KamerkringInloggen
Folkert Idsinga

Officieel Kamerprofiel

Folkert Idsinga

Nieuw Sociaal Contract →
0debatten
263bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: Nieuw Sociaal Contract (2024-11-27–2025-11-11) · Nieuw Sociaal Contract (2023-12-06–2024-07-01) · VVD (2021-03-31–2023-09-04) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
11 okt 2024 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 609Wijziging van de Wet minimumbelasting 2024 inverband met een aantal technische wijzigingen(Wet aanpassing Wet minimumbelasting 2024)Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 15 oktober 2024 Inhoudsopgave1.Inleiding12.Opname van de administratieve richtsnoeren in de Wetminimumbelasting 202413.Regeldruk, budgettaire gevolgen en uitvoering54.Pijler 2 en andere landen75.Veiligehavenregels56.Belastingtegoeden en fiscale regelingen107.Overig12 1. Inleiding Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen enopmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de VVD,NSC en het CDA.Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk devolgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijklui-dende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.2. Opname van de administratieve richtsnoeren in de Wetminimumbelasting 2024 De leden van de fractie van de VVD vragen te reflecteren op het feit dateen groot aantal bepalingen in het wetsvoorstel zijn bedoeld omslordigheden in de Wet minimumbelasting 2024 (WMB 2024) op te lossenen toe te zeggen dat in de toekomst zorgvuldiger wetgeving zal wordenopgesteld. Verder vragen deze leden inzichtelijk te maken welke onder-delen van de eerder gepubliceerde administratieve richtsnoerenaanleiding geven om de WMB 2024 aan te passen of aan te vullen,alsmede welke als verduidelijking gezien dienen te worden. Sinds de kst-36609-7ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 71 publicatie van de OESO-modelregels in 20211, heeft het IF in februari20232, juli 20233, december 20234 en juni 20245 administratieve richt-snoeren gepubliceerd.6 Het Inclusive Framework (IF) noch de Organisatievoor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) kunnenbindende wetgeving vaststellen. Om de consistente toepassing van deOESO-modelregels over de minimumbelasting te bevorderen en omdiscrepanties met de toepassing van de regels ten aanzien van anderestaten te voorkomen, acht het kabinet het van belang om de administra-tieve richtsnoeren waarvoor een wettelijke grondslag nodig is ook in deNederlandse regelgeving op te nemen. Verschillende onderdelen van deadministratieve richtsnoeren zijn, al dan niet bij nota van wijziging van18 oktober 20237, wettelijk verankerd. In het onderhavige wetsvoorstel zijnde resterende onderwerpen uit de administratieve richtsnoeren vanfebruari en juli 2023 en enkele onderdelen uit de administratieverichtsnoeren van december 2023, waarvoor een wettelijke grondslagnodig is, opgenomen. Daarnaast worden enkele technische wijzigingenvoorgesteld. Het wetsvoorstel voorziet niet in het grotendeels oplossenvan slordigheden. Het is vanzelfsprekend dat wordt getracht alle fiscalewetgeving – binnen de daarvoor beschikbare termijn – met de grootstmogelijke zorgvuldigheid op te stellen. In de toelichting op de wijzigingendie worden voorgesteld in de Wet aanpassing wet minimumbelasting2024 is bij verschillende onderdelen toegelicht welke regels uit deadministratieve richtsnoeren worden opgenomen in wetgeving.De leden van de fracties van de VVD respectievelijk het CDA vragen hoe inde praktijk omgegaan zal worden met een inconsistente inwerkingtredingvan de Pijler 2-maatregelen tussen verschillende jurisdicties en welk rechtin een dergelijke situatie leidend zal zijn. Tevens vraagt de fractie van hetCDA wat de gevolgen zijn als dit resulteert in dubbele heffing of dubbeleniet-heffing. Het kabinet heeft besloten de voorgestelde wijzigingen in hetwetsvoorstel Wet aanpassing Wet minimumbelasting 2024 zo veelmogelijk terugwerkende kracht te verlenen tot en met 31 december 2023.Hiermee wordt aangesloten bij de inwerkingtreding van de WMB 2024 per31 december 2023 en voorkomen dat er verschillen kunnen ontstaan in detoepassing van de regels ten aanzien van andere staten. Voor viervoorgestelde maatregelen is niet gekozen voor terugwerkende kracht,omdat deze maatregelen nieuwe verplichtingen stellen aan belastingplich-tigen en daarmee bezwarend (kunnen) zijn. Deze voorgestelde maatre-gelen treden in werking met ingang van 31 december 2024. Alsuitgangspunt geldt in het geval dat een groep onder de reikwijdte van deWMB 2024 valt, de regels uit de WMB 2024 van toepassing zijn op die1OECD (2021), Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy – Global Anti-BaseErosion Model Rules (Pillar Two): Inclusive Framework on BEPS, OECD Publishing, Paris.2OECD (2023), Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy – AdministrativeGuidance on the Global Anti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two), OECD/G20 InclusiveFramework on BEPS, OECD, Paris.3OECD (2023), Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy – AdministrativeGuidance on the Global Anti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two), July 2023, OECD/G20Inclusive Framework on BEPS, OECD, Paris.4OECD (2023), Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy – AdministrativeGuidance on the Global Anti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two), December 2023, OECD/G20Inclusive Framework on BEPS, OECD, Paris.5OECD (2024), Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy – AdministrativeGuidance on the Global Anti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two), June 2024, OECD/G20Inclusive Framework on BEPS, OECD, Paris.6De administrative richtsnoeren tot en met december 2023 zijn inmiddels opgenomen alsgeconsolideerd commentaar op de OESO-modelregels, zie: OECD (2024), Tax ChallengesArising from the Digitalisation of the Economy – Consolidated Commentary to the GlobalAnti-BaseErosion Model Rules (2023): Inclusive Framework on BEPS, OECD/G20 Base Erosion and ProfitShifting Project, OECD Publishing, Paris.7Kamerstukken II 2023/24, 36 369, nr. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 72 groep. De vragen van de genoemde leden hangen ook samen met devraag op basis van welk recht een multinationale groep de bijheffing-informatieaangifte moet opstellen en de eventuele bijheffing moetberekenen. De discussie over die vraag is in OESO/IF-verband nog nietafgerond. Niettemin lijkt het in de rede te liggen dat voor de kwalifice-rende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel ten aanzien van deentiteiten van een multinationale groep in een staat de regels van diestaat van toepassing zijn. Het is op voorhand niet te zeggen in welkegevallen dubbele heffing of dubbele niet-heffing zou kunnen ontstaan alsgevolg van inconsistente inwerkingtreding van de Pijler 2-regels. Als eendergelijke situatie zich voordoet zal beoordeeld dienen te worden wat degevolgen zijn. In het geval van dubbele heffing kan bijvoorbeeld eenmechanisme voor geschilbeslechting voor Pijler 2 uitkomst bieden,waarover momenteel nog discussies plaatsvinden in OESO/IF-verband.De leden van de fractie van NSC vragen waarom het onderhavigewetsvoorstel per se in de belastingmaatregelen van 2025 moet wordenbetrokken en of het ordentelijker zou zijn geweest om dit op een andermoment te behandelen. Het kabinet benadrukt allereerst het belang om deinternationale regels rondom de minimumbelasting (de zogenoemdePijler 2-regels), waaronder de verschillende administratieve richtsnoerenvan de OESO en aangenomen door het IF, zo snel mogelijk om te zetten inregelgeving. Vanwege de consistente toepassing van de Pijler 2-regels inde verschillende staten die de administratieve richtsnoeren hebbenonderschreven, is het van belang dat deze staten de administratieverichtsnoeren toepassen en daar waar nodig in regelgeving opnemen.Indien staten dit niet zouden doen, dan kan dit tot gevolg hebben dat erdiscrepanties ontstaan met de toepassing van de regels ten aanzien vanhet buitenland. Dit zou tot veel onzekerheid bij het bedrijfsleven en deBelastingdienst kunnen leiden, met mogelijk dubbele belasting endubbele niet-belasting tot gevolg. Daarnaast wordt er momenteel opOESO-niveau een peer review proces vormgegeven om te beoordelenwelke landen een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel, eenkwalificerende binnenlandse bijheffing en een kwalificerende onderbelas-tewinstmaatregel hebben geïmplementeerd. Hierbij is het van belang datnaast de OESO-modelregels, ook de administratieve richtsnoeren tijdigzijn geïmplementeerd. Indien de bepalingen uit de administratieverichtsnoeren niet binnen twee jaar na de publicatie daarvan zijningevoerd, zou dat gevolgen kunnen hebben voor de kwalificerende statusvan bovengenoemde maatregelen. Voor de volledigheid merkt het kabinetop dat administratieve richtsnoeren ook in overeenstemming zijn met deEU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing.8 Dit blijkt uit deverklaringen van de Ecofinraad en de Europese Commissie, die zijnbesproken tijdens de Ecofinraad van 9 november 2023.9 Gelet op al hetvoorgaande, acht het kabinet het van belang dat de wijzigingen in deWMB 2024 zo snel mogelijk in werking treden. Daarom zijn deze wijzi-gingen opgenomen in het pakket Belastingplan 2025.De leden van de fractie van NSC vragen hoe wordt gewaarborgd dat dezewetswijziging volledig in overeenstemming is met de Nederlandserechtsorde. Daarnaast vragen deze leden welke stappen zijn ondernomenom te controleren of het voorstel geen inbreuk maakt op fundamentelebeginselen, zoals rechtszekerheid, proportionaliteit en gelijkheid vanbedrijven. Voorts vragen deze leden of er een afwegingskader is wanneervoor implementatie wordt gekozen en, zo ja, welk afwegingskader dit is.8Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022, tot waarborging van een mondiaalminimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen enomvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PbEU 2022, L 328/1).9Verklaringen van de Ecofin Raad en de EC, die zijn besproken tijdens de Ecofinraad van9 november 2023:https://www.consilium.europa.eu/media/67850/st14732-re01-en23.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 73 De WMB 2024 is per 31 december 2023 in werking getreden. Deze wetstrekt tot implementatie van de EU-richtlijn minimumniveau van belas-tingheffing.10 Deze richtlijn is gebaseerd op de OESO-modelregels van14 december 2021 en komt daarmee in hoofdzaak overeen. Sinds depublicatie van de OESO-modelregels in 2021, heeft het IF in februari 2023,juli 2023, december 2023 en juni 2024 administratieve richtsnoerengepubliceerd. De OESO-regels over de minimumbelasting, in de vorm vande OESO-modelregels, commentaar of de nadere regelgeving in de vormvan administratieve richtsnoeren, werken niet direct door in de Neder-landse rechtsorde. Het IF noch de OESO kunnen bindende wetgevingvaststellen. Om de consistente toepassing van de OESO-modelregels overde minimumbelasting te bevorderen en om discrepanties met detoepassing van de regels ten aanzien van andere staten te voorkomen,acht het kabinet het van belang om de administratieve richtsnoeren –indien nodig – ook in de Nederlandse regelgeving op te nemen. Hetkabinet zal de nadere regelgeving vanuit de OESO, waaronder deadministratieve richtsnoeren, telkens beoordelen en aan de hand daarvan– van geval tot geval – bepalen of de wettekst en de toelichting van deWMB 2024 aanpassing behoeven.De leden van de fractie van NSC vragen waarom sommige onderdelenvan de OESO-richtsnoeren niet volledig opgenomen zijn in de WMB 2024en hoe hiermee wordt omgegaan om te voorkomen dat er discrepantiesontstaan met internationale afspraken. Het kabinet streeft ernaar om deadministratieve richtsnoeren van het IF zo snel mogelijk om te zetten inregelgeving en – daar waar mogelijk – is terugwerkende kracht teverlenen. Zoals hiervoor is opgemerkt, worden alle administratieverichtsnoeren afzonderlijk beoordeeld. Niet elke afzonderlijke administra-tieve richtsnoer heeft tot gevolg dat wetgeving dient te wordenaangepast. In sommige gevallen gaat het om administratieve richtsnoerendie louter zien op de uitleg van maatregelen die al zijn opgenomen in deWMB 2024. Voor dergelijke verduidelijkingen geldt dat dit geen aanleidinggeeft om de WMB 2024 aan te passen of aan te vullen. In dit kader is vanbelang dat in de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing isvoorgeschreven dat de OESO-modelregels11 en de toelichtingen envoorbeelden in het OESO-commentaar bij de OESO-modelregels12 alsbron van illustratie en uitleg bij de implementatie van de richtlijntekstendienen te worden gebruikt.13 De wetteksten en de artikelsgewijzetoelichting zoals opgenomen in de WMB 2024 zijn daarom medegebaseerd op de OESO-modelregels en het commentaar daarop. HetOESO-commentaar kan daarom dienen als interpretatiebron indien dewettekst aansluit bij de OESO-modelregels. Daarnaast bevat de WMB2024 verschillende delegatiegrondslagen op basis waarvan nadere regelskunnen worden uitgewerkt bij of krachtens algemene maatregel vanbestuur.10Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022, tot waarborging van eenmondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale onderne-mingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie, PbEU 2022, L 328/1.11OECD (2021), Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy – GlobalAnti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two): Inclusive Framework on BEPS, OECD Publishing,Paris.12OECD (2021), Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy – GlobalAnti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two): Inclusive Framework on BEPS, OECD Publishing,Paris.13Punt 24 van de considerans van EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing. Zie verderook de verklaringen van de Ecofin Raad en de EC, die zijn besproken tijdens de Ecofinraad van9 november 2023: https://www.consilium.europa.eu/media/67850/st14732-re01-en23.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 74 De leden van de fractie van NSC vragen om een nadere toelichting voorde terugwerkende kracht van de voorgestelde wijzigingen tot en met31 december 2023 en of dit getoetst is op juridische houdbaarheid. Hetkabinet streeft ernaar om de administratieve richtsnoeren van het IF zosnel mogelijk om te zetten in regelgeving. De administratieve richtsnoerenvan juli en december 2023 zijn echter gepubliceerd nadat het wetsvoorstelWMB 2024 op 30 mei 2023 naar de Tweede Kamer is verstuurd. Ditwetsvoorstel is vervolgens bij nota van wijziging van 18 oktober 2023aangevuld. Gelet op publicatiedatum van de administratieve richtsnoerenen het parlementaire traject van het wetsvoorstel is het niet mogelijkgebleken om alle door het IF gepubliceerde richtsnoeren om te zettenvoordat de WMB 2024 met ingang van 31 december 2023 in werking isgetreden. Omdat de in dit wetsvoorstel voorgestelde inhoudelijkewijzigingen van de WMB 2024 volgen uit de administratieve richtsnoerendie in 2023 zijn gepubliceerd, heeft het kabinet besloten om aan dezewijzigingen zoveel mogelijk terugwerkende kracht te verlenen tot en met31 december 2023 en ze toepassing te laten vinden met betrekking totverslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2023. Hiermee wordtvoorkomen dat er inconsistenties kunnen ontstaan met de toepassing vande regels ten aanzien van andere staten, wat tot onzekerheid en mogelijkdubbele belasting en dubbele niet-belasting tot gevolg kan hebben. Hetkabinet acht deze terugwerkende kracht gerechtvaardigd, voor zover dezewijzigingen niet bezwaarlijk zijn voor belastingplichtigen. Dit geldt inbeginsel voor alle wijzigingen, behalve voor vier maatregelen die in dememorie van toelichting van het wetsvoorstel zijn benoemd. Deze viermaatregelen treden in werking met ingang van 31 december 2024, envinden voor het eerst toepassing met betrekking tot verslagjaren dieaanvangen op of na 31 december 2024. Daarnaast wordt volledigheids-halve opgemerkt dat voor het wetsvoorstel Wet aanpassing Wetminimumbelasting 2024, zoals gebruikelijk bij elk wetsvoorstel, advies isaangevraagd bij de Raad van State. Hierbij wordt onder andere gekekennaar de wetstechnische, de beleidsmatige, maar ook de juridischekwaliteit van een voorstel.3. Regeldruk, budgettaire gevolgen en uitvoering De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen om in bredere zin tereflecteren op de werking van de internationale minimumbelasting. Zijvragen om een inschatting van hoeveel belastingontwijking hier tot numee is voorkomen. Daarnaast vragen zij of Nederland al een belastingheeft geheven omdat een bedrijf onder de drempel kwam en hoe deopbrengsten in andere landen tot nu toe zijn geweest. Ook vragen dezeleden naar beleidsopties om de internationale minimumbelasting aan tescherpen waarmee belastingontwijking steviger wordt aangepakt. Zijvragen wat hiervan de budgettaire gevolgen zijn. Het kabinet steltallereerst voorop dat Nederland in de afgelopen tien jaren meer dan 30maatregelen heeft genomen tegen belastingontwijking en voor eenevenwichtigere heffing van multinationals. In totaal hebben de maatre-gelen tegen belastingontwijking die Nederland heeft genomen geleid toteen budgettaire opbrengst van € 5,5 miljard per jaar. De maatregelenhebben het belastingstelsel aanzienlijk robuuster gemaakt tegen demogelijkheden om belasting te ontwijken.14 De minimumbelasting is eenvan deze maatregelen. Het doel van de zogenoemde Pijler 2-regels overde minimumbelasting is tweeledig. Ten eerste beogen de Pijler 2-regels deprikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende statente verminderen. Ten tweede beogen de Pijler 2-regels een ondergrens testellen aan belastingconcurrentie tussen staten. Deze regels zijn hetresultaat van meerjarige en intensieve onderhandelingen in het IF14Kamerstukken II 2023/24, 25 087, nr. 341.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 75 georganiseerd door de OESO. De EU-lidstaten zijn verplicht de Pijler2-regels per 31 december 2023 te hebben geïmplementeerd. Nederlandheeft aan deze verplichting voldaan met de WMB 2024 die per31 december 2023 in werking is getreden. Het minimumbelastingtariefvan 15% weerspiegelt een consensus van een internationaal aanvaardestandaard voor een minimumbelasting (waar tevens rekening isgehouden met de positie van ontwikkelingslanden). Aangezien het omeen effectief tarief gaat dat wordt berekend per staat, verwacht het kabinetdat een minimumbelastingtarief van 15% voldoende effectief is ombelastingconcurrentie in te dammen.15 Omdat de minimumbelasting pas31 december 2023 in werking is getreden en de eerste bijheffing-informatieaangiftes inzake de minimumbelasting binnen 18 maanden naafloop verslagjaar (voor 30 juni 2026) ingediend moeten worden en deeerste belastingaangifte binnen 20 maanden na afloop van het verslagjaar(voor 31 augustus 2026), is er op dit moment nog geen minimumbelastingdoor Nederland geheven. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in hetvoorliggende wetsvoorstel wordt geregeld dat als er sprake is van eenkort boekjaar als overgangsjaar of als verslagjaar, de bijheffing-informatieaangifte niet voor 1 juli 2026 en de belastingaangifte niet voor1 september 2026 hoeft te worden ingediend.De leden van de fractie van NSC vragen om hoeveel regeldruk het gaat,hoeveel bedrijven eronder vallen en of de regering concrete voorstellenheeft om de administratieve lastendruk te verminderen. Het WMB 2024strekt tot implementatie van de EU-richtlijn minimumniveau van belas-tingheffing. Deze richtlijn behelst een uitwerking van de regels waarovereenstemming is bereikt in het OESO/IF, waarbij zeer beperkt beleids-ruimte bestaat. De jaarlijks terugkerende regeldrukkosten als ook deeenmalige regeldrukkosten die samenhangen met het WMB 2024 wordenals niet substantieel ingeschat.16 Verder geldt dat in het kader van degegevensverwerking groepsentiteiten het beste toegang hebben tot de(internationale) financiële gegevens van de multinationale groep waarvanzij deel uitmaken. Om belastingplichtigen fiscaal-juridische kaders tebieden en om de efficiënte uitvoering van de minimumbelasting tebevorderen, kunnen belastingplichtigen in Nederland ook zekerheidvooraf vragen over de toepassing van de WMB 2024. Daarmee wordttransparantie van standpunten naar buiten, informatie-uitwisseling naarandere landen en een gecoördineerde werkwijze binnen de Belasting-dienst bevorderd. Ook is er vanuit de Belastingdienst in een vroegstadium een centraal Pijler 2 expertiseteam ingesteld van waaruitcommunicatie, risicoanalyse, een helpdeskfunctie, kennisdeling en(inter)nationale afstemming plaatsvindt. Ten slotte wijst het kabinet eropdat de veiligehavenregels bijdragen aan een vermindering van deregeldrukkosten voor het bedrijfsleven. In de kern komen deze regels eropneer dat een multinationale groep of binnenlandse groep ervoor kankiezen om in plaats van een gedetailleerde Pijler 2-berekening, eenvereenvoudigde berekening te hanteren.De leden van NSC vragen of kan worden aangegeven wat het budgettaireeffect is van het voorliggende wetsvoorstel. Daarnaast vragen deze ledenwat de consequenties zijn voor ons internationale vestigingsklimaat en ofer nog weglekeffecten zijn. Bij de invoering van de WMB 2024 is indertijdgeraamd dat de minimumbelasting een opbrengst heeft van naarverwachting structureel € 466 miljoen. In het huidige wetsvoorstelworden de resterende onderwerpen uit de administratieve richtsnoerenvan februari en juli 2023 en enkele onderdelen uit de administratieverichtsnoeren van december 2023, waarvoor een wettelijke grondslag15Kametstukken II 2023/24, 25 087, nr. 329.16Kamerstukken II 2022/23, 36 369, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 76 nodig is, opgenomen in de WMB 2024. Daarnaast worden enkeletechnische wijzigingen voorgesteld. Het huidige wetsvoorstel bevatderhalve met name technische aanpassingen die naar verwachting geenwezenlijke invloed hebben op de werking van WMB 2024. De voorgesteldewijzigingen in de WMB 2024 hebben daarom geen budgettair effect. Deregering voorziet dan ook geen consequenties van dit wetsvoorstel voorhet internationale vestigingsklimaat of weglekeffecten.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het loopt met deuitvoering van de Pijler 2-wetgeving. Net als Nederland bevinden ookandere landen zich nog in de beginfase van de implementatie van de Pijler2-wetgeving. Omdat de eerste bijheffing-informatieaangiftes pas medio2026 worden ingediend, hebben landen nog enige tijd om zich voor tebereiden op de uitvoering van de Pijler 2-wetgeving. Er zijn op dit momentnog niet veel ervaringen met de concrete uitvoering van Pijler2-wetgeving.4. Pijler 2 en andere landen De leden van de fractie van de VVD vragen in welke mate het Nederlandsebedrijfsleven zou worden geraakt mochten de voorstellen voor de«Defending American Jobs and Investment Act» en «Unfair TaxPrevention Act» tot wet worden verheven en of een onderscheid dient teworden gemaakt tussen de inkomen-inclusiebijheffing en de onderbelas-tewinstbijheffing. Het kabinet begrijpt dat beide voorstellen fiscalesanctiemaatregelen behelzen gericht tegen onder meer staten enondernemingen uit staten die de onderbelastewinstmaatregel toepassenten aanzien van laagbelaste entiteiten gevestigd in de Verenigde Staten.Echter, als gevolg van de tijdelijke onderbelastewinstbijheffing veiligeha-venregel kan de onderbelastewinstmaatregel tot op zijn vroegst 1 januari2026 geen toepassing vinden op laagbelaste entiteiten in de VerenigdeStaten indien ook de uiteindelijkemoederentiteit in de Verenigde Staten isgevestigd. Wanneer de voorstellen tot wet worden verheven, zoudenondernemingen in implementerende staten hier geraakt door kunnenworden. Of en in welke mate dat het geval zal zijn, is niet op voorhand tezeggen.De leden van de fractie van NSC vragen of andere staten op dezelfdemanier administratieve richtsnoeren invoeren en of er een discrepantie isten aanzien van de invoering van deze richtsnoeren tussen Nederland enandere landen. Implementerende staten zijn vrij om te beslissen op welkewijze zij de administratieve richtsnoeren willen invoeren in hun recht-stelsel. Nederland heeft ervoor gekozen om een aanzienlijk deel van deadministratieve richtsnoeren om te zetten in wet- en regelgeving.Sommige andere staten volstaan met een verwijzing naar de administra-tieve richtsnoeren in hun wetgeving. Hoe dan ook dienen alle implemen-terende staten de OESO-modelregels toe te passen met inachtneming vande administratieve richtsnoeren.De leden van de fractie van NSC vragen wat de risico’s zijn dat anderelanden het effectieve belastingtarief op nationaal niveau beïnvloeden doormiddel van grondslagerosie. Een van de doelen van de Pijler 2-regels isgrondslaguitholling en winstverschuiving naar laagbelastende staten tebestrijden. Pijler 2 bewerkstelligt dat door middel van een effectiefminimumbelastingtarief van 15%. Dit betekent dat als een staat degrondslag voor de winstbelasting versmalt, het effectieve tarief lager zaluitvallen. Als het effectieve belastingtarief van een groep in een land lageris dan 15% als gevolg van grondslagerosie, zal over de groepsentiteitendie gevestigd zijn in dat land worden bijgeheven tot een effectief tariefvan 15%. Pijler 2 stelt hiermee een ondergrens aan de mogelijkheid omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 77 door middel van grondslagerosie het effectieve belastingtarief tebeïnvloeden.De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet verwacht of deVerenigde Staten en China de minimumbelasting in de toekomst ookzullen implementeren. Het kabinet waagt zich niet aan voorspellingenover de implementatie van de minimumbelasting in andere landen in detoekomst. Niettemin zou het uiteraard een goede zaak zijn als alle statendie aangesloten zijn bij het IF de minimumbelasting zo snel mogelijkzouden invoeren.De leden van de fractie van het CDA vragen of meer inzicht is in het effectvan de minimumbelasting voor ontwikkelingslanden. Deze leden vragenof hierover in internationaal verband wordt gesproken en of er oplos-singen zijn voor de belastingderving en de misgelopen bijheffing doorontwikkelingslanden. De Pijler 2-regels beogen een ondergrens te stellenaan de belastingdruk van multinationals voor de winstbelasting. Daarkunnen ook ontwikkelingslanden baat bij hebben, nu de prikkel zalafnemen om winsten uit ontwikkelingslanden te verschuiven naar landenmet een laag effectief tarief. Om geen inkomsten mis te lopen zoudenontwikkelingslanden een kwalificerende binnenlandse bijheffing kunneninvoeren of hun reguliere winstbelasting kunnen verhogen, waardoor heteffectieve belastingtarief niet lager is dan 15%. Door de minimumbe-lasting elders zouden ontwikkelingslanden beter in staat moeten zijn omweerstand te kunnen bieden tegen de druk van buitenlandse inves-teerders om aan hen belastingvoordelen te geven. Ook hebben deOESO/IF en de daarbij aangesloten landen verschillende initiatieven om(ontwikkelings)landen te assisteren bij het invoeren van de Pijler 2-regels.5. Veiligehavenregels De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen het kabinet om bij tehouden hoe vaak gebruik wordt gemaakt van de veiligehavenregels.Daarnaast vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA of deveiligehavenregels een risico op belastingontwijking in stand houden. Deveiligehavenregels komen in de kern erop neer dat een multinationalegroep of binnenlandse groep ervoor kan kiezen om in plaats van eengedetailleerde Pijler 2-berekening, een vereenvoudigde berekening tehanteren. Een veiligehavenregel is alleen van toepassing als eeninformatieaangifte-indienende groepsentiteit daarvoor kiest. In debijheffing-informatieaangifte dient een groep een overzicht op te nemenvan alle keuzes die zijn gemaakt. Een van de uitgangspunten van deveiligehavenregels is dat deze niet van toepassing zijn als er over eenstaat bijgeheven zou moeten worden in het geval dat een veiligehaven-regel niet van toepassing zou zijn. Hiermee wordt voorkomen dat er eenrisico is op belastingontwijking door het gebruik van veiligehavenregels.Voorts is met het voorgestelde artikel 8.8a WMB 2024 een nieuwemaatregel geïntroduceerd die ziet op het voorkomen van oneigenlijketoepassing van de kwalificerendlandenrapport-veiligehavenregel.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe lang de tijdelijkeonderbelastewinstbijheffing veiligehavenregel van toepassing is. Dezetijdelijke veiligehavenregel is van toepassing op verslagjaren die beginnenop of voor 31 december 2025 en eindigen voor 31 december 2026. Ditbetekent dat de onderbelastewinstmaatregel tot op zijn vroegst 1 januari2026 geen toepassing zal vinden op laagbelaste entiteiten in staten meteen statutair tarief van ten minste 20%. In de administratieve richtsnoerenvan juli 2023 is uitdrukkelijk opgenomen dat deze veiligehavenregel nietkan worden verlengd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 78 De leden van de fractie van het CDA vragen ten aanzien van de binnen-landse bijheffing of het klopt dat in landen verschillende Pijler 2-systemenkunnen bestaan en dat dat ertoe kan leiden dat een ander land nog eenkeer kan bijheffen. Voorts vragen deze leden of de Belastingdienst dezesituatie reeds voorbij heeft zien komen. Binnen het IF zijn kaders overeen-gekomen waaraan een binnenlandse bijheffing van een land aan moetvoldoen om aangemerkt te kunnen worden als een kwalificerendebinnenlandse bijheffing. Binnen het IF is een peer review proces vormge-geven waarin wordt nagegaan of de binnenlandse bijheffing van een land,alsmede de binnenlandse bijheffing veiligehavenregel op de juiste wijzezijn geïmplementeerd en daarmee kwalificeren onder de Pijler 2-regels.Als de binnenlandse bijheffing van een land kwalificeert en de binnen-landse bijheffing veiligehavenregel ook van toepassing is, zijn anderelanden verplicht om de toepassingen daarvan te respecteren en niet nogeen keer bij te heffen over de winst van de betreffende multinational indat land. In theorie is het mogelijk dat de binnenlandse bijheffing welkwalificeert, maar de veiligehavenregel niet van toepassing is. In diesituatie zou er voor de bepaling van de binnenlandse bijheffing op basisvan de kwalificerende lokale financiële verslaggevingsstandaard eenlagere bijheffing berekend kunnen worden dan op basis van de kwalifice-rende financiële verslaggevingsstandaard van de uiteindelijkemoederen-titeit aan bijheffing berekend wordt. In dat geval kan het verschil tussendie twee berekeningen bijgeheven worden in andere landen op grond vande daar ingevoerde inkomen-inclusiemaatregel of onderbelastewinst-maatregel. Omdat de eerste bijheffing-informatieaangiftes medio 2026worden ingediend, heeft de Belastingdienst nog geen ervaring met deinteractie van de WMB 2024 en de Pijler 2-wetgeving van andere landen.De bedoelde situatie dat er nog een keer wordt bijgeheven is niet bekendbij de Belastingdienst.De leden van de fractie van het CDA vragen of de geboden mogelijkheidvoor multinationals om de tijdelijke kwalificerendlandenrapport-veiligehavenregel toe te passen terwijl zij geen kwalificerendlanden-rapport opstellen ertoe kan leiden dat de Belastingdienst over te weiniggegevens beschikt om te beoordelen of deze multinationals voldoendebelasting betalen. Op grond van het voorgestelde nieuwe artikel 8.8,tiende lid, WMB 2024 kan een multinationale groep of binnenlandse groepdie geen kwalificerendlandenrapport opstelt alsnog een beroep doen opde tijdelijke kwalificerendlandenrapport-veiligehavenregel. Hierbij geldtechter dat in plaats van de in een kwalificerendlandenrapport gerappor-teerde totale inkomsten en winst vóór winstbelasting wordt uitgegaan vande gegevens in de kwalificerende financiële verslaggeving die demultinationale groep of binnenlandse groep zou moeten rapporteren ineen kwalificerendlandenrapport als totale inkomsten en winst vóórwinstbelasting indien zij verplicht zou zijn geweest om een kwalificerendlandenrapport op te stellen. Dit betekent dat een multinationale groep ofbinnenlandse groep de gegevens die vereist zijn voor de rapportage ineen kwalificerendlandenrapport dient te herleiden uit de kwalificerendefinanciële verslaggeving om te beoordelen of wordt voldaan aan devereisten van de tijdelijke kwalificerendlandenrapport-veiligehavenregel.Dit betekent dat de Belastingdienst over voldoende data zal beschikkenom te beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten van de tijdelijkekwalificerendlandenrapport-veiligehavenregel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 79 6. Belastingtegoeden en fiscale regelingen De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen in hoeverreuitvoering is gegeven aan de Motie Geerdink17 over een onderzoek naargevolgen van de invoering van de minimumbelasting en of dit zal leidentot aanpassing van fiscale regelingen die als doelmatig en doeltreffendzijn geëvalueerd, zoals de innovatiebox. Daarnaast vragen deze leden naarde status van de brief die het kabinet naar de Kamer zou sturen naaraanleiding van de motie-Geerdink, en welke voors en tegens kwalifice-rende restitueerbare belastingtegoeden hebben. Tot slot vragen de ledenvan de fractie GroenLinks-PvdA wanneer de antwoorden over kwalifice-rende restitueerbare belastingtegoeden worden toegezonden, zoals istoegezegd tijdens het commissiedebat Belastingen in MaatschappelijkPerspectief.In het rapport «Belastingen in maatschappelijk perspectief: Bouwstenenvoor een beter en eenvoudiger belastingstelsel» (hierna: het Bouwstenen-rapport) is nader ingegaan op de in de Motie Geerdink genoemde materie.Bij brief van 12 maart 202418, heeft de vaste commissie voor Financiënvan de Eerste Kamer op initiatief van het Kamerlid Geerdink gevraagd omeen nadere uitwerking te geven van de Motie Geerdink over hetonderzoek naar de gevolgen van de invoering van de minimumbelastingop fiscale stimuleringsmaatregelen, met daarin een verduidelijking van deoverwegingen, conclusies en oplossingsrichtingen die berusten op hetBouwstenenrapport. Daarnaast is tijdens het commissiedebat Belastingenin maatschappelijk perspectief van 11 september 2024 in de TweedeKamer toegezegd om schriftelijk te reageren op de vraag van het KamerlidMaatoug of belastingtegoeden een ondermijnende werking hebben op deminimumbelasting. In de antwoorden op de feitelijke vragen van de vastecommissie voor Financiën over het Bouwstenenrapport is ingegaan opverschillende aspecten van belastingtegoeden in relatie tot de minimum-belasting.19 Daarnaast zal naar aanleiding van het bovenstaande binnenenkele weken een brief naar beide Kamers worden gestuurd over deminimumbelasting en fiscale regelingen, waarin onder meer nader zalworden ingegaan op afwegingen die relevant zijn bij het introduceren vaneen kwalificerend belastingtegoed.De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en het CDA vragen of hetkabinet een overzicht kan geven van landen die kwalificerende restitu-eerbare belastingtegoeden hebben ingevoerd of voornemens zijn om diein te voeren. Daarnaast vragen de leden van de fractie van het CDA of dekwalificerende restitueerbare belastingtegoeden het idee van eeneffectieve minimumbelasting ondergraven. Ook vragen deze leden of hetkabinet van plan is om een kwalificerende restitueerbare belastingtegoedin te voeren. Het akkoord op de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2)is een belangrijke mijlpaal omdat het een ondergrens stelt aan debelastingconcurrentie tussen staten. Om tot een internationaal aanvaardestandaard voor een minimumbelasting te komen was het nodig omconsensus te bereiken. Dit geldt eveneens voor de behandeling van(kwalificerende) belastingtegoeden (zogenoemde tax credits). Om tevoorkomen dat de verschillende financiële verslaggevingstandaardenbepaalde voor- of nadelen voor belastingplichtigen hebben is het IF,georganiseerd door de OESO, een kader voor belastingtegoedenovereengekomen. Dit is uitgewerkt in de administratieve richtsnoeren van17Kamerstukken I 2023/24, 36 418, nr. AA.18Brief 12 maart 2024, dictum Motie Geerdink (VVD) c.s. over onderzoek naar de gevolgen vande invoering van de minimumbelasting, nr. 174744U (https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20240312/brief_aan_de_staatssecretaris_van).19Kamerstukken II 2023/24, 32 140, nr. 189.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 710 juli 2023. Dit kader is volgens het IF nodig omdat, in tegenstelling totoverheidssubsidies, uit de financiële verslaggeving (het uitgangspuntvoor de Pijler 2-regels) geen eenduidige en verplichte behandeling volgtvoor belastingtegoeden. Niet alle belastingtegoeden worden onder dePijler 2-regels aangemerkt als kwalificerende belastingtegoeden. Ookdaaraan stellen de Pijler 2-regels voorwaarden. Alleen kwalificerenderestitueerbare belastingtegoeden en kwalificerende verhandelbarebelastingtegoeden worden als gelijkwaardig gezien als overheidssub-sidies. Dit heeft tot gevolg dat onder de Pijler 2-regels deze belastingte-goeden, net als subsidies, worden behandeld als inkomen voor Pijler 2(noemer van de breuk). De niet-kwalificerende belastingtegoeden20daarentegen hebben geen invloed op het inkomen voor Pijler 2, en zorgendat het bedrag aan betrokken belastingen wordt verlaagd (teller van debreuk). Binnen dit internationaal raamwerk van de Pijler-2 regels dat doorhet IF is geïntroduceerd past een toenemend aantal landen daarom defiscale regelingen aan, of introduceert nieuwe regelingen, zodat deze ookonder de Pijler 2-regels het gewenste beleidsdoel bereiken. In Nederlandbestaat een fiscale stimuleringsmaatregel in de vorm van een kwalifi-cerend belastingtegoed op dit moment niet. Binnen enkele weken zal naarbeide Kamers een brief worden gestuurd over de minimumbelasting enfiscale regelingen, waarin onder meer nader zal worden ingegaan opafwegingen die relevant zijn bij het introduceren van een kwalificerendbelastingtegoed.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom is beslotenom in dit wetsvoorstel ook kwalificerende verhandelbare belastingte-goeden mogelijk te maken en hoe deze in de praktijk kunnen wordengebruikt. In de administratieve richtsnoeren van juli 2023 zijn kadersopgenomen voor de behandeling van belastingtegoeden in den brede. Indeze administratieve richtsnoeren worden kwalificerende verhandelbarebelastingtegoeden, net als kwalificerende restitueerbare belastingte-goeden, in aanmerking genomen bij het kwalificerende inkomen. Defiscale behandeling van kwalificerende verhandelbare belastingtegoedenis thans niet opgenomen in de WMB 2024. Met de voorgestelde maatregelwordt het kader voor dergelijke belastingtegoeden ook onder dereikwijdte van de WMB 2024 gebracht. De voorgestelde maatregel bepaaltwanneer een belastingtegoed kwalificeert als een kwalificerend verhan-delbaar belastingtegoed. Daaraan worden verschillende voorwaardengesteld die voortvloeien uit de administratieve richtsnoeren van juli 2023.Verder wordt geregeld hoe een dergelijk kwalificerend verhandelbaarbelastingtegoeden dienen te worden behandeld binnen de kaders van deminimumbelasting. Voor toepassing van de voorgestelde maatregel is hetde vraag of een land een regeling kent die als een kwalificerend verhan-delbaar belastingtegoed kan worden aangemerkt. Nederland kentbijvoorbeeld een dergelijke regeling niet.De leden van de fractie van NSC vragen wat de impact is van deminimumbelasting voor Nederlandse bedrijven en of de belastingdruk inNederland in principe hoger is dan 15%. Voorts vragen de leden van defractie van het NSC welke fiscale methodes er zijn om in Nederland onderhet effectieve belastingdruk van 15% te komen en of de minimumbe-lasting negatieve budgetimpact heeft op de innovatieve Nederlandseindustrie, omdat de innovatiebox-maatregel de belastingdruk inNederland kan verlagen. Het hoge vennootschapsbelastingtarief inNederland is 25,8%. Hierdoor worden belastingplichtigen in het algemeentegen een effectief belastingtarief van meer dan 15% belast in Nederland.In bepaalde gevallen kan desondanks het effectieve belastingtarief lager20Dit betreffen niet-kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden, niet-kwalificerendeverhandelbare belastingtegoeden en overige belastingtegoeden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 711 zijn dan het minimumbelastingtarief van 15%. Dat geldt in enkelespecifieke situaties waarin bijvoorbeeld de innovatiebox, het tonnage-regime of de liquidatieverliesregeling van toepassing zijn. De bijheffingvoor de minimumbelasting wordt echter bepaald over het netto kwalifi-cerend inkomen van alle in Nederland gevestigde groepsentiteiten in eenverslagjaar waarbij ook wordt gecorrigeerd voor de reële aanwezigheid.Omdat groepen vrijwel altijd ook reguliere winsten hebben die inNederland tegen 25,8% belast worden, betekent dit dat slechts in enkelezeer specifieke gevallen het effectieve belastingtarief onder de 15% komt.7. Overig De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen ten aanzien van deonderbelastewinstmaatregel om een uiteenzetting van de werking van deallocatiesleutel van de onderbelastewinstmaatregel en vragen op welkemanier Nederland gaat bijheffen. Als er in Nederland laagbelastegroepsentiteiten zijn gevestigd, omdat het effectieve belastingtarief lageris dan 15%, zal Nederland over die groepsentiteiten bijheffen op grondvan de binnenlandse bijheffing. Wanneer een staat geen kwalificerendebinnenlandse bijheffing heeft geïmplementeerd en daardoor niet bijheftover de laagbelaste groepsentiteiten die gevestigd zijn in die staat, dientNederland bij te heffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel als de(uiteindelijke) moederentiteit van de groep in Nederland is gevestigd.Voor zover geen inkomen-inclusiemaatregel en kwalificerende binnen-landse bijheffing wordt toegepast, wordt de (resterende) bijheffingverzekerd door toepassing van de onderbelastewinstmaatregel. Deonderbelastewinstmaatregel werkt als een zogenoemde «backstop» vande inkomen-inclusiemaatregel. De onderbelastewinstbijheffing wordtverdeeld door middel van een allocatiesystematiek. De allocatiesyste-matiek van de onderbelastewinstmaatregel is bedoeld om de onderbelas-tewinstbijheffing toe te rekenen op basis van de relatieve fysiekeaanwezigheid die een multinationale groep heeft in een staat. Deonderbelastewinstbijheffing wordt toebedeeld naar rato van het aantalwerknemers uitgedrukt in voltijdsequivalenten en de nettoboekwaardevan de materiële activa van de multinationale groep in de staten waar eenkwalificerende onderbelastewinstmaatregel van toepassing is. Hierbijworden beide factoren in gelijke mate in aanmerking genomen. Voor hetbepalen van de nettoboekwaarde van de materiële activa wordt uitgegaanvan het gemiddelde van de begin- en eindwaarde van de materiële activa,zoals opgenomen in de financiële verslaggeving van een groepsentiteit.Door het hanteren van een gemiddelde wordt rekening gehouden metmogelijk grote verschillen in het bedrag aan materiële activa gedurendehet verslagjaar. Bij het bepalen van het aantal werknemers uitgedrukt involtijdsequivalenten heeft een groep de mogelijkheid om zelf eenmethodiek te kiezen. Zo kan worden uitgegaan van het aantal voltijdsequi-valenten aan het eind van het verslagjaar, of over het gemiddelde van hetverslagjaar of op een andere manier, mits die methodiek elk jaar op basisvan een bestendige gedragslijn wordt toegepast. De allocatie is dusafhankelijk van de feiten en omstandigheden bij de specifieke multinati-onale groep.De leden van de fractie van de VVD vragen of geldleningen binnen eenNederlandse fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting onder dereikwijdte van de bepaling vallen. Het kabinet gaat ervan uit dat de fractievan de VVD refereert aan het voorgestelde artikel 8.8a WMB 2024. Dezebepaling hangt samen met artikel 8.8 WMB 2024 (de tijdelijkekwalificerendlandenrapport-veiligehavenregel). Het voorgestelde artikel8.8a WMB 2024 voorkomt dat groepen door middel van kwalificatiever-schillen tussen fiscale regelgeving en de financiële verslaggeving inaanmerking komen voor de toepassing van de tijdelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 712 kwalificerendlandenrapport-veiligehavenregel. Door middel van kwalifica-tieverschillen kunnen inkomen, kosten, verliezen of belastingen dubbel ofop een inconsistente wijze in aanmerking worden genomen, waardooreen of meer groepsentiteiten onbedoeld zouden kunnen kwalificeren voorde toepassing van de tijdelijke kwalificerendlandenrapport-veiligehavenregel. Hierdoor zou mogelijke bijheffing worden vermeden.Het voorgestelde artikel 8.8a WMB 2024 voorkomt dit door een correctieaan te brengen voor zover er sprake is van een kwalificatieverschil waarbijinkomen, kosten, verliezen of belastingen dubbel of op een inconsistentewijze in aanmerking worden genomen. Net als voor de andere bepalingenin de WMB 2024, is voor de toepassing van het voorgestelde artikel 8.8aWMB 2024 de financiële verslaglegging van groepsentiteiten in beginselleidend.De leden van de fractie van de VVD vragen of de bepaling van het huidigeartikel 3.2, derde lid, WMB 2024 niet moet worden opgenomen in eennieuw vijfde lid in artikel 6.1 WMB 2024 in plaats van artikel 6.1, derde lid,WMB 2024. Artikel 6.1, derde lid, WMB 2024 bepaalt dat indien eengroepsentiteit is gevestigd in een staat die een kwalificerende binnen-landse bijheffing toepast, voor de bepaling van het kwalificerendeinkomen of verlies, de nettowinst of het nettoverlies van die groepsen-titeit, in afwijking van het voorgestelde artikel 6.1, eerste en tweede lid,WMB 2024 mag worden bepaald in overeenstemming met een geaccep-teerde of geautoriseerde financiële verslaggevingsstandaard die afwijktvan de financiële verslaggevingsstandaard die wordt gebruikt bij detotstandkoming van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijke-moederentiteit. Hierbij geldt als voorwaarde dat de betreffende nettowinstof het betreffende nettoverlies wordt aangepast om elke vorm vanmateriële concurrentieverstoring te voorkomen. Daarbij komt de vraag ophoe omvangrijk deze concurrentieverstoring zou moeten zijn in de contextvan de kwalificerende binnenlandse bijheffing om te kunnen spreken vaneen materiële concurrentieverstoring. In paragraaf 118.15 van hetOESO-Commentaar dat is toegevoegd met de administratieve richt-snoeren van februari 2023 is daarom opgenomen dat het IF in de nabijetoekomst een andere, strengere definitie kan opstellen van een materiëleconcurrentieverstoring in de context van een kwalificerende binnenlandsebijheffing. Vooruitlopend op een dergelijke, toekomstige definitie isdaarom een delegatiebepaling opgenomen in artikel 3.2, derde lid, WMB2024. Aangezien deze delegatiebepaling relevant is in de context van dekwalificerende binnenlandse bijheffing wordt voorgesteld om genoemdebepaling te verplaatsen naar artikel 6.1, derde lid, WMB 2024.De leden van de fractie van NSC vragen hoe ervoor wordt gezorgd dat deregels voor valutaconversie binnen de geconsolideerde jaarrekening vande uiteindelijkemoederentiteit geen onbedoelde fiscale effecten veroor-zaken gezien het feit dat wisselkoersschommelingen nog steeds impactkunnen hebben op de effectieve belastingdruk van multinationals. Opgrond van het voorgestelde artikel 1.4, eerste lid, WMB 2024 worden debedragen in de financiële verslaggeving van een groepsentiteit die isopgesteld in een functionele valuta omgerekend naar de presentatievalutaop basis van de valutaconversieprincipes van de geautoriseerde financiëleverslaggevingsstandaard die worden gebruikt bij het opstellen van degeconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit. Heteffectieve belastingtarief onder de WMB 2024 wordt berekend door debetrokken belastingen te delen door het kwalificerende inkomen en dezeuitkomst vervolgens te vermenigvuldigen met 100%. Omdat op grond vanhet artikel 1.4, eerste lid, WMB 2024 de bedragen die zowel zien op debetrokken belastingen als het kwalificerende inkomen wordenomgerekend, zullen er geen onbedoelde fiscale effecten zijn. Deomrekening heeft in principe een neutraal effect op de hoogte van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 713 effectieve belastingtarief. Voorts bevatten financiële verslaggevingsstan-daarden verschillende valutaconversieprincipes die erop zijn gericht omde impact van wisselkoersschommelingen op het resultaat te beperken.De Staatssecretaris van Financiën,F.L. IdsingaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 609, nr. 714

Bron, video en gesprek →