Verslag van een commissiedebat, gehouden op 27 maart 2024, over Inburgering en integratie
Brontekst
Versie bc7f3255a6b7dd10 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202432 824IntegratiebeleidNr. 415 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 30 april 2024 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de vastecommissie voor Binnenlandse Zaken hebben op 27 maart 2024 overleggevoerd met mevrouw Van Gennip, Minister van Sociale Zaken enWerkgelegenheid, Vice-Minister-President, over:–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 12 april 2023 inzake rapport van Regioplan «Belem-meringen asielzoekers bij het toetreden tot de arbeidsmarkt»(Kamerstuk 32 824, nr. 384);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 17 mei 2023 inzake instellen hoger beroep tegen deuitspraak van de rechtbank Den Haag over de 24 wekeneis(Kamerstuk 32 824, nr. 387);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 28 juni 2023 inzake antwoorden op vragen commis-sie over het rapport van Regioplan «Belemmeringen asielzoe-kers bij het toetreden tot de arbeidsmarkt» (Kamerstuk32 824, nr. 384) (Kamerstuk 32 824, nr. 388);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 14 juli 2023 inzake kabinetsreactie onderzoekRegioplan «Belemmeringen asielzoekers bij het toetreden totde arbeidsmarkt» (Kamerstuk 29 544, nr. 1213);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 29 november 2023 inzake uitspraak Raad van Stateover de 24 wekeneis (Kamerstuk 32 824, nr. 407);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 18 december 2023 inzake voortgangsbrief pro-gramma Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (Kamerstuk 29 544,nr. 1226);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 20 december 2023 inzake uitvoeringsbrief inburge-ring (Kamerstuk 32 824, nr. 408);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 29 januari 2024 inzake toezegging aan het lid Podtover waar de Wet inburgering 2021 (inburgeringsplicht) en deParticipatiewet (betaald werk) schuren en met oplossingsrich-tingen te komen als dit nodig is (Kamerstuk 32 824, nr. 409); kst-32824-415ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4151 –de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 5 maart 2024 inzake hoofdlijnenbrief SZW – opgaveOekraïne (Kamerstuk 36 045, nr. 179);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 14 maart 2024 inzake actualiteiten inburgering(Kamerstuk 32 824, nr. 411);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 18 maart 2024 inzake onderzoek ervaren discrimina-tie Nederlanders met een Aziatische herkomst (Kamerstuk30 950, nr. 362);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 19 maart 2024 inzake stand van zaken persoonsgege-venstraject en AP-onderzoek (Kamerstuk 32 761, nr. 295).Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken enWerkgelegenheid,Léon de JongDe fungerend voorzitter van de vaste commissie voor BinnenlandseZaken,Peter de GrootDe griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgele-genheid,PostTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4152 Voorzitter: Van OostenbruggenGriffier: Van den BroekAanwezig zijn twaalf leden der Kamer, te weten: Bamenga, Becker, Boon,Ceder, Inge van Dijk, Eerdmans, Ergin, Flach, Keijzer, Koekkoek, VanOostenbruggen en Patijn,en mevrouw Van Gennip, Minister van Sociale Zaken en Werkgele-genheid, Vice-Minister-President.Aanvang 13.01 uur.De voorzitter:Ik open de vergadering. Vandaag houden we het commissiedebat van devaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid met betrekkingtot het onderwerp inburgering en integratie. Ik heet graag welkom de heerBamenga, de heer Flach, de heer Ergin – ik maak graag van degelegenheid gebruik u te feliciteren met uw verjaardag – mevrouw Keijzer,mevrouw Patijn, de heer Eerdmans, die hier volgens mij nog een liedjewilde zingen voor de heer Ergin, de heer Boon, mevrouw Becker enmevrouw Van Dijk. Uiteraard heet ik ook ter rechterzijde Minister vanGennip en meneer Van Noort welkom.Het is een vol debat. Dat betekent dat er veel aanwezigen zijn. Laten we deinterrupties op elkaar in het begin even beperken tot vier. Mocht dat teweinig zijn, dan kunnen we altijd nog uitbreiden. Maar laten we inprincipe proberen om vooral de eerste termijn gestructureerd tedoorlopen, zodat we voldoende tijd hebben om daarna ook met deMinister te spreken. Ik geef graag als eerste het woord aan de heerBamenga.De heer Bamenga (D66):Dank u wel, voorzitter. Vandaag is het commissiedebat over inburgeringen integratie aan de orde. Dit onderwerp gaat mij aan het hart. 30 jaargeleden ben ik naar Nederland gekomen. Ondanks alle belemmeringenheb ik mogen ervaren hoe het is om de kans te krijgen op integratie enwat daarin belangrijk is. Voor mij was het een nieuw begin en een kansom mijn leven opnieuw in te richten, om te werken aan een duurzametoekomst en om een bijdrage te leveren aan de samenleving die mijbescherming biedt. Als het proces van integratie succesvol verloopt, danzijn de mogelijkheden eindeloos. Zo kun je als nieuwkomer je passievolgen en bijdragen in de zorg, bijdragen als jurist, bijdragen alselektricien en je kunt zelfs bijdragen als Kamerlid. Het is aan ons alscommissie, als Kamer om ervoor te zorgen dat deze mensen en onzesamenleving de kansen grijpen, zodat de talenten van mensen zo goedmogelijk benut worden. Als dat gebeurt, wint iedereen: de nieuwkomer énde samenleving.Voorzitter. Voor D66 is het daarom belangrijk dat je vanaf dag één meekunt doen. Dat betekent dat je kansen krijgt om de taal te leren en de kanskrijgt om te werken. Het lange wachten, dat nu te vaak gebeurt, maaktmensen passief. Potentie gaat verloren en de solidariteit van de samen-leving wordt op de proef gesteld. Mijn collega Anne-Marijke Podt werktaan een initiatiefwet om de belemmeringen bij het werken voor asiel-zoekers weg te nemen. Dat is hard nodig. Ondernemers hebben eenschreeuwend tekort aan werknemers. Deze ruimere werkmogelijkhedenleveren de Nederlandse samenleving verspreid over tien jaar ook nogeens 2 miljard, en dus extra welvaart, op. Dat bleek uit een rapport vanSEO Economisch Onderzoek dat een paar dagen geleden verscheen.Ik heb twee vragen aan de Minister over manieren om het meedoen tebevorderen. Werkbegeleiding door het UWV is al wel mogelijk voorOekraïense ontheemden en statushouders, maar wordt niet aangebodenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4153 aan asielzoekers. Kan de Minister aangeven waarom deze werkbege-leiding voor hen niet mogelijk is? Mijn tweede vraag gaat over hetstimuleren van lokale initiatieven met betrekking tot inburgering enintegratie, waarin breder wordt gekeken dan alleen de taal. Als voorbeeldnoem ik graag het voorinburgeringstraject «Iedereen aan boord» inDeventer. Ik was daar afgelopen november op bezoek en ik zag hoe eenklas vanuit het azc intensief begeleid werd met een programma dat zichonder meer op zelfredzaamheid richt. Er was aandacht voor taal,psychisch welzijn en vaardigheden die je nodig hebt om te werken. Het iseen programma waar veel mensen uit Deventer bij betrokken zijn.Nieuwkomers die zich echt aan de stad verbinden, worden met openarmen ontvangen en kunnen echt onderdeel zijn van de samenleving. Zietde Minister net als ik de meerwaarde van dit initiatief en kan zij aangevenop welke wijze soortgelijke initiatieven van de grond komen?Voorzitter. Niet verrassend vormen de bijna 110.000 Oekraïners die inNederland verblijven een groep waarbij we zien wat de positieveresultaten zijn als je daadwerkelijk mag meedoen in de samenleving. Mijnpartij vraagt al langer om een langetermijnplan voor Oekraïenseontheemden, want het zou naïef zijn om er ten eerste van uit te gaan datde oorlog in Oekraïne op korte termijn afloopt en ten tweede dat allemensen die hier nu hun leven opbouwen voor de tweede keer hun helehebben en houden bij elkaar rapen om terug te gaan naar een thuislanddat in scherven ligt. Daarom doe ik nogmaals de nadrukkelijke oproep aande Minister om met een plan te komen waarin er daadwerkelijk wordtnagedacht over hoe we het beste om kunnen gaan met Oekraïenseontheemden die in Nederland zullen blijven wonen. Graag een reactie.Voorzitter. Gemeenten willen ook meer duidelijkheid over wat er van henkan worden verwacht. Er komt een grote opgave voor hen, ongeacht ofmensen hier tijdelijk verblijven of voor altijd, of toch weggaan. Daarom ishet belangrijk dat er een visie komt waarin er rekening wordt gehoudenmet verschillende scenario’s en dat er een impactanalyse wordt uitge-voerd, om ook de uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid mee te nemen. Mijnpartij vraagt daarom nogmaals om een langetermijnvisie en een plan vanaanpak. Kan de Minister toezeggen hiermee aan de slag te gaan?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Er zijn geen vragen. Dan gaan wij door naar de heer Flach.De heer Flach (SGP):Voorzitter, dank u wel. Integratie vraagt van beide kanten een welwillendehouding. Van nieuwkomers mag worden verwacht dat zij zich constructiefen vreedzaam in de samenleving voegen. Alleen op die manier blijft ereen Nederland om in te integreren. De ontvangende samenleving wordtgevraagd om nieuwkomers kansen te bieden en te ondersteunen waarnodig.Voorzitter. Ik wil het als eerste over asielzoekers en werk hebben. Derechter haalde in november een streep door de 24 wekeneis. De vraag ofen welke asielzoekers mogen werken staat daarmee op de politiekeagenda. Het is belangrijk dat we asielzoekers niet de indruk geven dat hetin dit land niet uitmaakt of je meedoet of niet. Werkende asielzoekersleveren een bijdrage aan de samenleving en betalen zelf ook een deel vande eigen opvangkosten. Het leven is in Nederland tenslotte ook niet gratis.Tegelijkertijd zijn er de mogelijke aanzuigende werking en de effecten opde terugkeerbereidheid. De SGP wil daarom dat er gekeken wordt naareen aanpak waarbij kansrijke asielzoekers eerder aan de slag kunnen danmensen die hoogstwaarschijnlijk, al dan niet gedwongen, weer terugkerennaar hun thuisland. Is de Minister bereid een dergelijke aanpak mee tenemen bij de uitwerking van de verschillende opties?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4154 Als asielzoekers daadwerkelijk aan de slag gaan, laten we dan ook kijkennaar de persoon van de asielzoeker. Welke kwaliteiten heeft iemand? Watis zijn of haar achtergrond? Een Syrische landbouwer past niet in een azcin Amsterdam, maar voelt zich wellicht thuis in een wat meer landelijkgebied. En dan de kwestie van de diploma’s die mensen vaakmeebrengen. Laten we kijken naar de mogelijkheden om diploma’s vanasielzoekers te erkennen, zodat zij hun talenten snel in kunnen zetten. Ikvraag het kabinet om te bezien hoe we dat talent meer centraal kunnenstellen in het integratieproces.Voorzitter. Dan over Marokkaanse staatsimams. Ieder jaar tijdens deramadan landt er op Schiphol een vliegtuig met Marokkaanse staats-imams. Ook dit jaar weer. Dat is niet voor een teamuitje, maar om hunpropaganda in Nederland aan de man te brengen. Hier zit onder anderede Marokkaanse overheid achter. Deze diasporapolitiek heeft als doel,vervreemding en verdeeldheid in onze samenleving te bewerkstelligen.De Minister gaf eerder aan dat dit onder godsdienstvrijheid valt, maarvolgens de SGP gaat het hier om ongewenste beïnvloeding vanuit eenandere natie. Frankrijk blijkt geen imams uit andere landen meer toe telaten. Is het kabinet bereid net als Frankrijk deze Marokkaanse inmengingaan banden te leggen, bijvoorbeeld door geen visa meer te verlenen?De voorzitter:Heeft u heel even een moment? Er is een vraag voor u. Ik geef graag hetwoord aan mevrouw Becker.Mevrouw Becker (VVD):De komst van imams uit het buitenland, specifiek Marokkaanse imams, isook iets wat de VVD zorgen baart. Wij zijn er ook al een tijd mee bezig omte bezien hoe we dat zouden kunnen tegengaan. Maar de vragen die wijdaarover stellen, stuiten op het bezwaar dat er op dit moment geenarbeidsmarkttoets is voor imams. Die worden gewoon rechtstreekstoegelaten. Als je dat zou willen wijzigen, dan moet je dat voor allegeestelijk bedienaren doen, omdat je volgens alle rechtsstatelijkeprincipes geen onderscheid mag maken naar religie. Zou de SGP dan ookbereid zijn om voor alle geestelijk bedienaren zo’n arbeidsmarkttoets in tevoeren, zodat we ook daadwerkelijk kunnen zeggen: er is nu ook eenopleiding voor imam in Nederland van start gegaan, dus we gaan geenvergunningen meer verstrekken voor imams die vanuit het buitenlandkomen? Hoe kijkt de SGP daarnaar?De heer Flach (SGP):Een goede vraag, maar het antwoord daarop is nee. Het gaat mij namelijkniet om de geestelijk bedienaar, maar om het feit dat er een statelijkeactor achter zit die deze imams financiert, aanstuurt, whatever. Dat is hetpunt en niet zozeer dat er een imam uit een ander land hierheen komt,want dat zien we al langer. Maar daar waar staatsinmenging vanuitandere landen plaatsvindt, zouden we moeten kijken hoe we dat kunnenvoorkomen.De voorzitter:Gaat u verder.De heer Flach (SGP):Dan, voorzitter, antisemitisme. In onze straten zien we steeds weerbrandhaarden van Jodenhaat oplaaien. Gisteren hebben we daar bij hetvragenuur ook uitgebreid bij stilgestaan. Het aantal antisemitischeincidenten in Nederland is sinds 7 oktober zelfs met ruim 800% toege-nomen. Dat is schokkend om te zien. We mogen niet met lede ogentoekijken. Een tegenoffensief om dit kwaad de kop in te drukken is bittereTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4155 noodzaak. Laten we daarom als Nederland ook een duidelijke lijn trekken:in ons land is geen plaats voor antisemieten.Naast aandacht hiervoor in samenleving en onderwijs moet ook onsbeleid richting nieuwkomers hierop gericht zijn. We weten dat de kijk vanmensen uit islamitische landen op het Midden-Oostenconflict kunnenleiden tot antisemitisch gedachtegoed. Dat betekent dat we ook bij devoordeur alert moeten zijn op dit kwaad. Vreemdelingen die zijn veroor-deeld voor antisemitische misdrijven moeten daarom geen Nederlandseverblijfsvergunning kunnen krijgen. Na een aangenomen SGP-motiehierover verkent het kabinet nu hoe antisemitisme zwaarder kan wordenmeegewogen als weigerings- of intrekkingsgrond in de asielprocedure,maar dat is niet genoeg. Ook in de inburgeringsprocedure moet meeraandacht komen voor antisemitisme en de gruwelijkheden van de TweedeWereldoorlog. In Duitsland is vorige maand besloten dat nieuwkomersmoeten beloven het Joodse leven te beschermen. De SGP zou dat ook inNederland een goed idee vinden, bijvoorbeeld door dit expliciet in departicipatieverklaring op te nemen. Wat vindt de Minister hiervan? Wil zijtoezeggen dit Duitse voorbeeld ook bij de uitvoering van de eerderge-noemde motie te betrekken?Tot slot. Een bezoek aan het Holocaustmuseum zou voor iedere burgergratis moeten zijn. Dat hebben de SP en de SGP vorige week voorgesteld.Voor nieuwe Nederlanders die bezig zijn met hun kennismaking metNederland mag een bezoek aan dit museum niet ontbreken. Wat vindt hetkabinet van het voorstel om een bezoek aan het Holocaustmuseum eenverplicht onderdeel van de inburgeringscursus te maken?Ik reken op een warm onthaal van deze voorstellen door de Minister.De voorzitter:Dank u wel, meneer Flach. U heeft ook een vraag, van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):De heer Flach geeft aan dat hij voorstander is van het opnemen in departicipatietoets van een soort verklaring dat iemand geen antisemiet is.Geeft de heer Flach daarmee impliciet aan dat je met een migratieachter-grond of als je uit een ander land komt, al dan niet als asielzoeker,antisemiet bent totdat je het tegendeel bewijst? Is dat wat de heer Flachhiermee voor ogen heeft?De heer Flach (SGP):Nee, zeker niet, dat mag duidelijk zijn. Ik ben begonnen met te zeggen datook voor alle Nederlanders geldt dat er geen plek mag zijn voor antisemi-tisme. Dat moeten we de kop indrukken. Daarmee moet het ook onderdeelzijn van de inburgering van hoe we het hier in Nederland met elkaarhebben geregeld. Het is helaas bittere noodzaak dat ik dit voorstel, wanthet is een kwaad dat steeds meer om zich heen grijpt. Ik zou graag ziendat alle mensen die onderdeel willen worden van de Nederlandsesamenleving dat ook als basisbeginsel zien en zeker niet als een soortgeloofsbelijdenis, in de zin van «je bent een antisemiet totdat je datgezegd hebt»; zeker niet.De voorzitter:Nog een vervolgvraag van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Ik vind het wel een hele ingewikkelde situatie. We hebben in Nederlandeen discussie over wat nou wel en wat niet onder antisemitisme valt.Volgens mij doen rechters daar af en toe uitspraken over in een casus.Wat de heer Flach hier doet vind ik best wel stuitend en ik wil dat welgemarkeerd hebben. De groep die de participatieverklaring moet afleggenkrijgt te maken met een bejegening dat je antisemiet bent totdat hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4156 tegendeel is bewezen. Op papier aan iedereen die wil participeren eninburgeren vragen of hij afstand wil nemen van antisemitisme – volgensmij had de heer Flach daar een andere term voor, maar daar komt het welop neer – is niet het land waar wij naartoe zouden willen. Ik wil de heerFlach vragen om groepen niet over één kam te scheren.De heer Flach (SGP):Met die laatste zin ben ik het van harte eens. Dat is ook de reden dat ik datniet voorstel voor bepaalde groepen maar voor álle nieuwkomers inNederland. Ik heb de Minister gevraagd om wat nu is besloten in hetvoorbeeld van Duitsland mee te nemen in de uitwerking van de opties inNederland en na te gaan of dat ook hier toepasbaar is. Dat zouden wijgraag zien. Het is nu eenmaal een feit dat deze kleine Joodse gemeen-schap van 30.000 à 40.000 mensen zeer zwaar onder druk staat. Het is eengroep die geïntimideerd en bedreigd wordt. Als je ziet onder wat vooromstandigheden kinderen naar school moeten ... Dat is gewoonon-Nederlands. Vandaar dat wij het een goed idee zouden vinden om ookdat onderdeel te laten zijn van je toetreding tot de Nederlandsegemeenschap.De voorzitter:Dan was er nog een vraag van de heer Boon.De heer Boon (PVV):Ik heb even zitten nadenken toen ik hoorde zeggen: het makkelijker makenvan het erkennen van diploma’s. Toen dacht ik terug aan mijn tijd inAfghanistan. Ik denk dan aan die Afghaanse chirurg, die niet is tevergelijken met een Nederlandse chirurg; een tandarts ook niet. Eenelektricien uit Afghanistan is totaal niet te vergelijken. Dus op welkediploma’s hint u, of welke denkt u te kunnen overnemen? Want ik denk dathet totaal onvergelijkbaar is, en dat die diploma’s in Nederland toch echtopnieuw behaald moeten worden.De heer Flach (SGP):Ja, een terecht punt, denk ik. Als er iemand chirurg is in een land met heelandere standaarden, dan zou ik ook niet gelijk op de operatietafel gaanliggen; dat geef ik direct toe. Dus je moet wel die diploma’s valideren.Maar ik heb ook voorbeelden als van een jongen die hierheen komt eneen met de vwo vergelijkbare opleiding heeft gedaan in Syrië, en die hierweer bijna helemaal opnieuw moet beginnen. Dat zijn weggegooide jaren,heel veel frustratie, en dan neem je ook talent weg. Dus ik denk dat er ietstussen moet zitten: dat je de diploma’s valideert en toetst, en kijkt op welkniveau iemand Nederland binnenkomt. Als je een arts bent geweest inAfghanistan, dan is het denk ik goed om te bepalen met wat voor niveauin de zorg in Nederland dat ongeveer gelijkstaat, en daar begint dan deopleiding. Nu zie je vaak dat je gewoon helemaal teruggeworpen wordtnaar de allereerste basis. Dan sla je gewoon een aantal jaren over.De voorzitter:Dank u wel. Dan is er nog een vraag van de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Ja, voorzitter, even over die participatieverklaring en over het voorstel. Ikweet niet of u die participatieverklaring ooit gezien heeft, maar dat is eenpaar regels: dat je je houdt aan gelijke rechten; dat iedereen gelijkerechten heeft, en dat je je anders aan de regels houdt. Er worden niet perse groepen genoemd. Ik vroeg me af: wilt u daar dan een zinnetje bij?Want dit is gewoon een A4. Iedereen kan het lezen, en dat kan ik ookaanraden. Of zegt u: «Die hele participatie zou veel meer inhoud moetenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4157 hebben»? Als ik het zo lees, dan vraag ik me af hoe u dat voor u ziet. Daarben ik gewoon even benieuwd naar.De heer Flach (SGP):Nou ja, om dit nu hier gelijk helemaal op de schop te nemen, was nietmijn bedoeling, maar dit is voor mij nu een toevoeging daaraan. Het iswellicht heel goed voorstelbaar dat je die participatieverklaring an sichook gewoon eens tegen het licht houdt. Kijk, het is natuurlijk ook zo datmensen die in Nederland komen, zich moeten houden aan de beginselenvan de Grondwet, net als wij allemaal. Dus vooralsnog wil ik het beperkentot het toevoegen van dit specifieke onderdeel.De voorzitter:Dan is er nog een vraag van mevrouw Patijn.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Ik heb even gekeken wat nou precies de achtergrond was van dieverklaring in Duitsland. Volgens mij heeft dat juist met de specifiekegeschiedenis van Duitsland te maken. Is het niet bijzonder om één groepdaaruit te halen, en is het niet logischer om te vinden dat mensen zich aande Grondwet moeten houden in Nederland?De heer Flach (SGP):Ik begrijp die vraag. Natuurlijk heeft Duitsland een bijzonder verledenachter de rug. En ik vind ook dat ze daar in heel veel gevallen op een helegoede en prudente manier met dat verleden omgaan. Ik ben onlangs ineen partnergemeente geweest, toen ik wethouder was. Als ik dan zie hoeDuitsland omgaat met zijn oorlogsverleden: niets dan respect daarvoor.Dus ik snap dat het daar nog iets gevoeliger kan liggen dan in Nederland,maar ook wij hebben een specifieke geschiedenis, die bij ons vangeneratie op generatie wordt overgeleverd. Mensen die als nieuwkomerhier naar Nederland komen, hebben die geschiedenis niet of mindermeegekregen. Dan kan het goed zijn om daarop te attenderen via dezeverklaring in de participatieverklaring.De voorzitter:Ik kijk even rond, en dan gaan we door. U kunt beginnen met uw inbreng,meneer Ergin.De heer Ergin (DENK):Dank u wel, voorzitter. Vandaag gaat het over inburgering en integratie. Endat op mijn verjaardag, voorzitter! En ik moet eerlijk bekennen dat ik inaanloop naar dit debat vaak heb gedacht waarom het in 2024 nog steedsgaat over integratie. Dat voelt alsof we in tijden van een AI-boom zitten enhet in dit huis hebben over floppydisks om gegevens over te dragen. Dathet in dit huis gaat over integratie en telkens de betekenis van integratiewordt opgerekt. Alsof integratie een eindeloze marathon is en ergedurende deze marathon wel een bocht wordt gevonden om de finishlijnop te rekken; een marathon, die officieel in 1983 is begonnen en waarvanin 2024 het einde nog lang niet is bereikt.Wie naar de universiteiten, hogescholen en mbo’s gaat, ziet de realiteit.Daar zie je de toekomst. Dat zien we ook bij de motor van de Nederlandseeconomie, namelijk het mkb, waar kleinkinderen van gastarbeidersfloreren als het gaat om ondernemerschap. Integratie was in de jarentachtig en negentig relevant, maar we leven toch echt in het jaar 2024.Waarom moeten Nederlanders met een migratieachtergrond blijven horendat ze moeten integreren? Waarom moeten ze zogenaamde compli-menten aanhoren als «wat spreek jij goed Nederlands», terwijl zijNederlanders zijn die in Nederland zijn geboren? Daarom zou ik aan deMinister willen vragen ...Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4158 De voorzitter:Ik wilde heel graag even een interruptie toestaan.De heer Ergin (DENK):Uiteraard voorzitter.Mevrouw Becker (VVD):Ik wil de heer Ergin ten eerste natuurlijk feliciteren met zijn verjaardag. Wehebben vandaag een belangrijk debat over integratie en inburgering. Ikvind het toch wel redelijk schokkend dat DENK hiernaartoe komt eneigenlijk als boodschap afgeeft dat de integratieproblematiek achterhaalden in deze tijd niet meer relevant is. Kijkt de heer Ergin naar wat er op ditmoment in onze samenleving gebeurt? Kijkt hij naar de beelden vanmensen die, helaas soms opgejut door boodschappen vanuit hetbuitenland, de straat opgaan om anderen te intimideren? Het gaat dan omdingen die niets te maken hebben met demonstraties. Een groot deel vande Joodse medemensen voelt zich inmiddels ontzettend onveilig. Is deheer Ergin het met mij eens dat dat een enorm integratieprobleem is? Wilhij nu dan misschien van de gelegenheid gebruikmaken om aan te gevenwaarom DENK heeft geweigerd om de verklaring te ondertekenen die defractievoorzitters gisteren met elkaar hebben uitgegeven, waarin staat datzij naast de Joodse gemeenschap staan en opstaan tegen antisemitisme?De heer Ergin (DENK):Ik begin met de laatste vraag. Daar heb ik eigenlijk twee antwoorden op.Ten eerste heeft DENK niet ondertekend, omdat er in die verklaring eenaantal onwaarheden staan. Gisteren heb ik tijdens het vragenuur heelduidelijk aangegeven dat het wat DENK betreft niet om de discussie gaatof het verstoren van een concert onsmakelijk is of niet. Daar gaat dediscussie wat ons betreft niet over. Ik zou dit zelf op een andere manieraanpakken. Wat er gebeurt, is dat alles maar te pas en te onpas geschaardwordt onder antisemitisme, zoals we net in het voorbeeld van de SGPgezien hebben, terwijl het in Nederland ook mogelijk moet zijn om op tekomen voor de rechten van de Palestijnen. Daar moet ook ruimte voorzijn. Als iemand haat zaait of aan groepsbelediging doet, dan hebben wedaar in dit land wetgeving voor. Op basis van die wetgeving is hetmogelijk om op te treden tegen mensen die antisemitische uitingen doen.Dat juicht DENK zeer zeker toe.Het tweede deel van het antwoord is dat een aantal partijen, zoals JA21,hun handtekening onder die verklaring hebben gezet, van wie devolksvertegenwoordigers verschrikkelijke tweets over joden hebbengestuurd toen Twitter nog bestond. Ik ga die tweets niet voorlezen. Erstaan opeens partijen onder die verklaring, die in dit huis al twintig jaarminderheden in een hoek duwen en de rechten van minderheden willenafpakken, bijvoorbeeld omdat zij de rechten van 1 miljoen moslims willenafnemen. Dat was voor ons de tweede reden om te zeggen dat we hierniet in meegaan. Maar dat neemt niet weg dat DENK alle voorstellen in dithuis om antisemitisme aan te pakken heeft gesteund. Dat hebben wevorige week gedaan en we zullen die ook blijven steunen. Maar wehebben hier een eigen blik op en die hebben we gisteren naar buitengebracht.De voorzitter:Ik ga een klein punt van orde maken naar alle collega’s hier. Het isverleidelijk om dezer dagen met name het onderwerp «antisemitisme» tebetrekken bij het debat over inburgering en integratie, maar ik hoop datwe die verleiding met elkaar kunnen weerstaan, want het onderwerpvandaag is «inburgering en participatie». Dat is even het punt van ordedat ik graag wilde maken. Ik hoop dat we die discipline met elkaar kunnenopbrengen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4159 Mevrouw Becker (VVD):Voorzitter, als u mij toestaat, zeg ik: het heeft helaas met elkaar te maken.Er is in de samenleving een voedingsbodem om onder het mom vankritiek op wat er in Gaza gebeurt, mensen te intimideren en om in eenconcertzaal naar een Nederlandse artieste te schreeuwen dat ze eenterrorist is, om haar kinderen erbij te halen en haar vol te intimideren. Datis een probleem van onze samenleving. Helaas heeft dat ook te makenmet integratie. Ik heb eerder gezegd dat Turkije in Nederland 146moskeeën financiert. President Erdogan noemt leden van Hamasvrijheidsstrijders. Ik maak me zorgen over wat er in Nederlandsemoskeeën gezegd wordt en zie dat er olie op het vuur wordt gegooid doorhet conflict hierheen te halen. Dat is waar ik tegen wil strijden.Ik vond het nou juist zo mooi dat we gisteren van links tot rechts,ongeacht hoe verschillend onze politieke blik is, zeiden: antisemitismewillen we niet en we staan naast de Joodse gemeenschap. Ik zou DENKtoch nog één keer de kans willen geven om te zeggen: het was eigenlijkteleurstellend; het was een gemiste kans dat we dat niet gedaan hebben.De heer Ergin zegt dat er dingen in die verklaring staan die niet kloppen,maar ik heb hem niet horen zeggen wat er dan precies niet klopt. Juist alswe samen opstaan tegen echt antisemitisme, kunnen we ook verbindendzijn op allerlei andere thema’s. Want ik sta naast de heer Ergin als het gaatover de bestrijding van discriminatie. Wil hij dan naast ons staan als hetgaat over het bestrijden van antisemitisme? Alstublieft?De voorzitter:Ik heb u gehoord. Dank voor uw reactie op het punt van orde. Ik doenogmaals een beroep op alle collega’s om hier geen antisemitismedebatvan te maken, want dat debat gaat nog komen. De vraag is gericht aan deheer Ergin. Meneer Ergin, kunt u de vraag alstublieft in twee zinnenbeantwoorden? Dan gaan we daarna verder.De heer Ergin (DENK):Ik vind het moeilijk om deze vraag in twee zinnen te beantwoorden, omdatik een aantal vragen hoor en ik dit wel een belangrijk onderwerp vind. Alscollega’s mij bevragen over het standpunt van DENK, dan zou ik ookgraag de ruimte krijgen van de voorzitter om daar antwoord op te geven.Wat ons betreft is de vraag niet of je nou voor of tegen antisemitismebent. DENK is een partij die tegen alle vormen van discriminatie is. DENKstaat achter alle voorstellen die in dit huis worden gedaan om antisemi-tisme te voorkomen of om antisemitisme keihard aan te pakken. Wijsteunen dat en stemmen voor dat soort moties. Er worden ook anderemoties ingediend, met name door mijn partij, die dan niet wordengesteund door de VVD. Gisteren is nota bene de Wet gelijke kansen in deEerste Kamer weggestemd door de VVD. Dat is een wet om te voorkomendat er sprake is van discriminatie.Voorzitter. Mevrouw Becker heeft mij gevraagd om nogmaals aan tegeven of wij de verklaring wel of niet ondertekenen. We hebben gisterenin het vragenuur en ook daarna heel helder onze positie duidelijkgemaakt. Los van het feit of je het wel of niet onsmakelijk vindt wat er inWaalwijk – daar was het volgens mij – gebeurd is, kun je niet per definitiezeggen dat het hier gaat om antisemitisme. Dat is onze positie. Wehebben een verklaring gezien waarin het eenzijdig gaat over antisemi-tisme en dat is gewoon niet aan de orde.De voorzitter:Meneer Ergin, dank u wel. Kunt u verdergaan ... Er is nog een aantalvragen. Even voor mijn beeld: hoeveel van uw betoog had u nog over ofwas u klaar?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41510 De heer Ergin (DENK):Ik ben pas ...De voorzitter:Aha. De eerste vraag is van mevrouw Keijzer.Mevrouw Keijzer (BBB):Ik zat zo te luisteren naar de antwoorden van meneer Ergin. Ik neem eenklein voorschot op mijn eigen inbreng. Die gaat meer over de vraag: waarintegreer naartoe? Volgens mij hebben we hier een joods-christelijkebeschaving. Daar is de samenleving op gebouwd. In de joodse wereldheet het «je andere wang toekeren», als iemand iets tegen je zegt wat jeniet bevalt. In mijn traditie heet dat de gulden regel: wat gij niet wilt dat ugeschiedt, doet dat ook de ander niet. Daarom zou ik de heer Ergin willenvragen of er een evenknie daarvan is in de islamitische traditie. Als er eenterechte vraag komt over wat er gebeurd is in de afgelopen tijd en als ergevraagd wordt waarom DENK de verklaring tegen Jodenhaat nietondertekent, dan vind ik het zo jammer dat de heer Ergin eigenlijk alleenkan komen met tweets van een mevrouw die in 2006 nog columniste was.Volgens mij stammen die tweets uit dat jaar. Hij doet eigenlijk aanjijbakken. Is er een islamitische variant op «wat gij niet wilt dat ugeschiedt, doet dat ook de ander niet» of zoals Michelle Obama hetnoemde «if they go low, we go high»?De heer Ergin (DENK):Volgens mij wordt mij hier gevraagd om een soort religieuze uitspraak tedoen, maar ik ben Tweede Kamerlid.Mevrouw Keijzer (BBB):Nee, zeker niet. Dit is cultureel bedoeld.De heer Ergin (DENK):Ik ben geen imam. Ik ben ook geen antropoloog of socioloog. Ik benTweede Kamerlid en ik vertel hier hoe ik kijk naar de samenleving entegen welke barrières ik als jonge Nederlander – ik word steeds oudermaar ben nog steeds een jonge Nederlander – al jarenlang aanloop enwat ik in mijn omgeving zie. Ik probeer dat te duiden hier in dit huis alsNederlander. Ik ben geen imam. Ik ben geen socioloog, maar wel eenervaringsdeskundige.De voorzitter:Helder. Eventueel is er nog een vervolgvraag van mevrouw Keijzer ...Mevrouw Keijzer (BBB):Daarom de vervolgvraag ...De voorzitter:Ik ben hier volgens mij een klein beetje de voorzitter.Mevrouw Keijzer (BBB):Sorry ...De voorzitter:Nou, bijna. Ik was ermee bezig.Mevrouw Keijzer (BBB):...Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41511 De voorzitter:Misschien kunt u een vervolgvraag stellen. Ik heb hier een mooi knopjeom de microfoon uit te zetten. Kunt u een korte vraag stellen aan de heerErgin?Mevrouw Keijzer (BBB):Voorzitter, wat u nu doet is buitengewoon ongebruikelijk. U ontneemt eenKamerlid het woord, terwijl dat Kamerlid alleen maar in de veronder-stelling was dat zij het woord inmiddels van de voorzitter had gekregen. Ikvergeef het u, want u bent nog nieuw hier. Maar hier moeten we het tochmaar eens over hebben, want dit is toch wel echt heel bijzonder.De voorzitter:Laten we dat doen.Mevrouw Keijzer (BBB):Goed, het is u vergeven.Dan toch nog even richting de heer Ergin. Het was geen vraag over eenreligieuze benadering, het was een vraag over onze culturele omgang metelkaar en de tradities waarop onze beschaving gebouwd is. Ik hoorvertegenwoordigers van DENK altijd zeggen: wij zijn tegen alle vormenvan discriminatie. Maar waarom dan nu niet ferm stelling genomen? Methet oog op de discriminatie, waar hij terecht tegen strijdt, van mensenmet een andere huidskleur en mensen met het islamitische geloof, zou hetjuist goed zijn dat ook hij zou zeggen: dit is onacceptabel. Ga dan ookonder zo’n gezamenlijke verklaring staan. Het is zó triest dat FVD en DENKdaar niet onder staan. Dat is zo triest, voorzitter!De heer Ergin (DENK):Wat ik triest vind, is dat we in dit land wet- en regelgeving hebben opbasis waarvan we tot de conclusie komen of iets wel of niet discrimi-nerend is. Er is op dit moment aangifte gedaan vanwege smaad en lasteren ik zie dat heel veel politieke partijen nu al, dus nog voordat er eenresultaat is van die aangifte en voordat het OM ernaar heeft gekeken, toteen bepaalde conclusie komen. Het is namelijk gebruikelijk in dit huis datje eerst de resultaten daarvan afwacht.Voorzitter. Nogmaals, het gaat mij er niet om of het wel of niet onsma-kelijk is. Dat kan verschillen per persoon. Ik prefereer ook om mijn meningop een andere manier naar voren te brengen dan door het verstoren vaneen concert. Maar hier gaat het erom – en dat is ook een probleem waarwe het in dit huis over moeten hebben – dat te veel zaken te pas en teonpas onder het woord «antisemitisme» worden geschoven. En daar zijnwij het gewoon niet mee eens.Voorstellen van de BBB of van de VVD om antisemitisme aan te pakkensteunen wij. Dat hebben we de afgelopen jaren gedaan en dat zullen wijblijven doen. Ik hoop dat wij samen kunnen optrekken wanneer ervoorstellen liggen om niet alleen antisemitisme maar ook andereproblemen en andere uitdagingen, zoals moslimdiscriminatie, aan tepakken. Want moslimdiscriminatie is ook iets wat uit alle cijfers naarvoren komt. Ik hoop dat we daar samen daadwerkelijk beleid voor kunnenformuleren in plaats van het alleen maar tekenen van verklaringen.De voorzitter:Dank u wel. Dan is er nog een vraag van de heer Flach.De heer Flach (SGP):Voorzitter, eerst over uw punt van orde. Ik besef dat het gaat overantisemitisme, omdat ik dat gekoppeld heb aan inburgering en integratie.Excuus daarvoor, maar ik wil u ook wel vragen om Kamerleden daar devrijheid voor te geven, omdat ik het als een belangrijk onderdeel daarvanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41512 zie. Ik denk dat we in the heat of the moment en in de actualiteit van dedag niet kunnen voorkomen dat het hier een beetje over gaat. Ik snap datu daar orde in probeert te brengen, maar ik vraag u dus om enigeclementie.Ik vraag dat ook, omdat de heer Ergin aangaf dat ik probeer om dedefinitie van antisemitisme op te rekken en daarmee mensen de vrijheidprobeer te ontzeggen om op te komen voor de belangen van de mensenin Gaza. Dat is geenszins het geval. Antisemitisme heeft maar één definitieen dat is het onheus bejegenen, intimideren of geweld aandoen aanmensen om het enkele feit dat ze Jood zijn. Dat is de definitie en daar hebik het over.Maar hier gaat mijn vraag nog niet eens over, want die gaat eigenlijk overde inbreng van de heer Ergin zelf. Als ik hem goed heb beluisterd, zegt hijdat het in 2024 niet meer nodig zou moeten zijn om te integreren of omeen integratietraject te doorlopen. Ik ben in mijn vorige werkzame levenook locoburgemeester geweest – u misschien ook nog wel – en ik hebtoen verschillende keren mensen mogen naturaliseren. En dan maakte ikhet mee dat mensen echt alleen maar de belofte of de eed kondenafleggen en verder geen woord Nederlands spraken. Dan vind ik het bijnaonverantwoord om mensen de samenleving in te sturen, want dan stuurje ze eigenlijk het bos in. Er zijn ook schrijnende voorbeelden van mensendie juist door een gebrek aan integratie, een einde aan hun levenmaakten. Die mensen waren volstrekt ongelukkig in onze samenleving,omdat ze niet geïntegreerd waren. Heb ik de heer Ergin dus goedbegrepen en zei hij inderdaad «er is geen integratie meer nodig in 2024»of ligt dat anders?De heer Ergin (DENK):Dit debat gaat over inburgering en integratie. Als je nieuw naar Nederlandkomt en de taal moet leren, dan moet dat natuurlijk gebeuren. Natuurlijkmoeten we mensen stimuleren om de Nederlandse taal te leren, maar ditdebat gaat ook over integratie.Als de collega’s dat toestaan, ga ik dat wat nader duiden. Integratie gaatveel beter dan inburgering. Ik noemde net al dat ik merk dat integratieinmiddels een marathon zonder einde is geworden. Dat is precies het puntdat ik wil maken. We moeten gewoon van sommige groepen ... Er zijnNederlanders met een migratieachtergrond die in Nederland zijn geboren.Inmiddels is er een vierde en misschien zelfs al wel een vijfde generatieNederlanders met een migratieachtergrond. Die mensen moeten we opeen gegeven moment gewoon accepteren zoals ze zijn. Dat moeten weons in dit huis ook gaan realiseren.De heer Bamenga (D66):Ik weet niet of het een vraag is, maar ik wil dit toch wel gezegd hebben. Ikben best wel gechoqueerd door wat er zojuist is gebeurd: een collega hierkrijgt eigenlijk de vraag hoe het zit met de islam. Zeker als je spreekt overantisemitisme, heb je het over een bepaalde groepsbenadering. Met diegroepsbenadering, puur op basis van iemands etniciteit en iemandsgeloof, ga je iemand op een bepaalde manier beoordelen. Het doet er niettoe of iemand Joods, christen of moslim is. Tenminste, dat zou er niet toemoeten doen. Ik wens eigenlijk dat wij hier in de Kamer niet een soorttweedeling creëren: als je moslim bent, zou je tegen Joden moeten zijn enals je Joods bent, zou je tegen moslims moeten zijn. Daar moeten wij hierop geen enkele manier aan meewerken. Daar wil ik echt wel een punt vanmaken. We staan hier allemaal voor de Grondwet en ik wil dat wij onzecollega’s niet op deze manier aanspreken. Dank u wel.De heer Ergin (DENK):Voorzitter, ik ga maar verder met mijn verhaal. Ik denk dat dat goed is,want ik was eigenlijk pas begonnen. Ik was aangekomen bij mijn eersteTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41513 vraag aan de Minister: is zij het met DENK eens dat de integratie voorbijis? Is zij het met DENK eens dat we voor eens en altijd afscheid moetennemen van het containerbegrip «integratie» en dat het over acceptatie zoumoeten gaan? Want accepteren we Nederlanders nog wel in al hunverscheidenheid en in al hun culturele rijkdom? Erkennen wij dat veelNederlanders met een migratieachtergrond te maken hebben metbelemmeringen als het gaat om acceptatie? Een blok aan het been vanveel Nederlanders met een migratieachtergrond is hoe de overheid methen omgaat en dat de overheid hen wantrouwt. Nota bene bij hetMinisterie van deze Minister zijn in het geheim illegale lijsten bijgehoudenvan Nederlandse moslims. Deze onrechtmatige spionageaanpak heeftuitgerekend bij dit ministerie plaatsgevonden!Voorzitter. Vorige week zat ik in een debat met de Minister van Onderwijsen deze week zit ik dus in een debat met de Minister van Sociale Zaken enWerkgelegenheid. En over een paar weken zit ik hier met de Minister vanFinanciën. Dat zijn allemaal debatten over hoe de overheid omgaat met enhoe de overheid niet hoort om te gaan met Nederlanders met eenmigratieachtergrond, en dan met moslims in het bijzonder. Het is daaromook meer dan terecht dat de Minister excuses heeft gemaakt, want het isnu tijd voor herstel. Daarom heb ik de volgende vragen aan de Minister.Wat heeft de Minister gedaan om het vertrouwen van de moslimgemeen-schap te herstellen? Kan de Minister aangeven hoeveel mensen erüberhaupt op de lijst zijn geplaatst?Voorzitter. Mijn laatste punt is de discussie die we hier vaker voeren overhet inmiddels achterhaalde concept «integratie». We hebben het dan heelvaak over oververtegenwoordiging.Volgens mij is er nog een vraag voor mij.De voorzitter:Er is een vraag voor u van de heer Flach.De heer Flach (SGP):Ik heb even gewacht tot de collega naar zijn laatste punt ging. Ik probeerhet toch even te begrijpen. U vraagt, meneer Ergin, of de Minister het metu eens is dat de integratie voorbij is. Dat vind ik toch wel een ingewik-kelde. Je hebt natuurlijk een inburgeringstraject en dat eindigt op hetmoment dat je het staatsburgerschap krijgt. Maar integratie is iets watbijna bij de zorgplicht van de overheid hoort, want die moet ervoor zorgendat iemand onderdeel is van en één wordt met de Nederlandse samen-leving. Natuurlijk is er verscheidenheid, maar als we toestaan dat menseneigenlijk nauwelijks voorbereid in die samenleving opgaan en we zeggendat dat eigenheid is, dan doen we de problemen die mensen ervaren,tekort. Ik snap werkelijk niet waarom collega Ergin zegt dat integratie in2024 voorbij zou moeten zijn. Ik snap wel dat hij zegt: de vierde generatiemensen die hier geboren is, moet je niet nog steeds in een integratie-keurslijf drukken. Dat snap ik heel goed, maar ik hoop niet dat hij heterover heeft dat groepen nieuwkomers direct na hun staatsburgerschapmaar aan hun lot moeten worden overgelaten.De heer Ergin (DENK):Groepen nieuwkomers vallen onder de Inburgeringswet. Dat noemen weinburgeren en dat noemen we geen integratie. Ik zou de heer Flach willenmeegeven dat als hij van mening is dat ik, iemand die naast hem zit en dieook locoburgemeester, weliswaar tweede locoburgemeester, is geweest ...Als ik, die ook wethouder is geweest en het Kamerlidmaatschap, hethoogste ambt van dit land, mag vervullen, nog zou moeten integreren,dan zou ik tegen de heer Flach willen zeggen: blijf geloven in integratie; ikdoe dat al heel lang niet meer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41514 De heer Flach (SGP):Hier moet ik wel op reageren. Dat zei ik juist niet! Ik zei juist dat de derdeen vierde generatie Nederlanders met een migratieachtergrond, mensendie hier geboren zijn, onderdeel zijn van de samenleving. Op die mensenis in mijn ogen integratie niet van toepassing. Daar hoef je ook geenintegratieprogramma’s op toe te passen. Natuurlijk ben je dan, net als alleandere Nederlanders, gebonden aan dezelfde wet. Punt. Laat dat helderzijn; daar heb ik het niet over. Maar ik heb het erover dat inburgering enintegratie bij elkaar horen. Je kunt niet zeggen: we leiden je op tot hetstaatsburgerschap en daarna laten we je, hoe je er ook aan toe bent, aanje lot over. Dan laat je mensen ook vallen. Dus ik heb het echt over denieuwkomers. Dan horen integratie en inburgering nauw bij elkaar. Maarik denk dat ik nu beter begrijp wat u bedoelt. U heeft het echt over deintegratie van de tweede, derde en vierde generatie.De heer Ergin (DENK):Ik ben blij dat de heer Flach doorheeft waar het precies bij mij jeukt als hetgaat om integratie, en overigens ook bij heel veel Nederlanders.Voorzitter. Als we het over integratie hebben, gaat het hier in dit huis ookvaak over oververtegenwoordiging van Nederlanders met een migratie-achtergrond. Om daar maar duidelijkheid over te creëren: ja, er is sprakevan oververtegenwoordiging, als het gaat om discriminatiecijfers en alshet gaat om zogenoemde glazen plafonds binnen bedrijven, waar mensenmet een migratieachtergrond kunnen fluiten naar een hogere functie. Er issprake van oververtegenwoordiging als het gaat om continu achter hetnet vissen bij het vinden van een stageplek of een baan. Er is sprake vanoververtegenwoordiging als het gaat om werkloosheid en economischmindere tijden.Voorzitter. Ik heb nog een mededeling. Het is eigenlijk niet meer een punt.Gisteravond is er een wet in de Eerste Kamer weggestemd. Ik wil graaggebruikmaken van deze gelegenheid om aan te kondigen dat wij vrij snelmet een initiatiefvoorstel gaan komen om ervoor te zorgen dat we inNederland daadwerkelijk kunnen realiseren en wettelijk kunnen borgendat er sprake is van gelijke kansen bij werving en selectie. Dat zullen wenet zo lang blijven doen totdat er in dit land daadwerkelijk sprake is vangelijke behandeling.Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Ik kijk even naar de collega’s of er nog een vraag over is. Nee? Dan kijk iknaar mevrouw Keijzer. Bent u zover om met uw inbreng te beginnen?Mevrouw Keijzer (BBB):Dank u wel, voorzitter. De grootste vraag die wat mij betreft gesteld moetworden en waar vaak toch maar een beetje omheen bewogen wordt, is:waar integreren we nu eigenlijk heen? Het abstracte antwoord is dan datmensen onderdeel moeten kunnen zijn van de Nederlandse samenlevingen aan moeten sluiten bij de vrije, liberale parlementaire democratie enonze rechtsstaat. Maar wat betekent dat nou in de praktijk?Het Arab Center for Research and Policy Studies heeft een peilingson-derzoek gedaan. Daaruit blijkt dat 67% van de mensen in islamitischelanden 7 oktober een legitieme verzetsoperatie vond. In landen als Libiësteeg het aantal superfans van deze slachting van Joodse kinderen envrouwen naar 91%. Sinds 7 oktober zijn Hamas- en soms zelfs IS-vlaggenin Nederlandse straten een gewoon verschijnsel geworden.In Nederland zijn er veel mensen die aanhangers van jihadismeadopteren. Vaak zijn dit mensen uit extreemlinkse hoek. Dat is logisch alsje je realiseert dat het in de identiteitspolitiek gaat om de vraag wie hetmeest onderdrukt is. Vanzelfsprekend zijn dan mensen met bijvoorbeeldeen donkere huidskleur of mensen met een moslimachtergrond kwets-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41515 baarder dan Joden of mensen met een Israëlische nationaliteit, zeg ikietwat cynisch. Waar dat toe leidt, is het afgelopen weekend duidelijkgeworden: onversneden Jodenhaat. De altijd zichzelf op de borstkloppende cultuursector, die mensen met een andere politieke voorkeurhardhandig de maat neemt, is nu stil, doodstil. Geen mars derbeschaving, geen geschreeuw tegen discriminatie. Nu niet.De bodem kan ...De voorzitter:Mag ik u heel even interrumperen?Mevrouw Keijzer (BBB):... altijd dieper. Ik kom bij de ESS, vanuit het Ministerie van SZW.De voorzitter:De collega naast u, mevrouw Patijn, heeft een vraag voor u.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Ik hoor mevrouw Keijzer zeggen dat de culturele sector zich niet verhoudttot wat hier gebeurd is. De vraag is of de supermarktsector, als daardingen fout gaan ... In hoeverre kan een sector er specifiek verantwoor-delijk voor zijn? Ik zou u willen vragen: op welke manier vindt u dat wijhier verantwoordelijk zijn? Welke verantwoordelijkheid hebben wij tenemen?Mevrouw Keijzer (BBB):In het afgelopen weekend zijn er drie incidenten geweest die te makenhebben met de culturele sector waarin mensen met een Joodse achter-grond hun werk ontnomen werd. Er was een acteur van Joods-Britseafkomst die James Bond zou gaan spelen. Er was grote ophef. Er warenzelfs aankondigingen van een boycot. Een Israëlische film werd gefrus-treerd. En het voorbeeld van mevrouw Lenny Kuhr hebben we natuurlijkallemaal voorbij zien komen. Ik kan het dan eigenlijk slecht hebben dat ervanuit de culturele sector, die heel groot is en op andere momenten goedvan zich laat horen, nu eigenlijk stilte komt. Dat is wat ik bedoel.Voorzitter. Wat kunnen wij hier doen? Dat hebben we gisteren met z’nallen laten zien. Ik was er buitengewoon trots op om te zien dat wij dooralle politieke verschillen heen, met alle politieke partijen – twee verdrietigeuitzonderingen daargelaten – onder een verklaring tegen Jodenhaatstonden. Dat is niet het enige wat er moet gebeuren, maar dat gaat vervoorbij het onderwerp van vandaag. Er ligt een brief van de Minister vanJustitie tegen antisemitisme. In het onderwijs zou er nog van alles en nogwat kunnen gebeuren. En mijn betoog gaat daar vandaag ook over. Datzou namelijk het volgende blokje zijn.De voorzitter:Mevrouw Patijn, u hebt nog een vervolgvraag.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Ja. Ik heb ook de vraag gesteld: waarom vraagt u de supermarktsector,waar dezelfde problematiek soms speelt, niet om hetzelfde te zeggen?Waarom vindt u dus dat specifiek de culturele sector zich hierover moetuitspreken, terwijl die per definitie zichzelf niet beschouwt als antisemi-tisch, maar het juist heel belangrijk vindt om te zorgen dat Joodse kunstuitgedragen wordt en dat ook mensen met een Joodse achtergrond welkevorm van kunst dan ook kunnen uitdragen?Mevrouw Keijzer (BBB):Dat ben ik helemaal eens met mevrouw Patijn, en ik vind de sector zoongelofelijk stil. Dat is precies het punt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41516 Voorzitter. Ik was aangekomen bij de ESS, de Expertise-unit SocialeStabiliteit van het Ministerie van de Minister. Ik had een technischebriefing en zij vertelde trots over een brochure die gedeeld werd metgemeenten die geholpen moesten worden met de polarisatie naaraanleiding van 7 oktober. Ik was aangenaam verrast. Ik kreeg de brochure,ik klikte door en ik kwam terecht op een informatiefilmpje ingesprokendoor professor Berger van de Universiteit Leiden. Het was wat mij betrefteen eenzijdig referaat dat het beeld achterliet dat Israël en Joden deagressor waren. Professor Berger werkt bij de Universiteit Leiden en zijnleerstoel wordt indirect gefinancierd door de sultan van Oman, is mijverteld. Klopt dit, vraag ik via de voorzitter. Welke geweldsfantasieën overhomo’s en Joden leven er in de kringen van deze man? Maaike vanCharante heeft op X een analyse gemaakt van dit filmpje en de eenzij-digheid ervan. Kent u die analyse? Deelt u die? Zo niet, wilt u die dan puntvoor punt weerleggen?Voorzitter. Het filmpje zou wat mij betreft eigenlijk offline gehaald moetenworden. Er zou een filmpje moeten komen waarin van verschillendekanten ingezoomd wordt op het Palestijns-Joodse conflict. Zeker als hetgaat over polarisatie, moet je namelijk laten zien dat er zeker aan hetJoods-Palestijnse conflict meerdere kanten zitten.Voorzitter. Waar integreren we heen? Nou, we willen met elkaar onderdeelvan dezelfde samenleving zijn. We zijn het er allemaal over eens dat daareen bepaald niveau van taal bij hoort. Ik lees alleen dat de burgemeestervan Eijsden-Margraten, Alain Krijnen, gezegd heeft dat DUO beslotenheeft vrijstelling te verlenen van de plicht om Nederlands te leren. Kloptdit? In welke casussen is dit zo? Is dit conform het beleid?Voorzitter. De Nederlandse arbeidsmarkt is een plek waar burgers moetenkunnen floreren. Dat geldt voor autochtone Nederlanders, maar ook voornieuwkomers met een migratieachtergrond. De arbeidsparticipatie onderNederlanders met een niet-westerse achtergrond is en blijft een punt vanaandacht. De Minister schrijft er in de brief van 18 december ook het eenen ander over, maar kan zij nou concreet maken welke acties die effectiefzijn, zij bedoelt, en welke acties dat niet zijn? Hoe aantrekkelijk is heteigenlijk überhaupt voor mensen met lage inkomens om meer te gaanwerken, gezien de samenloop met toeslagen en gemeentelijkeregelingen?Voorzitter. Even zien. Gaat dit goed? Ja, dit gaat goed, in mijn betoogalthans. Ik kom tot slot bij een vraag. Klopt het dat het CBS binnenkortstopt met meten wat iemands herkomst is in termen van allochtoon enautochtoon en in termen van tweede en derde generatie? Als dat klopt, isdat dan wijsheid? Volgens mij verlies je zo het zicht op bepaalde aspectenvan deelname aan de samenleving, integratie en arbeidsparticipatie.Volgens mij zou je dat niet moeten willen.Ik dank u wel.De voorzitter:Precies vijf minuten, waarvoor lof en hulde. Zijn er vragen voor mevrouwKeijzer?Mevrouw Becker (VVD):Mevrouw Keijzer had het in haar betoog over een burgemeester dieaangaf geconfronteerd te worden met mensen die wel genaturaliseerdmoeten worden, maar die vrijgesteld zijn van de inburgering. Wij hebbenals VVD vanochtend aangekondigd dat wij hier in dit debat een groot puntvan willen maken. Wij hebben namelijk in de oude inburgeringswet geziendat heel veel mensen na een aantal examenpogingen werden vrijgesteldvan het moeten doen van nog een taaltoets. Alleen al afgelopen jaar zijner geloof ik weer 2.000 mensen ontheven van hun inburgeringsplicht.Maar ook in de nieuwe wet zit een zelfredzaamheidsroute zondertaaltoets. Wij vinden eigenlijk dat je, als je bent ingeburgerd, maar geenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41517 taaltoets hebt gedaan als je Nederlander wilt worden, wel een apartetaaltoets moet doen voor naturalisatie. Want het Nederlanderschap is juistde kroon op je integratie. Wij vinden dan dat je dan op z’n minst hetniveau van de werkvloer, B1, zou moeten spreken. Kan ik mevrouw Keijzeraan mijn zijde vinden voor dit plan?Mevrouw Keijzer (BBB):Ja, helemaal. Ik vind het onbegrijpelijk hoe dat gaat. Dus ja, vanzelf-sprekend en misschien is B1 zelfs aan de lage kant.De voorzitter:Ik kijk even naar de collega’s. Dan geef ik graag het woord aan mevrouwPatijn.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. In de afgelopen periode heb ik veel gehoord en gelezenen getracht te begrijpen hoe de wereld eruitziet voor iemand die hier alsvluchteling heen is gekomen en hier wil werken. Hoe werkt dat? Ik hebook nagedacht over hoe een werkgever zich in deze wirwar zou moetenzien te redden en moet weten hoe het werkt. Er is een brij van regelingen,vereiste voorwaarden en wensen die nauwelijks te ontwarren is, zekervoor iemand die nieuw is in ons land. Dit nog los van de belemmeringenwaar mensen tegen aanlopen, zoals de achterstand bij het uitgeven vanhet bsn-nummer en de vereiste tewerkstellingsvergunning, de moeilijkeweg voor diplomawaardering, de problemen met de Reba, de beperktebegeleiding in de zoektocht naar werk en de onzekerheid over detoekomst, waarbij het werk voor 22% van de mensen ook nog uitlaagbetaald uitzendwerk bestaat. Ik zou van de Minister willen weten of zijmogelijkheden ziet om te komen tot vereenvoudiging en eenduidigheid enop z’n minst tot helderere communicatie hierover.Werken is van groot belang om hier te kunnen integreren. Ik ben blij telezen dat de Minister zoekt naar manieren waarop werken voor dezegroep duurzaam kan worden en dat de gemeenten investeren in debegeleiding naar werk. Wij zijn blij dat de 24 wekeneis is komen tevervallen, maar het zou ook mooi zijn als de mensen nog veel eerder aanhet werk kunnen, zodat zo vroeg mogelijk aan een zinvol bestaan gewerktkan worden en mensen ons land kunnen leren kennen vanuit een actievedeelname. Kan de Minister de mogelijkheid onderzoeken om de wachttijdvoor de arbeidsmarkt van zes maanden naar drie maanden te verkorten?Kan de Minister aangeven wat de stand van zaken is van de uitvoeringvan de motie-Piri die vraagt om het wegwerken van de achterstanden vande BRP-registratie? Op welke manier gaat de Minister de voorlichting overde Reba-regeling verbeteren, zodat mensen niet met schulden komen tezitten? Op welke manier gaat de Minister zorgen dat mensen geholpenworden bij het vinden van stabiel en zeker werk met een volwaardiginkomen? Eerder waren er signalen van uitbuiting en zelfs mensenhandelrond asielzoekers en statushouders die op zoek waren naar werk. Heeft deMinister zicht op dit soort zaken dat CoMensha meldt en houdt deArbeidsinspectie toezicht op dit soort zaken?Gisteren is in de Eerste Kamer de Wet toezicht gelijke kansen verworpen.Daarmee is het probleem van discriminatie op de arbeidsmarkt nietverdwenen en dat raakt ook deze groep. Welke regeling of acties kan deMinister nemen om toch die gelijke kansen mogelijk te maken?Het leren van de Nederlandse taal en cultuur is van groot belang om hiermee te kunnen doen. De gemeentelijke aanbestedingen en de privatise-ringen die daarvoor hebben plaatsgevonden, hebben ertoe geleid dat deNT2-docenten soms met slechte contracten voor bepaalde tijd werken enzeer lage tarieven krijgen. De Minister heeft eerder aangegeven bereid tezijn om het overleg tussen de werkgevers en de werknemers te stimulerenom dit beter geregeld te krijgen. Kan zij vertellen wat de stand van zakenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41518 is wat betreft deze gesprekken? Is de onzekerheid van de roc’s over hunpositie in het stelsel niet het belangrijkste obstakel om de NT2-docentenmeer zekerheid en een cao te bieden? In dat kader kijk ik ook uit naar hetonderzoek over het onderbrengen van de onderwijsroute in het publiekbekostigde onderwijs.Tot slot. Dit debat is een plek waar we spreken over mensen die gevluchtzijn en die gewoon recht hebben op een plaats in onze samenleving. Latenwe daar dan ook samen voor zorgen.De voorzitter:Allereerst complimenten voor het doorspreken terwijl de bel gaat. Er zijndrie collega’s die nu gaan stemmen, vandaar dat ze wegliepen. Dat zeg ikook even tegen de mensen die thuis kijken. Dat heeft niets te maken methet betoog van mevrouw Patijn.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Ik zou het wel leuk vinden als dat was gebeurd.De voorzitter:Zijn er nog vragen aan mevrouw Patijn? Dat is niet het geval. Dan geef ikgraag het woord aan de heer Boon.De heer Boon (PVV):Dank u wel, voorzitter. De immigratiecijfers blijven onverminderd hoog,waardoor we niet toekomen aan integratie. Zolang de grenzen echterwagenwijd open blijven staan, blijft Nederland worstelen metimmigranten die moeten integreren. Het lijkt wel of het hoofddoel van dítkabinet is om iedereen die ons land binnenkomt onmiddellijk teontzorgen, terwijl Nederlanders bijvoorbeeld jarenlang op een wachtlijststaan voor een woning. Hoe kan de Minister rechtvaardigen dat status-houders direct een woning krijgen terwijl Nederlanders jarenlang moetenwachten? Tijdens mijn werkbezoeken hebben gemeenten duidelijkaangegeven dat ze de integratie niet aankunnen met deze hoge instroom.Herkent de Minister dit beeld?Niemand kan nog ontkennen dat integratieproblemen een pijnlijke realiteitzijn in Nederland. Recente gebeurtenissen, zoals de Eritrese stammen-strijd in Den Haag en bendes van Eritrese, Somalische en Marokkaanseminderjarigen die elkaar midden op straat neerschieten in Purmerend,tonen aan dat geïmporteerde conflicten leiden tot grote spanningen engevaarlijke confrontaties. Daarom wil de PVV de Minister vragen of zij ookvan mening is dat er een onafhankelijk onderzoek moet komen naar deaard en de omvang van geïmporteerde conflicten gebaseerd op etniciteit,cultuur, religie en ideologie. Kan in dit onderzoek het effect wordenmeegenomen van deze grote migratiestroom op de vrijheid en veiligheidvan onze vrouwen, christenen, Joden en holebi’s?De voorzitter:Momentje, er is een vraag ter interruptie van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):De woordvoerder van de PVV noemde net een aantal voorbeelden vanrellen op straat, van conflicten tussen jongeren. Ik heb net even op Googlegekeken. Je ziet bijvoorbeeld dat er op Urk heel veel jongerenruziesplaatsvinden, dat daar op basis van jongerenruzies de ME wordt ingezeten dat er grootschalige escalatie plaatsvindt. Ik zou aan de woordvoerdervan de PVV willen vragen of hij dat ook ziet als een integratieprobleem.De heer Boon (PVV):Nee, wij zien dit niet als een integratieprobleem. Ruzie heeft niks te makenmet ideologische, etnische, culturele of religieuze strijd. Daar willen wijTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41519 een onderzoek naar. Dit zijn gewoon ruzies. Dat kan gebeuren. Het is nietgoed. Ik veroordeel het ook. Pak ze op, sluit ze op. Mijn zegen heeft u.De voorzitter:Gaat u door met uw betoog.De heer Boon (PVV):Dank u wel, voorzitter. Vandaag las ik de bevindingen uit het rapportDader of slachtoffer van seksuele uitbuiting? Het is schokkend dat maarliefst 90% van de daders een immigratieachtergrond heeft, 90%. Graagvernemen wij van de Minister welke maatregelen zij zal treffen in reactieop dit alarmerende rapport. De voorbeelden van falende integratie inNederland zijn ontelbaar. Ik zou nog uren door kunnen gaan ze aan tehalen, maar dat ga ik niet doen.Wat betreft het afschalen van de 24 wekeneis is de PVV duidelijk. Wij zijntegen het laten werken van asielzoekers tijdens hun procedure, vanwegede aanzuigende werking. Ons standpunt is juist dat asielzoekers moetenterugkeren naar de veilige landen waar ze vandaan komen. Het is absurddat asielzoekers na zes maanden gewoon betaald werk mogen verrichtenen slechts een schrikbarend laag bedrag moeten afstaan aan het COA. Ikheb zelf contact opgenomen met het COA en zij geven aan dat hetmaximale bedrag dat een alleenstaande asielzoeker moet bijdragenslechts € 216,50 per maand is. Dus een asielzoeker zonder vaste lasten die€ 1.500 per maand verdient, houdt daar € 1.283,50 aan over, € 1.283,50per maand om uit te geven aan luxe! Wat een bedrag! Ik ken maar heelweinig Nederlanders die na aftrek van al hun vaste lasten zo’n bedragoverhouden.Dit is absurd. Asielzoekers hoeven zich geen zorgen te maken over hunhuur, zorgverzekering, eigen risico, elektriciteitsrekening of gemeentelijkelasten. Nee, ze krijgen alles cadeau van de overheid. En dan hoeven zemaar maximaal € 216,50 bij te dragen? De PVV vindt dat lage bedragabsoluut onaanvaardbaar. Het is oneerlijk en ik kan het niet uitleggen aanhardwerkende Nederlanders die aan het eind van de maand, na hetbetalen van al hun vaste lasten, nauwelijks iets tot niets overhouden. Wijwillen van de Minister weten of zij deze mening deelt. Is de Ministerbereid om het beleid eerlijker te maken voor de hardwerkende Neder-landers, door asielzoekers maximaal te laten bijdragen?Verder heeft onze commissie een brief ontvangen van de Monitor LangeArm Rabat, waarin wordt gewaarschuwd voor ingevlogen staatsimams uitMarokko. Deze brief benadrukt dat mensen zich geïntimideerd voelendoor de aanwezigheid van staatsimams bij iftars, zoals eerder het gevalwas bij de Amsterdamse politie en in de afgelopen jaren bij de brandweer.De voorzitter:Meneer Boon, u heeft een interruptie van mevrouw Patijn.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Ik wil toch even terugkomen op de cijfers uit de bijdrage, want het lijkt megoed dat daar geen wild verhaal over ontstaat. Ik heb gekeken naar hetrapport van Regioplan dat bij de stukken zat. Volgens mij ging het in 2022voor een alleenstaande over € 475 en voor een gezin met twee kinderenover € 1.178, mits zij het minimumloon verdienden. Dat stond toen op€ 1.725. Ik zou graag wel willen dat die cijfers helder blijven.De heer Boon (PVV):Ik wil zeker dat die cijfers helder zijn, daarom heb ik bij het COA informatiegevraagd. Ik heb ook het rekenmodel van de Reba vanaf 1 januari 2024ontvangen. Dat is een rekentool waarin je alles gewoon kunt invullen. Bijéén volwassene met een netto-inkomen van € 1.500 en een weekgeld van€ 329 zijn de totale inkomsten € 1.829. Daar gaat een eigen bijdrage afTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41520 van € 563,79. Wat houden ze uiteindelijk over? € 1.283,50. Als je dataftrekt van die € 1.500, dan kom je uit op die € 216. Dat is het bedrag voorhet COA. Als u zegt dat die cijfers niet kloppen, dan doet het COA iets fout.En ik durf hier rustig aan te nemen dat het COA de juiste cijfers heeft, nietu.De voorzitter:Gaat u verder met uw betoog, meneer Boon.De heer Boon (PVV):Graag zien wij een reactie van de Minister over die staatsimamstegemoet.Ten slotte. In bepaalde culturen is antisemitisme genormaliseerd. De PVVvindt dat er in het participatietraject voor inburgeraars meer nadruk moetliggen op de onaanvaardbaarheid van antisemitisme in Nederland. Netzoals de SGP hebben wij de vraag wat de Minister vindt van de Duitseparticipatieverklaring waarin staat dat inburgeraars zich moeten inzettenom het Joodse leven daar in Duitsland – maar hier gaat het omNederland – te beschermen. Wat gaat de Minister daaraan doen?Voorzitter. Tot zover.De voorzitter:Dank u wel. Er is een vraag van de heer Bamenga.De heer Bamenga (D66):Ik hoorde de heer Boon spreken over het feit dat de overheid cadeausgeeft aan asielzoekers. Ik ben benieuwd wat de heer Boon eigenlijk vindtvan het volgende feit. Ik zeg dit even los van het feit dat wij als Nederlandvinden dat het belangrijk is dat mensen kunnen integreren en daar ookvoldoende ondersteuning bij krijgen: het wordt ook nog verplicht vanuitde bestaande internationale verplichtingen. Vluchtelingenverdragenverplichten ons bijvoorbeeld om er daadwerkelijk alles aan te doen omdeze mensen mee te laten doen in de samenleving. Wat vindt de heerBoon daarvan? Los van de morele kant, hoe kijkt de heer Boon ertegenaan dat wij internationaal verplicht zijn om daar een bijdrage aan televeren?De heer Boon (PVV):Daar kunnen we zeker een bijdrage aan leveren, maar dat neemt niet wegdat we nog steeds vinden dat ze terug moeten naar de veilige landen waarze vandaan komen of doorheen zijn gegaan. De meeste asielzoekers zijndoor vijf, zes of zeven en sommigen zelfs door acht veilige landengekomen. Soms is dat een reis van jaren- en jarenlang, waarbij ze van hetene op het andere jaar steeds naar een ander land gaan. Wij willen dat zedaarnaartoe teruggaan. Dat is heel duidelijk. Dat is ons standpunt.De heer Bamenga (D66):Dat is uiteraard geen antwoord op mijn vraag, die volgens mij heel simpelwas. Los van het feit dat we vinden dat het moreel gezien belangrijk is datwe er alles aan doen dat asielzoekers die hiernaartoe komen zo goedmogelijk kunnen integreren, zijn er ook internationale verplichtingen. Watvindt de heer Boon ervan dat die er zijn? Is de PVV bereid om zich daaraante houden?De heer Boon (PVV):Wat ik van de internationale verplichting vind, doet er niet toe. Wij hebbenons daar inderdaad aan te houden. Dat is heel duidelijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41521 De voorzitter:Helder. Is er nog een vraag voor de heer Boon? Nee. Dan gaan we doornaar mevrouw Becker.Mevrouw Becker (VVD):Dank u wel, voorzitter. Genoeg nieuwkomers, mensen met een migratie-achtergrond, zijn een verrijking voor onze samenleving, doen volwaardigmee en verdienen alleen maar hetzelfde respect en dezelfde behandelingals ieder ander. Maar dat betekent niet dat we het in een debat overintegratie en inburgering niet zouden moeten hebben over de dingen dieniet goed gaan.Want ik maak me zorgen. Te veel statushouders zitten in de bijstand. Navijf jaar werkt gemiddeld 34%. Bij vrouwen is het zelfs maar 17%. Te veelmensen die zijn ingeburgerd, spreken niet of nauwelijks Nederlands. Teveel mensen met een niet-Westerse migratieachtergrond doen nogonvoldoende mee. En dat geldt niet alleen voor taal en werk, maar ookvoor het feit dat zij onze vrije waarden ondermijnen. We zagen recent deEritrese rellen, we zagen intimidatie en antisemitisme onder het mom vanpro-Palestinademonstraties, we zagen zorgelijke gedragsregels opbepaalde islamitische scholen. Het zijn allemaal onderwerpen waar ikrecent Kamervragen over stelde.Voorzitter. Ik zie goede bedoelingen en hard werk bij dit ministerie, maar ikwil vandaag het ministerie en deze Minister toch oproepen tot meerurgentie. Ten eerste ten aanzien van het inburgeringsstelsel. Lees ik hetnou goed in de brieven dat van de 51.800 inburgeringsplichtigen twee jaarna invoering nog maar 8.700 mensen op dit moment ook echt eentaalaanbod hebben? Ruim 40.000 mensen zitten dus nog op de bank tewachten tot ze kunnen beginnen met taalles. Dit kan toch niet waar zijn?Hoe verklaart de Minister dit? Hoe voorkomt zij dat schaarse capaciteit bijgemeenten voor begeleiding nu naar Oekraïners en asielzoekers gaat,terwijl statushouders het nakijken hebben en dit de groep is die hier eentoekomst moet opbouwen en moet blijven. De Minister werkt aanstreefcijfers voor het stelsel, maar ik vraag haar: is zij ook bereid streef-cijfers voor gemeenten op te stellen?Werk moet het perspectief zijn. De VVD wil meer startbanen en heeft datook eerder bepleit. Dat willen wij niet alleen door de subsidies, deregioverbinders en de pilot die de Minister in het leven roept en waar wijvoorstander van zijn, maar ook willen wij dat zij afspraken maakt mettekortsectoren en dat er meer regie komt op het aan elkaar verbinden vande beschikbare statushouders en de enorme tekorten op de arbeidsmarkt.Wil de Minister stoppen met haar plan om toch meteen een volledigeuitkering op de rekening van een statushouder te storten, en het financieelontzorgen, dat wij hard bevochten hebben in de Inburgeringswet, af teschaffen? De VVD vindt dat de wet op dit punt juist van kracht moetblijven. Het is zeer zorgelijk dat de Minister gemeenten zelfs altoestemming gaf om in strijd met de wet te handelen. Graag een reactie.De voorzitter:Er is een vraag voor u van de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):De VVD gaf aan zich zorgen te maken dat grote groepen nieuwkomerslangdurig niet werken, waarbij we moeten kijken hoe we dat kunnenverbeteren. De afgelopen jaren hebben wij een discussie gehad over devraag of het beschikbaar stellen van de mogelijkheid om te werken er niettoe zal leiden dat mensen sneller de slag kunnen maken naar voltijdwerken. De afgelopen jaren heeft de VVD zich altijd verzet tegen hetloslaten van de 24 wekeneis. Uiteindelijk was er een gerechtelijkeuitspraak nodig die zei dat de wetgeving eigenlijk in strijd was metEuropese en daarmee ook Nederlandse wetgeving. Sinds die eis isTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41522 losgelaten, zien we enorm positieve cijfers, zowel voor de economie alsvoor de mensen die nu kunnen participeren. Ik ben benieuwd of de VVDhierop kan reflecteren. Stond de strijd de afgelopen jaren niet haaks ophet betoog dat u nu probeert te houden? Volgens mij willen wij allemaaldat deze mensen veel sneller die stap naar participatie kunnen maken.Mevrouw Becker (VVD):Dank voor deze goede vraag van de heer Ceder. Het was van de VVD geenideologische strijd om de 24 wekeneis te willen vasthouden. Het ging omhet zorgvuldigheidsprincipe. Wij waren en zijn bang dat mensen die na 24weken sociale premies en sociale rechten opbouwen, moeilijker kunnenworden teruggestuurd. Overigens geldt voor meer dan 70% van demensen dat ze uiteindelijk hier wél mogen blijven. Maar een kwart van demensen dus niet. Die mensen kun je dan mogelijk moeilijker terugsturen.We zitten met een enorme druk op onze samenleving door het aantalimmigranten en asielzoekers en we willen dat risico niet lopen. Daar komtnog iets bij. Asielzoekers maken nog lang geen gebruik van de 24 wekendie zij mogen werken. Maar een heel beperkt percentage maakt er gebruikvan. Alles moet gericht zijn op de statushouders die ook in deCOA-locaties en de gemeenten zitten, want dat zijn de mensen die mogenblijven. Ik sta dus nog steeds achter dat pleidooi. Ik zou dat nog steeds deverstandige lijn vinden. Ik heb ook te respecteren wat de rechter heeftgeoordeeld. We hebben nu dus met deze situatie te maken. Ik zou graagvan het kabinet willen dat het heel strak monitort hoe dit juridisch gaatuitpakken. Gaat er straks iemand in een rechtszaal tegenwerpen datiemand niet uitgezet kan worden omdat hij meer dan 24 weken heeftgewerkt? Dan hoop ik ook de heer Ceder aan mijn kant te vinden en hoopik dat hij dan zegt: is dit verstandig of moeten we hier iets aanveranderen?De voorzitter:De heer Ceder, met een vervolgvraag.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank voor het betoog en ook voor de uitleg daarbij. Het ging om zorgen ofiemand dan vanwege opgebouwde rechten niet uitgezet kan worden. Daarwaren volgens mij de Minister en ook de juristen klip-en-klaar over: datkan niet, want op het moment dat iemand geen rechten heeft om teblijven, vervallen ook alle premies en alle opgebouwde rechten alsof dienooit hadden bestaan. Volgens mij zal zo’n rechtszaak dus niet succesvolzijn; ik ben daar wel positief in. Als het wel zo is, vindt u mij aan uw zijde,omdat we vinden dat dat eigenlijk niet de bedoeling is.Maar stel dat het geen ideologische strijd zou zijn. We zien eigenlijk ookwel dat als meer mensen werken, zij daarmee participeren en meerNederlands leren omdat ze ook op een Nederlandse werkvloer rondlopen.Dan zou je om het doel van mevrouw Becker te versnellen, kunnenverkennen of je een aantal bestaande remmen kan loslaten. We hebbenhet gehad over de driemaandeneis en er zijn knelpunten rondom hetbsn-nummer. Ik ben even benieuwd. Als ik het zo hoor, is het niet eenideologisch maar een praktisch punt. Ik vraag me af of de VVD, juist ophet punt van participatie, inburgering en het versnellen van het leren vande Nederlandse taal, ook bereid is om te kijken of wij deze mensen hierdan ook sneller aan het werk kunnen krijgen, in ieder geval zolang dat noggoed gaat en de rechter nog niet gezegd heeft dat iemand dan extrarechten opbouwt. Volgens mij is dat namelijk goed voor de samenleving,goed voor de vluchtelingen en daarmee goed voor allen.Mevrouw Becker (VVD):De wachttermijn van zes maanden voordat iemand hier aan de slag kangaan, is er niet voor niets. Je wilt namelijk geen asielstelsel dat eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41523 aanzuigende werking heeft doordat je bijvoorbeeld, anders dan in anderelidstaten, in Nederland meteen op dag één in de opvang recht hebt omtoe te treden tot de arbeidsmarkt. Zeker gelet op de migratiedruk op onsland vind ik het dus onverstandig om dat soort versoepelingen nu op ditmoment door te voeren.Ook hier komt weer bij dat ik echt vind dat we niet het risico moeten lopendat bijvoorbeeld uitzendbureaus en werkgevers zich primair op asiel-zoekers gaan richten. Van sommigen kan gedacht worden: «Die hebbennog wat minder rechten in de samenleving, die hebben nog wat mindernoten op hun zang, omdat ze niet weten of ze mogen blijven. Die kunnenwe dus makkelijk bemiddelen naar goedkope arbeid op uren waaropanderen niet willen werken. En we richten ons dus niet op de status-houder.» Ik vind het een risico als we het de asielzoeker die hier nog nietmag blijven, nu makkelijker gaan maken dan die statushouder. Ik ben ookwel benieuwd hoe de heer Ceder daarnaar kijkt. Dat geldt ook als jeasielzoekers voorrang gaat geven voor zo’n bsn-nummer: daarvoor staanook statushouders op de wachtlijst. Ik vind dat die statushouders hiervoorrang moeten hebben op asielzoekers die nog geen perspectiefhebben.De voorzitter:Er is toch nog een vraag van de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Meer een conclusie. Ik denk dat het en-en kan zijn. Volgens mij zijn erversnellingen nodig bij het bsn zonder dat je de statushouders daarmeetekortdoet. Ik denk dat het verschil tussen ChristenUnie en VVD ’m erin zitdat wij ons richten op de grote meerderheid, waarvan we allemaal wetendat die waarschijnlijk zal blijven als die asiel aanvraagt. Nou vindt de VVDmisschien dat het percentage te hoog is, maar feit is dat volgens mij 80%of iets meer of minder van de mensen die een aanvraag doen, alsvluchteling erkend zal worden. Er is een toets geweest; die zullen mogenblijven en dus Nederlander worden.Ik denk dat het dan ook een verantwoordelijkheid is voor ons als Kamerom ervoor te zorgen dat die groep – dat is dus die 80% – dus ook vanafdag één kan gaan participeren. Het verschil is, denk ik, dat de VVD zichdan richt op die 20%, terwijl ik denk dat dat onverstandig is, aangezien80% daarvan de dupe is. Financieel is het ook geen wijze keuze; het gaatom belastinggeld en ook om economische groei. Dan lijkt het me dus tocheen ideologisch punt, want financieel en ook gewoon logisch gezien hebik moeite met het VVD-standpunt. Als we het erover eens zijn dat iedereendie hier is, moet kunnen participeren en dat we daar ook streng opmoeten zijn, zou je je juist moeten richten op die 80%. Dat was even inreactie op de uitlokking van mevrouw Becker. Maar dat was een conclusie;ik heb verder geen vraag.Mevrouw Becker (VVD):Het was een antwoord en niet bedoeld als uitlokking. Maar ik ga toch eenantwoord geven op deze uitlokking van de heer Ceder. Kijk, ik denk dat wijheel veel doen en de afgelopen jaren hebben gedaan, bijvoorbeeld doormeer geld vrij te maken voor de #Meedoen-balies en door sneller met taalte beginnen bij asielzoekerscentra. We hebben daar ook samen inopgetrokken. De heer Ceder vindt mij dus aan zijn zijde op het punt dat weasielzoekers die in het COA zitten en van wie we nog niet zeker weten datze een status hebben, niet aan hun lot moeten overlaten. Waar ze datkunnen, moeten ze beginnen met integreren. De VVD en de ChristenUnieverschillen inderdaad van opvatting over hoe serieus de aanzuigendewerking is van bepaalde Nederlandse maatregelen op migratiestromenrichting Nederland. Wij kiezen er dan inderdaad voor om ons migratie-stelsel niet aantrekkelijker te maken dan andere lidstaten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41524 De voorzitter:Gaat u verder met uw ... O, sorry, we zien nog een vraag.Mevrouw Koekkoek (Volt):Ik vond het mooi dat ook de VVD aangeeft voorzichtig te willen zijn, omdater anders misschien sprake is van uitbuiting. Dat is een heel belangrijkpunt. Ik wil een vervolgvraag stellen over die aanzuigende werking.Volgens mij hoorde ik de PVV die term ook gebruiken. Wat is nou defeitelijke onderbouwing van de aanzuigende werking?Mevrouw Becker (VVD):Daar zijn de afgelopen periode met mijn collega Ruben Brekelmansverschillende debatten over geweest in de commissie Justitie enVeiligheid. Ik denk dat we moeten voorkomen dat hele asieldebat over tedoen. Feit is dat mensen uiteindelijk niet pas veilig zijn in Nederland, wantmensen zijn vaak al veilig aan de rand van Europa, of soms al eerder,buiten Europa. Ze kiezen bewust voor secundaire migratie en voor hetland waar ze asiel aanvragen. Dat doen ze soms omdat ze daar familiehebben. Dat heeft dan niet zo veel met voorzieningen te maken. Somsheeft de keuze ook met voorzieningen te maken, met factoren zoals desnelheid waarmee je aan de slag kan en geld kan verdienen in een land.Wij willen daar heel voorzichtig mee zijn. Ik vind het om die reden nietverstandig om te zeggen: laten we die wachttermijn van zes maanden numaar terugbrengen naar drie maanden, zodat mensen hier nog veelsneller op de arbeidsmarkt aan de slag kunnen. We hebben net de 24wekeneis losgelaten. Ik zou willen dat het kabinet heel streng gaatmonitoren hoe dit uitpakt, voordat we alweer een volgende stap zetten.De voorzitter:Nog een vervolgvraag.Mevrouw Koekkoek (Volt):Dit is dus een beetje mijn zorg. Ik begrijp wel dat we voorzichtig willenzijn, en dat je Europees wil optrekken – je zal Volt nooit horen zeggen:laten we niet Europees optrekken – maar er is veel te weinig echt feitelijkeonderbouwing. Ik hoor het nu ook weer, zo van: het zou een van diedingen kunnen zijn. Maar we weten het niet. We weten wel dat het heelveel oplevert, want daar is net ook een onderzoek over gepubliceerd. Demaatschappelijke baten gaan veel verder dan de maatschappelijke kosten.Ik vind het dus zorgelijk dat we beleid gaan inrichten zonder dat we wetenwat een aanzuigende werking is. Van andere zaken, zoals de aanwezigheidvan familie, weten we dat het een factor is. We weten ook – ik rond af –dat Nederland heel lang de Europese wet- en regelgeving over wanneeriemand mag werken heel streng heeft geïnterpreteerd. Daarom hoefde erook geen wetswijziging te komen en kon een rechter zeggen dat wij dewet in Nederland anders interpreteren dan de meeste andere Europeselanden. Die aanzuigende werking kunnen we dus niet feitelijk onder-bouwen. Ik denk dat je het beleid daar dan niet op moet afstemmen.Mevrouw Becker (VVD):Ik kijk daar inderdaad gewoon precies anders tegen aan. Ik denk namelijkdat het vijf voor twaalf is wat betreft de migratiedruk die wij in dit landervaren. Je moet dan echt een voorzorgsprincipe hanteren, waarbij jeregels die niet versoepelt hoeven worden, niet versoepelt. Je moet eerstgrip krijgen op de migratie die hier al naartoe komt. Dat is misschien eenandere keuze dan Volt maakt. Maar ik hoor ook geen onderbouwing voorde opvatting dat het ons uiteindelijk als samenleving veel meer baten gaatopleveren als mensen hier al vanaf dag één, als ze asiel komenaanvragen, zouden mogen werken. Ik zou het onderzoek dat aantoont dathet meer baten dan kosten oplevert ook weleens willen zien. VooralsnogTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41525 wil ik hier heel zorgvuldig mee omgaan en eerst maar eens kijken hoedeze stap uitpakt.De voorzitter:Er is nog een derde vraag van mevrouw Koekkoek.Mevrouw Koekkoek (Volt):Mevrouw Becker zegt dat onderzoek te willen zien, maar dat is vorigeweek uitgekomen. Daarin wordt heel kort samengevat – ik ga even niet inop de methodiek – gesteld dat het onze samenleving miljarden oplevert.Daarom zeg ik ook dat de maatschappelijke baten veel verder gaan dan demaatschappelijke kosten. Dat onderzoek is er dus. Ik verwonder me dusover het antwoord, want dit weten we zeker, we weten niet of het eenaanzuigende werking heeft of niet; die risicoweging kunnen we nietmaken.De voorzitter:En uw vraag is?Mevrouw Koekkoek (Volt):Op het moment dat er wordt gezegd «ik zou graag dat onderzoek willenzien», zou ik de collega er graag op willen attenderen dat dit er is.Misschien verandert dat het antwoord nog.Mevrouw Becker (VVD):Misschien mag ik dat verhelderen. Ik doelde namelijk niet op de mensendie je hier hebt en waartegen je zegt dat zij vanaf dag één of na zesmaanden mogen werken, en hoe volgens onderzoekers die kosten enbaten tegen elkaar opwegen. Ik bedoel wat uiteindelijk het effect is van deversoepelingen waarvoor de ChristenUnie en Volt pleiten op de aanzui-gende werking, wat dat aan kosten voor onze samenleving met zichmeebrengt, en überhaupt de kosten van asielzoekers. Ik weet dat diediscussie politiek heel gevoelig is, maar we kunnen het risico lopen datdie aanzuigende werking er is en ik ben er niet van overtuigd dat er dannog steeds meer baten zullen zijn dan kosten. Daarover zijn er ook geenonderzoeken. Daarom wil ik het voorzorgsprincipe hanteren en nu geenregels versoepelen.De voorzitter:Ik zag net nog een aantal vingers. Ik kijk eerst naar meneer Bamenga.De heer Bamenga (D66):Ik hoor de VVD zojuist zeggen dat mensen daar inderdaad terechtkunnenop het moment dat zij bijvoorbeeld in de regio aankomen. Maar tegelij-kertijd zien we – ik zit namelijk ook in de commissie Buitenlandse Handelen Ontwikkelingssamenwerking – dat als we meer willen investeren in dieregio’s, de VVD dat niet wil.De VVD had het er net ook over dat meedoen heel erg belangrijk is. Datgaat over taal en werk. Maar op het moment dat er voorstellen komenvoor de manier waarop wij er vanaf dag één voor kunnen zorgen datasielzoekers mee kunnen doen, blijkt dat ook lastig te zijn. In mijn eigenbijdrage heb ik ook aangegeven dat we toch wel zien dat het zorgen voorruimere werkmogelijkheden de Nederlandse samenleving heel watoplevert. Verspreid over tien jaar gaat het over 2 miljard euro. Daarom wilik graag van de VVD weten of zij toch bereid is om daarin met ons mee tegaan om ervoor te zorgen dat asielzoekers vanaf dag één kunnenmeedoen en of zij mee wil doen aan de voorstellen waarmee wijmogelijkerwijs zullen komen om statushouders te helpen om nog beter teintegreren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41526 Mevrouw Becker (VVD):Eerst heb ik kort twee feitelijke correcties. Het is niet zo dat de VVD nietheeft willen investeren in de regio. Sterker nog, wij hebben ervoorgezorgd dat een deel van het budget van OS is vrijgemaakt voor opvangin de regio en voor het aanpakken van de grondoorzaken van migratie.Wij zijn kritisch op bestedingen aan ontwikkelingssamenwerking, maar alser geld naar OS gaat, staat dit voor ons altijd bovenaan.Ten tweede zijn wij ook voor vanaf dag één aan je integratie werken als jein een asielzoekerscentrum zit. Daarom hebben wij de #Meedoen-baliesmede gefinancierd. Daarom hebben wij gezegd dat er ook een taalaanbodmoet zijn op de COA-locaties. Ik wil alleen niet steunen dat asielzoekersvervolgens hier ook vanaf dag één de arbeidsmarkt op mogen om degenoemde reden, namelijk het risico op een aanzuigende werking. Datrisico wil ik niet nemen. Volgens mij gebruikt überhaupt nog maar eenbeperkt percentage van de asielzoekers de mogelijkheid om te werken enzitten er ook heel veel statushouders in de COA-locaties. Ik ben zo bang– dat gaf ik net ook aan – dat alle energie zich gaat richten op de asiel-zoekers, terwijl ik vind dat de statushouders vooraan moeten staan, omdatdeze mensen echt perspectief hebben op hier blijven. Ik ben dus helemaalvoor meedoen vanaf dag één, maar ik ben niet voor vanaf dag één dearbeidsmarkt opgaan als je hier nog geen status hebt.De voorzitter:Ik dacht dat ik net nog een vinger zag. Die was van meneer Boon.De heer Boon (PVV):Ik heb eigenlijk een vraag richting mevrouw Koekkoek, want zij noemt dePVV en de aanzuigende werking. Zij ziet die niet, maar wij wel. We zienbijvoorbeeld mensen uit Moldavië.Mevrouw Koekkoek (Volt):Voorzitter, ik laat me graag interrumperen bij mijn eigen inbreng.De voorzitter:Ja, ik begrijp dit punt van orde. Volgens mij is er nu gelegenheid voorinterrupties op mevrouw Becker en niet op mevrouw Koekkoek.De heer Boon (PVV):Ja, maar de PVV werd aangesproken, dus daar wil ik wel graag opreageren. Ik hoop dat dit mag.De voorzitter:Als u het heel kort houdt.De heer Boon (PVV):Ik wil het kort houden. U zegt dat u de aanzuigende werking niet ziet. Maarik hoor nu dat er Moldaviërs in azc’s zitten. Wat verdienen die per maandin Moldavië? € 175. Er schijnen nu heel veel Algerijnen te komen. Dieverdienen maandelijks in Algerije € 315. Ik heb een kleine berekeninggemaakt en die heb ik ook doorgestuurd naar mevrouw Patijn van hetCOA. In Nederland verdienen ze met gemak € 1.200 en dan hoeven ze nieteens 40 uur te werken. Het is logisch dat die mensen hierheen komen. Ikkan het die mensen ook niet kwalijk nemen. Maar als wij die deuropenzetten, gaan ze komen en gaan ze met heel veel komen. Voor dieaanzuigende werking is de PVV bang. Daarom zeggen wij: doe dit nu niet.Mevrouw Koekkoek (Volt):Voorzitter, misschien mag ik dan even een persoonlijk feit maken. Iknoemde dit in een interruptiedebat met daarbij de vraag: wat is defeitelijke onderbouwing van het idee dat het een aanzuigende werking zouTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41527 hebben als Nederland meer mogelijkheden dan nu voor asielzoekers zoucreëren om te werken? Volgens mij had de PVV dat ook in haar inbreng.Wat nu genoemd wordt, gaat over heel andere zaken. Ik vind het eenbeetje ingewikkeld dat we het hebben over opvang en kosten, zaken dieniet in mijn interruptie zaten. Ik ga daar dus nu even niet op in. Maar eventer verduidelijking: volgens mij is in het interruptiedebat wel duidelijkgeworden waar de verschillen zitten, maar het ging over werk. Dusdaarover moeten we dan ook blijven spreken met elkaar zonder er anderezaken bij te halen, want anders wordt het heel ingewikkeld debatteren.De voorzitter:Dat lijkt me goed. Laten we dat ook gewoon conform de orde van hetdebat doen. Mevrouw Patijn, uw laatste vraag.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Ja, die is voor de VVD. Het gaat over de zorg over de aanzuigendewerking, los van de vraag of er wel of geen cijfers zijn en wat het gevoeldaarbij is. Ik verbaas me zo over deze discussie. Het rapport van SEOwees vorige week uit dat het ons als samenleving ook echt veel oplevert.Wij zien intussen dat er tienduizenden mensen via constructies uit derdelanden hiernaartoe gehaald worden door uitzendbureaus. Dat zijnconstructies waarbij ze hun werkvergunning via Polen of Litouwen krijgenen hier aan het werk komen. Daarbij worden mensen in een zeerkwetsbare situatie vaak ook uitgebuit, terwijl wij het in Nederland op eenlegale eerlijke manier en met toezicht veel beter zouden kunnen regelendoor deze groep te laten werken. Waarom vindt u dat dat de constructiesdie gebruikt worden om die groepen op deze manier naar Nederland tehalen wel toelaatbaar zijn, maar dat deze groep een half jaar moet gaanzitten wachten voordat die kan werken?Mevrouw Becker (VVD):De VVD vindt dat we naar alle vormen van migratie moeten kijken, dusook naar arbeidsmigratie. We hebben recent een rapport van de staats-commissie gehad, die ook aangeeft dat we de migratie in Nederlandzullen moeten temperen, omdat we anders mogelijk in 2050 te makenhebben met 22 miljoen inwoners. Dat geldt dus ook voor arbeidsmigratie.Het een sluit het ander dus niet uit. Juist om die reden zeg ik dat we op ditmoment heel voorzichtig moeten zijn met het versoepelen van regels. Watmij dan andersom verbaast, is dat we eigenlijk de afgelopen anderhalfjaar hier in deze commissie ter linkerzijde voortdurend het pleidooi voorhet afschaffen van de 24 wekeneis hebben gehoord. Dit is het eerste debatnadat dit daadwerkelijk een feit is. Nu ligt meteen de nieuwe vraag optafel of het niet al meteen na drie maanden kan en of we niet ook deReba-regeling kunnen versoepelen. Ik vind dat echt onverstandig, gelet opde migratiedruk op onze samenleving nu en gelet op het feit dat we er nieteens in slagen om statushouders meer dan 24 weken te laten werken. Ikben dus bang dat we het vandaag niet eens gaan worden.De voorzitter:Nee, u bent helaas door uw interrupties heen, mevrouw Patijn. MevrouwBecker vervolgt haar betoog.Mevrouw Becker (VVD):Hoeveel minuten heb ik nog, voorzitter?De voorzitter:U heeft nog 2 minuten en 24 seconden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41528 Mevrouw Becker (VVD):Dan ga ik proberen heel snel te praten. Wij hebben als VVD al eerdergezegd dat iedere vrouw in een gezin met een uitkering ook door degemeente wordt verzocht om te solliciteren en dat ieder gezin datinburgert ook standaard een gesprek krijgt over vve voor die kinderen.Kan de Minister dit meenemen in de monitoring en de streefcijfers van hetstelsel?Verder vindt de VVD de verlaging van de taaluren in de Z-route op basisvan werkervaring die de Minister aankondigt geen goed idee, omdat deZ-route ook al geen taaltoets kent. Kan de Minister daarop ingaan?Dan kom ik op het Nederlanderschap, de kroon op de integratie. De VVDvindt het belangrijk dat als je Nederlander wordt, je onze taal spreekt.Maar ik sprak laatst een burgemeester die eigenlijk hetzelfde verhaal hadals de heer Flach vandaag en die soms mensen moet naturaliseren die«dat verklaar en beloof ik» nog nauwelijks in het Nederlands kunnenuitspreken. Ze hebben wel een inburgeringsdiploma, maar ze sprekengeen Nederlands. Wat de VVD betreft moeten we twee dingen doen. Wewillen dat voordat iemand Nederlander kan worden het Nederlands apartgetoetst kan worden. Want door vrijstellingen en de zelfredzaamheids-route is een inburgeringsdiploma geen garantie meer voor het sprekenvan Nederlands. Kan de Minister samen met haar collega in het kabinethet Besluit naturalisatietoets en het Besluit verkrijging en verlies Neder-landerschap zo wijzigen dat een taaltoets in alle gevallen wordt geëist,uiteraard behoudens psychische en lichamelijke beperkingen, voordatiemand mag naturaliseren? Tenzij je een inburgeringsdiploma op niveauB1 hebt gehaald, zal je als je Nederlander wilt worden een aparte toetsmoeten doen, wat de VVD betreft. Ik overweeg een motie.Verder wil de VVD dat de taaleis voor het Nederlanderschap omhooggaat.Deze is wettelijk op niveau A2 gesteld, maar in het laatste regeerakkoordstond B1. De hele afgelopen periode is dat niet uitgevoerd. Steeds werddoor het ministerie gewezen op geldgebrek. Kan de Minister onstoezeggen dat als er financiële ruimte ontstaat op het artikel integratie eninburgering, zij die als eerste voor dit doel gaat reserveren?Ten derde. Buitenlandse beïnvloeding. Recent zijn er veel incidentengeweest waarin ongewenste buitenlandse beïnvloeding een rol speelde. Ikverwacht van de Minister dat zij naast gemeenten staat die met dit soortgedrag te maken hebben en dat zij zorgt dat er kan worden ingegrepen alsdat nodig is. Ik waardeer het werk van de ESS, maar ik denk dat er somsmeer nodig is. Ik ben kritisch over de slapende status van de Taskforceproblematisch gedrag. Ik wil de Minister vragen een juridische definitievan problematisch gedrag te ontwikkelen die gebruikt kan worden door detaskforce, zodat zijn toezicht meer tanden kan krijgen.Tot slot, voorzitter. Zelfbeschikking. Te veel nieuwkomers denken dat zehun vrouw of dochter mogen onderdrukken en zelfs dat ze hun dochtermogen uithuwelijken. We zien vooral in de Syrische gemeenschap eentoename van het aantal eerwraakincidenten, zo rapporteert het LandelijkExpertisecentrum Eergerelateerd Geweld. Wil de Minister met hen hetgesprek hierover aangaan? Wil zij ervoor zorgen dat nog eens goedgekeken wordt naar de inburgeringsmodule over kennis van de Neder-landse samenleving?De voorzitter:Kunt u afronden? U bent door uw tijd heen.Mevrouw Becker (VVD):Ja, mijn laatste zin, voorzitter. Hoe wordt daarin ingegaan op de rechtenvan vrouwen en homo’s? Hoe wordt daarin omgegaan met het onderwerp«zelfbeschikking»? Ik sluit me erbij aan: hoe wordt er omgegaan met hetthema «antisemitisme»? Dat zijn allemaal dingen die wij eerder gevraagdhebben, maar zit dat nou voldoende in die module?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41529 Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Becker. Er is een vraag van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Net in het interruptiedebat en in de bijdrage van mevrouw Becker ging hetover antisemitisme. Nogmaals, alle vormen van haat, waaronder ookantisemitisme, zijn verwerpelijk. Ik heb van mevrouw Becker twee keer devraag gekregen over een verklaring. Ik zou aan mevrouw Bente Beckerwillen vragen waar de VVD was met een verklaring toen islamitischebasisscholen werden beschoten, toen er hakenkruizen op moskeeënwerden getekend en toen er nota bene molotovcocktails richtingmoskeeën werden gegooid. Mijn vraag is eigenlijk heel simpel: waar wasde VVD toen met een verklaring?Mevrouw Becker (VVD):Laat heel duidelijk zijn: alle incidenten en gebeurtenissen rondomintimidatie, geweld en het bedreigen van mensen vanwege hun geloof,geaardheid of achtergrond zijn verwerpelijk. Daar zal de VVD altijd stellingtegen nemen. Na een aantal van dit soort incidenten bij moskeeën is hierin dit huis de roep gekomen om rondetafelgesprekken te organiseren overde veiligheid van moskeeën en om daar een actieplan van het kabinetvoor op te stellen. Dat hebben wij gesteund. De heer Ergin heeft netaangegeven dat hij ons altijd zal steunen in het bestrijden van antisemi-tisme. Wij hebben een motie ingediend waarin werd gevraagd: als iemandveroordeeld is voor antisemitisme, kan dat dan niet, net als dat inDuitsland het geval gaat zijn, een grond worden voor het intrekken van deverblijfsvergunning? Weet u wat DENK gestemd heeft?De voorzitter:Een vraag aan de heer Ergin. Heel kort.De heer Ergin (DENK):Ik weet heel goed wat DENK gestemd heeft. Er was tijdens dat debat ookeen andere motie, volgens mij van de ChristenUnie, om de strijd tegen hetantisemitisme flink op te voeren. Gaan we hier nu een motiediscussie, eenmotiedialoog, voeren? Wij steunen redelijke voorstellen voor hetaanpakken van antisemitisme in Nederland, maar wij gaan niet mee inverhalen die de VVD aandraagt waarin allemaal barrières wordenopgeworpen voor mensen die in dit land wonen. Laten we gewoon op eennormale manier met elkaar alle vormen van discriminatie aanpakken.Nogmaals de vraag: waar was de VVD toen er een hakenkruis werdgetekend op een moskee?Mevrouw Becker (VVD):Ik zou verre van mij willen werpen dat het mij niets zou doen als er eenhakenkruis op een moskee wordt getekend, dat de VVD daar niet tegenopstaat. Ook daar staat de VVD namelijk tegen op. Het gaat mij niet omeen bepaald type geweld; ik verwerp álle vormen van geweld. Als wesamen willen optrekken tegen alle vormen van geweld – daar ging mijneerste vraag aan de heer Ergin over – moeten we samen proberen uit ditpolariserende debat te komen, volgens mij. Het zou mooi zijn als de heerErgin nog eens zou willen kijken naar de inhoud van die motie. Als weantisemitisme willen aanpakken, zou het dan geen goed idee zijn omtegen mensen die veroordeeld zijn voor antisemitisme – de heer Ergin hadhet over de rechter, dus het gaat om gevallen waarin de rechter heeftgeoordeeld dat daarin echt sprake is geweest van antisemitisme – tezeggen: als jij hier een permanente verblijfsvergunning wilt krijgen, is datTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41530 een probleem, want je hebt je antisemitisch geuit? Het is gewoon eenopen uitnodiging om daaraan mee te doen.De voorzitter:Dank u wel. Nee, meneer Ergin, dat heeft u net gedaan. We zijn rond metuw interrupties. Ik geef graag het woord aan mevrouw Van Dijk.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Dank je wel, voorzitter. Een rechtvaardig migratiebeleid kan niet zondereen rechtvaardig integratiebeleid. Het is zowel in het belang van nieuw-komers als van de Nederlandse samenleving om een veeleisend integra-tiebeleid te voeren, juist om perspectief op een menswaardige toekomstte kunnen bieden. Dit vraagt van de Nederlandse samenleving om openen veeleisend te zijn, zodat nieuwkomers zich welkom voelen, maar ookde plicht voelen om een bijdrage te leveren aan de Nederlandse samen-leving. Ik wil vandaag in dat kader twee punten uitlichten.Het SEO-rapport van afgelopen vrijdag over ruimere werkmogelijkhedenvoor asielzoekers maakt inzichtelijk dat er veel economische baten zijn alsasielzoekers eerder kunnen werken. Voor het CDA is integratie echter geeneconomisch vraagstuk. Het is een moreel vraagstuk dat gaat overmeedoen in de samenleving. Werken is daarom ontzettend belangrijk,omdat je daardoor zowel de taal, de sociale omgangsvormen als onzewaarden leert. Daarnaast is het een veel zinnigere besteding van je tijd, inplaats van maandenlang in een azc zitten te wachten op de afronding vanje procedure. Het kunnen werken is wat ons betreft overigens op geenenkele manier een belofte tot permanent verblijf. Maar er moet wel gelijkeen duidelijk onderscheid zijn tussen de kansrijke asielzoeker die moetkunnen werken en de veiligelander die niet moeten kunnen werken,omdat het economisch motief dan wellicht gaat gelden. Is dat onder-scheid inmiddels goed te maken, zo vraag ik de Minister. De SGP vroeg erook al naar.De vragen over het bsn-nummer zijn al gesteld. Een onderbelicht aspectvan het sneller gaan werken van kansrijke asielzoekers is voor het CDA devraag wie daarin de kaders gaat stellen. In een interruptiedebatje met deVVD ging het er wel al een beetje over. Dit is geen taak van de IND of hetCOA en de gemeenten hebben hun handen vol aan statushouders. Wievoelt zich verantwoordelijk, vraag ik de Minister. Het CDA is ervoorbeducht dat als we zonder enige bescherming deze mensen via uitzendbu-reaus de arbeidsmarkt op laten gaan, we dezelfde problemen gaan zienals bij arbeidsmigranten. Op welke manier gaat de overheid hierin kadersstellen, zodat asielzoekers weten hoe ze aan het werk kunnen gaan enwerkgevers weten hoe ze dit zo goed mogelijk kunnen begeleiden? Als wedit op orde hebben, kunnen we invulling gaan geven aan het principe datiedereen die bij kan dragen binnen zijn of haar vermogen ook geachtwordt bij te dragen. Rechten en plichten, ook als je tijdelijk in ons landbent, gaan wat ons betreft hand in hand.Ons tweede punt zit op een heel ander onderdeel. Dat is de integratie vande jongste generatie in onze samenleving. Zorgen dat kinderen op jongeleeftijd volwaardig mee kunnen doen, is niet alleen goed voor onzekinderen, maar is uiteindelijk goed voor iedereen. Ik wil aandacht vragenvoor de aanpak van de gemeente Den Haag, die prioriteit geeft aan deintegratie van kinderen die nog niet naar de basisschool gaan. De helftvan de Haagse kinderen dreigt met een achterstand aan groep 1 testarten. Dit is een forse toename van kinderen die starten met taal- engedragsachterstanden, die moeilijk in te halen zijn. Ze zijn vaak ook nietgoed in het uiten van emoties, vertonen soms fysiek ongewenst gedrag,hebben vaak niet geleerd te spelen of te delen, zijn het niet gewoon omaangesproken te worden en/of te luisteren en een deel van deze kinderenis zelfs nog niet zindelijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41531 De gemeente kijkt samen met de kinderopvang welke kinderen thuisweinig tot geen Nederlands spreken om hen naar de voorschool tebrengen. In sommige delen van de stad is dat bij het overgrote deel vande kinderen daadwerkelijk het geval. Deze kinderen krijgen gratis toegangtot voorschoolse educatie, waar ze taal- en gedragsachterstandenproberen in te halen. De gemeente investeert ook in de ouders van wie dekinderen deelnemen aan deze voorschoolse educatie door ze ter plekke ofin het buurthuis, de bieb, de kerk of de moskee in de buurt taalles te latenvolgen. Zo worden kinderen én hun ouders geholpen met het goedbeheersen van de Nederlandse taal, waardoor kinderen niet met eenachterstand aan school beginnen en ouders hun kinderen kunnen helpenmet school.We kennen allemaal het belang van het spreken van Nederlands voor hetvinden van een baan en het aangaan van contacten buiten de eigenbubbel van familie en vrienden die dezelfde taal spreken. Nu kun jezeggen: dit is zinvol voor Den Haag en misschien voor enkele anderegrote steden, maar minder voor de regio. Waarschijnlijk is dit kwantitatiefzo. Maar feit is ook dat we overal zien dat basisvaardigheden onder drukstaan. Een onderzoek naar een publieke voorziening die voorschoolseeducatie mogelijk maakt en wat dat zou kunnen opleveren op het gebiedvan kansengelijkheid voor kinderen, lijkt het CDA zeer de moeite waard. Isde Minister bereid hier een onderzoek naar te starten bij tien gemeenten,variërend van een gemeente als Den Haag tot een kleine gemeente in eenlandelijke omgeving?Dank je wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Van Dijk. Ik geef graag het woord aan mevrouwKoekkoek.Mevrouw Koekkoek (Volt):Dank, voorzitter. Er werd net een mooie vraag gesteld, volgens mij doormevrouw Keijzer: waar integreren we naartoe? Dat is een terechte vraag.Ik denk naar een steeds meer diverse samenleving. Dat denkt ook deStaatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050. Daar kan je ietsvan vinden. Ik vind dat een kracht, omdat diversiteit ons uitdaagt omelkaar te blijven zien, open te blijven voor onze verschillen en ondanks dieverschillen elkaar te blijven vinden. Ik wil een kleine quote delen van deheer Desmond Tutu: «Verschillen zijn niet bedoeld om te scheiden, om tevervreemden. We zijn juist verschillend om onze behoefte aan elkaar terealiseren.» Ik denk dat daarin, in die verschillen erkennen en elkaar tochblijven vinden, ons inburgerings- en integratiebeleid heel essentieel is.Daar zou het vandaag over moeten gaan.Ik wil daarom beginnen met iets wat mij in dit debat opvalt. Bij inbur-gering en integratie focussen we met name op asielzoekers en ook opgezinsmigranten. Dat is logisch, omdat deze twee groepen inburgerings-plichtig zijn. Het is ook een relatief grote groep, die lang in Nederlandblijft. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk om ook de groep arbeidsmi-granten aandacht te geven en mee te nemen in het beleid, voor zover datkan. Kennis- en vakmigranten spreken nu vaak namelijk de taal niet enhebben ook veel minder mogelijkheden om mee te doen in onzesamenleving. Dit vergroot de afstand tussen mensen, wat de socialecohesie in buurten niet ten goede komt. Bovendien leidt een gebrek aanmogelijkheden voor participatie weer tot het verliezen van broodnodigekennis- en vakmigranten. Welke mogelijkheden ziet de Minister om ookvoor arbeidsmigranten de integratie- en participatiemogelijkheden teverbeteren? Dan heb ik het bij wijze van spreken over de expat bij ASMLmaar ook over de vakmigrant. Denk aan goede initiatieven zoals inBrussel, waar taallessen in het Nederlands voor een zeer laag bedragworden aangeboden door gemeenten, of aan het Expat Spouses InitiativeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41532 in Noord-Brabant, waar partners van arbeidsmigranten in contact wordengebracht met lokale bedrijven.Dan over de inburgering van asielmigranten. Uit het onderzoek van deWRR blijkt dat naast diversiteit ook sociaaleconomische achterstand vande buurt een negatief effect op de sociale cohesie.De voorzitter:Mevrouw Van Dijk heeft een vraag.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Het gaat over het meer aandacht besteden aan die expats. Ik vind dat welinteressant, maar dan denk ik eigenlijk aan een heel ander onderwerp,namelijk vrijwilligerswerk. Veel van die expats brengen hun kinderen naareen vereniging maar doen geen vrijwilligerswerk. Hoe kijkt u daarnaar?Mevrouw Koekkoek (Volt):Ja, dat ...De voorzitter:Mevrouw Koekkoek.Mevrouw Koekkoek (Volt):Sorry voorzitter, ik was enthousiast over de vraag en begon al teantwoorden.Ik vind dat een interessante. Ik denk dat dat onderdeel is van die socialecohesie. Je kunt natuurlijk niemand verplichten om vrijwilligerswerk tedoen; dat staat haaks op elkaar. Tegelijkertijd denk ik dat dat wel heelbelangrijk is, ook als je als arbeidsmigrant hier een paar jaar blijft. Hetverbetert je eigen leven, zou ik zeggen, omdat je meer onderdeel wordtvan de samenleving waar je toch een aantal jaren deel van uitmaakt. Hetis ook voor de buurt belangrijk, denk ik. Je bent niet een gast die evenbinnenwipt en weer naar buiten gaat. Je bent echt onderdeel van eengemeenschap gedurende een bepaalde periode. Ik zou het wel mooivinden als dit soort lokale initiatieven die ik noemde aandacht bestedenaan het verbeteren van de sociale cohesie en het deel uitmaken van degemeenschap.De voorzitter:Gaat u verder met uw betoog.Mevrouw Koekkoek (Volt):We zien in bijvoorbeeld Utrecht en Den Bosch dat asielzoekers enstatushouders geplaatst worden in wijken met een sociaaleconomischeachterstand waar de levensverwachting tot tien jaar lager is. Zo zet je alssamenleving kwetsbare mensen die al op achterstand staan, nog verderop achterstand. Welke middelen heeft de Minister om gemeenten temotiveren hiermee rekening te houden bij het plaatsen van asielzoekersen statushouders?We zien ook dat als er in buurten meer mogelijkheden tot contact enparticipatie worden aangeboden, integratie beter gaat en er ook meerdraagvlak is. Dat is heel duidelijk te zien in bijvoorbeeld Utrecht, bij hetPlan Einstein. Daar gaat het zelfs zo goed dat andere landen pilots draaienom eenzelfde project uit te rollen. We zien dit bijvoorbeeld in Berlijn. Tochwordt dit in andere Nederlandse gemeenten niet overgenomen als bestpractice. Kan de Minister zich ervoor inzetten dat andere gemeentendergelijke projecten ook mogelijk gaan maken en dit soort goedevoorbeelden overnemen?We zien dat de integratie en inburgering van met name vrouwenachterloopt. Hiervoor zijn verschillende redenen. Zo is de toegang totkinderopvang of school vaak lastig voor kinderen of corresponderen deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41533 uren van de taalles niet met de schooltijden, waardoor vrouwen thuisblijven om voor hun kinderen te zorgen. Ze kunnen dan niet of mindergoed deelnemen aan inburgeringstrajecten. Tegelijkertijd lezen we inbrieven van de Minister terug dat online taallessen als alternatiefonvoldoende zijn. Heeft de Minister voldoende inzicht in de redenenwaarom de participatie van vrouwen achterblijft? Welke concrete stappenkunnen we nemen om dit te verbeteren?Voorzitter. Ik sluit graag af met een verwijzing naar Europa. De EuropeseCommissie heeft op dit moment een actieplan voor integratie en inclusielopen. Dit jaar zal dat geëvalueerd worden. Hierin ligt de focus heel sterkop actieve participatie. Er zijn heel veel initiatieven gepresenteerd, zoalsbegeleiding naar werk en diploma-erkenning. Hoe sluit Nederland aan bijdeze initiatieven? Verder worden er best practices uitgewisseld tussenlidstaten en wordt vanuit het Asylum, Migration and Integration Fund, hetAMIF, financiering vrijgemaakt, bijvoorbeeld voor gemeenten omparticipatiemogelijkheden zoals begeleiding naar werk en het onderwijs-aanbod te verbeteren. In 2023 heeft Nederland geen financieringontvangen, en dat terwijl gemeenten aangeven dat ze onvoldoendefinanciering hebben om de integratieagenda op een goede manier uit tevoeren. Mijn slotvraag aan de Minister is dan ook: hoe komt het datNederland geen aanvraag heeft ingediend, terwijl er wel tekorten zijn?Dank, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Koekkoek. Dan geef ik graag het woord aan de heerCeder.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank, voorzitter. In de geschiedenis van het christelijk-sociaal denken isvrijheid een kernbegrip. Abraham Kuyper gaf dat politiek en maatschap-pelijk gestalte: «Ieder mens en iedere gemeenschap heeft een eigenvrijheid en ook een eigen verantwoordelijkheid. Dit betekent dat nietalleen de vrijheid van individuen beschermd moet worden, maar ook dievan gemeenschappen. Andersom komt vrijheid met de prijs van verant-woordelijkheid. Je kunt namelijk niet spreken over vrijheid van mensen ofgemeenschappen als ze geen verantwoordelijkheid nemen voor elkaar enrichting anderen. Het zijn twee eigenschappen van dezelfde munt. Vrijheidkomt met verantwoordelijkheid.» Het vrijheidsbegrip van Kuyper heeft opde Nederlandse samenleving grote invloed gehad. De verzuiling isdaarvan een voorbeeld geweest.Voorzitter. De samenleving is ontzuild, maar we zien steeds meer dat ereen nieuw soort verzuiling ontstaat, een verzuiling 2.0. Bevolkingsgroependelen steeds minder met elkaar. Het gevoel van Nederlanderschap, eengedeelde taal en gedeelde normen en waarden zijn aan erosie onder-hevig, maar het verschil met de vorige eeuw is volgens mij dat toen elkezuil nog wel een sterke verantwoordelijkheid voelde voor elkaar,onderling, en ook voor de overheid en de andere zuilen. Nu zien we welde vrijheid en bescherming van gemeenschappen, maar niet de prijs vanverantwoordelijkheid willen betalen. Dat betekent: rechtszekerheidopeisen, maar het plichtsbesef achterwege laten. Dat is problematisch, endat zien we overal.De overheid, de samenleving en nieuwkomers hebben allemaal eenverantwoordelijkheid voor succesvolle integratie. Iedereen die wilmeedoen hoort er dus bij. Maar wie erbij wil horen, moet dus ookmeedoen. Integratie is daarmee geen keuze, maar een moreleverplichting. Op heel veel plekken gaat het goed, maar we zien ook dat hetschuurt; er zijn al een aantal voorbeelden genoemd door mijn collega’s.Het is een ingewikkelde opdracht om iedereen, nieuwkomers maar ooktweede- of de derdegeneratiemigranten en families die hier al eeuwen zijnte doordringen van onze democratie en rechtsstaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41534 Voorzitter. Het spreken van een taal die we allemaal kunnen begrijpen, iswat ons betreft hierbij een verbindende stap. Als ik kijk naar de cijfers vanSCP, maak ik mij zorgen. Ik noem een voorbeeld. Van de Turkse Neder-landers spreekt bijna 20% geen Nederlands. 35% van de mensen met eenTurkse migratieachtergrond voelt zich heel sterk Turks maar niet Neder-lands. Deze cijfers zijn er voor verschillende bevolkingsgroepen. Maar erzijn ook expats, waar mevrouw Koekkoek het net over had, en arbeidsmi-granten die in Nederland leven, ook langere tijd, en die zich in hun eigenzuil terugtrekken. Als expat spreek je op je werk Engels en op het terrasbestel je bij de Engelssprekende serveerster een biertje. Als Poolsearbeidsmigrant spreek je op je werk Pools en bezoek je ’s avonds eenPoolse supermarkt. Bijna 60% van de Poolse personen van 50 jaar enouder spreekt geen Nederlands, maar ze zijn wel onderdeel van desamenleving.Voorzitter. Taal verbindt en we willen een verbindende samenleving. Devraag is dan ook of we hieraan niet wat meer eisen zouden moetenstellen. Ik heb het expliciet niet alleen over de nieuwkomers via asiel.Mevrouw Koekkoek zei het net ook: expats blijven hier ook langere tijd. Zijnemen partners mee. Moeten we daar ook niet naar kijken? Ik vraag me afhoe de Minister hiernaar kijkt. Ik zou hierover graag willen doorpraten.Immers, als we elkaar niet begrijpen als samenleving, hebben we eenprobleem met elkaar.Voorzitter. De ChristenUnie vraagt zich af of verdieping van beleid voorspecifieke groepen nodig is om de integratie te verbeteren. We hebbentijdens de technische briefing gehoord dat verschillende ambtenarenkijken waar er problemen ontstaan op het gebied van de weerbaarheidvan de samenleving. Wij geloven echter dat een mens niet alleen eenindividu is maar ook onderdeel van een gemeenschap en vragen ons dusaf of je qua integratiebeleid ook niet specifieker beleid voor specifiekegroepen zou moeten ontwikkelen. Moet je niet juist cultuursensitief zijnom te zorgen voor een effectieve integratie van mensen? Hoe kijkt deMinister daarnaar?Voorzitter. Niet alleen een verdieping van ons integratiebeleid, maar ookeen verbreding van ons integratiebeleid lijkt ons goed. Ik heb het net alaangegeven, we hebben het heel vaak alleen maar over asielzoekers enstatushouders, maar daarmee accepteren we wel dat mensen die op eenandere manier naar Nederland toe komen, de expats van ASML en dearbeidsmigranten, eigenlijk niet worden gestimuleerd om te integreren,hoewel ze wel een wezenlijk onderdeel van onze samenleving zijn.De voorzitter:Komt u tot een afronding?De heer Ceder (ChristenUnie):Ja, voorzitter. Welke rol kunnen werkgevers hierin spelen? Zouden we hierals rijksoverheid niet wat specifieker op moeten sturen?Ik heb net een interruptiedebat gehad met de VVD over werken en#Meedoen-balies. De rechter heeft een streep door de 24 wekeneis gezet.We zien dat het loslaten van de eis heeft geleid tot 235% meer tewerkstel-lingsvergunningen via het UWV, maar asielzoekers moeten alsnog zesmaanden wachten. Waarom geldt deze eis? Lukt het om de aanvragenbinnen twee weken af te handelen, zoals het verzoek is geweest? Zo nee,wat is er nodig vanuit het ministerie of de Kamer om dat mogelijk temaken?Tot zover, voorzitter.De voorzitter:Helaas, mevrouw Becker, u bent al door uw interrupties heen. Sorry.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41535 De heer Ergin (DENK):Strenge voorzitter!De voorzitter:Ik ben inderdaad een strenge voorzitter. We zijn ook met z’n twaalvenvandaag, dus we gaan tempo maken. Ik geef het woord aan de heerEerdmans.De heer Eerdmans (JA21):Voorzitter, dank u wel. Werk helpt bij integratie. Dat is een waarheid alseen koe. Maar is dat nou een reden om de kraan open te zetten om naarNederland te komen op het gebied van migratie? Dat lijkt mij niet. Sterkernog, onze totaal verstopte asielketen is een garantie op desintegratie. Wieecht integratie nastreeft aan deze tafel zal moeten beseffen dat we hetpaard al tientallen jaren achter de wagen aan het spannen zijn. Het islastig integreren als je zo veel mensen moet proberen het land in tekrijgen. Mijn vroegere leermeester Pim Fortuyn zei: het is dweilen met dekraan open. We hebben de afgelopen 20 jaar 1,5 miljoen niet-westerseallochtonen in Nederland gekregen. De vooruitzichten zijn niethoopgevend op dat front. Dit jaar is de instroom 35% hoger dan indezelfde periode een jaar geleden. Dan hebben we het over mensen uitSyrië, Afghanistan, Jemen, Turkije. Als we de kraan niet verder dicht-draaien, dan is het wegwerken van achterstanden echt een illusie.Hoe het momenteel gaat met de integratie, zien we niet alleen in hettheater als Lenny Kuhr komt spelen. We importeren stammenstrijden. Kijknaar de Eritreeërs. Eerwraak werd al genoemd. Denk aan de TurkseNederlanders in de vierde graad die meer in Turkije leven dan inNederland. 90% van de daders van seksuele uitbuiting heeft een migratie-achtergrond. Duizenden migranten, sommigen al 40 jaar in Nederland,spreken geen woord Nederlands. Ik ben absoluut voor taalles. Ik zouwillen dat elke bibliotheek in Nederland Nederlandse taalles aanbiedt metdocenten en vrijwilligers die daarvoor gevraagd worden. Ik zou mezelfdaarvoor beschikbaar willen stellen. Maar daarbij hoort wel eenverplichting, namelijk de verplichting dat je wordt gekort op bijslag oftoeslagen als je niet komt opdagen. Maar nogmaals, met de instroom vanasiel en arbeid is het echt vechten tegen de bierkaai. En vergeet dat laatsteniet: er zijn 800.000 arbeidsmigranten in Nederland en dat aantal wordtverwacht te stijgen naar 1,3 miljoen mensen.Voorzitter. Dan het voorstel om asielzoekers te laten werken. Ik vind hetproblematisch. Het klinkt goed en nuttig, maar wat voor effect heeft het opde asielprocedure als je vanaf dag één gaat werken? Welke rechten bouwje dan op? Wordt afwijzing niet een illusie als je als vluchteling uit Jemenweliswaar alles bij elkaar ...De voorzitter:Een klein punt van orde. Meneer Ceder, u bent al door uw interruptiesheen. Sorry. Meneer Eerdmans, gaat u verder.De heer Eerdmans (JA21):Wordt afwijzing niet een illusie als je uit Jemen vlucht, alles bij elkaarliegt, maar vervolgens wel jaren trouwe arbeid kan aantonen? Bovendienzijn statushouders volgens mij niet massaal werkloos omdat ze tijdens deprocedure niet mogen werken. Neem bijvoorbeeld Polen. Legale arbeiderskomen hierheen om te werken en bouwen pas na jaren sociale rechten op,terwijl statushouders meteen bijstand kunnen krijgen zodra ze het azcuitgaan. Het idee dat asielmigranten de schatkist gaan verrijken, is allangonderuitgehaald door onderzoekers in het rapport Grenzeloze verzor-gingsstaat. Zij laten zien dat een asielmigrant uit Afrika de Staat € 637.000over de levensloop kost. Dat aantal loopt nog op als je de vervolgmigratieerbij telt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41536 SEO zegt dat het vrij werken voor asielzoekers Nederland miljardenoplevert, maar onder asielmigranten lijkt nauwelijks animo te bestaan omte werken. 89% van de statushouders vraagt twee tot vier jaar na detoekenning van een verblijfsstatus een bijstandsuitkering aan. Eén jaar nahet verkrijgen van een vergunning heeft nauwelijks 5% van de status-houders een baan. Na twee jaar komt dit percentage net boven de 10% uiten na vijf jaar is het met moeite iets meer dan een derde. Ik snap datbedrijven snakken naar personeel. Dat snap ik heel erg goed. Ze snakkennaar personeel dat in Nederland blijkbaar niet meer te vinden is, watopmerkelijk is gezien de honderdduizenden mensen die naast hetarbeidsproces staan, dus moeten ze ook uit Oekraïne of Polen komen ente werk worden gesteld.Ik vind dat kortzichtig, want de werkzame arbeidsmigranten leveren onsuitdagingen op qua taal, inburgering en zorg. Als je ’s ochtends wordtopgehaald door een busje om te gaan werken op een werkplaats met jelandgenoten met wie je de hele dag praat, ’s avonds eet met je huisge-noten, slaapt en de volgende dag weer, en boodschappen doet in dePoolse supermarkt, dan ontmoet je de Nederlandse cultuur helemaal niet.Ik moest denken aan de reportage van Nieuwsuur uit 2019, waaruit blijktdat Polen sterk gericht zijn op hun moederland, de taal niet machtig zijnen zelf aangeven dat inburgeren ook helemaal niet hoeft. In hoeverre is deMinister het ermee eens dat integratie niet bij werk begint of eindigt?Uiteindelijk zijn de lusten er natuurlijk voor bedrijven, maar de maatschap-pelijke kosten blijven ook voor de samenleving bestaan. Wat JA21overigens wel een goed plan vindt, is asielzoekers binnen het azc – datmag natuurlijk al – een nuttige dagbesteding te laten doen. Denk aanreparaties, aan het opknappen van zaken. Zo krijgen ze een ritme endragen ze bij aan de samenleving. Graag hoor ik een reactie van deMinister daarop.Daar laat ik het bij. Dank u.De voorzitter:Dank u wel. Dan draag ik het voorzitterschap heel even over aan de heerBamenga, zodat ik mijn inbreng kan leveren.Voorzitter: BamengaDe voorzitter:Het woord is aan de heer Van Oostenbruggen van NSC.De heer Van Oostenbruggen (NSC):Dank u wel, voorzitter. De fractie van Nieuw Sociaal Contract is sterkvoorstander van arbeid als kortste en breedste route naar bestaansze-kerheid. Werk geeft niet alleen inkomen, maar ook sociale contacten. Hetbrengt je ook ontwikkeling. En ja, ik zie de uitdagingen die de heerEerdmans schetste ook, als je in je eigen kring zit. Maar in beginsel geldtdit voor iedereen, ook voor asielzoekers. Werk laat je bijvoorbeeld een taalontwikkelen. Werk laat je bijdragen aan de maatschappij. Werk ismisschien wel de beste vorm van inburgering.Nu de Raad van State heeft besloten om de 24 wekeneis te latenvervallen, kunnen asielzoekers met een werkvergunning gewoon aan hetwerk. NSC wil de mogelijkheden voor asielzoekers met een zeer grotekans op verblijfsstatus de kans geven om aan het werk te gaan en bij tedragen aan de maatschappij. Voor de goede orde: mensen met weinigkans moeten wat ons betreft in de acht weken die daarvoor staan snel deprocedure kunnen doorlopen, en indien ze worden afgewezen, ook snelteruggestuurd worden. Het rapport Belemmeringen asielzoekers bij hettoetreden tot de arbeidsmarkt beschrijft dat asielzoekers veel problemenervaren bij werken in Nederland. Ziet de Minister mogelijkheden om,indachtig de Raad van State, hierin nog sturender op te treden? Te denkenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41537 valt aan het verkorten van de zesmaandentermijn, niet naar nul maandenmaar bijvoorbeeld naar drie maanden. Dat is ruim meer dan die achtweken. Denk ook aan het sneller verstrekken van een bsn. Of denk aan hetmakkelijker maken om te werken zonder werkvergunning, bijvoorbeeld inspecifieke tekortsectoren zoals logistiek, distributie, kassen en slacht-huizen. Zoals de Minister zelf laatst zei in een debat: voor elke asielzoekerdie in Nederland kan werken, scheelt dat weer een arbeidsmigrant uitMidden- en Oost-Europa.Voorzitter. Om de balans en het draagvlak voor werkende asielzoekers inNederland te verbeteren, is de Reba natuurlijk relevant. Maar dezeregeling werkt, conform de stukken voor deze vergadering, onvoldoende.Overigens raakt dit ook wel een klein beetje aan de leefgelddiscussie ende manier van verrekenen voor Oekraïners. Kan de Minister, bijvoorbeeldmet haar collega van Justitie en Veiligheid, kijken of zij deze regelingen opeen gelijke manier kan vormgeven, dus eerlijk en goed uitvoerbaar?Voorzitter. Als je de taal spreekt, kom je ergens. Ten aanzien van inbur-gering is de Minister bezig gegaan met het onderzoeken van uitbreidingvan publiek gefinancierd taalonderwijs. Het laatste bericht in de stukkenhierover was dat nog steeds gezocht wordt naar een onderzoeksbureauhiervoor. Kan de Minister inzage geven in dit traject en omschrijvenwaarom dit zo lang duurt? Waarom is dit lastig? Ook bij de vroegestart-maatregelen is er vertraging, terwijl taalonderwijs in de azc’s vanaf dagéén de participatie en de motivatie tot participatie al enorm kan verhogen.Waar zitten nou de grootste knelpunten?We begrepen dat de Minister ook werkgevers wil betrekken bij hetverzorgen van taalonderwijs. Zij trekt hier volgens haar brief van 5 maartjongstleden 15 miljoen euro voor uit. Dat begrijp ik echt niet. Waarommoet de rijksoverheid hiervoor in de buidel tasten? Waarom kunnenwerkgevers dit niet financieren met O&O-gelden? We hebben honderdenmiljoenen in die fondsen zitten, juist bedoeld voor het bijscholen vanpersoneel. Taalonderwijs is daar een hele belangrijke in. Kunt u hierwellicht over in gesprek gaan met de sociale partners? Want wellicht zienwe gewoon een hele goede financieringsmogelijkheid over het hoofd.Als laatste vraag ik graag aandacht voor het versoepelen van de eisenvoor het verkrijgen van een BIG-registratie. Er moet natuurlijk wel watgedaan worden aan de waardering van buitenlandse certificaten endiploma’s. Ik begrijp overigens ook de zorgen van de heer Boon op ditpunt. Maar aangezien er personeelstekorten zijn in bijvoorbeeld de zorgzou het mooi zijn als we asielzoekers met een opleiding in die richting opeen bepaalde manier kunnen klaarstomen voor de Nederlandse arbeids-markt, wellicht met opleidingen, snelle opleidingen. Kan de Minister hiereen toezegging op doen, bijvoorbeeld door dit opnieuw te bespreken metde onderwijsorganisaties en/of de zorgvertegenwoordiging?Voorzitter. Vanwege de tijd laat ik het hier even bij. Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel, meneer Van Oostenbruggen. Ik zie geen vragen, dus dandraag ik het voorzitterschap weer over aan u.Voorzitter: Van OostenbruggenDe voorzitter:Dank u wel. Ik kijk heel even naar de Minister om te kijken hoelang zijnodig heeft. Ik schors de vergadering voor ruim een halfuur. We zienelkaar dan om 15.35 uur weer terug.De vergadering wordt van 15.01 uur tot 15.36 uur geschorst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41538 De voorzitter:Een klein punt van orde. Meneer Flach zal tegen de klok van 16.00 uurdeze vergadering verlaten. Ik zie ook dat er een aantal nieuwe gasten zijnaangeschoven. Welkom.We gaan over tot de eerste termijn van de Minister. Ik praat het rustig,langzaam vol, totdat ik een knikje krijg. Dan geef ik u graag het woord,Minister.Minister Van Gennip:Dank u wel, voorzitter. Er zitten niet alleen een aantal mensen naast mij,maar er werken ook altijd heel veel mensen op de achtergrond aan debeantwoording van alle vragen. U heeft best veel vragen gesteld, dus ikzal mijn best doen om het in een relatief hoog tempo te beantwoorden.Maar ik wil recht doen aan een aantal van de discussies en vragen doorop sommige onderwerpen wat uitgebreider in te gaan. Ik hoor het op eengegeven moment wel als u zegt: hier hadden we nog wel wat meer overwillen horen.Ik begin even met een inleidende spreektekst. Die is ook best lang, maar ikwil daarin een aantal zaken met elkaar in verband brengen. Daarna heb ikeen hele stapel onderwerpen. Ik ga u dadelijk vertellen wat de volgordevan die onderwerpen is, of kan dat nu al? Dat hoort u dadelijk!De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050. Die staatscom-missie hebben we ingesteld om te kijken: hoe gaat het met onze samen-leving, kijkende naar vergrijzing en migratie, en wat komt er op ons af?Die heeft heel veel conclusies getrokken. Een die daaruit springt, is dat wijgoed moeten nadenken over migratie. We zouden daarbij volgens dezecommissie voor gematigde groei moeten kiezen. Maar onze samenlevingzal ook meer divers worden. Veranderingen in die demografie brengenuitdagingen met zich mee. Dat zien we vandaag al, maar dat zal alleenmaar toenemen. We weten ook: samenleven in verscheidenheid gaat nietvanzelf. Er was ooit een mooi verkiezingsprogramma. Dat heette:Samenleven doe je niet alleen. Maar dat is ook echt zo.Uitdagingen moet je dus ook samen oppakken: overheid, maatschappelijkmiddenveld, werkgevers, burgers, maar juist ook de inburgeraars zelf, denieuwkomers zelf. Integratie in deze samenleving zie ik ook als eentwo-way street. Daar hebben we het in deze commissie vaker over gehad,maar toen was u er nog niet allemaal. Wij bieden een welkom aanmensen die gevlucht zijn, maar daar mogen we ook wat voor terugvragen.Je moet je best doen om mee te doen, om werk te zoeken, om de taal teleren. Maar het begint vanuit de kant van degenen die al in Nederlandwonen natuurlijk met het bieden van een goede start. Dat vraagt omgelijke toegang tot onderwijs en tot de arbeidsmarkt, zodat inderdaadiedereen mee kan doen in de samenleving en zich ook onderdeel van diesamenleving kan voelen. Het gaat vandaag ook een aantal keer over deinzet van de nieuwkomers zelf. Daar kom ik zo op. Maar het gaat er ookover dat nieuwkomers onze Nederlandse waarden, zoals vrijheid,tolerantie en zelfbeschikking, respecteren en omarmen. Ik kom dadelijk opde participatieverklaring.De laatste jaren hebben we wederom geleerd dat het voor integratie ookbelangrijk is dat je de dialoog met elkaar blijft aangaan, ook als je ergensanders over denkt. Uiteraard moet die dialoog altijd plaatsvinden binnende grenzen van de democratische rechtsstaat. Dat betekent dat ik alsMinister mijn verantwoordelijkheid neem door in te zetten op goedeinburgering, met echt een programma, en langjarige integratie. Daar ga ikdadelijk ook op in, want daar heb ik u twee jaar geleden al een brief overgestuurd. Het is wel mooi om dat dadelijk even te herhalen. Dat doen we,zodat iedereen van begin af aan een goede kans heeft om dat leven inNederland op te bouwen en om het samen te doen.We zijn inmiddels twee jaar onderweg met de Wet inburgering 2021. Veelvan uw vragen gingen misschien wel over de vorige wet of zelfs over deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41539 eervorige wet. Ook daar kom ik dadelijk bij de beantwoording van devragen op. Er zijn namelijk nog een heleboel uitlopers van die twee vorigewetten. Bij die nieuwe wet werken we samen met allerlei ketenpartners.Het is vooral een lerend stelsel. Dat is belangrijk. Daarom krijgt u ookregelmatig een brief vanuit de ketenpartners of vanuit onszelf over dat erlessen te leren zijn en we daarom veranderingen willen aanbrengen.Ik heb de afgelopen jaren op een aantal prioriteiten binnen inburgeringingezet. Een daarvan is die vroege start. Men moet zo snel mogelijk aande gang met taalles en met werk. Werk is het beste woordenboek.Oftewel, je leert een nieuwe taal nergens zo snel als op de werkvloer.Werk is ook een randvoorwaarde om mee te kunnen doen aan desamenleving. Het geeft je een netwerk. Je kunt daar vragen aan stellen endingen van leren. Werk zorgt ook dat je kinderen trots op je zijn en dat jedus ook weer iets kan meegeven aan die kinderen, voor hun toekomsthier. Daarom is die combinatie tussen werk en inburgering zo belangrijk.U hebt de laatste tijd een heleboel brieven ontvangen, zo ook over ditonderwerp. We pakken die dualiteit onder andere aan via het Plan vanaanpak Statushouders aan het Werk. Dat kwam ook voort uit een van dezecommissiedebatten naar aanleiding van de vragen van de heer Aartsen.Maar het gaat ook over goede communicatie naar gemeenten en overafstandsonderwijs. Daar waar we de knelpunten zien in de Wet inbur-gering, proberen we tot oplossingen te komen. Dat leidt dus soms totaanpassingen. Ik heb de Kamer onder andere al laten weten dat wemoeilijk lerende jongeren niet willen laten stoppen met hun opleiding ofbegeleide werkplek, maar juist willen verdergaan met de juistebegeleiding, de verlaging van de taaluren – het wordt dan wel al heelspecifiek – en met de Z-route. Ik neem het dadelijk even mee met despecifieke vragen, denk ik. Dat zeg ik even tegen mijn mensen.Het Plan van aanpak Statushouders aan het Werk is onderdeel van deWerkagenda Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt. Daarin zetten we in op eenaantal interventies, namelijk stagediscriminatie, arbeidsmarktdiscrimi-natie, en begeleiding naar werk. Dat betekent dat je onbewuste ofbewuste vooroordelen moet wegwerken, arbeidsdiscriminatie moetaanpakken, onbekendheid over statushouders bij werkgevers moetaanpakken, maar ook – een aantal van u had het er al over – men zo snelmogelijk de Nederlandse taal moet laten leren. De proeven voor start-banen zijn een mooi voorbeeld van de samenwerking tussen allerlei«ketenpartners», zoals dat dan zo mooi heet, wat in dit geval de samen-werking tussen gemeenten, werkgevers en uitzenders betekent. Dieproeven voeren we nu uit in vijf gemeentes. Daarbij is het interessant datde vraag naar meer van deze startbanen en proeven, en de vraag bij debestaande gemeenten om de proeven te kunnen uitbreiden, heel groot is.Dat laat dus zien dat er behoefte aan is, ook om te kunnen toetsen wat erjuist wel werkt en wat niet. Daar zijn die proeven natuurlijk ook voor.Ik was zelf bij een kick-offbijeenkomst in Utrecht met deze deelnemendegemeentes en daar was heel veel enthousiasme te ervaren. Ik vond vooralhet verhaal van een statushouder uit Rotterdam erg mooi. Hij wasbegonnen met een leer-werktraject en vertelde mij het volgende, inoverigens redelijk goed Nederlands, maar, natuurlijk net zoals wij als weeen taal spreken die we nog niet helemaal beheersen, in wat korterezinnen. Het mooie is dat hij begeleiding heeft gekregen, on the job is gaanleren en nu bij de IT-afdeling van de gemeente Rotterdam werkt. Dat iseen prachtig succesverhaal, maar dat is precies wat we willen. Hij komtdaarbij dus terecht in een tekortsector. Die weg naar werk, en vooral dieweg naar werk op niveau, zal natuurlijk niet voor iedereen zo kort zijn.Maar de motivatie bij die bijeenkomst van de aanwezige statushouders,werkgevers, gemeentes en allerlei tussenpersonen was echt groot.Ik denk dat we het volgende onderwerp ook even bij de specifieke vragenbehandelen. Dat gaat over de 24 wekeneis. Daar hebt u allemaal speci-fieke vragen over gesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41540 We hebben natuurlijk heel veel lessen geleerd over ontheemden uitOekraïne. Die lessen hebben wij met de Kamer gedeeld. Dat deden wij éénjaar geleden toen Oekraïners een jaar in Nederland waren, en afgelopen5 maart weer. We zien inderdaad dat Oekraïners veel meer dan klassiekestatushouders aan het werk zijn. Dat komt natuurlijk door die directetoegang tot de arbeidsmarkt. We weten dat het ook komt doordat ze vaakkleinschalig, dichtbij de banen gehuisvest zijn, waar asielzoekers in grotecentra verder weg gehuisvest zijn. Dat komt door de procedures. Maar wezien ook daarin dat er voor Oekraïners natuurlijk ook uitdagingen zijn.Daarom hebben we met de actieagenda van afgelopen 5 maart drieactielijnen gelanceerd.De eerste is «de basis op orde». Dat betekent zorgen voor de juistevoorlichting en informatie. De tweede is «passend en duurzaam werk». Ubent ongetwijfeld allemaal op werkbezoeken geweest, waar u met nameOekraïense vrouwen bent tegengekomen. Elke keer verbaast het me weerdat daar bijvoorbeeld marketingexperts bij zitten – ik ben ook eens eendierenarts tegengekomen – die hier in een café, winkel of in distributie-centra werken. Ik kan me voorstellen dat je als je in Nederland aankomt,zegt: ik pak alles aan wat er aan te pakken is. Maar als je er langer bent,wil je natuurlijk toch op je eigen niveau werken of in ieder geval in jeeigen vakgebied.Actielijn drie is «terugkeer en wederopbouw». In de hoop voor dezemensen en hun land dat zij op een dag kunnen terugkeren, is de vraag:welke kwalificaties en welke ervaring kun je ze dan extra meegeven?Natuurlijk moeten we met elkaar de discussie aangaan over hoe we datvoor elkaar gaan krijgen en wat dat betekent voor de verblijfsstatus. Dezederde actielijn is eigenlijk ook tot stand gekomen omdat elke keer als mijnOekraïense collega van Sociale Zaken bij de Europese Raad is – dat is zeniet elke keer – zij mij op het hart drukt: zorg goed voor onze mensen,maar zorg ook dat ze straks nog terug willen keren en dat ze dat met extrabagage kunnen doen. Dat wordt natuurlijk een hele ingewikkeldediscussie op een gegeven moment. Willen mensen nog terugkeren? Hoekun je ze dan zo veel mogelijk meegeven, zodat ze daar hun land kunnengaan opbouwen? Daarom is die derde actielijn dus terugkeer en weder-opbouw.Voorzitter. Dan over het samenleven in verscheidenheid, in mijn woorden:samenleven doe je niet alleen. Dat is een verantwoordelijkheid van onsallemaal. Dat gaat ook over het tegengaan van discriminatie en racisme.Er is net een rapport over Zuidoost-Aziatische discriminatie uitgekomen.Er komt natuurlijk elke paar weken een rapport uit. Ik ga dadelijk even inop wat er dit weekend tijdens het optreden van Lenny Kuhr is gebeurd,want daar heb ik ook een aantal meningen over. Maar even in z’nalgemeenheid: blijven praten is echt een basisvoorwaarde. Alleen als wemet elkaar blijven praten, blijven we met elkaar in verbinding. Datbetekent dat we zo nu en dan het vertrouwen in elkaar weer opnieuwmoeten herstellen. Daarvoor is openheid belangrijk.Ik heb die openheid zelf afgelopen zomer geboden over de onrechtmatigeverwerking van persoonsgegevens in het verleden door mijn ministerie. Uhebt de voortgangsbrief daarover ontvangen. Die gaat in op hetonderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens en op de afhandelingdaarvan. Ik kom dadelijk op de detailvragen. Ik heb daarvoor ook mijnexcuses aangeboden. Maar het is, denk ik, vooral belangrijk dat ik udadelijk laat zien waar we mee bezig zijn, om ervoor te zorgen dat zo veelmogelijk mensen weten wat er met hun persoonsgegevens is gebeurd.Voorzitter, ten slotte. Spanningen in de rest van de wereld hebbennatuurlijk impact op mensen hier. We moeten ons er met elkaar voorinspannen dat die spanningen elders hier niet tussen ons in komen testaan. Daarom houden we nu onverminderd dialoogsessies naaraanleiding van het conflict tussen Israël en Hamas en de heftige situatie inGaza. We stimuleren initiatieven zoals Deel de Duif, van de jongeren. WeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41541 voeren allerlei gesprekken met mensen. Elke keer als je zo’n gesprekvoert, raakt mij het diep als je hoort over de pijn, het verdriet en de angstvan mensen. Wat dat betreft is het ook heel belangrijk om een beetjebarmhartig naar elkaar toe te zijn, om elkaar te begrijpen, ruimte voorelkaar te laten en tegelijkertijd te zeggen wat we in Nederland wel en nietacceptabel vinden. Ik zal dadelijk op een aantal van die incidenten ingaan,op de handreiking en op de Eritrese gemeenschap.Ik wil eerst wat zeggen over het antisemitisme in Nederland en daarna ietsover integratie. Vervolgens heb ik een aantal concrete blokjes. Ik denk datik met u allen hier deel dat wat er dit weekend is gebeurd tijdens hetconcert van Lenny Kuhr verschrikkelijk is. Het kan niet zo zijn dat je je inNederland niet meer veilig voelt als je als artiest op een podium staat, datje wordt aangesproken op het feit dat je Joods bent. Ik vind het ontzettenddapper van haar dat ze haar concert heeft voortgezet. Ik weet niet of ik diemoed gehad zou hebben; dat is echt krachtig van haar. Ik waardeer deverklaring die u als Kamer hebt gegeven enorm. Ik denk dat dat het soortsignaal is waarmee je als Kamer laat zien dat je boven de partijen kuntstaan en kunt zeggen: dit is niet wat wij met elkaar accepteren inNederland.Ik wil daar toch ook even aan toevoegen dat het omschrijven van hetincident als onsmakelijk geen rechtdoet aan wat er gebeurd is wat mijbetreft. Ik vind het echt verdergaan dan dat. In den brede zien we dat hetaantal antisemitische incidenten echt enorm groot is sinds 7 oktober. Datbaart mij en het kabinet zorgen. Ik denk dat we een samenleving waarin ersprake is van verbinding met elkaar alleen echt vorm kunnen blijvengeven als we ook de uitwassen en de dingen die we niet acceptabelvinden en die niet bij Nederland horen, blijven veroordelen. Daar hoorthet veroordelen van antisemitisme ook bij.Bewustwording via het onderwijs gebeurt via holocausteducatie, via hetvoetbal en via de Anne Frank Stichting. Dat zijn allemaal belangrijkeinitiatieven. We hebben natuurlijk ook de Nationaal Coördinator Antisemi-tismebestrijding. We zullen het er morgen in het kabinet ook over hebben,dat heeft mijn collega net toegezegd. Ik denk dat de woorden die ugisteren gekozen hebt en die u hier vandaag met elkaar kiest ertoe doen.Daarom denk ik dat het goed is dat u dit hebt benoemd in uw inbrengvoor dit debat.Dan wilde ik iets zeggen over de vraag: komt integratie nooit ten einde?Jawel, integratie komt weleens ten einde. Ik heb een interessant debatgehad, twee jaar geleden al, met onder andere de heer Van Baarle vanDENK, maar ook met een aantal andere leden die toen in dat commissie-debat zaten over wanneer die integratie nou ten einde komt. Natuurlijk– de heer Flach verwoordde het net ook al – als je tweede of derdegeneratie bent en je je hier gewoon aan de wet houdt en meedoet, danben je geïntegreerd. Dan moeten we ook eens een keer ophouden metelkaar daar de maat over te nemen.Het begint bij inburgering. Als je als nieuwkomer in Nederland komt, dandoe je mee aan de inburgering en als het goed is, sluit je die af met dieparticipatieverklaring en hopelijk met een zo hoog mogelijk taalniveau.Daar komen we dadelijk op. Maar we moeten ons natuurlijk wel blijvenrealiseren dat er soms groepen zijn – dat hoeven echt niet alleen maargroepen met een migratieachtergrond te zijn, want er zijn soms ookandere groepen die dat doen – die zich van de samenleving afkeren. Daarmoeten we in investeren. We moeten de dialoog blijven opzoeken enblijven begrijpen wat mensen, of het nou expats zijn of mensen uit eenbepaalde regio, drijft om zich in hun eigen bubbel terug te trekken.Wat hier ook belangrijk is – dat heb ik in die brief van twee jaar geledenook aan u geschreven – is wat dat dan is, integratie en inburgering, en watwe van elkaar kunnen verwachten. Ik vind echt dat een nieuwkomer vande tweede, derde generatie, die ooit nieuwkomer was, die hier een goedeopleiding heeft gevolgd – dat kan ook een vakopleiding zijn – en gewoonTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41542 meedoet in de Nederlandse samenleving gewoon Nederlander is. Hiergeboren, dan ben je gewoon Nederlander. Ik denk dat we ons dat ook metelkaar moeten realiseren en dat we ons ook moeten realiseren dat erhelaas in Nederland nog heel veel discriminatie is: arbeidsmarktdiscrimi-natie, discriminatie als je een huis zoekt. Ook daar moeten we dus metelkaar tegen strijden.De voorzitter:Ik heb een interruptie van meneer Ergin. Ik heb even één kleine ordemede-deling. Het aantal interrupties stellen we even op maximaal vier, omwillevan de tijd. Meneer Ergin.De heer Ergin (DENK):De Minister geeft in haar beantwoording aan: als je in Nederland bentgeboren en getogen en je bent, weet ik veel, zoveel jaar oud, dan hoor jeerbij en dan verdien je ook een eerlijke en gelijke behandeling. Ik ben daneigenlijk wel benieuwd naar de verklaring van de Minister voor waarom erdan uitgerekend bij haar departement lijsten zijn bijgehouden overmoslims. Wat is daar de verklaring voor? Als iedereen gelijk is, alsiedereen meedoet en als integratie op een gegeven moment stopt,waarom zijn er dan lijsten bijgehouden over moslims die maatschappelijkactief en betrokken zijn?Minister Van Gennip:Ik vraag even aan mijn ambtelijke ondersteuning of ik het mapje daarvanmag? Dat is er even niet. Oké, dan zeg ik het uit mijn hoofd. Dat kan ook.Wat er gebeurd is, is dat er op basis van bepaalde signalen gegevensbijgehouden zijn op een manier waarop dat niet had gemogen. Dat debathebben we in september uitgebreid gevoerd. Ik heb u in de brief latenweten waar we nu staan. Wij hebben op dit moment naar aanleiding vanonze mededeling dat daar onrechtmatige verwerking van gegevens wasen mijn excuses in september gezegd dat iedereen die dat wil toegangmoet kunnen krijgen tot de gegevens die over hem of haar verwerkt zijn.Daar hebben we, uit mijn hoofd, 131 vragen over gekregen gelijk na hetdebat. Een groot gedeelte daarvan – ik moet even het lijstje hebben, dus ikkom dadelijk op de cijfers terug – is inmiddels afgewerkt.Bij een klein aantal daarvan, twaalf meen ik, was echt sprake van eenonrechtmatige verwerking. Deze mensen hebben we inzicht geboden inwat dat betekent. Bij alle andere verwerkingen hebben mensen bijvoor-beeld deelgenomen aan een bijeenkomst. Zoals u inmiddels ook weet,moet je, als je bij een bijeenkomst komt, tegenwoordig tekenen zodat jegegevens verwerkt mogen worden. Dat gebeurde in het begin niet. Maarduiden of signalen van anderen gebruiken om iets te duiden, kan niet.Daar hebben we als Ministerie van Sociale Zaken geen rechtsgrond voor.Het is ook niet onze taak. Onze taak is juist om de dialoog aan te gaan ennetwerken te bouwen.We zijn nu heel druk bezig met de mensen die de aanvraag hebbengedaan. De volgende stap wordt om degenen die niet zelf hebbengevraagd of ze voorkomen in de gegevens, er toch uit te filteren en tekijken of we contactgegevens van hen hebben. Dat is een heel gevoeligproces, want je kunt moeilijk de buurman gaan opbellen met: ik heb hierde naam van iemand van wie misschien iets verwerkt is; hebt u eentelefoonnummer? We zijn in overleg met de Autoriteit Persoonsgegevensover de manier waarop we die mensen dan wel kunnen benaderen. Ik zeghet even in mijn woorden: de AP is aanmoedigend over hoever we daarinmogen gaan. Die zegt: doe echt je best om er op allerlei verschillendemanieren achter te komen wat de meest recente contactgegevens vanmensen zijn. Dat wordt de volgende fase van het project. We willen het nueerst helemaal afronden voor de mensen die zelf actief om inzicht hebbengevraagd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41543 We hebben extra mensen aangenomen om dit te kunnen doen. Maar jewilt ook dat heel veel van je eigen mensen erbij betrokken zijn, want hetmoet zorgvuldig en met kennis van zaken gebeuren, met vragen als: waarkunnen we dit terugvinden? En: in welke documenten zou het kunnenstaan? Dat betekent ook dat we een aantal dingen hebben moetenherprioriteren bij de directie die erover gaat. Dat is ook de reden dat ik hebgezegd: laten we extra mensen aannemen. Ik wil namelijk dat een aantalandere activiteiten ook gewoon door kunnen gaan.De voorzitter:Een vervolgvraag van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Ik begrijp dat de aanpak van bepaalde individuen bepaalde gevoelens metzich meebrengt en bepaalde gevolgen heeft en dat de Minister daar nu ophandelt. Dat geloof ik. Dat heeft de Minister in de beantwoording opschriftelijke vragen die ik een aantal weken geleden heb gesteld ookaangegeven. Maar de vraag die ik in mijn inbreng in de eerste termijnstelde, was de volgende. Dit is een voorbeeld van een breder overheids-handelen richting Nederlanders met een migratieachtergrond en moslims.Mijn vraag aan de Minister was eigenlijk: wat heeft zij gedaan voor enigevorm van herstel van het vertrouwen in de overheid? Daar zeg ik heeleerlijk bij: voor zover dat nog mogelijk is. Ik doel daarbij op de overheid inalgemene zin, maar met name op het departement waarvoor zij verant-woordelijk voor is.Minister Van Gennip:Dat is een terechte vraag. Ook daarover hebben we in septembergesproken. We hebben onder andere een heel traject ingezet met sessiesmet mensen met een moslimachtergrond – ik ben zelf bijvoorbeeld tweekeer bij een sessie met moslimjongeren geweest – om op te halen wat eraan geschaad vertrouwen is, om te begrijpen wat daar de gevoelens bijzijn en om te proberen om dat geschaad vertrouwen ook weer op tebouwen. Ik vond dat zelf intensieve sessies. Ik begrijp ook heel goed datmensen daar geschokt waren en het gevoel hadden dat juist de mensendie ze dachten te vertrouwen het hadden gedaan. Wat dat betreft is hetdus heel inzichtelijk geweest. U heeft daar een verslag over ontvangen.Dat is namelijk door een extern bureau begeleid, juist om een neutralegespreksleider te hebben. Volgens mij heette dat bureau Perron14. Diegespreksleider was heel capabel en heeft ook het verslag erovergeschreven. Dat heeft u, denk ik, een jaar geleden ontvangen, met dekabinetsreactie daarop.Ik wil hier ook benadrukken dat ik de zorgen van de moslimgemeen-schappen serieus neem. Dat is ook waarom ik steeds weer de handreikingdoe om met ze in gesprek te gaan. Dat betekent dus ook transparantieover de verwerking van gegevens en die dialoogsessies. We zijn nu eenmeer structurele dialoog aan het opzetten, met een gemeenschappelijkeagenda van maatschappelijke vraagstukken. Want eigenlijk was het eendialoog zoals we die met heel veel gemeenschappen hebben – dienetwerken bouw je op en die dialoog ga je aan – maar dit gaat over eengezamenlijke agenda. De eerste gesprekken over de gezamenlijkemaatschappelijke agenda hebben al plaatsgevonden.Een van de zaken die in gesprekken naar voren is gekomen – dat is ookwel interessant – is dat er ook binnen de moslimgemeenschappenonderling soms best wel afstand is. We komen dadelijk nog over imams tespreken, maar ik noem alvast de afstand tussen jongeren en hun moskeeen de imam, die misschien uit het buitenland komt. Ik noem ook demensen uit de moslimgemeenschap die zich niet vertegenwoordigdvoelen door de mensen die in een structureel verband bij ons aan tafelzitten. Dat kunnen bijvoorbeeld vrouwen zijn – denk aan Femmes forTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41544 Freedom – of ondernemers die misschien alweer een hele andere rol inNederland hebben. Het is dus belangrijk dat we juist dat soort groepenveel meer bij al die gesprekken betrekken.We hebben ook gezien dat het voor de moslimgemeenschap moeilijk isom met sommige gemeenten in gesprek te komen. Daarin proberen weeen helpende hand te bieden. We brengen in april een handreiking uit diegericht is op de samenwerking tussen gemeenten en geloofsgemeen-schappen van moslims. Ik denk dat ik daarmee de vraag wat we aan hetdoen zijn heb beantwoord. Het laat onverlet dat ik denk dat het enormbelangrijk is om zowel op politiek als op bestuurlijk gebied steeds weermet de gemeenschap in gesprek te gaan en te zeggen: waar komen uwzorgen vandaan, hoe kunnen we samen iets aan die zorgen doen en hoegaan we samen de samenleving verder bouwen? Dat gesprek kan wordengevoerd met de moslimgemeenschap, de Eritrese gemeenschap, deboeren, noem maar op. Dit waren de concrete initiatieven daarvoor.Voorzitter. Dan wilde ik nu even de volgorde van de onderwerpenbenoemen. Eerst hebben we wat specifieke vragen over integratie.Vervolgens hebben we werk voor asielzoekers, dan hebben we ESS, daninburgering, dan VIA voor een inclusieve arbeidsmarkt, en als laatstehebben we nog een setje diversen.Nu komen we dus bij de concrete vragen. Mevrouw Keijzer vroeg of hetCBS stopt met de registratie van herkomst. Dat klopt niet; het CBS stoptdaar niet mee. Zij brengen al decennialang de positie van de Nederlandsebevolking in kaart, waarbij er inzicht beschikbaar is van de eerste- entweedegraads generatie van groepen met een migratieachtergrond. Datverandert niet. Het CBS zal in dat verband de komende jaren deRapportage Integratie en Samenleven blijven publiceren. Het CBShanteert wel sinds enige tijd – die discussie hebben we hier in decommissie ook al gevoerd – andere verzamelcategorieën. Het gaat danom de categorieën Europese en niet-Europese achtergrond in plaats vanWesters en niet-Westers. Dat heeft natuurlijk geen invloed op hetverzamelen van informatie. Er blijft nog steeds inzicht beschikbaar inspecifieke herkomstgroepen, waarbij het maken van een onderscheidtussen de eerste en de tweede generatie mogelijk is.Dan vroeg mevrouw Koekkoek of de Minister zich ervoor kan inzetten datandere gemeenten goede voorbeelden, zoals Plan Einstein uit Utrecht,gaan overnemen. Ik heb al meerdere malen enthousiaste verhalen overPlan Einstein gehoord. Ik heb ook op een gegeven moment beloofd dat ikdaar op bezoek zou gaan, dus misschien moet ik dat gaan waarmaken.Plan Einstein ziet op het faciliteren van ontmoetingen tussen asielzoekersen buurtbewoners, zoals mevrouw Koekkoek al zei. Dat past natuurlijkheel erg goed bij de inzet van dit kabinet om in die steeds diverseresamenleving te zorgen dat die groepen goed met elkaar kunnen omgaan.Dat wordt dus door lokale ontmoetingen gestimuleerd. Wij zullen ervoorzorgen dat dergelijke goede voorbeelden worden uitgewisseld. Datgebeurt ook al, want ik heb daar al een aantal keer over gehoord opbijeenkomsten. Dan heb ik het niet alleen over Utrecht; in Arnhem en DenHaag zijn daar ook goede voorbeelden van. We hebben voor die uitwis-seling ook allerlei kennisuitwisselingssessies en -structuren. Daar wordtecht van elkaar geleerd.Later werd gevraagd of wij ook leren van buurlanden. Het antwoorddaarop is ja. Op zich zijn inburgering en integratie natuurlijk nationalecompetenties. Maar er is zoveel te leren van België en Duitsland en viceversa, dat ik dat als zesde prioriteit heb ingebracht voor de prioriteiten vande nieuwe Europese Commissie. We kunnen van elkaar leren zonderteniet te doen aan de nationale competentie. Ik denk dat, in die steedsdiverser wordende samenleving, een van de kernvragen voor de komendetien jaar gaat zijn op welke manier je met elkaar samenleeft en hoe jeintegratie echt voor elkaar krijgt. Dat geldt niet alleen voor Nederland,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41545 maar voor alle Europese landen. Van elkaar leren op gemeenteniveau enop nationaal niveau is dus heel erg belangrijk.Dan kom ik op werk voor asielzoekers. Daar hoort ook taal voor arbeidsmi-granten bij. Als we het over asielzoekers aan het werk hebben, hebben wede 24 wekeneis. Velen van u zeiden al dat werken een belangrijke factor isom mee te kunnen doen aan de Nederlandse samenleving. Daarom is hetook zo belangrijk dat we een aantal belemmeringen wegnemen voorasielzoekers die kunnen werken, want we hebben gezien dat dit ookpositieve invloed heeft op de arbeidsmarktdeelname van statushouders,als ze eenmaal statushouder zijn geworden. De eis van 24 weken isafgeschaft. Dat weet u. Sindsdien zien we een flinke toename van hetaantal twv’s, tewerkstellingsvergunningen, voor werkgevers die asiel-zoekers in dienst willen nemen: van 601 in 2022 naar 2.016 vorig jaar entot en met 19 maart dit jaar waren het er al 1.550. Ik vind echt dat het goedis als meer asielzoekers aan het werk zijn. Als mensen hier zijn en kunnenbijdragen aan onze samenleving, zeg ik: alsjeblieft. Als asielzoekerskunnen bijdragen op de krappe arbeidsmarkt, dan zeg ik: heel graag. Dithelpt ook bij de integratie in de latere jaren.Dat betekent ook dat we nog een aantal overige belemmeringen wegmoeten nemen, ook nu de uitspraak over de 24 wekeneis eruit is. Dan gaathet over informatievoorziening voor asielzoekers en voor werkgevers,zodat zij beter geïnformeerd worden over de mogelijkheden om tewerken. Ik heb UWV verzocht om de aanvragen voor de tewerkstellings-vergunningen voor asielzoekers binnen twee weken af te handelen inplaats van binnen de reguliere vijf weken. Dat lukt het UWV nu nog niet,omdat er zo veel aanvragen worden gedaan. Dat laatste is goed nieuws,maar dat de afhandeling binnen twee weken gebeurt, is wel de inzet. Hetgaat niet ten koste van statushouders, want die zijn vrij op de arbeids-markt. Het kan wel ten koste gaan van arbeidsmigranten van buiten de EUdie dan langer op een tewerkstellingsvergunning moeten wachten. Enarbeidsmigranten van binnen de EU zijn natuurlijk ook vrij.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik heb twee vragen. Als we voorrang zouden willen geven aan asiel-zoekers die hier al zijn, betekent dit dan dat dit ten koste zou gaan van detewerkstellingsvergunning voor mensen van buiten de EU, maar dat hetwel mogelijk is, als daar de politieke wil voor is? Dat is een mijn eerstevraag. Daarna heb ik nog een vervolgvraag.Minister Van Gennip:Er kan dus voorrang worden gegeven aan asielzoekers. Dat gaat in de tijdalleen maar ten koste van tewerkstellingsvergunningen voor mensen vanbuiten de EU, maar die komen op een gegeven moment wel aan de beurt.We willen echter voorkomen dat asielzoekers langdurig in een vicieuzecirkel terechtkomen, terwijl ze als asielzoeker misschien helemaal niet zoveel tijd hebben. Het is wel belangrijk dat dit alleen geldt als de aanvraagcompleet is. De werkgever moet dus wel een complete aanvraag indienenen de asielzoeker moet ook werkelijk asielzoeker zijn.Dan komen we nu op de vraag waarom de tewerkstellingsvergunningenwel belangrijk blijven. Dat is zo, omdat je wilt weten of iemand eenasielzoeker is, of iemand als zes maanden in de procedure zit en ofiemand eventueel al afgewezen is. Je kunt de tewerkstellingsvergunningmisschien anders vormgeven. Daar doen we onderzoek naar en het is aaneen volgend kabinet om daar uiteindelijk iets over te beslissen. De optiesdaarvoor bereiden we nu voor. Ik vind het wel belangrijk om hier tezeggen: je zult iets van een tewerkstellingsvergunning moeten blijvenhebben, maar misschien op een makkelijke manier. Want je moet weten ofiemand mag werken en of diegene er al zes maanden is. En als iemandhier niet meer mag werken, dan moet je dat als werkgever ook weten,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41546 want dan hoort iemand natuurlijk gewoon het land te verlaten. Daar is hetook belangrijk voor.De voorzitter:Er is nog een vervolgvraag van de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank aan de Minister voor deze duidelijkheid. Er was wat ruis op de lijn.We vroegen ons af of de maatregel ook ten koste zou gaan van destatushouders, maar ik ben blij dat de Minister dit in ieder gevalopheldert.Ik heb even een andere vraag. Andere partijen hebben al een aantal jarenhun zorgen geuit over de opgebouwde rechten, ook na de uitspraak vande rechter. Dat leidt ertoe dat we nu terughoudend zijn, wat economischbest onverstandig is, als wij de rapporten lezen. Volgens mij zou hetgeven van ruimte juist goed zijn voor integratie, participatie en voor deeconomie. Er lijkt een terughoudendheid te zijn die gebaseerd is op degedachtegang dat er opgebouwde rechten zijn. De angst bestaat dat diedan alsnog gebruikt zouden kunnen worden tegen de Nederlandse Staat.Volgens mij kan dat niet, want als iemand afgewezen wordt, wordt diepersoon geacht nooit rechten te hebben opgebouwd. Daar kun je niet vanafwijken. Kan de Minister dit bevestigen of ontkrachten? Ik vraag dit juistomdat wel of niet meer mensen toelaten gewoon gigantische econo-mische gevolgen heeft. Het is goed dat we het debat in dit verband opbasis van de feiten voeren.Minister Van Gennip:Allereerst bevestig ik nogmaals dat statushouders net als u en ik gewoonvrij zijn om op de Nederlandse markt te werken. Zij komen dus niet in hetgedrang als er tewerkstellingsvergunningen voor asielzoekers wordenafgegeven. Hetzelfde geldt voor arbeidsmigranten van binnen de EU,maar het heeft wel invloed op arbeidsmigranten van buiten de EU, wantdie hebben een tewerkstellingsvergunning nodig.Dan zeg ik nog iets over de opgebouwde rechten. Asielzoekers die nietlanger rechtmatig in Nederland verblijven, bijvoorbeeld omdat deasielaanvraag is afgewezen en de asielzoeker dus vertrekplichtig is– daarom blijf ik het belangrijk vinden dat je iets van een tewerkstellings-vergunning hebt, in welke vorm dan ook – hebben in principe geen rechtmeer op uitbetaling van uitkeringen.De voorzitter:Er is nog een derde vraag van de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik gebruik mijn derde vraag toch, omdat het bij de stappen die we hieringaan zetten, om miljarden gaat. Het klopt dat ze geen recht meer hebbenop uitkering. Klopt het ook dat opgebouwde rechten gewoon komen tevervallen? Dan heb ik het over WW en alle andere zaken. Klopt het dat eenasielzoeker geen aanspraak kan maken op sociale rechten in welke vormdan ook, als hij afgewezen wordt? Dat is de vrees van partijen in deKamer. Onderzoek wijst uit dat het de maatschappij miljarden kanopleveren, als wij dit beleid versoepelen. Maar er is sprake van terughou-dendheid. Ik zou de Minister graag willen vragen of zij daar volledig in kanzijn, zodat we de volgende keer niet weer hetzelfde debat hoeven tevoeren.Minister Van Gennip:Op het moment dat je het land moet verlaten omdat je hier niet magblijven, vervallen je WW-rechten. Het is heel simpel. Je mag de WW alleenmaar exporteren naar een land binnen de EU. Over het algemeen komenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41547 asielzoekers van landen buiten de EU. Daar kun je dus niet zomaar jeWW-uitkering naartoe exporteren. Op het moment dat je niet meer inNederland mag blijven, vervalt jouw WW-recht, want dan moet je het landverlaten. Als je toch in Nederland blijft, is het dus ook niet zo dat je dantoch je WW krijgt.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Van Gennip:Ik wil daar ook nog even aan toevoegen dat het ontvangen van eenwerkloosheidsuitkering het vertrek juridisch gezien ook niet in de wegstaat. Het is dus even belangrijk om te weten dat ook het omgekeerdegeldt: als een asielzoeker recht heeft op een WW-uitkering, staat dat zijnvertrek niet in de weg. Die WW-uitkering vervalt, omdat de asielzoekerniet langer het verblijfsrecht heeft en de uitkering staat het vertrekjuridisch gezien ook niet in de weg.Mevrouw Becker (VVD):Ik hoor de Minister zeggen dat de WW niet exporteerbaar is. Dat isinderdaad bekend. Dat is dus niet de zorg van in ieder geval mijn fractie.Op dit moment is er nog geen arrest bekend, waarin de rechter heeftgeoordeeld dat iemand wordt verondersteld een dusdanig duurzameband met Nederland te hebben, eigenlijk gebaseerd op het arbeidsver-leden, dat daarmee kan worden gezegd: u kunt deze persoon nu nietuitzetten. Maar het valt natuurlijk niet uit te sluiten dat een asieladvocaatdaar in de toekomst wel een beroep op gaat doen, als er sprake is van eenduurzame arbeidsrelatie met opgebouwde sociale rechten. Voordat hierde suggestie wordt gewekt dat er geen juridisch risico zou zijn, geef ik aandat dit eigenlijk onze zorg is. Is het kabinet bereid om eerst te monitorenof asieladvocaten zich uiteindelijk met dit soort pleidooien gaan melden?Minister Van Gennip:Een dergelijk arrest is mij niet bekend. Ik kijk voor de zekerheid even naarmijn ambtenaren en zie dat dit klopt. Waar een asieladvocaat zich wel ofniet op gaat beroepen, kan ik niet voorspellen. We monitoren dit natuurlijkaltijd, maar volgens mij is een van de politieke uitwegen – maar die is nietmeer aan mij – om inderdaad een onderscheid te maken tussen kansrijkeen niet-kansrijke asielzoekers. Ik ben hier even naar op zoek, want dathebben we laten uitzoeken in het kader van de discussies over migratiedie we binnen het kabinet hebben gehad. We hebben toen een juridischadvies aangevraagd of het mogelijk is om onderscheid te maken. Voor hetmaken van onderscheid in de wachttermijn tussen personen met eenkansrijke en een kansarme asielaanvraag moet je kijken naar de juridischehoudbaarheid, de uitvoerbaarheid en uiteraard de wenselijkheid. Over datlaatste gaan u en ik nog even. De inschatting van wat we hebbenuitgezocht in mei is dat differentiëren in de wachttermijn tussen groepenasielzoekers juridisch gezien mogelijk is, mits de wijze waarop je datvormgeeft, voldoet aan de Europese Opvangrichtlijn. Daarin staatoverigens dat lidstaten uiterlijk negen maanden na de asielaanvraagtoegang moeten garanderen tot de arbeidsmarkt. Je zou er bijvoorbeeldvoor kunnen kiezen om te differentiëren tussen drie en negen maanden,maar ik zeg niet dat dat het kabinetsstandpunt is. Waarom zou dat eenredelijke termijn kunnen zijn? Als het asielproces goed verloopt, dan benje met een termijn van negen maanden wellicht zover dat je de minder enniet-kansrijke asielzoekers er eerder uitgefilterd hebt. De consequentieshiervan, met name voor de uitvoering, moeten natuurlijk wel in kaartgebracht worden. Er zitten heel wat haken en ogen aan, maar juridischkan het. Dat is aan een volgend kabinet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41548 De voorzitter:Er is nog een vervolgvraag van mevrouw Becker.Mevrouw Becker (VVD):Ik wil even kijken of ik het goed begrijp. Door de uitspraak van de Raadvan State is de praktijk op dit moment als volgt. Als een kansarmeasielzoeker uit een veilig land komt, in spoor 1 of spoor 2 zit en na eenhalfjaar wil werken, dan wordt dat toegestaan, terwijl we eigenlijk met z’nallen weten dat deze persoon waarschijnlijk geen recht heeft op asiel.Begrijp ik het goed dat als dat het geval is, Nederland niet de mogelijkheidheeft om tegen deze doelgroep te zeggen: werken zit er niet in, want jezult waarschijnlijk terug moeten? Onze maximale ruimte is negenmaanden. U zegt: dat is aan een nieuw kabinet. Ik zou mijn collega’swillen uitdagen: laten wij daar in ieder geval zo snel mogelijk eenKameruitspraak over doen, want we moeten voorkomen dat mensen hetsignaal krijgen dat ze hier kunnen blijven, terwijl we eigenlijk al weten datze weg moeten.Minister Van Gennip:Ik zou de toegang tot werk niet willen koppelen aan het signaal dat ze hierkunnen blijven. Volgens mij moeten we er juist heel voorzichtig in zijn omdie koppeling te leggen.Even voor de duidelijkheid: er kan een juridisch onderscheid gemaaktworden tussen kansrijk en niet-kansrijk en daardoor kan de wachttijdverschillen. Maar dat moet je wel heel zorgvuldig vormgeven. Je moetallemaal uitvoeringstoetsen doen.Twee. Op dit moment heeft elke asielzoeker na zes maanden toegang totde arbeidsmarkt. Daarom is het van belang dat we de asielprocessen weergoed onder controle krijgen, zodat je degenen die minder kans maken, erna zes maanden uitgefilterd hebt. Als je dat onderscheid maakt, heb je totnegen maanden de tijd, want negen maanden is volgens de Europeserichtlijn de maximale wachttermijn.Wat hoor ik nu voor geluid? Het lijkt wel een soort applaus.Dit hebben wij allemaal vlak voor de zomer uitgezocht. U kunt wel eenbeetje raden hoe ik erin zit, maar daar gaat het hier niet over.Er was nog een vraag over de wachttijden in andere landen. Op Cyprus ishet één maand, in Italië is het twee maanden, in Bulgarije, Duitsland,Finland, Kroatië, Letland en Oostenrijk is het drie maanden, in België ishet vier maanden, in Nederland, Estland, Finland, Griekenland, Ierland,Letland, Luxemburg, Polen, Slowakije, Spanje en Tsjechië is het zesmaanden en in Hongarije en Slovenië is het negen maanden. Dieinformatie komt van het Europees Migratienetwerk.De heer Eerdmans (JA21):Mijn vraag aan de Minister is: is het bij die 24 wekeneis niet aannemelijkom te denken dat iemand die gaat werken ook een veel grotere kans heeftom hier te blijven, om asiel te krijgen? Dat nog staat even los van andereoorzaken. Is dat een rare overweging? Kunt u daar iets over zeggen? Is datniet een aannemelijke gedachte?Minister Van Gennip:Daarmee begeef ik mij op het terrein van mijn collega van JenV. Ik zeg heteven heel hoogover en in het algemeen: je asielaanvraag wordt beoor-deeld op de reden waarom je je land hebt verlaten en waarom jehiernaartoe bent gekomen en niet op de vraag of je wel of niet bij onzearbeidsmarkt past. Daar hebben we andere regelingen voor, zoals deregeling voor kennismigranten of de tewerkstellingsvergunningen voormigranten van buiten de EU. De vraag of je hier wel of niet aan het werkkan en of je goed bij onze arbeidsmarkt past, is geen criterium voor eenasielaanvraag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41549 De voorzitter:De heer Eerdmans heeft een vervolgvraag.De heer Eerdmans (JA21):Maar andersom weten we dat de reden om mensen uit te zetten ookweleens wordt gehinderd door het idee: ze zijn geworteld hier inNederland, ze hebben kinderen en ze zitten al zo lang in de procedure. Ikdenk dat dat geen valide argumenten zijn voor de vraag of iemand op dejuiste manier door de procedure is gegaan. Kortom, er spelen vaker heleandere argumenten mee om iemand wel of niet in Nederland te latenblijven, ook bij de rechter. Ik vraag me af of dit niet een grotere hinderniswordt. Mensen kunnen een totaal verzonnen verhaal presenteren, maarhier inmiddels geworteld zijn via hun arbeidsverleden.Minister Van Gennip:Volgens mij is daarom de monitoring waar mevrouw Becker naar vroegvan belang. Kijk, de Raad van State heeft zich uitgesproken. Die 24wekeneis is, wat u daar ook van vindt of wat ik daar ook van vind, gewoonvan tafel. Zo’n uitspraak voeren we netjes uit. We hebben het net gehadover het verschil tussen kansrijke en kansarme asielzoekers. Ik denk datdaar een oplossing ligt voor de vraag die de heer Eerdmans stelt. Diemoet natuurlijk wel uitvoerbaar zijn en juridisch passen. Ik zou zeggen datin de tussentijd elke asielzoeker die hier mee kan doen in de samenleving,die kan helpen met die arbeidsmarkttekorten, die een netwerk opbouwt enbezig is in al die maanden dat die op zijn aanvraag zit te wachten in plaatsvan toch in zo’n azc rond te hangen voor iedereen mooi meegenomen is.We weten ook dat asielzoekers die al werken daarna als statushoudervaker aan het werk zijn en beter integreren.De voorzitter:Ik wil even een klein punt van orde maken. Ik geef zo meteen nog éénvraag aan mevrouw Patijn, maar daarna gaan we de vragen wat mijbetreft even per blokje doen. Dan geven we de Minister gewoon hetwoord om een blokje af te maken en doen we daarna de vragen voor datblokje. O, mevrouw Patijn kan wachten. Dan maken we eerst het blokjewerk statushouders en asielzoekers even af. De Minister.Minister Van Gennip:De heer Bamenga en volgens mij ook mevrouw Van Dijk vroegen ofwerkbegeleiding voor asielzoekers mogelijk is. Uit het rapport vanRegioplan blijkt dat het ontbreken van een formele ondersteunings- ofbegeleidingsstructuur – daarom vroeg u er natuurlijk ook naar – eenbelemmering vormt. In de kabinetsreactie heb ik toegelicht dat ik bezigben met een verkenning naar wat voor soort ondersteuning voor dezedoelgroep goed zou kunnen zijn. Dat kan begeleiding zijn en dat kanondersteuning zijn. Daarover lopen nu gesprekken met UWV en het COA,dus u leest ongetwijfeld in de voortgangsbrief hoe we daar gevaren zijn.Dan waren er vragen over de voorlichting over de Reba. Uit het onderzoekvan Regioplan over de belemmeringen voor asielzoekers blijkt ook dat deonduidelijkheid over het te betalen bedrag een van de belemmeringen is.Daarop is een kabinetsreactie gekomen van mijn collega Van der Burg vanJenV. Die verkent hoe de informatievoorziening hierover zowel naar deasielzoeker als naar de werkgever verbeterd kan worden. Hij zalongetwijfeld ook ingaan op al uw vragen over hoe de Reba is samenge-steld en wat daar wel of niet, volgens u, in klopt. Daar hoort ook de vraagbij over de eigen bijdrage voor de opvang van asielzoekers. Ja, asiel-zoekers met inkomsten of eigen vermogen betalen een eigen bijdrage. Datstaat ook in de Reba en die ligt, zoals ik al zei, bij mijn collega van JenV. Ikvind overigens – mijn collega vindt dat ook – dat een besluit over eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41550 eventuele aanpassing aan een volgend kabinet is. Maar als u er meer overwilt weten, moet u bij en JenV zijn.Misstanden bij asielzoekers die werken. Dat vind ik een belangrijke vraagvan mevrouw Patijn. Asielzoekers hebben net als andere Nederlandersrecht op eerlijk, gezond en veilig werk en daar zijn werkgevers primairvoor verantwoordelijk, maar we weten natuurlijk ook dat dat in de praktijkte vaak misgaat. UWV beoordeelt bij de aanvraag van de tewerkstellings-vergunning of aan de voorwaarden wordt voldaan. Daar zit onder anderede vraag bij of het loon marktconform is. De Arbeidsinspectie – mevrouwPatijn weet daar veel van – onderzoekt alle meldingen van mogelijkearbeidsuitbuiting en geeft daar mogelijk opvolging aan. Ze kunnen diemeldingen doorzetten naar toezicht voor controles op naleving van dearbeidswetten, de Arbeidstijdenwet.Maar even afgezien van wat de Arbeidsinspectie hier doet, is hetinderdaad zo dat deze groep extra kwetsbaar is voor uitbuiting, juistomdat het mensen zijn die net in Nederland zijn, de regels misschien nognet zo goed kennen, misschien ander arbeidsomstandigheden gewendzijn dan wij hier hebben en misschien wel bang zijn dat zij hun baanverliezen als zij zich uitspreken. Ik ben het dus met u eens dat extraaandacht daarvoor echt nodig is. Dat gaat mee in het brede risicoplan, hetrisicogericht toezicht, van de Arbeidsinspectie gericht op kwetsbarewerknemers. Dat zijn arbeidsmigranten, maar zeker ook asielzoekers en insommige gevallen ook Oekraïners.De heer Ceder, mevrouw Koekkoek en de heer Van Oostenbruggenvroegen alle drie of het niet belangrijk is dat die arbeidsmigranten ookNederlands leren. Ja, maar ik trek het even breder. Een van de zakenwaarover we het gesprek zijn begonnen, maar die waarschijnlijk door mijnopvolger afgemaakt gaan worden, is de integratie van arbeidsmigranten.Een aantal van u refereerde al aan de bubbel waarin expats of arbeidsmi-granten in Nederland vaak verblijven. Toevallig was ik gisteren inRoemenië om te praten over arbeidsmigratie en hoe we samen betervorm kunnen geven aan fair labour mobility. Dat gaat over informatie-voorziening aan mensen die hiernaartoe gaan, in dit geval Roemenen, dusvan tevoren informatie geven over wat je rechten en je plichten zijn.Wat het leren van de Nederlandse taal betreft: als je hier een paarmaanden bent en weer teruggaat, dan is dat natuurlijk iets anders dan alsje kinderen hier naar school gaan en je hier blijft. Ik vind ook eigenlijk datwe daar met elkaar het gesprek over moeten hebben. Wij kunnenEuropese arbeidsmigranten niet verplichten om Nederlands te leren. Toenik in Frankrijk werkte, was er voor mij geen verplichting om Frans te leren.Dat heb ik overigens wel gedaan. Maar ik vind dat daarin ook wel eenverantwoordelijkheid voor werkgevers ligt. Werkgevers of uitzendbureaushalen mensen namelijk naar Nederland. Ik weet ook dat een aantalwerkgevers die verantwoordelijkheid op zich nemen en Nederlandse lesen soort inburgering, een soort «leer Nederland kennen», aanbieden.Zoals ik in een vorig debat heb toegezegd, ga ik het gesprek met dewerkgevers over hun verantwoordelijkheid intensiveren.Er zijn een aantal O&O-fondsen die subsidies aanbieden om taalonderwijste bekostigen. Dat zeg ik tegen de heer Van Oostenbruggen. Er isoverigens nog een hele prachtige discussie te voeren over die fondsen. Ikdenk namelijk dat die een hele grote rol kunnen spelen in Leven LangOntwikkelen, niet alleen bij arbeidsmigranten, maar dan moeten ze bereidzijn om niet alleen programma’s of opleiding te financieren die je vanelektricien a naar elektricien b helpen, maar ook digitale vaardigheden,taalvaardigheid of Engels leren voor Nederlanders. Dat geldt ook vooreventuele overstappen naar tekortsectoren. Dat is even een uitstapje naarde O&O-fondsen, maar ik vind dat dat een mooie brug is. Ik zal dusspecifiek uitvragen hoe werkgevers die fondsen inzetten om juistarbeidsmigranten taal te leren. Daar kom ik dan bij u op terug. Dan hebt uin ieder geval de feiten voorhanden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41551 Als onderdeel van het integreren van arbeidsmigranten, vind ik een aantalvoorbeelden heel aardig. Daarin zie je dat werkgevers en werknemers-organisaties echt gezamenlijk de handschoen hebben opgepakt. Dat zie jeonder andere bij de Brabantse migratie-informatiepunten. Ik heb zelf heteerste mogen openen, in Helmond. Daar zijn ze bezig met taalonderwijsvoor arbeidsmigranten en geven ze informatie over hoe mensen hun rechtkunnen halen, wat zij van huisvesting kunnen verwachten en eventueleomscholing naar die tekortsectoren. Dat doen zij juist om ervoor te zorgendat die arbeidsmigranten echt onderdeel worden van het Nederlandsenetwerk waarin zij zitten.Tegen de heer Van Oostenbruggen zeg ik: nee, ik ben niet bereid om detewerkstellingsvergunning af te schaffen voor werkgevers die asielzoekersin dienst willen nemen in tekortsectoren. Volgens mij heb ik net al in hetalgemeen gezegd waarom ik het belangrijk vind dat er iets als eentewerkstellingsvergunning blijft bestaan. Dat kan misschien in een anderevorm zijn als het heel bureaucratisch of administratief lastig is. Daar kijkenwe naar en dat leggen we klaar voor een volgend kabinet. Maar ik denkdat je die echt nodig blijft hebben.Dat was het blokje werk.De voorzitter:Dan hebben wij een aantal vragen. Mevrouw Patijn is als eerste, daarnade heer Boon en dan mevrouw Koekkoek.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Dan ga ik een andere vraag stellen dan ik van plan was, maar dat magwel. Dat kon u niet weten. Ik was wel benieuwd of er inzicht te krijgen is inhoe omvangrijk die kwetsbaarheid en vooral ook de uitbuiting zijn. Ik hebhet gevoel dat het vrij onzichtbaar is. Welke focus wordt daarop gelegd? Ikben ook benieuwd op welke wijze er afspraken gemaakt kunnen wordenom de mensen voor wie een tewerkstellingsvergunning verkregen is,direct in dienst te laten komen. De keuze om het via het uitzendbureau telaten lopen, maakt dat mensen sneller kwetsbaar zijn. Het zou mooi zijnals daarin een koppeling gemaakt kan worden.Minister Van Gennip:Wat betreft het inzicht in misstanden rondom werkende asielzoekers: ikdenk dat de aantallen tot vorig jaar nog zo laag waren dat je daar niet echtheel breed iets over kan zeggen. Ze waren niet op een hand te tellen, maarde aantallen waren laag. Nu die aantallen zo enorm stijgen, kan ik mevoorstellen dat dit iets is waar de Arbeidsinspectie – al is die zelfstandigen voert die haar eigen risico-inventarisatie uit – goed naar zal kijken endat die dit echt goed op het netvlies wil hebben. Als je het echt hebt overkwetsbare werknemers, heb je het natuurlijk over asielzoekers enderdelanders. We zien inmiddels dat een aantal arbeidsmigranten,bijvoorbeeld uit Polen, steeds mondiger beginnen te worden en steedsbeter weten waar ze wel of geen recht op hebben. Ik neem aan dat deArbeidsinspectie meeluistert en uw zorgen tot zich neemt.De tewerkstellingsvergunning en rechtstreekse indiensttreding vind iklastig. De arbeidsmarkt is zoals die is. Ik zie het niet zo snel zitten om vooréén groep een uitzondering te maken. Ik weet ook niet of dat echt helptom de asielzoekers snel aan het werk te krijgen. Ik denk dat de goedbe-doelende, bonafide uitzenders daar goed een rol in kunnen spelen. Ik benhet met mevrouw Patijn eens dat er helaas een heleboel kwaadwillendeuitzenders zijn, die niet alleen het goede met de mens voorhebben. Maarhet is natuurlijk ook een manier om aan het werk te komen via de goedeuitzenders.De voorzitter:Nog een vervolgvraag van mevrouw Patijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41552 Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Ik zeg het ook omdat het zo ontzettend belangrijk is voor de integratie omonderdeel te zijn van het sociale verband van het werk en de cohesie diedat met zich meebrengt. Dat gaat helemaal verloren als mensen via eenuitzendbureau werken. Dat is iets wat we volgens mij allemaal moetenkunnen beamen. Als we een uitzendkracht een paar weken zien langs-komen, is er een andere rol in verhouding tot die uitzendkracht. Dus ik zouhet mooi vinden als er toch gekeken wordt of daar een mogelijkheid vooris.Minister Van Gennip:Dat is eigenlijk een terugkerende vraag van mevrouw Patijn. Moet 85% indienst zijn in bepaalde sectoren? Ik denk dat de eerste oplossing waar wenaartoe moeten de toelating van de uitzendbureaus is, zodat je het kafecht van het koren kunt scheiden. Daarnaast kan ik me allerlei discussiesvoorstellen over uitzendverboden in sectoren voordat je voor eenspecifieke groep zegt: daar gaan we het anders voor doen. Daar zou ik ookniet gelijk voor zijn, maar daar hebben we natuurlijk ook al een aantaldiscussies in deze Kamer over gehad. Maar dat er misstanden zijn waaruitzendbureaus bij betrokken zijn, is zeker waar. Ik denk dat de Wtta daarineen hele belangrijke stap is.De heer Boon (PVV):Ik wil toch nog even terug naar de Reba, want ik wil graag de bevestigingvan de Minister hebben dat als iemand een netto-inkomen heeft bij eenwerkgever van € 1.500, die netto na alle aftrek van eigen bijdragen€ 1.283,50 overhoudt. Mijn vraag was ook – daar heb ik ook nog geenuitspraak op gehad – of u dat eerlijk vindt. U zegt: wij kunnen het nietaanpassen als demissionair kabinet. Dat begrijp ik. Dat is uw standpunt.Vindt u dat het eerlijk is? Is het uit te leggen aan de hardwerkendeNederlander, die eigenlijk niets overhoudt?Minister Van Gennip:De Reba zoals die er nu uitziet, is natuurlijk gewoon staand beleid. Dus datis waar dit kabinet voor staat. Als u daar wijzingen in wilt aanbrengen, danvind ik dat echt aan een missionair, aan een volgend kabinet. En ten slotte,het is aan mijn collega Van der Burg om u hier de gedetailleerdeantwoorden op te geven. Ik wil niet in zijn beleidsterrein treden. Ik kan ude cijfers voorlezen die in het rapport staan, maar volgens mij wil de heerBoon een discussie hierover aangaan en dat moet echt met mijn collegaVan der Burg.De heer Boon (PVV):Ik weet niet of het gebruikelijk is in dit huis, maar zou u dan eventueel eenbrief kunnen vragen aan de heer Van der Burg over deze cijfers aan dezecommissie?Minister Van Gennip:Ik denk dat dat een discussie is met de commissie Asiel van de heer Vander Burg. Dat is een. En twee is dat ik meen dat die discussie daar ookgevoerd wordt. Ik vind het dus een beetje lastig om die discussie dan aantwee commissietafels te doen. Dat is ook niet gebruikelijk. Het gebruike-lijke is om de discussie te voeren met de verantwoordelijke bewinds-persoon, ook omdat ik niet in zijn beleidsprioriteiten wil treden zoals ikook niet wil dat hij dat in mijn beleidsprioriteiten zou doen. Zo doen wedat meestal.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41553 De voorzitter:Misschien een punt van orde. Een dergelijke vraag kan ingebracht wordenin de procedurevergadering van de commissie JenV. Dat was denk ik ookde opmerking van de heer Eerdmans.De heer Eerdmans (JA21):Ja, of, misschien nog makkelijker, u geleidt de vraag door.De voorzitter:Dat heb ik net gecheckt. Dat schijnen wij niet te kunnen. Dus vandaar.De heer Eerdmans (JA21):Eén mailtje, zou je zeggen. Ik zit in die commissie en ik heb deze vraagniet zo specifiek voorbij horen komen.De voorzitter:Dus als u die zou kunnen stellen samen met meneer Boon, dan denk ik datwe dit probleem oplossen.De heer Eerdmans (JA21):Dat moet wel lukken.De voorzitter:Nog een laatste vraag van mevrouw Koekkoek.Mevrouw Koekkoek (Volt):Op dit punt de laatste vraag, ja. Dank aan de Minister dat zij het gesprekmet de werkgevers aangaat. Ik denk dat dat een goede route is. Ik wilgraag nog wel doorvragen. Ik heb in mijn inbreng twee specifiekevoorbeelden genoemd, namelijk de gemeente Brussel die voor een heellaag tarief taallessen aanbiedt en het Expat Spouses Initiative in Noord-Brabant – sorry voor het Engels – waar het niet alleen over de werkgeversgaat. Ik was eigenlijk nog wel benieuwd of we werkgevers ook op dit soortmanieren kunnen ondersteunen om die sociale cohesie te bevorderen ente beginnen met taal voor arbeidsmigranten.Minister Van Gennip:Ik kijk even naar rechts, naar mijn ambtenaren, voor de specifiekevoorbeelden, voor zover die bij ons bekend zijn. Zoals ik u al zei, zijn erheel veel goede voorbeelden, die zo veel mogelijk uitgewisseld worden.We zullen ook even achter deze twee voorbeelden aangaan. We kijken ofwe uw mening delen dat het goede voorbeelden zijn en zorgen dan dat zevia al die netwerken verspreid worden. En daar wil ik u ook best kond vandoen.Mevrouw Koekkoek (Volt):Dank aan de Minister, maar dat was niet mijn vraag. Ik wil het ietsverhelderen. Ik begreep namelijk uit het antwoord van de Minister– misschien heb ik het verkeerd begrepen – dat de inzet voor taallessenvoor arbeidsmigranten, expats en arbeidsmigranten, alles wat daarbinnenvalt, met name via de werkgevers gaat op dit moment. Mijn vraag waseigenlijk – daarom gaf ik die voorbeelden – of wij daar ook kaderendbeleid voor kunnen neerzetten waardoor die werkgevers meer geholpenworden. Dan wordt het dus niet de primaire verantwoordelijkheid van dewerkgever alleen, maar kunnen misschien ook vanuit de gemeentenbepaalde initiatieven komen die elkaar versterken. Dat was mijn vraag.Minister Van Gennip:Wij hebben een aantal mogelijkheden via de gemeentes en via derijksoverheid. Een van de pijlers in Statushouders aan het werk gaatTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41554 natuurlijk over taal. Wat ik net heb gezegd, is dat ik vind dat werkgeversdaar zelf ook een verantwoordelijkheid in hebben, naast gemeentes en derijksoverheid. Want wij zetten er nu best al wat op in hier en daar, maar ikvind dat de werkgevers ook die verantwoordelijkheid kunnen nemen. Wehebben via het Rijk geld beschikbaar gesteld aan gemeentes via de Weteducatie en beroepsonderwijs. Daar kunnen arbeidsmigranten dusgebruik van maken. Er is ook een programma Tel mee met Taal van OCW.Daar kunnen ook subsidies aangevraagd worden door werkgevers. Dit zijnallemaal manieren waarop werkgevers hulp krijgen vanuit de overheid ofgemeentes om te zorgen dat arbeidsmigranten beter met taal gaan. Maargezien het belang dat wij hier met elkaar hechten aan taal voor arbeidsmi-granten, lijkt het me eigenlijk wel goed om u in een volgende voortgangs-brief – dan nemen we ook de O&O-fondsen van de heer Van Oosten-bruggen mee – even een overzicht te geven van wat we nu doen op hetgebied van taal voor arbeidsmigranten. Wat doet de overheid? Wat doengemeentes? Wat doen werkgevers? Wat kunnen we van elkaarverwachten? Welke goede voorbeelden zijn er? Dan kunnen we ook beterzicht krijgen op de integratie – ik heb het dus niet over de inburgering –van arbeidsmigranten met elkaar. Dan kunnen we daarna met elkaar hetgesprek hebben over de vraag of er nog iets anders of meer moet.Mevrouw Koekkoek (Volt):Dank voor het aanbod. Ik had net een interessant interruptiedebatje metmevrouw Van Dijk over sociale cohesie en participatie in bredere zin. Mijnvraag was: als de Kamer zo’n overzicht krijgt, kunnen dat soort bestaandeinitiatieven daar dan misschien aan toegevoegd worden? En ook wat wemogelijk nog meer kunnen doen? Ik denk namelijk dat het heel goed is omtaal en sociale cohesie samen te pakken.Minister Van Gennip:Dat lijkt me een goede suggestie. Daar hoort bijvoorbeeld ook hetBrabants informatiepunt bij. Het eerste informatiepunt zit in Helmond. Dathebben we ingericht als pilot, niet om te kijken of we dit willen, maar hoewe het willen. Volgens mij is die over een aantal maanden afgerond. Danwillen we dat uitrollen in meerdere regio’s in Nederland. Ik denk wel dater op dit moment heel veel meer initiatieven zijn op het gebied van taal eninformatie dan op het gebied van sociale cohesie, maar dat brengen wedan in kaart. Ik denk ook dat er best veel initiatieven zijn waar wij niet vanweten. Dat mag en moet zelfs ook. Dat zijn dan kleinschaligere initiatievenvan bijvoorbeeld het maatschappelijk middenveld en soms zelfs vansportverenigingen en van lokale buurten of regio’s. Dat is ook alleen maarmooi. Die kunnen we niet allemaal zien, maar daar waar we het weten,zullen we het meenemen.De voorzitter:Ik denk dat we klaar zijn met de vragen uit dit blokje.Minister Van Gennip:Ja, voorzitter. Dan ga ik naar inburgering. Ik begin met de handreiking diewe hebben opgesteld. Dat is een handreiking voor hoe om te gaan metspanningen en polarisatie, specifiek rondom het conflict Israël, Hamas enPalestijnse gebieden. In die handreiking benadrukken we hoe je eendialoogsessie kunt voeren en ook hoe belangrijk het is om elkaarsverschillende perspectieven te respecteren en te begrijpen waar mensenvandaan komen. Die handreiking gaat over hoe je omgaat metspanningen en polarisatie. Hoe zorg je ervoor dat de spanningen van daarhier niet tussen gemeenschappen in komen te staan? Hoe werk jeconcreet aan verbinding en dialoog? Ik vind het wel aardig dat dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41555 handreiking inmiddels ook internationale belangstelling heeft. Ik vind dathet team dat daarvoor verantwoordelijk is dat echt heel goed gedaanheeft.Je ziet in de discussies niet alleen dat elk woord telt – daar hadden we hetnet over – maar ook hoe verschillende perspectieven van mensen echteen verschillende kleuring kunnen geven aan wat er gebeurt. We hebbenvoor die handreiking gebruikgemaakt van verschillende inzichten,onderzoeken en kennisinstituten. Een van die kennisinstituten is deUniversiteit van Leiden. In een filmpje geven zij uitleg over het conflict.Dat is een van de voorbeelden van hoe je het conflict kan zien. Wat we aanhet doen zijn om meerdere perspectieven op het conflict te laten zien, ishet toevoegen van andere voorbeelden.Dan de financiering van deze leerstoel van wetenschapper Berger. Ik weetniet zeker of dat een hoogleraar is. Klopt dat? Ik hoor dat dat klopt. Omanheeft kennelijk in 2008 eenmalig een bijdrage betaald voor een leerstoel.Wij zijn te rade gegaan bij het Ministerie van OCW, want dat gaat overleerstoelen. De rijksoverheid en het kennisveld hebben gezamenlijk deNationale leidraad kennisveiligheid opgesteld, waarin instellingen wordenopgeroepen om zicht te houden op internationale samenwerkingsver-banden en financieringsrelaties. Als uit hun analyse blijkt dat erverhoogde risico’s zijn, dan is het aan de instellingen om maatregelen tetreffen. De instellingen in het hoger onderwijs moeten daar toezicht ophouden, en daarmee ook hun raad van toezicht.Dan het taalonderwijs. Er waren heel wat vragen over welke taaluren enwelk taalniveau je in welke routes moet hebben.Allereerst zeg ik tegen mevrouw Becker: ik begrijp u zorg. U zegt: als jenou taal combineert met werk, in die duale trajecten, ga je dan minderdoen aan taal? Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Het gaat om betaaldwerk in een taalrijke omgeving waar ook Nederlands wordt gesproken. Wemoeten de knelpunten die er in de praktijk zijn natuurlijk wegnemen. Wehebben met een aantal deskundigen gesproken over of je de taaluren inde Z-route kunt verlagen. Niet sowieso, maar om te zorgen dat je detaalervaring die iemand in zijn werk opdoet, kan laten meetellen. Dan gaathet dus om een betaalde werkomgeving waar Nederlands wordtgesproken en waar ook begeleiding is om dat Nederlands te leren, wantwe weten dat het leren van taal op de werkvloer heel goed werkt. Datmoet je natuurlijk blijven combineren met klassikale taaluren, want jemoet ook gewoon de grammatica leren. Dat betekent dus dat je nogsteeds 600 klassikale taaluren nodig hebt, naast het verwerven van de taalin de praktijk.Mevrouw Keijzer vroeg op het klopt dat DUO vrijstellingen geeft voor hetleren van de Nederlandse taal.De voorzitter:Een punt van orde. Wij doen de vragen aan het eind van het blokje,mevrouw Becker. Gaat u verder, Minister.Minister Van Gennip:Het uitgangspunt voor nieuwkomers is een inburgeringsplicht en hetslagen op het voor de inburgeraar hoogste taalniveau. Onder de oudeinburgeringswet is dat taalniveau A2. Daar is ontheffing van mogelijk alsslagen niet lukt. Dan moet je 600 uren taalles gevolgd hebben bij eenerkende taalschool en minimaal drie pogingen hebben gedaan. Dat weetu. Onder de nieuwe wet is er een zelfredzaamheidsroute voor inburge-raars die niet in staat zijn om A2 te halen. Ontheffingen daarvoor zijnalleen aan de orde bij medische omstandigheden of zeer bijzondereomstandigheden. Voor alle duidelijkheid: de Z-route onder de nieuwe wetgeeft geen recht op naturalisatie. Voor naturalisatie onder de nieuwe wetis A2 vereist. Die uitzonderingen waar mevrouw Keijzer het over had, zijnwaarschijnlijk nog uit de Wi 2013. Ook geeft een ontheffing in de Wi 2021Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41556 niet automatisch ontheffing van de taaleis A2 bij naturalisatie. Wel is ereen zelfstandige medische ontheffing bij naturalisatie. Vaak zal ditdezelfde conclusie leiden.Laat ik even vooropstellen dat ik het belangrijk vind dat zo veel mogelijkmensen op een zo hoog mogelijk niveau de Nederlandse taal leren. Dat iseen. Twee is dat ik vind – dat vindt het kabinet ook – dat er bij naturalisatieeen taaleis hoort. Dan kun je een discussie hebben over of dat A2 of B1moet zijn, maar die taaleis hoort erbij. Mede daarom is het nu ook in dienieuwe inburgeringsroute zo dat de Z-route geen recht geeft op naturali-satie. Bij wat er nog uit 2013 uitstroomt, kunnen dat soort dingen welgebeuren, maar niet zoals we het nu opnieuw hebben ingezet. Ik weet hoebelangrijk taal kan zijn door te leven en te werken in het buitenland endaarom vind ik het persoonlijk heel belangrijk dat we daar echt aanvasthouden.Mevrouw Patijn had een vraag over NT2-docenten. Er zijn diversegesprekken gevoerd tussen vertegenwoordigers van taalscholen endocenten. We hebben helaas nog geen concrete afspraken kunnen maken.We proberen die gesprekken zo goed mogelijk te stimuleren en tefaciliteren, maar het is in Nederland zo geregeld dat het aan werkgeversen werknemers gezamenlijk is om de arbeidsvoorwaarden te bepalen endaar concreet invulling aan te geven. De positie van docenten van roc’s inde private markt voor inburgeringsonderwijs is niet onzeker, wantNT2-docenten die bij een roc in dienst zijn vallen al onder de cao van dembo-sector.De heer Van Oostenbruggen vroeg naar het onderzoek naar publiekgefinancierd onderwijs en ik dacht ook mevrouw Van Dijk en misschienook mevrouw Koekkoek of mevrouw Patijn. Ik heb ’m een aantal keergehoord. Er was een motie-Palland/Kathmann, die verzocht om de voor-en nadelen van een publiek bekostigde onderwijsroute te onderzoeken.Dat onderzoek is in volle gang. Dat is dus wel gestart, zeg ik tegen de heerVan Oostenbruggen. Zorgvuldige uitvoering van zo’n onderzoek vraagtnatuurlijk tijd. In de brief van 14 maart bent u geïnformeerd over devoortgang. Uw Kamer heeft mij verzocht om de resultaten voor debehandeling van de Voorjaarsnota met u te delen en ik verwacht aan datverzoek te kunnen voldoen.Wat zijn de grootste knelpunten in de uitvoering van het onderzoek? Datgaat over datzelfde onderzoek, het onderzoek waarin gekeken wordt naareen publiek bekostigde onderwijsroute. We hebben nu natuurlijk eenprivate onderwijsroute die net begonnen is. Een traject loopt over hetalgemeen anderhalf jaar, dus het is echt te vroeg om een sluitendeconclusie te trekken over het functioneren van die onderwijsroute. Die isnet van start. Die was wat vertraagd, omdat de financiering van dieonderwijsroute in het begin nog niet helemaal rond was. Nu zie je dat datloskomt. Maar de verwachting is wel dat het onderzoeksbureau diverseaanknopingspunten zal bieden die verder uitgediept kunnen worden in deevaluatie van de wet in 2025 en 2027.In het kader van inburgering vroeg mevrouw Koekkoek naar vrouwelijkestatushouders, en volgens mij mevrouw Becker ook. Allereerst, hetparticiperen van vrouwen, en zeker van vrouwelijke statushouders, op dearbeidsmarkt ligt mij na aan het hart. De redenen voor de achterblijvendeparticipatie zijn niet bekend. Daar kunnen we misschien wel naar gissen.We weten dat ze vaak onvoldoende zicht hebben op hun mogelijkhedenop de arbeidsmarkt. Denk ook aan een klein sociaal netwerk en kinder-opvang.Ik zie wel dat er bij gemeentes toenemende aandacht is voor vrouwen.Daardoor ontstaat ook meer kennis. Mooie voorbeelden zijn er inAmsterdam, Zoetermeer, Hoeksche Waard en Almere; daar ben ik zelfgeweest. Ik blijf in de samenwerking met gemeenten onverminderdinzetten op het verbeteren van kansen voor vrouwen. We hebben dezediscussie eerder gehad. Volgens mij verving de heer Aartsen toenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41557 mevrouw Becker. Mevrouw Becker vraagt er vandaag weer naar. Ik denkdat we dit in ons BO met de VNG nog een keer specifiek gaan aanzwen-gelen om te zorgen dat we echt die participatietrajecten voor vrouwenveel steviger neerzetten. Ik ben het namelijk met de Kamer eens dat hetbelangrijk is dat ook vrouwelijke statushouders aan de slag gaan.Mevrouw Becker vroeg of de Minister wil zorgen dat iedere vrouw vaneen gezin gaat solliciteren en dat ieder gezin standaard een gesprek krijgtover vve voor kinderen. Mijn collega Schouten is hard bezig met desollicitatieverplichting in de Participatiewet. Elke bijstandsgerechtigdemoet aan de arbeidsverplichtingen voldoen, waaronder de sollicitatie-plicht. Dat geldt dus ook voor statushouders. Want als er sprake is vantwee bijstandsuitkeringen, dan geldt die verplichting voor beiden. Dat isdus heel erg belangrijk. Als een van de twee werkt – het is waar: dat isvaak de man – dan ontvangt de andere partner natuurlijk geen bijstands-uitkering. Als in een gezin beide mensen niet werken, dan geldt deverplichting voor beiden. Gemeentes zijn er ook echt verantwoordelijkvoor om erop toe te zien dat de verplichtingen worden nageleefd. Dat isook wat ik ga meenemen in dat gesprek met VNG.Het tweede deel van uw vraag gaat over de voor- en vroegschoolseeducatie. Gemeenten zijn wettelijk verplicht om die vve, voor- envroegschoolse educatie, voor kinderen te bespreken in de brede intake.Dat zit dus in het traject met de gemeentes. Dat is ook een wettelijkeverplichting, dus dat is geen – we komen dadelijk te spreken overstreefcijfers – streef-iets. Dat is echt een wettelijke verplichting.Mevrouw Van Dijk vroeg of we bereid zijn om onderzoek te doen naar depublieke voorziening voor voorschoolse educatie en naar wat die zouopleveren qua kansengelijkheid. Dat onderwerp ligt op het terrein van deMinister voor Primair en Voortgezet Onderwijs. Ik zal de vraag dus naarhaar doorgeleiden.De voorzitter:Dan was dit volgens mij het einde van een blokje.Minister Van Gennip:Nee.De voorzitter:O, nog een aantal. Misschien een klein punt van orde voordat weverdergaan. Het is 16.55 uur. Ik kijk even naar de leden. Ik weet dat deMinister tot 17.45 uur tijd heeft. Ik krijg ook van twee leden door dat17.15 uur hun uiterste deadline is. Ik stel voor dat de Minister goed tempomaakt tot 17.15 uur. Misschien is het ook goed om te weten dat we nogeen schriftelijke vragenronde kunnen doen. Nee, dat kan niet? O, ik vondhet zelf wel praktisch. Laten we kijken hoever we komen, en andersmoeten we ... Mevrouw Becker?Mevrouw Becker (VVD):Toch even een punt van orde. Als wij als commissie van mening zoudenzijn dat de vragen nog onvoldoende aan de orde zijn gekomen, danzouden wij met elkaar natuurlijk kunnen besluiten dat we behoefte hebbenaan een schriftelijk overleg met deze Minister. Of begrijp ik dat verkeerd?Ik bedoel: in de procedurevergadering. Dan zouden we nu kunnenaankondigen: we vinden de vragen onvoldoende beantwoord. Maar het isook weleens gebeurd dat vragen nog schriftelijk nagezonden zijn. Dat zoutoch ook nog kunnen? Ik vraag dat even voor onze eigen mogelijkheden.Minister Van Gennip:Voorzitter, als ik nog even mag. We hebben nog een hele stapel liggen. Alswe die allemaal schriftelijk gaan beantwoorden, dan betekent dat heelveel pagina’s brieven. Ik vind ook niet dat we ze onvoldoende hebbenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41558 beantwoord. We hebben gewoon nog niet de tijd gehad om ze allemaal tebeantwoorden. In deze commissie heb ik meerdere malen meegemaaktdat we dan gewoon een vervolgcommissiedebat plannen, zo snel als hetpast. Dat is prima, want dan gaan we gewoon verder met die hele stapel.Die stapel vraagt ook wel om nog heel veel antwoorden. Ik heb hier nogwat liggen en daar nog wat stapels. Maar ik kan ook nu even gas geven.De voorzitter:Laten we het allebei doen. Laten we dus gas geven tot 17.15 uur endaarna, zoals in principe de reguliere procedure is, de vergaderingopnieuw inplannen en voortzetten. We kunnen ook om 17.00 uur stoppen.Dus: 17.00 uur of 17.15 uur?De heer Ceder (ChristenUnie):Voorzitter. Ik vind 17.15 uur prima. Ik moet wel wat eerder weg, maar ikvind het prima om daarna een vervolggesprek te hebben. Dan laat ik hetdus aan mijn collega-Kamerleden over.De voorzitter:Helder. We gaan door tot 17.15 uur. Daarna gaan wij eventueel herplannenvoor de rest. Nog een klein punt van orde, mevrouw Becker?Mevrouw Becker (VVD):Toch even voor de duidelijkheid: een vervolg op dit overleg betekent nietweer een nieuw debat met weer een eerste termijn van de Kamer?De voorzitter:Exact. Het is een voortzetting. Dus: tempo maken en om 17.15 uurstoppen we ermee.Minister Van Gennip:Zoals ik het gewend ben in deze commissie – ik kijk even naar decommissieleden; vooral de heer Ceder heeft dat vaak meegemaakt – is erdan gewoon een voortzetting van het commissiedebat op een latermoment. Het zal niet de eerste keer zijn. Met zo veel woordvoerders enheel veel vragen zat dit er een beetje aan te komen.Maar ik praat door, voorzitter. Financieel ontzorgen. Mevrouw Becker heefthet daar al vaker over gehad, dus ik ken haar zorgen daarover. Debedoeling van de wetswijziging is niet om financieel ontzorgen te stoppenof af te schaffen, maar om in uitzonderingsgevallen te kunnen afwijkenvan het ontzorgen, bijvoorbeeld als de statushouder financieel alzelfredzaam is. Dat zie je vaker bij hoogopgeleide statushouders. Dievinden het dan ook prettiger om dat zelf te kunnen doen. Of denk aan eenwerkende statushouder. Die wil dan liever zelf zijn inkomen houden endaarmee zijn vaste lasten betalen. In dat geval wil je dat als statushouderdus ook niet uit handen geven, want dat is een stapje terug qua financiëlezelfredzaamheid. Gemeenten worden dan verplicht om hierin eenweloverwogen besluit te nemen en de afspraken hierover vast te leggen.Even voor de duidelijkheid: financieel ontzorgen betreft alleen status-houders die niet volledig aan het werk zijn en die recht hebben op diebijstandsuitkering.Mevrouw Becker vroeg ook: zijn wij vooruitgelopen op de wetgeving bijhet ontzorgen? Ik heb u in april 2023 een Kamerbrief gestuurd. Daarin geefik aan dat financieel ontzorgen niet voor iedereen goed uitpakt en dat hetzelfs averechts kan werken. In diezelfde brief heb ik samen met deMinister voor Armoedebeleid besloten om vooruit te lopen op dewetswijziging en gemeenten meer ruimte te bieden. Ze zijn nog steedsverplicht om te ontzorgen. Het betalen van vaste lasten is daarbij destandaard, maar ze mogen in individuele gevallen afwijken. Hetwetsvoorstel is sinds een week in consultatie. Ik verwacht dat het voorstelTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41559 na de zomer bij uw Kamer wordt ingediend. De Kamerbrief is dus vanbijna een jaar geleden, van april 2023. Daarin hebben we het vooruitlopenop de wetswijziging ook aangekondigd.Dan over de sociaaleconomische omstandigheden. Mevrouw Koekkoekvroeg: hoe kunnen we nou sturen dat de woonplek een succesvolle plekwordt voor integratie? Allereerst is het natuurlijk aan de gemeentes waarzij mensen huisvesten. De gemeentes hebben ook echt de vrijheid om tebepalen in welke wijk dat dan is. Het COA richt zich wel op een kansrijkekoppeling van nieuwe vergunninghouders aan gemeentes. Het doel is omte zorgen dat ze zo snel mogelijk kunnen integreren in een omgeving dieaansluit bij hun kansen op integratie en participatie. Dat is natuurlijk watwe nastreven, maar de praktijk – ik moet dit er wel eerlijk bij zeggen – isweerbarstig als het gaat om het zoeken van huisvesting en doorstroomlo-caties. Maar dit is wel wat de bedoeling zou moeten zijn. Daar streven wedus naar. Op het moment dat we de huisvesting beter onder controlekrijgen, denk ik dat ook dit soort wensen veel beter in de praktijk gebrachtkunnen worden.Dan de bsn-problematiek in de BRP-straten. Daar vroegen mevrouw Patijnen mevrouw Van Dijk naar. Dat is in gezamenlijkheid opgepakt door deStaatssecretaris van BZK en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.Nee, ik ga eerst even de heer Boon antwoorden. Wat zeggen gemeentesover die hoge instroom? Ik herken het signaal. We zien inderdaad datgemeentes zeggen dat de instroom van inburgeraars nu behoorlijk grootis. Staat dat het integreren en participeren in de weg? Dat niet per se.Maar het is natuurlijk wel zo dat er een bepaalde vertraging optreedt als jeheel veel inburgeraars in een gemeente binnenkrijgt. Gemeenten krijgennu grotere aantallen inburgeraars te verwerken dan eerder werdverwacht. Dat betekent ook dat een groot deel van de statushouderslanger in de opvang verblijft. Er zijn helaas ook personeelstekorten bijgemeentes en er zijn ook gemeentes die andere taken hebben die ookcapaciteit kosten. Dat leidt tot vertraging in de integratie. Ik zie wel steedsmeer gemeentes die erin slagen om invulling te geven aan bijvoorbeeldde vroege start van inburgering en die creatieve manieren inzetten om dieintegratie te bespoedigen. Ik kom dadelijk op de aantallen PIP’s en zo.De heer Bamenga vroeg naar een lokaal initiatief in Deventer. Daar is eenklas die vanuit het azc een intensief traject volgt voor het leren van de taal,met allerlei aandacht voor andere vaardigheden en voor psychischwelzijn. Dat is zeker een mooi initiatief. Ik waardeer het dat gemeentenzoals Deventer dat doen. We zijn in de zomer van 2022 de zogenaamdecommunities of practice gestart. Die zijn er nu dus bijna twee jaar; ik bendaar zelf een aantal keren op bezoek geweest. Daar worden juist dit soortgoede lessen gedeeld en daar kunnen gemeentes van elkaar leren. Datgebeurt samen met het COA en alle andere betrokken uitvoerders enpartners. Ik zeg meestal: beter ergens anders goed gestolen – ik gebruikhet nette woord voor «gejat» – dan zelf bedacht. Dat laat dus zien dat je erop die manier voor kunt zorgen dat wat in de ene gemeente lokaal wordtbedacht en geleerd, in de andere gemeente gekopieerd kan worden.De heer Eerdmans vroeg: kunnen asielzoekers binnen een azc dan geennuttige klussen doen? Dat is zeker nuttig. Dit gebeurt ook al. Het COAnoemt dit ook wel «zelfwerkzaamheid». Dat zijn bijvoorbeeld activiteitendie door de Meedoenbalies worden aangeboden, maar die COA’s ook zelfaanbieden. De Meedoenbalies zijn natuurlijk de centrale plek waar vraagen aanbod bij elkaar komen. Ik weet echter ook dat er in verschillendeazc’s gewoon zelf dingen worden bedacht. Dat kan te maken hebben methet schoonhouden van het gebouw, met tuinieren en noem maar op.Volgens mij heb ik de vragen over naturalisatie beantwoord. Het isuiteraard het beleidsterrein van de Staatssecretaris van Justitie enVeiligheid; dat hebt u vandaag al vaker gehoord. De B1-eis geldt nietalleen voor inburgeringsplichtigen onder de nieuwe wet, maar volgenshet coalitieakkoord natuurlijk ook voor mensen die willen naturaliseren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41560 Het naturalisatiebeleid ligt bij de Staatssecretaris van Justitie enVeiligheid, maar ik draag wel heel erg de overtuiging uit dat taal belangrijkis, en dus ook bij naturalisatie. Ik weet eerlijk gezegd niet wat de collegaaan het doen is met de kosten daarvan en hoe hij dat financiert. In debegrotingsregels van het kabinet staan duidelijke afspraken over definanciële spelregels. Ik weet niet of hij in de Voorjaarsnota of op eenander moment daar ruimte voor heeft vrijgemaakt, maar dat lijkt me ookeen vraag om aan hem te stellen.Streefcijfers zijn een gezamenlijke passie van mevrouw Becker en mij. Ikdenk dat wij het erover eens zijn dat, als je afspraken met gemeentesmaakt, je ook moet weten hoe het daar gaat. Een aantal van die afspraken,bijvoorbeeld die tienwekentermijn voor PIP’s, zijn gewoon hardeafspraken. Een aantal zullen meer streefcijfers zijn, bijvoorbeeld als je hethebt over arbeidsmarktparticipatie. In september van dit jaar ontvang ikde cijfers van een onderzoek van het CBS dat we hebben uitgezet, overhoe het gaat met inburgeringsplichtigen en het inburgeringsaanbod voorPIP’s. Dan kan ik ook de streefcijfers voor het jaar 2025 uitwerken. Daarinricht ik me op de arbeidsparticipatie van statushouders. Ik ben het met ueens dat het aantal PIP’s en de doorstroom naar het inburgeringsaanbodop dit moment wel groeien maar nog zeker niet zijn waar we ze willenhebben. Daarover ben ik met de gemeentes in gesprek.Ik zie in de voorlopige cijfers van DUO dat het aantal PIP’s en het aandeelervan wel echt aan het stijgen zijn. Die voorlopige cijfers zijn zeervoorlopig. Wij hebben er zelf ook nog een aantal vragen over, omdat zevan februari zijn. Maar deze cijfers zouden laten zien dat 58% een PIPheeft. De CBS-data in september moeten een veel breder beeld gaangeven. Daarin komt ook de doorstroom beter in beeld. Die data ga ik dusgebruiken om de streefcijfers op te stellen, want dan hebben we een soortnulmeting.Het stelsel heeft inderdaad moeten ingroeien. Er zijn ook een aantalgemeentes waarbij het echt beter gaat dan andere. Er zijn een aantalgoede redenen waarom het soms langer duurt. Soms vond ik het ook nietzulke goede redenen. Nummer één is de grotere instroom van status-houders. Ik kan me voorstellen dat het tot wat vertraging leidt alsgemeentes grotere aantallen moeten bedienen dan ze verwacht hadden.Twee. Het langer in de opvang blijven. Ik begrijp de praktische bezwarenvan gemeentes over hoe je de mensen kunt bereiken over wie het hiergaat, maar ik vind wel dat gemeentes, azc’s en inburgeraars zelf echt eenstap naar voren moeten zetten. Op het moment dat iemand gekoppeld isaan een gemeente, mag er wat van die gemeente verwacht worden. Alsdat niet altijd kan omdat bijvoorbeeld Groningen en Maastricht ver uitelkaar liggen, kan er alsnog van alles online. Voor inburgeraars geldt datze natuurlijk zelf ook een reach out naar de gemeente kunnen doen.Personeelstekorten spelen ook bij gemeentes. Er moet door gemeentesveel geregeld worden in de eerste fase van het verblijf en het klopt dat hetafnemen en het vaststellen van het PIP tijd kost. Het moet ook zorgvuldiggebeuren. Soms kost het tijd vanwege de waardering van de diploma’s,maar soms komt het doordat gemeentes een soort voorklas of tussenklasmet een voorinburgering taal aanbieden aan inburgeraars om beter in tekunnen schatten in welke route een inburgeraar geplaatst moet worden.Sommige gemeentes doen dat. Op die manier ga je over de tien wekenheen, maar dan vind ik het wél een goede reden.Mevrouw Becker vroeg ook naar het examenonderdeel Kennis van deNederlandse Maatschappij. Gaan we daar wel in op de rechten vanvrouwen, zelfbeschikking en antisemitisme? Er is veel aandacht voorgelijke rechten en zelfbeschikking in dat examenonderdeel. Er is ookexpliciete aandacht voor de geschiedenis van Nederland in de TweedeWereldoorlog en voor antisemitisme. Er staat in de eindtermen onderandere dat mannen en vrouwen gelijkwaardig zijn, zowel in huiselijkekring als voor de wet. Er staat natuurlijk in dat andere samenlevings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41561 vormen geaccepteerd zijn, dat homoseksualiteit wettelijk is toegestaan,dat vrouwen zelfbeschikkingsrecht hebben, dat discriminatie op basis vanlevensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of welke grond danook verboden is, dat de wetten van de Staat boven die van religie entraditie staan en dat alle geweld bij wet strafbaar is, waaronder huiselijkgeweld, eerwraak, het slaan van kinderen, besnijdenis van meisjes,geweld op straat, noem maar op.Op dit moment worden de eindtermen van de KNM herzien. Ik zal ervoorzorgen dat deze onderwerpen volledig terugkomen in die nieuweeindtermen, ook de discussie en uw zorgen hierover gehoord hebbende,en ook na wat we natuurlijk zo nu en dan toch terugzien in de reactie vanbepaalde mensen. Wij gaan er dus voor zorgen dat die eindtermen weerstrak en stevig zijn, want die zijn al een jaar of tien niet meer herzien,meen ik.Antisemitisme in het PVT. Dat had ik hier staan.De voorzitter:Mag ik even interrumperen? We hebben nog vijf minuten. Ik weet dat ernog twee leden zijn met een korte vraag. Laten we de rest doorschuivennaar het verlengde debat.Minister Van Gennip:Dat is prima. Een cliffhanger over antisemitisme in het PVT.De voorzitter:Mooie cliffhanger. Ik kijk naar de heer Bamenga.De heer Bamenga (D66):Bedankt voor het uitspreken van de naam op juiste wijze in plaats vanBámenga. Ik snap dat ik er soms Fries uitzie, maar het is echt Baménga.Dank voor de antwoorden als het gaat om het initiatief dat ik net ook alsvoorbeeld heb gegeven: het voorinburgeringstraject Iedereen Aan Boordin Deventer, waarbij echt gericht wordt op zelfredzaamheid, taal,aandacht, gehoor, psychisch welzijn en vaardigheden die je nodig hebtvoor werk. Ik proef uit de beantwoording van de Minister dat er inderdaadmogelijkheden zijn om als verschillende gemeentes van elkaar te leren,maar ik was meer op zoek naar iets minder vrijblijvende methodes. Wehebben van de Minister net iets gehoord over het programma spanningen polarisatie en de succesvolle handreiking die gedaan wordt, maar als jezeker weet dat een project succesvol is, wil je eigenlijk dat het niet echtvrijblijvend is. Wanneer iets een succes is gebleken wil je er, denk ik, ietsmeer sturing aan geven of het ten minste opschalen. Dus ik vraag evenaan de Minister hoe zij kijkt naar het vinden van manieren voor hetopschalen van dit soort projecten, waarvan het succes blijkt en diedaadwerkelijk inspelen op vraagstukken die er zijn.Minister Van Gennip:Aan de ene kant doen we dat eigenlijk voortdurend, juist via die commu-nities of practice, waarbij de gemeentes van elkaar kunnen leren. Ik noemweer even het voorbeeld van het kennispunt in Helmond, waar wij alsoverheid bij betrokken zijn met de regio. Op het moment dat we wetenhoe dat goed draait, gaan we dat ook uitrollen. Aan de andere kant vind ikhet wel heel belangrijk dat gemeenten die beleidsvrijheid blijven hebbenomdat zij de lokale doelgroepen goed kennen, weten wat er in hun lokalegemeenschappen het meeste leeft, en zich kunnen richten op wat er daarspeelt. In de ene gemeenschap zal het meer gaan over vrouwen aan hetwerk helpen, in de andere gemeenschap zal het meer gaan over diplo-maerkenning, en in een derde gemeenschap zal het misschien meer gaanover eerwraak. Het kunnen heel verschillende gemeenschappen zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41562 Dan is het dus ook belangrijk dat gemeenten die vrijheid houden, maar viade communities of practice worden er echt veel best practices uitge-wisseld. Volgens mij hebben we daar in de vorige uitvoeringsbrief niet zoveel over geschreven, maar in die daarvoor wel. Maar ik kan u zeggen datwe daar in de volgende uitvoeringsbrief weer wat uitgebreider op inzullen gaan. Dan vermelden we waar we inmiddels staan met hetuitwisselen van al die goede voorbeelden. Ik begrijp uw vraag. U zegt: laatnou niet iedereen opnieuw het wiel uitvinden, maar echt wat meer vanelkaar leren. Het is dus misschien wel aardig om die communities ofpractice mee te nemen, en niet alleen hoeveel goede voorbeelden jebrengt, maar ook hoeveel goede voorbeelden je als gemeente overneemtvan een ander. Dat is eigenlijk wel aardig. Dan is het dus nog steedsvrijblijvend, maar niet helemaal. Ja.De voorzitter:Helder. Dank voor deze beantwoording. Ik kijk heel even rond of er nogiets is wat heel prangend is en vandaag moet. Ik zie dat er nog een vraagis van mevrouw Becker.Mevrouw Becker (VVD):Ik had nog een aantal vragen over het blokje inburgering, maar die kan ikdan bewaren voor de volgende keer. We hebben nu namelijk nog maartwee minuten.De voorzitter:Absoluut. Ik wil nu niet nog inhoudelijke vragen gaan behandelen. Devolgende keer plannen we gewoon een lekker ruim debat in met veeluitlooptijd. Dan gaan we er een zwengel aan geven. De toezeggingenre-gistratie bewaar ik ook voor dat moment.De heer Eerdmans (JA21):Welke blokjes komen er nog?De voorzitter:De Minister kan misschien toelichten welke blokjes er nog komen.Minister Van Gennip:Ik was op driekwart van het blokje inburgering, denk ik. Daarin zitteninderdaad nog het PVT, zelfbeschikking, internationaal en staatsimams.We hebben hier ook nog Oek, PIP en huisvesting.De voorzitter:Het klinkt echt alsof dat restpunten zijn.Minister Van Gennip:Dan heb ik ook nog een heel blokje VIA en een blokje divers. Dat is niet zogroot.De voorzitter:Dat is nog heel wat. Wij plannen in ieder geval een vervolgsessie van eenuur of twee in. Tenzij iemand nu nog een punt van orde heeft, zou ik graagvoor nu de Minister en haar staf willen bedanken voor hun aanwezigheiden de flexibiliteit om nog een keer terug te kunnen komen. Ik dank ook alleleden voor hun geduld en begrip. Dank u wel.Sluiting 17.15 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 41563
Gerelateerde bronnen
- Inburgering en integratie
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 27 maart 2024, over Inburgering en integratie
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.