Verslag van een schriftelijk overleg over Conceptregeling wijziging loonbelasting (Kamerstuk 26448-893)
Brontekst
Versie f6ede3c55a5d9d9d · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202626 448Structuur van de uitvoering werk en inkomen(SUWI)Nr. 905 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 10 juli 2026 De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmer-kingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over de brief van12 juni 2026 van de Staatssecretaris over de conceptregeling wijzigingloonbelasting (Kamerstuknummer 26 448, nr. 893).De vragen en opmerkingen zijn op 1 juli 2026 aan de Staatssecretaris vanFinanciën voorgelegd. Bij brief van 10 juli 2026 zijn de vragenbeantwoord.De voorzitter van de commissie,JansenAdjunct-griffier van de commissie,Lips kst-26448-905ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 9051 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief over devoorliggende conceptregeling en hebben hierover geen nadere vragen.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deconceptregeling wijziging loonbelasting. Deze leden hebben geen verderevragen.Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractieDe leden van de PRO-fractie danken de Staatssecretaris voor hettoezenden van de conceptregeling. Deze leden hebben kennisgenomenvan de inhoud van de regeling en hebben nog een aantal vragen.Deze leden merken op teleurgesteld te zijn over het feit dat het aanpassenvan de samenvoegbepaling niet is voorgelegd aan het parlement. Hetgaat immers om een aanpassing met zeer grote impact voor eensubstantiële groep mensen.Deze leden lezen dat de wijziging voor het grootste deel van de 11.000mensen waar het om gaat negatief uitpakt. Is bekend voor hoeveel vandeze 11.000 mensen dat ongeveer geldt en voor hoeveel mensen dewijziging positief uitpakt?Deze leden merken op dat een negatieve impact betekent dat het gaat ommensen met een inkomen lager dan 45.593 euro bruto per jaar: lager danmodaal dus. Voor deze groep gaat het om een gemiddelde achteruitgangvan 3.000 euro. Klopt het dat dat bedrag kan oplopen tot maximaal 8.717euro, omdat er sprake is van doorwerking op de inkomensafhankelijkecombinatiekorting (IACK)? Hoeveel is de gemiddelde achteruitgang alsalleen gekeken wordt naar de groep, die erop achteruitgaat (en dus eeninkomen heeft in het opbouwtraject van de arbeidskorting)?Deze leden vragen ook naar het ontbreken van overgangsrecht: in de notavan toelichting lezen zij dat bij wijze van overgangsrecht is gekozen vooreen ingangsdatum van 1 januari 2027 en niet eerder. In hoeverre verwachtde Staatssecretaris dat degenen om wie het gaat zich bewust zijn van dewijziging die zal plaatsvinden en hoe zouden deze mensen zich, wat deStaatssecretaris betreft, kunnen en moeten voorbereiden? Acht deStaatssecretaris het mogelijk om alsnog een overgangsregeling in terichten, met als doel te voorkomen dat duizenden mensen er flink opachteruitgaan?De leden van de PRO-fractie vinden het niet passend om een besluit meteen dergelijke grote impact voor mensen met een relatief laag inkomenniet voor te leggen aan de Kamer. Deze leden vragen de Staatssecretarisof hij kan reageren op de stelling van de heer N.J. van Dijk, die in zijnreactie op de internetconsultatie heeft aangegeven dat de aanpassing vande samenvoegbepaling buiten het mandaat van de Staatssecretaris valt.Ook vragen deze leden waarom de Staatssecretaris het voorstel totwijziging niet aan het parlement voorlegt. Is de Staatssecretaris bereid omdat alsnog te doen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 9052 De leden van de PRO-fractie vragen voorts of de Staatssecretaris zichrealiseert dat veel van de voorgenomen maatregelen van het kabinet bijdezelfde groep terechtkomen. Deze leden wijzen in dat kader op hetvoornemen het eigen risico te verhogen (zonder de tegemoetkomingarbeidsongeschikten te behouden), het verlagen van het maximum-dagloon en het verhogen van de inkomstenbelasting. Zij vragen deStaatssecretaris om in een tabel weer te geven hoeveel iemand met eenarbeidsongeschiktheidsuitkering, die parttime werkt en 40.000 euro perjaar verdient er maximaal netto op achteruit kan gaan door de aanpassingvan de samenvoegbepaling en de maatregelen uit het coalitieakkoord ophet gebied van zorg, sociale zekerheid en belastingen. Deze leden vragende Staatssecretaris ook hoeveel een gezonde directeur-grootaandeelhouder met een inkomen van 150.000 euro per jaar eropachteruitgaat door de voorgenomen kabinetsmaatregelen. Daarnaastvragen deze leden de Staatssecretaris om hierop te reflecteren.De leden van de PRO-fractie vragen of het klopt dat het beloofdeonderzoek naar aanleiding van de motie Stoffer c.s. (Kamerstuk 36 848, nr.79) nog niet met de Kamer gedeeld is. Vindt de Staatssecretaris hetpassend om een maatregel met een dergelijke grote impact te nemenvóórdat de verkenning naar de impact van de stapeling van maatregelen,die het kabinet van plan is af is? Is de Staatssecretaris bereid om ook hetaanpassen van de samenvoegbepaling in de analyse mee te nemen? Dezeleden zouden graag helderheid krijgen over de stapeling van: dedoorwerking van de duurverkorting van de WW in de WGA, de afschaffingvan de tegemoetkoming arbeidsongeschikten, de afschaffen van de aftreken tegemoetkoming specifieke zorgkosten, de verhoging en het schrappenvan de verlaging van het eigen risico, de voorgenomen verhoging van deinkomstenbelasting en het aanpassen van de samenvoegbepaling.De leden van de PRO-fractie zouden graag een bredere discussie voerenover het nut van de arbeidskorting. De arbeidskorting is immers flinkverhoogd in de afgelopen vijftien jaar, zonder dat daar een duidelijkeanalyse over de arbeidsmarkt aan ten grondslag lag. Daardoor lijkt dearbeidskorting verworden tot vooral een instrument om inkomenspolitiekte voeren, meer dan een instrument om arbeidsparticipatie te bevorderen.Is de Staatssecretaris het daarmee eens is en wat was volgens hem dereden achter de verhogingen van de afgelopen jaren was?Ook vragen deze leden in hoeverre het doel van de arbeidskorting volgensde Staatssecretaris al bereikt wordt door het sociale zekerheidsstelsel zelf.De hoogte van uitkeringen wordt in Nederland immers zo vastgesteld datwerken blijft lonen: er is bewust gekozen voor een percentage van delonen. Zo ook bij de WIA. Waarom is het volgens de Staatssecretaris dannodig om ook een fiscale prikkel in te bouwen? In hoeverre is dat volgenshem dubbelop?Daarnaast vragen de leden van de PRO-fractie of het bestaan van en deopeenvolgende verhogingen van de arbeidskorting volgens de Staatsse-cretaris hebben bijgedragen aan een hogere uitstroom uit de WIA dananders het geval was geweest. Kan de Staatssecretaris dit kwantificeren?Deze leden willen ook graag weten of de Staatssecretaris de groteverschillen tussen uitkeringsgerechtigden en werkenden die het gevolgzijn van onder andere de hoogte van de arbeidskorting nog te rechtvaar-digen vindt. Voorts vragen deze leden of het klopt dat de arbeidskortingnog maar zeer beperkt effectief is, en of dit feit van invloed is op de keuzevan de Staatssecretaris voor de voorgestelde aanpassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 9053 In dit kader vragen de leden van de PRO-fractie naar de alternatieve optiesdie de Staatssecretaris heeft overwogen. Deze leden lezen dat eenuitbreiding van de arbeidskorting tot alle socialezekerheidsuitkeringen diedoor tussenkomst van de werkgever kunnen worden uitbetaald, «niet inlijn» is met «het stimuleren van arbeidsparticipatie». Betekent dit dat datde voornaamste reden is om niet voor dit alternatief te kiezen en dat dezeoptie wel juridisch houdbaar is? Hoeveel zou dit alternatief kosten? Is deStaatssecretaris het ermee eens dat dit een vreemd argument is, gegevende beperkte effectiviteit van de arbeidskorting in het stimuleren vanarbeidsdeelname, en gegeven het feit dat het om een groep gaat die: a)gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en dus niet fulltime kan werken en b) alwerkt en dus niet verder geprikkeld hoeft te worden?De leden van de PRO-fractie zijn voorts benieuwd in hoeverre de mensendie de afgelopen jaren geen arbeidskorting over hun uitkering toegekendhebben gekregen, terwijl anderen in een vergelijkbare situatie dat welkregen aanspraak kunnen maken op een vergoeding met terugwerkendekracht. Kunnen zij alsnog vragen om de arbeidskorting over hun volledigeinkomen te berekenen voor de afgelopen jaren? Zo nee, betekent dat dathet kabinet zich erbij neerlegt dat de overheid sinds de invoering van desamenvoegbepaling discriminerend heeft gehandeld?Tot slot vragen de leden van de PRO-fractie naar de reacties op deinternetconsultatie. Hoeveel daarvan waren positief en hoeveel negatief?Heeft de Staatssecretaris overwogen om het voorgenomen besluit tewijzigen op basis van de reacties?Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het besluit totaanpassing van de loonbelasting naar aanleiding van WIA-compensatieen de uitspraak van de Hoge Raad in geval van vervallen van de samen-voegbepaling.Bij het vervallen van de samenvoegbepaling hebben de leden van deCDA-fractie enkele vragen. Deze leden snappen dat de uitspraak van deHoge Raad moest leiden tot aanpassing van de arbeidskorting vooruitkeringsgerechtigden om de situatie gelijk te trekken tussen iemand, diede uitkering direct van het UWV of via de werkgever ontvangt. Wat dezeleden minder goed begrijpen is de keuze om daar niet direct over te gaancommuniceren. Het vorige kabinet heeft immers ervoor gekozen deuitspraak van de Hoge Raad nog geen gevolg te laten hebben in 2025 en2026, maar per 1 januari 2027 gaat die wel in. Waarom is ervoor gekozenom mensen hiervan pas na de zomer van 2026 te informeren? Deze ledenachten de kans vrij groot dat een deel van de 11.000 mensen, die dit zaltreffen, vanwege de technische aard van de wijziging hier nog geenkennis van heeft genomen en wel dus binnen een paar maanden tijd meteen flinke inkomensdaling zal worden geconfronteerd. Dat is gemiddeld3.000 euro verlies aan arbeidskorting en als het recht op IACK vervaltkomt daar nog eens 3.000 euro bovenop. Deze leden begrijpen dat deStaatssecretaris wilde afwachten tot de regeling definitief was. Maar gaatdit niet juist in tegen de wens van het kabinet om mensen de tijd te gevenzich voor te bereiden?De leden van de CDA-fractie vragen of mensen die nog werken naast hunuitkering, deze uitkering altijd via de werkgever krijgen uitbetaald of datveel werkenden dit ook rechtstreeks vanuit het UWV krijgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 9054 De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat de IACK vanaf eeninkomen van ca. € 6.000 opbouwt tot volledige IACK bij een inkomen vanca. € 30.000, en de arbeidskorting vanaf een inkomen, en de arbeids-korting tot een inkomen van € 40.000 volledig opbouwt. Zij vragen of hetin de regel klopt dat hoe lager het arbeidsinkomen is dat wordt aangevuldtot ca 30.000–40.000 met een uitkering, hoe meer nadeel iemand heeft vande wijziging.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggendeconceptregeling. Zij hebben daarover enkele vragen.De leden van de SGP-fractie constateren ten aanzien van de toelichting opde wijzigingen dat de regeling uit twee onderdelen bestaat. Waarbij deintroductie van een eindheffing voor een eenmalige vergoeding correctiedagloon WIA voornamelijk voordelen oplevert, terwijl de aanpassing vande samenvoegbepaling grote negatieve gevolgen kan hebben voorburgers. Is overwogen om beide onderdelen in twee aparte regelingen opte nemen? Waarom is daar niet voor gekozen? Is het mogelijk om ditalsnog te doen? Deze leden wijzen daarbij op het feit dat het eersteonderdeel uiterlijk op 1 september 2026 in moet gaan, terwijl voor hettweede onderdeel wellicht meer tijd genomen kan worden.De leden van de SGP-fractie begrijpen ten aanzien van het aanpassen vande samenvoegbepaling dat de regering, als gevolg van een arrest van deHoge Raad, een keuze moet maken om de arbeidskorting al dan niet vantoepassing te laten zijn op uitkeringen, die worden verstrekt doortussenkomst van de werkgever, waarbij er ook andere loonbestanddelenaanwezig zijn. De uitwerking van deze keuze pakt nu voor bepaaldegroepen enorm nadelig uit. Doordat het recht op de arbeidskorting vooreen groep abrupt eindigt, gaat een groep van 11.000 uitkeringsgerech-tigden er 3.000 euro per jaar in netto-inkomen op achteruit. Deze dalingkan oplopen tot 8.700 euro. Wat is de procentuele koopkrachtdaling, zowelgemiddeld als maximaal? Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractieof de Staatssecretaris de inkomenseffecten uitgebreider kan toelichten enbeschrijven, voor diverse situaties.De leden van de SGP-fractie vragen de Staatssecretaris voorts om tereflecteren op de effecten op de (kinder)armoede als gevolg van devoorliggende conceptregeling.De leden van de SGP-fractie vragen waarom niet is gekozen voor eengeleidelijker afbouwpad. Is de Staatssecretaris met deze leden vanmening dat de groep uitkeringsgerechtigden daardoor beter kan antici-peren op de inkomensdaling?Tevens vragen deze leden waarom niet of gekozen voor een tijdelijk uitstelvan de aanpassing van de samenvoegbepaling, zodat in de tussentijdgewerkt kan worden aan een structurele, meer passende oplossing.De leden van de SGP-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij tenprincipale aankijkt tegen het feit dat uitkeringsgerechtigden per definitiezwaarder worden belast, terwijl in veel gevallen uitkeringsgerechtigdenniet eens in staat zijn (meer) te werken. Deelt de Staatssecretaris demening dat dit onrechtvaardig is en dat daarom moet worden ingezet opeen meer structurele oplossing? Welke concrete stappen gaat deStaatssecretaris zetten in die richting? Werkt het kabinet intussen aan eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 9055 fundamentele aanpassing of uitfasering van de arbeidskorting, zoalsgeschetst in een eerdere Kamerbrief hierover?1De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat het grote inkomensverschilkomt door de enorm opgelopen arbeidskorting, en andere heffingskor-tingen. Deelt de Staatssecretaris de analyse dat het inkomensverlies nietzo groot was geweest als de arbeidskorting de laatste jaren niet enormverhoogd zou zijn? Kan de Staatssecretaris reflecteren op deze stijging,gezien dit soort negatieve consequenties? Wat zegt dit over de toekomstvan de arbeidskorting?De leden van de SGP-fractie vragen ten aanzien van de gevolgen voorburgers en het bedrijfsleven hoe de groep uitkeringsgerechtigden die alsgevolg van deze regeling een inkomensachteruitgang tegemoet kan zien,geïnformeerd is? Kan de regering dit concreet uiteenzetten? En hoe ziet decommunicatie er de komende maanden uit?II Reactie van de Staatssecretaris van Financiën Ik dank de leden van de vaste commissie voor Financiën voor de vragendie zijn gesteld naar aanleiding van de brief van 12 juni 2026 die ik medenamens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heb gestuurdover de conceptregeling wijziging loonbelasting.2 Onderstaand wordt bijde beantwoording van de vragen de volgorde van het verslag aange-houden. Een aantal fracties heeft, nagenoeg, dezelfde vragen gesteld.Deze worden gezamenlijk beantwoord.Voordat ik inhoudelijk in ga op de vragen hecht ik er aan te benoemen dathet kabinet beseft dat de aanpassing van de samenvoegbepaling voordeze groep uitkeringsgerechtigden onrechtvaardig kan voelen en dat ditbesluit een forse verlaging van het netto-inkomen kan betekenen. Deaanleiding voor dit besluit is een arrest van de Hoge Raad. De Hoge Raadgeeft daarin aan dat het onderscheid tussen mensen die arbeidsonge-schikt zijn en een uitkering ontvangen via de werkgever, en mensen diedat ontvangen via het UWV moet worden opgeheven. Dit kan op tweemanieren, namelijk aan beide groepen arbeidskorting geven, of aan beidegroepen geen arbeidskorting geven. De eerste oplossing is beter voorbeide groepen arbeidsongeschikten, maar heeft grote nadelen en isbovendien strijdig met het doel van de arbeidskorting. Daarom zet ditkabinet het besluit van het vorige kabinet voort om aan beide groepengeen arbeidskorting te geven.Het inkomensverschil tussen werkenden en (werkende) uitkeringsgerech-tigden speelt een rol in het kader van de (fiscale) hervormingsagendawaar het kabinet uw Kamer voor het einde van het jaar over informeert.Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractieDe leden van de fractie van PRO vragen of bekend is voor hoeveel van de11.000 mensen waar het om gaat de wijziging positief en voor hoeveelmensen negatief uitpakt.Het is begrijpelijk dat de leden van de fractie van PRO graag inzicht willenkrijgen in de precieze gevolgen van deze maatregel voor de mensen diehierdoor geraakt worden. Helaas is het op basis van de beschikbaregegevens niet mogelijk om exact aan te geven voor hoeveel van deongeveer 11.000 betrokkenen de wijzigingen positief of negatief uitpakt.1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 544, nr. 12732Kamerstukken II 2025/26, 26 448, nr. 893.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 9056 Aan de hand van UWV-data over werkgeversbetalingen is geschat datongeveer 11.000 mensen worden geraakt door deze wijziging. De mensendie geraakt worden zijn echter niet precies te identificeren in de loonhef-fingsdata, omdat wanneer gebruik wordt gemaakt van de samenvoegbe-paling, het regulier loon en de uitkering samen op 1 inkomstenver-houding3 worden aangegeven en gezamenlijk als loon uit tegenwoordigedienstbetrekking wordt aangemerkt. Het is daardoor niet zichtbaar welkdeel van het aangegeven loon eigenlijk een uitkering betreft en voor wiedus precies de samenvoegbepaling is toegepast. Voor hoeveel mensen dewijziging positief en negatief uitpakt is niet precies te berekenen. Deverwachting is wel dat de wijziging voor de meeste mensen negatiefuitvalt en maar voor een heel klein deel positief. Mensen zouden voordeelkunnen hebben van de aanpassing, wanneer zij in het afbouwtraject vande arbeidskorting zitten. De arbeidskorting wordt afgebouwd vanaf€ 45.593 (bedrag 2026). Door de uitkering niet meer mee te laten tellenvoor het arbeidsinkomen, zal diegene een hoger recht hebben op dearbeidskorting. Het is niet de verwachting dat dit vaak voorkomt. Dit zounamelijk gaan om iemand die meer dan € 45.593 verdient en daarnaastook een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Om de omvang van degroep verder in perspectief te plaatsen: er zijn momenteel ongeveer176.000 mensen die via het UWV een arbeidsongeschiktheidsuitkeringontvangen. Voor deze groep wordt reeds geen arbeidskorting toegepastover hun uitkering.Het kabinet realiseert zich dat dit voor veel mensen een teleurstellendbericht is. De groep die hierdoor wordt geraakt, bestaat ook uit mensendie na een periode van arbeidsongeschiktheid (deels) weer gaan werkenof proberen deel uit te maken van het arbeidsproces. Voor hen kan eenwijziging in de financiële situatie extra ingrijpend zijn. Het kabinet begrijptdat deze mensen zich zorgen maken over hun inkomenspositie en deimpact die deze wijziging op hun dagelijkse leven kan hebben. Het isbelangrijk oog te hebben voor de positie van (werkende) uitkeringsgerech-tigden. Het inkomensverschil tussen werkenden en (werkende) uitkerings-gerechtigden speelt een rol in het kader van de (fiscale) hervormingsa-genda waar het kabinet uw Kamer voor het einde van het jaar overinformeert.Daarnaast vragen leden van de fractie van PRO of het klopt dat denegatieve impact op mensen mislopen kan oplopen tot maximaal 8.717euro, omdat er sprake is van doorwerking op de IACK.Het klopt dat iemand die het volledige recht op maximale arbeidskorting(AK) en inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) had, en ditvolledige recht verliest ongeveer € 8.700 kan mislopen. Voor 2027 komtdit bedrag uit op € 8.667.4 Dit zou kunnen voorkomen bij iemand met eensocialezekerheidsuitkering van € 47.635 en regulier loon van € 1. Als desocialezekerheidsuitkering van deze persoon via diens werkgever wordtuitbetaald, is het volledige arbeidsinkomen € 47.636 en had diegene rechtop de maximale AK en IACK. Na aanpassing van de samenvoegbepalingis het arbeidsinkomen waarover de AK en IACK wordt toegepast € 1 envervalt vrijwel het volledige recht. Dit is overigens een heel theoretischesituatie. De vraag is of deze verhouding tussen arbeidsinkomen enuitkering zich ook daadwerkelijk voordoet.3Inkomstenverhouding is – kort gezegd – de methode waarop inkomsten administratief wordengeregistreerd ten behoeve van de loonaangifte.4Met berekeningen over 2026 komt dit bedrag uit op € 8.717.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 9057 Leden van de fractie van PRO vragen hoeveel de gemiddelde achter-uitgang is als alleen wordt gekeken naar de groep die erop achteruitgaat(en dus een inkomen heeft in het opbouwtraject van de arbeidskorting).De inschatting is dat gemiddeld genomen een uitkeringsgerechtigde opwiens uitkering de samenvoegbepaling momenteel nog wordt toegepast,er € 3.000 per jaar in netto-inkomen op achteruitgaat. Het nadeel is hetgrootst voor mensen met een klein arbeidsinkomen en een hogereuitkering. De benodigde gegevens om deze vraag meer in detail te kunnenbeantwoorden ontbreken (zie ook bovenstaande toelichting).De leden van de fractie van PRO vragen of degenen om wie het gaat zichbewust zijn van de wijziging en hoe deze mensen zich kunnen en moetenvoorbereiden. De leden van de fractie van PRO vragen ook naar eenovergangsregeling. Ook de leden van de fractie van de SGP vragenwaarom niet is gekozen voor een geleidelijker afbouwpad. Aansluitendvragen de leden van de fractie van de SGP of met een geleidelijkerafbouwpad de groep uitkeringsgerechtigden daardoor beter kan antici-peren op de inkomensdaling? Daarnaast vragen de leden van de fractievan de SGP waarom niet is gekozen voor een tijdelijk uitstel van deaanpassing van de samenvoegbepaling, zodat in de tussentijd gewerktkan worden aan een structurele, meer passende oplossing?Het kabinet beseft dat de aanpassing van de samenvoegbepaling voordeze groep uitkeringsgerechtigden onrechtvaardig kan voelen en dat ditbesluit een forse verlaging van het netto-inkomen kan betekenen. Daaromheeft het kabinet ook gezocht naar manieren om dat te verzachten. Hetgeleidelijk uitfaseren van het recht op arbeidskorting voor de groep van11.000 mensen is uitvoeringstechnisch op korte termijn niet haalbaar,terwijl het kabinet de schending met het discriminatieverbod wel zo snelmogelijk wil opheffen. Het kabinet heeft er daarom voor gekozen om desamenvoegbepaling niet direct, maar per 2027 aan te passen. Daarmeeborgt het kabinet dat degenen die hier financieel nadeel aan ondervindenniet te abrupt worden geconfronteerd met een inkomensdaling. Ook geeftdeze periode softwareontwikkelaars de gelegenheid om de benodigdesoftware aan te passen. In plaats van een geleidelijk afbouwpad in tweejaar tijd, blijft het recht op arbeidskorting over uitkeringen die via dewerkgever worden verstrekt gedurende de jaren 2025 en 2026 in haarhuidige vorm bestaan zonder onderscheid te maken tussen huidigegebruikers en nieuwe gebruikers.In de periode voorafgaand aan de daadwerkelijke wijziging (tot en met2027) worden verschillende communicatie-initiatieven ondernomen.Zowel het UWV als de Belastingdienst bereiden communicatie voorrichting uitkeringsgerechtigden, werkgevers en eventuele hulpverleners.Het kabinet vindt het belangrijk dat mensen die door deze maatregelgeraakt kunnen worden, zich zo goed mogelijk kunnen voorbereiden opde veranderingen en mogelijke financiële gevolgen. Na publicatie van degewijzigde regeling zal de Belastingdienst werkgevers nogmaalsinformeren over de wijzigingen, zodat zij hun werknemers adequaatkunnen inlichten en ondersteunen waar nodig. Tegelijkertijd stuurt hetUWV vanaf september een brief naar de groep uitkeringsgerechtigden diewaarschijnlijk te maken zullen krijgen met de wijziging. Er is gekozen omdeze persoonlijke communicatie niet eerder dan september te starten,omdat de groep betrokkenen jaarlijks verandert en het daarom lastig isom eerder heel gericht te informeren. Het kabinet realiseert zich dat eendergelijke wijziging grote onzekerheid en zorgen teweeg kan brengen bijbetrokkenen. Juist daarom wordt ernaar gestreefd de communicatie zozorgvuldig mogelijk in te richten, zodat mensen zich zo goed mogelijkkunnen voorbereiden op de nieuwe situatie. Uitkeringsgerechtigden enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 9058 hun hulpverleners en werkgevers worden zo begeleid bij het proces, metpersoonlijke en toegankelijke informatie op het moment dat dat het meestrelevant is.De leden van de fractie van PRO vragen of er een mandaat is om dezewijziging via een ministeriele regeling te regelen en waarom het kabinethet voorstel tot wijziging niet aan het parlement voorlegt. De leden van defractie van PRO vragen of dit alsnog kan gebeuren.In een reactie op Kamervragen heeft mijn voorganger eerder aangegevendat de samenvoegbepaling via een wijziging van een ministeriële regelingwordt aangepast.5 Dat komt doordat de samenvoegbepaling is vastgelegdin een ministeriële regeling; de uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.Het mandaat om deze aanpassing via een ministeriële regeling te regelenvolgt uit de Wet op de loonbelasting 1964. In principe geldt er voor eenministeriële regeling geen voorhangprocedure, tenzij dit expliciet in dewet in formele zin (in dit geval de Wet op de loonbelasting 1964) isgeregeld. Dat is hier niet het geval. Uw Kamer heeft de conceptregelingtot aanpassing van de samenvoegbepaling ontvangen als bijlage van mijnbrief van 12 juni 2026.De leden van de fractie van PRO vragen of veel van de voorgenomenmaatregelen van het kabinet bij dezelfde groep terechtkomen. De ledenvan de fractie van PRO vragen hoeveel een parttime werknemer met eenarbeidsongeschiktheidsuitkering die in totaal € 40.000 per jaar ontvangtaan inkomen er netto op achteruit kan gaan door het aanpassen van desamenvoegbepaling en andere maatregelen uit het coalitieakkoord op hetgebied van zorg, sociale zekerheid en belastingen. Ook vragen de ledenvan de fractie van PRO hoeveel een gezonde directeur-grootaandeelhouder met een inkomen van € 150.000 per jaar eropachteruitgaat door de voorgenomen kabinetsmaatregelen. De leden vande fractie van PRO vragen vervolgens om een reflectie.Voor iemand met een arbeidsongeschiktheidsuitkering die in deeltijdwerkt en € 40.000 per jaar verdient, hangt het inkomenseffect van hetaanpassen van de samenvoegbepaling af van welk deel van het inkomenbestaat uit arbeidsinkomen en welk deel bestaat uit uitkering. Bij eenalleenstaande is het negatieve inkomenseffect het grootst indien bij € 1arbeidsinkomen en € 39.999 uitkering, namelijk € 5.610 op jaarbasis (in2027). Naarmate het arbeidsinkomensdeel groter is, zal het inkomens-effect doorgaans kleiner zijn. Indien er bijvoorbeeld sprake is van € 20.000arbeidsinkomen en € 20.000 uitkering, dan is het negatieve inkomens-effect gelijk aan € 2.299 (in 2027).Naarmate iemand vaker te maken heeft met andere maatregelen op hetgebied van zorg of sociale zekerheid, zal het inkomenseffect groter zijn.Helaas valt het niet te achterhalen hoeveel mensen en in welke mate hetaanpassen van de samenvoegbepaling samenloopt met andere maatre-gelen op het gebied van zorg of sociale zekerheid. Daardoor is het nietgoed vast te stellen wat het maximale effect is van het aanpassen van desamenvoegbepaling in combinatie met andere maatregelen uit hetcoalitieakkoord.Een gezonde directeur-grootaandeelhouder met een inkomen van€ 150.000 krijgt niet te maken met het aanpassen van de samenvoegbe-paling.5Kamerstukken II 2024/25, 29 544, nr. 1284.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 9059 De leden van de fractie van PRO vragen naar het beloofde onderzoek naaraanleiding van de motie Stoffer c.s. en of het passend is om de samen-voegbepaling aan te passen voordat dit beloofde onderzoek af is.Naar aanleiding van de motie-Stoffer c.s. maakt het kabinet momenteeleen analyse van de gevolgen van voorgenomen maatregelen op hetgebied van de sociale zekerheid en zorg. Deze is nog niet af. Het kabinetacht het niet wenselijk om te wachten met de publicatie van dezegewijzigde regeling, ook met het oog op het tijdig kunnen informeren vande mensen die naar verwachting te maken gaan krijgen met de nieuweregels en omdat niet te lang gewacht kan worden met het wegnemen vande ongeoorloofde ongelijke behandeling zoals die door de Hoge Raad isgeconstateerd.Opvolgend vragen de leden van de fractie van PRO of het aanpassen vande samenvoegbepaling ook meegenomen kan worden in deze analyse.Ook om helderheid te krijgen over de stapeling van de doorwerking vande duurverkorting van de WW in de WGA, de afschaffing van deafschaffing van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten, de afschaffenvan de aftrek en tegemoetkoming specifieke zorgkosten, de verhoging enhet schrappen van de verlaging van het eigen risico, de voorgenomenverhoging van de inkomstenbelasting en het aanpassen van de samen-voegbepalingHet kabinet heeft in de Kamerbrief van 8 april jl. met de Tweede Kamergedeeld welke maatregelen worden meegenomen in de verkenning naarde impact van de stapeling van maatregelen op het gebied van zorg ensociale zekerheid.6 Zoals te lezen in die brief worden de meeste maatre-gelen die de leden opsommen meegenomen, maar dat geldt niet voor desamenvoegbepaling.Het is niet mogelijk om de samenvoegbepaling mee te nemen in dezedata-analyse, omdat de groep mensen waarvoor de samenvoegbepalingwordt toegepast niet uit de data kan worden gefilterd. De reden daarvooris dat het samengevoegde inkomen (regulier loon en de arbeids-ongeschiktheidsuitkering) in de loonaangifte volledig als loon uittegenwoordige arbeid geregistreerd is.De leden van de fractie van PRO vragen of de Staatssecretaris het eens isdat de arbeidskorting verworden is tot vooral een instrument ominkomenspolitiek te voeren, meer dan een instrument om arbeidspartici-patie te bevorderen en wat de reden was van de verhogingen vanafgelopen jaren. Daarnaast vragen de leden van de fractie van PROwaarom het volgens de Staatssecretaris dan nodig is om ook een fiscaleprikkel in te bouwen en in hoeverre dat dubbelop is. Ook vragen de ledenvan de fractie van PRO of de grote verschillen tussen uitkeringsgerech-tigden en werkenden die het gevolg zijn van onder andere de hoogte vande arbeidskorting nog te rechtvaardigen zijn.De arbeidskorting is onder andere bedoeld als een vorm van inkomenson-dersteuning voor werkenden. Doordat de arbeidskorting in principe alleenberekend wordt over arbeidsinkomen, wordt het nettoverschil tussenarbeidsinkomen en ander inkomen vergroot. Hierdoor wordt het aantrek-kelijker om (meer) te gaan werken. Meer werken stimuleren, is ook eendoel van het kabinet.Het kabinet is het met de leden van de fractie van PRO eens dat dearbeidskorting sinds de introductie fors is toegenomen. Voorgaandekabinetten hebben de arbeidskorting onder andere verhoogd om de6Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 nr. 98.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 90510 koopkracht van werkenden te stimuleren, zodat werken loont. Werkendendie (deels) arbeidsongeschikt raken of werkloos worden, krijgen daardoorechter te maken met een forse inkomensdaling. Deze inkomensdaling zoukleiner zijn bij een lagere arbeidskorting. Het gaat namelijk niet alleen omde inkomensdaling doordat een uitkering wordt ontvangen die lager isdan het voormalige inkomen uit tegenwoordige arbeid, maar ook dearbeidskorting op de te betaling belasting wordt verloren.De prikkel om te gaan werken, ziet niet alleen op het stimuleren vanmensen om vanuit een uitkeringssituatie een betaalde baan te zoeken,voor zover dat voor hen mogelijk is, maar ook op het stimuleren van meeruren werken voor mensen die geen uitkering ontvangen. Méér werkenmoet ook lonen volgens het kabinet. Daarom is er sprake van eenopbouwfase bij de hoogte van de arbeidskorting.7 Dat is dus nietdubbelop, zoals de leden van de fractie van PRO vragen.Voorts vragen de leden van de fractie van PRO of het klopt dat dearbeidskorting nog maar zeer beperkt effectief is, en of dit feit van invloedis op de keuze van de Staatssecretaris voor de voorgestelde aanpassing.De arbeidskorting is doeltreffend als het gaat om gerichte inkomensonder-steuning voor werkenden. Of de arbeidskorting heeft bijgedragen aan destijging van het arbeidsaanbod de afgelopen jaren is echter lastiger vast testellen. Dit blijkt uit de evaluatie van de heffingskortingen en de tarief-structuur.8 Het kabinet heeft de evaluatie van de heffingskortingenmeegewogen, maar de belangrijkste reden is om de overtreding van hetdiscriminatieverbod zo snel mogelijk op te heffen, zoals volgt uit deuitspraak van de Hoge Raad. De vraag of de arbeidskorting effectief is, isvoor het opheffen van het overtreden van het discriminatieverbod minderrelevant.Daarnaast vragen de leden van PRO of het bestaan van en de opeenvol-gende verhogingen van de arbeidskorting volgens de Staatssecretarishebben bijgedragen aan een hogere uitstroom uit de WIA dan anders hetgeval was geweest en of het mogelijk is dit te kwantificeren.Het is aannemelijk dat dit het geval is, maar we hebben geen cijfers ofonderzoek waarmee dit kan worden gekwantificeerd.De leden van PRO vragen of het kabinet alternatieve opties heeftoverwogen en of het uitbreiden van de arbeidskorting tot alle socialeze-kerheidsuitkeringen die door tussenkomst van de werkgever kunnenworden betaald wel juridisch houdbaar is. Ook vragen de leden van PROnaar de budgettaire effecten van dit alternatief.De arbeidskorting is ook van toepassing op werkende uitkeringsgerech-tigden en blijft ook van toepassing op werkende uitkeringsgerechtigden.Het verschil is dat de aanpassing van de samenvoegbepaling ervoor zorgtdat de arbeidskorting niet langer wordt berekend over de socialezeker-heidsuitkering.Het kabinet heeft de keuze gemaakt om de samenvoegbepaling zodanigaan te passen dat er geen arbeidskorting meer kan worden toegepast overeen socialezekerheidsuitkering als deze uitkering via de werkgever wordtbetaald. Het was ook een optie om de discriminatie op te heffen door een7Voor lagere inkomens geldt dat de arbeidskorting hoger wordt als zij meer gaan verdienen. Inieder geval geeft de arbeidskorting met name in deze opbouwfase een prikkel om meer tewerken doordat werken meer loont.8Kamerstukken II 2023/24, 32 140, nr. 185.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 90511 andere keuze te maken, namelijk door ervoor te kiezen om arbeidskortingtoe te staan over alle socialezekerheidsuitkeringen (als de uitkeringsge-rechtigde daarnaast ook werkt). Dat is ook een juridisch houdbare optie.Het van toepassing verklaren van de arbeidskorting op de WW-uitkeringenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, voor zover de uitkeringsgerech-tigde in hetzelfde kalenderjaar ook arbeidsinkomen heeft, kost naarverwachting circa 1,8 miljard. Indien de arbeidskorting ook wordtuitgebreid naar uitkeringsgerechtigden die dat jaar geen arbeidsinkomenhebben, dan kost dat ongeveer 3 miljard.Het kabinet heeft hier echter niet voor gekozen, omdat dit niet aansluit bijeen van de huidige doelen van de arbeidskorting (stimuleren arbeidsparti-cipatie). Dit doel veranderen vergt een meer fundamentele wijziging. Eenmeer fundamentele aanpassing van de arbeidskorting vergt echter tijd,heeft budgettaire gevolgen en heeft voldoende draagvlak nodig. Onder-tussen is het, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad, van belang dediscriminatie op korte termijn op te heffen. Daarom heeft het kabinet nugekozen voor een aanpassing die de strijd met het discriminatieverbod inmensenrechtenverdragen op korte termijn opheft zonder nieuwespanning met dit verbod te veroorzaken.De leden van de fractie van PRO vragen of mensen die de afgelopen jarengeen arbeidskorting toepasten over hun uitkering alsnog kunnen vragenom toepassing van de arbeidskorting. Zo nee, vragen de leden van defractie van PRO aansluitend of het kabinet zich erbij neerlegt dat deoverheid sinds de invoering van de samenvoegbepaling discriminerendheeft gehandeld.De arbeidskorting bestaat sinds 2001, de samenvoegbepaling bestondtoen al. De samenvoegbepaling had als doel om te borgen dat eenwerkgever twee looncomponenten (regulier loon en een uitkering) bijelkaar kan optellen voor het berekenen van de verschuldigde loonheffing,zodat de af te dragen loonheffing zo nauw mogelijk aansluit bij deverschuldigde inkomstenbelasting. Het is daarmee een middel om teborgen dat een werknemer na afloop van een kalenderjaar niet wordtgeconfronteerd met een hoge bijbetaling en het is een middel omwerkgevers te helpen hun administratieve last te beperken. De samen-voegbepaling heeft als gevolg dat een verschil in behandeling bestaattussen werknemers die hun uitkering direct van UWV krijgen enwerknemers die hun uitkering via hun werkgever uitbetaald krijgen. Datverschil speelde in veel mindere mate bij de introductie van de arbeids-korting in 2001, omdat de arbeidskorting destijds veel lager was(maximaal € 920) en opbouwde over een korter inkomenstraject. De AK isin principe niet van toepassing over socialezekerheidsuitkeringen. Dit isniet in lijn is met het doel van de AK om (meer) werken te stimuleren. Hetkabinet kiest er daarom niet voor om deze groep met terugwerkendekracht recht op AK te geven. Dit volgt ook niet uit de uitspraak van deHoge Raad. De Hoge Raad heeft rechtsherstel overwogen maar beslotenom geen rechtsherstel te bieden. Daarbij geeft de Hoge Raad ook aan datdiscriminatie ook kan worden opgeheven door degenen die hun socialeze-kerheidsuitkering via de werkgever ontvangen, geen arbeidskorting meerte laten toepassen over hun uitkering.Ook vragen de leden van de fractie van PRO naar de reacties op deinternetconsultatie en of de voorgenomen wijziging is heroverwogengebaseerd op deze reacties. In het verlengde hiervan vragen de leden vande fractie van de SGP of niet beter kan worden ingezet op een meerstructurele oplossing en welke stappen het kabinet hierin zet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 90512 Tijdens de internetconsultatie zijn 25 reacties ontvangen. De reactiesrichten zich grotendeels op de gevolgen van het aanpassen van desamenvoegbepaling en waren voornamelijk negatief. De aanpassing vande samenvoegbepaling stuit op veel maatschappelijke en financiëlebezwaren. Wat opvalt is dat de bezwaren niet zozeer zien op hetaanpassen van de samenvoegbepaling an sich, maar dat het funda-mentele bezwaar ziet op het gevolg dat (werkende) arbeidsongeschiktenminder inkomen hebben zodra ze arbeidsongeschikt zijn en vervolgens– doordat geen recht bestaat op arbeidskorting over de uitkering –structureel een nog lager netto-inkomen hebben dan werkenden met eenvergelijkbaar brutoinkomen. Door jaarlijkse verhogingen van dezearbeidskorting wordt deze inkomenskloof bovendien steeds groter. Hetkabinet wil een meer fundamentele aanpassing overwegen, maar hiervooris tijd, mogelijk budgettaire dekking en voldoende draagvlak nodig. Op ditmoment is het vooral van belang dat de door de Hoge Raad geconsta-teerde discriminatie zo snel mogelijk wordt opgeheven. Een meerfundamentele wijziging kan niet op korte termijn. Daarom is begin 2025deze keuze gemaakt. Het kabinet zal dit onderliggende fundamentele puntvan het inkomensverschil tussen werkenden en (werkende) uitkeringsge-rechtigden wel meewegen in het kader van de hervormingsagenda.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de fractie van het CDA vragen waarom er pas voor isgekozen om pas na de zomer 2026 te communiceren over het aanpassenvan de samenvoegbepaling en vragen zich af of het wachten metcommuniceren totdat de ministeriele regeling is gepubliceerd niet juistingaat tegen de wens van het kabinet om mensen de tijd te geven zichhierop voor te bereiden.Het UWV en de Belastingdienst bereiden zich gezamenlijk voor op eenzorgvuldige en gerichte communicatie naar zowel uitkeringsgerechtigdenals werkgevers en betrokken hulpverleners. In de aanloop naar dewijziging worden op verschillende momenten communicatie-actiesondernomen:•Persoonlijke communicatie aan uitkeringsgerechtigden: vanafseptember 2026 zal het UWV een persoonlijke brief sturen aan dieuitkeringsgerechtigden die naar verwachting worden geraakt doordeze wijziging.•Voorlichting aan werkgevers: na publicatie van de gewijzigde regelingzal de Belastingdienst werkgevers via nieuwsberichten en haar websiteinformeren over de veranderingen, zodat zij hun werknemers kunnenadviseren en ondersteunen waar nodig.•Indirecte communicatie: daarnaast worden sociale raadslieden enandere hulpverleners geïnformeerd, zodat zij uitkeringsgerechtigdenkunnen adviseren en ondersteunen waar nodig.•Reguliere communicatiekanalen: naast persoonlijke en gerichtecommunicatie wordt de informatie ook opgenomen in bestaandecommunicatiemiddelen – zoals het Handboek Loonheffingen – dietoegankelijk zijn voor professionals die betrokken zijn bij de uitvoeringen begeleiding.De reden dat pas vanaf september 2026 de directe persoonlijke communi-catie plaatsvindt door het UWV, is omdat de groep uitkeringsgerechtigdendie door deze samenvoegbepaling wordt geraakt jaarlijks wijzigt. Op dezemanier wordt zoveel mogelijk gewaarborgd dat de juiste mensen wordengeïnformeerd en dat de communicatie zoveel mogelijk maatwerk biedt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 90513 Deze mix van communicatiekanalen moet ervoor zorgen dat uitkeringsge-rechtigden, hun hulpverleners en werkgevers zich goed kunnen voorbe-reiden op de aankomende wijziging en de mogelijke financiële conse-quenties daarvan.De leden van de fractie van het CDA vragen of mensen die nog werkennaast hun uitkering, deze uitkering altijd via de werkgever krijgenuitbetaald of dat veel werkenden dit ook rechtstreeks vanuit het UWVkrijgen.De socialezekerheidsuitkering wordt niet altijd door tussenkomst van dewerkgever betaald. In principe wordt de uitkering rechtstreeks door hetUWV betaalt. De uitkeringsgerechtigde kan bij het UWV wel aangeven datzij door tussenkomst van een werkgever de socialezekerheidsuitkering wilontvangen, de uitkeringsgerechtigde moet het UWV hiervoor machtigen.De werkgever moet hier vervolgens ook mee wel instemmen. Als eenwerkgever hier niet mee instemt, betaalt het UWV de uitkering recht-streeks aan de uitkeringsgerechtigde.De leden van de fractie van het CDA vragen of het klopt dat de IACK vanafeen inkomen van circa € 6.000 opbouwt tot volledige IACK bij eeninkomen van circa € 30.000, en de arbeidskorting vanaf een inkomen, ende arbeidskorting tot een inkomen van € 40.000 volledig opbouwt. Ookvragen de leden van de fractie van het CDA of het klopt dat hoe lager hetarbeidsinkomen is dat wordt aangevuld tot ca € 30.000 – € 40.000 meteen uitkering, hoe meer nadeel iemand heeft van de wijziging.De IACK bouwt inderdaad op vanaf een arbeidsinkomen van € 6.240 totvolledige IACK bij een arbeidsinkomen van € 32.711 (bedragen 2026). Dearbeidskorting bouwt op tot een arbeidsinkomen van € 45.592 (bedrag2026). Het is juist dat mensen die onder de samenvoegbepaling vallen enhet arbeidsinkomen aanvulden tot € 30.000–40.000 met een uitkering,meer nadeel ondervinden naarmate het uitkeringsdeel groter is.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de fractie van de SGP vragen of is overwogen om de tweemaatregelen die samen in de conceptregeling wijziging loonbelastingstaan in twee aparte ministeriele regelingen op te nemen en of dit alsnogkan zodat meer tijd genomen kan worden voor het tweede onderdeel(aanpassen samenvoegbepaling).Er is voor gekozen om beide maatregelen in één ministeriële regeling opte nemen, omdat beide maatregelen uiterlijk in het derde kwartaal van2026 gepubliceerd moeten zijn. De introductie van een eindheffing tenbehoeve van de Tijdelijke regeling eenmalige vergoeding correctiedagloon WIA moet uiterlijk eind augustus 2026 worden gepubliceerd. Ookde aanpassing van de samenvoegbepaling wordt liefst uiterlijk augustus2026 gepubliceerd om de doelgroep conform planning vanaf september teinformeren over deze aanpassing.De leden van de fractie van de SGP stellen dat een groep van 11.000uitkeringsgerechtigden er 3.000 euro per jaar in inkomen op achteruitgaat, en dat deze daling kan oplopen tot 8.700 euro. Zij vragen wat deprocentuele koopkrachtdaling is door het aanpassen van de samenvoeg-bepaling, zowel gemiddeld als maximaal. Ook vragen deze leden naar eentoelichting op de inkomenseffecten voor verschillende situaties.Hieronder worden de inkomenseffecten toegelicht in verschillendesituaties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 90514 Door het aanpassen van de samenvoegbepaling zal naar verwachting hetmerendeel van de eerdergenoemde groep van 11.000 uitkeringsgerech-tigden worden geconfronteerd met een daling van het netto-inkomen. Degroep die hiermee te maken krijgt, gaat er gemiddeld circa € 3.000 nettoper jaar op achteruit, doordat zij minder arbeidskorting en, indien vantoepassing, via de inkomstenbelasting ook minder of geen inkomensaf-hankelijke combinatiekorting (IACK) meer ontvangen. In theorie kan deinkomensachteruitgang oplopen tot ongeveer € 8.700 per jaar. Het kanook voorkomen dat uitkeringsgerechtigden, door de afbouw van dearbeidskorting vanaf een inkomen van circa € 40.000 op jaarbasis, er juistop vooruit gaan door de aanpassing. De voorbeelden hieronder geveninzicht in de meest negatieve situatie (met een maximale inkomens-daling), en het meest positieve scenario (inkomensstijging) als gevolg vanhet aanpassen van de samenvoegbepaling.Met deze voorbeelden wordt de breedte van de mogelijke inkomensef-fecten geschetst. Er zijn geen gegevens beschikbaar over de spreiding vande inkomensdaling en de inkomensopbouw, omdat de groep mensenwaarvoor de samenvoegbepaling wordt toegepast niet uit de data kanworden gefilterd. De reden daarvoor is dat het samengevoegde inkomen(regulier loon en de arbeidsongeschiktheidsuitkering) in de loonaangiftevolledig als loon uit tegenwoordige arbeid geregistreerd is. Een gedetail-leerdere beschrijving van de inkomenseffecten van deze groep is daaromniet mogelijk. Als gevolg van de beperkte beschikbaarheid van gegevensover spreiding van de inkomensdaling en de inkomensopbouw is het ookniet goed mogelijk om een cijfer te geven voor de gemiddelde procen-tuele koopkrachtdaling. In onderstaande voorbeelden is wel het procen-tuele inkomenseffect opgenomen ter illustratie, met de kanttekening datdeze effecten niet representatief zijn.Meest negatieve inkomenseffectHet aanpassen van de samenvoegbepaling pakt het meest negatief uitvoor werknemers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, gebruikmakenvan de samenvoegbepaling en ook recht hebben op de inkomensafhanke-lijke combinatiekorting (IACK). De IACK hangt namelijk, net als dearbeidskorting, af van het arbeidsinkomen. Door het samenvoegen vanuitkering en loon telt de uitkering mee als arbeidsinkomen en kan er eenhoger recht op IACK, en in veel gevallen ook een hoger recht op arbeids-korting ontstaan. Hierbij moet worden benadrukt dat dit slechtste scenariowaarschijnlijk zeer uitzonderlijk is. De mensen waarvoor de samenvoegbe-paling wordt toegepast moeten dan een inkomen uit uitkering en inkomenuit tegenwoordige dienstbetrekking hebben zoals de voorbeelden in Tabel1. Bovendien moet er worden voldaan aan de voorwaarden voor de IACK(de persoon moet een minstverdiener of alleenstaande zijn met thuiswo-nende kinderen jonger dan 12 jaar). Er zijn geen gegevens beschikbaarover hoeveel mensen die nu gebruikmaken van de samenvoegbepalingook recht hebben op IACK.De inkomensachteruitgang is het grootst voor mensen met een heel kleinarbeidsinkomen en een hogere uitkering. In 2027 bereikt de arbeidskortingeen maximum van € 5.752 bij een inkomen van € 47.636. Bij dat inkomenis ook de IACK maximaal en kunnen alle heffingskortingen verzilverdworden. Tabel 1 laat het brutonetto traject zien voor iemand met eeninkomen van € 47.636 waarbij de uitkering als gevolg van de samenvoeg-bepaling tot het arbeidsinkomen wordt gerekend, en de gevolgen bijaanpassing van de samenvoegbepaling. Vóór het aanpassen van desamenvoegbepaling is het niet relevant welk deel van het inkomen loon isen welk deel bestaat uit een uitkering. Het geheel wordt samengevoegden belast alsof het arbeidsinkomen is. Bij het totale inkomen ontstaat in deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 90515 huidige situatie (d.i. vóór aanpassen samenvoegbepaling) een maximaalrecht op arbeidskorting en IACK. Na aanpassing van de samenvoegbe-paling verliest deze persoon het recht op arbeidskorting en IACK over deuitkering. In de (theoretische) situatie waarin het arbeidsinkomenminimaal is (€ 1) verliest de belastingplichtige het volledige recht oparbeidskorting en IACK, een inkomensverlies van ongeveer € 8.700 in2027 (scenario 1). Dit komt neer op een procentueel inkomenseffect van–17,6%. Aan de tabel is ook nog een tweede scenario toegevoegd waarinhet arbeidsinkomen gelijk is aan het inkomen waarbij de IACK begint op tebouwen (€ 6.311 in 2027). In die situatie bedraagt het inkomensverliesongeveer € 8.150, omdat dan nog wel een beperkt recht op arbeidskortingblijft bestaan, namelijk over het gedeelte van het inkomen dat daadwer-kelijk arbeidsinkomen is. Dat komt neer op een procentueel inkomens-effect van –7,2%.Tabel 1: bruto en netto-inkomen voor en na aanpassing van de samenvoegbepaling in2027 in het slechtste geval (bij maximale arbeidskorting en IACK)Voor aanpassingsamenvoegbepalingNa aanpassing samenvoeg-bepalingScenario 1Scenario 2Belastbaar arbeidsinkomenIrrelevant€ 1€ 6.311Inkomen uit uitkeringIrrelevant€ 47.635€ 41.325Belastbaar inkomen€ 47.636€ 47.636€ 47.636Belasting box 1€ 17.435€ 17.435€ 17.435Algemene heffingskorting (AHK)€ 2.085€ 2.085€ 2.085Arbeidskorting€ 5.752€ 0€ 513IACK€ 2.915€ 0€ 0Totaal betaalde belasting€ 6.683€ 15.350€ 14.837Netto-inkomen€ 40.953€ 32.286€ 32.799Verschil€ -8.667€ -8.154 Meest positieve inkomenseffectHieronder volgt uitwerking van het scenario waarin uitkeringsgerech-tigden erop vooruit gaan door aanpassing van de samenvoegbepaling. Ditscenario komt beperkt voor. Het aanpassen van de samenvoegbepalingpakt bijvoorbeeld gunstig uit voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten diemet hun totale inkomen (inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking +uitkering) in het afbouwtraject van de arbeidskorting zitten en een relatiefgroot deel van hun inkomen zelf verdienen. De voorbeelden in Tabel 2illustreren dit. Een belastingplichtige met een totaal belastbaar inkomenvan € 70.072 krijgt in 2027 € 4.291arbeidskorting als het inkomen wordtsamengevoegd. Als het inkomen niet wordt samengevoegd kan het rechtop arbeidskorting oplopen tot maximaal € 5.752 (scenario 1). Bijbelastingplichtigen met een relatief hoge uitkering zal het recht oparbeidskorting wel dalen als de samenvoegbepaling wordt aangepast(scenario 2). Dit is de grootste groep.Tabel 2: bruto en netto-inkomen voor en na aanpassing van de samenvoegbepaling inhet afbouwtraject van de ArbeidskortingVoor aanpassing samen-voegbepalingNa aanpassing samenvoegbe-palingScenario 1Scenario 2ArbeidsinkomenIrrelevant€ 47.635€ 10.000Inkomen uit uitkeringIrrelevant€ 22.437€ 60.072Belastbaar inkomen€ 70.072€ 70.072€ 70.072Belasting box 1€ 26.003€ 26.003€ 26.003Algemene heffingskor-ting (AHK)€ 662€ 662€ 662Arbeidskorting€ 4.291€ 5.752€ 813Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 90516 Voor aanpassing samen-voegbepalingNa aanpassing samenvoegbe-palingScenario 1Scenario 2Totaal betaaldebelasting€ 21.050€ 19.589€ 24.528Netto-inkomen€ 49.022€ 50.483€ 45.544Verschil€ 1.461€ -3.478 De leden van de fractie van de SGP vragen of het inkomensverlies niet zogroot was geweest als de arbeidskorting de laatste jaren niet enormverhoogd is. Deze leden vragen om een reflectie op deze stijging en watdit zegt over de toekomst van de arbeidskorting.De arbeidskorting bestaat sinds 2001. De samenvoegbepaling heeft alsgevolg dat een verschil in behandeling bestaat tussen werknemers diehun uitkering direct van het UWV krijgen en werknemers die hun uitkeringvia hun werkgever uitbetaald krijgen. Dat verschil speelde in veel minderemate bij de introductie van de arbeidskorting in 2001, omdat de arbeids-korting destijds veel lager was (maximaal € 920) en opbouwde over eenkorter inkomenstraject. De aanpassing van de samenvoegbepaling heeftals gevolg dat een groep van 11.000 uitkeringsgerechtigden er gemiddeld€ 3.000 per jaar in netto-inkomen op achteruitgaat. Ten tijde van deinvoering van de arbeidskorting was dit verschil niet zo hoog. Het kabinetzal dit onderliggende fundamentele punt van het inkomensverschil tussenwerkenden en (werkende) uitkeringsgerechtigden meewegen in het kadervan de hervormingsagenda.De leden van de fractie van de SGP vragen om een reflectie op de effectenop de (kinder)armoede als gevolg van de voorliggende conceptregeling.Het kabinet realiseert zich dat de wijziging grote financiële gevolgen heeftvoor 11.000 mensen en ten opzichte van de huidige situatie een grootverlies aan netto inkomen kan betekenen. Er zijn geen gegevensbeschikbaar hoeveel huishoudens exact erop achteruitgaan en watdaarvan de mogelijke gevolgen zijn op bijvoorbeeld (kinder)armoede. Diegevolgen hangen bijvoorbeeld samen met het hebben van een partneren/of kinderen en het inkomen van die partner, en daar zijn geengegevens over.De leden van de fractie van de SGP vragen ten aanzien van de gevolgenvoor burgers en het bedrijfsleven hoe de groep uitkeringsgerechtigden dieals gevolg van deze regeling een inkomensachteruitgang tegemoet kanzien, geïnformeerd is? Kan de regering dit concreet uiteenzetten? En hoeziet de communicatie er de komende maanden uit?Het kabinet heeft in zijn reactie op de uitspraak van de Hoge Raad, van14 maart 2025, aangekondigd dat de regeling zal worden aangepast per2027. Totdat de regeling is gepubliceerd treffen het UWV en de Belasting-dienst voorbereidingen voor communicatie gericht op werkgevers enuitkeringsgerechtigden. Voor werkgevers en uitkeringsgerechtigden diecontact zoeken over de wijzigingen zijn antwoorden voorbereid. Napublicatie van de gewijzigde regeling zal het UWV werkgevers via eennieuwsbericht (via de website) gaan voorlichten over de wijzigingen, envanaf september zal het UWV een brief sturen naar uitkeringsgerech-tigden die naar verwachting te maken gaan krijgen met de wijzigingen in2027.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 90517 Vanuit de Belastingdienst is de voorgenomen wetswijziging en verwachteinwerkingtreding per 1 januari 2027 via de Nieuwsbrief Loonheffingen2026 reeds aangestipt. Deze nieuwsbrief is eind 2025 verstuurd. In dezenieuwsbrief wordt ook benadrukt dat de wijziging in veel gevallennegatieve financiële gevolgen zal hebben voor de mensen die het raakt.Tevens is benoemd dat het gezien die gevolgen van belang is datwerknemers daar tijdig van op de hoogte zijn en dat het raadzaam is dewerknemer hier alvast over in te lichten zodat zij zich tijdig kunnenvoorbereiden. Voorlichting op het gebied van loonheffingen is gericht opde inhoudingsplichtigen en niet op de werknemers of uitkeringsgerech-tigden. Zij zijn normaliter ook niet geabonneerd op voorlichting voor deloonheffingen via de Belastingdienst. Door de gevolgen en het belang vaninformeren nadrukkelijk te benomen richting werkgevers is getrachtzoveel mogelijk personen die de wijziging raakt indirect alvast te bereiken.Na publicatie van de regeling, wanneer zekerheid bestaat dat de voorge-nomen wijziging doorgang vindt, zal er vanuit de Belastingdienst ook nogverdere communicatie volgen. Zo zal het meer uitgebreid terugkomen inde Nieuwsbrief Loonheffingen 2027. Ook wordt de wijziging verwerkt inandere reguliere communicatiemiddelen zoals het Handboek Loonhef-fingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 26 448, nr. 90518
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.