Contouren sport- en beweegwetgeving
Brontekst
Versie b2dd309624402ee1 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202630 234Toekomstig sportbeleidNr. 441 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 24 juni 2026In de afgelopen jaren is meerdere keren de wens geuit om tot sport- enbeweegwetgeving te komen. Deze wens kwam zowel vanuit de Kamer alsvanuit de samenleving.1 Mijn ambtsvoorganger heeft daarom toegezegdom voor de zomer een brief naar de Kamer te sturen over de contouren enhet stappenplan voor sport- en beweegwetgeving. In deze brief ga ik in opde uitkomsten van de verkenning, waaronder het doel van wetgeving ende thema’s waar wetgeving een meerwaarde kan hebben. Afsluitend ga ikin op het vervolgproces van verkenning van sport- en beweegwetgeving,waarbij ik ook graag de inbreng en reflecties van de Kamer meeneem.Met deze brief doe ik een aantal moties en toezeggingen af. Dat gaat omde motie van het lid Saris (NSC) over verkennen of de taken en verant-woordelijkheden in het sport- en beweegbeleid voor alle lagen van deoverheid kunnen worden vastgelegd2 en de motie van het lid Mohandis(Groenlinks-Pvda) c.s. over onderzoek naar een gemeentelijke zorgplichtvoor zwembaden.3 Ook de toezeggingen om de Kamer in het voorjaar van2026 een brief te sturen over het stappenplan om te komen tot eenSportwet4 doe ik hiermee af.Maatschappelijke waarde sport en bewegenSport en bewegen zijn van onschatbare waarde. Voor een deel zit diewaarde in de activiteit zelf. Het geeft plezier, persoonlijke voldoening en iseen vorm van ontspanning. Naast deze intrinsieke waarde dragen sport en1Nederlandse Sportraad (2020): De opstelling op het speelveld; Naar een sterke sportbranchevoor een vitale samenleving, diverse moties zie o.a. Kamerstukken II 2020/21, 30 234, nr. 268,Kamerstukken II 2020/21, 30 234, nr. 269, Kamerstukken II 2022/23, 36 200 XVI, nr. 162 enKamerstukken II 2022/23, 30 234, nr. 352 en artikel NOC*NSF; Coalitieakkoord geeft sportimpuls, structurele keuzes blijven nodig.2Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 129.3Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 119.4TZ202510–199, TZ202507–012 en TZ202602–054. kst-30234-441ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4411 bewegen ook instrumenteel bij aan diverse maatschappelijke doelen.Denk daarbij aan de brede welvaart en verschillende maatschappelijkedoelen op het gebied van volksgezondheid, preventie en participatie. Zoverlagen sport en bewegen bij volwassenen en ouderen het risico op hart-en vaatziekten, diabetes en depressieve symptomen. Ook bij kinderenverkleint het de kans op depressieve symptomen, verbetert het deinsulinegevoeligheid en botkwaliteit. Bij mensen met overgewicht enobesitas is sport en bewegen onderdeel van de aanpak tot verlaging vande body mass index (BMI) en vetmassa.5 Ook helpt sport en bewegen bijhet beschermen van de mentale gezondheid.6, 7 Onderzoek laat daarnaastzien dat sport kan bijdragen aan de ontwikkeling van sociale vaardig-heden, zelfvertrouwen en sociale interacties voor mensen.8 Het brengtons bij elkaar en maakt ons gezonder. Ook topsport heeft een grotemaatschappelijke waarde, doordat het zorgt voor sociale verbinding eninspireert tot sporten en bewegen.Sport en bewegen zijn daarmee niet alleen een doel in zichzelf maar ookeen essentieel middel voor de aanpak van meerdere maatschappelijkeopgaven. Duurzaam sport- en beweegbeleid moet dus zowel gericht zijnop wat sport oplevert, als op de waarde van sport in zichzelf. Het is goedte benadrukken dat dit om sport én bewegen gaat. De NederlandseSportraad geeft in het advies «Nederland, sta op!» terecht aan datdagelijks voldoende bewegen voor iedereen vanzelfsprekend moet zijn alsbasis voor een vitale, sociale samenleving, en dat ook de overheid hiereen rol in heeft.9 Sport en bewegen zijn beide nodig om optimaal bij tedragen aan een brede welvaart. Wel zijn sport en bewegen verschillendesectoren met een eigen dynamiek. Daarom kan het zijn dat soms specifiekgesproken wordt over de sportsector, en soms over alleen bewegen.Sport en bewegen hebben dus grote maatschappelijke waarde. Om desport- en beweegsector toekomstbestendig te maken is het nodig dat dezewaarde volop erkend en benut wordt. In het coalitieakkoord is niet voorniets opgenomen dat we bouwen aan de gezondste generatie ooit.Daarvoor is het nodig dat we met z’n allen kunnen blijven sporten enbewegen, en daar ook de ruimte en voorzieningen voor hebben. Dat gaatniet vanzelf.Taak overheidSport staat niet expliciet in de Grondwet. Wel kan uit de Grondwet eenopdracht voor de overheid worden afgeleid om te zorgen voor eengezonde, actieve en verbonden samenleving. Op grond van artikel 22 vande Grondwet heeft de overheid namelijk de algemene plicht maatregelente treffen ter bevordering van de volksgezondheid en voorwaarden tescheppen voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voorvrijetijdsbesteding. Omdat sport en bewegen wetenschappelijk bewezenpreventieve middelen zijn tegen talloze (welvaarts)ziekten, is sport- enbeweegbeleid een direct instrument om deze grondwettelijke plicht tevervullen. Ook is sport in Nederland een van de grootste vormen vangeorganiseerde vrijetijdsbesteding. Sport is dus als het ware het snijvlakwaar volksgezondheid en maatschappelijke ontplooiing samenkomen.Artikel 22 van de Grondwet geeft vooral een richtinggevende grondslag5Hoeveel en hoe bewegen – Kenniscentrum Sport en Bewegen6Factsheet Effecten van sport en bewegen op mentale gezondheid door KCSB i.s.m. Trimbos7Gezondheidsraad, Beweegrichtlijnen 2017, Den Haag, publicatienummer 2017/08.8The Importance of Sport in the Inclusion of Individuals with Disabilities in Social Life9Nederlandse Sportraad (2024): Nederland, sta op! Maak dagelijks voldoende bewegenvanzelfsprekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4412 voor beleid. Er worden geen specifieke taken of verantwoordelijkhedengedefinieerd.ProbleemschetsDe sport- en beweegsector heeft al langer te maken met veranderingen engrote opgaven, die veel van de mensen in de sector vragen. Hoewel hetzelfregulerende vermogen van de sport- en beweegsector in staat is veelveranderingen op te vangen, is soms meer nodig is dan enthousiasme eninzet.Als we kijken naar de inrichting van onze steden en wijken, dan zien wedat de openbare ruimte om te kunnen sporten en bewegen in de knelkomt. Terwijl we meer woningen bouwen, dreigen sportvelden naar deranden van de stad te verdwijnen, juist nu we weten dat beweging in debuurt cruciaal is. Bovendien zijn veel sportaccommodaties verouderd. Denoodzakelijke verduurzaming is een enorme financiële en logistieke puzzeldie verenigingen en gemeenten niet altijd alleen kunnen leggen. Naast desportaccommodaties bestaat de beweegvriendelijke omgeving uitvoorzieningen in de openbare ruimte waar mensen spelen, bewegen,sporten en ontmoeten. Bij het inrichten van de omgeving moet rekeninggehouden worden met veel verschillende opgaven, zoals mobiliteit,energietransitie, klimaatverandering, landbouw, natuur en gezondheid.Hierdoor zien we dat bewegen als thema binnen de ruimtelijke ordeningniet altijd de aandacht krijgt die het verdient. Kortom, de ruimte om in debuurt te kunnen sporten en bewegen staat onder druk. Het risico hiervanis dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van het sport- en bewee-gaanbod structureel afneemt, vooral in stedelijke en kwetsbare wijken.10Daardoor ervaren sommige mensen meer drempels om te gaan sportenen bewegen dan andere. Dit vergroot gezondheidsverschillen.Ondertussen verandert de sporter zelf ook. De tijd dat iedereen trouw lidbleef van één club is voorbij. Mensen willen vaker sporten waar enwanneer het hen uitkomt – in het park, bij een commerciële aanbieder ofvia een app. Dat vraagt om een enorme wendbaarheid van de traditioneleverenigingen, die tegelijkertijd kampen met een tekort aan vrijwilligersvoor structurele taken en stijgende exploitatiekosten van accommodaties.Verenigingen zijn maar beperkt in staat te anticiperen op veranderendevraag. Het risico van deze ontwikkeling is dat een mismatch optreedttussen aanbod en behoefte. Hierdoor haken vooral jongeren, lageinkomensgroepen en mensen met een handicap af.11 De vraag is dus nietalleen hoe we mensen ook in de toekomst aan het sporten en bewegenkrijgen, maar ook hoe we de clubcultuur vitaal houden in een individu-elere wereld.Om deze uitdagingen aan te gaan, kunnen we niet altijd alles blijven doenzoals we het deden. We hebben ook in de toekomst voldoende ruimtenodig, en een sport- en beweegaanbod dat aansluit bij de leefwereld vanmensen. Dat vraagt ook om een moderne kennisinfrastructuur die partijenduidelijk maakt wat werkt, zodat we middelen gericht kunnen inzetten. Wezullen deze opgaven op het gebied van ruimte, behoefte, menskracht, enkansengelijkheid serieus moeten nemen om ervoor te zorgen dat sport enbewegen geen luxe wordt, maar een toegankelijk onderdeel is van iedersdagelijks leven. Dat lukt nu niet altijd.10Kamerstuk 30 234, nr. 431.11Dit knelpunt komt ook naar voren in de Knelpuntenkaart sportstelsel, opgesteld door DeArgumentenfabriek op basis van inbreng van 20 deskundigen: https://www.eerstekamer.nl/overig/20220516/knelpuntenkaart_sportstelsel/document.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4413 Taken en verantwoordelijkhedenDe manier waarop iedereen binnen de sector zich nu al inzet voor de sportis bewonderenswaardig en dat moeten we koesteren. Toch zijn er terechtzorgen over of de manier waarop we sport nu organiseren wel toekomst-bestendig is. Op dit moment zijn de taken en verantwoordelijkheden vanoverheden nergens vastgelegd in een wet. Veel partijen zijn enthousiasten pakken een rol, maar het is niet altijd duidelijk wat er precies verwachtwordt aan betrokkenheid en waar de grens van deze betrokkenheid ligt.Die betrokkenheid is bovendien niet gegarandeerd in de toekomst. Ook iser een kwetsbaarheid dat gemeenten en lokale partners niet altijd destructurele uitvoeringskracht hebben om een verantwoordelijkheid tepakken. Tot slot zien we dat sommige gemeenten en lokale partnersbinnen hun bestedingsvrijheid ervoor kiezen om andere taken teprioriteren boven sport- en beweegbeleid.Tijdelijkheid van instrumentenBij gebrek aan vastgelegde taken wordt vanuit het Rijk vaak gewerkt mettijdelijke programma’s en incidentele impulsen als het gaat om sport-beleid. Zo is de afgelopen jaren hoofdzakelijk ingezet op bestuurlijkeafspraken tussen het Rijk, gemeenten en andere betrokken partijen.Verschillende programma’s en akkoorden volgden elkaar op, wat nietaltijd leidde tot blijvende impact. Ook was financiële ondersteuning vaakgekoppeld aan tijdelijke programma’s. Dat ging bijvoorbeeld om tijdelijkesubsidies of meerjarige specifieke uitkeringen. Deze geven organisaties uithet veld en gemeenten niet de planningszekerheid die zij nodig hebbenom investeringen te doen voor de lange termijn.De verschillende evaluaties van bijvoorbeeld het Sportakkoord laten ditzien.12 In de evaluatie van Sportakkoord II wordt geconcludeerd dat hetSportakkoord op veel plaatsen heeft geleid tot versterking van sport-beleid, samenwerking en verbinding met andere maatschappelijkedomeinen. Tegelijkertijd wordt gesteld dat het te verwachten is dat deeffecten van het Sportakkoord mogelijk tijdelijk zijn. Ook is de impactafhankelijk van aanvullende middelen.13Bijdrage wetgevingDoor de complexiteit van de huidige opgaven is op sommige thema’smeer nodig dan incidentele impulsen of bestuurlijke afspraken. Gelet opdeze opgaven heb ik daarom de meerwaarde van wettelijke borgingverkend. Voor een aantal van deze opgaven kan wetgeving een deel vanhet antwoord zijn.Wettelijke borging betekent dat (onderdelen van) sport en bewegenexpliciet worden verankerd in wet- en regelgeving. Het belangrijkstegevolg van wettelijke borging is dat sport en bewegen niet langer alleenafhankelijk zijn van bestuurlijke prioritering of tijdelijke beleidsimpulsen.Om ervoor te zorgen dat ook in de toekomst effectief beleid gemaaktwordt, ondersteund door de huidige beschikbare middelen, kan hetmogelijk helpen om bepaalde taken wettelijk vast te leggen. Zo wordtduidelijker wat verwacht kan worden qua rol en taken van verschillendeoverheidslagen. Sport- en beweegwetgeving zou op die manier kunnenbijdragen aan het toekomstbestendig maken van de sport- en beweeg-sector. Dat wil zeggen dat we ook in de toekomst de ruimte en mogelijk-heden hebben om te kunnen blijven sporten en bewegen.12Kamerstukken II, 2025/26, 30 234, nr. 439.13Kamerstukken II, 2025/26, 30 234, nr. 439.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4414 Bovendien kan een stevigere juridische basis op sommige thema’sbijdragen aan kansengelijkheid. Op dit moment bepaalt waar je woontnog te vaak of je de toegang hebt tot specifieke sportvoorzieningen.Mogelijk kan een wettelijke taak bijdragen aan het verkleinen van dezeregionale verschillen en ervoor zorgen dat elke inwoner, ongeacht delokale context, kan rekenen op een kwalitatief en toegankelijk aanbod.UitgangspuntenEen doel van sport- en beweegwetgeving is het toekomstbestendig makenvan het beschikbare sport- en beweegaanbod en de infrastructuur diedaarbij hoort. Dit zal in ieder geval vragen om het vastleggen datgemeenten en Rijksoverheid een verantwoordelijkheid hebben om sport-en beweegbeleid te voeren. Later in deze brief zal ik ingaan op welkethema’s hier mogelijk bij betrokken kunnen worden. Bij de verdereuitwerking van mogelijke wetgeving staat een aantal uitgangspuntencentraal.Financieel kaderEen belangrijk uitgangspunt vormt het huidige financiële kader zoalsopgenomen op de VWS-begroting en in het coalitieakkoord. We hebbenop dit moment de beschikking over de middelen van de specifiekeuitkeringen waar we gemeenten nu mee ondersteunen op het gebied vansportinfrastructuur en bemensing.14 Met deze middelen kunnen wemogelijk wettelijke taken ondersteunen. Daarvoor zullen we een passendemanier moeten vinden. Het is dus goed om te beseffen dat we elke taakdie we in een wet opnemen ook moeten kunnen waarmaken. Dat wilzeggen, de financiële mogelijkheden bieden om de taak uit te voeren. Ikzie daarom op dit moment geen ruimte om wettelijk taken te borgen die(extra) financiële ondersteuning impliceren. Bijvoorbeeld op het gebiedvan topsporters, talentontwikkeling of specifieke doelgroepen. Dezethema’s laat ik om die reden voor nu buiten beschouwing van decontouren.Zelfregulerend vermogenSport en bewegen in Nederland drijft op zelforganisatie en het privateinitiatief van duizenden verenigingen en bonden (het verenigingsrecht) enondernemende sportaanbieders. Het ontstaat vanuit de samenleving zelf.Het opleggen van wettelijke plichten moet de vrijheid van deze organi-saties niet inperken. Veel sportverenigingen leunen op de inzet vanvrijwilligers. Wettelijke plichten moeten dus niet leiden tot onnodigeadministratieve druk of angst voor aansprakelijkheid. Extra administra-tieve druk voor verenigingen knelt namelijk met de wens om de regeldrukjuist te verlagen. Ook kan het de drempel om een bestuursfunctie tebekleden onnodig verhogen en het fundament van de Nederlandsesportvereniging aantasten. Daarnaast vragen wettelijke taken voorsportorganisaties om toezicht en handhaving. Het organiseren vantoezicht en handhaving vraagt veel inzet en middelen. Dat vind ik nietpassend bij de contouren van wetgeving die ik in deze brief schets.Ik vind het belangrijk om het zelfregulerende vermogen van de sectorzoveel mogelijk te behouden. Daarom zie ik nu geen ruimte om wettelijkzaken vast te leggen op het gebied van kwaliteit- en opleidingseisen voorbijvoorbeeld trainers en bestuurders. Sport- en beweegwetgeving zal zich14Dat gaat om de SPUK Stimulering Sport en de Brede Regeling Combinatiefuncties, die onderde Brede SPUK valt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4415 daarom niet richten op taken en plichten van sportorganisaties zelf, maarop de verantwoordelijkheden van overheidslagen.SubsidiariteitGemeenten nemen op dit moment al een grote verantwoordelijkheid alshet gaat om bijvoorbeeld sportinfrastructuur en -stimulering. Hetsubsidiariteitsbeginsel vraagt om zaken decentraal te regelen waar datkan, en centraal waar dat moet. Dat betekent dat we zorgvuldig moetenkijken welke taken passend zijn op welk overheidsniveau, en daarbij ooghouden voor een evenwichtige taakverdeling. Soms kan dat vragen omhet vastleggen van taken die in de praktijk al worden uitgevoerd, terwijlhet bij andere vraagstukken mogelijk gaat om aanvullende taken.Het is goed te benadrukken dat het wettelijk vastleggen vanoverheidstaken zich in dit geval enkel richt op sport- en bewegen.Onderwerpen die niet primair bij het Ministerie van VWS liggen maar bijandere departementen, zoals schoolzwemmen, beweegonderwijs enruimtelijke ordening, laat ik daarom buiten beschouwing.Verhouding tot wetsvoorstel integere sportVeiligheid is een belangrijk fundament van de sportsector. Een sociaalveilige en eerlijke (en daarmee integere) sportomgeving zorgt ervoor datiedereen met plezier kan sporten. Daarom wordt er gewerkt aan hetwetsvoorstel Wet integere sport. Het wetsvoorstel voorziet onder anderein de oprichting van een onafhankelijk integriteitscentrum voor de sport:Integere Sport Nederland. Ik wil voorkomen dat de twee wetsvoorstellenelkaar overlappen of dat er tegenstrijdigheden ontstaan. Daarom wordenonderwerpen die raken aan een veilige sportomgeving niet meegenomenin de uitwerking van sport- en beweegwetgeving.NormenHet is belangrijk dat er voldoende flexibiliteit is om in te kunnen spelen oplokale omstandigheden. Het wettelijk verankeren van normen kan dezeflexibiliteit beperken. Daarnaast bestaat het risico dat wettelijke normenworden gezien als de maximale inzet die gedaan moet worden. Dit kaneen remmende werking hebben in gemeenten (en provincies) die nu veelinzetten op sport en bewegen. We moeten bovendien voorkomen dat defocus in de sport verschuift van maatschappelijke impact naarafdwingbare doelen of normen. Daarom is het wettelijk verankeren vannormen, bijvoorbeeld op het gebied van sport- en beweegruimte, niet aande orde bij de uitwerking van sport- en beweegwetgeving. Zoals eerderaangeven laat ik wel een richtlijn opstellen voor het creëren van sport- enbeweegruimte.ZorgplichtIn de motie van het lid Mohandis wordt gevraagd de mogelijkheden teonderzoeken voor een gemeentelijke zorgplicht voor zwembaden.15 Hetopleggen van een zorgplicht aan medeoverheden om te voorzien inzwembadwater lijkt op dit moment niet opportuun gezien het huidigebudgettair kader. Op basis van een eerder advies van de Vereniging Sporten Gemeenten (VSG) zullen alleen al de exploitatietekorten leiden tot eenjaarlijkse kostenpost van € 100 miljoen tot € 300 miljoen.16 Daar komennog de kapitaallasten en grote onderhoudskosten bij. Deze inschatting15Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 119.16VSG (2025): Advies over een Zwembadfonds voor publieke zwembaden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4416 leidt al snel tot een benodigd budget van € 400 miljoen tot € 500 miljoenper jaar. Ik zie geen (financiële) mogelijkheid om een dergelijke zorgplichtte organiseren.Zwembadwaterbeleid is een lokale verantwoordelijkheid, waarbijgemeenten zelf de afweging moeten kunnen maken op basis van debehoeften van hun inwoners. Voor gemeenten die al over meerderezwembaden beschikken kan het mogelijk een tegengesteld effect hebben.Het risico bestaat dat er dan zwembaden worden gesloten. Ik ben wel ingesprek met het Mulier Instituut om te bezien of er een richtlijn kan komendie gemeenten helpt bij het maken van keuzes op het gebied vanzwemwater voor zwemles.Borging specifieke thema’sWe kunnen niet alles regelen met wetgeving. Per onderwerp zalafgewogen moeten worden of het mogelijk en wenselijk is om bepaaldeaspecten wettelijk vast te leggen. Niet elk onderwerp is immers geschiktom wettelijk te borgen. Ook geldt voor sommige onderwerpen dat het opdit moment nog niet geschikt is voor borging, maar eerst nadereverkenning vraagt. Op dit moment zie ik de mogelijke meerwaarde vanwetgeving (nu of op termijn) bij de hieronder genoemde thema’s. Deze wilik graag verder verkennen en afwegen met de Kamer. Mogelijk kunnen wevanuit die basis op termijn aan de slag met het formuleren van anderetaken en verantwoordelijkheden.GemeentenVeel gemeenten hebben in hun lokale beleid aandacht voor sport. Nietvoor niets wordt door gemeenten € 2 miljard besteed aan sport, waarvan€ 1,5 miljard aan sportinfrastructuur.17 Het is geen gegeven dat dit ook zoblijft, zeker omdat andere lokale opgaven óók veel investeringen vergen.Het is vanuit het sport- en beweegperspectief onwenselijk dat dit ten kostezou gaan van bestedingen aan sport. Tegelijkertijd moeten we ook dekeuzevrijheid van gemeenten kunnen borgen.Om lokaal sport- en beweegbeleid ook in de toekomst te borgen kan hethelpen om gemeenten hiervoor een wettelijke taak te geven. Dat kan opverschillende manieren, bijvoorbeeld door het aanzetten tot het makenvan periodieke lokale sport- en beweegprogramma’s. Daarbij zou het Rijkperiodiek specifieke landelijke prioritaire aandachtspunten kunnenbenoemen. Gemeenten dienen deze landelijke prioriteiten in acht tenemen in de lokale sport- en beweegprogramma’s. Wetgeving kan helpenom deze systematiek vast te leggen, zonder de landelijke prioriteiten zelfwettelijk vast te leggen. Dit kan eraan bijdragen dat sport en bewegen eenintegraal onderdeel worden van het fysieke en sociale domein.ProvinciesDe rol van de provincies in het sportdomein is divers. Niet elke provinciehoudt zich met dezelfde sportthema’s bezig. Sommige zetten zichbijvoorbeeld in voor gehandicaptensport, andere juist voor evenementen.Ook verschilt de mate waarin een provincie sportbeleid vormgeeft.Wetgeving zou een rol kunnen spelen op thema’s waar bovenlokaleafstemming nodig is. Denk aan de spreiding van (bovenlokale) infra-structuur en andere provinciale thema’s zoals mobiliteit. Dit vraagt omnadere verkenning.17Mulier (2025): Monitor sportuitgaven gemeenten 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4417 RijksoverheidDaarnaast is het belangrijk om in wetgeving aan te geven wat de takenzijn van de Minister en het Rijk op het gebied van sport. Sport heeft ookeen landelijke component, denk bijvoorbeeld aan thema’s als topsport enkennisinfrastructuur. Ik deel de analyse in de eerdere Kamerbrief overHoofdlijnen van wetgeving in de sport, namelijk dat de Minister verant-woordelijk is voor het landelijk sportbeleid en de inrichting van eenlandelijke ondersteunings- en kennisinfrastructuur die daarbij past.18 Voorde toekomst van de sport moet landelijk en lokaal beleid goed op elkaaraansluiten. Hoe deze systematiek van en wisselwerking tussen lokaal enlandelijk beleid eruit moet zien zullen we met alle betrokken partijensamen moeten uitwerken.Sportinfrastructuur en ruimte voor sport en bewegenIn het beleidsplan voor een toekomstbestendige sportinfrastructuur isingegaan op de meerwaarde van werken met een integraal huisves-tingsplan (IHP) voor sport en bewegen. Een IHP heeft aandacht voor zowelsportaccommodaties als de publieke buitenruimte. Ook geeft het ruimtevoor lokaal maatwerk. Deze planvorming zorgt ervoor dat de sportbe-hoefte wordt meegewogen in bredere ruimtelijke ontwikkelingen. Hiermeevoorkomen we dat sportvoorzieningen ad hoc worden gefaciliteerd enstimuleren we multifunctioneel gebruik en duurzame investeringen in depublieke ruimte. In de volgende fase wordt uitgewerkt in hoeverre een IHPwettelijk kan worden verankerd en welke ondersteuning gemeentenhierbij nodig hebben.MenskrachtMenselijk kapitaal is één van de drijvende krachten binnen de sport- enbeweegsector. Zo zijn mensen onmisbaar voor een goede toeleiding naarhet sport- en beweegaanbod. Daarom moeten we inzetten op goedecoördinatie en afstemming tussen al die partijen en mensen die zichinzetten voor sport en bewegen. Zo creëren we een efficiënt sport- enbeweegnetwerk waarin vraag en aanbod goed op elkaar aansluiten.Dit sport- en beweegnetwerk heeft baat bij een sterke verbinding tussenverschillende domeinen. Denk daarbij aan zorg, onderwijs, welzijn encultuur. Door aandacht te hebben voor deze verbindingen tussendomeinen zorgen we ervoor dat meer mensen actief kunnen deelnemenaan sport en bewegen en daardoor gezonder, actiever en fitter worden.Een goed georganiseerd netwerk kan zo bijdragen aan de kansenge-lijkheid binnen de sport- en beweegsector. Drempels worden lager en hetbereik groter.Bij het verkennen van wettelijke borging wil ik recht doen aan het belangvan de verbindingen binnen het sport- en beweegnetwerk. Dat doe ik doorinzichten vanuit andere beleidstrajecten, bijvoorbeeld op het gebied vanclubondersteuning en de herijking van de Brede Regeling Combinatie-functies (BRC), mee te nemen bij een verdere verkenning van sport- enbeweegwetgeving. Mogelijk zijn er onderdelen op het gebied vanbemensing binnen de sport die relevant zijn voor een wetstraject.Kennis- en datainfrastructuurEffectief beleid is afhankelijk van betrouwbare informatie. Dat vraagt omhet organiseren van een goede publieke kennisinfrastructuur. Kennis en18Kamerstuk 30 234, nr. 365.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4418 data zijn nodig om strategisch en meerjarig de inzet van mensen enaccommodaties te plannen en te monitoren. Ik wil verkennen of en hoewetgeving een bijdrage kan leveren aan een adequate kennis- endatainfrastructuur en doe dit in samenwerking met kennispartijen uit hetveld.VervolgprocesHet is een grote stap om over te gaan op wetgeving. Met de contourenzoals geschetst in deze brief wil ik aan de slag om verder te verkennen ofen op welke wijze wetgeving kan bijdragen aan een aanpak van deopgaven in de sport- en beweegsector. Mogelijk is in de toekomst ruimteom aanvullende onderwerpen wettelijk te borgen, maar voor de komendeperiode wil ik een start maken met de geschetste inzet. Ik ga daaromgraag het gesprek aan met de Kamer over de geschetste contouren engewenste richting. Bij de uitwerking zal ik samen optrekken metgemeenten (VNG en VSG), provincies, andere departementen en waar vantoepassing de sportsector en kennispartners. Hierbij is het uitgangspuntdat mogelijke wetgeving binnen de huidig beschikbare middelen kanworden uitgevoerd en wordt rekening gehouden met verplichte kwaliteits-eisen van wetgeving. Dit zal bepalend zijn voor de vorm en inhoud vaneen mogelijk wetsvoorstel. Ik wil de Kamer begin 2027 informeren over destand van zaken van deze verdere uitwerking.De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,W.R.C. SterkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4419
Gerelateerde bronnen
- De Kamer ontvangt voor de zomer een brief over de contouren van een sportwet, inclusief procesbeschrijving.
De Kamer ontvangt voor de zomer een brief over de contouren van een sportwet, inclusief procesbeschrijving.
- De Kamer ontvangt voor de zomer een voortgangsbrief over de aanpak van regeldruk bij vrijwilligers en organisaties.
De Kamer ontvangt voor de zomer een voortgangsbrief over de aanpak van regeldruk bij vrijwilligers en organisaties.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.