Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 576Regels omtrent productie, transport en leveringvan warmte (Wet collectieve warmte)Nr. 97 NADER GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN DE LEDEN POSTMA ENROODERKERK TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDERNR. 33Ontvangen 24 juni 2025 De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:INa artikel 11.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:Artikel 11.6a relatieve betaalbaarheid collectieve warmte 1. Onze Minister verzekert bij de inwerkingtreding van de artikelen 7.3tot en met 7.5 dat de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte voorkleinverbruikers dan wel grootverbruikers die zorgdragen voor dedoorlevering van warmte, na inwerkingtreding van de artikelen 7.3 tot enmet 7.5, 7.6 en 7.7 is geborgd.2. Onze Minister verzekert bij de inwerkingtreding van de artikelen 7.17tot en met 7.19 dat de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmtevoor kleinverbruikers dan wel grootverbruikers die zorgdragen voor dedoorlevering van warmte, na inwerkingtreding van de artikelen 7.17 tot enmet 7.19 is geborgd.IIArtikel 11.7 wordt als volgt gewijzigd:1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1» geplaatst.2. Na het eerste lid (nieuw) worden twee leden toegevoegd, luidende:2. Tegelijk met het overleggen van het ontwerp van het koninklijk besluitwaarmee de in de artikel 12.24, derde lid, genoemde artikelen in werkingtreden, zendt Onze Minister aan de Staten-Generaal een rapport van eenonderzoek naar de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte,bedoeld in artikel 11.6a, en zijn bevindingen naar aanleiding van ditrapport. kst-36576-97ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 971 3. Tegelijk met het overleggen van het ontwerp van het koninklijk besluitwaarmee de in de artikel 12.24, vijfde lid, genoemde artikelen in werkingtreden, zendt Onze Minister aan de Staten-Generaal een rapport van eenonderzoek naar de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte,bedoeld in artikel 11.6a, en zijn bevindingen naar aanleiding van ditrapport.Toelichting Onder de huidige Warmtewet zijn de tarieven gebaseerd op degasreferentie. Warmteverbruikers hebben daarmee zekerheid dat zij nietmeer betalen dan een gemiddeld huishouden voor aardgas betaalt. Hetwetsvoorstel voorziet in een overgang van de gasreferentie (fase 1) naarkostengebaseerde tarieven (fase 2).Op dit moment is nog onvoldoende duidelijk wat de kostengebaseerdetarieven worden. De ACM moet daarvoor eerst beter inzicht krijgen in dekosten van warmtesystemen en de tariefreguleringssystematiek verderuitwerken. Deze onzekerheid geeft warmteverbruikers mogelijk onvol-doende vertrouwen dat warmte na de inwerkingtreding van kostengeba-seerde tarieven betaalbaar zal zijn ten opzichte van gangbare alterna-tieven, zoals aardgas of een elektrische warmtepomp.Deze bepaling verzekert dat de relatieve betaalbaarheid ten opzichte vangangbare verwarmingsopties op orde is wanneer wordt overgestapt opkostengebaseerde tarieven. Dat is van belang voor iedereen die nuaangesloten is op een warmtenet of overweegt om dat in de toekomst tedoen en zich zorgen maakt over de ontwikkeling van de energierekeningals gevolg van de nieuwe tariefregulering. Zo creëren we meer draagvlakvoor warmtenetten en ondersteunen daarmee de verdere opschaling vancollectieve warmte.Het is nu nog niet mogelijk om te toetsen of bestaand en aangekondigdbeleid voldoende waarborg bieden dat de relatieve betaalbaarheid vancollectieve warmte verzekerd is bij de overgang naar kostengebaseerdetarieven. Er zijn de komende jaren namelijk verschillende beleids- enmarktontwikkelingen te verwachten die effect hebben op de kosten vanzowel collectieve warmte als alternatieve verwarmingsopties.Bijvoorbeeld een wijziging van het nettarief voor elektriciteit of deontwikkeling van de ETS-2 prijs. In welke mate deze ontwikkelingenbijdragen aan de relatieve betaalbaarheid van warmte wordt voorafgaandaan het besluit over de invoering van kostengebaseerde tarievenonderzocht en gewogen. Bij deze toetsing zal ook rekening wordengehouden met de nog uit te werken instructieregels ten aanzien van debetaalbaarheid voor de bewoners in de wijk op basis van hetamendement Erkens c.s op de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmte-transitie.1 Indien hieruit blijkt dat de prijs van collectieve warmte niet kanconcurreren met gangbare alternatieven, kan het kabinet overwegen omaanvullende instrumenten zoals bijvoorbeeld investeringssubsidies ofprijsgarantie in te zetten om de relatieve betaalbaarheid te borgen.Het doel van deze bepaling is om betaalbaarheid van warmte te borgenvoor huishoudens, niet voor zakelijke afnemers van warmte. Daarom isdeze bepaling beperkt tot kleinverbruikers en verhuurders of VVE’s diewarmte van een warmtebedrijf afnemen en die doorleveren aan hunhuurders respectievelijk leden.PostmaRooderkerk1Kamerstukken II 2023/24, 36 387, nr. 20.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 972
Bron, video en gesprek →0debatten
329bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken
Partijen door de tijd: D66 (2024-03-29–heden) · D66 (2023-12-06–2023-12-07) ·