door de verlenging van de verlaagdeaccijnstarieven en met welke andere maatregelen het kabinet dit gaatcompenseren. De leden van de fractie van D66 vragen ook om inzichtelijkte maken wat de klimaateffecten zijn van deze maatregel en om hoeveelextra CO2-uitstoot het gaat omdat meer (fossiel) wordt gereden. De ledenvan de fractie van D66 vragen tot slot in hoeverre dit ervoor zorgt datmensen meer auto gaan rijden in plaats van een weloverwogen afwegingmaken of een ritje noodzakelijk is.De accijns op benzine en diesel worden in 2025 tijdelijk met 19% verlaagd:het accijnstarief voor benzine is tijdelijk 78,91 cent/liter in plaats van 97,38cent/liter en het accijnstarief voor diesel is tijdelijk 51,63 cent/liter in plaatsvan 63,59 cent/liter. Het kabinet heeft geen nieuwe impactanalyse naar deCO2-effecten of het effect op het aantal autokilometers van de tijdelijkeaccijnsverlaging uitgevoerd. Op 24 oktober 2024 publiceert het PBL denieuwe Klimaat- en Energieverkenning, waarin een integrale doorrekeningvan de broeikasgasemissies in de mobiliteitssector is opgenomen. In dezedoorrekening is de tijdelijke accijnsverlaging tot en met 2025 meege-nomen. Indien blijkt dat de bestaande klimaatdoelen niet worden gehaald,dan zal het kabinet in het voorjaar van 2025 met aanvullend klimaatbeleidkomen.De leden van de fractie van de VVD vragen waarom bij de raming van demaatregel wordt uitgegaan van een 20 procent standaard gedragseffect.In september 2024 is het rapport «Gedragseffecten belastingmaatregelen»van het CPB verschenen. Hierin is per belastingsoort weergegeven metwelke gedragseffecten wordt gerekend bij belastingmaatregelen. HetFiguur 5: gereden kilometers per inkomensdeciel1.1 CBS (https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2023/13/kilometers-personenauto-s-huishoudkenmerken-2019)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26139 gedragseffect van benzine- en dieselaccijns is gebaseerd op een combi-natie van empirische literatuur en beredeneerde aannames. Het gedrags-effect van 20 procent bestaat bij een accijnsverhoging uit onder meer:•minder rijden: Een hogere brandstofprijs door de accijnsverhoging kanmensen ertoe aanzetten om hun autogebruik te verminderen. Ze zullenbijvoorbeeld minder vaak de auto gebruiken voor korte ritten,carpoolen met anderen, of vaker kiezen voor alternatieven zoalsopenbaar vervoer of fietsen.•zuiniger rijden: Bestuurders kunnen bewuster omgaan met hun rijstijlom brandstof te besparen. Dit betekent rustiger rijden, minder abruptremmen, en over het algemeen meer aandacht besteden aan eenefficiënte rijstijl om het brandstofverbruik te verminderen.•veranderingen in het autobezit: Door een hogere accijns op brandstofkan de keuze voor het type auto veranderen. Dit betekent dat mensenvaker kiezen voor auto’s die minder afhankelijk zijn van fossielebrandstoffen, zoals (semi-)elektrische voertuigen. Dit komt doordatelektrisch rijden financieel aantrekkelijker wordt ten opzichte vanauto’s die op benzine of diesel rijden.•tanken over de grens: In grensregio’s kunnen mensen ervoor kiezenom in buurlanden met lagere accijnzen te tanken. Dit gedrag komtvaker voor als de prijsverschillen tussen landen significant zijn,waardoor de besparing op brandstofkosten de moeite waard is om deextra afstand af te leggen.Daarnaast werd door deze leden gevraagd of op basis van eerdereverlaging van accijns kan worden berekend wat de daadwerkelijkegedragseffecten zijn in 2023 en 2024.Het is niet mogelijk om op basis de tariefswijzigingen en veranderingenvan de opbrengst precieze gedragseffecten te berekenen. In de ontwik-keling van de opbrengst uit de brandstofaccijns valt niet te onderscheidenof de toename in de vraag naar brandstof nu komt door de accijnsver-laging of door economische omstandigheden, prijsontwikkelingen ofwijzigingen in de aantrekkelijkheid van bijvoorbeeld openbaar vervoer.Daadwerkelijke gedragseffecten in 2023 en 2024 kunnen dus niet wordengegeven. Overigens heeft het Ministerie van Financiën wel onderzoek123gedaan naar grenseffecten van de accijnsverlaging op brandstoffen per1 april 2022. De in deze analyse gevonden grenseffecten passen binnen deeerdergenoemde 20% als gedragseffect bij brandstofaccijns.De leden van de fractie van de VVD vragen welke omstandighedendenkbaar zijn voor een verlenging van het verlaagde accijnstarief voorbrandstoffen na 31 december 2025.Zolang Nederland boven de minimumtarieven van de Europese energie-belastingrichtlijn (ETD) blijft, is het vaststellen van de hoogte van deaccijnstarieven een nationale politieke keuze. De verlaagde accijnstarievenvervallen in beginsel na 31 december 2025. Verlenging van de verlagingleidt tot een budgettaire derving, die conform de begrotingsregels in hetinkomstenkader moet worden gedekt.Het valt de leden van de fractie van NSC op dat veel vergroeningsmaatre-gelen in het wetsvoorstel zijn betrokken. Daarnaast zien deze leden ookdat de verlaagde accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en lpgworden verlengd. De leden van de fractie van NSC vragen of het kabinetde samenhang tussen deze voorstellen kan motiveren, vooral ook omdatde bedragen van de verschillende maatregelen niet in verhouding totelkaar staan.Het kabinet heeft de verlenging van de tijdelijke accijnsverlagingopgenomen in het Belastingplan 2025, zodat deze maatregel per 1 januari2025 in werking kan treden. Deze maatregel is zuiver als tijdelijke123Kamerstuk II, 2023–2024, 36 418, nr. 143Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26140 koopkrachtmaatregel opgenomen en primair gericht op het verlagen vande brandstofrekening van huishoudens in 2025. De maatregel staathiermee los van de voorstellen die het kabinet op vergroeningvlak in hetBelastingplan 2025 doet.De leden van de factie van D66 vragen of het kabinet kan toelichtenhoeveel elektrische auto’s op de weg kunnen worden gezet van 1,5 miljardeuro en hoeveel huishoudens die kampen met energiearmoede hiermeekunnen worden geïsoleerd.De budgettaire derving van de tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnsis niet 1 op 1 vergelijkbaar met de kosten van extra elektrische auto’s. Detoename van elektrische auto’s in het wagenpark leidt namelijk totgrondslagerosie in de autobelastingen, waardoor de overheidsinkomstenmeerjarig lager zullen zijn. De tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnsleidt daarentegen tot een incidentele derving. In het geval van het isolerenvan extra woningen gaat het wel om een eenmalige investering. Uitonderzoek van TNO blijkt dat in 2023 circa 400.000 huishoudens te makenhebben met energiearmoede.124 Het precieze aantal huishoudens dat met1,5 miljard euro kan worden geïsoleerd hangt van meerdere factoren af,zoals omvang van de woning, de energetische kwaliteit en het typewoning. De Nederlandse Bank schat in dat een gemiddelde investeringvan zo’n 27.375 euro nodig is om een koopwoning te isoleren naar(minimaal) energielabel B. In de actualisatie van de financiële doorre-kening voor de Nationale Prestatieafspraken is berekend dat het isolerentot de isolatiestandaard gemiddeld € 20.610 kost.125 Uitgaande vangemiddelde kosten van 24.000 euro voor huur- en koopwoningen dievolledig door de overheid worden vergoed, kunnen er met 1,5 miljard aanoverheidsmiddelen euro circa 60.000 woningen worden geïsoleerd tot destandaard. Een deel van de middelen zal ook naar begeleiding en adviesgaan. Met eigen middelen van woningeigenaren, particuliere verhuurdersen corporaties, of middelen uit het Warmtefonds voor woningeigenaren(voor lage inkomens tegen 0% rente) kunnen er flink meer woningenworden geïsoleerd. In de lokale aanpak van het Nationaal Isolatiepro-gramma moedigen we gemeenten aan van het Warmtefonds gebruik temaken in hun aanbod richting woningeigenaren. Wanneer de helft van deinvestering met het Warmtefonds of eigen middelen gefinancierd wordt,is het isoleren van circa 120.000 woningen mogelijk.Diverse beleidsinstrumenten zijn al gericht op het verduurzamen vanwoningen en het is een vraag waar de inzet van extra middelen hetmeeste effect sorteren. Van de 396.000 huishoudens met energiearmoedewonen zo’n 339.000 huishoudens in een woning van lage of zeer lageenergetische kwaliteit. Bij de huishoudens van de overige 57.000woningen is er sprake van een betalingsprobleem in plaats van eenwoningverduurzamingsprobleem. Per 1 januari 2029 moeten allehuurwoningen zijn verbeterd naar minimaal energielabel D. In de lokaleaanpak van het Nationaal Isolatieprogramma wordt ingezet op het nemenvan minimaal één isolatiemaatregel in 750.000 woningen van eigenarenen VvE’s die extra ondersteuning het hardste nodig hebben. Veelwoningen waarin huishoudens met energiearmoede wonen staan dus alop de planning om aangepakt te worden tot en met 2030. Verdergaandeisolatiemaatregelen bovenop het uitfaseren van energielabels E, F en G inde huur en de bestaande lokale aanpak, zoals isoleren naar de standaard,kunnen via minder verbruik de energierekening verder omlaag brengen.De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de regering hetnoodzakelijk vindt om voor 2025 1,5 miljard euro in te zetten voor een124TNO brengt niveau energiearmoede in kaart | TNO125https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/16/nationale-prestatieafspraken-actualisatie-financiele-doorrekeningTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26141 accijnsverlaging en waarom dit per 2026 niet meer nodig zou zijn. Zijvragen ook of het verschil in 2026 niet opnieuw groot zal zijn en of het nietverstandiger is de verlaging over meerdere jaren te spreiden.Het verlagen van de accijns op benzine, diesel en LPG is een directemanier om alle huishoudens die gebruikmaken van deze vormen vanbrandstof te ondersteunen in hun brandstofkosten. Door de korting in éénkeer toe te passen, wordt het voordeel sterker verbeterd. Het kabinet heefter echter bewust voor gekozen de korting slechts tijdelijk, voor één jaar, teverlengen. De energiemarkt is dynamisch en de brandstofprijzen zijn vanverschillende factoren afhankelijk waardoor het lastig is om de maatregelals beleidsinstrument voor een langere termijn vast te zetten.Ook vragen deze leden naar een overzicht van de ontwikkeling van degasprijzen over de afgelopen jaren, met een prognose voor het komendejaar.Gegeven de context is «gasprijzen» in deze vraag geïnterpreteerd alsprijzen van ongelode benzine, diesel en LPG. In de onderstaande figuurzijn cijfers van het CBS opgenomen over de pompprijzen van benzine(ongelood), diesel en LPG inclusief btw en accijns. Er is geen prognosebeschikbaar voor de ontwikkeling van brandstofprijzen. De ontwikkelingvan brandstofprijzen hangt af van onder andere de olieprijs, raffinage- entransportkosten, winstopslag brandstofleverancier, brandstofaccijns,kosten bijmenging biobrandstoffen en btw. Volgens huidig beleid zullende brandstofaccijnzen in 2026 hoger zijn dan op dit moment. In deKlimaat- en Energieverkenning 2022 (KEV22) raamt het PBL dat deolieprijs en gasprijs op de lange termijn zullen stijgen.126 De mate waarinen wat dit betekent voor de prijs in 2026 is onzeker.De leden van de fractie van het CDA en de ChristenUnie vragen wat degevolgen zijn in 2026 als de verlaging van de tarieven afloopt en deuitgestelde indexering over 2024 en 2025 moet worden ingehaald. Verdervragen de leden van de fractie van de ChristenUnie om toe te lichtenwelke wijzigingen van de accijnstarieven de komende jaren in hetbasispad staan.In de tabel hieronder is weergegeven hoe de brandstofaccijnstarieven zichhebben ontwikkeld vanaf 2022. In april 2022 zijn de brandstofaccijnsta-rieven verlaagd en op 1 juli 2023 is deze verlaging gedeeltelijk terugge-draaid, maar ook sinds juli 2023 liggen de tarieven nog onder het126Kamerstuk II, 2022–2023, 32 813, nr. 1112Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26142 basispad. De wijzigingen van de accijnstarieven in het basispad komendoor indexaties en ook doordat het accijnstarief voor diesel per 1 januari2023 is verhoogd met 1 cent per liter, als gevolg van de wet Fiscalemaatregelen Klimaatakkoord.In 2026 zal de benzineaccijns 101,18 cent per liter bedragen als deverlaging van de tarieven afloopt en de uitgestelde indexering over 2024en 2025 wordt ingehaald. Het tarief stijgt daarmee van 78,91 cent per liternaar 101,18 cent, wat een toename van 22,27 cent betekent. Het accijns-tarief voor diesel zal in 2026 stijgen van 51,63 cent per liter naar 66,14cent, wat een verhoging van 14,51 cent is. Het accijnstarief voor LPG zal in2026 23,87 cent per liter bedragen indien de kortingen worden terugge-draaid en de indexaties worden ingehaald, wat een stijging van 5,25 centten opzichte van 2025 inhoudt.Tabel 14: accijnstarievenOntwikkeling accijnstarieven Nederland in lopende prijzen en in eurocent/liter – vanaf 202201-01202201-04-202201-01202301-072023202420252026Benzine = Ongelodelichte olieBasispad82,3782,3787,5687,5696,2397,38101,18Verlaagd tarief– 65,0765,0778,9178,9178,91– Verschil–– 17,30– 22,49– 8,65– 17,32– 18,47–Diesel = gasolieBasispad52,8552,8557,2457,2462,9063,6666,14Verlaagd tarief–41,7541,7551,6351,6351,63–Verschil–– 11,10– 15,49– 5,61– 11,28– 12,03–LPGBasispad19,4319,4320,6620,6622,7022,9723,87Verlaagd tarief–15,3515,3518,6218,6218,62–Verschil–4,085,302,044,094,36– 37. Behoud inkoopfaciliteit in de dividendbelasting De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wanneer dedividendbelasting en de inkoopfaciliteit voor de dividendbelasting inNederland werden ingevoerd. Voorts vragen deze leden waarom hetinkopen van eigen aandelen van belang is voor een gezonde bedrijfs-voering. De leden van de fractie van D66 vragen of het economisch gezienlogisch is om de inkoop van eigen aandelen te belasten aangezien heteconomisch gelijkwaardige instrument van dividend uitkeren wel belastis. De leden van de fractie van de SP vragen daarnaast met welkeeconomische onderbouwing de inkoopfaciliteit in de dividendbelasting isbehouden. De Wet op de dividendbelasting 1965 is per 1 januari 1966 inwerking getreden, als opvolger van het Besluit op de Dividendbelasting1941 en de Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917. De dividend-belasting is een voorheffing die wordt ingehouden door de vennootschapdie het dividend uitdeelt (inhoudingsplichtige) ten laste van de aandeel-houders die gerechtigd zijn tot het dividend. In de meeste gevallen kan dedividendbelasting door de aandeelhouders worden verrekend met deinkomsten- of vennootschapsbelasting. Bij inkoop van eigen aandelen isdividendbelasting verschuldigd over de inkoopprijs verminderd met hetgemiddeld op de betreffende aandelen gestorte kapitaal. De inkoopfaci-liteit voor beursfondsen, waarmee beursfondsen onder striktevoorwaarden zonder heffing van dividendbelasting aandelen kunneninkopen is per 1 januari 2001 in werking getreden, samen met dewettelijke verankering van de belastbaarheid van de inkoop van aandelen.De Raad van State heeft eind jaren 90 van de vorige eeuw de dividendbe-lasting over de inkoop van beursaandelen als een aanmerkelijk knelpuntaangemerkt, mede omdat beursfondsen de inkoop van aandelen als eenbelangrijk strategisch instrument zien. De Raad van State heeft daaromTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26143 geadviseerd een oplossing te geven voor het knelpunt dat beursfondsenbij inkoop van eigen beursaandelen de dividendbelasting (gebruteerd)voor eigen rekening moeten nemen. Het kabinet was van mening dat hetontbreken van een regeling voor de inkoop van eigen aandelen deperformance van Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen tenopzichte van buitenlandse concurrenten nadelig kon beïnvloeden. Bij deinkoop van eigen aandelen is immers in beginsel dividendbelastingverschuldigd over de inkoopprijs verminderd met het gemiddeld op debetreffende aandelen gestorte kapitaal. Een beursfonds kan dividendbe-lasting ter zake van de inkoop van eigen aandelen niet inhouden ten lastevan de aandeelhouder. De aandeelhouder waarvan een beursfonds deaandelen inkoopt is namelijk onbekend bij het beursfonds. Een beurs-fonds moet derhalve bij inkoop van eigen aandelen de verschuldigdedividendbelasting voor eigen rekening nemen. Dit leidt doorgaans tot eenhogere belastingdruk dan de uitkering van regulier dividend. Daaromheeft het kabinet vanaf 2001 gezocht naar een maatregel waarbij inkoopvan eigen aandelen zonder inhouding van dividendbelasting bij beurs-fondsen in zijn algemeenheid kan worden toegestaan, zonder dat ditvolledig ten koste gaat van de jaarlijkse opbrengst van dividendbelasting.Het uitgangspunt hierbij is dat de inkoop van eigen aandelen niet tenkoste mag gaan van de uitdeling van regulier dividend. De belangrijkstevoorwaarde is dat er in het jaar van inkoop ook een contant dividendwordt uitgekeerd waarover wel dividendbelasting wordt geheven. Ditcontant dividend moet minimaal gelijk zijn aan het gemiddelde bedragaan dividend in contanten die in vijf voorafgaande kalenderjaren zijnuitgekeerd. Daarnaast mag het totale bedrag van de inkoop in eenkalenderjaar niet hoger zijn dan twintig keer het bedrag van hetgemiddeld uitgekeerde dividend in contanten in de vijf voorafgaandekalenderjaren, verminderd met de bedragen van inkoop waarop deinkoopfaciliteit van toepassing was in de vier voorafgaande kalenderjaren.In de brief aan uw Kamer van 26 september 2023 is de Tweede Kamergeïnformeerd over onder meer de rechtvaardiging van aandeleninkoop-programma’s.127 Daarbij is aangegeven dat er verschillende bedrijfseco-nomische overwegingen ten grondslag liggen aan het besluit om eigenaandelen in te kopen, waaronder het voeren van een consistent dividend-beleid en het waarborgen van de waardeontwikkeling van aandelen. Hetvolledig afschaffen van de inkoopfaciliteit zou een belemmerende werkinghebben op het kapitaalallocatiebeleid van Nederlandse beursfondsen. Ditkomt doordat het belasten van inkoopprogramma’s in de dividendbe-lasting een (te) dure aangelegenheid is doordat beursfondsen de heffingin de meeste gevallen gebruteerd voor eigen rekening moeten nemen.Een heffing van dividendbelasting over de inkoop van eigen aandelen,zonder faciliteit, heeft mogelijk gevolgen voor de waardering vanNederlandse beursfondsen in vergelijking tot buitenlandse beursgeno-teerde bedrijven. Dit schaadt de Nederlandse internationale concurrentie-positie. In de hiervoor genoemde brief worden voorgaande overwegingenuitvoeriger uiteengezet.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wat de regeringvindt van het voornemen van Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en anderelanden om de inkoop van eigen aandelen te belasten. Voorts vragen zij ofde regering erkent dat het heeft besloten om de afschaffing van deinkoopfaciliteit die door de toenmalige samenstelling van de TweedeKamer bij amendement is getroffen, terug te draaien en dat de TweedeKamer nog geen besluit heeft genomen over het nieuwe voorstel. Deleden van de fractie van D66 vragen of de regering bereid zou zijn om hetafschaffen van de inkoopfaciliteit te overwegen als deze maatregelgezamenlijk in internationaal verband genomen zou worden. Ik ben niet127Kamerstukken II, 2023/24, 36 410, nr. 77.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26144 bekend met een voornemen van het Verenigd Koninkrijk om de inkoopvan eigen aandelen te belasten. Wat wij begrijpen van het huidige Fransedividendbelastingsysteem is dat de inkoop van eigen aandelen, integenstelling tot het Nederlandse dividendbelastingsysteem, niet belast ismet Franse dividendbelasting. Wat de specifieke contouren zijn van hetFranse voorstel, waaronder eventuele uitzonderingen in specifiekesituaties, is nog niet bekend. Wat het voorstel wel lijkt te suggereren is datde inkoop van aandelen niet zal worden belast met een bronbelasting opdividenden, maar middels een zogenoemde «excise-tax». In een dergelijksysteem wordt niet de aandeelhouder zelf, maar de transactie belast. Ditzal leiden tot extra kosten voor de bedrijven in Frankrijk. Omdat inNederland in principe inkoop al belast is met dividendbelasting, ligt hetniet voor de hand om een nieuwe belasting in te voeren op de inkoop vanaandelen. Naar aanleiding van een motie is door het voorgaande kabinetonderzoek gedaan naar de inkoopfaciliteit. De Tweede Kamer is, zoalshiervoor aangegeven, bij brief van 26 september 2023 geïnformeerd overde uitkomsten van dit onderzoek.128 Uit dit onderzoek blijkt dat er goederedenen zijn om de inkoopfaciliteit te behouden. Daarom heeft hetvoorgaande kabinet het door de vorige samenstelling van uw Kameraangenomen amendement Van der Lee c.s.129 op het Belastingplan 2024tot afschaffing van de inkoopfaciliteit negatief beoordeeld. Het huidigekabinet heeft in het hoofdlijnenakkoord de ambitie uitgesproken om hetNederlandse vestigingsklimaat te verbeteren. Het hebben van een goedeen stabiele concurrentiepositie en voorspelbaar fiscaal beleid zijn daarbijbelangrijke speerpunten. Zo kunnen bedrijven beslissingen nemen voorde lange termijn. Het moet voor bedrijven aantrekkelijk zijn om zich inNederland te vestigen, dan wel in Nederland te blijven. Het kabinet steltdaarom de verbetering van het vestigingsklimaat voorop. Om dezeverbetering te verwezenlijken heeft het kabinet onder meer gekeken naarfiscale maatregelen. Het kabinet heeft besloten om enkele lastenverzwa-ringen die op of na Prinsjesdag 2023 zijn aangekondigd of maatregelendie door de toenmalige samenstelling van de Tweede Kamer bijamendement zijn getroffen, terug te draaien. Dit geldt ook voor demaatregel tot afschaffing van de inkoopfaciliteit in de dividendbelastingvoor beursfondsen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de regering hetermee eens is dat er veel onzekerheid bestaat over wat de daadwerkelijkeopbrengst is en of met zekerheid gezegd kan worden dat een van deramingen het dichtst bij de daadwerkelijke opbrengst ligt. Deze ledenvragen voorts naar de gevolgen van afwijkingen in de budgettaireconsequenties. De leden van de fractie van de SP vragen daarnaast tereflecteren op de berekening van SOMO over de budgettaire conse-quenties.Zoals uiteengezet in mijn beantwoording van de schriftelijke Kamervragenover de raming van de inkoopfaciliteit130 ben ik bekend met de ramingvan SOMO over de omvang van de inkoopfaciliteit. Ook StichtingEconomisch Onderzoek (SEO) heeft, in opdracht van VNO-NCW, eenschatting gemaakt. SOMO gaat uit van een hoger geraamde opbrengst,terwijl SEO uitgaat van een lagere opbrengst. Deze uiteenlopenderamingen benadrukken dat ramingen over belastinginkomsten inherentonzeker zijn. Dit komt met name door de gedragseffecten waarmeerekening wordt gehouden. Dat blijkt ook uit de onderzoeken van SOMO enSEO, waarbij het ene onderzoek met grotere gedragseffecten rekent enhet andere juist met kleinere gedragseffecten. Beide onderzoeken makenook gebruik van detaildata om tot een schatting te komen. Er valt op dit128Kamerstukken II, 2023/24, 36 410, nr. 77.129Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 11.130Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 140.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26145 moment niet te zeggen of het gebruik ervan tot een andere raming zouleiden. Zoals aangegeven zal ik met zowel SOMO als SEO in gesprektreden om te bezien in hoeverre de onderzoeken inzichten hebbenopgeleverd die relevant kunnen zijn voor de budgettaire raming.De leden van de fractie van de SP hebben gevraagd naar de gevolgen vanafwijkingen in de budgettaire consequenties en de wijze waarop deregering hiermee omgaat. Conform de begrotingsregels worden hogereof lagere opbrengsten of dervingen in het inkomstenkader niet gedekt.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen de regering of zijfeitelijke informatie van ondergeschikt belang vindt aan de politieke wensaandeelhouders een fiscaal cadeau te geven, en of de regering het ermeeeens is dat het van groot belang is dat de Kamer bij het nemen vanbeslissingen en het stemmen over wetten beschikt over de meestvolledige informatie en dat dat nu niet het geval is gezien de onzekerheidover de opbrengst van het belasten van inkoop van eigen aandelen.Voorts vragen deze leden of aanvullend onderzoek gedaan kan wordennaar de gedragseffecten van het belasten van inkoop van eigen aandelenen of een nieuwe raming kan worden gemaakt. De leden van de fractievan D66 hebben voorts gevraagd het CPB een nieuwe raming te latenmaken. De afschaffing van de inkoopfaciliteit per 1 januari 2025 isgeregeld door middel van het door de vorige samenstelling van uwKamer aangenomen amendement Van der Lee c.s.131 op het Belastingplan2024. Ten tijde van het aannemen van het amendement is een raminggemaakt van de budgettaire opbrengst op basis van de op dat momentbeschikbare data. Deze raming komt qua methodiek en opbrengst overeenmet de raming van het CPB voor Keuzes in Kaart. Het kabinet heeftbesloten de inkoopfaciliteit te behouden voordat afschaffing heeftplaatsgevonden. Derhalve is in het inkomstenkader de eerder ingeboekteopbrengst uitgeboekt. Dit is consistent met de situatie waarin deinkoopfaciliteit zou worden afgeschaft en er conform begrotingsregelsgeen herijking zou worden gemaakt van de eerder geraamde budgettaireopbrengst van de maatregel. Gegeven het feit dat met het behoud van deinkoopfaciliteit de eerder geraamde opbrengst is uitgeboekt is er op ditmoment geen directe aanleiding om een nieuwe raming te maken van deeventuele opbrengst van afschaffing van de inkoopfaciliteit. Dat neemtniet weg dat ik het verstandig acht om met het oog op eventueletoekomstige beleidsmaatregelen te bezien in hoeverre de onderzoekenvan SOMO en SEO nieuwe inzichten hebben opgeleverd die relevantkunnen zijn voor toekomstige budgettaire ramingen. Zoals aangegeven inmijn beantwoording van de schriftelijke vragen zal ik hiervoor met zowelSOMO als SEO in gesprek treden.De leden van de fractie van NSC vragen of de regering duidelijk kanmaken hoeveel banen voor Nederland kunnen worden behouden met hetbehouden van de inkoopfaciliteit. Zeer veel factoren bepalen het investe-ringsklimaat en de beslissingen van bedrijven om zich in Nederland tevestigen. Het is niet mogelijk om precies vast te stellen wat de bijdrage isvan deze individuele maatregel in aantal banen, binnen het groteregeheel. Wel is duidelijk dat deze maatregel bijdraagt aan het vestigings-klimaat in den brede, en daarmee aan de werkgelegenheid in Nederland.38. Budgettaire aspecten De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen de regering om eeninschatting van de belastinginkomsten die de overheid jaarlijks mislooptdoordat de rijkste 1 procent, rijkste 0,1 procent en rijkste 0,01 procent eenveel lagere effectieve belastingdruk hebben dan de rijkste 10 procent.131Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26146 Deze leden vragen of het klopt dat de rijkste 0,1 procent bestaat uit 14duizend mensen die gemiddeld zo’n 1 miljoen euro inkomen per jaarhebben, dus totaal 14 miljard euro. Zij vragen of het klopt dat deze groepeen belastingdruk heeft van 29 procent en of het klopt dat er jaarlijks 1,4miljard euro extra opgehaald zou worden als deze groep 10 procent extrabelasting zou betalen (39 procent in plaats van 29 procent). Voorts vragendeze leden of de regering een vergelijkbare inschatting kan maken voor derijkste 1 procent en de rijkste 0,01 procent.De vragen lijken te zijn gebaseerd op de recente CPB-publicatie Inkomensen belastingen aan de top.132 Uit deze publicatie kan worden afgeleid datde top-0,1 procent hoogste inkomens uit 14 duizend personen bestaat.133De hoogte van het gemiddelde inkomen van deze groep neemt in deperiode 2011–2019 toe van circa € 1,2 miljoen in 2011 tot circa € 2 miljoenin 2019.134 De belastingdruk van de top 0,1% hoogste inkomens ligt in2018 – zoals berekend door het CPB – inderdaad rond de 29%.135 Hierbij ishet relevant te weten dat het grootste deel van het inkomen van de top0,1% hoogste inkomens bestaat uit inkomen uit aanmerkelijk belang enhet CPB in de analyse de ingehouden winst van vennootschappen in enigjaar ook toerekent aan het inkomen van mensen met een aanmerkelijkbelang in een vennootschap. De winst in vennootschappen wordt jaarlijksbelast met de vennootschapsbelasting. Op het moment dat winst wordtuitgekeerd aan aanmerkelijkbelanghouders wordt dit belast in box 2 vande inkomstenbelasting. Zolang winst niet wordt uitgekeerd wordt het dusniet belast in de box 2 van de inkomstenbelasting. Dat verklaart de lagerebelastingdruk van de top 1% en de nog lagere belastingdruk van de top0,01%, omdat ingehouden winsten (nog) niet zijn belast in box 2 en debelastingdruk van dga’s dan vooral wordt bepaald door (enkel) de Vpb.Het CPB heeft ook geanalyseerd wat de gemiddelde gecumuleerdebelastingdruk is als gekeken wordt over een langere periode. Immers,wanneer ingehouden winsten alsnog worden uitgekeerd of vennoot-schappen worden verkocht, vindt (alsnog) box 2-heffing plaats. Debelastingdruk gemeten over een langere periode neemt wel iets toe tenopzichte van die in een enkel jaar en het meest – uiteraard – voor deabsolute top. Maar ook over de hele periode bezien blijft de belastingdrukhet laagst voor de hoogste inkomensgroepen. Ten slotte zijn er volgenshet CPB weinig aanwijzingen dat een groot deel van de ingehoudenwinsten uiteindelijk toch uitgekeerd wordt en zo onderhevig wordt aanbelasting in box 2.Wat betreft het antwoord op de vraag hoeveel euro extra opgehaald zoukunnen worden als de top-0,1% inkomens jaarlijks 10 procentpunt extrabelasting zou betalen zij verwezen naar de verschillende beleidsopties diehet CPB voorstelt.136 Als concrete beleidsopties worden voorgesteldkunnen ook de gevolgen voor de belastingopbrengsten worden geraamd.De leden van de fractie van NSC vragen om een overzicht van hetbudgettaire beslag van alle voorstellen die het vestigingsklimaat voor hetbedrijfsleven verruimen. Het kabinet heet dit verzoek geïnterpreteerd alseen overzicht van alle maatregelen in het pakket Belastingplan 2025 meteen budgettair beslag (dus niet 0) die (gedeeltelijk) leiden tot eenlastenverlichting voor bedrijven.In de onderstaande tabel is dit overzicht weergegeven.132van Essen, C., Lejour, A., Schulenberg, R., & Vanheukelom, T. (2024). Inkomens en belastingenaan de top in Nederland, CPB.133Ibidem, pagina 2.134Ibidem, pagina 9, figuur 3.135Ibidem, pagina 30, tabel A5.136Ibidem, pagina 24.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26147 Maatregel2025202620272028StructureelAanpassen samenloop verliesverrekening en kwijtschel-dingswinstvrijstelling vennootschapsbelasting– 3– 3– 3– 3– 3Verhogen percentage generieke renteaftrekpercentage(earningsstripping) naar 25%– 435– 428– 426– 425– 424Verlagen energiebelasting tarief voor waterstof0– 2– 3– 3– 5Invoeren tariefkorting motorrijtuigenbelasting vooremissievrije personenauto’s1– 6– 203– 289– 3186Invoeren constant forfait van 27% binnen de expatregeling(30% regeling)– 3– 4311– 32– 51Verlagen tarief overdrachtsbelasting woningen naar 8%10– 108– 108– 108– 108Verlengen verlaging brandstofaccijns voor benzine, dieselen liquefied petroleum gas (LPG)1– 14740000Terugdraaien afschaffing inkoopfaciliteit dividendbelasting– 800– 800– 800– 800– 800Terugdraaien verhoging tarief box 2– 210– 210– 210– 210– 210Terugdraaien verlaging MKB-winstvrijstelling– 93– 93– 93– 93– 931 De lastenverlichting van deze maatregelen komen gedeeltelijk terecht bij bedrijven De leden van de fractie van NSC vragen of de regering het met de ledeneens is dat het onverantwoord is hoe de inkomstenkant van de begrotingwordt vormgegeven. Conform het advies van de 16e en 17e StudiegroepBegrotingsruimte vindt er op één vast moment in het voorjaar eenhoofdsbesluitvormingsmoment plaats over de begroting. Waar mogelijkwordt hierbij ook besloten over de inkomstenkant. In augustus wordt erbesloten over koopkracht en wordt het inkomstenkader definitief gesloten.Het parlement wordt in de Voorjaarsnota en de Fiscale Beleids- enuitvoeringsagenda (FBUA) geïnformeerd over hoe de inkomstenkant vande begroting wordt vormgegeven. Bij de FBUA wordt ook een overzichtvan de voorlopige inhoud van het pakket Belastingplan, zelfstandigewetsvoorstellen, belastingverdragen en Europese trajecten gegeven. Hetkabinet is van mening dat dit op een verantwoorde manier gebeurd.39. EU-aspecten De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de stand vanzaken in de Nederlandse ruling onderzoeken naar IKEA en Nike naaraanleiding van het arrest van het Hof van Justitie inzake Apple. Integenstelling tot hetgeen de leden stellen, zijn de onderzoeken naarmogelijke staatssteun in rulings van IKEA en Nike niet gesloten. Eendergelijk formeel onderzoek wordt pas gesloten nadat de EuropeseCommissie een (eind)besluit heeft genomen met daarin het oordeel of erin haar ogen sprake is van (ongeoorloofde) staatssteun. Tegen dit besluitis vervolgens beroep open bij het Gerecht van het Hof van Justitie eneventueel hoger beroep bij het Hof van Justitie zelf.De leden van de fractie van VVD vragen of de voorgestelde stapsgewijzeverhoging van de kansspelbelasting leidt tot mogelijke schending vanartikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM, het «recht op hetongestoord genot van zijn eigendom». Zij vragen verder of het kabinetduidelijk kan maken of er een analyse is gemaakt van de schending vanhet EVRM. Ten slotte vragen deze leden of het kabinet alsnog een analysekan maken als hiervan geen sprake is.Hoewel belastingheffing in beginsel een inbreuk maakt op het eigendoms-recht, is inmenging in dit recht voorzienbaar op grond van de wettelijkgrondslag en voor belastingdoeleinden in het algemeen gerechtvaardigd.Daarbij geeft de rechter doorgaans een ruime beoordelingsvrijheid aan dewetgever om het belastingstelsel in te richten in lijn met de door dewetgever nagestreefde legitieme doelen. Of een maatregel in eenindividueel geval een inbreuk maakt op het eigendomsrecht is afhankelijkvan de feiten en omstandigheden. De wetgever moet ervoor zorgen dat ersprake is van een «fair balance» tussen de belangen van het betrokkenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26148 individu en het algemene belang. Het kabinet is van mening dat gelet opdeze criteria bij de voorgestelde maatregel geen sprake is van eenongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht. Uiteindelijk is het aan derechter om daarover in individuele zaken te beslissenDe leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet verwacht dat naaanpassing van de Europese Tabaksaccijnsrichtlijn een heffing ope-sigaretten per 1 januari 2026 in werking zou kunnen treden. Ook vragende leden wat ervoor nodig is om een nationale verbruiksbelasting ope-sigaretten per 1 januari 2026 in te voeren.Nadat op Europees niveau een akkoord is bereikt over de herziening vande Europese Tabaksaccijnsrichtlijn moeten de aanpassingen van derichtlijn, zoals de nieuw te belasten producten, worden omgezet innationale wetgeving. Hiermee zullen de lidstaten op basis van gezamenlijkbeleid moeten handhaven. Ook kan er voor deze producten gebruikworden gemaakt van alle reeds voor de accijns ingerichte wettelijke basis,formaliteiten, procedures en systemen.Na vaststelling van de herziene richtlijn moet deze worden omgezet innationale wetgeving. Deze omzetting wordt aangemerkt als een structuur-wijziging. Hoewel minder ingrijpend dan bij een nationale belasting heeftook dan de toevoeging van nieuw te belasten producten voor de Douanegevolgen ten aanzien van onder andere de automatisering, de afgifte enhet beheer van vergunningen, de aangiftebehandeling en de handhaving.Vanaf het moment dat de nationale wetgeving door beide Kamers isaangenomen, vergt de implementatie daarvan 12 tot 24 maanden,afhankelijk van onder meer de vormgeving en de uitvoeringstoets.Zoals per kamerbrief van 28 juni aangegeven is invoering van eennationale verbruiksbelasting op e-sigaretten per 1 januari 2026 nietmogelijk.137 Het betreft een geheel nieuwe belasting waarvoor degrondslag, het heffingsmoment en alle formeelrechtelijke aspecten nogmoeten worden vormgegeven. Een dergelijke belasting zal zeer veeluitvoeringsgevolgen met zich brengen, zowel voor de Douane als voorbedrijven. Na vormgeving van de wetgeving en vaststelling van dewetgeving in beide Kamers heeft de uitvoering nog tenminste 18–24maanden nodig om de uitvoering voor te bereiden. Deze termijn kan naarachteren in de tijd verschuiven in het geval ook andere structuurwijzi-gingen in het IV-portfolio van Douane dienen te worden uitgevoerd, zoalsbijvoorbeeld de herintroductie van rode diesel of het omvormen van deverbruiksbelasting op alcoholvrije dranken naar een gedifferentieerdeverbruiksbelasting op basis van suiker. Douane geeft aan dat slechts éénvan voornoemde structuurwijzigingen per 1 januari 2027 te realiseren is.De andere wijzigingen kunnen pas na 1 januari 2027 worden gerealiseerd.Hierbij kan mogelijk concurrentie ontstaan met wijziging 4.3 van hetsysteem voor accijnsgoederenvervoer (EMCS), de implementatie van demogelijke herziening van de Europese Tabaksaccijnsrichtlijn en deherziening van de Europese Richtlijn energiebelastingen, maar ook metandere meer algemene werkzaamheden zoals het onderhoud en beheerten behoeve van de continuïteit van het applicatielandschap van accijns &verbruiksbelastingen. Te zijner tijd zal prioritering moeten wordenaangebracht voor wat betreft de te maken keuzes binnen de IV-portfolio.40. Doenvermogen De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen (i) of er een doenvermo-gentoets is uitgevoerd voor een van de maatregelen in het Belastingplanen (ii) op welke manier er bij de koopkrachtbesluitvorming rekening isgehouden is met onvoorziene effecten. Er is bij alle maatregelen middelsde doenvermogenscan een inschatting gemaakt van de doenlijkheid voor137Kamerstukken II 2023–2024, 32 011, nr. 115.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26149 belastingplichtigen. Gegeven dat bij geen van de maatregelen is beoor-deeld dat ze een mogelijk problematisch beroep doen op het doenver-mogen is er geen aanvullende toetsing of onderzoek gedaan.Bij de koopkrachtbesluitvorming zijn geen effecten qua doenlijkheidvoorzien omdat er hierbij geen (extra) acties van belastingplichtigenworden gevergd.41. Uitvoergingsgevolgen De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA wijzen erop dat in de Staatvan de uitvoering wordt aangedrongen op complexiteitsreductie en vraagthet kabinet in dat licht in te gaan op de toenemende complexiteit alsgevolg van het Belastingplan 2025. Het pakket Belastingplan 2025 is in zijngeheel inpasbaar en uitvoerbaar. De leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA wijzen op de Staat van de uitvoering. De Staat van deuitvoering roept op om de uitvoering vanaf het begin te betrekken bijbeleidsvorming. Het Belastingplan is onder nauwe samenwerking tussenbeleid en uitvoering tot stand gekomen. Waar mogelijk zijn maatregelendaardoor beperkt tot parameterwijzigingen. Ook zijn bij de vormgeving enhet moment van inwerkingtreding keuzes gemaakt om de impact op deuitvoering te beperken. De moderniseringsopgave van de Belastingdienstis daarbij in alle afwegingen betrokken. Daarnaast zijn de uitvoeringsge-volgen – ook waar deze niet beperkt konden worden – inzichtelijk gemaaktmet gedetailleerde uitvoeringstoetsen en het «Overzicht Uitvoerbaarheid:inzicht in samenloop uitvoering Belastingdienst en uiterste data paramete-raanpassingen Belastingdienst, Douane en Toeslagen». Dit overzichtwordt sinds enkele jaren meegestuurd met het pakket Belastingplan.De complexiteit van de regelgeving neemt over het algemeen toe. Erzitten enerzijds enkele maatregelen in het pakket die duidelijk totvereenvoudiging leiden, bijvoorbeeld op het gebied van auto’s engiftenaftrek in de VPB. Tegelijkertijd zijn er een groter aantal maatregelendie het stelsel complexer maken, zoals maatregelen ter bestrijding vanbelastingconstructies, de uitvoering van de CO2-heffing glastuinbouw ende fiscale oplossing voor de alleenverdienersproblematiek. Het isnagenoeg inherent aan dit soort maatregelen dat deze gepaard gaan meteen toename van de omvang en complexiteit van het belastingstelsel.Ondanks de complexiteitsgevolgen kunnen deze maatregelen welmaatschappelijk of politiek wenselijk zijn.De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen aan de regering of zij kaningaan op de vraag hoe groot de risico’s zijn op personeelsgebied, nuvoor meerdere maatregelen geldt dat deze extra capaciteit zullen vragen,terwijl het Overzicht uitvoerbaarheid laat zien dat het een steeds grotereopgave is om vacatures te vullen.De uitvoeringstoetsen uit de afgelopen periode laten zien dat extrapersoneel nodig is, en dat geldt specifiek voor de expertises toezicht,fraude, bezwaar en beroep. In de krappe arbeidsmarkt is het een steedsintensievere opgave om vacatures in te vullen en nieuwe medewerkersvervolgens start- en vakbekwaam te maken. Het lukt ons met extra inzetnog steeds goed om dit te realiseren, dit vraagt nu al veel van hetabsorptievermogen van de organisatie.Naast de huidige beleidsopdrachten loopt een aantal trajecten die forseimpact kunnen hebben op het takenpakket van de Belastingdienst.Voorbeelden hiervan zijn de hersteloperatie en de invoering van eennieuw stelsel voor box 3, BAZ, en de wet versterking waarborgfunctie inde AWB. Hieraan zijn additionele personele opgaven verbonden. Vanuit deBelastingdienst onderscheiden we in ieder geval de volgende risico’s voorrealisatie van huidige en toekomstige beleidsopdrachten. Enerzijds dekrapte op de arbeidsmarkt in combinatie met de verder oplopende(pensioen)uitstroom. En anderzijds het absorptievermogen van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26150 Belastingdienst wat nog verder onder druk komt te staan. Immers: naastde inhoudelijke uitwerking van de nieuwe beleidsopdrachten dient nieuwpersoneel te worden aangetrokken en ingewerkt. Dat geeft extra druk voorhet zittend personeel naast de al lopende werkzaamheden.De risico’s en knelpunten op het personeelsgebied nemen de komendeperiode nog meer toe en dat heeft direct impact op de uitvoerbaarheidvan nieuwe en/of extra opgaven. Randvoorwaardelijk voor realisatie vanonze opgaven zijn specifieke politieke keuzes en prioritering, inclusief tijden ruimte.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de extra beschikbaar testellen IV-capaciteit past in de ICT-moderniseringsopgave van deBelastingdienst en vraagt of de regering de risico’s zoals verdringing in deketen Interactie, de keten Inning en Betalingsverkeer, en de keten OverigeMaatregelen verantwoord vindt. Ook vragen deze leden waaromhandhaving en toezicht structureel meer dan € 1 miljoen kost.Ten eerste wordt met de inzet van de extra IV-capaciteit voorkomen dat deinpassing van de CO2-heffing glastuinbouw de moderniseringstrajectenbinnen de keten Overige Middelen van de Belastingdienst enigevertraging oplopen. Juist wanneer ik dit niet doe, ontstaat er ongewensteverdringing van de essentiële modernisering in de keten OverigeMiddelen.Ten aanzien van de verdringingsrisico’s in de keten Interactie, de ketenInning en Betalingsverkeer en de keten Overige Middelen zijn er priorite-ringskeuzes gemaakt. Hierbij is rekening met een spoedige inwerking-treding van de CO2-heffing glastuinbouw. Deze heffing maakt onderdeeluit van de Wet fiscale Klimaatmaatregelen glastuinbouw die per 1 januari2025 in werking treedt. De CO2-heffing glastuinbouw is ingepast in hetIV-portfolio, wat in elk geval de toekomstige beleidsruimte bij de ketenOverige Middelen sterk beperkt. Daarnaast laat de huidige bezetting vande keten Interactie en van de keten Inning en Betalingsverkeer zeerbeperkt ruimte voor beleidswijzigingen, waardoor de Belastingdienst inhet meest gunstige geval in de tweede helft van 2027 verwacht te kunnenstarten met de uitvoering van de CO2-heffing glastuinbouw. In het uiterstegeval zal voor deelprocessen op het terrein van deze keten moetenworden teruggevallen op handmatige behandeling, met risico’s voor detijdige en juiste verwerking. Die risico’s zijn ook aan de orde als de inzetvan de extra IV-capaciteit niet kan worden gerealiseerd. Dit benadrukt denoodzaak om blijvend aandacht te blijven houden voor de uitvoering en –waar nodig – wensen te prioriteren, ook voor wensen op de middellangetermijn.De structurele handhavingskosten houden verband met de structurelepersonele claim van 10,2 fte. Voor de Belastingdienst is de CO2-heffingglastuinbouw een nieuwe heffing met een nieuwe doelgroep. DeBelastingdienst verwacht een verzwaring van de handhavingsinspanning,omdat er meer informatie nodig is om de volledigheid van de groepbelastingplichtigen en de juistheid van de aangiften te kunnen beoor-delen. De verschillende werkstromen zijn grotendeels structureel vanaard. Hieronder vallen bijvoorbeeld de coördinatie met de verschillendebelastingplichtigen en belanghebbenden zoals de RVO, de branchevereni-gingen en het CBS. Dit betreft ook de administratieve werkzaamheden ende afhandeling van vooroverleg en overige verzoeken zoals inzagever-zoeken, verzoeken om uitstel van betaling of verzoeken om uitstel vanaangifte. Verder zal de Belastingdienst (steekproef-)controles verrichten,de ontvangen aangiften onderwerpen aan kantoortoetsing en deinkomende bezwaarschriften en beroepszaken afhandelen.Ten aanzien van het gehele Belastingplan pakket 2025 vragen de ledenvan de CDA-fractie of de regering een overzicht kan geven van de totalestijging en de totale daling van het aantal FTE benodigd voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26151 uitvoering hiervan en waar dit incidenteel en per saldo op uitkomt. Ookvragen deze leden of een totale beoordeling kan worden gegeven of hetpakket aan wetsvoorstellen per saldo tot vereenvoudiging of tot meercomplexiteit leidt.De uitvoeringstoetsen in de periode van Prinsjesdag 23 tot Prinsjesdagleiden in de structurele situatie bij elkaar opgeteld tot een structurelebesparing van 22 fte. In de aanloop daarnaartoe is echter een forseincidentele inzet van personeel nodig met in 2025 een inzet van 157 fte, in2026 van 112 fte en in 2027 van 81 fte.Graag verwijs ik naar de tabel op pagina 38 het overzicht uitvoerbaarheidbij het Belastingplan voor meer informatie.De complexiteit van de regelgeving neemt over het algemeen toe. Erzitten enerzijds enkele maatregelen in het pakket die duidelijk totvereenvoudiging leiden, bijvoorbeeld op het gebied van auto’s engiftenaftrek in de VPB. Tegelijkertijd zijn er een groter aantal maatregelendie het stelsel complexer maken, zoals maatregelen ter bestrijding vanbelastingconstructies, de uitvoering van de co2-heffing glastuinbouw ende fiscale oplossing voor de alleenverdienersproblematiek. Het isnagenoeg inherent aan dit soort maatregelen dat deze gepaard gaan meteen toename van de omvang en complexiteit van het belastingstelsel.Ondanks de complexiteitsgevolgen kunnen deze maatregelen welmaatschappelijk of politiek wenselijk zijn.42. Box 3 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wat het totalebedrag is dat is uitgetrokken voor rechtsherstel en misgelopen inkomstenin box 3 naar aanleiding van de juni-arresten van de Hoge Raad, bij welkegroepen dit bedrag terecht komt, hoe de dekking eruit ziet en welkgedeelte bestaat uit rentekosten. Ook vragen zij om vanaf hetzogenoemde Kerstarrest inzichtelijk te maken welke bedragen ten aanzienvan het rechtsherstel box 3 zijn verwerkt in de begroting en in hetbasispad. De leden van de fractie van NSC vragen hoe hoog de kosten vanhet box 3 rechtsherstel inmiddels zijn.De gevolgen van het Kerstarrest zijn verwerkt in de Voorjaarsnota 2022.Het rechtsherstel leverde een derving aan de lastenkant op van 2,83miljard euro die neersloeg in 2022. Daarnaast was sprake van reserveringop de Aanvullende Post voor de uitvoeringskosten van in totaal 200miljoen euro, waarvan nog 125 miljoen euro resteert. De overbruggings-wetgeving leverde ten opzichte van het basispad een derving op van 385miljoen euro in 2023 en 2024. De invoering van het toekomstige stelsel isdaarna tweemaal een jaar uitgesteld. Dit uitstel zorgt voor een budgettairederving van 385 miljoen euro in 2025 en 395 miljoen euro in 2026. Dit isgedekt in respectievelijk de Miljoenennota 2023 en de Voorjaarsnota 2023.De totale derving voor de periode 2017–2026 van de arresten van de HogeRaad over box 3 van juni 2024 bedraagt circa 9,8 miljard euro. Dit bedragbestaat uit een geraamde derving van 6.385 miljoen euro die ziet op deperiode 2017 – 2024 en ten laste komt van het jaar 2024, een derving van1.695 miljoen euro voor belastingjaar 2025 en een derving van 1.751miljoen euro voor belastingjaar 2026. Dit is verwerkt in de Miljoennota2025 (Tabel 6 Inkomstenkader op pagina 48). De derving die ziet op 2024komt ten laste van het saldo. De derving in 2025 en 2026 is gedekt doorhet infaseren van de koopkrachtenveloppen uit het hoofdlijnenakkoord,het versnellen van de Awf-verhoging naar 2025, het verhogen van deAOF-premie met circa 0,03%-punt en het terugdraaien van de voorge-nomen verlaging van het box 3-tarief. De gevolgen van de juni-arrestenvoor de uitvoeringskosten worden met een uitvoeringstoets inzichtelijkgemaakt. Deze kosten worden gedekt middels een reservering op deAanvullende Post. Bij de vermindering van de aanslag in bezwaar, beroepof ambtshalve wordt op grond van de fiscale wetgeving geen belasting-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26152 rente vergoed door de Belastingdienst. Hiermee komt de totale geraamdederving van de twee hersteloperaties box 3 samen uit op circa 14 miljardeuroOnderstaande tabel uit het antwoord op vraag 66 van de feitelijkeKamervragen bij de bijlagen van de Miljoenennota 2025 geeft een inzichtin bij welke personen de compensatie op basis van de juni-arresten naarschatting terecht komt. De tabel is gebaseerd op een inschatting voorbelastingjaar 2025. Het meeste geld komt volgens deze inschatting terechtbij beleggers met een hoog inkomen en een hoog vermogen: ongeveer dehelft komt bij mensen die meer dan 3x modaal verdienen. Dezeinschatting is hoogst onzeker en geeft een verwachting gebaseerd ophistorische rendementen. De werkelijke compensatie hangt sterk af van derendementen die mensen in 2025 daadwerkelijk zullen halen. Het beelddat uit de tabel voor 2025 naar voren komt is naar verwachting ookillustratief voor het effect van de juni-arresten in andere jaren.Tabel 15: tabel 2 uit de miljoenennota 2025Tabel 2 Compensatie Box 3 2025 per inkomensgroepInkomensgroep (verzamelinkomen perpersoon*)Aantal mensen datgeld terug krijgt(waarvan AOW-er)Totale bedrag dat zijterug krijgen in € mln(% totaal)Gemiddelde bedragdat zij terug krijgenGemiddelde box3-vermogen van dezemensen< Minimumloon94.800 (38.700)115 (7%)1.200 euro394.000 euroMinimumloon – modaal76.200 (33.800)133 (8%)1.700 euro440.000 euroModaal – 2x modaal113.400 (35.300)370 (22%)3.300 euro594.000 euro2x Modaal – 3x modaal44.700 (11.000)246 (15%)5.500 euro738.000 euro3x Modaal – 4x Modaal17.900 (4.200)144 (8%)8.000 euro984.000 euro> 4x Modaal26.400 (5.600)687 (41%)26.000 euro2.327.000 euro De leden van de fractie van de PVV vragen wat de procentuele verdelingvan vermogensbestanddelen in aangiften box 3 is. Onderstaande figuurgeeft deze verdeling weer voor box 3-belastingplichtigen in 2021.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie vragen naar de gevolgen vanbox 3 voor de uitvoering en wat dit betekent voor de IV-ruimte voor deaankomende jaren. In de Kamerbrief van 20 september 2024 is uiteen-gezet dat de herstelwerkzaamheden van box 3 noodzakelijkerwijsvoorrang krijgen en ten koste zullen gaan van ICT-capaciteit voor demodernisering die benodigd is voor de invoering van het nieuwe stelsel.Daarnaast is in voornoemde Kamerbrief opgenomen dat er om deze redenook niet voldoende capaciteit beschikbaar is om het toekomstige stelselper 1 januari 2027 in de huidige vorm volledig te implementeren en dat erop dit moment naar alternatieve invoeringsopties wordt gekeken. Ik zal deKamer nader informeren over de effecten van de Hoge Raad arresten metbetrekking tot de IV-ruimte binnen de keten IH bij het schriftelijk overlegICT dat naar verwachting later deze maand zal gaan plaatsvinden. Degevolgen van box 3 voor de uitvoering met betrekking tot de herstelope-ratie naar aanleiding van de Hoge Raad arresten worden op dit moment inkaart gebracht door middel van een uitvoeringstoets.Figuur 6: Verdeling van het totale vermogen van box 3-belastingplichtigen in 2021Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26153 De leden van de fractie van NSC vragen waarom de reparatie van de box3 wetgeving naar aanleiding van de recente arresten van de Hoge Raadniet in het Belastingplan staat. Ik bereid wetgeving voor om de heffing inbox 3 in overeenstemming te brengen met de jurisprudentie van de HogeRaad. Begin september zijn diverse interne en externe wetgevingstoetsenaangevraagd. Na afronding van deze toetsen zal advies worden aange-vraagd bij de afdeling advisering van de Raad van State. De planning isom zo snel mogelijk daarna, in het eerste kwartaal van 2025 hetwetsvoorstel aanhangig te maken bij de Tweede Kamer, waarbij gekoerstwordt op inwerkingtreding per 1 juni 2025. De implementatie van hetaanvullende rechtsherstel vergt veel capaciteit van de Belastingdienst. Opbasis van de huidige planning kan de Belastingdienst in de zomer van2025 het formulier «opgaaf werkelijk rendement» beschikbaar stellen,waarmee belastingplichtigen hun werkelijke rendement kunnen opgeven.In de kamerbrieven van 18 juli 2024138 en 17 september 2024139 heb ik uwKamer nader geïnformeerd over deze voorbereidingen.De leden van de fractie van NSC vragen waarom niet de hele derving alsgevolg van de arresten over box 3 in 2024 wordt achtergelaten, maaralleen een deel hiervan. De leden van de fractie van het CDA vragen ooknaar de jaren waarin de budgettaire gevolgen neerslaan en om nader in tegaan op de gevolgen in 2024 tot en met 2027. Naar aanleiding van dearresten van de Hoge Raad moeten belastingplichtigen met een lagerwerkelijk rendement dan het forfaitaire rendement de gelegenheid krijgenom dit aannemelijk te maken. Als het werkelijke rendement lager is danhet forfaitaire rendement wordt de belasting verminderd. Bij een negatiefwerkelijk rendement betekent dit dat de belastingplichtige alle betaaldebox 3-belasting van dat jaar terug kan krijgen. De Hoge Raad heeft nietvoorzien in verrekening met andere jaren.De budgettaire derving per belastingjaar is afhankelijk van de (geraamde)werkelijke rendementen in een belastingjaar. De arresten van de HogeRaad zien zowel op de Wet rechtsherstel box 3 (2017–2022) als op dehuidige bepalingen in box 3 zoals ingevoerd door de Overbruggingswetbox 3 (2023 en verder). De derving als gevolg van de arresten voor dejaren 2017 tot en met 2024 slaat neer in 2024, omdat de arresten van deHoge Raad in 2024 zijn gewezen. Deze derving in 2024 bedraagt € 6,385miljard. Daarnaast zorgen de arresten voor een derving in toekomstigejaren totdat een nieuw stelsel op basis van werkelijk rendement wordtingevoerd. Deze derving bedraagt € 1,695 miljard in 2025 en € 1,751miljard in 2026.De leden van de fractie van D66 geven aan dat zij het belangrijk vinden datiedereen eerlijk belasting betaalt en maken zich in dat verband zorgen omde ontwikkelingen rondom box 3 omdat er bijna 10 miljard aan compen-satie wordt uitgekeerd aan personen met een relatief hoog inkomen enrelatief veel vermogen. Zij stellen dat het daarmee lastig is deze groephun fair share te laten betalen. Tevens vragen de leden van de fractie vanD66 of het kabinet de zorg om de ontwikkeling van de vermogensver-deling deelt. De compensatie van belastingplichtigen met een lagerwerkelijk rendement dan het forfaitaire rendement is naar aanleiding vanarresten van de Hoge Raad. Aan deze groep belastingplichtigen moetrechtsherstel worden geboden. De Hoge Raad heeft in zijn arresten regelsgeformuleerd voor de vaststelling van het werkelijke rendement om tebepalen of een schending optreedt van het discriminatieverbod eneigendomsrecht. Het kabinet volgt deze regels van de Hoge Raad. Dezeregels zijn voor alle belastingplichtigen hetzelfde, dus ongeacht de grootteof samenstelling van het vermogen. Volgens de Hoge Raad wordt het138Kamerstukken II 2023/24, 32 140, nr. 204.139Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 205.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26154 probleem uit het Kerstarrest doorgaans opgelost voor mensen wiensvermogen enkel bestaat uit banktegoeden. Het rechtsherstel ziet metname op beleggingsvermogen. Het is een wetmatigheid dat dan een grootdeel van de compensatie gaat naar mensen met relatief veel beleggings-vermogen in box 3. Belastingplichtigen die een hoger rendement op hunbox 3-vermogen hebben behaald dan het forfaitaire rendement hoevenniet achteraf bij te betalen. Het kabinet werkt onverkort door aan eenwetsvoorstel van box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement. Hetbelasten van het werkelijk rendement op vermogen in box 3 zorgt vooreen evenwichtiger belastingstelsel en zorgt dat iedereen met box3-vermogen diens fair share betaalt.De leden van de fractie van de BBB en de leden van de fractie van D66vragen waarom het kabinet het gepast acht dat iedereen moet meebetalenaan de compensatie op het box 3 dossier en waarom de regering er nietvoor kiest om de gemiste Box-3 inkomsten en kosten van de herstelope-ratie te verhalen op degenen met het meeste vermogen. De leden van defractie van D66 geven aan dat zij het belangrijk vinden dat iedereen eerlijkbelasting betaalt en maken zich in dat verband zorgen om de ontwikke-lingen rondom box 3 omdat er bijna € 10 miljard aan compensatie wordtuitgekeerd aan personen met een relatief hoog inkomen en relatief veelvermogen. Zij stellen dat het daarmee lastig is deze groep hun fair sharete laten betalen. Tevens vragen de leden van de fractie van D66 of hetkabinet de zorg om de ontwikkeling van de vermogensverdeling deelt.De compensatie van belastingplichtigen met een lager werkelijkrendement dan het forfaitaire rendement gebeurt naar aanleiding vanarresten van de Hoge Raad. Aan deze groep belastingplichtigen moetrechtsherstel worden geboden. De Hoge Raad heeft in zijn arresten regelsgeformuleerd voor de vaststelling van het werkelijke rendement om tebepalen of een schending optreedt van het discriminatieverbod eneigendomsrecht. Het kabinet volgt deze regels van de Hoge Raad. Dezeregels zijn voor alle belastingplichtigen hetzelfde, dus ongeacht de grootteof samenstelling van het vermogen. De Hoge Raad constateert dat hetprobleem uit het Kerstarrest doorgaans wordt opgelost voor mensenwiens vermogen enkel bestaat uit banktegoeden. Het forfaitairerendement voor banktegoeden benadert namelijk in de regel hetwerkelijke rendement. Het nieuwe rechtsherstel naar aanleiding van dearresten uit juni ziet met name op beleggingsvermogen. Het is een logischen rekenkundig gevolg dat dan een groot deel van de compensatie gaatnaar mensen met relatief veel beleggingsvermogen in box 3.Wat betreft de dekking van de € 10 miljard aan compensatie het volgende.Het kabinet heeft geen aanvullende dekking opgenomen voor de dervingdie betrekking heeft op de belastingjaren 2024 en ouder. Dekking voor dederving over belastingjaren 2025 en 2026 komt grotendeels uit hetgefaseerd invoeren van de koopkrachtenveloppen uit het Hoofdlijnenak-koord. Deze infasering zorgt er ook voor dat de koopkrachtontwikkelingbeter wordt verspreid over de gehele kabinetsperiode en dus bijdraagtaan een evenwichtige koopkrachtontwikkeling. Zo leiden macro-economische tegenvallers niet direct tot een negatieve koopkrachtontwik-keling. Het door het kabinet voorgestelde lastenpakket vindt daarmee eenbalans in de verschillende prioriteiten van het kabinet.Het kabinet werkt onverkort door aan een wetsvoorstel voor een box3-stelsel op basis van werkelijk rendement. Het belasten van het werkelijkrendement op vermogen in box 3 zorgt voor een evenwichtiger belasting-stelsel en zorgt dat iedereen met box 3-vermogen diens fair share betaalt.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de regering bereidis bij het rechtsherstel box 3 alsnog wel rekening te houden met hetheffingvrije vermogen als spaarders belast willen worden op basis vanwerkelijk rendement in plaats van het te hoge forfaitaire rendement. In ditTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26155 kader geven deze leden aan het negeren van het heffingvrije vermogenjuist bij kleine spaarders een oneerlijke methode te vinden. De Hoge Raadconstateert dat het probleem uit het Kerstarrest doorgaans wordt opgelostvoor mensen wiens vermogen enkel bestaat uit banktegoeden. Hetforfaitaire rendement voor banktegoeden benadert namelijk in de regelhet werkelijke rendement. Toch kunnen ook spaarders tegenbewijsleveren als hun werkelijke rendement lager is dan het forfaitairerendement. De Hoge Raad heeft in zijn arresten regels geformuleerd voorde vaststelling van het werkelijke rendement om te bepalen of eenschending optreedt van het discriminatieverbod en eigendomsrecht in dezin van het EVRM. Het kabinet volgt deze regels van de Hoge Raad. Dezeregels zijn voor alle belastingplichtigen hetzelfde, dus ongeacht de grootteof samenstelling van het vermogen. De Hoge Raad geeft aan dat hetwerkelijke rendement moet worden bepaald op basis van het gehele box3-vermogen, zonder aftrek van het heffingvrije vermogen. Door hetheffingvrije vermogen in box 3 worden juist mensen met relatief kleinevermogens ontzien in het forfaitaire stelsel. Daardoor zal het forfaitairbepaalde rendement bij mensen met een relatief klein vermogen juistvaak lager zijn dan het werkelijke rendement, waardoor geen sprake is vaneen schending van EVRM-rechten en geen aanleiding voor rechtsherstel.De leden van de fractie van NSC verwijzen naar het antwoord van MinisterKeijzer op vraag 4 van de schriftelijke vragen van de leden Omtzigt en VanVroonhoven over de belastingdruk op middenhuurwoningen(2024Z12184). In het antwoord is in kaart gebracht wat de gevolgen zijnvan beleidsmaatregelen op de opbrengsten van een specifiekehuurwoning. Deze leden vragen om de berekeningen bij vraag 4 over tedoen onder de aanname dat de belastingplichtige alleenstaand is en€ 50.000 spaargeld in box 3 heeft. Daarnaast vragen zij om dezelfdeberekening over te doen voor iemand die drie woningen heeft. Allereerstis het in zijn algemeenheid goed om opnieuw op te merken dat hetvoorbeeld een heel specifiek scenario schetst. Het is dan ook niet mogelijkom op basis van dit voorbeeld generieke uitspraken te doen over degehele markt en hier kunnen dus ook geen algemene conclusies uitworden getrokken.In antwoord op vraag 4 van de genoemde schriftelijke vragen is uiteen-gezet wat de impact van recente beleidsmaatregelen is op een specifiekvoorbeeld van een belegger die één woning verhuurt. Onderstaande tabeltoont van deze maatregelen de impact op het rendement van de woningin het voorbeeld in drie situaties: de oorspronkelijke situatie uit hetvoorbeeld, de situatie waarbij de investeerder ook € 50.000 spaargeldbezit en, ten slotte, de situatie waarbij deze naast € 50.000 spaargeld tweeidentieke woningen extra bezit. Bij deze cijfers is dezelfde toelichting vantoepassing als gegeven in het antwoord op de schriftelijke vraag. Net alsin het oorspronkelijke voorbeeld, geldt in alle drie de gevallen dat deopbrengsten (huur en gemiddelde waardeontwikkeling) van de inves-teerder hoger zijn dan de kosten, ook na onderstaande beleidsmaatre-gelen.Tabel 16: De impact van recente beleidsmaatregelen op het rendement van deinvesteerder uit het voorbeeld en twee variaties daarop.MaatregelBelegger uitvoorbeeldmet 1woningBelegger uitvoorbeeldmet 1woning enspaargeldBelegger uitvoorbeeld met3 woningen enspaargeldVerhoging box 3-tarief van 32% naar 36%per 1 januari 2024– € 274– € 355– € 1.687Actualisatie van de leegwaarderatio per1 januari 2023– € 2.247– € 1.936– € 5.015Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26156 MaatregelBelegger uitvoorbeeldmet 1woningBelegger uitvoorbeeldmet 1woning enspaargeldBelegger uitvoorbeeld met3 woningen enspaargeldOverbruggingswet box 3 per 1 januari 2023inclusief forfait op schulden– € 1.535– € 1.379– € 3.504Verhoging van het heffingvrije vermogennaar € 57.000 in 2023+€ 107+€ 79+€ 66Tegenbewijsregeling naar aanleiding vanjuni-arresten Hoge Raad€ 0€ 0€ 0Wet betaalbare huur– € 101– € 101– € 303Wet maximering huurprijsverhogingenIn de casus wordt de huur tot 2024 op € 1.000gehouden en per 1 januari 2024 verlaagd. Heteffect van deze maatregel is daarom niet goedzichtbaar in het voorbeeld.OpkoopbeschermingGeen financiële impact Het effect van de tegenbewijsregeling is € 0 (geen effect), omdat in dezedrie voorbeelden het werkelijke rendement hoger is dan het forfaitairbepaalde rendement.De leden van de fractie van het NSC vragen of de belastingheffing in box3 heeft geleid tot een verkoopgolf van woningen in box 3 en of deregering bereid is maatregelen te nemen om de verhuur van woningen inbox 3 te stimuleren. Het kabinet heeft er op dit moment geen zicht op datde box 3-heffing heeft geleid tot een verkoopgolf van verhuurdewoningen die tot het box 3-vermogen behoren. Box 3 is een algemeengeldende fiscale maatregel en niet gericht op de woningmarkt. Het ligtdan ook volgens het kabinet niet voor de hand om eventuele stimulerings-maatregelen voor de woningmarkt in box 3 te regelen. Voor zoverbeleggers in onroerend goed onder het huidige box 3-stelsel tegen eenbelastingheffing over een forfaitair rendement aanlopen dat hoger ligt danhun werkelijke rendement, hebben zij op basis van de arresten van deHoge Raad van 6 juni 2024140 de mogelijkheid aan te tonen dat hunwerkelijke rendement over hun gehele vermogen lager is dan het forfaitairberekende rendement. Het kabinet werkt deze tegenbewijsmogelijkheidop dit moment nader uit in wetgeving. Deze is dan in beginsel vantoepassing op alle jaren vanaf 2017. Verder ligt het wetsvoorstel Wetwerkelijk rendement box 3 bij de Raad van State voor advies.43. Komende nota’s van wijziging De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de verlaging van hetoverdrachtsbelastingtarief voor woningen wel in de factsheetbundel isopgenomen, maar niet in het Belastingplan 2025 voorkomt. Ook vragen zijin dat licht naar zekerheid over deze verlaging in relatie tot benodigdevoorbereidingstijd voor het treffen van de maatregel en het effect ervanop investeringen.Deze maatregel zal onderdeel uit gaan maken van het Belastingplan 2025via een nota van wijziging op dat wetsvoorstel. Beoogd is om deze notavan wijziging op donderdag 24 oktober aan uw Kamer te versturen. Dereden dat deze maatregel nog geen onderdeel uitmaakt van het Belas-tingplan 2025 is dat de vormgeving van deze maatregel niet tijdig voor deindiening van dat wetsvoorstel bij de Tweede Kamer kon worden afgerondaangezien tot deze maatregel is besloten in de augustusbesluitvorming.Het kabinet hecht waarde aan deugdelijke wetgeving en een gedegenuitvoeringstoets en hecht eraan dat de Raad van State gelegenheid krijgtom een advies uit te brengen. In de aanbiedingsbrief bij het pakket140Hoge Raad 6 juni 2024, bijvoorbeeld: ECLI:NL:HR:2024:704.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26157 Belastingplan 2025 is aangekondigd dat wordt voorgesteld het tarief per1 januari 2026 te verlagen. Ook zijn de hoofdlijnen van de maatregel in defactsheetbundel opgenomen. Door deze maatregel op te nemen in hetBelastingplan 2025, door middel van een nota van wijziging, ontstaatvroegtijdig zekerheid over de verlaging, wat noodzakelijk is voor uitvoer-baarheid door het notariaat en de Belastingdienst en waarmee ookduidelijkheid wordt geschept voor de markt. Het rendement op investe-ringen in (nieuwbouw van) huurwoningen is namelijk mede afhankelijkvan het verwachte overdrachtsbelastingtarief bij toekomstige overdrachtvan een bestaande woning aan het einde van de exploitatieperiode. Ookmaakt de maatregel het relatief minder aantrekkelijk om woningen uit dehuurvoorraad te onttrekken omdat het tariefverschil met verkoop aan eeneigenaar-bewoner afneemt. Hoe eerder zekerheid bestaat over devoorgestelde maatregel, hoe eerder de positieve effecten op kunnentreden.De leden van de fractie van de VVD vragen of de inwerkingtreding van deverlaging per 1 januari 2026 in plaats van 1 januari 2025 uitstelgedraguitlokt en, zo ja, in welke omvang.Voorgesteld wordt om de maatregel per 1 januari 2026 in te voeren omdatdit de eerst mogelijke ingangsdatum is gelet op de uitvoerbaarheid vooralle betrokken partijen. Dat de maatregel vroegtijdig wordt aangekondigdzorgt ervoor dat de Belastingdienst, de Koninklijke Notariële Beroepsorga-nisatie (KNB) en het notariaat kunnen starten met de benodigde aanpas-singen aan hun systemen.De vroegtijdige zekerheid over de verlaging kan door investeerders in2025 al worden meegewogen bij investeringskeuzes ten aanzien vanhuurwoningen. Dit omdat de investeringsbeslissing mede afhankelijk isvan de verwachte verkoopopbrengst en het overdrachtsbelastingtarief aanhet einde van de exploitatieperiode. Omdat het eind van de exploitatiepe-riode vrijwel altijd na 2026 is, zullen investeerders in hun business casesin 2025 al rekenen met het te verwachten overdrachtsbelastingtarief tentijde van eventuele doorverkoop in verhuurde staat, waarbij dat tarief dan8% is in plaats van 10,4%.Tegelijkertijd is het de verwachting dat de markt enigszins zal anticiperenop een wijziging van het overdrachtsbelastingtarief. Voor de raming isrekening gehouden met een anticipatie-effect voor de jaren 2025 en 2026.Van een deel van de woningverkopen die normaal gesproken in 2025zouden plaatsvinden, wordt verwacht dat die worden uitgesteld naar 2026vanwege de verlaging van het tarief. Dit betekent dat er in 2025 naarverwachting minder woningverkopen zullen plaatsvinden aan inves-teerders, terwijl het aantal verkopen in 2026 waarschijnlijk hoger zalliggen.Het anticipatie-effect is geschat aan de hand van de historische ontwik-keling van het aantal transacties rond vorige wijzigingen in de tarieven,zoals de Wet differentiatie overdrachtsbelasting en de verhoging van hetalgemene tarief naar 10,4%. De omvang van de anticipatie effecten leidtnaar verwachting tot een budgettaire derving van € 205 miljoen in 2025,terwijl er in 2026 een budgettaire opbrengst van € 49 miljoen wordtverwacht. Vanaf 2027 stabiliseert het effect en bedragen de jaarlijksekosten van de maatregel € 108 miljoen.De leden van de fractie van D66 vragen waarom is gekozen voor eenverlaging van de overdrachtsbelasting naar 8% in plaats van 6%. Ookvragen zij waarom ervoor is gekozen om de verlaging niet voor commer-cieel vastgoed te laten gelden. Tevens vragen deze leden welk signaal deregering hiermee afgeeft naar buitenlandse investeerders die opzoek zijnnaar stabiliteit en zekerheid. Ook vragen de leden van de fractie van D66hoeveel meer nieuwbouwwoningen en woningen door middel vantransformatie de regering verwacht te realiseren door middel van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26158 verlaging van de overdrachtsbelasting. Ten slotte wordt door deze ledengevraagd welk tarief geldt in omringende landen.De keuze voor een verlaging naar 8% en niet naar een ander percentagezoals 6% is mede ingegeven door de uitkomsten van de evaluatie van deWet differentiatie overdrachtsbelasting en de verdere verhoging van hetalgemene tarief naar 10,4%. Daaruit blijkt dat een algemeen tarief van 8%effectief is om de doelstellingen van genoemde wet te bereiken. Startershebben hierdoor een stevigere positie vergaard op de koopwoningmarkten hun toegang tot die markt is verbeterd. Echter, de verhoging van hetalgemene tarief naar 8% en daarna naar 10,4% had niet alleen eenpositieve invloed op de positie van starters maar het is ook aannemelijkdat deze gepaard is gegaan met negatieve neveneffecten. De onder-zoekers concluderen dat de verhoging van het algemene tarief van deoverdrachtsbelasting mogelijk heeft geleid tot een langzamere groei vande huurwoningvoorraad. Ook wordt door de onderzoekers een neerwaartseffect op het rendement bij gebiedsontwikkeling, waaronder nieuwbouw,genoemd. Voor een verdere appreciatie van dit onderzoek verwijzen wijnaar de kabinetsreactie hierop die op korte termijn naar Uw Kamerverzonden zal worden.Gelet op de ontwikkelingen op de woningmarkt de laatste jaren, wil hetkabinet het aanbod van betaalbare huurwoningen vergroten doormaatregelen te nemen die investeren in huurwoningen aantrekkelijkermaakt en het bouwen van (private) huurwoningen stimuleert. Dit doet hetkabinet mede door de introductie van een algemeen woningtarief in deoverdrachtsbelasting van 8% per 1 januari 2026. Daarmee wordt deverdere verhoging van 8% naar 10,4% specifiek voor woningen terugge-draaid. Door deze maatregel wordt de belastingdruk op de exploitatie vannieuwbouw-huurwoningen en de verkrijging van onder meer huurwo-ningen verlaagd, terwijl er rekening gehouden wordt met de positie vanstarters door de differentiatie en de startersvrijstelling in stand te houden.Het algemene tarief van 10,4% blijft voor niet-woningen zoals commer-cieel vastgoed behouden. Dit is doelmatiger dan een generieke verlagingvan het algemene overdrachtsbelasting tarief. Bij een generieke verlagingzou namelijk ook de belastingdruk voor alle verkrijgingen vanniet-woningen worden verlaagd, zoals kantoren en bedrijfspanden, zonderdat dit direct bijdraagt aan de woningmarktdoelstelling om het aanbodvan huurwoningen te vergroten. Een generieke verlaging van hetalgemene tarief zou naar verwachting voor het grootste gedeelte(ongeveer 55%) ten goede komen aan investeerders in vastgoed (nietzijnde woningen), waardoor het woningaanbod niet direct wordt vergroot.Een algehele verlaging van het algemene tarief is hierdoor minderdoeltreffend en doelmatig, aangezien ook de kosten veel hoger zoudenzijn.De verlaging van het tarief voor woningen heeft een positief effect op debusinesscase bij nieuwbouwprojecten. Hiermee zal de onrendabele top bijeen aantal projecten verdwijnen en bij andere projecten verminderen. Hetkabinet heeft niet voor elk project inzichtelijk hoe hoog de onrendabeletop is. Daarom is het niet mogelijk om een inschatting te geven hoeveelprojecten en daarmee hoeveel woningen door de verlaging van hetalgemene tarief extra gebouwd zullen worden.Op de verkrijging van gebouwen die al zijn getransformeerd tot woningten tijde van de verkrijging is doorgaans geen overdrachtsbelasting maarbtw van toepassing. In de gevallen dat wel overdrachtsbelasting vantoepassing is, kan in de gevallen dat panden worden verkregen vooraf-gaand aan de transformatie tot woningen het 8%-tarief niet wordentoegepast omdat op het moment van levering van het pand nog geensprake is van woningen. Het kabinet zal leningen en subsidies voor detransformatie van leegstaande kantoorpanden breder inzetten omtransformatie te stimuleren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26159 De doelen van de verlaging naar 8% zijn de stimulering van het aanbodvan huurwoningen en nieuwbouw van huurwoningen. Het effect van dezemaatregel op beide doelstellingen zal in 2029 worden geëvalueerd.Daarbij zal in ieder geval worden gekeken naar de ontwikkeling van: (1)aankopen door investeerders van eigenaar-bewoners, (2) verkopen vaninvesteerders aan eigenaar-bewoners (uitponden) en aan andereinvesteerders en (3) de nieuwbouw van huurwoningen.De hoogte van de tarieven van met de overdrachtsbelasting vergelijkbarebelastingen in andere landen varieert sterk, waardoor ik hier geenuitputtend beeld van kan geven. Hieronder geef ik een overzicht van dietarieven voor investeerders in woningen in een aantal omringende landenvergeleken met Nederland. De tarieven die van toepassing zijn op eenverkrijging worden onder andere bepaald door (1) de regio waarin wordtverkregen en (2) het type onroerende zaak dat wordt verkregen141 en (3)de status van de verkrijger142Tabel 17: Tarieven overdrachtsbelastingLandHuidig tarief overdrachtsbe-lasting1Nederland10,4%België12,5%–15%Duitsland3,5%–6,5%Frankrijk5%–5,9%Italië9%Spanje6–11%Verenigd Koninkrijk3%–16%Zweden4,5%Ierland1%–10%1 Real Estate Transfer Tax: An international overview 17 countries at a glance | PwC De leden van de fractie van NSC vragen of het klopt dat het kabinet vanplan is de 30%-regeling zeer gematigd te versoberen, in ieder gevalminder dan in het amendement Omtzigt143 en waarom het kabinet eendoor de Kamer aangenomen amendement niet respecteert. Ook vragen deleden van de fractie van NSC hoe het voorstel uit de nog te ontvangennota van wijziging eruit zou zien als de Kamer zou vasthouden aan deversobering van € 194 miljoen structureel. In het verlengde hiervanvragen de leden van de fractie van D66 waarom het kabinet heeft gekozenvoor een constant forfait van 27% in plaats van een volledig herstel naar30%. Ook vragen de leden van de fractie van D66 waarom de salariseisenworden aangescherpt, gegeven het feit dat er ook veel tekorten zijn inbelangrijke sectoren waar de salarissen niet zo hoog liggen.Bij het Belastingplan 2024 is een amendement aangenomen om de30%-regeling te versoberen naar een zogenoemde 30-20-10-regeling.144Daarnaast is met een motie bij het Belastingplan 2024 verzocht om deevaluatie van de 30%-regeling, de ETK145-regeling en de keuzeregelingpartiële buitenlandse belastingplicht te vervroegen en zo snel mogelijk telaten plaatsvinden.146 Ook is een motie aangenomen die verzoekt om «opbasis van deze evaluatie met een alternatief voorstel in het Belastingplan141Bijvoorbeeld of er fysieke onroerende zaken worden verkregen of dat er een belang doormiddel van aandelen wordt verkregen, of de waarde van de woning/transactie.142Bijvoorbeeld of de verkrijger een eigenaar-bewoner of een rechtspersoon is, of de herkomstvan de verkrijger.143Kamerstukken II 2023/24, 36.418, nr. 63.144Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 63.145Gerichte vrijstelling voor het vergoeden of verstrekken van daadwerkelijke extraterritorialekosten.146Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 73.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26160 2025 te komen die minder schadelijk uitpakt voor de economie».147 Tenslotte is een motie aangenomen waarin wordt verzocht om zo snelmogelijk het deskundigheidsvereiste in de 30%-regeling aan te scherpenzodat die beter aansluit bij de behoeften van de economie en arbeids-markt.148 Gelet op deze moties heeft het kabinet de evaluatie vervroegd.De evaluatie is uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek en op 14 juni2024 aan beide Kamers aangeboden. Uit de evaluatie volgt dat de30%-regeling doeltreffend en doelmatig is. Ook blijkt dat een versoberingvan de 30%-regeling een negatieve invloed heeft op het vestigingsklimaat.Verder volgt uit de evaluatie dat een constant forfait beter aansluit bij dekostenontwikkeling en lagere uitvoeringslasten met zich brengt dan eenforfait dat afbouwt met de verblijfsduur. Daarom heeft het kabinet ervoorgekozen om via de tweede nota van wijziging een alternatief voorstel opte nemen in het Belastingplan 2025 dat minder schadelijk uitpakt voor deeconomie, namelijk door een constant forfait voor te stellen van 27%,samen met het verhogen van de salarisnormen. De aanpassing van desalarisnormen is een aanscherping van het deskundigheidsvereiste149 ensluit daardoor beter aan bij de behoeften van de economie en arbeids-markt.150 Een budgettair neutraal voorstel dat alleen vormgegeven wordtin de vorm van een constant forfait zou leiden tot een forfait van ruim26%. Het enkel herstellen van de 30%-regeling naar een constant forfaitvan 30% (zonder aanpassing van de salarisnormen), leidt tot eenstructurele budgettaire derving van € 194 miljoen per jaar.44. Overig De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA stellen een aantal vragenover de schenk- en erfbelasting. Zo vragen deze leden of Nederland hetenige land ter wereld is waar geen belasting hoeft te worden betaald alseen buitenlander vermogen in Nederland nalaat of schenkt. Daarnaastvragen deze leden naar de heffing van schenk- en erfbelasting bijemigratie. De belastingdruk op door schenking of vererving verkregenvermogen kan van land tot land sterk verschillen. Landen hanterenverschillende aanknopingspunten voor heffing. Hierbij kan wordengedacht aan het woonplaatsbeginsel en het nationaliteitsbeginsel. Er zijninderdaad landen die voor hun schenk- en erfbelasting uitgaan van hetsitusbeginsel en dus bijvoorbeeld onroerende zaken gelegen op hungrondgebied in de heffing betrekken terwijl de erflater of schenker niet zijnwoonplaats in (of nationaliteit van) dat land heeft. Aan de andere kant zijner ook landen die helemaal geen schenk- of erfbelasting kennen. Daarbijkan het ook nog uitmaken of sprake is van een schenking of erfenis. Hetklopt dat landen zoals Spanje, Frankrijk en Duitsland een ruim situsbegripkennen.De Nederlandse schenk- en erfbelasting is van toepassing als de schenkerof erflater in Nederland woont, ongeacht waar ter wereld het vermogenzich bevindt. Emigratie betekent niet per definitie dat in Nederland geenschenk- of erfbelasting meer verschuldigd is. Een schenker of erflater metde Nederlandse nationaliteit die emigreert en daarmee Nederland verlaat,wordt voor de schenk- en erfbelasting juist nog tot 10 jaar na emigratie alswoonachtig in Nederland beschouwd. Dit is in Duitsland bijvoorbeeld tot 5jaar na emigratie.Het woonland van de verkrijger is niet relevant voor de Nederlandseschenk- of erfbelasting. Ook als iemand die niet in Nederland woont, erftvan een erflater die ten tijde van zijn overlijden in Nederland woonde,147Kamerstukken I 2023/24, 36 418, Z.148Kamerstukken II 2023/24, 36 410, nr. 15.149Dit vereiste geldt alleen voor ingekomen werknemers, niet voor uitgezonden werknemers.150Deze wijzigingen vinden plaats bij algemene maatregel van bestuur en worden dus niet alswijzigingsvoorstel opgenomen in het pakket Belastingplan 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26161 wordt Nederlandse erfbelasting geheven. Dit systeem wordt sindsoudsher in Nederland gehanteerd. Het kabinet vindt dit een redelijksysteem.Tevens vragen deze leden wat het kabinet zou vinden van een extraartikel(lid) in de Successiewet 1956 waarin staat dat Nederland schenk- enerfbelasting heft over al het vermogen – ongeacht waar ter wereld ditvermogen zich bevindt – dat een in Nederland wonende persoon via eenschenking of erfenis krijgt. Het kabinet wijst erop dat dit een geheelandere opzet van de Successiewet 1956 zou vergen en niet een kwestie isvan een extra artikel(lid). Dit zou er namelijk op neerkomen dat debelastingplicht (mede) wordt bepaald door het land waarin de verkrijgervan de schenking of erfenis woont en niet langer of uitsluitend doordat deerflater of schenker in Nederland woont. In internationaal verband wordtalgemeen aangenomen dat slechts een zwak heffingsrecht kan wordenontleend aan de woonplaats van de verkrijger. Nederland zou daarmeedan uit de pas lopen. Afhankelijk van de vormgeving van een dergelijkeheffing zou dit kunnen leiden tot dubbele heffing of dubbele non-heffing.Het kabinet vindt beide gevallen niet wenselijk. Ook bij zo’n geheel andereopzet spelen bovendien vragen rondom emigratie, zoals bijvoorbeeld eenverkrijger die een grote schenking of erfenis verwacht en daarom – al danniet tijdelijk – emigreert.Ook vragen deze leden naar de mening van het kabinet omtrent eenuitbreiding van de grondslag van de Successiewet 1956 naar in Nederlandgelegen vermogensbestanddelen. Die vermogensbestanddelen kunnenzijn: onroerende zaken, in Nederland aangehouden aandelen, onderne-mingen of bankrekeningen.Tot 1 januari 2010 bestond in de Successiewet 1956 het recht vanovergang. Recht van overgang werd geheven over de waarde van inNederland gelegen onroerende zaken die worden verkregen krachtenserfrecht door het overlijden van iemand die niet in Nederland woonde.Met de herziening van de Successiewet 1956 per 2010 is deze heffingafgeschaft, omdat deze EU-rechtelijk onder vuur lag.151 Overigens was debudgettaire opbrengst van het recht van overgang zeer beperkt. Hetkabinet begrijpt dat een uitbreiding van de grondslag in de Successiewet1956 met dergelijke vermogensbestanddelen vanuit het perspectief vandeze leden aantrekkelijk lijkt, maar ziet ook de nadelen die hieraan kleven.Zo kan een uitbreiding van de grondslag leiden tot dubbele of zelfsdriedubbele heffing. Daarnaast doen zich ook vragen voor over deuitvoerbaarheid hiervan en leidt dit tot een toename in complexiteit.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen om een overzichtvan regelingen die negatief geëvalueerd zijn en niet afgeschaft worden ende onderbouwing daarbij. Onderstaande tabel geeft een overzicht van deregelingen die negatief zijn geëvalueerd op doeltreffend- en doelma-tigheid en wanneer ze voor het laatst geëvalueerd zijn. Een aantal daarvanis door het vorige kabinet al afgeschaft, zoals het keuzerecht voor partiëlebuitenlandse belastingplicht, de vrijstelling van energiebelasting voorelektriciteitsopwekking en het verlaagde btw-tarief op agrarischegoederen. Het vorige kabinet heeft ook een aantal regelingen versoberd,zoals de bedrijfsopvolgingsfaciliteit en de kwarttarieven in de MRB. Ditkabinet heeft het voornemen om een aantal regelingen af te schaffen: deverlaagde btw-tarieven op logies en cultuur worden grotendeelsafgeschaft, net als de salderingsregeling in de energiebelasting en degiftenaftrek VPB.Een groot deel van de regelingen in de tabel is negatief geëvalueerd in dedemissionaire periode van het vorige kabinet. Het gaat om de verlaagdebtw-tarieven, de fiscale ondernemerschapsfaciliteiten, de giftenaftrek,reisaftrek OV, landbouwvrijstelling, de arbeidskorting en IACK. In oktober151Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26162 volgt een brief met de kabinetsreactie op deze (negatief) geëvalueerderegelingen.Tabel 18: evaluatie regelingenDoeltreffendheidDoelmatigheidLaatsteevaluatieGiftenaftrek inkomstenbelastingWel of groten-deels doeltreffendNiet of beperktdoelmatig2024Aftrek specifieke zorgkostenOnzeker ofdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2022Reisaftrek OVNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2024EigenwoningregelingOnzeker ofdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2019Aftrek wegens geen of geringeeigenwoningschuldNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2019ZelfstandigenaftrekNiet of beperktdoeltreffendOnzeker ofdoelmatig2024StartersaftrekNiet of beperktdoeltreffendOnzeker ofdoelmatig2024Startersaftrek bij arbeidsongeschikt-heidNiet of beperktdoeltreffendOnzeker ofdoelmatig2024MeewerkaftrekNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2024StakingsaftrekNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2024Willekeurige afschrijving startersNiet of beperktdoeltreffendOnzeker ofdoelmatig2024Mkb-winstvrijstellingOnzeker ofdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2024Willekeurige afschrijving zeeschepenNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2022Landbouwvrijstelling in de winstsfeerNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2024Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvol-gingsfaciliteitWel of groten-deels doeltreffendNiet of beperktdoelmatig2022Giftenaftrek vennootschapsbelastingNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2024Keuzerecht voor partiële buitenlandsebelastingplichtNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2024ArbeidskortingNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2024Inkomensafhankelijke combinatiekor-tingNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2024EB SalderingsregelingOnzeker ofdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2016EB Vrijstellingen voor energie-intensieve processenOnzeker ofdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2020EB Belastingvermindering peraansluitingWel of groten-deels doeltreffendNiet of beperktdoelmatig2021EB Inputvrijstelling energiebelastingvoor elektriciteitsopwekkingWel of groten-deels doeltreffendNiet of beperktdoelmatig2021BTW Verlaagd tarief voedingsmiddelenen waterWel of groten-deels doeltreffendNiet of beperktdoelmatig2023BTW Verlaagd tarief geneesmiddelenen hulpmiddelenOnzeker ofdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2023BTW Verlaagd tarief arbeidsintensievedienstenNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2023BTW Verlaagd tarief personenvervoerOnzeker ofdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2023BTW Verlaagd tarief SierteeltWel of groten-deels doeltreffendNiet of beperktdoelmatig2023BTW Verlaagd tarief Logiesverstrek-kingWel of groten-deels doeltreffendNiet of beperktdoelmatig2023BTW Verlaagd tarief agrarischegoederenNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2023MRB KwarttarievenOnzeker ofdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2022ASB vrijstelling luchtvaartuigenNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2020Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26163 DoeltreffendheidDoelmatigheidLaatsteevaluatieAccijns verlaagd tarief kleine brouwe-rijenNiet of beperktdoeltreffendNiet of beperktdoelmatig2008 De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen of voor de afgelopen vijfjaar op een rij gezet kan worden hoe vaak de placeholder fiscaleconstructies/ fiscale regelingen is ingezet en wat de realisatie/ invulling isgeweest.Het vorige kabinet heeft bij Miljoenennota 2023 een taakstellendeopdracht voor de aanpak van belastingconstructies en fiscale regelingeningeboekt van 162 miljoen euro per 2024, oplopend tot 550 miljoen eurostructureel vanaf 2027. In de brief «Aanpak belastingconstructies enfiscale regelingen» die op 19 september 2023 naar de Tweede Kamer isgestuurd, zijn de invulling van de stelpost en alle maatregelen uitgebreidtoegelicht.152 Het kabinet heeft de taakstellende opdracht op structurelebasis grotendeels kunnen invullen met de aanpak van verschillendeconstructies én fiscale maatregelen die recent negatief zijn geëvalueerd.Tabel 19 biedt een overzicht van de maatregelen waarmee de taakstel-lende opdracht is ingevuld. Van de taakstellende € 550 miljoen resteerteen structureel bedrag van € 71 miljoen dat wordt gedekt door eenstapsgewijze verhoging van het tarief eerste schijf van box 1 van deinkomstenbelasting.In het Hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet is eveneens eenstelpost «fiscale regelingen en constructies afbouwen» opgenomen van€ 250 miljoen structureel vanaf 2026. De invulling van deze stelpost wordtbetrokken bij de besluitvorming over de Voorjaarsnota 2025.Naast de invulling van deze stelpost(en) zijn tijdens de vorige kabinetspe-riode ook nog andere maatregelen genomen die zien op afschaffen ofaanpassen van fiscale regelingen. Zie tabel 20 voor een overzicht van dezemaatregelen inclusief budgettaire opbrengst. Ook in het Hoofdlijnenak-koord zijn maatregelen opgenomen die zien op aanpassingen van fiscaleregelingen en die nu als wetsvoorstel zijn opgenomen in het Belas-tingplan 2025. Het gaat hier onder andere om het afschaffen verlaagdbtw-tarief logies – uitgezonderd kampeerterreinen, het afschaffenverlaagd btw-tarief culturele goederen en diensten – uitgezonderdbioscopen en dagrecreatie, afschaffing van de giftenaftrek in de Vpb enhet afschaffen van de salderingsregeling.Tabel 19: invulling taakopdracht belastinconstructies en fiscale regelingen, stand miljoenennota 2024Maatregel2024202520262027StrucTaakopdracht bij Miljoenennota 20231623104005505501. Aanpak vastgoedaandelentransacties met overgangs-recht00032642. Aan derden verhuurd vastgoed standaard aanmerken alsbeleggingsvermogen in de BOR5667203. Versterking aanpak dividendstripping000004. Aanpak opknipgedrag bij vastgoed-bv’s om maximaal teprofiteren van renteaftrek0505050505. Verlagen vrijstellingspercentage BOR naar 70% boven1,5 mln. euro ondernemingsvermogen40131517496. Pakket maatregelen BOR/DSR (herijkt t.o.v. Voorjaars-nota 2023)066930Aansluiting tabel i.v.m. herijking en certificering1– 2910139– 11Resterende taakopdracht stand Voorjaarsnota 20231462253104263487. Algemeen btw-tarief op agrarische goederen endiensten0434343438. Motorrijtuigenbelasting (MRB): kampeerauto naarhalftarief00808080152Kamerstukken II 2023/24, 25 087, nr. 320Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26164 Maatregel2024202520262027Struc9. MRB: afschaffen kwarttarief paardenvervoer0022210. MRB: versoberen vrijstelling oldtimers vanaf 2028 naarvrijstelling voor auto’s met bouwjaar tot 198800007611. Belasting personenauto’s en motorrijwielen (BPM):afschaffen teruggave geldtransport per 1/1/260000012. MRB: afschaffen nihiltarief OV-autobussen op liquifiedpetroleum gas (LPG) of aardgas0000013. MRB: afschaffen verlaagde brandstoffentoeslagpersonen- en bestelauto’s op CNG, LNG of LPG00575757Aansluiting tabel i.v.m. herijking en certificering219Verhoging tarief eerste schijf box 1 bij Miljoenennota 2024146180128247711 Herijking van maatregelen en certificering door het CPB heeft geleid tot aanpassing van enkele budgettaire reeksen2 Zie voetnoot 8. Tabel 20: Overzicht aangepaste fiscale regelingenJaarMaatregel2022Geleidelijk afschaffen Inkomensafhankelijke Combinatiekorting (IACK)2022Afschaffen schenkingsvrijstelling eigen woning2022Afschaffen middelingsregeling2022Afschaffen fiscale oudedagsreserve (FOR)2022Afschaffen bpm-vrijstelling bestelauto ondernemer (vanaf 2025)2022Aflopen gebruikelijkloonregeling start-ups2022Zelfstandigenaftrek verlagen2022Verlagen schijfgrens verlaagde vpb-tarief naar 200.0002022Tariefstructuur energiebelasting minder degressief maken202230%-regeling beperken tot Balkenende norm2022Versneld afbouwen zelfstandigenaftrek naar 1200 in 2026 en naar 900 in20272022Verhogen lage vpb-tarief naar 19%2022Box 2 en 3: afbouw AHK met verzamelinkomen2023Afschaffen verlaagd btw-tarief op agrarische inputgoederen2023MRB: kampeerauto naar halftarief2023MRB: Afschaffen kwarttarief paardenvervoer2023MRB: Versoberen vrijstelling oldtimers vanaf 2028 naar vrijstelling voorauto’s met bouwjaar tot 19882023BPM: Afschaffen teruggave geldtransport per 1/1/262023MRB: Afschaffen nihiltarief OV-autobussen op liquified petroleum gas (LPG)of aardgas2023MRB: afschaffen verlaagde brandstoffentoeslag personen- en bestelauto’sop CNG, LNG of LPG2023Verlagen MKB-winstvrijstelling van 14% naar 12,7%2023Aanpak vastgoedaandelentransacties met overgangsrecht2023Maatregelen bedrijfsopvolgingregeling (BOR) en DSR2023Beperken vrijstelling elektriciteitsproductie2023Afschaffen verlaagde energiebelastingtarieven voor de glastuinbouwsector2023Verlagen vrijstelling groen beleggen box 3 naar € 30.0002023Afschaffen partiële buitenlandse belastingplicht met overgangsrecht2023Versoberen 30%-regeling De leden van de fractie van de SP vragen welke voornemens de regeringheeft om fiscale regelingen aan te versoberen of af te schaffen. De aanpakvan fiscale regelingen is een voortgaand proces. Als eerste gaat hetkabinet aan de slag met het afbouwen van een aantal (negatief geëvalu-eerde) fiscale regelingen conform het Hoofdlijnenakkoord om toe tewerken naar een minder complex en doelmatiger belastingstelsel. Deverlaagde btw-tarieven op logies en cultuur worden grotendeelsafgeschaft, net als de salderingsregeling in de energiebelasting en degiftenaftrek VPB. Daarnaast is in het Hoofdlijnenakkoord een taakstellingvan 250 miljoen opgenomen per 2026 voor het afbouwen van (negatief)geëvalueerd fiscale regelingen.Ook los van de taakstelling kijkt het kabinet doorlopend naar passendebeleidsopties, in het bijzonder voor de recent (negatief) geëvalueerdefiscale regelingen en regelingen die complex zijn voor de uitvoering enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26165 burgers. Dat past bij de begrotingsregels van dit kabinet en sluit aan bijambitie om te komen tot een eenvoudiger en doelmatiger belastingstelselzoals toegelicht in de Fiscale strategische agenda 2024–2028 die op26 september met uw Kamer is gedeeld. De Kamer wordt hier in hetvoorjaar nader over geïnformeerd.De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kabinet aankijkt tegen dewenselijkheid van het invoeren van een extra belastingkorting voormensen die minstens drie dagen per week werken. Aanvullend vragen deleden van de fractie van D66 of een dergelijke korting zou moeten geldenvanaf drie dagen per week of vanaf vier dagen per week.Ik begrijp de vraag zo dat wordt gevraagd naar de wenselijkheid van deinvoering van een extra heffingskorting in aanvulling op de reedsbestaande arbeidskorting en de zelfstandigenaftrek (voor ondernemers inde inkomstenbelasting). Allereerst wil ik de Kamer erop wijzen dat dearbeidskorting in haar huidige vormgeving voor de meeste werknemers aleen stimulans is om meer uren te werken. Daarnaast geldt voor onder-nemers in de inkomstenbelasting vanaf een bepaald aantal gewerkte urende zelfstandigenaftrek. Het kabinet acht het daarom niet nodig om eenextra belastingkorting voor mensen die minstens drie dagen per weekwerken nader te onderzoeken. Daarnaast wil ik wijzen op een eerderonderzoek. Vorig jaar is op hoofdlijnen onderzoek gedaan naar eenaanpassing van de arbeidskorting op basis van gewerkte uren.153 Vooreen uitgebreide toelichting verwijs ik naar dit onderzoek. Hoewel hetbetrekking heeft op een aanpassing van de bestaande arbeidskorting,lijken dezelfde overwegingen relevant voor zover het een introductie vaneen nieuwe heffingskorting betreft. Hierna ga ik kort op een aantal vandeze overwegingen in. De juridische aspecten omtrent gelijke behandelingzijn een belangrijk aandachtspunt. Het College voor de Rechten van deMens zegt dat extra belonen naarmate werknemers meer werken in veelgevallen zal leiden tot een onderscheid op grond van arbeidsduur. Ditaandachtspunt geldt zowel bij een heffingskorting waarbij men minstensdrie dagen per week werkt, als waarbij men minstens vier dagen per weekwerkt. Afhankelijk van de vormgeving kan ook indirect onderscheid opgrond van geslacht optreden.154 Beide vormen van onderscheid zijn alleengerechtvaardigd als hier een heel goede reden voor is. Omdat er al eenstimulans is om meer uren te werken (via de arbeidskorting), kan hetonderscheid naar gewerkte uren mogelijk niet gerechtvaardigd worden.Daarnaast brengt een nieuwe heffingskorting op basis van gewerkte urenextra uitvoeringslasten en administratieve lasten met zich. Een arbeids-korting naar gewerkte uren voor ondernemers (waaronder zzp’ers) enresultaatgenieters is uitvoeringstechnisch voor de Belastingdienst nietgoed werkbaar. Het aantal gewerkte uren van deze ondernemers enresultaatgenieters is namelijk niet goed te controleren: er is geencontra-informatie beschikbaar. In het genoemde onderzoek wordt tenslotte ook de conclusie getrokken dat een arbeidskorting gebaseerd opgewerkte uren weliswaar voor bepaalde groepen meer uren werken zoukunnen stimuleren, maar het de vraag is of op de totale arbeidspartici-patie een positief effect resteert. Bovendien acht het kabinet het onwen-selijk om meerdere vergelijkbare stimuleringsregelingen naast elkaar telaten bestaan. Het aanpassen van de huidige arbeidskorting zou dan meervoor de hand liggen dan de introductie van een nieuwe korting.153Kamerstukken II, 2022/23, 29 544, nr. 1174.154Het onderzoek stelt vast dat meer vrouwen dan mannen in deeltijd werken zodat eendergelijke nieuwe korting bij meer uren werken op indirecte wijze kan leiden tot ongelijkebehandeling van vrouwen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26166 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wat het kabinetvoornemens is te doen met de landbouwvrijstelling. In het najaar zal uwKamer een brief ontvangen met de kabinetsreactie op diverse evaluatieszoals toegezegd tijdens het commissiedebat Bouwstenen. In die brief zalook een reactie worden gegeven op de evaluatie van de landbouwvrij-stelling.De leden van de fractie van de SP vragen de regering waarom de regeringbij de vormgeving van het Belastingplan geen stappen zet in het vermin-deren van belastingontwijking en taxplanning door de meest vermogendepersonen en bedrijven. Deze leden vragen of de regering de huidigestatus quo acceptabel vindt. Het kabinet herkent zich niet in het door dezeleden geschetste beeld van het kabinetsbeleid. Het kabinet stelt vooropdat de afgelopen tien jaren meer dan dertig maatregelen zijn genomentegen (internationale) belastingontwijking en voor een evenwichtigerheffing van multinationals. In totaal heeft Nederland voor € 5,5 miljardaan maatregelen genomen tegen belastingontwijking van multinati-onals.155 Dit betroffen maatregelen in de vennootschapsbelasting endividendbelasting. Mijn ambtsvoorganger heeft een start gemaakt met deaanpak van opmerkelijke belastingconstructies ook op andere belasting-domeinen. Verschillende belastingconstructies zijn aangepakt metwetgeving, waarvan een deel is opgenomen in het Belastingplan 2024.Deze maatregelen hebben het stelsel aanzienlijk robuuster gemaakt tegende mogelijkheden om belasting te ontwijken.Ook dit kabinet vindt belastingontwijking onwenselijk, en zet de aanpakvan belastingontwijking dus voort. Zo bevat het Belastingplan 2025concrete maatregelen om belastingconstructies aan te pakken. Op hetterrein van de vennootschapsbelasting is een maatregel opgenomen omhet oneigenlijke gebruik van de drempel in de earningsstrippingmaatregelaan te pakken. Naast deze maatregel bevat het pakket Belastingplan 2025ook maatregelen die constructies in het domein van de btw enoverdrachtsbelasting (onder andere de kavelruilvrijstelling) aanpakken.Het kabinet zal bij de komende Voorjaarsnota opnieuw een lijst metbelastingconstructies opnemen aan de Tweede Kamer, waar mogelijk metopties om deze met beleid te adresseren. Bovendien heeft dit kabinet zichbovendien gecommitteerd aan een taakstellende opdracht van 250miljoen euro structureel voor de aanpak van opmerkelijke belastingcon-structies en de afbouw van fiscale regelingen.Het kabinet zet ook de aanpak van dividendstripping voort. Per 1 januari2024 is al een aantal maatregelen tegen dividendstripping in werkinggetreden. Het vorige kabinet is een onderzoek gestart naar naderemaatregelen tegen dividendstripping. Het kabinet zal dit onderzoekvoortzetten. Het onderzoek richt zich op de vraag welke nadere (materiële)maatregelen kunnen worden genomen om de aanpak van dividend-stripping verder te versterken. Hierbij wordt een breed scala aan maatre-gelen onderzocht en wordt er gekeken naar maatregelen tegen dividend-stripping in andere landen. Naar verwachting zal over het onderzoek inhet voorjaar van 2025 aan uw Kamer worden gerapporteerd.Ten aanzien van zeer vermogende personen wil het kabinet verder in dekomende periode prioriteit geven aan een aantal zaken. Het kabinet werktallereerst aan het verkennen of internationaal afspraken kunnen wordengemaakt over het belasten van zeer vermogende personen, in navolgingvan internationale afspraken over het belasten van multinationaleondernemingen. Internationale belastingstelsels op het gebied van deinkomstenbelasting, vermogensbelasting en schenk- en erfbelasting zijnniet goed op elkaar afgestemd, waardoor met name vermogendepersonen – vergelijkbaar met multinationale ondernemingen – in staat zijnom hun belastingdruk wereldwijd te optimaliseren. Mondiale en Europese155Zie in dit kader Kamerstukken II 2023/24, 25 087, nr. 341, p. 21 e.v.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26167 samenwerking die inzet op een gelijk speelveld op het gebied van debelastingheffing van zeer vermogende personen kan fiscale concurrentieen wereldwijde erosie van de belastinggrondslag en verlies van belasting-opbrengsten tegengaan. Nederland heeft daarom bij meerdere gelegen-heden dit onderwerp geagendeerd en inhoudelijke inbreng geleverd.Inmiddels staat het onderwerp ook in de G20 op de agenda en heeft deG20 het IF van de OESO uitgenodigd om dit thema in overweging tenemen om mee verder te gaan. Nederland wil daaraan een actievebijdrage leveren en trekt waar mogelijk samen op met gelijkgestemdelanden.Ten tweede doet dit kabinet naar aanleiding van de breed gedragenopdracht156 van uw Kamer onderzoek naar de heffing over de voordelenuit zogenoemde lucratieve belangen. De voordelen uit een lucratief belangworden in de regel in box 1 belast als resultaat uit overige werkzaam-heden. Eventueel kan de manager/werknemer opteren voor heffing in box2 (doorstootbepaling). In het onderzoek wordt bezien of en zo ja, op welkewijze, al dan niet geclausuleerd, een alternatieve vormgeving wenselijk enmogelijk is, waarbij de budgettaire gevolgen en de uitvoeringsgevolgenzullen worden afgewogen. De uitkomsten van bovengenoemd onderzoekzal ik naar verwachting voor het eind van 2024 met uw Kamer delen.De leden van de fractie van BBB vragen naar de mogelijkheden voorgerichte fiscale stimulansen om agrarische ondernemers te ondersteunenin de transitie naar duurzame landbouw, zoals de uitbreiding van de MIA(milieu-investeringsaftrek) en VAMIL (willekeurige afschrijving milieu-investeringen). Bedrijfsmiddelen waarvoor een ondernemer de MIA ofVAMIL kan aanvragen, staan op de Milieulijst.157 Deze lijst met bedrijfs-middelen die leiden tot een verbetering van het milieu en klimaat wordtieder jaar geactualiseerd. Marktpartijen krijgen de gelegenheid omsuggesties voor nieuwe bedrijfsmiddelen aan te dragen. Indien er wensenzijn om meer duurzame bedrijfsmiddelen voor agrarische ondernemersop de lijst te zetten, dan kan dit via deze marktconsultatie wordeningebracht. De volledige Milieulijst wordt ieder jaar, na vaststelling doorde Staatssecretaris van Openbaar Vervoer en Milieu158, in deStaatscourant geplaatst en is daarnaast te vinden op de website van deRijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). In de Milieulijst 2024 iseen apart hoofdstuk met bedrijfsmiddelen gewijd aan duurzame voedsel-voorziening en landbouwproductie. Het gaat bijvoorbeeld om investe-ringen in verschillende duurzame stallen, mechanische of (micro)biolo-gische bestrijdingsapparatuur voor plagen of ziekten in de tuinbouw,slimme spuit bestrijdings- of bemestingsapparatuur, of een autonomemestverzamelrobot. Hiermee worden al fiscale stimulansen geboden omagrarische ondernemers te ondersteunen in de transitie naar duurzamelandbouw.De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de regering niet nu alvoorstellen heeft gedaan voor een vereenvoudiging van het belasting- entoeslagenstelsel. Zij wijzen op het invoeren van een extra belastingschijf,156Kamerstukken II 2023–24, 25 087 nr. 335. Met deze aangenomen motie verzoekt de Kamer deregering de huidige lucratiefbelangregeling zodanig aan te passen dat managers actief in deprivate-equitysector ten aanzien van hun carried interest worden belast naar het progressievetarief van box 1 van de inkomstenbelasting. Daarnaast verzoekt de motie de regering in kaartte brengen of dit heffingsrecht in box 1 onder belastingverdragen ook geëffectueerd kanworden en bij twijfel daarover met de daarvoor in aanmerking komende verdragspartners inoverleg te treden teneinde de belastingverdragen aan te passen, al dan niet via een protocol-bepaling, en de Kamer daarover vóór het zomerreces van 2024 nader te berichten.157Bijlage bij de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2009.158In overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën en na overleg met de Ministervan Landbouw Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26168 terwijl de inkomensafhankelijke kortingen en toeslagen blijven bestaan.Bij de augustusbesluitvorming ligt de nadruk op maatregelen die op kortetermijn uitvoerbaar zijn. Daarbij kan er een zekere spanning zijn tussen hetdraaien aan bestaande knoppen en de ambitie om uiteindelijk te komentot een eenvoudiger stelsel. Tegelijkertijd zijn de invoering van een extrabelastingschijf en de vereenvoudiging van de huurtoeslag stappen in derichting van een transparanter stelsel. De taakopdracht voor dehervorming van het belasting- en toeslagenstelsel zal ik voor hetherfstreces naar uw Kamer sturen. Vanaf het voorjaar 2025 willen wij metuw Kamer een open gesprek aangaan aan de hand van een brief met ookenkele varianten en keuzeopties.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen zich af wat de rol vanRVO is bij landgoederen en de daarmee hangende vrijstellingen. Eenaantal regelingen is afhankelijk van de kwalificatie als een landgoedvolgens de Natuurschoonwet 1928 (NSW). RVO is in het kader van deuitvoering van de NSW-regeling verantwoordelijk voor het afhandelen enbeoordelen van de NSW-aanvragen en voert dit uit in nauwe samen-werking met de Belastingdienst. De Belastingdienst is primair verantwoor-delijk voor de beoordeling of het landgoed voldoet aan alle eisen, die hetRangschikkingsbesluit aan een NSW-landgoed stelt. Daarnaast heeft RVOeen rol bij de afhandeling van bezwaar en beroep. RVO informeert engeeft voorlichting aan gemeenten over de NSW-status van onroerendezaken en geeft voorlichting aan het publiek (vooral landgoedeigenaren)over de Natuurschoonwet.De Staatssecretaris van Financiën,F.L. IdsingaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 26169
Bron, video en gesprek →0debatten
263bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken
Partijen door de tijd: Nieuw Sociaal Contract (2024-11-27–2025-11-11) · Nieuw Sociaal Contract (2023-12-06–2024-07-01) · VVD (2021-03-31–2023-09-04) ·