de Najaarsnota 2023 (36470, nr. 1)
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
Sigrid Kaag
Commissies
Geen huidige commissielidmaatschappen beschikbaar in de Kamerdata.
Contact
Contactgegevens worden alleen getoond voor zittende Kamerleden.
Loopbaan
Geen loopbaangegevens beschikbaar in de Kamerdata.
Opleiding
Geen opleidingsgegevens beschikbaar in de Kamerdata.
Nevenfuncties
Geen nevenfuncties beschikbaar in de Kamerdata.
Geschenken en reizen
Geen geregistreerde geschenken beschikbaar in de Kamerdata.
Geen geregistreerde reizen beschikbaar in de Kamerdata.
Stemgedrag
Bij een hoofdelijke stemming staat de eigen stem. Anders staat de stem van de fractie waarvan dit Kamerlid op de besluitdatum lid was; dat is geen persoonlijke stem.
Geen stemmingen beschikbaar in de Kamerdata.
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →Minister Kaag: Veel dank, meneer de voorzitter. Mag ik u nogmaals, nu hier formeel op camera, feliciteren met uw belangrijke rol? Wij kijken uit naar de vele succesvolle debatten onder uw leiding.
Bron, video en gesprek →Minister Kaag: We spreken over de Najaarsnota. Dat is altijd de laatste budgettaire nota over het huidige begrotingsjaar. Het is goede praktijk dat we de ontwikkelingen sinds Prinsjesdag toelichten. Even voor de goede luisteraar en kijker: de Najaarsnota bevat de laatste aanpassingen op de begroting op basis van de voorlopige realisatiecijfers. Dit jaar is bij Prinsjesdag al een extra ronde suppletoire begrotingen ingeregeld waarin beleidswijzigingen over 2023 zijn opgenomen. De Kamer heeft deze suppletoire begrotingen allemaal behandeld. Om reden van de status van het kabinet en vanwege het feit dat er al een extra ronde suppletoire begrotingen is geweest, is deze Najaarsnota ultrabeleidsarm, zo zou ik zeggen. Het volledige realisatiebeeld ontvangt uw Kamer bij het financieel jaarverslag met als focusonderwerp "onderuitputting", ook omdat daar veel vragen over zijn gesteld. Ik ga uw vragen beantwoorden in de volgende blokjes. Eén: onderuitputting en verplichtingen. Twee: koopkracht, macro-economie, fiscaal. Blokje drie: overig. Ik begin met een vraag van de heer Van Dijck. Hij vroeg naar de reden voor de onderuitputting van 4,5 miljard. De onderuitputting heeft natuurlijk verschillende oorzaken. U heeft dat ook kunnen lezen of zelf geannoteerd, namelijk krapte op de arbeidsmarkt en vertraging bij de uitvoering van projecten. De meeste onderuitputting doet zich voor op de aanvullende post, 1,3 miljard euro, op de begroting van Economische Zaken en Klimaat, 0,9 miljard euro, en op de begroting van Defensie, 0,8 miljard euro. In de jaarverslagen over 2023 zullen de verantwoordelijke ministers op basis van definitieve realisatiecijfers een meer gedetailleerde onderbouwing geven van de onderuitputting. In paragraaf 2.2 en de verticale toelichtingen van de Najaarsnota wordt de onderuitputting per begroting nader toegelicht. Dit natuurlijk voor de nalezing. Mevrouw Van Dijk vraagt wat er gebeurt als een budget niet wordt uitgegeven. Een budget dat niet wordt uitgegeven, kan via de eindejaarsmarge worden meegenomen, zoals mevrouw Van Dijk weet. Dat is maximaal 1% van het begrotingstotaal en 100% bij de investeringsfondsen, maar er is een reden dat er een fonds is opgericht. Bij de Voorjaarsnota 2024 wordt besloten welk deel van de eindejaarsmarge wordt toegevoegd aan de begrotingen. De heer Flach vraagt of onderuitputting tot ondoelmatige uitgaven leidt. In principe hebben we natuurlijk sowieso de eindejaarsmarge. Dat is om te voorkomen dat er aan het einde van het jaar nog even, bij wijze van spreken, ondoelmatig iets wordt toegekend. Je kunt dus maximaal 1% van de begroting nog inzetten vanuit de onderuitputting of doorschuiven. De begrotingsfondsen hebben, zoals ik net al zei, een 100%-eindejaarsmarge. Maar om te voorkomen dat onderuitputting niet doelmatig en niet doeltreffend wordt ingezet, wordt in het voorjaar kritisch gekeken of er sprake is van incidentele of structurele onderuitputting. Indien er sprake is van structurele onderuitputting, zullen de ramingen worden bijgesteld. Mevrouw Van Dijk en de heer Flach hebben ook nog het volgende gevraagd over onderuitputting. Welke kaders hanteert het kabinet? Hoe verhoudt ambitie zich tot uitvoerbaarheid, haalbaarheid en financiële degelijkheid? Mevrouw Van Dijk was er natuurlijk als coalitiepartner vanuit het CDA zelf bij. Dit kabinet, nu demissionair, heeft gekozen voor een ambitieus coalitieakkoord, met noodzakelijke, urgente, maar ook langetermijninvesteringen om de maatschappelijke uitdagingen tegemoet te treden. In de Startnota zijn de budgettaire spelregels vastgesteld. Het is altijd belangrijk om te kijken of beleid uitvoerbaar en haalbaar is. Een van de aandachtspunten is de krapte op de arbeidsmarkt. Ik denk dat er ook op teruggekoppeld zal worden in de beloofde rapportage bij het jaarverslag. Welke sectoren? Welke categorieën? Maar ik kan me ook zo voorstellen dat de formerende partijen willen nadenken over deze krapte op de arbeidsmarkt en over welke oplossingen er eventueel voorliggen. Maar dat is aan de formerende partijen. De onderuitputting is hoog en het is terecht dat u daar aandacht voor vraagt. Ik heb al in eerdere debatten met uw Kamer gewisseld dat realistisch begroten zeer wenselijk is, maar ik geef u ook mee — en dan hoef ik niet zo ver terug te gaan als mijn klasgenoot van de middelbare school Wouter Bos, zeg ik tegen mevrouw Van Vroonhoven — dat de Tweede Kamer heel veel wensen heeft en dat formerende partijen ook heel graag beleid samentrekken met een totaalbedrag, om een thema belang te geven. Soms is dat terecht en soms is dat minder terecht. Dus realistisch begroten is meer dan alleen maar een getalletje neerzetten. Het gaat erom dat je weet welke beleidskeuzes je maakt en dat je onder onverwachte omstandigheden keuzes moet maken. Daarnaast zijn er ook heel veel wensen die ik in mijn beperkte twee jaar als minister van Financiën in deze Tweede Kamer heb zien langskomen. Uiteindelijk hebben wij ons in veel gevallen te voegen naar de meerderheid die deze Kamer heeft. De heer Flach vraagt — terecht, denk ik — of er voortaan strakker begroot moet worden. Ik ben een groot voorstander van realistisch begroten, maar het hangt er echt mee samen of departementen het kúnnen uitgeven. De departementen zijn zelf verantwoordelijk voor de ramingen. Er zijn natuurlijk ook weer talloze debatten met Kamercommissies, die soms ook weer wensen indienen. Niet deze commissie per se, maar de vaktechnische commissies, die andere wensen hebben. Die zijn niet altijd met u afgestemd, maar soms wel. Als het allemaal niet lukt, is er natuurlijk sprake van onderuitputting. Er wordt in het voorjaar altijd kritisch gekeken, zoals ik zei, of er sprake is van incidentele of structurele onderuitputting. De raming kan altijd worden bijgesteld, maar er staan ook verwachtingen tegenover. Dat hebben de heer Grinwis en anderen terecht benoemd op een bepaald beleidsthema. De heer Vermeer vraagt hoe het kabinet omgaat met verdere financiële tegenvallers, ook in het licht van het historisch hoge uitgavenpad. In de Najaarsnota wordt ingegaan op de budgettaire wijzigingen in het huidige uitvoeringsjaar. Daar hoort geen meerjarig beeld bij, zeg ik tegen de heer Vermeer. Verder voeren wij, zoals de heer Vermeer weet, een trendmatig begrotingsbeleid. In het voorjaar bespreek ik de aanpassingen en beheersing van tegenvallers met de vakministers. De begrotingsregels vormen daarbij een kader. Sommigen van u weten ook dat we het afgelopen jaar zeer veel tijd en moeite hebben besteed, ook politiek, om de begrotingsregels juist weer van toepassing te laten zijn, omdat zowel de gewoonte vanuit deze Kamer alsook de bredere maatschappelijke verwachting was dat, komend uit de coronaperiode, elke tegenvaller gecompenseerd moest worden. We hebben dus al stappen genomen. We hebben ook ombuigingen weten te creëren. Maar, zoals ik eerder heb gezegd bij de Algemene Financiële Beschouwingen: zou het kabinet niet gevallen zijn, dan is het heel goed mogelijk dat ik die lijn had kunnen doortrekken. Maar we zijn gevallen en ik sta hier dus demissionair. De heer Dijk vraagt waarom het niet lukt om geld bedoeld voor wijkverplegers en Groningers bij hen te laten terechtkomen, en hoe ik ga voorkomen dat dit nogmaals gebeurt. Voor Groningen doet het kabinet wat nodig is. Daar zijn ook middelen voor geraamd. Het ministerie van Economische Zaken verwacht dat de doelstelling van 1.100 te versterken huizen in 2023 wél wordt gehaald. In de wijkverpleging zijn er personeelstekorten, waardoor er minder zorg geleverd kan worden dan in het IZA, het Integraal Zorgakkoord, is afgesproken. In het IZA wordt daarom gewerkt aan oplossingen voor het tekort in de wijk. Dan de meevallers van de rente. De heer Heinen vraagt of ik grote financiële opgaven zie voor mijn opvolger of dat ik nog meevallers voorzie, en hoe ik toezie op de omgang met meevallers en onderuitputting. Onderuitputting heb ik net uitvoerig toegelicht. De heer Heinen weet als geen ander, misschien komend uit de school van Gerrit Zalm, dat trendmatig begrotingsbeleid echt een gedeelde wens is. Conform de begrotingsregels houden we de meevallers echt achter de hand voor tegenvallers. We zetten niet in op nieuw beleid. Dit zou al helemaal niet gepast zijn voor een demissionair kabinet. Dat wil ik hier ook wel zeggen. Ik ben natuurlijk ook benieuwd waar uw Kamer mee gaat komen. Maar vanuit het kabinet zal, ook namens mij als minister van Financiën, grote terughoudendheid worden betracht. Nu de rente lijkt te dalen, kunnen we nog niet vooruitlopen op de economische raming van het CPB die we in maart krijgen. Ik wil de begroting zo netjes mogelijk achterlaten voor mijn opvolger. Daarvoor heb ik draagvlak nodig in deze Kamer, en natuurlijk ook de steun van mijn collega's en van wellicht in ieder geval één formerende partij vanuit de demissionaire coalitie. De heer Van Dijck vraagt naar de 27 miljard extra aan verplichtingen in de tweede suppletoire begroting. Mevrouw Van Vroonhoven vroeg of het kabinet met deze verplichtingen een nieuw kabinet niet voor een voldongen feit plaatst. Zoals u weet, is er op verzoek van de heer Van Hijum een brief gestuurd. Het parlement heeft het budgetrecht over zowel verplichtingen als kas. Via de begrotingswetsvoorstellen vraagt een verantwoordelijk minister toestemming voor zowel verplichtingen als kas. Aan het einde van het jaar is er echt geen tijd om nieuw beleid op te stellen. De tweede suppletoire begrotingen, die we dus al na Prinsjesdag hebben afgehandeld, bevatten daarom in de regel uitvoeringsmutaties en geen nieuw beleid. Dat is ook het geval in deze Najaarsnota. Er is nog een extra ronde van de incidentele suppletoire begrotingen bij de Miljoennota geïntroduceerd. De grootste mutaties zijn toegelicht in de brief bij de beantwoording van de vragen van uw fractie bij de Najaarsnota. Dat is bijvoorbeeld het geval op de begroting van OCW, waar de heer Van Dijck naar vraagt. De verplichtingen op het gebied van wetenschappelijk onderwijs sloten nog niet aan bij de geplande uitgaven. Dat is bij de tweede suppletoire begroting aangepast. Het gaat hier dus om een technische aanpassing. Alles is inzichtelijk en alles wordt langs het parlement geleid. Er is dus niets buiten het blikveld, laat staan dat er iets besloten wordt waar u niet in de correcte parlementaire, politieke besluitvorming bij betrokken bent geweest. Mevrouw Van Dijk vroeg naar de motie over hoe je mensen kunt helpen bij het opbouwen van buffers, zeker degenen die dit nodig hebben. Er is kennelijk een motie aangenomen. U zegt daarbij: tegen de zin van de minister in. Ik moet dat dan terugkijken om te zien wat de reden daarvoor was. Willen we structureel compenseren, of investeren in de financiële stabiliteit van inwoners op de lange termijn, was uw retorische vraag. Wanneer kunt u die brief verwachten? U krijgt 'm zo spoedig mogelijk. Er wordt nog aan gewerkt. Maar het nationaal spaarplan was volgens mij een van de elementen van uw suggestie. Dat kent verschillende onderdelen. Die worden nog nader onderzocht. Het is best complex. Tegelijkertijd hebben we natuurlijk ook altijd nog een individuele verantwoordelijkheid. Maar ik begrijp uw verzoek ook als een verzoek om een vangnet en om steun. We doen natuurlijk veel vanuit Financiën: Wijzer met geldzaken, allerlei trainingen, coaching, dingen op school. Er gebeurt heel veel, ook ter voorbereiding van de financiële educatie en geletterdheid van jong en oud. Maar over uw motie krijgt u zo snel mogelijk de beloofde brief. De heer Grinwis vraagt naar de dekkingsopgave voor het komende jaar. U weet als geen ander dat de Najaarsnota terugkijkt op de begroting van 2023. Ik loop niet vooruit op de voorjaarsbesluitvorming van 2024. Mevrouw Van Vroonhoven heeft mij gevraagd wat ik vind van een comprehensive spending review. We hebben in Nederland eigenlijk al zoiets: een ibo. Dat weet u misschien nog van uw tijd als financieel ambtenaar. Vanuit het kabinet willen we echt terughoudendheid betrachten. Als u een bepaalde gedachtevorming heeft over nut en noodzaak van een spending review — u vindt de heer Sneller dan misschien aan uw zijde, zeg ik zomaar, via de voorzitter — dan is het aan u om dit verder op te nemen. Overheidsfinanciën. De heer Van Dijck vraagt mij naar de buffers en de begrotingsruimte: hoe kijk ik terug op de afgelopen twee jaar? Ik heb volgens mij al vele malen met u gewisseld dat deze coalitie naar een ambitieus akkoord had gekeken: de aanpak van stikstof en klimaatverandering, het investeren in onderwijs, het zogeheten achterstallig onderhoud op vele plekken. We zijn getroffen door een torenhoge inflatie en grote onzekerheid, mede ten gevolge van de oorlog in Oekraïne. We hebben een historisch groot koopkrachtpakket neergezet. In de laatste cijfers ziet u ook dat dat voor heel veel mensen heeft gewerkt. We hebben de bewuste stap genomen om de onzekerheid weg te nemen bij mensen en bedrijven, midden- en kleinbedrijf. De onzekerheid is aan de zijde van de overheid geschaard. Verder zijn er ook allerlei andere keuzes gemaakt. Geld is altijd een middel gebleven om brede welvaart te helpen realiseren, maar dat is niet iets wat je in één kabinetsperiode kunt afronden, en zeker niet als je midway helaas valt. Het gaat dus altijd om bestaanszekerheid, gelijke kansen, een goede leefomgeving en onderwijs. Maar het is ook belangrijk om de overheidsfinanciën gezond te houden, ook voor toekomstige generaties. De schuld is historisch laag. Het cijfer dat de heer Heinen doortrok, betrof volgens mij 2060, maar ik weet het niet helemaal zeker. Ik denk dat er nog heel veel politieke interventiemomenten zijn voordat we belanden in een situatie van 200% schuld. Ik zag dat dus ook meer als een doemscenario dat hij de andere partners voorhield. Maar natuurlijk is het begrotingstekort een punt van zorg. Velen van ons willen het pad van ordentelijk begrotingsbeleid echt weer aanhouden. Daarvoor hebben we de eerste stappen gezet toen we nog missionair waren. Ik hoop dus ook dat in de te formeren kabinetten partijen zich daarin zullen vinden, want de ontwikkeling van de overheidsfinanciën in onzekere economische tijden, ook geopolitiek gezien, zal nog veel vragen met zich mee brengen of creëren. Belastinginkomsten. Dan kom ik bij koopkracht, macro-economisch, fiscaal. De heer Van der Lee vroeg naar de gevolgen van de economische raming van DNB voor de belastingontvangsten. De heer Vermeer vroeg welke belastingopbrengsten het meest kwetsbaar zijn voor economische tegenslag en of er een risicoanalyse is. De economische raming van DNB gaat natuurlijk uit van een lagere economische groei in 2023 en 2024 dan eerder verwacht. De belastinginkomsten bewegen mee met deze economische groei. We gaan uit van automatische stabilisatie als een van de pijlers van het trendmatig begrotingsbeleid. We zien het meebewegen van de economie het snelst bij consumptiebelastingen. De winsten daarin zijn vaak ook het meest gevoelig voor de economie, maar het kan enige tijd duren voor het effect in de belastingen zichtbaar wordt. De arbeidsmarkt reageert sowieso trager op de conjunctuur. Maar de bijstelling van de inkomsten in de Najaarsnota volgt op een opwaartse bijstelling in de Miljoenennota. Het is dus minder meer. Dit is even een contextuele opmerking. Wij stellen nog steeds op vaste momenten een nieuw budgettair beeld op, gebaseerd op de ramingen van het CPB. De heer Van der Lee weet dit ook. Dat doen we dus in het voorjaar. Koopkracht. De heer Van Dijck vraagt wat de stijging van het wettelijk minimumloon doet ten opzichte van het modale loon, wat dit zegt over de koopkracht en of deze het koopkrachtverlies goedmaakt. We hebben in augustus vanuit het demissionaire kabinet een evenwichtig pakket aan maatregelen gepresenteerd. Ik hoef dat nu niet meer te onderstrepen. Uw Kamer heeft daar nog een flinke verbouwing overheen laten gaan. Nogmaals, ik denk dat daarmee ook veel mensen die het moeilijk hadden nog een extra steuntje in de rug hebben gekregen. De koopkracht van de Nederlandse huishoudens laat over de afgelopen kabinetsperiode een grote spreiding zien, met een mediane ontwikkeling van -0,18%. Maar zoals ik net al zei hebben de grote koopkrachtpakketten een grote shock op kunnen vangen, in de eerste plaats voor de laagste inkomens en meest kwetsbare huishoudens. Of het koopkrachtverlies tijdens de afgelopen jaren hiermee wordt goedgemaakt, kan nog niet worden geconcludeerd, niet de ene kant en niet de andere kant op. De heer Van der Lee vraagt of ik bij de komende Voorjaarsnota beter inzicht kan geven in de geplande maatregelen op het terrein van de inkomsten, inclusief de koopkracht. Het korte antwoord is nee. De koopkrachtbesluitvorming vindt namelijk eens per jaar, in augustus, plaats. Dan gebruiken we de actuele koopkrachtcijfers. U weet dat dit kabinet al heel veel informatie in het voorjaar verschaft. Meer is op dit moment ook niet mogelijk. We willen uitgaan van de laatste cijfers. Ik waardeer altijd het vragen naar meer informatie, maar het is wat ons betreft echt niet verstandig om nog meer te doen, terwijl de besluitvorming op de laatste cijfers gebaseerd moet zijn. De PVV vraagt of er sprake is van zogeheten "graaiflatie". De heer Van Dijck weet natuurlijk al dat ik niet geporteerd ben van het woord "graaiflatie". We zien dat winsten zijn toegenomen. Er is nog steeds geen eenduidig bewijs dat er sprake is van, anders verwoord, winstinflatie. Als er meer winst wordt behaald, wordt er ook meer belasting betaald. Maar ik wil wel even tegenspreken dat dit iets is waar ik persoonlijk of als minister op koers, zoals de heer Van Dijck suggereert. Dat doen we natuurlijk niet. Het komt ten behoeve van de overheid om noodzakelijke publieke taken weer te kunnen financieren. De prijzen nemen op dit moment minder hard toe dan vorig jaar. Ik verwacht ook dat de winsten daarmee minder fors zullen stijgen. De heer Van Dijck vroeg waarom de energiebelasting wordt verhoogd en waarom Nederland de hoogste energiebelasting van Europa heeft. Hierbij heb ik een moment van déjà vu, denk ik. Mijn complimenten: deze vraag wordt toch wel stelselmatig door de heer Van Dijck gesteld, ook aan mijn collega, de heer Van Rij. Ik begrijp natuurlijk ook de zorgen van de heer Van Dijck over de gasprijzen. Daarom hebben we besloten het Noodfonds Energie te heropenen. Dat gebeurt naar verwachting half januari. Dat is voor een specifieke doelgroep. Er gelden ten opzichte van de vorige keer gedeeltelijk versoepelde eisen voor tegemoetkoming. Zoals u weet is de energiebelasting tijdelijk verlaagd in 2022, toen het kabinet nog niet de mogelijkheid had om het prijsplafond te gebruiken. Daarna is het kabinet in het kader van de energietransitie doorgegaan op het tariefpad dat in het Belastingplan 2023 is aangenomen door beide Kamers. Daarin is een schuif van het belasten van elektriciteit naar het belasten van aardgas opgenomen. Dit zorgt er weer voor dat elektrificatie loont en dat meer huishoudens de overstap naar duurzame warmte maken. Dit is uiteindelijk ook de enige keuze om structureel een lagere energierekening te kunnen hebben. De kwestie van klimaatarmoede en klimaatrechtvaardigheid heeft natuurlijk ook heel erg gespeeld bij het aannemen van de maatregelen van minister Jetten. Dat gebeurde juist ook weer om ervoor te zorgen dat de mensen die het minst te besteden hebben ook geholpen worden om die energietransitie te maken. De heer Vermeer vraagt in het licht van de lagere belastingopbrengsten naar mijn verwachting ten aanzien van het energieverbruik. Ja, we zien een lager energieverbruik. De ontvangsten uit de energiebelasting blijven achter bij de verwachting, om het maar even boekhoudkundig te beschrijven. Dat komt inderdaad doordat het verbruik lager is. We kunnen nog geen duidelijke uitspraken doen over structurele ontwikkelingen. Daarvoor zijn de precieze verbruikscijfers van het CBS nodig. Die cijfers volgen in de loop van 2024. De heer Van Dijck vraagt naar de uitspraak van de Hoge Raad over box 3. Nee, we hebben geen geld gereserveerd voor mogelijke budgettaire derving, omdat we echt niet weten welke uitspraak er gaat komen. Als er op basis van de uitspraak van de Hoge Raad sprake is van een budgettaire derving, zal deze volgens de begrotingsregels binnen hetzelfde domein gedekt moeten worden. Meneer de voorzitter, ik heb nog twee opmerkingen in dit blokje. De heer Van Dijck geeft aan dat de tienjaarsrente op de kapitaalmarkt gedaald is en vraagt waarom we niets van deze meevaller in de Najaarsnota zien. De marktrente is volatiel. We gaan niet uit van dagkoersen. We baseren ons begrotingsbeleid, zoals de heer Van Dijck in ieder geval sinds 2006 weet — sinds die tijd zit de heer Van Dijck namelijk in de Kamer, meen ik; dat is al zeventien jaar — altijd op de ramingen van het Centraal Planbureau. De Najaarsnota is gebaseerd op de MEV-raming van het CPB van afgelopen augustus. In de Voorjaarsnota zullen we de effecten zien van de nieuwe CPB-raming. Die worden verwerkt in het EMU-saldo. Daarna volgt dan een meerjarige bijstelling van de rentetarieven. Ik begrijp de vraag, maar ik kan er op dit moment nog geen antwoord op geven. De heer Van Dijck vraagt naar de verdubbelde bankwinsten. Hij vraagt welke initiatieven ik neem om de banken te disciplineren. Heel kort. Ik heb al eerder toegezegd dat er een onderzoek van de ACM komt. Dat onderzoek komt voor de zomer van 2024. Hij refereerde in zijn vraag ook aan eerdere debatten over de concurrentie op de Nederlandse spaarmarkt. Zowel mijn ambtenaren als ikzelf hebben verschillende gesprekken gevoerd met banken en met de Nederlandse Vereniging van Banken over de spaarrente. U krijgt ook nog een aparte brief daarover. Voorzitter, ik wacht op u.
Bron, video en gesprek →Minister Kaag: Het blokje is klaar.
Bron, video en gesprek →Minister Kaag: Voor de details moet ik dat checken bij mijn collega voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen. Daar is door haar goed over nagedacht. Dat is gebeurd op basis van de ervaring, de samenwerking met de gemeentes en degenen die de afgifte doen. Dat is de basis van beleid. Maar als u nog specifieke vragen heeft, dan moet ik daar of in tweede termijn op terugkomen of ik vraag de minister voor Armoedebeleid om daar een brief over te sturen.
Bron, video en gesprek →Minister Kaag: Dan geleid ik deze vraag door naar de minister voor Armoedebeleid. Maar ik kan u meegeven dat hier vaker over gedebatteerd is, ook bij de continuering van dit fonds. Meneer de voorzitter. Dan ga ik door naar mijn laatste blokje. Dat is het blokje overig. De heer Van der Lee vraagt naar de geplande huurverhoging per 1 januari. Hij vraagt of het kabinet bereid is om de huurverhoging te schrappen via een ministeriële regeling. Nee, het kabinet gaat die keuze niet maken. Voor de sociale huursector zijn huurverhogingen noodzakelijk om de investeringscapaciteit van woningcorporaties op peil te houden en voldoende te kunnen bouwen en verbouwen. De huurverhoging wordt wel gemaximaliseerd tot de cao-loonontwikkeling minus 0,5%, om zo de betaalbaarheid voor huurders te kunnen waarborgen. Er is een aantal vragen over de Woningbouwimpuls gesteld. De heer Flach vraagt naar het begroten van de Woningbouwimpuls en het aanpassen van de voorwaarden. Er zijn verschillende tranches geld beschikbaar gesteld. Gemeenten doen hierop aanvragen. Er zijn ook hier weer verschillende redenen voor onderuitputting. Ik noem een tekort aan gemeentelijke capaciteit en onzekerheid door economische tegenwind. Gemeenten kunnen met het indienen van plannen ook nog wachten tot de volgende tranche. Wat betreft de voorwaarden: vanaf de vorige tranche zijn de voorwaarden gewijzigd om het makkelijker te maken voor kleine gemeenten om aanvragen te doen. Hiermee is het doelbereik groter geworden. Zo is het minimale aantal woningen verlaagd en mogen projecten worden gebundeld. Komt er een zevende tranche? Nee, er is geen zevende tranche gepland. De zesde tranche wordt begin 2024 toegekend. Daarna hebben we inzicht in de uitputting van deze tranche. In de Voorjaarsnota wordt besloten over de inzet van eventuele overgebleven middelen uit de zesde tranche. Mevrouw Van Vroonhoven vraagt naar de inzet van onderuitputting van de Woningbouwimpuls en knelpunten op de woningmarkt. Er is onderuitputting, zoals ik net ook al heb beschreven. Ik noem wederom de capaciteit en de onzekerheid. Maar geld is niet het enige knelpunt. Effectieve instrumenten om de woningmarkt te verbeteren worden in het ibo over woningbouw en grond onderzocht. Ik heb even niet scherp wanneer de heer De Jonge, de minister voor Wonen, het ibo kan delen. Dat kan ik in tweede termijn aangeven. Ik denk echter dat dit wel bekend is bij deze Kamer. De heer Vermeer vraagt in verband met de onderuitputting naar de voortgang bij de aanleg van warmtenetten. De aanleg van warmtenetten is een complex proces. Er zijn verschillende partijen bij betrokken. Het is omgeven door een aantal onzekerheden. De aanleg van warmtenetten hangt af van lokale omstandigheden en de uitgaven die samenhangen met warmtenetsubsidies zijn lastig te ramen. In 2024 is er meer ervaring mee opgedaan en zal het ministerie van Economische Zaken en Klimaat hierover kunnen rapporteren. Het kan best zo zijn dat niet-uitgekeerde subsidies dan alsnog kunnen worden uitgekeerd. Mevrouw Van Vroonhoven vraagt naar de IZA-middelen van gemeenten. In het Integraal Zorgakkoord van minister Kuipers is afgesproken dat de gemeenten jaarlijks 150 miljoen mogen besteden aan IZA-doelen voor betere gezondheid. In 2023 hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om met terugwerkende kracht vanaf 1 januari plannen te financieren via een specifieke uitkering. Dat is vooraf gecommuniceerd. Wanneer bij een specifieke uitkering niet al het geld wordt uitgegeven, vloeien de resterende middelen naar de schatkist. Dat is ook goed gebruik. Er is geen reden om aan te nemen dat terugvloeien van een deel van de 2023-middelen de doelstellingen van het IZA in gevaar brengen, aangezien in 2024 opnieuw maximaal 150 miljoen beschikbaar is gesteld en de bijdrage wordt gemonitord. Over het eigen risico kan ik heel kort zijn. Doet het kabinet al voorbereidingen om het eigen risico te verlagen met €100? We hebben kennisgenomen van de motie, maar de motie voorziet niet in een dekking en wij doen geen voorbereidingen. Maar ik denk dat de heer Van der Lee wellicht op dit antwoord had geanticipeerd. Er was een vraag van de heer Van Dijck over de verkoop van eigen aandelen. ABN AMRO verliest 7 miljard; is hier een reservering voor? Nee. Dat is ook niet nodig, want de verkoopopbrengsten zijn niet relevant voor het kader en niet voor het EMU-saldo. Dat betekent dat er geen gevolgen zijn voor de budgettaire ruimte van het kabinet, nu of later. De heer Van Dijck vraagt hoe de minister aankijkt tegen een Zuidasboevenbelasting, ook nu er minder crimineel geld is afgepakt dan geraamd. De raming met betrekking tot het afpakken van crimineel geld en criminele goederen is lastig in te schatten. Er worden diverse maatregelen genomen om een groter deel van het crimineel verkregen vermogen af te pakken, zoals inzetten op een beter beheer van de afpakketen bij onder andere het Openbaar Ministerie en het Centraal Justitieel Incassobureau. Ook werft de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst extra capaciteit voor de grensoverschrijdende aanpak. De Najaarsnota is niet het moment om over nieuwe belastingmaatregelen te spreken. Ik zal uw interesse doorgeven aan de minister van JenV.
Bron, video en gesprek →Minister Kaag: Sorry. Ik moet er nog even aan wennen dat er een additionele Dijk is.
Bron, video en gesprek →Minister Kaag: Dan de asielraming. De heer Sneller vraagt of er opnieuw wordt gekeken naar de gehele asielraming en of dit ook voor de komende jaren een meevaller betekent. Zoals u weet, wordt er twee keer per jaar een prognose voor de migratieketen vastgesteld. Begin 2024 volgt er een nieuwe asielraming, waarbij de asielinstroom en de benodigde capaciteit worden geraamd. Die raming wordt gebruikt bij de Voorjaarsnota om eventuele budgettaire aanpassingen te doen voor de komende jaren. Volgens mij was er ook nog een opmerking of kanttekening van mevrouw Van Vroonhoven over de kosten van het iedere keer maar wisselen van gebouwen. Aan de ene kant is de spreidingswet van het kabinet natuurlijk ten faveure van juist de beschikbaarheid van faciliteiten. Het is ook minder duur en je kunt een humane opvang bieden. Het staat mij niet bij wat uw partij heeft gestemd, maar in ieder geval is dat een onderdeel van het efficiënter, effectiever, humaner en voorspelbaarder maken. Maar de raming blijft een raming. Er wordt al sinds jaar en dag, dus niet alleen vorig jaar maar al heel lang, gesproken over de hoge kosten van het altijd maar op- en afschalen. Dat heb ik zelf ook nog mogen meemaken als minister voor Ontwikkelingssamenwerking, want dat doet een enorme aanslag op je begroting omdat de eerstejaarsopvang daaruit gefinancierd moet worden. Als laatste de jeugdbescherming. De heer Sneller en de heer Van der Lee vragen of de middelen voor het versterken van de keten kunnen worden meegenomen naar volgend jaar en of er alternatieve opties zijn onderzocht om de tarieven voor dit jaar te verlagen. Het kabinet heeft de afgelopen periode ingezet op verschillende oplossingen om de druk bij de jeugdbescherming te verlichten. Zo zijn bij de Najaarsnota 2022 tijdelijk middelen beschikbaar gesteld — u weet dat nog — voor werkdrukverlichting en een stimuleringsregeling voor zijinstromers, vooruitlopend op de structurele oplossingen van 2023. Eind oktober 2023 hebben Rijk en gemeenten afspraken gemaakt om gezamenlijk 55 miljoen beschikbaar te stellen in 2024 voor de verlaging van de werkdruk. Hiermee is een grote stap gezet richting de benodigde 60 miljoen voor het invoeren van een landelijk tarief, dat in 2025 van kracht moet zijn. De werkdrukverlaging bij de gecertificeerde instellingen vindt in behapbare en realistische stappen plaats. Gezien het extra structurele budget en de tijd die het kost om nieuwe medewerkers aan te trekken, is het raadzaam om de middelen uit 2023 te laten terugvloeien naar de staatskas. Dank. Dat was het.
Bron, video en gesprek →Minister Kaag: Ik moet even kijken of ik al de brief heb kunnen zien die meekomt met de appreciatie van het kabinet. Ik weet niet wat de omvang of reikwijdte van zo'n studie is. Ik denk inderdaad dat het antwoord van de ECB de zaken nog een beetje in het midden kan laten, maar u weet ook — dat is misschien op dit moment het belangrijkste vanuit de demissionaire status — dat het kabinet die motie heeft ontraden in de Tweede Kamer.
Bron, video en gesprek →Minister Kaag: Ik wil graag in tweede termijn even bevestigen — het is geen onwil; we doen vaker studies — of dat mogelijk is en op welke termijn. Ik kan me namelijk ook voorstellen dat formerende partijen mogelijk hun voordeel willen doen met deze informatie. Ik wil dit dus even kort bevestigen in de tweede termijn.
Bron, video en gesprek →Minister Kaag: Daarop kom ik zeker in de tweede termijn even terug.
Bron, video en gesprek →Minister Kaag: Dank, meneer de voorzitter. Dank ook aan de Kamerleden voor hun moties, amendementen en vragen. Er zijn nog drie zaken ter opheldering. Er was in de tweede termijn nog een antwoord toegezegd aan mevrouw Van Vroonhoven op de vraag over het ibo over de woningbouw. De vraag was wanneer dit ibo zou komen. In januari komt er conform de taakopdracht een tussenrapportage. Het definitieve rapport verschijnt in mei. Ik wil ook wel de kanttekening maken dat een ibo niet een kwestie is van een slager die zijn eigen vlees keurt, zoals mevrouw Van Vroonhoven suggereerde. Er is altijd een onafhankelijke voorzitter en veel van de topambtenaren zijn niet gedetacheerd vanuit hetzelfde werkterrein. De opdracht bij een ibo is om echt een zo onafhankelijk mogelijk beleidsadvies te geven, waarmee we allen ons voordeel kunnen doen. Het is dus niet het ministerie van Financiën dat hier aan zet is, of een andere slager die zijn eigen vlees keurt. Dan is er een amendement van de heer Grinwis, de heer Van der Lee en de heer Flach om de 2 miljoen onderuitputting uit 2023 toe te voegen aan de JenV-begroting. Ik ontraad dit amendement om twee redenen. In de eerste plaats loopt het amendement vooruit op de voorjaarsbesluitvorming, waarin het kabinet beslist hoe om te gaan met onderuitputting. Ten tweede wijzigt u alleen de begroting van 2023 en verzoekt u een kasschuif van 2023 naar 2024 via een nota van wijziging. Er komt nog een ontwerpbegroting, discussie of debat over JenV op 5 februari. Het lijkt me gepast om dat op die datum te doen met de minister van JenV. Dan was er ook nog een vraag over het advies van de ECB over de mogelijke risico's van het verhogen van de bankenbelasting. Twee dingen. In de eerdere brief bij de APB zijn alle nadelen van een bankenbelasting benoemd en alle risico's van alle kanten bekeken. Ik geloof niet dat u een nog veel diepgravender analyse van Financiën kunt krijgen. We kunnen nog wel vóór de Voorjaarsnota een schriftelijke reactie geven over andere aspecten van invoering. Dat lijkt me het meest gepast. Tegen de heer Van der Lee zeg ik dat we verder nog even bezig zijn om te kijken wat alle andere motivaties waren bij de invoering van de bankenbelasting en bij het proces daaromtrent. Dat komt bij de schriftelijke reactie die ik heb toegezegd, maar ik zeg erbij dat het geen PhD-thesis wordt. Dan de moties, meneer de voorzitter. De motie-Van der Lee op stuk nr. 2 ontraad ik. De motie-Van der Lee op stuk nr. 3 ontraad ik conform het debat dat we hebben gehad. De motie op stuk nr. 4 over de jeugdbescherming ontraad ik ook conform het debat van zojuist. De motie op stuk nr. 5 is een spreekt-uitmotie. De motie op stuk nr. 6 is een verzoek aan de commissie voor de Rijksuitgaven; die betreft dus niet het kabinet. Bij de motie op stuk nr. 7 merk ik op dat er al een studie van een onafhankelijke Studiegroep Begrotingsruimte ligt. Ik ontraad dus de motie op stuk nr. 7. Bij motie op stuk nr. 8 merk ik op dat er in januari een tussenrapportage komt, zoals ik net al had gezegd. Verder ontraad ik de motie op stuk nr. 8.
Bron, video en gesprek →Minister Kaag: De motie op stuk nr. 9 ontraad ik. Het Belastingplan is al afgerond, zeg ik er nog even ten overvloede bij. De motie op stuk nr. 10 is niet in lijn met het kabinet. Het Belastingplan is ook zojuist afgehandeld. Ik ontraad deze motie. De motie op stuk nr. 11 ontraad ik. Daar is ook al eerder over gewisseld. De motie op stuk nr. 12 is de winnaar van de avond. Die krijgt oordeel Kamer. Deze motie sluit inhoudelijk aan bij het debat dat we hebben gevoerd. De motie op stuk nr. 13 ontraad ik ook. De minister van LNV is nog in overleg met de Europese Commissie over de vraag of dit überhaupt mag. Het voorstel voldoet ook niet aan de voorwaarden van het transitiefonds en leidt niet tot een stikstofreductie. Ik ontraad deze motie dus. Veel dank.
Bron, video en gesprek →Minister Kaag: Mag ik u dan allen een zalige kerst wensen en een heel mooi, veilig en prettig 2024?
Bron, video en gesprek →