Wetboek van Strafvordering (Boek 2) (36327)
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
Geert Knigge
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →De heer Knigge: Ja, dank u wel. Ik zou met name graag iets willen uitleggen over de vraag waarom wij eigenlijk geen alternatieven voor de voorlopige hechtenis hebben in het Nederlands recht. Wij spreken altijd wel over alternatieven voor de voorlopige hechtenis, maar de juridische constructie daarvan is wat wonderlijk. Dat leidt ook makkelijk tot misverstanden. Eigenlijk kennen wij, strikt juridisch gezien, geen alternatieven voor de voorlopige hechtenis, maar wel voor de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis. De juridische constructie is dat er eerst gekeken moet worden of er een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven. De vervolgvraag is of, zo nodig onmiddellijk, de tenuitvoerlegging van die voorlopige hechtenis moet worden geschorst onder bepaalde voorwaarden. Dat is dus een kwestie van juridische vormgeving waarbij je vraagtekens kunt zetten, want het leidt gemakkelijk tot verwarring. Dat is heel begrijpelijk, want je denkt inderdaad dat het gaat om een alternatief voor de voorlopige hechtenis, maar juridisch gezien is dat niet het geval. Er is ook gevraagd of het niet anders kan, of we het niet op een andere manier kunnen vormgeven. Er is ook op gewezen dat daar eerder in dit hele wetgevingstraject voorstellen voor zijn ontwikkeld. Door het ministerie is namelijk een regeling voor de voorlopige vrijheidsbeperking aan de ketenpartners voorgelegd, waarbij de voorlopige vrijheidsbeperking dan bestond uit de voorwaarden die nu bij de schorsing van de voorlopige hechtenis kunnen worden opgelegd. Daarin was bepaald dat de rechter eerst moest onderzoeken of het beoogde doel bereikt kan worden door middel van een bevel tot voorlopige vrijheidsbeperking en pas als dat niet mogelijk is, kun je voorlopige hechtenis opleggen. Dat voorstel stuitte op breed verzet bij de ketenpartners, zowel bij de zittende magistratuur als bij het Openbaar Ministerie en ook bij de NOvA. Dat zal u misschien verbazen, want je zou zeggen dat het juist bedoeld is om voorlopige hechtenis binnen de perken te houden. De NOvA was echter bang dat het een aanzuigende werking zou hebben. Als je als rechter namelijk eerst moet kijken of het misschien plezierig is om de vrijheid van de verdachte te beperken, stap je makkelijk over de voorwaarden van de voorlopige hechtenis heen. Als een verdachte bijvoorbeeld eigenlijk geholpen zou moeten worden met reclasseringstoezicht of eigenlijk opgenomen zou moeten worden in een inrichting, leg je dan een bevel tot vrijheidsbeperking op, terwijl je nu eerst moet toetsen aan bepaalde voorwaarden: is er vluchtgevaar of serieus recidivegevaar? Nu moet je dat als rechter eerst beantwoorden voordat je aan de alternatieven toekomt. De angst van de NOvA was — terecht of niet — dat de rechter die stap zou overslaan en direct zou zeggen: het is wenselijk dat de vrijheid van deze verdachte wordt beperkt; laten we dat maar doen. Dus dat was de angst van de NOvA. Dat bij elkaar heeft geleid tot de constatering dat er eigenlijk geen draagvlak voor is. Daarom is van deze voorstellen afgestapt. We moeten het dus doen met een juridische vormgeving die misverstanden kan wekken en waarvan in ieder geval het Openbaar Ministerie en de zittende magistratuur hebben gezegd: het is eigenlijk alleen maar een andere vormgeving; inhoudelijk verandert er niets. Waarom zou je dan de hele wet opschudden als toch de facto alles op hetzelfde neerkomt? Het amendement in deze zin strookt gewoon niet met de juridische systematiek. Daar komt nog bij dat het een beetje overbodig is. In plaats van dat bevel tot voorlopige vrijheidsbeperking is in het voorliggende wetsvoorstel namelijk artikel 2.5.31 opgenomen, dat de rechter die de voorlopige hechtenis beveelt, opdraagt om bij het opleggen van de voorlopige hechtenis direct na te gaan of schorsing van de voorlopige hechtenis mogelijk is, hetzij direct, hetzij op termijn. De wet brengt de rechter uitdrukkelijk onder de aandacht dat die niet zomaar een voorlopige hechtenis kan opleggen, maar direct moet nagaan of er alternatieven zijn. Dat ter verduidelijking.
Bron, video en gesprek →De heer Knigge: Nee, dit is uitsluitend wetstechnisch. Het is de vraag of je het niet kan invlechten in het eerste lid van hetzelfde artikel, zeg ik even uit mijn hoofd. Maar de strekking blijft daardoor volledig overeind.
Bron, video en gesprek →De heer Knigge: Ja, ik denk dat ik hier nog wel enige technische toelichting op kan geven. Inderdaad kan het idee om de tekst te verduidelijken worden toegejuicht. Laat ik ermee beginnen dat bepaalde punten in het voorstel duidelijk positief kunnen worden genoemd, met name als het gaat om onderdeel c van het eerste lid. Dat gaat om de grond die nu nog "de geschokte rechtsorde" heet, bij feiten waarop twaalf jaar gevangenisstraf of meer is gesteld. Er is inmiddels jurisprudentie van het Europese Hof waaruit blijkt dat het bij die geschokte rechtsorde moet gaan om acuut gevaar voor een schending van de openbare orde. Dat brengt uw amendement heel duidelijk tot uitdrukking. In dat opzicht is het duidelijk een verbetering. Onderdeel b gaat over de onderzoeksgrond. Dat is nu een wat wonderlijke formulering, wamt het zegt vooral wat het niet is, namelijk dat het niet het ondervragen van de verdachte mag zijn. Dat mag geen reden meer zijn om de vrijheidsbeneming te verlengen. Wat het wel is, staat er eigenlijk niet. U zegt in uw amendement dat de onderzoeksgrond alleen aanwezig is als het gevaar dreigt dat de verdachte, als hij in vrijheid wordt gesteld, het onderzoek frustreert, bijvoorbeeld door getuigen onder druk te zetten of anderszins te gaan bewerken. Op zichzelf is dat een verheldering, denk ik, van de bestaande wettekst. Ik moet daar wel de kanttekening bij maken dat het ook enige beperking inhoudt, in ieder geval als je afgaat op de tekst van de huidige wet, want daar wordt alle onderzoek onder geschaard dat niet het verhoren van de verdachte is. Daarbij zou je kunnen denken aan de noodzaak om nog een line-up te organiseren, dus een soort Osloconfrontatie tussen een aantal verdachten en andere personen waarbij de getuige wordt gevraagd om de verdachte eruit te kiezen. Dat zou nu in ieder geval, afgaande op de tekst van de wet, een grond zijn om voorlopige hechtenis te verlenen. Je kunt je wel afvragen, als je het hebt over de proportionaliteit van een en ander — maar dat is iets waarnaar we misschien nog nader moeten kijken — of je niet moet zeggen dat de politie dat toch maar in een eerder stadium moet kunnen organiseren. Dat zou ik me kunnen voorstellen. Maar ik wijs er gewoon op dat dit wel een beperking is ten opzichte van de huidige wettekst. Dat waren positieve punten, maar er zijn ook negatieve punten. Het grootste minpunt is, zoals de minister al even noemde, de onschuldpresumptie. U heeft daar zelf een beroep op gedaan, nota bene nog met een citaat van minister Modderman van bijna twee eeuwen eerder, van anderhalve eeuw geleden. Het gaat erom dat u het begrip "ernstige bezwaren" wilt vervangen door dat sprake moet zijn van feiten en omstandigheden die het aannemelijk maken dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit. Van de rechter wordt dus al bij het opleggen van de voorlopige hechtenis gevraagd te oordelen dat het aannemelijk is dat de verdachte schuldig is. Nou, dat gaat veel te ver, zeker als je kijkt naar de jurisprudentie van het Europese Hof. Ik noem de zaak Böhmer tegen Duitsland, een arrest van het Hof uit 2002, waarin het Europese Hof heel uitdrukkelijk stelde dat de choice of words, de woordkeuze, uitermate belangrijk is. Ieder rechterlijk oordeel waarin sprake is van "some reasoning, suggesting that a court regards the accused as guilty", zegt het Europese Hof, levert een schending van artikel 6 EVRM en de daarin neerlegde onschuldpresumptie op. Als de rechter zou zeggen dat aannemelijk is dat de verdachte schuldig is, dan is daar inderdaad some reasoning dat sterk suggereert dat de rechter van oordeel is dat de verdachte het feit heeft begaan. Dus ik denk dat dat echt niet zou moeten. Die onschuldpresumptie komt nog op een tweede punt in het gedrang, namelijk door het voorstel om de beide recidivegronden, d en e, samen te voegen en het woordje "opnieuw" in te voegen: "dat er een sterke aanwijzing is dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal begaan". Dat suggereert dat de rechter vindt dat de verdachte het strafbare feit waarvoor de voorlopige hechtenis wordt bevolen al heeft begaan. Het woordje "opnieuw" staat er niet voor niets in. Wij noemen in de wandelgangen deze gronden wel de recidivegronden, maar omdat wij op onze woorden moeten letten, zegt de wet dat niet en mag de rechter dat ook niet zeggen. Het gaat niet om recidive, maar het gaat er gewoon om dat je, als deze verdenking er is, voorlopige hechtenis mag bevelen als het gevaar bestaat dat de verdachte een strafbaar feit zal begaan. Dat is dan een strafbaar feit dat in het huidige wetboek en ook in het voorgestelde wetsvoorstel beperkt is tot bepaalde strafbare feiten. De hoofdregel is: het moet gaan om strafbare feiten waarop een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. Dan is er nog een tweede grond. Die betreft wat lichtere strafbare feiten. Onder andere winkeldiefstallen vallen daaronder. Daarbij is gedacht aan veelplegers, die wel onvriendelijk draaideurcriminelen worden genoemd. Het is een grote ergernis van winkelbedrijven dat een verdachte die wegens winkeldiefstal aan de politie is overgedragen, drie uur later weer in de winkel verschijnt. Dus toen heeft men gezegd: als het om dat type verdachten gaat, moeten we toch ook als justitie laten zien dat we er werkelijk wat aan doen. De heer Sneller laat alle beperkingen vallen. U zegt: het enige wat nodig is, is dat een misdrijf is begaan, of in ieder geval dat er de vrees voor bestaat dat de verdachte zo'n misdrijf zal begaan, zonder dat dat een gekwalificeerd misdrijf hoeft te zijn. Dat lijkt in ieder geval op het eerste gezicht een enorme verruiming te zijn van de gronden waarop voorlopige hechtenis bevolen kan worden. Ik denk niet dat dat uw bedoeling is. Ik ben een beetje aan het hineininterpretieren, maar ik vermoed dat u dat verbindt met de aanvullende eis die u in de aanhef van het artikel wil opnemen, namelijk dat er van de verdachte een direct gevaar moet uitgaan. U zegt eigenlijk: die recidivegrond moet beperkt worden tot gevallen waarin er een direct gevaar voor recidive is. Maar ja, dat roept wel allerlei vragen op. Wat is dan een direct gevaar? Is dat er alleen maar als gevreesd moet worden dat de verdachte, zodra die op de stoep van het politiebureau staat, opnieuw een strafbaar feit zal begaan? Is het nog direct als je moet vrezen dat hij binnen een week zijn vrouw opnieuw zal mishandelen? Wat bedoelt u met "een direct gevaar voor recidive"? Dat roept de nodige vragen op die verduidelijking behoeven. De vraag is ook of daar de oplossing in gezocht kan worden en of het een duidelijke grens oplevert van wat nog wel als recidive kan worden aangenomen en wat niet. Ik gebruik het woord "recidive": in deze zaal mag ik het zeggen. Tot slot dan die aanvullende eis die u vooropstelt. Die roept ook in andere opzichten vragen op, want hoe verhoudt dat zich bijvoorbeeld tot het vluchtgevaar als grond voor het opleggen van voorlopige hechtenis? Het lijkt alsof u twee cumulatieve voorwaarden stelt: er moet direct gevaar van de verdachte uitgaan en er moet vluchtgevaar zijn. Dat zou betekenen dat, als er groot vluchtgevaar is en de verdachte linea recta naar Dubai vertrekt, ik noem maar een plaats, er helemaal geen gevaar meer is voor recidive. Dan zou er geen gevaar meer van hem uitgaan, want hij is immers ver buiten Nederland verdwenen. De idee is dus juist dat je het vluchtgevaar niet moet koppelen aan de gevaarlijkheid van de verdachte in andere opzichten. Dus ook in dat opzicht denk ik dat het amendement bijstelling behoeft. Maar nogmaals, de idee om het helderder te formuleren kan onderschreven worden.
Bron, video en gesprek →De heer Knigge: Ik denk zelf dat het verstandiger is om wel vast te houden aan categorieën strafbare feiten. Dat zijn harde grenzen waar iedere rechter aan vastzit, waar die niet omheen kan. Een begrip als "direct gevaar voor recidive" geeft juist zo veel speelruimte, dat ik vrees dat de toepassing van voorlopige hechtenis daardoor alleen maar zou worden verruimd. Ik zie zelf niet ... Wat u aandraagt is natuurlijk wel een aspect dat een rechter moet meewegen. Als er vrees is dat de verdachte pas over drie jaar nog eens de fout ingaat, kan dat geen reden zijn om hem op dit moment te hechten. Het gaat natuurlijk om voorafgaand aan de zitting; in ieder geval dan moet de vrees bestaan dat die opnieuw — ik zeg hetzelfde woord ook zelf — de fout in zou gaan. Daar moet het in ieder geval toe beperkt worden. Ik denk dat bij de ernst van het gevaar inderdaad ook de termijn waarop overwogen moet worden. Maar het punt is natuurlijk: zolang de rechter geen vonnis heeft gewezen waarin die passende maatregelen heeft kunnen nemen — in de vorm van voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling bijvoorbeeld of een maatregel op grond van artikel 36v Wetboek van Strafrecht, zeg ik uit mijn hoofd, waarbij ook veiligheidsmaatregelen kunnen worden bevolen — zal je in die tussentijd in veel gevallen toch wat moeten. Hoe je dat in een harde wettelijke formulering vertaalt ... Ik denk dat je hierin toch moet vertrouwen op het oordeel van de rechter, waarbij die ook de proportionaliteit van het bevel voorlopige hechtenis meeweegt, als algemeen uitgangspunt. Ik denk dat je niet veel verder komt in harde wettelijke voorwaarden.
Bron, video en gesprek →De heer Knigge: Dat is inderdaad een interessante gedachtewisseling geweest aan de andere kant van deze tafel. Er moeten natuurlijk twee onderdelen van het amendement goed uit elkaar worden gehouden. Het eerste onderdeel is de vraag of de voorgeleiding ook via videoconferentie kan geschieden. De heer Koops vroeg of dit betekent dat die ook bij de Albert Heijn kan plaatsvinden. Dat denk ik niet; er moeten natuurlijk wel voorzieningen zijn om een videoconferentie te houden. Ik dacht dat de gedachte van mevrouw Helder vooral was dat de verdachte dan wel naar een politiebureau wordt gebracht, maar dat dat geen politiebureau hoeft te zijn waar op dat moment een hulpofficier van justitie aanwezig is. Die kan dus elders zijn, maar op het politiebureau zijn wel de voorzieningen die een videoconferentie mogelijk maken. Op die manier kunnen de lasten verlicht worden. Dat was de gedachte. Het andere voorstel gaat om afwikkeling van de zaak bij de supermarkt. Daar vindt dus juist geen voorgeleiding plaats. Daar speelt het element van de videoconferentie dan ook niet. Het is dan wel de vraag hoe dat zit als er op zo'n moment toch iets van een verhoor plaatsvindt. Dat lijkt namelijk in heel veel gevallen bijna onvermijdelijk. U noemde al dat er toch wel vragen worden gesteld over de betrokkenheid van de verdachte bij het strafbare feit dat hij volgens de supermarkteigenaar begaan zou hebben. Dat is een verhoor. Daarvan zegt de Hoge Raad: zo gauw dat vragen zijn die betrekking hebben op dat vermoedelijk begane strafbare feit, moet je de verdachte de cautie geven. Dat zou dus zeker moeten gebeuren. Ik denk niet dat je moet zeggen dat de verdachte dan ook recht heeft op rechtsbijstand, op consultatiebijstand. We kennen ook het verhoor op straat van verdachten die niet zijn aangehouden; daar is ook niet voorzien in consultatiebijstand. Bovendien is het een beetje een theoretische vraag. Het gaat immers om gevallen waarin de opsporingsambtenaar afziet van verdere actie. De vraag of je de eventueel afgelegde verklaringen zonder rechtsbijstand als bewijs kunt gebruiken, speelt dus eigenlijk niet. Tenminste, die speelt in de meeste gevallen niet, omdat de zaak immers wordt geseponeerd. In theorie is het denkbaar dat de officier van justitie erop terugkomt, bijvoorbeeld omdat er beklag wordt gedaan over het niet vervolgen van het strafbare feit. Dan staat de vraag op scherp of je die verklaring als bewijs mag gebruiken. Dat zou je heel goed moeten onderzoeken. Als de cautie niet gegeven is, dan mag het vanzelfsprekend niet. Maar wat als er geen consultatiebijstand is geweest? Dat is een vraag voor de jurisprudentie. Aangezien de verdachte in de verleiding kan worden gebracht om meer te zeggen dan wanneer hij anders zou hebben gedaan omdat daarmee een sepot kan worden verdiend, zou de jurisprudentie wellicht de gevolgtrekking kunnen hanteren dat je die verklaring überhaupt niet als bewijs mag gebruiken. Maar goed, ik beantwoord nu vragen die eigenlijk door mevrouw Helder worden gecreëerd. Dit is in ieder geval hoe ik het me kan voorstellen als het gaat om de rechtsbescherming.
Bron, video en gesprek →De heer Knigge: Ik wil inderdaad een toelichting geven, vooral omdat ik denk dat er wat onhelderheid bestaat in de discussie die er geweest is. Ik heb van de heer Ellian begrepen dat hij onderschrijft dat het eigenlijk geen blanco bepaling moet zijn. Hij sprak over het naar analogie toepassen van bestaande bevoegdheden. Ik heb het woord "vangnetbepaling" gehoord. In de praktijk vonden enkele rechter-commissarissen — niet allemaal, maar ik dacht alleen bij de rechtbanken Rotterdam en Den Haag — dat ook goed. De minister heeft dat ook al gezegd. Maar dat ging om een methode die gebaseerd was op een vergelijking met bestaande bevoegdheden uit het Wetboek van Strafrecht. Daarbij was het idee grofweg: dit lijkt er wel erg sterk op, dus we mogen aannemen dat de wetgever dit zou legaliseren als hij van deze technologische ontwikkelingen op de hoogte was geweest. Het gaat dan om een tijdelijke leemte in de wettelijke regeling die is ontstaan door technologische ontwikkelingen. Je zou kunnen zeggen dat die misschien ook tijdelijk opgelost kan worden door een vangnetbepaling. Daarbij zou er dan misschien een soort codificatieplicht voor de wetgever kunnen zijn om dat vervolgens ook weer netjes in de wet te regelen. Ik zeg erbij dat het de vraag is of de praktijk waar de heer Ellian zich op beroept rechtmatig is. Er is nog nooit aan de Hoge Raad voorgelegd of het op deze manier kan. Het is in mijn ogen ook zeer de vraag of dat kan, gelet op het legaliteitsbeginsel. Het is nog maar zeer de vraag of de uitoefening van bevoegdheden die meer dan beperkte inbreuk maken op de privacy op een vergelijking met andere bevoegdheden kan worden gebaseerd. Het neemt niet weg dat het inderdaad, zoals de minister zei, de moeite waard is om te onderzoeken of je voor dat type beslissingen wel een wettelijke grondslag kan vinden die houdbaar is, ook in het licht van de grondwettelijke eis dat inbreuk op grondrechten een wettelijke voorziening behoeft en ook gelet op de eisen die het Europees Hof stelt aan verregaande inbreuken op grondrechten. Het is een spannende weg. Het is nog maar de vraag of dat te verenigen is met de Grondwet. Wellicht wel, maar dat zal nauwkeurig onderzocht moeten worden. Ik vind het heel gevaarlijk om dat op een achternamiddag in te voeren. Later zou het constitutionele hof dat deze coalitie voorstaat dan tot de conclusie kunnen komen dat het zo toch echt niet kan. Dus ik zou zeggen dat het alleszins de moeite waard is om het te onderzoeken, maar het moet inderdaad heel zorgvuldig. Volgens mij stelt de heer Ellian nu niet zo'n vangnetbepaling voor, maar gaat hij veel verder dan dat. Hij stelt nu eigenlijk iets voor wat helemaal in strijd is met de wettelijke systematiek. De wettelijke systematiek gaat namelijk wel uit van een bepaalde uitleg van het stelsel van de Grondwet over wanneer beperkingen toelaatbaar zijn. Het berust ook op het legaliteitsbeginsel, op de gedachte dat inbreuk op grondrechten bij de wet in formele zin voorzien moeten zijn. De Kamer heeft zich daar ook over moeten kunnen uitspreken. Dat is het democratiebeginsel. Ik zal dat kort toelichten. Als we kijken naar wat opsporingsambtenaren mogen, dan kennen we een algemene onderzoeksbevoegdheid van de politie, neergelegd in artikel 2.1.9 van het nieuwe wetboek. Die bevoegdheid is al even ter sprake gekomen. Het artikel geeft de politie de bevoegdheid om onderzoek te doen naar strafbare feiten, mits dat onderzoek niet meer dan een beperkte inbreuk op grondrechten maakt. Ook daarvan kun je je afvragen of die bepaling wel in overeenstemming is te brengen met de Grondwet. Het gaat toch om een inbreuk op grondrechten, zij het een beperkte. Is dit een beperking die bij wet voorzien is, zoals de Grondwet eist? Wij denken van wel. Tegelijkertijd zijn we ervan overtuigd dat er specifieke bevoegdheden per geval nodig zijn, gekoppeld aan voorwaarden, restricties en waarborgen tegen misbruik als het gaat om verdergaande inbreuken op grondrechten. Die kan je dus niet op zo'n algemene bepaling baseren. Wat de heer Ellian nu voorstelt voor de rechter-commissaris, is eigenlijk net zo'n algemene onderzoeksbevoegdheid, dus om al het onderzoek te doen dat nodig is om de waarheid aan de dag te brengen. Dan zouden alle andere, specifieke bevoegdheden die de rechter commissaris heeft gekregen, en die wel gebonden zijn aan verdenkingsvoorwaarden en andere beperkende maatregelen, allemaal overbodig zijn. De rechter-commissaris mag immers op basis van deze bepaling al het onderzoek verrichten dat hem goeddunkt. Dat is in strijd met de Grondwet, maar het is ook helemaal in strijd met het systeem dat in dit wetsvoorstel is neergelegd, namelijk dat ook voor de rechter-commissaris geldt dat hij geen onderzoek mag verrichten dat een verregaande inbreuk maakt op grondrechten zonder dat daarvoor een specifieke wettelijke grondslag is aan te wijzen. Misschien ten overvloede wijs ik nog op de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Bekende arresten zijn de arresten van het Europese Hof uit 1990 in de zaken van Kruslin en Huvig tegen Frankrijk. In het Franse wetboek van strafvordering van destijds gaf artikel 81 de onderzoeksrechter, de rechter-commissaris, de bevoegdheid om alle onderzoeksmaatregelen te nemen die hij nodig achtte om de waarheid vast te stellen. Dat was een hele algemene formulering: je mag alles wat nodig is; het doel heiligt alle middelen. Alleen maar op deze ruime bepaling baseerde de Franse onderzoeksrechter met de zegen van de Franse Hoge Raad bijvoorbeeld het tappen van de telefoon. Nu kent het Europese Hof niet de eis dat alle bevoegdheden op grondrechten in een wet in formele zin moeten zijn vastgelegd. Vanuit het Europese perspectief kan "law" ook "common law" zijn; het kan ook ongeschreven recht zijn. Het Europese Hof was dus nog wel bereid om te accepteren dat de Franse jurisprudentie aanvullende eisen kon stellen, maar desondanks vond het Europese Hof dat hoe dit in Frankrijk geregeld was, veel te ruim was en veel te veel ruimte gaf voor misbruik. Daardoor kwam het Europese Hof op die eis dat dit soort inbreuken op grondrechten bijzonder precies moeten zijn. Ik zoek even naar de term: "especially precise". Vertaald naar het Nederlandse recht geldt dan dat die precieze voorwaarden in een wet in formele zin moeten zijn vastgelegd. Als u zo'n voorstel dat een rechter-commissaris alles mag doen wat hem goeddunkt, serieus zou nemen — dat lijkt toch gelezen te moeten worden in het amendement dat de heer Ellian heeft ingediend — brengt dat ons dus onherroepelijk in strijd met de Europese rechtspraak.
Bron, video en gesprek →De heer Knigge: Ja, nogmaals, mijn stelling is dat je artikel 181 niet zo kan lezen dat het nu een blanco machtiging geeft aan de rechter-commissaris om alles te doen wat hem goeddunkt. Het is wel degelijk gebonden aan de bevoegdheden die hem zijn toegekend. Als u er goed naar kijkt, ziet u dat er een systematisch verband zit tussen wat de officier kan vorderen op grond van artikel 210, lid 1, zo zeg ik uit mijn hoofd, en wat de verdachte kan vragen. Die kan precies hetzelfde, dus dan zou je ook nog krijgen dat de verdachte zou kunnen vorderen dat de officier van justitie alles gaat doen wat God niet verboden heeft. Dat kan dus niet de uitleg zijn. Wij hebben, in mijn ogen, duidelijker gemaakt wat nu al geldend recht is. Daarom zeg ik ook: het is de vraag of de weg die nu al in de praktijk bewandeld wordt, genade zou kunnen vinden in de ogen van de Hoge Raad. Dat weet ik niet. Ik wil er ook niet op vooruitlopen, maar die onzekerheid bestaat. Als we zoiets willen, is er denk ik hoe dan ook reden om te kijken of we daar niet een helderder wettelijke regeling voor zouden kunnen treffen. Een element daarvoor kan inderdaad zijn dat het van tijdelijke aard is en dat aan de wetgever wordt gevraagd om dat alsnog te codificeren. Dat zou een element zijn. Een ander element zou kunnen zijn … Nu wordt het gebaseerd op een uitleg van artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering die in mijn ogen niet juist is. De vraag is ook: moet je kiezen voor een oplossing waarin de rechter-commissaris het onderzoek verricht? Zou je er ook niet voor kunnen kiezen — dat is eigenlijk meer in lijn met de uitgangspunten van het huidige wetboek — dat opsporingsonderzoek wordt verricht door de politie onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie? Zou je dat niet ook in een machtigingsconstructie kunnen gieten, waarbij de officier van justitie dus bij de rc een machtiging kan vorderen om bepaalde onderzoeken te verrichten? In de huidige systematiek zijn wat we nu nog "BOB-bevoegdheden" noemen geen bevoegdheden van de rechter-commissaris, dus dan zou je ineens krijgen dat de rc allerlei BOB-achtige onderzoeksmethoden kan gaan toepassen, zoals infiltreren en personen schaduwen. Ik denk dat we dat eigenlijk allemaal niet willen, omdat we zeggen: dat is nou specifiek opsporingswerk. Maar we hebben wel een rechterlijke toets nodig in dit soort gevallen.
Bron, video en gesprek →De heer Knigge: De aanmaning om het kort te houden is wel nodig, denk ik, want dit is een onderwerp waar ik makkelijk helemaal over leeg kan lopen. Ik denk dat het toch goed is om onder de aandacht te brengen dat het wetsvoorstel zoals het er nu ligt, in onze ogen goede redenen heeft en dat er een heel serieuze achtergrond is. Het is een belangrijk element in de hele beweging naar voren. Die hele beweging naar voren is erop gericht om getuigen zo mogelijk niet op de zitting te horen maar al in het vooronderzoek. Dan is de logische gedachte eigenlijk dat, wil je dat bevorderen, het horen in het vooronderzoek ook wel een volwaardig alternatief moet zijn voor horen op de terechtzitting. Horen op de terechtzitting impliceert dat de verdachte bij de ondervraging van de getuige aanwezig is en, geconfronteerd met de getuige, die getuige ook hoogstpersoonlijk vragen kan stellen. Ik wijs er daarbij op dat wij in Nederland een procescultuur hebben ontwikkeld die eigenlijk haaks staat op de manier waarop het Europese Hof tegen het ondervragingsrecht aankijkt. In Nederland zijn we gewend om op de stukken recht te doen, op het dossier dat is samengesteld door de officier van justitie en dat voornamelijk bestaat uit processen-verbaal die door de politie zijn opgemaakt van al het onderzoek dat zij heeft verricht. Dan vinden we het eigenlijk alleen maar lastig en eerlijk gezegd overbodig, een formaliteit, dat de getuigen ook nog eens moeten kunnen worden ondervraagd door de verdachte. Wat zou zo'n verdachte nou kunnen toevoegen aan al datgeen wat de politie al heeft gevraagd? Tegelijkertijd staat eenvoudigweg in het EVRM dat de verdachte het recht heeft om witnesses against him, dus getuigen en charge, te ondervragen. In de logica van het Europees Verdrag volgt dan dat tegenover dat recht altijd de plicht staat van de overheid — de overheid is degene die dat Europese verdrag heeft gedaan — om te zorgen dat de verdachte dat recht ook kan realiseren. Het uitgangspunt is dus eigenlijk dat de officier van justitie er gewoon voor moet zorgen dat de getuigen op de zitting zijn zodat de verdachte die kan ondervragen. Het zou eigenlijk helemaal niet nodig moeten zijn om daar een verzoek voor te doen. Het uitgangspunt is: hij heeft dat recht, dus wij moeten zorgen dat hij dat recht kan uitoefenen. Dat is dus de bril waardoor het Europese Hof kijkt. Het is misschien wel tekenend hoe het Europese Hof getuigenverklaringen betitelt, waarbij het ondervragingsrecht niet uitgeoefend is kunnen worden. Dat noemt het Europese Hof "untested evidence". Daar zit al heel duidelijk de smaak aan: je moet wel van hele goeden huize komen als je untested evidence voor het bewijs gaat gebruiken. Dat is de bril waardoor het Europese Hof kijkt. Er zit dus een enorme spanning tussen onze procescultuur en de manier waarop het Europese Hof naar het ondervragingsrecht kijkt. Dat heeft Nederland al in ieder geval zes keer, zoals ik heb geteld, tot veroordelingen in Straatsburg gebracht: zes keer waarin het ondervragingsrecht volgens het Europese Hof niet is gerespecteerd. Het Europese Hof zegt niet dat het een hele ingewikkelde jurisprudentie is of dat altijd alle getuigen op de zitting moeten worden ondervraagd. Zo is het niet. Als de verdachte afstand doet van zijn ondervragingsrecht, is er natuurlijk geen enkel probleem. Het is ook geen probleem als er overmachtsituaties zijn: als de getuige inmiddels is overleden, of als de getuige recht heeft op een verschoningsrecht, of als de getuige onvindbaar is. Dan is er een good reason, zegt het Europese Hof, waarom de ondervraging niet kan plaatsvinden. Dat wil niet zeggen dat je dan die verklaring niet kan gebruiken. Het is nog steeds untested evidence. De hoofdregel van het Europese Hof is: als het bewijs in beslissende mate of zelfs geheel op untested evidence berust, is er geen fair hearing geweest. Maar de eerste vraag is: is er een good reason? Stel dat er een soort ondervragingsrecht bij de rechter-commissaris is geweest, waarvan de verdachte geen gebruik heeft kunnen maken. Als de verdachte dan ter zitting alsnog verzoekt om de getuige opnieuw op de zitting te horen, is de vraag of de afwijzing van het verzoek met als argument dat het ondervragingsrecht al bij de rc is uitgeoefend, genade zou kunnen vinden in de rechtspraak van het Europese Hof. Dat is sterk de vraag. We weten het natuurlijk niet, want dit geval heeft zich nog nooit voorgedaan. Dan is het makkelijk om te zeggen: nou ja, dan zal het Europese Hof het wel goedvinden. De laatste veroordeling die we gehad hebben, is van 2021 in de zaak Keskin. In die zaak beoordeelde de jurisprudentie van het Europese Hof dat je het moet motiveren als je een verzoek doet om ook getuigen à charge te horen. Daarin klinkt onze procescultuur helemaal door. Het Europese Hof haalde daar gewoon een streep door. Wat motiveren? Je hebt daar gewoon recht op. Met de bril op waarmee het Europese Hof naar onze praktijk kijkt, is het eigenlijk belachelijk om die eis te stellen. Misschien moeten we er toch echt rekening mee houden dat het zich niet verdraagt met het Europese Verdrag om een verdachte zijn daadwerkelijke participatie bij het ondervragingsrecht te onthouden met als argument dat de raadsman bij de rc vragen heeft kunnen stellen. Op zichzelf dwingen het Europese Hof en het EVRM er niet toe dat de verdachte bij het verhoor van de rc aanwezig moet zijn, maar als hij dat niet geweest is, kan de consequentie wel zijn dat je zijn verklaring niet voor het bewijs kan gebruiken.
Bron, video en gesprek →