KamerkringInloggen
Kamerbrief

Werkagenda mbo en Stagepact mbo: ambities en inzet van de mbo- instellingen

5 dec 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 2e8b337b313440b0 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 524Beroepsonderwijs en Volwassenen EducatieNr. 624 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 5 december 2024In 2023 zijn de Werkagenda mbo en het Stagepact mbo1 afgesloten om opdrie terreinen (de «prioriteiten») stappen te zetten om de kwaliteit van hetmbo te verbeteren te weten: kansengelijkheid, de aansluiting van hetonderwijs op de arbeidsmarkt en kwaliteit, onderzoek en innovatie. Dezeafspraken zijn gemaakt met een brede coalitie van de MBO Raad, deNederlandse Raad voor Training en Opleiding (NRTO), JOBmbo, Samen-werkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB), VerenigingNederlandse Gemeenten (VNG), Beroepsvereniging Opleiders MBO(BVMBO) en VNO-NCW/MKB-Nederland. Met de Werkagenda en hetStagepact willen we de kwaliteit van het mbo, met concrete ambities,verder verbeteren.In mijn vorige brief over de Werkagenda en het Stagepact, van juli 20242,informeerde ik uw Kamer over de uitgangspositie van het mbo op eengroot deel van de doelstellingen bij aanvang van de Werkagenda en hetStagepact. Hieraan wordt de komende jaren de voortgang afgemeten diembo-instellingen en de sector als geheel maken. Ook heb ik u toengeïnformeerd over de voortgang die de afgelopen periode al is gemaaktop de drie prioriteiten van de Werkagenda. Tot slot ben ik in die briefingegaan op de totstandkoming en beoordeling van de kwaliteitsagenda’sdie de bekostigde mbo-instellingen opstelden.Inhoud van deze briefDe instellingen hebben de kwaliteitsagenda’s opgesteld in afstemmingmet werkgevers, andere onderwijsinstellingen en gemeenten uit de regioen met instemming van de ondernemings- en studentenraden. Deze brieffocust op de inhoud van de opgestelde kwaliteitsagenda’s: welke inzet enambities hebben de mbo-instellingen voor de komende jaren geformu-1Hierna: «de Werkagenda» en «het Stagepact»2Kamerstukken II 2023/24, 31 524, nr. 617. kst-31524-624ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6241 leerd? Bij deze brief bied ik u ook het syntheserapport en drie rapporten(voor elke prioriteit één) aan, die verdiepend ingaan op de inzet enambities per doelstelling uit de Werkagenda. Deze brief is een aanvullingop de brief die ik in juli met uw Kamer heb gedeeld. In de bijlage bij dezebrief kom ik ook terug op een aantal moties en toezeggingen die samen-hangen met de Werkagenda en het Stagepact.De mbo-instellingen gaat op belangrijke thema’s forse stappenzettenDe brede beweging die we met de Werkagenda en het Stagepact beogen,is duidelijk zichtbaar in de ambities van de instellingen. Op alle doelstel-lingen is een duidelijk richtpunt en de inzet van middelen is daaraangekoppeld. Dit is belangrijk in de verantwoording richting uw Kamer,maar ook om ontwikkeling te kunnen volgen en waar nodig bij te sturen.In het bijzonder valt op dat de instellingen in de kwaliteitsagenda’s opbelangrijke thema’s een trendbreuk met de afgelopen jaren nastreven.Deze trendbreuk is mede dankzij deze aanpak tot stand gekomen. Eenaantal trendbreuken licht ik hieronder toe.Scherpe daling vsv beoogdUw Kamer heeft ten doel gesteld om in 2026 het aantal nieuwe vsv’ers telaten dalen naar minder dan 18.000. Het stellen van dit doel heeft totambitieuze plannen geleid. De instellingen maken concreet hoe ze hetaantal voortijdig schoolverlaters (vsv’ers) willen terugdringen naar minderdan 20.000 in 2027. Deze ambitie betekent een forse verlaging ten opzichtevan de huidige cijfers van circa 30.000 vsv’ers en een omslag van destijgende trend. Het is positief dat de maatregelen zich daarbij in grotemate richten op één van de belangrijke oorzaken van vsv: persoonlijkeproblemen. Zo wordt er geïnvesteerd in vroegtijdige signalering vanproblemen, een sociaal veilige omgeving, passende begeleiding en hetmentaal welzijn van studenten. Op dit laatste punt is al een positieveontwikkeling zichtbaar: het aantal studenten dat zich mentaal slecht zegtte voelen is gedaald van 22% in 2022 naar 13% in 2024. Tegelijkertijd is degestelde ambitie een grote uitdaging: nog steeds kampen veel jongerenmet persoonlijke problemen. Ook is het door de krappe arbeidsmarktaantrekkelijk om ongediplomeerd aan het werk te gaan.Forse verbetering van carrièreperspectiefOok gaan de instellingen het carrièreperspectief voor het onderwijzendpersoneel sterk verbeteren. Dat betekent: meer zicht op hogere inschaling,een vermindering van de werkdruk en meer mogelijkheden voorontwikkeling en professionalisering. Voor deze doelstelling zijn binnen dekwaliteitsmiddelen apart middelen beschikbaar gesteld.3 De mbo-instel-lingen zetten deze middelen in en voegen daar soms extra kwaliteitsmid-delen aan toe. Dit zorgt de komende jaren voor een forse impuls voor dearbeidsvoorwaarden in het mbo. Zo is er ambitie om het aandeeldocenten in een LC of LD-schaal met 10 procentpunt te laten toenemen.De meeste instellingen hebben ook (kwalitatieve) ambities om startendpersoneel beter te begeleiden.Actieve aanpak van stagediscriminatieVrijwel alle instellingen (90%) nemen maatregelen om stagediscriminatieuit te bannen. Alle instellingen beschikken over een meldpunt en-procedure. Dit onderwerp heeft de afgelopen jaren terecht flink aan3Het betreft voor de hele sector circa € 570 miljoen voor 2024 tot en met 2027.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6242 terrein gewonnen. Met de kwaliteitsagenda’s is de eerste stap gezet. Opdit moment is op een groot deel van de instellingen ten minste één teamgestart met stagematching. Instellingen hebben daarnaast eenmeldstructuur ingericht en geven meldingen door aan SBB. Het isbelangrijk dat studenten die te maken hebben met stagediscriminatie ditkunnen melden en dat deze meldingen op een goede manier opgevolgdworden. De komende jaren verwacht ik daarom een accurater beeld tekrijgen van het aantal meldingen van stagediscriminatie op instellingen enhoe instellingen met deze meldingen zijn omgegaan. Dit is nodig om zichtte krijgen op wat echt speelt, hiervan te leren en op basis daarvan tekomen tot effectieve interventies.De stappen die gezet zijn, vind ik positief. De implementatie van deprofessionaliseringstrajecten die instellingen hebben opgenomen in dekwaliteitsagenda’s, gericht op bewustwording en handelingsvaardigheidvan student, docent en leerwerkbedrijf moet echter nog wel van de grondkomen.Praktijkgericht onderzoek vast onderdeel in mbo-organisatiesOm blijvend aan de kwaliteit van het onderwijs te kunnen werken zijnonderbouwde innovaties en praktijkgericht onderzoek steeds belangrijker.Gezamenlijk streven de instellingen naar een groei van het aantalpractoraten van 76 in 2023 naar 141 in 2027. Daarmee geven zij eenduidelijke impuls aan de kennisfunctie van (en binnen) het mbo. Practo-raten worden de komende jaren geïntegreerd in mbo-instellingen als vastonderdeel van de organisatie. Dat vind ik een mooie ontwikkeling. Dit pastbij de ambitie om praktijkgericht onderzoek in te bedden in de infra-structuur van het mbo. Praktijkgericht onderzoek kan namelijk ook eenbelangrijke rol spelen bij de noodzakelijke innovaties voor demaatschappij. In de bijlage bij deze brief ga ik hier verder op in.Aandachtspunten voor de komende periodeDe vertaalslag van de werkagenda naar concrete plannen van deinstellingen maakt duidelijk dat we in de periode tot 2027 in de totalembo-sector flinke stappen zetten op alledrie de prioriteiten. Dat is mooiom te constateren. Ik zie echter ook punten die mijn aandacht vragen. Deaansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt is daarvan het meesturgent.Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomstDe kwaliteitsagenda’s laten zien dat meer focus nodig is in keuzes t.a.v.opleidingsaanbod voor het opleiden van studenten voor de maatschappe-lijke opgaven waar Nederland momenteel voor staat. Denk aan uitda-gingen op het gebied van woningbouw, zorg, onderwijs, klimaat enenergie, veiligheid, kinderopvang en de digitale transitie. Het aantalopleidingen dat door de instellingen en hun (regionale) partners wordtgezien als maatschappelijk relevant, ligt een stuk hoger dan het aantalopleidingen die de onderzoekers scharen onder de in de Werkagendagenoemde maatschappelijke opgaven.4 Het stoppen met de eigenwerkwijze kansrijk opleiden van de sector laat zien dat het onderwijs enbedrijfsleven onvoldoende lukt om afspraken te maken over hetopleidingsaanbod.4Zie hiervoor de rapportage over Prioriteit 2 – Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt, die alsbijlage bij deze brief aan uw Kamer is gestuurd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6243 Vanwege de krappe arbeidsmarkt vinden veel studenten na hun opleidingsnel een baan. Die baan is echter niet altijd in beroepen die hen oplangere termijn voldoende zekerheid geven. Of die een groot maatschap-pelijk of strategisch belang dienen. Het aandeel studenten dat instroomtop een opleiding die opleidt voor een maatschappelijke opgave neemtook niet toe. Op basis van deze observaties stuur ik, zoals aangekondigdin het regeerprogramma, bij. In de zomer van 2025 kom ik met een pactvoor het opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst, waarin ik –onder andere – met opleiders en werkgevers afspraken maak.5 Hierinbetrek ik ook de acties uit het BBL-offensief.Focus ontbreektHet baart mij tot slot zorgen dat in veel kwaliteitsagenda’s nog focusontbreekt. Ongeveer tweederde van de instellingen zet op alle doelstel-lingen in, terwijl er ruimte was om hierin te kiezen. Dit onderstreept hetbelang van de doelen uit de werkagenda, maar een mogelijke keerzijde isdat de ambities minder groot zijn dan wanneer de instellingen scherperekeuzes hadden gemaakt in hun kwaliteitsagenda’s. De inzet lijkt bovendienniet altijd voldoende aan te sluiten bij de vastgestelde uitdagingen.6 Totslot moeten sommige maatregelen die in de kwaliteitsagenda’s genoemdworden concreter gemaakt worden om de gewenste ambitie waar tekunnen maken.Ik heb elke instelling een brief gestuurd bij de goedkeuring van dekwaliteitsagenda’s. Daarin heb ik aan elke instelling aangegeven waar deaandachtspunten voor de uitvoering van hun kwaliteitsagenda liggen. Debovenstaande punten zijn daarin aan bod gekomen. De komende periodega ik hierover ook met de individuele instellingen en de sector in gesprek.De midterm review als ijkpuntIn hoeverre bijsturing nodig is, laat ik afhangen van de eerste resultaten.In 2025 vindt een midterm review plaats, waarbij de sectorbredevoortgang inzichtelijk wordt gemaakt. In de zomer van 2025 verwacht iktevens het pact over opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst tekunnen sluiten. Dit zijn twee belangrijke pijlers om, samen met departners en uw Kamer, in het najaar van 2025 vast te stellen of degeformuleerde ambities worden waargemaakt en we de juiste vervolg-stappen zetten richting een toekomstbestendig mbo.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. Bruins5In de Kamerbrief over de voortgang Werkagenda en Stagepact van juli jl. (Kamerstukken II2023/24, 31 524, nr. 617) heb ik benoemd dat ik zal komen met een plan van aanpak vooropleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Dit geef ik vorm via dit Pact.6De startmeting met daarbij een inschatting van de uitdagingen voor de sector en de instel-lingen kunt u vinden in de bijlagen bij Kamerstukken II 2023/24, 31 524, nr. 617.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6244 – Moties en toezeggingen Werkagenda en StagepactIn deze bijlage ga ik in op de volgende moties en toezeggingen:•Toezegging om in te gaan op studenten die ongediplomeerd aan hetwerk gaan.•De motie van het lid Soepboer (NSC) over de mbo-verklaring.7•De motie van het lid Hagen over boeken en licenties.8•Toezegging om in te gaan op het BBL-offensief.•De motie van de leden Krul en Peters (beiden CDA) over de visie oppractoraten9Ongediplomeerd aan het werkEen belangrijke oorzaak van ongediplomeerde uitstroom naar werk is dekrappe arbeidsmarkt. Uw Kamer heeft haar zorgen geuit over dezezogeheten «groenpluk». Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd om indeze brief hierop terug te komen.10 Het tegengaan van ongediplomeerdeuitstroom vergt inzet van vele betrokkenen. Zo wil ik jongeren verleidenom in het onderwijs te blijven door in te zetten op aantrekkelijkepraktische leerroutes (een breed aanbod aan BBL-opleidingen en meerswitchmogelijkheden tussen BOL en BBL). Het bedrijfsleven heeft ook eenbelangrijke rol. Met de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs enBedrijfsleven (SBB) en het Ministerie van SZW maak ik steeds meerconcrete afspraken over het opleiden van jongeren via praktijkleren intekortsectoren, zoals kinderopvang en ouderenzorg («sectorale ontwikkel-paden»). Daarnaast ga ik instellingen, gemeenten en Doorstroompuntenverplichten om in de regio afspraken te maken over het tegengaan vanongediplomeerde uitstroom naar werk. Ik ga in het voorjaar in devoortgangsbrief vsv uitgebreider in op de gedeelde inzet van al dezepartijen.Mbo-verklaringIk vind het belangrijk dat jongeren die voortijdig zijn uitgevallen uit eenopleiding op een later moment weer gemakkelijk kunnen instromen. Dembo-verklaring kan studenten hierbij helpen. Ik heb mede op verzoek vanuw Kamer de werking van de mbo-verklaring geëvalueerd. Deze evaluatietreft u als bijlage bij deze brief. Daaruit blijkt dat het instrument isgeïmplementeerd in het mbo. Instellingen gebruiken de mbo-verklaringom vrijstellingen te verlenen. Voor werkgevers lijkt het instrument nogonbekend. Ik ga met betrokkenen over deze uitkomsten in gesprek. In mijnbrief over de voortgang van het Actieplan voortijdig schoolverlaten, die ikdit voorjaar aan uw Kamer zal sturen, ga ik hier verder op in.Marktverkenning schoolboeken en licenties in het mboIn 2022 heeft uw Kamer een amendement van het lid Hagen c.s. aange-nomen waarmee € 10 miljoen beschikbaar is gesteld om schoolboeken enlicenties voor de basisvaardighedenvakken kosteloos beschikbaar testellen aan studenten tot 18 jaar.11 Ter uitvoering van dit amendementgeldt sinds dit studiejaar een tijdelijke maatregel, waarmee minderjarigestudenten via de instellingen een tegemoetkoming krijgen in de kostenvan schoolboeken en licenties. Dit is ook afgesproken in de Werkagenda7Kamerstukken II 2023/24, 31 524, nr. 606.8Kamerstukken II 2022/23, 36 200 VIII, nr. 145.9Kamerstukken II 2023/24, 31 288, nr. 104310Kamerstukken II 2023/24, 31 524, nr. 5711Kamerstukken II 2022/23, 36 200 VIII, nr. 63.BijlageTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6245 mbo. Ik zal bezien hoe deze maatregel structureel vormgegeven kanworden.BBL-offensiefHet bekender maken van de BBL is voor veel instellingen (75%) een puntvan inzet in hun kwaliteitsagenda. Dit is belangrijk omdat de BBL voor om-en bijscholers, maar ook voor initiële studenten, een aantrekkelijkalternatief kan zijn om in de praktijk te kunnen leren. In het BBL-offensiefwerk ik samen met partners uit het onderwijs en bedrijfsleven aan hetverder vergroten van de bekendheid van de BBL onder jongeren, oudersen bedrijven. Alle partijen werken al aan het vergroten van de bekendheidvan de BBL via hun eigen kanalen. Zo verstuurde OCW bijvoorbeeldrecent een «matbrief» aan vmbo-eindexamenkandidaten. In deze briefwerden vmbo-eindexamenkandidaten gewezen op de mogelijkheid omeen BBL-opleiding te volgen. Het vergroten van de bekendheid van deBBL gaan we de komende tijd gezamenlijk organiseren.Ook werken we aan het flexibeler maken van het BBL-onderwijs, hetvergroten van het BBL-aanbod en de verbetering van de begeleiding. Deinstroom in de BBL is in het studiejaar 2023–2024 al opgelopen naar31%.12 Deze relatief toenemende instroom, samen met de nog verder uitte bouwen inzet van instellingen, werkgevers en het Rijk (in het kader vanhet BBL-offensief) geven mij vertrouwen dat de BBL als aantrekkelijkalternatief de komende jaren verder zal groeien. Waar nodig zullen we hieraanvullend ook bestuurlijke afspraken over opnemen in het pact opleidenvoor de arbeidsmarkt van de toekomst. Ik zal uw Kamer hier, waar nodig,over informeren.Praktijkgericht onderzoekOm de onderwijskwaliteit te versterken via onderzoek en innovatie wil ik,onder andere, een speerpunt maken van de kennis- en innovatie-infrastructuur in het mbo. Zoals mijn ambtsvoorganger eerder met uwKamer heeft gecommuniceerd, is er een verkenning uitgevoerd naarpraktijkgericht onderzoek in het mbo.13 Deze verkenning bied ik u bij dezebrief aan. Hiermee heb ik uitvoering gegeven aan de motie van de ledenKrul en Peters (beiden CDA). In deze verkenning wordt aangestipt dat eengoede infrastructuur voor kennis en innovatie belangrijk is om deinnovatiekracht in het mbo beter te benutten. Zo kunnen de opgedanekennis en innovaties op een goede manier beschikbaar worden gesteldaan mbo-docenten. Door hen te ondersteunen in het verwerken van dezeontwikkelingen in het onderwijsprogramma, kunnen zij binnen hun teamshet onderwijs evidence-informed verbeteren.Practoraten en praktijkgericht onderzoek zijn een belangrijk onderdeel vandeze infrastructuur. Zo wordt binnen practoraten onderzocht welkeonderwijsinnovaties of innovaties binnen het bedrijfsleven kunnenbijdragen aan verbetering van het mbo-onderwijs. Om te waarborgen datde beste praktijkvoorbeelden zich evidence-informed kunnen verspreidenis het essentieel dat de kwaliteit van het onderzoek dat binnen depractoraten plaatsvindt, wordt versterkt. Ik ga de komende tijd met hetveld in gesprek om nader te bepalen wat een goede positie is voor depractoraten en via welk tijdpad daarnaar toegegroeid kan worden. Daarbijbelicht ik aspecten als het stellen van functie-eisen voor practoren en wil12Zie hiervoor het rapport «Startrapportage prioriteit 2: overgang onderwijs-arbeidsmarkt» bijKamerstukken II 2023/2024, 31 524, nr. 617. De informatie uit het rapport is afkomstig van dejaarlijkse telling van studenten door DUO.13Kamerstukken II 2022/23, 29 338, nr. 269.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6246 ik aandacht besteden aan de uitdagingen die practoren regelmatigervaren met betrekking tot de toegang tot externe financiering via calls enregelingen. In het eerste kwartaal van 2025 informeer ik uw Kamerhierover.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6247

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 67c7646527dc6f88

14 okt 2026 · 637491dbe60ac97f

13 okt 2026 · d5642e5126353344

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.