KamerkringInloggen

Officieel Kamerprofiel

f965f5e0-7dbe-4f62-b291-33bf51b4ab0d

0debatten
45bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
30 sep 2026 · Kamerstuk

Inbreng Verslag van een schriftelijk overleg Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de staatssecretaris d.d. 7 september 2026 inzake de voorhang van het ontwerp van het Tijdelijk besluit peuter-kleutergroepen (Kamerstuk 31 322, nr. 590). Bij brief van ... heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt. De voorzitter van de commissie Hamstra Adjunct-griffier van de commissie Easton Inhoud I Vragen en opmerkingen uit de fracties Inbreng van de leden van de D66-fractie Inbreng van de leden van de VVD-fractie Inbreng van de leden van de PRO-fractie Inbreng van de leden van de PVV-fractie Inbreng van de leden van de CDA-fractie Inbreng van de leden van de BBB-fractie II Reactie van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap I Vragen en opmerkingen uit de fracties Inbreng van de leden van de D66-fractie De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerp van het Tijdelijk besluit peuter-kleutergroepen. Deze leden zien kansen in het eerder samenbrengen van kinderopvang en onderwijs. Voor jonge kinderen kan de stap naar de basisschool nu groot zijn, terwijl juist in deze jaren de basis wordt gelegd voor hun verdere ontwikkeling. Door peuters en kleuters samen te laten spelen en leren, kunnen professionals eerder aansluiten bij wat een kind nodig heeft, kan kennis over de ontwikkeling van een kind beter worden overgedragen en kan de overgang naar school minder abrupt worden. Deze leden vinden het daarom goed dat de staatssecretaris ruimte wil geven om in de praktijk te onderzoeken hoe deze samenwerking het beste kan worden vormgegeven en hebben hierover de volgende vragen. De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat kinderen al op jonge leeftijd een stevige basis meekrijgen voor hun verdere ontwikkeling. Taalontwikkeling, woordenschat en plezier in boeken en verhalen vormen een belangrijke voorbereiding op het latere leesonderwijs. In de toelichting wordt beschreven dat in de peuter-kleutergroep een doorgaande leer- en ontwikkellijn moet worden vormgegeven en dat voor kleuters aandacht moet worden besteed aan de kerndoelen, waarbij ontdekkend en spelend leren centraal blijft staan. Kan de staatssecretaris toelichten hoe binnen het experiment wordt onderzocht of peuter-kleutergroepen bijdragen aan de taalontwikkeling en de voorwaarden voor latere leesvaardigheid van kinderen? Wordt daarbij bijvoorbeeld gekeken naar woordenschat, mondelinge taalvaardigheid, boekoriëntatie en leesplezier? De leden van de D66-fractie constateren dat het werken in een peuter-kleutergroep specifieke pedagogische en didactische deskundigheid vraagt van zowel leraren als pedagogisch medewerkers. Hoe wordt binnen het experiment gezorgd dat leraren voldoende zijn toegerust om onderwijs en ontwikkeling af te stemmen op kinderen van verschillende leeftijden en ontwikkelniveaus? Wordt ook onderzocht welke aanvullende deskundigheid nodig is wanneer peuter-kleutergroepen structureel zouden worden ingevoerd? De leden van de D66-fractie lezen tegelijkertijd in de toelichting dat gelijkwaardigheid tussen beide beroepsgroepen niet vanzelfsprekend is en goede afspraken vereist. Hoe worden deelnemende organisaties ondersteund om deze samenwerking goed vorm te geven? Wordt gezamenlijke scholing of professionalisering gestimuleerd? Wordt in de evaluatie ook afzonderlijk gekeken naar de ervaringen, werkdruk en professionele ontwikkeling van leraren en pedagogisch medewerkers? Kan de staatssecretaris toelichten hoe de ervaringen van deze professionals worden meegewogen bij een eventueel besluit over structurele invoering? De leden van de D66-fractie vragen ook aandacht voor de toegankelijkheid van het experiment. Bij de selectie kan rekening worden gehouden met regionale spreiding en de spreiding over bevoegde gezagen en kinderopvangorganisaties. Wordt daarbij ook bewust gestuurd op variatie in sociaal-economische achtergrond van kinderen, stedelijke en landelijke gebieden en het aandeel kinderen met een risico op onderwijsachterstanden? Hoe wordt gewaarborgd dat het onderzoek daarmee voldoende representatief is om later landelijke conclusies te kunnen trekken? De leden van de D66-fractie lezen dat nog beperkt Nederlands onderzoek beschikbaar is naar de effecten van peuter-kleutergroepen en dat juist daarom voor een experiment wordt gekozen. Kan de staatssecretaris nader toelichten welke concrete uitkomsten na afloop van het experiment nodig zijn om te kunnen beoordelen of peuter-kleutergroepen structureel wenselijk zijn? Welke indicatoren worden daarbij gebruikt voor de ontwikkeling, het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen? Hoe wordt in het onderzoek onderscheid gemaakt tussen de effecten op verschillende groepen kinderen, bijvoorbeeld kinderen met een risico op een onderwijsachterstand, kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte en kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong? Juist voor deze groepen wordt in de toelichting een mogelijke meerwaarde van peuter-kleutergroepen genoemd. Inbreng van de leden van de VVD-fractie De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Kamerbrief over de voorhang van het ontwerp van het Tijdelijk besluit peuter-kleutergroepen en hebben daarover geen vragen. Inbreng van de leden van de PRO-fractie De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige besluit. Deze leden gunnen ieder kind een goede start, willen van de kinderopvang een publieke basisvoorziening maken zonder winstoogmerk, gratis toegankelijk voor ieder kind, en zetten in op vroege en voorschoolse educatie met extra aandacht voor kinderen met achterstanden. Zo willen zij bijdragen aan kansengelijkheid. Veel onderwijsachterstanden ontstaan immers op jonge leeftijd en daarom is het belangrijk om jonge kinderen die een achterstand dreigen op te lopen al op jonge leeftijd gericht te ondersteunen in hun ontwikkeling. Het onderhavige besluit doorbreekt het zogenoemde ‘split system’ waarbij onderwijs en kinderopvang twee afzonderlijke stelsels vormen en voorziet erin om voor een geselecteerde groep bevoegde gezagen en houders van kindercentra in ieder geval gedurende vier jaar gezamenlijk een peuter- en kleutergroep aan te bieden en met deze ruimte in de wet- en regelgeving aan te sluiten bij de (ontwikkel)behoeften van jonge kinderen. De leden van de PRO-fractie juichen deze mogelijkheid toe, want ook zij zien graag dat peuters en kleuters een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. De leden van de PRO-fractie hechten er wel aan dat hierbij duidelijke randvoorwaarden worden gehandhaafd in termen van emotionele veiligheid voor de kinderen in de peuter- en kleutergroep, de maximale groepsgrootte en bekwaamheid van de beroepskrachten. Deze leden begrijpen dat de regering beslist niet de bedoeling heeft om het peuteraanbod te ‘verschoolsen’, maar jonge kinderen spelenderwijs uit te dagen in hun ontwikkeling, met voldoende ruimte voor spelend leren. Kan de staatssecretaris specificeren op welke manieren zij dit waarborgt? Inbreng van de leden van de PVV-fractie De leden van de PVV-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de voorhang van het ontwerp van het Tijdelijk besluit peuter-kleutergroepen. Deze leden hebben hier geen verdere vragen over. Inbreng van de leden van de CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Tijdelijk besluit peuter-kleutergroepen en maken graag van de gelegenheid gebruik enkele aanvullende vragen te stellen. De leden van de CDA-fractie gaan ervan uit dat kinderopvangorganisaties, peuterscholen en onderwijsinstellingen binnen een gemeente regelmatig overleggen wanneer een kind doorstroomt naar het onderwijs, zeker als dit voor het kind van belang is. Klopt deze aanname? Hoofdlijnen van het voorstel Begrijpen de leden van de CDA-fractie goed dat peuter-kleutergroepen specifiek bedoeld zijn voor kinderen bij wie de overstap naar het onderwijs naar verwachting niet vanzelf verloopt? Kan de staatssecretaris aangeven hoe voor- en vroegschoolse educatie zich tot dit voorstel verhouden? Gelijktijdig lezen deze leden dat zo’n groep in krimpregio’s ook om pragmatische redenen kan worden ingezet om het aanbod in stand te houden. Wat is precies het doel van dit tijdelijke besluit? De leden van de CDA-fractie lezen dat een peuter-kleutergroep een nieuwe pedagogisch-didactische werkwijze mogelijk maakt, die volgens hen veel kansen biedt. Gemeenten, scholen en kinderopvangorganisaties hebben gevraagd om peuters en kleuters gezamenlijk in één groep een aanbod te kunnen bieden. Kan de staatssecretaris toelichten wat hiermee precies wordt bedoeld? Tegelijkertijd zijn er waarschuwingen dat deze aanpak mogelijk niet werkt. Begrijpen deze leden daarom goed dat gelijktijdig onderzoek wordt gedaan naar de gevolgen van dit tijdelijke besluit? Is gewaarborgd dat een kind naar een andere groep kan terugkeren als de aanpak in de praktijk niet passend blijkt? Monitoring en evaluatie Begrijpen de leden van de CDA-fractie goed dat de regeldruk onderdeel is van de monitoring en evaluatie? Deze leden vragen daarnaast of de Kamer pas na de eindevaluatie over de bevindingen wordt geïnformeerd (na 2031) of ook tussentijds. Inbreng van de leden van de BBB-fractie De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerp van het Tijdelijk besluit peuter-kleutergroepen. Deze leden zien kansen in experimenten die bijdragen aan een soepele overgang van kinderopvang naar basisonderwijs en die scholen en kinderopvangorganisaties ruimte geven om maatwerk te bieden aan jonge kinderen. Daarnaast kan dit experiment juist voor de regio van meerwaarde zijn doordat het scholen en kinderopvangorganisaties meer mogelijkheden biedt om voorzieningen in stand te houden en samen te werken in gebieden waar het aantal kinderen terugloopt. Deze leden vinden het verstandig dat eerst in de praktijk wordt onderzocht wat de effecten zijn op de ontwikkeling en het welbevinden van kinderen, voordat wordt besloten over structurele wetgeving. De leden van de BBB-fractie hebben op dit moment geen nadere vragen over het voorliggende ontwerpbesluit. II Reactie van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Bron, video en gesprek →